Beschikking van de Commissie van 19 december 1984 tot machtiging van de Bondsrepubliek Duitsland om de handel in zaaizaad van bepaalde rassen van landbouwgewassen te beperken (Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek) (85/59/EEG)
Beschikking van de Commissie van 19 december 1984 tot machtiging van de Bondsrepubliek Duitsland om de handel in zaaizaad van bepaalde rassen van landbouwgewassen te beperken (Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek) (85/59/EEG)
[Tekst geldig vanaf 25-04-1992]
BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE
van 19 december 1984
tot machtiging van de Bondsrepubliek Duitsland om de handel in zaaizaad van bepaalde rassen van landbouwgewassen te beperken
(Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)
(85/59/EEG)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,
Gelet op Richtlijn 70/457/EEG van de Raad van 29 september 1970 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen ( 1 ), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 80/1141/EEG ( 2 ), en met name op artikel 15, leden 2, 3 en 7,
Gezien het door de Bondsrepubliek Duitsland gedane verzoek,
Overwegende dat krachtens artikel 15, lid 1, van voornoemde richtlijn zaaizaad en pootgoed van rassen die in 1982 in ten minste één van de Lid-Staten officieel zijn toegelaten en die overigens voldoen aan de bepalingen van de richtlijn, na 31 december 1984 in de Gemeenschap aan geen enkele handelsbeperking ten aanzien van het ras meer zijn onderworpen;
Overwegende evenwel dat in artikel 15, lid 2, van voornoemde richtlijn is bepaald dat een Lid-Staat die daarom verzoekt, kan worden gemachtigd de handel in zaaizaad en pootgoed van bepaalde rassen te verbieden;
Overwegende dat de Bondsrepubliek Duitsland om een dergelijke machtiging heeft verzocht voor een aantal rassen van verschillende gewassen;
Overwegende dat de betrokken maïsrassen, voor wat de cultuur- of gebruikswaarde betreft, in de Bondsrepubliek Duitsland niet aan een officieel onderzoek te velde zijn onderworpen met het oog op het Duitse verzoek;
De betrokken haverrassen zijn van een wintervorm. De betrokken maïsrassen hebben een FAO-rijpheidsklasse-index van meer dan 350. Het is algemeen bekend dat de wintervormen van haver en de maïsrassen met een FAO-rijpheidsklasse-index van meer dan 350 nog niet geschikt zijn om in de Bondsrepubliek Duitsland te worden verbouwd voor alle gebruiksvormen (artikel 15, lid 3, sub c), tweede geval, van voornoemde richtlijn);
Overwegende dat voor de rassen Argona (Engels raaigras) en Isba (maïs) aan de hand van de dossiers inzake de onderzoekresultaten kan worden geconstateerd dat genoemde rassen in de Bondsrepubliek Duitsland volgens de nationale voorschriften met betrekking tot de toelating van de rassen in de Bondsrepubliek Duitsland, die op grond van de vigerende communautaire bepalingen van toepassing zijn, niet voldoende homogeen zijn wat een aantal eigenschappen betreft (artikel 15, lid 3, sub a), derde geval, van voornoemde richtlijn);
Overwegende dat voor de rassen Argona (Engels raaigras) en Caramba (Italiaans raaigras) aan de hand van de dossiers inzake onderzoekresultaten kan worden geconstateerd dat genoemde rassen in de Bondsrepubliek Duitsland volgens de nationale voorschriften met betrekking tot de toelating van de rassen in de Bondsrepubliek Duitsland, die op grond van de vigerende communautaire bepalingen van toepassing zijn, niet onderscheidbaar zijn van andere in dit land toegelaten rassen (artikel 15, lid 3, sub a), eerste geval, van voornoemde richtlijn);
Overwegende dat het niet mogelijk is het onderzoek voor het ras Balder (Beemdlangbloem) af te sluiten voor afloop van de periode als voorzien in artikel 15, lid 1;
Overwegende dat het derhalve dienstig lijkt om, voor de Bondsrepubliek Duitsland, de in artikel 15, lid 1, van de bovengenoemde richtlijn vastgestelde termijn met een passend tijdvak te verlengen ten einde de Duitse instanties in staat te stellen om de nodige gegevens voor die rassen voor te bereiden (artikel 15, lid 7, van de bovengenoemde richtlijn);
Overwegende dat derhalve in alle opzichten moet worden voldaan aan het verzoek van de Bondsrepubliek Duitsland betreffende deze rassen;
Overwegende dat de in deze beschikking vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Permanent Comité voor teeltmateriaal voor land-, tuin- en bosbouw,
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:
Artikel 1
De Bondsrepubliek Duitsland wordt gemachtigd om op haar hele grondgebied de handel te verbieden in zaaizaad van de volgende in de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen van 1985 vermelde rassen:
I. Voedergewassen:
1. Lolium multiflorum Lam.
Caramba;
2. Lolium perenne L.
Argona;
II. Granen:
1. Avena sativa L.
Bardsey,
Bulwark,
Lidia,
Oyster;
Artikel 2
De in artikel 1 bedoelde machtiging zal worden ingetrokken zodra wordt geconstateerd dat de voorwaarden voor de verlening ervan niet meer zijn vervuld.
Artikel 3
De Bondsrepubliek Duitsland deelt de Commissie mede met ingang van welke datum en op welke wijze zij van de in artikel 1 bedoelde machtiging gebruik maakt. De Commissie stelt de andere Lid-Staten daarvan in kennis.
Artikel 4
De periode die is voorzien in artikel 15, lid 1, van Richtlijn 70/457/EEG wordt voor de Bondsrepubliek Duitsland voor het volgende ras verlengd van 31 december 1984 tot en met 31 maart 1985:
Voedergewassen:
— Festuca pratensis Huds.,
— Balder.
Artikel 5
Deze beschikking is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland.
( 1 ) PB nr. L 225 van 12. 10. 1970, blz. 1.
( 2 ) PB nr. L 341 van 16. 12. 1980, blz. 27.