Home

Derde Richtlijn van de Raad van 14 mei 1990 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (90/232/EEG)

Derde Richtlijn van de Raad van 14 mei 1990 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven (90/232/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100 A,

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

In samenwerking met het Europese Parlement(2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(3),

  1. Overwegende dat de Raad bij Richtlijn 72/166/EEG(4), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 84/5/EEG(5), bepalingen heeft aangenomen tot onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid;

  2. Overwegende dat in artikel 3 van Richtlijn 72/166/EEG aan iedere Lid-Staat de verplichting wordt opgelegd de nodige maatregelen te treffen opdat de wettelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de deelneming aan het verkeer van voertuigen die gewoonlijk op zijn grondgebied zijn gestald, door een verzekering is gedekt; dat de dekking van de schade en de voorwaarden van deze verzekering in het kader van deze maatregelen dienden te worden vastgesteld;

  3. Overwegende dat bij Richtlijn 84/5/EEG, gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Spanje en Portugal, de verschillen tussen de Lid-Staten in omvang en inhoud van de verplichte wettelijke aansprakelijkheidsverzekering in aanzienlijke mate zijn verminderd; dat er evenwel nog steeds aanzienlijke verschillen in de omvang van de door de verzekering verstrekte dekking bestaan;

  4. Overwegende dat ervoor dient te worden gezorgd dat slachtoffers van ongevallen met motorrijtuigen een vergelijkbare behandeling krijgen, ongeacht de plaats in de Gemeenschap waar het ongeval zich heeft voorgedaan;

  5. Overwegende dat er met name in sommige Lid-Staten leemten zijn in de dekking van de inzittenden van een motorrijtuig door de verplichte verzekering; dat ter bescherming van deze bijzonder kwetsbare categorie potentiële slachtoffers, die leemten moeten worden aangevuld;

  6. Overwegende dat iedere onzekerheid ten aanzien van toepassing van artikel 3, lid 2, eerste streepje, van Richtlijn 72/166/EEG moet worden weggenomen; dat een verplichte motorrijtuigenverzekering het gehele grondgebied van de Gemeenschap moet bestrijken;

  7. Overwegende dat in het belang van de verzekerde voorts elke polis tegen betaling van één enkele premie in elke Lid-Staat de door diens wet voorgeschreven dekking moet verschaffen, dan wel de dekking die wettelijk is voorgeschreven in de Lid-Staat waar het voertuig gewoonlijk is gestald, indien laatstgenoemde dekking hoger is;

  8. Overwegende dat elke Lid-Staat krachtens artikel 1, lid 4, van Richtlijn 84/5/EEG verplicht is een orgaan in te stellen of te erkennen dat tot taak heeft de slachtoffers van ongevallen die zijn veroorzaakt door niet-geïdentificeerde of niet-verzekerde voertuigen te vergoeden; dat die bepaling evenwel geen afbreuk doet aan het recht van de Lid-Staten om de tussenkomst van dit orgaan al dan niet een subsidiair karakter te verlenen;

  9. Overwegende evenwel dat het slachtoffer van een door een niet-verzekerd voertuig veroorzaakt ongeval in sommige Lid-Staten moet bewijzen dat diegene die aansprakelijk is geen schadevergoeding kan of wil betalen, alvorens hij bij het orgaan een verzoek tot schadevergoeding kan indienen; dat het orgaan beter dan het slachtoffer in staat is verhaal te nemen op degene die aansprakelijk is; dat derhalve dient te worden voorkomen dat dit orgaan kan eisen dat het slachtoffer voor het verkrijgen van schadevergoeding aantoont dat de veroorzaker van het ongeval niet kan of niet wil betalen;

  10. Overwegende dat de Lid-Staten, ten einde vertraging bij de uitkering van schadevergoeding aan het slachtoffer te voorkomen, bij een geschil tussen bovengenoemd orgaan en een verzekeraar van wettelijke aansprakelijkheid over de vraag wie van hen het slachtoffer van een ongeval moet vergoeden, ervoor moeten zorgen dat wordt bepaald welke partij de schade van het slachtoffer in eerste instantie, in afwachting van de beslechting van het geschil, moet vergoeden;

