Home

Richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (derde richtlijn schadeverzekering)

Richtlijn 92/49/EEG van de Raad van 18 juni 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en houdende wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG en 88/357/EEG (derde richtlijn schadeverzekering)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 57, lid 2, en artikel 66,

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

In samenwerking met het Europese Parlement(2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(3),

  1. Overwegende dat de interne markt in de sector schadeverzekering zowel uit het oogpunt van de vrijheid van vestiging als uit dat van het vrij verrichten van diensten moet worden voltooid, ten einde het voor verzekeringsondernemingen die hun hoofdkantoor in de Gemeenschap hebben, gemakkelijker te maken in de Gemeenschap gelegen risico's te dekken;

  2. Overwegende dat Tweede Richtlijn 88/357/EEG van de Raad van 22 juni 1988 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, tot vaststelling van bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten en houdende wijziging van Richtlijn 73/239/EEG(4) reeds aanzienlijk heeft bijgedragen tot de totstandbrenging van de interne markt in de sector schadeverzekering door aan verzekeringnemers die wegens hun hoedanigheid of grootte of wegens de aard van het te verzekeren risico geen bijzondere bescherming behoeven in de Lid-Staat waar het risico is gelegen, totale vrijheid te verlenen om een beroep te doen op een zo ruim mogelijke verzekeringsmarkt;

  3. Overwegende dat met Richtlijn 88/357/EEG derhalve een belangrijke stap is gezet op de weg naar het samenbrengen van de nationale markten in één geïntegreerde markt; dat thans door middel van andere communautaire instrumenten en met waarborging van een adequate bescherming voor de verzekeringnemer verdere stappen op die weg moeten worden gezet, ten einde alle verzekeringnemers, ongeacht hun hoedanigheid, hun grootte of de aard van het te verzekeren risico, de mogelijkheid te geven een beroep te doen op elke verzekeraar die zijn hoofdkantoor in de Gemeenschap heeft en die daar zijn bedrijf uitoefent op grond van het recht van vestiging of in het kader van het vrij verrichten van diensten;

  4. Overwegende dat de onderhavige richtlijn aansluit op de communautaire wetgeving die reeds tot stand is gebracht met name door Eerste Richtlijn 73/239/EEG van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche, en de uitoefening daarvan(5) en door Richtlijn 91/674/EEG van de Raad van 19 december 1991 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen(6);

  5. Overwegende dat met de onderhavige richtlijn wordt beoogd een wezenlijke, noodzakelijke en voldoende harmonisatie tot stand te brengen om te komen tot een wederzijdse erkenning van de vergunningen en van de stelsels van bedrijfseconomisch toezicht, waardoor een en dezelfde vergunning voor de gehele Gemeenschap geldig is en waarbij het beginsel geldt dat het toezicht wordt uitgeoefend door de Lid-Staat van herkomst;

  6. Overwegende dat voortaan voor de toegang tot en de uitoefening van het verzekeringsbedrijf derhalve één enkele administratieve vergunning is vereist, die wordt afgegeven door de autoriteiten van de Lid-Staat waar de verzekeringsonderneming haar hoofdkantoor heeft; dat deze vergunning de onderneming het recht geeft overal in de Gemeenschap haar werkzaamheden uit te oefenen, hetzij op grond van het recht van vestiging, hetzij in het kader van het vrij verrichten van diensten; dat de Lid-Staat van het bijkantoor of van de vrije dienstverrichting van verzekeringsondernemingen die op zijn grondgebied het verzekeringsbedrijf wensen uit te oefenen en waaraan reeds in de Lid-Staat van herkomst vergunning is verleend, niet langer een nieuwe vergunning zal kunnen verlangen; dat Richtlijn 73/239/EEG en Richtlijn 88/357/EEG hiertoe in die zin moeten worden gewijzigd;

  7. Overwegende dat de verantwoordelijkheid inzake het toezicht op de financiële soliditeit van de verzekeringsondernemingen, met name op de solvabiliteit, de vorming van toereikende technische voorzieningen en de dekking van deze voorzieningen met congruente activa voortaan berust bij de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van herkomst van de verzekeringsonderneming;

