Home

Zevende Richtlijn van de Raad van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g) van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (83/349/EEG)

Zevende Richtlijn van de Raad van 13 juni 1983 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g) van het Verdrag betreffende de geconsolideerde jaarrekening (83/349/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 54, lid 3, sub g),

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Europese (SIC! Europees) Parlement(2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(3),

  1. Overwegende dat de Raad op 25 juli 1978 Richtlijn 78/660/EEG(4) heeft aangenomen, welke richtlijn de coördinatie beoogt van de nationale wetgevingen inzake de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen; dat een groot aantal vennootschappen deel uitmaakt van een geheel van ondernemingen; dat een geconsolideerde jaarrekening moet worden opgesteld om de financiële informatie over een dergelijk geheel van ondernemingen ter kennis van aandeelhouders en derden te brengen; dat daarom coördinatie van de nationale wetgevingen inzake geconsolideerde jaarrekeningen nodig is, ten einde de doelstellingen inzake vergelijkbaarheid en gelijkwaardigheid van deze informatie te verwezenlijken;

  2. Overwegende dat, om te kunnen vaststellen onder welke voorwaarden consolidatie verplicht is, niet alleen rekening moet worden gehouden met de gevallen waarin de zeggenschap berust op een meerderheid van de stemrechten, maar ook met de gevallen waarin de zeggenschap berust op overeenkomsten, wanneer die zijn toegestaan; dat de Lid-Staten waar zulks zich voordoet, voorts in staat moeten worden gesteld het geval te regelen waarin, in bepaalde omstandigheden, de daadwerkelijke uitoefening van de zeggenschap is geconstateerd op basis van een minderheidsdeelneming; dat tenslotte de Lid-Staten de mogelijkheid moeten krijgen het geval te regelen van een geheel van ondernemingen die onderling op voet van gelijkheid staan;

  3. Overwegende dat de coördinatie op het gebied van de geconsolideerde jaarrekening tot doel heeft de met kapitaalvennootschappen verbonden belangen te beschermen; dat zulks meebrengt dat er in beginsel een geconsolideerde jaarrekening moet worden opgesteld wanneer een dergelijke vennootschap deel uitmaakt van een geheel van ondernemingen en dat de opstelling van een geconsolideerde jaarrekening verplicht is, althans wanneer die vennootschap een moederonderneming is; dat daarenboven het belang van een volledige informatie vergt dat een dochteronderneming, wanneer zij zelf moederonderneming is, een geconsolideerde jaarrekening opstelt; dat een dergelijke moederonderneming kan en onder bepaalde voorwaarden zelfs moet worden vrijgesteld van de verplichting om een geconsolideerde jaarrekening op te stellen, mits aandeelhouders en derden voldoende worden beschermd;

  4. Overwegende dat voor een geheel van ondernemingen dat een bepaalde omvang niet overschrijdt, een vrijstelling van de verplichting om een geconsolideerde jaarrekening op te stellen op haar plaats kan zijn; dat derhalve bovengrenzen voor een dergelijke vrijstelling moeten worden vastgesteld; dat dit inhoudt dat de Lid-Staten kunnen bepalen dat overschrijding van de grenswaarde van slechts één der drie criteria voldoende is om de vrijstelling niet toe te passen, dan wel lagere grenswaarden kunnen invoeren dan die welke in die richtlijn zijn voorgeschreven;

  5. Overwegende dat de geconsolideerde jaarrekening een getrouw beeld moet geven van het vermogen, de financiële positie en de resultaten van het geheel van de ondernemingen die in de consolidatie zijn begrepen; dat te dien einde de consolidatie in beginsel alle ondernemingen van dat geheel moet omvatten; dat die consolidatie alle activa en passiva, alsmede alle baten en lasten van deze ondernemingen moet omvatten, met afzonderlijke vermelding van de belangen van personen buiten dit geheel; dat evenwel de noodzakelijke correcties moeten worden aangebracht om de gevolgen van de financiële betrekkingen tussen de in de consolidatie opgenomen ondernemingen te laten wegvallen;

  6. Overwegende dat voor de opstelling van geconsolideerde jaarrekeningen en voor de in dat verband te verrichten waardering een aantal beginselen moeten worden vastgesteld ten einde (SIC! teneinde) te waarborgen dat deze rekeningen coherente en vergelijkbare elementen bevatten, zowel vanuit het oogpunt van de bij hun waardering aangewende methoden als vanuit dat van de keuze van de tijdvakken waarop zij betrekking hebben;

  7. Overwegende dat deelnemingen in het kapitaal van ondernemingen waarop in de consolidatie begrepen ondernemingen een aanmerkelijke invloed uitoefenen, in de geconsolideerde jaarrekening op realistische basis moeten worden opgenomen door de vermogensmutatiemethode;

  8. Overwegende dat het noodzakelijk is dat de toelichting op de geconsolideerde jaarrekening nauwkeurige gegevens over de te consolideren ondernemingen bevat;

  9. Overwegende dat bepaalde afwijkingen, die aanvankelijk bij wijze van overgangsbepaling in Richtlijn 78/660/EEG waren opgenomen, kunnen worden gehandhaafd onder voorbehoud van heroverweging,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

AFDELING 1 Voorwaarden voor de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening

Artikel 1

1.

