In de zin van deze richtlijn wordt onder „vuurwapen” verstaan een draagbaar, van een loop voorzien wapen waarmee door explosieve voortstuwing een lading, een kogel of een projectiel wordt uitgestoten, en dat daartoe is ontworpen of daartoe kan worden omgebouwd, tenzij het is uitgesloten om een van de in punt III van bijlage I genoemde redenen. Vuurwapens worden onderverdeeld in punt II van bijlage I.
Richtlijn van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (91/477/EEG)
Richtlijn van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (91/477/EEG)
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100 A,
Gezien het voorstel van de Commissie(*),
In samenwerking met het Europese Parlement(**),
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(***),
Overwegende dat in artikel 8 A van het Verdrag wordt bepaald dat de interne markt uiterlijk op 31 december 1992 tot stand moet zijn gebracht; dat de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen omvat waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd volgens de bepalingen van het Verdrag;
Overwegende dat de Europese Raad zich op zijn bijeenkomst te Fontainebleau op 25 en 26 juni 1984 uitdrukkelijk afschaffing van alle politie- en douaneformaliteiten aan de binnengrenzen van de Gemeenschap ten doel heeft gesteld;
Overwegende dat de algehele afschaffing van de controles en formaliteiten aan de binnengrenzen van de Gemeenschap veronderstelt dat aan bepaalde feitelijke voorwaarden wordt voldaan; dat de Commissie in haar Witboek inzake de voltooing van de interne markt heeft gesteld dat afschaffing van de veiligheidscontroles bij vervoerde voorwerpen en bij personen onder andere een nader tot elkaar brengen van de wapenwetgevingen veronderstelt;
Overwegende dat de afschaffing van de controles aan de binnengrenzen van de Gemeenschap op het voorhanden hebben van wapens een doeltreffende regeling vereist, die binnen de Lid-Staten controle op verwerving en voorhanden hebben van vuurwapens en op overbrenging van die wapens naar een andere Lid-Staat, mogelijk maakt; dat dientengevolge de stelselmatige controles aan de binnengrenzen van de Gemeenschap moeten worden opgeheven;
Overwegende dat er op het gebied van de bescherming van de veiligheid van personen door deze regeling, in de mate waarin deze wordt verankerd in gedeeltelijk geharmoniseerde wetgevingen, een groter wederzijds vertrouwen tussen de Lid-Staten zal groeien; dat te dien einde categorieën vuurwapens dienen te worden vastgesteld waarvan verwerving en voorhanden hebben door particulieren hetzij verboden, hetzij vergunningsplichtig dan wel aangifteplichtig is;
Overwegende dat het gewenst is in beginsel te verbieden dat men zich met wapens van een Lid-Staat naar een andere begeeft en dat een uitzondering alleen dan aanvaardbaar is, indien een procedure wordt gevolgd die ertoe leidt dat de Lid-Staten op de hoogte zijn van het feit dat een vuurwapen op hun grondgebied wordt binnengebracht;
Overwegende dat echter ten aanzien van de jacht en sportwedstrijden soepeler regels moeten worden gesteld, opdat het vrije verkeer van personen niet onnodig wordt belemmerd;
Overwegende dat de richtlijn de bevoegdheid van de Lid-Staten maatregelen te nemen ten einde de illegale wapenhandel te voorkomen, onverlet laat,
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
HOOFDSTUK 1 Werkingssfeer
Artikel 1
In de zin van deze richtlijn wordt een object geacht te kunnen worden omgebouwd zodat door middel van explosieve voortstuwing een lading, kogel of projectief uitgestoten kan worden wanneer:
-
het qua vormgeving gelijk is aan een vuurwapen, en
-
ingevolge zijn constructie of het materiaal waarvan het is gemaakt aldus kan worden omgebouwd.
In de zin van deze richtlijn wordt onder „onderdeel” verstaan elk element of vervangingselement dat specifiek voor een vuurwapen is gemaakt en van essentieel belang is voor de werking ervan, met inbegrip van een loop, een frame- of kastgroep, slede of cilinder, grendel of afsluiterblok, en enig hulpstuk dat is ontworpen of aangepast om het geluid van het vuren van een vuurwapen te verminderen.
In de zin van deze richtlijn wordt onder „essentieel onderdeel” verstaan het sluitingsmechanisme, de kamer en de loop van vuurwapens die, als afzonderlijke voorwerpen, vallen onder de categorie waarin het vuurwapen waarvan zij deel uitmaken of waarvoor zij bestemd zijn, is ingedeeld.
