Richtlijn van de Raad van 29 maart 1977 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het geluidsniveau op oorhoogte van bestuurders van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (77/311/EEG)
Richtlijn van de Raad van 29 maart 1977 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het geluidsniveau op oorhoogte van bestuurders van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (77/311/EEG)
1977L0311 — NL — 27.03.2006 — 003.001
Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen
RICHTLIJN VAN DE RAAD van 29 maart 1977 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het geluidsniveau op oorhoogte van bestuurders van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PB L 105, 28.4.1977, p.1) |
Gewijzigd bij:
Publicatieblad | ||||
No | page | date | ||
L 378 | 45 | 31.12.1982 | ||
RICHTLIJN 97/54/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 23 september 1997 | L 277 | 24 | 10.10.1997 | |
RICHTLIJN 2006/26/EG VAN DE COMMISSIE Voor de EER relevante tekst van 2 maart 2006 | L 65 | 22 | 7.3.2006 |
RICHTLIJN VAN DE RAAD
van 29 maart 1977
betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het geluidsniveau op oorhoogte van bestuurders van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen
(77/311/EEG)
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europese Parlement (1),
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),
Overwegende dat het, ten einde de toepassing mogelijk te maken van de procedure inzake EEG-goedkeuring die is vastgelegd in Richtlijn 74/150/EEG van de Raad van 4 maart 1974 inzake de ondelinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (3), nodig is voorschriften uit te vaardigen waardoor de arbeidsveiligheid wordt gewaarborgd en met name het gehoor te beschermen van de werknemers in de agrarische sector die deze trekkers besturen;
Overwegende dat deze voorschriften des te meer noodzakelijk zijn aangezien de wetgeving van slechts twee Lid-Staten nauwkeurige bepalingen bevat met betrekking tot het geluidsniveau op oorhoogte van bestuurders van bovengenoemde trekkers;
Overwegende dat de hierboven bedoelde ongelijkheden in de nationale wetgevingen van zodanige aard zijn dat ze het handelsverkeer binnen de Gemeenschap belemmeren en daardoor een hinderpaal vormen voor de totstandbrenging en de werking van de gemeenschappelijke markt,
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
1. In de zin van deze richtlijn wordt onder trekker (landbouw- of bosbouwtrekker) verstaan elk motorvoertuig op wielen of rupsbanden met ten minste twee assen, voornamelijk bestemd voor tractiedoeleinden en in het bijzonder ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde werktuigen, machines of aanhangwagens die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd. De trekker kan zijn ingericht voor het vervoer van een lading en van meerijders.
2. Deze richtlijn geldt slechts voor de in lid 1 omschreven trekkers, gemonteerd op luchtbanden, met ten minste twee assen en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid die ligt tussen 6 en ►M2 40 km/h ◄ .
Artikel 2
1. De Lid-Staten mogen de EEG-goedkeuring, de nationale goedkeuring, de verkoop, de registratie of het in het verkeer brengen van een trekker niet weigeren om redenen die verband houden met het geluidsniveau op oorhoogte van de bestuurder, indien dit niveau de volgende grenzen niet overschrijdt:
90 dB (A) gemeten onder de voorwaarden bepaald in bijlage I
of
86 dB (A) gemeten onder de voorwaarden bepaald in bijlage II.
Gedurende een overgangsperiode die eindigt op een vóór 1 oktober 1981 overeenkomstig de procedure van artikel 13 van Richtlijn 74/150/EEG vastgestelde datum worden bovenstaande grenzen verhoogd met 6 dB (A) voor proefnemingen uitgevoerd onder de voorwaarden bepaald in punt 3.2.1.1 van bijlage I en in punt 3.2.2.1 van bijlage II.
2. Gedurende een overgangsperiode die eindigt op een vóór 1 oktober 1981 overeenkomstig de procedure van artikel 13 van Richtlijn 74/150/EEG vastgestelde datum, mogen de Lid-Staten trekkers zonder cabine toelaten tot de nationale goedkeuring, de verkoop, de registratie of het in het verkeer brengen, indien het geluidsniveau de volgende grenzen niet overschrijdt:
96 dB (A) gemeten onder de voorwaarden bepaald in bijlage I
of
92 dB (A) gemeten onder de voorwaarden bepaald in bijlage II.
Artikel 3
Onder cabine in de zin van deze richtlijn wordt verstaan elke constructie uitgevoerd met al dan niet doorzichtige stijve elementen, die de bestuurder aan alle zijden omgeeft en hem naar buiten afschermt en die in bedrijf voortdurend gesloten kan blijven.
Artikel 4
De Lid-Staten nemen alle passende maatregelen opdat zowel bij het aanbieden voor de verkoop als in de reclame niets wordt gebruikt om aan trekkers, wat het geluidsniveau op oorhoogte van de bestuurder betreft, eigenschappen toe te kennen die ze niet hebben.
Artikel 5
De wijzigingen die noodzakelijk zijn om de voorschriften van de bijlagen aan te passen aan de technische vooruitgang, worden vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 13 van Richtlijn 74/150/EEG.
Artikel 6
1. Binnen achttien maanden na kennisgeving van deze richtlijn voeren de Lid-Staten de nodige maatregelen in om aan het bepaalde in deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie hiervan onmiddellijk in kennis.
2. De Lid-Staten zien erop toe dat de tekst van de belangrijke bepalingen van hun nationale wetgeving, die zij aanvaarden op het gebied waarop deze richtlijn van toepassing is, ter kennis van de Commissie wordt gebracht.
Artikel 7
Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.
BIJLAGE I
GELUIDSNIVEAUMETER, MEETVOORWAARDEN EN MEETMETHODE
1. MEETEENHEID EN MEETAPPARAAT
1.1. | Meeteenheid Het geluidsniveau wordt gemeten in decibel A, afgekort dB (A). |
1.2. | Meetapparaat De metingen van het geluidsniveau op oorhoogte van de bestuurder worden verricht met behulp van een geluidsniveaumeter, overeenkomstig het type omschreven in publikatie 179, eerste uitgave, 1965, van de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC). Bij veranderlijke aanwijzing neemt men het gemiddelde van de maximale waarden. |
2. MEETVOORWAARDEN
De metingen worden verricht onder de volgende voorwaarden:
2.1. | de trekker moet onbeladen zijn, dat wil zeggen niet voorzien van optionele accessoires maar wel van koelmiddel, smeermiddelen, motorbrandstof, gereedschap en bestuurder. Deze laatste mag geen al te dikke kleding, of shawl of hoed dragen. In de trekker mogen zich geen akoestisch storende voorwerpen bevinden; |
2.2. | de banden moeten zijn opgepompt op de door de fabrikant van de trekker voorgeschreven spanning; de motor, transmissie en aandrijfassen moeten op normale bedrijfstemperatuur zijn en het scherm van de koelradiator, indien aanwezig, moet tijdens de meting volledig geopend zijn; |
2.3. | accessoires die door de motor of afzonderlijk worden aangedreven, zoals ruitewissers, blower, aftakas, moeten bij de meting worden uitgeschakeld voor zover het geluidsniveau hierdoor kan worden beïnvloed; onderdelen die onder normale omstandigheden tegelijk met de motor functioneren, bijvoorbeeld de koelventilator van de motor, moeten tijdens de meting in bedrijf zijn; |
2.4. | het meettraject moet gelegen zijn op een voldoende stille open plaats. Dit traject kan bijvoorbeeld bestaan uit een open ruimte met een straal van 50 meter, waarvan het middengedeelte met een straal van ten minste 20 meter praktisch waterpas is, dan wel uit een horizontale baan met stevige bodem, zoveel mogelijk vlak en zonder groeven. De baan moet zo schoon en droog mogelijk zijn (bijvoorbeeld niet bedekt met grind, bladeren, sneeuw, enz.). Hellingen en oneffenheden zijn slechts toelaatbaar wanneer de daardoor veroorzaakte schommelingen van het geluidsniveau binnen de foutenmarges van de meetapparaten liggen; |
2.5. | de bekleding van de rijbaan moet zodanig zijn, dat de banden geen overmatig geluid produceren; |
2.6. | het weer moet helder zijn en de wind zwak. Het achtergrondgeluidsniveau, veroorzaakt door wind of andere geluidsbronnen, moet op oorhoogte van de bestuurder ten minste 10 dB (A) lager liggen dan het geluidsniveau van de trekker; |