De Lid-Staten leggen aan iedere onder hun nationaal recht vallende onderneming de verplichting op, een geconsolideerde jaarrekening en een geconsolideerd jaarverslag op te stellen indien deze onderneming (moederonderneming):

  1. de meerderheid bezit van de stemrechten van de aandeelhouders van een onderneming (dochteronderneming);

    of

  2. het recht heeft de meerderheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van een onderneming (dochteronderneming) te benoemen of te ontslaan, en tevens aandeelhouder is van deze onderneming;

    of

  3. het recht heeft een overheersende invloed uit te oefenen op een onderneming (dochteronderneming) waarvan zij aandeelhouder is, krachtens een met deze onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van deze onderneming, indien het recht waaronder deze dochteronderneming valt, toestaat dat zij aan de werking van dergelijke overeenkomsten of statutaire bepalingen onderworpen is; de Lid-Staten behoeven niet voor te schrijven dat de moederonderneming aandeelhouder van de dochteronderneming moet zijn. Lid-Staten waarvan het recht dergelijke overeenkomsten of statutaire bepalingen niet kent, behoeven deze bepaling niet toe te passen;

    of

  4. aandeelhouder van een onderneming is en

    • enkel door uitoefening van haar stemrechten de meerderheid is benoemd der leden van de bestuurs-, leidinggevende of toezichthoudende organen van deze onderneming (dochteronderneming) die gedurende het voorafgaande boekjaar en het boekjaar, tot aan de opstelling van de geconsolideerde jaarrekening, in functie zijn,

      of

    • op grond van een overeenkomst met andere aandeelhouders van die onderneming (dochteronderneming), alleen de meerderheid beheerst van de stemrechten van de aandeelhouders van die onderneming. De Lid-Staten kunnen nadere eisen betreffende vorm en inhoud van die overeenkomst vaststellen.

    De Lid-Staten schrijven ten minste de sub bb) genoemde regeling voor.

    Zij kunnen de toepassing van het bepaalde sub aa) afhankelijk stellen van de voorwaarde dat aan de deelneming 20 % of meer van de stemrechten van de aandeelhouders moet zijn verbonden.

    Het bepaalde sub aa) is evenwel niet van toepassing indien een andere onderneming tegenover deze dochteronderneming de sub a), b) of c) bedoelde rechten heeft.

2.

Naast de in lid 1 genoemde gevallen kunnen de lidstaten een onder hun nationaal recht vallende onderneming verplichten een geconsolideerde jaarrekening en een geconsolideerd jaarverslag op te stellen indien:

  1. deze onderneming (moederonderneming) op een andere onderneming (dochteronderneming) een overheersende invloed of zeggenschap kan uitoefenen of feitelijk uitoefent; of

  2. deze onderneming (moederonderneming) en een andere onderneming (dochteronderneming) onder centrale leiding van de moederonderneming staan.

Artikel 2

1.

Voor de toepassing van artikel 1, lid 1, sub a), b) en d), moet het stem-, benoemings- of ontslagrecht van een andere dochteronderneming en de rechten van een persoon die in eigen naam maar voor rekening van de moederonderneming of van een andere dochteronderneming handelt, worden geteld bij de rechten van de moederonderneming.

2.

Voor de toepassing van artikel 1, lid 1, sub a), b en d), moeten de in lid 1 van het onderhavige artikel genoemde rechten worden verminderd met de rechten:

  1. verbonden aan de aandelen die worden gehouden voor rekening van anderen dan de moederonderneming of een dochteronderneming,

    of

  2. verbonden aan de aandelen die tot zekerheid worden gehouden, mits deze rechten in overeenstemming met de ontvangen instructies worden uitgeoefend of het bezit van deze aandelen voor de onderneming die deze houdt, een gewone transactie is bij haar leningverstrekkende activiteiten, op voorwaarde dat het stemrecht in het belang van de zekerheidsteller wordt uitgeoefend.

3.

Voor de toepassing van artikel 1, lid 1, sub a) en d), moet het totaal van de stemrechten van de aandeelhouders van de dochteronderneming worden verminderd met de stemrechten verbonden aan de aandelen die worden gehouden door deze onderneming zelf, door een dochteronderneming van deze onderneming of door een persoon in eigen naam, maar voor rekening van deze ondernemingen.

Artikel 3

1.

Onverminderd de artikelen 13 en 15 worden de moederonderneming en al haar dochterondernemingen in de consolidatie opgenomen, ongeacht de plaats van de zetel van die dochterondernemingen.

2.

Voor de toepassing van lid 1 wordt een dochteronderneming van een dochteronderneming geacht een dochteronderneming te zijn van de moederonderneming die aan het hoofd staat van deze in de consolidatie op te nemen ondernemingen.

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 15

AFDELING 2 Wijze van opstelling van de geconsolideerde jaarrekening

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 19

Artikel 20

Artikel 21

Artikel 22

Artikel 23

Artikel 24

Artikel 25

Artikel 26

Artikel 27

Artikel 28

Artikel 29

Artikel 30

Artikel 31

Artikel 32

Artikel 33

Artikel 34

Artikel 35

AFDELING 3 Het geconsolideerde jaarverslag

Artikel 36

AFDELING 3 BIS Verplichting tot en aansprakelijkheid voor het opstellen en publiceren van de geconsolideerde jaarrekening en het geconsolideerde jaarverslag

Artikel 36 bis

Artikel 36 ter

AFDELING 4 Controle van de geconsolideerde rekening

Artikel 37

AFDELING 5 Openbaarmaking van de geconsolideerde rekening

Artikel 38

Artikel 38 bis

AFDELING 6 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 39

Artikel 40

Artikel 41

Artikel 42

Artikel 43

Artikel 44

Artikel 45

Artikel 46

Artikel 47

Artikel 48

Artikel 49

Artikel 50

Artikel 50 bis

Artikel 51