In de zin van deze richtlijn wordt onder „munitie” verstaan het gehele stuk of zijn componenten, met inbegrip van patroonhouder, slaghoedje, voortstuwingskruit, kogels en projectielen, die worden gebruikt in een vuurwapen voor zover deze componenten zelf onderworpen zijn aan vergunningen in de desbetreffende lidstaat.
In de zin van deze richtlijn wordt onder „tracering” verstaan het op systematische wijze opsporen van vuurwapens en, waar mogelijk, onderdelen daarvan en munitie van fabrikant tot koper, teneinde de bevoegde instanties van lidstaten in staat te stellen illegale vervaardiging van en illegale handel in vuurwapens vast te stellen, te onderzoeken en te analyseren.
In de zin van deze richtlijn wordt onder „wapenmakelaar” verstaan iedere natuurlijke of rechtspersoon, anders dan een wapenhandelaar, wiens handel of bedrijf geheel of gedeeltelijk bestaat in het kopen, verkopen of organiseren van de overbrenging van wapens.
In de zin van deze richtlijn wordt onder „wapenhandelaar” verstaan iedere natuurlijke of rechtspersoon wiens handel of bedrijf geheel of gedeeltelijk bestaat uit het vervaardigen, verhandelen, uitwisselen, verhuren, repareren of ombouwen van vuurwapens, onderdelen en munitie.
In de zin van deze richtlijn wordt onder „illegale vervaardiging” verstaan de vervaardiging en assemblage van vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie:
-
op basis van ongeacht welke essentieel onderdeel van dergelijke illegaal verhandelde vuurwapens;
-
zonder een in overeenstemming met artikel 4 afgegeven vergunning van een bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de vervaardiging of assemblage plaatsvindt, of
-
zonder de geassembleerde vuurwapens bij de vervaardiging te markeren overeenkomstig artikel 4, lid 1.
In de zin van deze richtlijn wordt onder „illegale handel” verstaan verwerving, verkoop, aflevering, vervoer of de overbrenging van vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie vanaf of over het grondgebied van een lidstaat naar het grondgebied van een andere lidstaat, indien een van de betrokken lidstaten daartoe geen erkenning heeft verleend overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn, of indien de geassembleerde vuurwapens niet zijn gemarkeerd overeenkomstig artikel 4, lid 1.
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt een persoon beschouwd ingezetene te zijn van het land dat is vermeld in het adres op een bewijs van verblijf, met name een paspoort of een identiteitskaart, welk bewijs bij controle op het voorhanden hebben of bij de verwerving aan de autoriteiten van een Lid-Staat of aan een wapenhandelaar wordt overgelegd.
De Europese vuurwapenpas is een document dat door de autoriteiten van een lidstaat op verzoek wordt afgegeven aan personen die rechtmatige houder en gebruiker van een vuurwapen worden. De vuurwapenpas is ten hoogste vijf jaar geldig. Deze geldigheidsduur kan worden verlengd. In de vuurwapenpas worden de in bijlage II voorgeschreven vermeldingen opgenomen. De vuurwapenpas is een niet-overdraagbaar document waarin het vuurwapen of de vuurwapens die de houder van de pas voorhanden heeft en gebruikt, is of zijn vermeld. De pas dient steeds in het bezit te zijn van de gebruiker van het vuurwapen. Wijzigingen in het voorhanden hebben of de kenmerken van de vuurwapens alsmede verlies of diefstal van het vuurwapen worden in de pas vermeld.
Artikel 2
Deze richtlijn laat de toepassing van de nationale bepalingen inzake het dragen van wapens of de reglementering van de jacht of het sportschieten onverlet.
Deze richtlijn is niet van toepassing op de verwerving en het voorhanden hebben, overeenkomstig de nationale wetgeving, van wapens en munitie door de strijdkrachten, de politie, overheidsdiensten of verzamelaars en instellingen met een cultureel of historisch oogmerk op wapengebied, die als zodanig erkend zijn in de Lid-Staat waarin zij gevestigd zijn. Zij is evenmin van toepassing op commerciële transacties in wapens en munitie voor oorlogsdoeleinden.
Artikel 3
De Lid-Staten kunnen in hun wetgeving strengere voorschriften opnemen dan die welke in deze richtlijn zijn vervat, onder voorbehoud van de rechten die bij artikel 12, lid 2, aan de ingezetenen van de Lid-Staten worden toegekend.