  8. Overwegende dat een aantal bepalingen van de onderhavige richtlijn minimumnormen vaststellen; dat de Lid-Staat van herkomst strengere regels kan opleggen aan verzekeringsondernemingen waaraan door zijn eigen bevoegde autoriteiten vergunning is verleend;

  9. Overwegende dat de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten over de nodige controlemiddelen moeten beschikken om te garanderen dat de verzekeringsonderneming overal in de Gemeenschap haar werkzaamheden op regelmatige wijze uitoefent, ongeacht of dit op grond van het recht van vestiging dan wel in het kader van het vrij verrichten van diensten geschiedt; dat zij met name passende vrijwaringsmaatregelen moeten kunnen treffen of sancties moeten kunnen opleggen om onregelmatigheden en inbreuken op de bepalingen inzake het toezicht op het verzekeringswezen te voorkomen;

  10. Overwegende dat de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen omvat en de openstelling van het gehele schadeverzekeringsbedrijf in de gehele Gemeenschap impliceert, zodat elke verzekeraar die een vergunning heeft verkregen, elk in de bijlage bij Richtlijn 73/239/EEG genoemd risico kan dekken; dat het daartoe noodzakelijk is alle monopolies op te heffen waarover bepaalde instellingen in een aantal Lid-Staten voor het dekken van bepaalde risico's beschikken;

  11. Overwegende dat de bepalingen betreffende de portefeuilleoverdracht dienen te worden aangepast aan de bij deze richtlijn ingevoerde regeling inzake een enkele vergunning;

  12. Overwegende dat met Richtlijn 91/674/EEG reeds de wezenlijke harmonisatie tot stand is gebracht van de bepalingen van de Lid-Staten betreffende de vorming van de technische voorzieningen die de verzekeraars ter garantie van hun verplichtingen moeten aanleggen; dat deze harmonisatie de wederzijdse erkenning van deze voorzieningen mogelijk maakt;

  13. Overwegende dat de regels betreffende de diversificatie, de lokalisatie en de congruentie van de tegenover de technische voorzieningen staande activa moeten worden gecoördineerd ten einde de wederzijdse erkenning van de voorschriften van de Lid-Staten te vergemakkelijken; dat bij deze coördinatie rekening moet worden gehouden met de maatregelen die in Richtlijn 88/361/EEG van de Raad van 24 juni 1988 voor de uitvoering van artikel 67 van het Verdrag(7) zijn vastgesteld op het gebied van de liberalisatie van het kapitaalverkeer, en met de vooruitgang die de Gemeenschap heeft geboekt op de weg naar de Economische en Monetaire Unie;

  14. Overwegende echter dat de Lid-Staat van herkomst van verzekeringsondernemingen niet kan verlangen dat zij de activa die tegenover hun technische voorzieningen staan, in bepaalde categorieën activa beleggen, aangezien dergelijke verplichtingen onverenigbaar zijn met de in Richtlijn 88/361/EEG vastgestelde maatregelen betreffende de liberalisatie van het kapitaalverkeer;

  15. Overwegende dat het in afwachting van een richtlijn inzake beleggingsdiensten waarin onder meer de definitie van het begrip gereglementeerde markt wordt geharmoniseerd, noodzakelijk is om, onverminderd deze toekomstige harmonisatie, voor de toepassing van de onderhavige richtlijn een voorlopige definitie van dit begrip te geven, die later zal worden vervangen door de op communautair niveau geharmoniseerde definitie, die aan de Lid-Staat waar de markt is gelegen de verantwoordelijkheden zal toevertrouwen die de onderhavige richtlijn op dit gebied tijdelijk aan de Lid-Staat van herkomst van de verzekeringsonderneming toevertrouwt;

  16. Overwegende dat de lijst van bestanddelen die in aanmerking komen voor de vorming van de in Richtlijn 73/239/EEG voorgeschreven solvabiliteitsmarge moet worden aangevuld, ten einde rekening te houden met de nieuwe financiële instrumenten en met de mogelijkheden waarover andere financiële instellingen beschikken met betrekking tot de samenstelling van hun vermogen;

