Home

Richtlijn van de Raad van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de achterkentekenplaatverlichting van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (76/760/EEG)

Richtlijn van de Raad van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de achterkentekenplaatverlichting van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (76/760/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europese Parlement(1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(2),

  1. Overwegende dat de technische voorschriften waaraan motorvoertuigen krachtens de nationale wetgevingen moeten voldoen onder meer betrekking hebben op de achterkentekenplaatverlichting;

  2. Overwegende dat deze voorschriften van Lid-Staat tot Lid-Staat verschillen; dat het derhalve noodzakelijk is dat alle Lid-Staten dezelfde voorschriften aannemen, hetzij ter aanvulling, hetzij in de plaats van hun huidige regelingen, met name om voor elk type voertuig de uitvoering mogelijk te maken van de E.E.G.-goedkeuringsprocedure van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan(3);

  3. Overwegende dat de Raad bij Richtlijn 76/756/EEG(4) de gemeenschappelijke voorschriften betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan heeft vastgesteld;

  4. Overwegende dat elke Lid-Staat, op grond van een geharmoniseerde goedkeuringsprocedure voor de achterkentekenplaatverlichting, in staat is te constateren of de gemeenschappelijke constructie- en beproevingsvoorschriften worden nageleefd, en de andere Lid-Staten van het geconstateerde in kennis te stellen door het toezenden van een afschrift van het goedkeuringsformulier dat voor elk type achterkentekenplaatverlichting wordt opgesteld; dat het aanbrengen van een E.E.G.-goedkeuringsmerk op alle inrichtingen, die in overeenstemming met het goedgekeurde type zijn gefabriceerd, een technische controle van deze inrichtingen in de andere Lid-Staten overbodig maakt;

  5. Overwegende dat rekening dient te worden gehouden met sommige technische voorschriften die door de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties zijn vastgelegd in haar reglement nr. 4 (Uniform provisions for the approval of devices for the illumination of rear registration plates of motor vehicles (except motor cycles) and their trailers)(5) dat is gehecht aan het „Agreement of 20 March 1958 concerning the adoption of uniform conditions for approval and reciprocal recognition of approval for motor vehicle equipment and parts”;

  6. Overwegende dat de onderlinge aanpassing van de nationale wetgevingen inzake motorvoertuigen inhoudt dat de Lid-Staten onderling de controle erkennen die door elk van hen op grond van de gemeenschappelijke voorschriften wordt uitgevoerd,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1.

Iedere lidstaat verleent de EEG-onderdeeltypegoedkeuring voor elk type achterkentekenplaatverlichting dat voldoet aan de in de bijlagen opgenomen constructie- en keuringsvoorschriften.

2.

De Lid-Staat die de E.E.G.-goedkeuring heeft verleend, treft de nodige maatregelen, om zo nodig in samenwerking met de bevoegde instanties van de andere Lid-Staten, voor zover noodzakelijk te controleren of de produktie in overeenstemming is met het goedgekeurde type. Deze controle beperkt zich tot steekproeven.

Artikel 2

De lidstaten kennen de fabrikant een EEG-onderdeeltypegoedkeuringsmerk toe overeenkomstig de in bijlage I, aanhangsel 3, vastgestelde modellen, voor elk type achterkentekenplaatverlichting dat voor hen krachtens artikel 1 wordt goedgekeurd.

De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen, ten einde te voorkomen dat merken worden gebruikt waardoor verwarring kan ontstaan tussen de achterkentekenplaatverlichting van een krachtens artikel 1 goedgekeurd type en andere inrichtingen.

Artikel 3

1.

De Lid-Staten mogen het op de markt brengen van een achterkentekenplaatverlichting, voorzien van het E.E.G.-goedkeuringsmerk, niet verbieden om redenen die verband houden met hun constructie of werking.

2.

Een Lid-Staat mag echter het op de markt brengen van een achterkentekenplaatverlichting, voorzien van het E.E.G.-goedkeuringsmerk, verbieden wanneer deze systematisch niet in overeenstemming is met het goedgekeurde type.

Deze Lid-Staat brengt de genomen maatregelen onverwijld ter kennis van de andere Lid-Staten en de Commissie, met opgave van de redenen van zijn beslissing.

Artikel 4

De bevoegde instanties van de lidstaten stellen elkaar volgens de in artikel 4, lid 6, van Richtlijn 70/156/EEG aangegeven procedure op de hoogte van elke goedkeuring die zij overeenkomstig de onderhavige richtlijn hebben verleend, geweigerd of ingetrokken.

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 12

LIJST VAN BIJLAGEN

BIJLAGE IADMINISTRATRIEVE BEPALINGEN VOOR DE TYPEGOEDKEURING

Aanhangsel 1

Aanhangsel 2

Aanhangsel 3

BIJLAGE IITOEPASSINGSGEBIED EN TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN