De Lid-Staten passen de vereisten van deze richtlijn toe op beleggingsondernemingen en op kredietinstellingen als omschreven in artikel 2.
Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen
Richtlijn 93/6/EEG van de Raad van15 maart 1993 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen
DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 57, lid 2, eerste en derde zin,
Gezien het voorstel van de Commissie(1),
In samenwerking met het Europees Parlement(2),
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(3),
Overwegende dat het hoofddoel van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten(4) is, beleggingsondernemingen waaraan door de bevoegde autoriteiten van hun Lid-Staat van herkomst vergunning is verleend en waarop door deze autoriteiten toezicht wordt gehouden, toe te staan in andere Lid-Staten bijkantoren te vestigen en daar vrij diensten te verrichten; dat genoemde richtlijn derhalve voorziet in coördinatie van de regels betreffende de vergunningverlening aan en de bedrijfsvoering van beleggingsondernemingen;
Overwegende dat in genoemde richtlijn echter geen gemeenschappelijke voorschriften voor het eigen vermogen van beleggingsondernemingen en evenmin bedragen voor het aanvangskapitaal van dergelijke ondernemingen worden vastgesteld; dat zij ook geen gemeenschappelijk kader biedt voor de bewaking van de risico's die deze ondernemingen lopen; dat zij wel, in verscheidene bepalingen, naar een ander communautair initiatief verwijst, dat juist strekt tot het nemen van gecoördineerde maatregelen op deze gebieden;
Overwegende dat de gevolgde benadering erin bestaat alleen de essentiële harmonisatie tot stand te brengen welke noodzakelijk en voldoende is om de wederzijdse erkenning van de vergunningen en van de stelsels van bedrijfseconomisch toezicht tot stand te brengen; dat het nemen van maatregelen tot coördinatie van de definitie van het eigen vermogen van beleggingsondernemingen, de vaststelling van de bedragen van het aanvangskapitaal en van een gemeenschappelijk kader voor de bewaking van de risico's die beleggingsondernemingen lopen, essentiële punten vormen van de harmonisatie die nodig is voor het bereiken van wederzijdse erkenning in het kader van de interne financiële markt;
Overwegende dat het passend is voor het aanvangskapitaal verschillende bedragen vast te stellen naar gelang van de werkzaamheden waarvoor beleggingsondernemingen vergunning hebben verkregen;
Overwegende dat reeds bestaande beleggingsondernemingen onder bepaalde voorwaarden moet worden toegestaan hun bedrijf voort te zetten, ook indien zij niet aan het voor nieuwe ondernemingen vastgestelde minimumvereiste inzake aanvangskapitaal voldoen;
Overwegende dat de Lid-Staten ook stringentere regels dan die van deze richtlijn mogen vaststellen;
Overwegende dat deze richtlijn deel uitmaakt van het bredere internationale streven naar onderlinge aanpassing van de geldende regels met betrekking tot het toezicht op beleggingsondernemingen en kredietinstellingen (hierna te zamen instellingen te noemen);
Overwegende dat gemeenschappelijke basisvoorschriften betreffende het eigen vermogen van instellingen een centraal element vormen van de interne markt in de sector beleggingsdiensten, omdat het eigen vermogen het mogelijk maakt de continuïteit van de instellingen te waarborgen en de beleggers te beschermen;
Overwegende dat de instellingen, ongeacht of dit beleggingsondernemingen of kredietinstellingen zijn, op een gemeenschappelijke financiële markt rechtstreeks met elkaar concurreren;
Overwegende dat het daarom wenselijk is tot een gelijke behandeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen te komen;
Overwegende dat er, wat kredietinstellingen betreft, reeds gemeenschappelijke voorschriften voor het toezicht op en de bewaking van kredietrisico's zijn vastgesteld in Richtlijn 89/647/EEG van de Raad van 18 december 1989 betreffende een solvabiliteitsrisico voor kredietinstellingen(5);
Overwegende dat het noodzakelijk is gemeenschappelijke voorschriften met betrekking tot de door kredietinstellingen gelopen marktrisico's te ontwikkelen en een aanvullend kader te bieden voor het toezicht op de risico's die instellingen lopen, inzonderheid de marktrisico's en, meer in het bijzonder, positie-, afwikkelings/tegenpartij- en valutarisico's;
Overwegende dat het belangrijk is bij het toezicht op het leverings/afwikkelingsrisico rekening te houden met het bestaan van stelsels die goede bescherming bieden waardoor dat risico beperkt wordt;
Overwegende dat het noodzakelijk is het begrip „handelsportefeuille” in te voeren, dat posities in effecten en andere financiële instrumenten omvat die worden aangehouden voor handelsdoeleinden en die hoofdzakelijk aan marktrisico's zijn onderworpen, alsmede risicoposities in verband met bepaalde voor cliënten verrichte financiële diensten;
Overwegende dat het wenselijk is dat instellingen met zowel in absolute als in relatieve zin te verwaarlozen handelsportefeuilleactiviteiten Richtlijn 89/647/EEG kunnen toepassen in plaats van de vereisten van de bijlagen I en II van de onderhavige richtlijn;
Overwegende dat de instellingen in elk geval aan de bepalingen van deze richtlijn moeten voldoen voor wat betreft de dekking van hun valutarisico met betrekking tot hun gehele bedrijf; dat lagere kapitaalvereisten dienen te gelden voor posities in nauw gecorreleerde valuta's, mits de correlatie bevestigd is door statistische gegevens dan wel volgt uit bindende overeenkomsten tussen Staten, inzonderheid in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de Europese Monetaire Unie;