  11. Overwegende dat verkeersslachtoffers soms moeilijkheden ondervinden bij het identificeren van de verzekeringsonderneming die de wettelijke aansprakelijkheid dekt ingevolge het gebruik van een motorrijtuig dat betrokken is bij een ongeval; dat de Lid-Staten, ter behartiging van de belangen van dergelijke slachtoffers, de nodige maatregelen dienen te nemen ten einde er zorg voor te dragen dat dergelijke inlichtingen zo snel mogelijk ter beschikking staan;

  12. Overwegende dat, gelet op alle bovenstaande overwegingen, de twee voorgaande richtlijnen betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid voor motorrijtuigen op uniforme wijze dienen te worden aangevuld;

  13. Overwegende dat door deze aanvulling, die tot gevolg heeft dat verzekerden en slachtoffers van ongevallen beter worden beschermd, het overschrijden van de binnengrenzen van de Gemeenschap en dus de instelling en de werking van de interne markt nog verder zullen worden vergemakkelijkt; dat derhalve dient te worden uitgegaan van een hoog niveau van bescherming van de consument;

  14. Overwegende dat krachtens artikel 8 C van het Verdrag rekening dient te worden gehouden met de inspanning die een aantal volkshuishoudingen met verschillen in ontwikkeling zich moeten getroosten; dat derhalve voor sommige Lid-Staten een overgangsregeling moet worden ingesteld, zodat een aantal bepalingen van de onderhavige richtlijn geleidelijk kunnen worden toegepast,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onverminderd artikel 2, lid 1, tweede alinea, van Richtlijn 84/5/EEG, dekt de in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 72/166/EEG bedoelde verzekering de aansprakelijkheid voor lichamelijk letsel van de inzittenden van een voertuig, met uitzondering van de bestuurder, ten gevolge van de deelneming van dat voertuig aan het verkeer.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat alle wettelijke bepalingen of contractuele clausules in een verzekeringspolis op grond waarvan een inzittende wordt uitgesloten van een dergelijke dekking omdat hij wist of had moeten weten dat de bestuurder ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol of van enige andere bedwelmende stof verkeerde, geacht worden niet te gelden inzake vorderingen van deze inzittende.

In deze richtlijn wordt onder „voertuig” verstaan een voertuig in de zin van artikel 1 van Richtlijn 72/166/EEG.

Artikel 1 bis

De in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 72/166/EEG bedoelde verzekering dekt lichamelijk letsel en materiële schade, geleden door voetgangers, fietsers en andere niet-gemotoriseerde weggebruikers die, als gevolg van een ongeval waarbij een motorvoertuig is betrokken, recht hebben op een vergoeding uit hoofde van het nationale burgerlijk recht. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de wettelijke aansprakelijkheid, noch aan het bedrag van de schade.

Artikel 2

De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen opdat alle polissen in het kader van de verplichte wettelijke-aansprakelijkheidsverzekering met betrekking tot de deelneming van voertuigen aan het verkeer:

  • tegen betaling van één enkele premie en gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst dekking verschaffen voor het gehele grondgebied van de Gemeenschap, met inbegrip van de perioden waarin het voertuig zich, gedurende de looptijd van de overeenkomst, in een andere lidstaat bevindt, en

  • tegen betaling van diezelfde premie, in elke Lid-Staat de bij diens wet voorgeschreven dekking verschaffen, dan wel de dekking die wettelijk is voorgeschreven in de Lid-Staat waar het voertuig gewoonlijk is gestald, indien laatstgenoemde dekking hoger is.

Artikel 3

Aan artikel 1, lid 4, eerste alinea, van Richtlijn 84/5/EEG wordt de volgende zin toegevoegd:

  • „De Lid-Staten mogen het orgaan echter niet toestaan de uitkering van de vergoeding afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat het slachtoffer op enigerlei wijze aantoont dat degene die aansprakelijk is niet kan of niet wil betalen.”

  • .

    Artikel 4

    Artikel 4 bis

    Artikel 4 ter

    Artikel 4 quater

    Artikel 4 quinquies

    Artikel 4 sexies

    Artikel 5

    Artikel 6

    Artikel 7