  17. Overwegende dat in het kader van een geïntegreerde verzekeringsmarkt aan verzekeringnemers die wegens hun hoedanigheid of grootte of wegens de aard van het te verzekeren risico geen bijzondere bescherming nodig hebben in de Lid-Staat waar het risico is gelegen, totale keuzevrijheid moet worden verleend inzake het recht dat op de verzekeringsovereenkomst van toepassing is;

  18. Overwegende dat de harmonisatie van het recht op het gebied van verzekeringsovereenkomsten geen prealabele voorwaarde is voor de totstandbrenging van de interne verzekeringsmarkt; dat derhalve de aan de Lid-Staten gelaten mogelijkheid om verzekeringsovereenkomsten tot dekking van op hun grondgebied gelegen risico's onder toepassing van hun recht te doen vallen, voldoende waarborgen biedt voor verzekeringnemers die behoefte hebben aan bijzondere bescherming;

  19. Overwegende dat het in het kader van de interne markt in het belang van de verzekeringnemer is dat hij toegang heeft tot een zo breed mogelijke waaier van in de Gemeenschap aangeboden verzekeringsprodukten, waaruit hij de keuze kan maken die het best aan zijn behoeften voldoet; dat de Lid-Staat waar het risico is gelegen er derhalve op moet toezien dat alle in de Gemeenschap aangeboden verzekeringsprodukten zonder enige belemmering op zijn grondgebied op de markt kunnen worden gebracht, voor zover zij niet in strijd zijn met de wettelijke bepalingen van algemeen belang die in deze Lid-Staat gelden en voor zover dit algemeen belang niet door de voorschriften van de Lid-Staat van herkomst wordt gevrijwaard, mits deze wettelijke bepalingen zonder discriminatie van toepassing zijn op alle in deze Lid-Staat werkzame verzekeringsondernemingen, en mits zij objectief nodig zijn en toegesneden zijn op het beoogde doel;

  20. Overwegende dat de Lid-Staten erop moeten kunnen toezien dat de verzekeringsprodukten en de contractuele documenten die worden gebruikt voor de dekking van op hun grondgebied gelegen risico's op grond van het recht van vestiging of in het kader van het vrij verrichten van diensten, in overeenstemming zijn met de toepasselijke specifieke wettelijke bepalingen van algemeen belang; dat de toe te passen toezichtstelsels moeten worden aangepast aan de eisen van de interne markt, zonder dat zij een voorwaarde mogen zijn voor de uitoefening van het verzekeringsbedrijf; dat stelsels van voorafgaande goedkeuring van de verzekeringsvoorwaarden in dit verband niet gerechtvaardigd lijken; dat bijgevolg moet worden voorzien in stelsels die beter op de eisen van de interne markt zijn afgestemd en die het de Lid-Staten mogelijk maken de verzekeringnemers een wezenlijke bescherming te bieden;

  21. Overwegende dat het wenselijk is dat, indien de verzekeringnemer een natuurlijke persoon is, hij door de verzekeringsonderneming in kennis wordt gesteld van het recht dat op de overeenkomst van toepassing is en van de regelingen voor het behandelen van klachten van verzekeringnemers met betrekking tot de overeenkomst;

  22. Overwegende dat in sommige Lid-Staten de particuliere of op vrijwillige basis gesloten ziektekostenverzekering de door de stelsels van sociale zekerheid verleende dekking geheel of gedeeltelijk vervangt;

  23. Overwegende dat de aard en de sociale gevolgen van de ziekteverzekeringsovereenkomsten van dien aard zijn dat de autoriteiten van de Lid-Staten waar het risico gelegen is, terecht kunnen verlangen dat zij stelselmatig in kennis worden gesteld van de algemene en bijzondere polisvoorwaarden, ten einde zich ervan te vergewissen dat deze overeenkomsten de door het stelsel van sociale zekerheid geboden dekking geheel of gedeeltelijk kunnen vervangen; dat die controle geen voorwaarde voor het op de markt brengen van de produkten mag vormen; dat de ziektekostenverzekering, wanneer zij de door het stelsel van sociale zekerheid geboden dekking geheel of gedeeltelijk vervangt, zich door haar bijzondere aard in die zin van de andere branches van de schadeverzekering en van de levensverzekering onderscheidt, dat moet worden gegarandeerd dat de verzekeringnemers, ongeacht hun leeftijd en hun gezondheidstoestand, daadwerkelijk toegang hebben tot een particuliere of op vrijwillige basis gesloten ziektekostenverzekering;