2.7. | indien voor de registratie van de metingen gebruik wordt gemaakt van een voertuig, dan dient dit voertuig op een zodanige afstand van de trekker te worden getrokken of gereden dat elke storing wordt vermeden. Gedurende de meting mogen er zich geen voor het meten hinderlijke voorwerpen of weerkaatsende oppervlakken bevinden binnen een afstand van 20 m aan weerszijden van het rijtraject of binnen een afstand van 20 m vóór of achter het voertuig. Deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld indien de aldus veroorzaakte schommelingen van het geluidsniveau binnen de meettoleranties liggen: zo niet, dan moet de meting worden stopgezet, zolang de verstoring duurt; |
2.8. | alle metingen van een zelfde reeks moeten op hetzelfde traject geschieden. |
3. MEETMETHODE
3.1. | De microfoon wordt zijdelings geplaatst op een afstand van 250 mm van het middenvlak van de zitplaats en wel aan de zijde waar het geluidsniveau het hoogst is. Het membraan van de microfoon moet in de rijrichting wijzen en het midden van de microfoon moet zich bevinden op 790 mm boven en 150 mm vóór het referentiepunt van de zitplaats, beschreven in bijlage III. Overmatige trilling van de microfoon moet worden vermeden. |
3.2. | Ten einde het maximale geluidsniveau in db (A) te verkrijgen:
|
3.3. | In het rapport moeten de volgende metingen van het geluidsniveau worden vermeld:
|
4. BEOORDELING
De metingen verricht overeenkomstig de punten 3.2.1, 3.2.2, 3.2.3 en 3.2.4 mogen de in artikel 2 vastgestelde grenswaarden niet overschrijden.
BIJLAGE II
GELUIDSNIVEAUMETER, MEETVOORWAARDEN EN MEETMETHODE
1. MEETEENHEID EN MEETAPPARAAT
1.1. | Meeteenheid Het geluidsniveau wordt gemeten in decibel A, afgekort dB (A). |
1.2. | Meetapparaat De metingen van het geluidsniveau op oorhoogte van de bestuurder worden verricht met behulp van een geluidsniveaumeter, overeenkomstig het type omschreven in publikatie 179, eerste uitgave, 1965, van de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC). Bij veranderlijke aanwijzing neemt men het gemiddelde van de maximale waarden. |
2. MEETVOORWAARDEN
De metingen worden verricht onder de volgende voorwaarden:
2.1. | de trekker moet onbeladen zijn, dat wil zeggen niet voorzien van optionele accessoires maar wel van koelmiddel, smeermiddelen, motorbrandstof, gereedschap en bestuurder. Deze laatste mag geen al te dikke kleding, of shawl of hoed dragen. In de trekker mogen zich geen akoestisch storende voorwerpen bevinden; |
2.2. | de banden moeten zijn opgepompt op de door de fabrikant van de trekker voorgeschreven spanning; de motor, transmissie en aandrijfassen moeten op normale bedrijfstemperatuur zijn en het scherm van de koelradiator, indien aanwezig, moet tijdens de meting volledig geopend zijn; |
2.3. | accessoires die door de motor of afzonderlijk worden aangedreven, zoals ruitewissers, blower, aftakas, moeten bij de meting worden uitgeschakeld voor zover het geluidsniveau hierdoor kan worden beïnvloed; onderdelen die onder normale omstandigheden tegelijk met de motor functioneren, bijvoorbeeld de koelventilator van de motor, moeten tijdens de meting in bedrijf zijn; |
2.4. | het meettraject moet gelegen zijn op een voldoende stille open plaats. Dit traject kan bijvoorbeeld bestaan uit een open ruimte met een straal van 50 meter, waarvan het middengedeelte met een straal van ten minste 20 meter praktisch waterpas is, dan wel uit een horizontale baan met stevige bodem, zoveel mogelijk vlak en zonder groeven. De baan moet zo schoon en droog mogelijk zijn (bijvoorbeeld niet bedekt met grind, bladeren, sneeuw, enz.). Hellingen en oneffenheden zijn slechts toelaatbaar wanneer de daardoor veroorzaakte schommelingen van het geluidsniveau binnen de foutenmarges van de meetapparaten liggen; |
2.5. | de bekleding van de rijbaan moet zodanig zijn, dat de banden geen overmatig geluid produceren; |
