Home

Richtlijn van de Raad van 19 juli 1968 betreffende de uniformisatie van de voorschriften ten aanzien van de toelating met vrijdom van recht van de zich in de reservoirs van bedrijfsautomobielen bevindende brandstof (68/297/EEG)

Richtlijn van de Raad van 19 juli 1968 betreffende de uniformisatie van de voorschriften ten aanzien van de toelating met vrijdom van recht van de zich in de reservoirs van bedrijfsautomobielen bevindende brandstof (68/297/EEG)

[Tekst geldig vanaf 12-07-1985]

RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 19 juli 1968

betreffende de uniformisatie van de voorschriften ten aanzien van de toelating met vrijdom van recht van de zich in de reservoirs van bedrijfsautomobielen bevindende brandstof

(68/297/EEG)



DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 75 en 99,

Gelet op de beschikking van de Raad van 13 mei 1965 met betrekking tot de harmonisatie van bepaalde voorschriften die van invloed zijn op de mededinging in het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren ( 1 ), inzonderheid op artikel 1, sub b),

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europese Parlement ( 2 ),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 3 ),

Overwegende dat de verwezenlijking van een gemeenschappelijk vervoerbeleid de totstandbrenging vereist van gemeenschappelijke regels voor internationaal vervoer van of naar het grondgebied van een Lid-Staat of over het grondgebied van een of meer Lid-Staten;

Overwegende dat de totstandbrenging van deze gemeenschappelijke regels ook de uniformisatie moet omvatten van de voorschriften betreffende de toelating met vrijdom van recht van de zich in de reservoirs van bedrijfsautomobielen bevindende brandstof;

Overwegende dat, met het oog op de harmonisatie van de mededingingsvoorwaarden tussen de vervoerondernemers van de verschillende Lid-Staten,

— de minimumhoeveelheid brandstof die met vrijdom van recht mag worden toegelaten dient te worden bepaald en de voorwaarden voor de toelating met vrijdom van recht van extra hoeveelheden dienen te worden vastgesteld;

— de bepalingen welke in een Lid-Staat met betrekking tot de toelating met vrijdom van recht van brandstof worden toegepast gelijk dienen te zien, ongeacht in welke Lid-Staat de voertuigen zijn geregistreerd;

Overwegende dat het, ter voorkoming van misbruik van de met vrijdom van recht toegelaten brandstof, dienstig is een bijzondere bepaling betreffende de grensgebieden vast te stellen,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:



Artikel 1

De Lid-Staten gaan, overeenkomstig deze richtlijn, over tot uniformisatie van de bepalingen inzake de toelating met vrijdom van recht van de brandstof die zich bevindt in de normale reservoirs van bedrijfsvoertuigen die de gemeenschappelijke grenzen tussen de Lid-Staten overschrijden.

Artikel 1 bis

Voor de toepassing van deze richtlijn worden eveneens geacht een gemeenschappelijke grens tussen de Lid-Staten te overschrijden, de in een Lid-Staat geregistreerde bedrijfsautomobielen die per schip over zee worden vervoerd tussen twee havens die elk op het grondgebied van een Lid-Staat zijn gelegen.

Artikel 2

In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder:

— bedrijfsvoertuig: elk motorvoertuig dat op grond van zijn constructietype en zijn uitrusting geschikt en bestemd is voor vervoer, al dan niet tegen betaling:

a) van meer dan negen personen, met inbegrip van de bestuurder;

b) van goederen;

— „normale reservoirs”: de door de fabrikant blijvend in of aan alle motorvoertuigen van hetzelfde type als het betrokken voertuig aangebrachte reservoirs, waarvan de blijvende inrichting het rechtstreeks verbruik van brandstof mogelijk maakt, zowel voor de voortbeweging van de voertuigen als, in voorkomend geval, voor de werking van koelsystemen.

— Als normale reservoirs gelden ook gasreservoirs die zijn aangebracht aan motorvoertuigen en die het rechtstreeks verbruik van gas als brandstof mogelijk maken.

Artikel 3

1.  De Lid-Staten laten met vrijdom van rechten de volgende hoeveelheden brandstof toe die zich in de normale reservoirs van bedrijfsvoertuigen bevinden:

a) 200 liter per voertuig en per reis in het geval van voertuigen geschikt en bestemd voor goederenvervoer, al dan niet tegen betaling;

b) 600 liter per voertuig en per reis in het geval van voertuigen geschikt en bestemd voor vervoer, al dan niet tegen betaling, van meer dan negen personen, met inbegrip van de bestuurder.

De Raad zal, volgens de procedure waarin het Verdrag, ter zake voorziet, op voorstel van de Commissie, vóór 1 juli 1986 besluiten over de verhoging van de hoeveelheid brandstof in de normale reservoirs van de in de eerste alinea, sub a), bedoelde voertuigen die voor vrijstelling in aanmerking komt.

2.  Bij iedere belangrijke onderlinge aanpassing van de nationale belastingen op dieselolie stelt de Raad met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, de hoeveelheid brandstof vast waarvoor de Lid-Staten boven de in lid 1 bedoelde hoeveelheid vrijdom van recht verlenen.

Op dezelfde wijze zal de Raad besluiten tot toelating met vrijdom van recht van alle brandstof die zich bevindt in de normale reservoirs van bedrijfsautomobielen, wanneer de verschillen tussen deze belastingen voldoende zullen zijn verminderd.

3.  Iedere Lid-Staat kan grotere hoeveelheden brandstof dan die welke uit de toepassing van de leden 1 en 2 voortvloeien, met vrijdom van recht toelaten.

4.  De door een Lid-Staat uit hoofde van de vorige leden vastgestelde hoeveelheden brandstof moeten gelijk zijn, ongeacht in welke Lid-Staat de betrokken bedrijfsautomobielen zijn geregistreerd.

Artikel 4

De bepalingen welke uit hoofde van deze richtlijn door een Lid-Staat worden vastgesteld, mogen in geen geval minder gunstig zijn dan die, welke deze Lid-Staat toepast ten aanzien van de in derde landen geregistreerde bedrijfsautomobielen die gemeenschappelijke grenzen tussen de Lid-Staten overschrijden.

Artikel 6

De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn getroffen maatregelen.

Artikel 7

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.


( 1 ) PB nr. 88 van 24. 5. 1965, blz. 1500/65.

( 2 ) PB nr. 28 van 17. 2. 1967, blz. 459/67.

( 3 ) PB nr. 42 van 7. 3. 1967, blz. 618/67.