  24. Overwegende dat sommige Lid-Staten daartoe bijzondere wettelijke bepalingen hebben aangenomen; dat in het algemeen belang dergelijke wetsbepalingen kunnen worden vastgesteld of gehandhaafd voor zover de vrijheid van vestiging of van dienstverrichting daardoor niet nodeloos wordt beperkt, met dien verstande dat deze bepalingen van gelijke toepassing dienen te zijn ongeacht de Staat van herkomst van de onderneming; dat de aard van deze wetsbepalingen kan verschillen naar gelang van de situatie in de Lid-Staat waar zij worden aangenomen; dat deze bepalingen beperkingen van de toegang kunnen verbieden en in uniforme tarifering naar soort overeenkomst en in levenslange dekking kunnen voorzien; dat dit doel ook kan worden bereikt door de ondernemingen die particuliere of op vrijwillige basis gesloten ziektekostenverzekering aanbieden te verplichten om een standaardovereenkomst aan te bieden waarvan de dekking gelijk loopt met die van de wettelijke stelsels van sociale zekerheid en waarvoor de premie niet hoger is dan een voorschreven maximum, en om aan compensatiestelsels deel te nemen; dat ook kan worden verlangd dat de technische grondslag voor de particuliere of op basis van vrijwilligheid gesloten ziektekostenverzekering analoog is aan die van de levensverzekering;

  25. Overwegende dat, wegens de bij Richtlijn 73/239/EEG, zoals gewijzigd bij de onderhavige richtlijn, tot stand gebrachte coördinatie, de in artikel 7, lid 2, onder c), van die richtlijn aan de Bondsrepubliek Duitsland geboden mogelijkheid om het cumuleren van de ziekteverzekering met andere branches te verbieden, niet langer gerechtvaardigd is en derhalve moet worden opgeheven;

  26. Overwegende dat de Lid-Staten van de verzekeringsondernemingen die op hun grondgebied voor eigen risico de verplichte arbeidsongevallenverzekering beoefenen, kunnen verlangen dat zij de specifieke voorschriften naleven die ten aanzien van deze verzekering in hun nationale wetgeving zijn opgenomen; dat deze eis evenwel niet mag slaan op de bepalingen inzake het financieel toezicht, die onder de uitsluitende bevoegdheid van de Lid-Staat van herkomst vallen;

  27. Overwegende dat de uitoefening van de vrijheid van vestiging een blijvende aanwezigheid in de Lid-Staat van het bijkantoor vereist; dat het ter wille van de bijzondere belangen van de verzekerden en gelaedeerden in het geval van de verzekering „wettelijke aansprakelijkheid motorrijtuigen” nodig is dat in de Lid-Staat van het bijkantoor adequate structuren voorhanden zijn met het oog op het verzamelen van alle nodige gegevens voor de schadedossiers met betrekking tot dat risico, welke structuren over voldoende bevoegdheden moeten beschikken om de onderneming te vertegenwoordigen tegenover personen die schade hebben geleden en die schadevergoeding zouden kunnen eisen, met inbegrip van de betaling daarvan, en om de onderneming voor wat die eisen tot schadevergoeding betreft te vertegenwoordigen of indien nodig te laten vertegenwoordigen voor de rechtbanken en de autoriteiten van deze Lid-Staat;

  28. Overwegende dat in het kader van de interne markt een Lid-Staat niet langer kan verbieden dat het verzekeringsbedrijf op zijn grondgebied tegelijkertijd op grond van het recht van vestiging en in het kader van het vrij verrichten van diensten wordt uitgeoefend; dat de door Richtlijn 88/357/EEG te dien aanzien aan de Lid-Staten gegeven mogelijkheid derhalve moet worden opgeheven;

  29. Overwegende dat sancties moeten kunnen worden opgelegd wanneer de verzekeringsonderneming zich in de Lid-Staat waar het risico is gelegen niet voegt naar de bepalingen van algemeen belang die op haar van toepassing zijn;

  30. Overwegende dat de verzekeringsverrichtingen in sommige Lid-Staten niet zijn onderworpen aan enige vorm van indirecte belasting, terwijl in de meeste Lid-Staten bijzondere heffingen en andere vormen van belasting, extra heffingen bestemd voor compensatie-instellingen daaronder begrepen, van toepassing zijn; dat deze heffingen en belastingen in de Lid-Staten waar zij gelden, qua structuur en tarieven aanzienlijk verschillen; dat voorkomen moet worden dat de bestaande verschillen ernstige concurrentiedistorsies tussen de Lid-Staten met zich brengen op het gebied van verzekeringsdiensten; dat onder voorbehoud van een latere harmonisatie de toepassing van de belastingregeling en van andere heffingen van de Lid-Staat waar het risico is gelegen een dergelijk bezwaar kan ondervangen en dat het de taak van de Lid-Staten is de nadere regels voor het innen van deze heffingen en belastingen vast te stellen;

  31. Overwegende dat technische wijzigingen van de gedetailleerde voorschriften van deze richtlijn na enige tijd noodzakelijk kunnen zijn ten einde rekening te houden met de toekomstige ontwikkelingen in de verzekeringssector; dat de Commissie, zo nodig, deze wijzigingen zal aanbrengen in het kader van de haar door het Verdrag verleende uitvoeringsbevoegdheid, na raadpleging van het bij Richtlijn 91/675/EEG(8)ingestelde Comité voor het verzekeringswezen;

  32. Overwegende dat moet worden voorzien in bijzondere bepalingen met het oog op de overgang van de juridische regeling die bij het van toepassing worden van deze richtlijn bestaat, naar de regeling die bij deze richtlijn wordt ingesteld; dat met deze bepalingen moet worden voorkomen dat de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten met extra werk worden belast;

  33. Overwegende dat volgens artikel 8 C van het Verdrag rekening dient te worden gehouden met de inspanning die bepaalde economieën met verschillen in ontwikkeling zich moeten getroosten; dat dan ook aan bepaalde Lid-Staten een overgangsregeling moet worden toegestaan waardoor deze richtlijn geleidelijk kan worden toegepast,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

TITEL I DEFINITIES EN WERKINGSSFEER

Artikel 1

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

  1. „verzekeringsonderneming”: iedere onderneming waaraan overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 73/239/EEG vergunning is verleend;

  2. „bijkantoor”: ieder agentschap of bijkantoor van een verzekeringsonderneming, met inachtneming van artikel 3 van Richtlijn 88/357/EEG;

  3. „Lid-Staat van herkomst”: de Lid-Staat waar het hoofdkantoor is gevestigd van de verzekeringsonderneming die het risico dekt;

  4. „Lid-Staat van het bijkantoor”: de Lid-Staat waar het bijkantoor is gevestigd dat het risico dekt;

  5. „Lid-Staat van dienstverrichting”: de Lid-Staat waar overeenkomstig artikel 2, onder d), van Richtlijn 88/357/EEG het risico is gelegen, wanneer dit wordt gedekt door een verzekeringsonderneming die of een bijkantoor dat in een Lid-Staat is gevestigd;

  6. „zeggenschap”: de band die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, zoals bepaald in artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG(9), of een gelijkaardige band tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming;

  7. „gekwalificeerde deelneming”: het in een onderneming, rechtstreeks of middellijk, bezitten van ten minste 10 % van het kapitaal of van de stemrechten, dan wel elke andere mogelijkheid om invloed van betekenis uit te oefenen op de bedrijfsvoering van de onderneming waarin men een deelneming heeft.