2.6. | het weer moet helder zijn en de wind zwak. Het achtergrondgeluidsniveau, veroorzaakt door wind of andere geluidsbronnen, moet op oorhoogte van de bestuurder ten minste 10 dB (A) lager liggen dan het geluidsniveau van de trekker; |
2.7. | indien voor de registratie van de metingen gebruik wordt gemaakt van een voertuig, dan dient dit voertuig op een zodanige afstand van de trekker te worden getrokken of gereden dat elke storing wordt vermeden. Gedurende de meting mogen er zich geen voor het meten hinderlijke voorwerpen of weerkaatsende oppervlakken bevinden binnen een afstand van 20 meter vóór of achter het voertuig. Deze voorwaarde wordt geacht te zijn vervuld indien de aldus veroorzaakte schommelingen van het geluidsniveau binnen de meettoleranties liggen: zo niet, dan moet de meting worden stopgezet, zolang de verstoring duurt; |
2.8. | alle metingen van een zelfde reeks moeten op hetzelfde traject geschieden. |
3. MEETMETHODE
3.1. | De microfoon wordt zijdelings geplaatst op een afstand van 250 mm van het middenvlak van de zitplaats en wel aan de zijde waar het geluidsniveau het hoogst is. Het membraan van de microfoon moet in de rijrichting wijzen en het midden van de microfoon moet zich bevinden op 790 mm boven en 150 mm vóór het referentiepunt van de zitplaats, beschreven in bijlage III. Overmatige trilling van de microfoon moet worden vermeden. |
3.2. | Ten einde het geluidsniveau te verkrijgen moet als volgt te werk worden gegaan:
|
4. BEOORDELING
De metingen verricht overeenkomstig de punten 3.2.2 en 3.2.3 mogen de in artikel 2 vastgestelde grenswaarden niet overschrijden.
BIJLAGE III
BEPALING VAN HET REFERENTIEPUNT VAN DE ZITPLAATS
1. DEFINITIE
1.1. | Het referentiepunt (S) van de zitplaats is het punt van het middenvlak in de lengterichting waar het raakvlak aan het onderste deel van de rugleuning en een horizontaal vlak elkaar snijden. Dit horizontale vlak snijdt de onderkant van de plaat voor de zitting op een afstand van 150 mm vóór het referentiepunt. |
2. BEPALING VAN HET REFERENTIEPUNT VAN DE ZITPLAATS
2.1. | Het referentiepunt van de zitplaats wordt verkregen door gebruik te maken van het hulpgereedschap afgebeeld in de figuren 1 en 2 van het aanhangsel van deze bijlage, met behulp waarvan de belasting op de zitplaats door de bestuurder kan worden gesimuleerd. |
2.2. | De stoel dient te worden ingesteld in het midden van het instelbereik in verticale richting; deze instelling geschiedt onafhankelijk van de horizontale instelling. Voor de vaststelling van de plaats van de microfoon bedoeld in punt 3 van de bijlagen I en II, moet de stoel in de middenpositie van het horizontale afstelbereik worden geplaatst, of in een stand die deze positie zoveel mogelijk benadert. |
3. KENMERKEN VAN HET HULPGEREEDSCHAP
3.1. | Het in 2.1 bedoelde hulpgereedschap bestaat uit een plaat voor de zitting en twee platen voor de rugleuning. |
3.2. | De onderste plaat van de rugleuning scharniert ter hoogte van de zitbeenknobbels (A) en de lendenen (B), waarbij het punt (B) in de hoogte verstelbaar is (zie figuur 2). |
4. PLAATSING VAN HET HULPGEREEDSCHAP
Het toestel wordt als volgt aangebracht:
4.1. | men plaatst het toestel op de zitplaats; |
4.2. | het wordt belast met een kracht van 550 N op een afstand van 50 mm vóór scharnierpunt A, terwijl de twee platen voor de rugleuning licht tegen de rugleuning worden aangedrukt; |
4.3. | indien het niet mogelijk is het raakpunt met het onderste deel van de rugleuning nauwkeurig vast te stellen, dient de onderste plaat voor de rugleuning in verticale positie licht tegen de rugleuning te worden aangedrukt; |
4.4. | indien de vering van de stoel afhankelijk van het gewicht van de bestuurder kan worden ingesteld, wordt deze zodanig ingesteld dat de zitplaats zich in het midden van de twee uiterste posities bevindt. |
AANHANGSEL
(1) PB nr. C 127 van 18. 10. 1974, blz. 34.
(2) PB nr. C 125 van 16. 10. 1974, blz. 30.
(3) PB nr. L 84 van 28. 3. 1974, blz. 10.