    Voor de toepassing van deze definitie in de artikelen 8 en 15 van deze richtlijn en voor de andere in artikel 15 genoemde deelnemingspercentages, worden de in artikel 7 van Richtlijn 88/627/EEG(10) bedoelde stemrechten in aanmerking genomen;

  8. „moederonderneming”: een moederonderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG;

  9. „dochteronderneming”: een dochteronderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG; elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;

  10. „gereglementeerde markt”: een financiële markt die door de Lid-Staat van herkomst van de onderneming als gereglementeerde markt wordt beschouwd in afwachting van de vaststelling van een definitie in het kader van een richtlijn inzake beleggingsdiensten, en die gekenmerkt wordt door:

    • een regelmatige werking, en

    • het feit dat in door de daartoe bevoegde autoriteiten vastgestelde of goedgekeurde bepalingen de voorwaarden voor de werking van en de toegang tot de markt zijn vastgelegd, alsmede, wanneer Richtlijn 79/279/EEG van de Raad van 5 maart 1979 tot coördinatie van de voorwaarden voor de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs(11) van toepassing is, de in die richtlijn bepaalde toelatingsvoorwaarden, en voor zover die richtlijn niet van toepassing is, de voorwaarden waaraan deze financiële instrumenten moeten voldoen om daadwerkelijk op de markt te kunnen worden verhandeld.

    Voor de toepassing van deze richtlijn kan een gereglementeerde markt in een Lid-Staat of in een derde land zijn gelegen. In dit laatste geval moet de markt door de Lid-Staat van herkomst van de onderneming erkend zijn en aan vergelijkbare voorwaarden voldoen. De financiële instrumenten die er worden verhandeld, moeten van een kwaliteit zijn die vergelijkbaar is met die van de instrumenten die op de gereglementeerde markt(en) van de betrokken Lid-Staat worden verhandeld;

  11. „bevoegde autoriteiten”: de nationale autoriteiten die krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen toezicht uitoefenen op de verzekeringsondernemingen;

  12. nauwe banden”: een situatie waarbij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen verbonden zijn door:

    1. een deelneming, d.w.z. het rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband in bezit hebben van ten minste 20 % van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming, of

    2. een zeggenschapsband, d.w.z. de band die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, in alle gevallen zoals bedoeld in artikel 1, leden 1 en 2, van Richtlijn 83/349/EEG(12), of een band van dezelfde aard tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming; elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat.

    Als een nauwe band tussen twee of meer natuurlijke of rechtspersonen wordt tevens beschouwd een situatie waarin deze personen via een zeggenschapsband duurzaam verbonden zijn met een zelfde persoon.

Artikel 2

1.

Deze richtlijn is van toepassing op de in artikel 1 van Richtlijn 73/239/EEG bedoelde verzekeringen en ondernemingen.

2.

Deze richtlijn is niet van toepassing op de verzekeringen en verrichtingen, noch op ondernemingen en instellingen waarop Richtlijn 73/239/EEG niet van toepassing is, noch op de in artikel 4 van die richtlijn genoemde instellingen.

Artikel 3

Onverminderd het bepaalde in artikel 2, lid 2, nemen de Lid-Staten de nodige maatregelen opdat de monopolies die voor de toegang tot bepaalde branches van het verzekeringsbedrijf aan de op hun grondgebied gevestigde en in artikel 4 van Richtlijn 73/239/EEG bedoelde instellingen zijn verleend, uiterlijk op 1 juli 1994 ophouden te bestaan.

TITEL II TOEGANG TOT HET VERZEKERINGSBEDRIJF

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

TITEL III HARMONISATIE VAN DE UITOEFENINGSVOORWAARDEN

Hoofdstuk 1

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 16 bis

Hoofdstuk 2

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 19

Artikel 20

Artikel 21

Artikel 22

Artikel 23

Artikel 24

Artikel 25

Artikel 26

Hoofdstuk 3

Artikel 27

Artikel 28

Artikel 29

Artikel 30

Artikel 31

TITEL IV BEPALINGEN BETREFFENDE DE VRIJE VESTIGING EN HET VRIJ VERRICHTEN VAN DIENSTEN

Artikel 32

Artikel 33

Artikel 34

Artikel 35

Artikel 36

Artikel 37

Artikel 38

Artikel 39

Artikel 40

Artikel 41

Artikel 42

Artikel 43

Artikel 44

Artikel 45

Artikel 46

TITEL V OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 47

Artikel 48

Artikel 49

Artikel 50

TITEL VI SLOTBEPALINGEN

Artikel 51

Artikel 52

Artikel 53

Artikel 54

Artikel 55

Artikel 56

Artikel 57

Artikel 58