Overwegende dat het bestaan, bij alle instellingen, van interne stelsels voor bewaking en beheersing van het renterisico met betrekking tot hun gehele bedrijf een bijzonder belangrijk middel is om dat risico te beperken; dat dergelijke stelsels derhalve aan toetsing door de bevoegde autoriteiten moeten zijn onderworpen;
Overwegende dat Richtlijn 92/121/EEG van de Raad van 21 december 1992 betreffende het toezicht op en de beheersing van grote risico's van kredietinstellingen(6) niet strekt tot het vaststellen van gemeenschappelijke regels voor het toezicht op grote risico's in verband met activiteiten die hoofdzakelijk aan marktrisico's onderworpen zijn; dat in die richtlijn wordt verwezen naar een ander communautair initiatief dat erop gericht is de vereiste coördinatie van de methoden op dat gebied tot stand te brengen;
Overwegende dat het noodzakelijk is gemeenschappelijke regels voor toezicht op en beheersing van grote risico's van beleggingsondernemingen vast te stellen;
Overwegende dat voor kredietinstellingen het eigen vermogen reeds is gedefinieerd in Richtlijn 89/299/EEG van de Raad van 17 april 1989 betreffende het eigen vermogen van kredietinstellingen(7);
Overwegende dat voor de definitie van het eigen vermogen van instellingen uitgegaan moet worden van die definitie; dat voor de toepassing van de onderhavige richtlijn echter van de definitie van genoemde richtlijn kan worden afgeweken, ten einde rekening te houden met de specifieke kenmerken van de werkzaamheden van deze instellingen die hoofdzakelijk aan marktrisico's onderworpen zijn;
Overwegende dat in Richltijn 92/30/EEG van de Raad van 6 april 1992 inzake toezicht op kredietinstellingen op geconsolideerde basis(8) het consolidatiebeginsel wordt geponeerd; dat die richtlijn geen gemeenschappelijke regels behelst voor de consolidatie van financiële instellingen met werkzaamheden die hoofdzakelijk aan marktrisico's onderworpen zijn; dat in die richtlijn wordt verwezen naar een ander communautair initiatief dat gericht is op de vaststelling van gecoördineerde maatregelen op dat gebied;
Overwegende dat Richtlijn 92/30/EEG niet van toepassing is op groepen die (een) beleggingsonderneming(en) maar geen kredietinstelling(en) omvatten; dat het evenwel wenselijk werd geacht een gemeenschappelijk kader te scheppen voor de invoering van toezicht op beleggingsondernemingen op geconsolideerde basis;
Overwegende dat technische aanpassingen van de gedetailleerde bepalingen van deze richtlijn van tijd tot tijd noodzakelijk kunnen zijn om met nieuwe ontwikkelingen op het gebied van beleggingsdiensten rekening te houden; dat de Commissie in voorkomend geval de nodige wijzigingen zal voorstellen;
Overwegende dat de Raad in een latere fase bepalingen dient aan te nemen voor de aanpassing van deze richtlijn aan de vooruitgang van de techniek, overeenkomstig Besluit 87/373/EEG van de Raad van 13 juli 1987 tot vaststelling van de voorwaarden die gelden voor de uitoefening van aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(9); dat de Raad in afwachting daarvan zelf of op voorstel van de Commissie dergelijke aanpassingen dient te verrichten;
Overwegende dat uiterlijk drie jaar na de datum van toepassing moet worden voorzien in een heronderzoek van deze richtlijn, in het licht van de opgedane ervaring, de ontwikkelingen op de financiële markten en de werkzaamheden in internationale forums van regulerende autoriteiten; dat bij dat heronderzoek ook herziening van de lijst van onderwerpen die voor technische aanpassing in aanmerking komen, aan de orde moet komen;
Overwegende dat deze richtlijn en Richtlijn 93/22/EEG zo nauw bij elkaar aansluiten dat het van kracht worden van beide richtlijnen op verschillende data zou kunnen leiden tot verstoring van de mededingingsvoorwaarden,
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
De Lid-Staten mogen aan de beleggingsondernemingen en kredietinstellingen waaraan zij vergunning hebben verleend, nadere of strengere eisen stellen.
DEFINITIES
Artikel 2
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
-
„kredietinstellingen”: alle instellingen die voldoen aan de definitie in artikel 1, eerste streepje, van de eerste Richtlijn (77/780/EEG) van de Raad van 12 december 1977 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen(10), waarop de vereisten uit hoofde van Richtlijn 89/647/EEG van toepassing zijn;
-
„beleggingsonderneming”: alle instellingen die voldoen aan de definitie in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten(11) en waarop de vereisten uit hoofde van diezelfde richtlijn van toepassing zijn, met uitzondering van
-
kredietinstellingen;
-
plaatselijke ondernemingen als omschreven in punt 20, en
-
ondernemingen die alleen een vergunning hebben om de dienst beleggingsadvies te verrichten en/of orders van beleggers te ontvangen en door te geven, in beide gevallen zonder dat zij aan hun cliënten toebehorende gelden en/of effecten aanhouden, waardoor zij jegens hun cliënten nooit in een debiteurspositie kunnen verkeren;
-
-
„instellingen”: kredietinstellingen en beleggingsondernemingen;
-
„erkende beleggingsondernemingen uit een derde land”: ondernemingen die, indien zij in de Gemeenschap waren gevestigd, onder de definitie van beleggingsonderming in punt 2 zouden vallen, en waaraan vergunning is verleend in een derde land, en die onderworpen zijn en zich houden aan voorschriften inzake bedrijfseconomisch toezicht welke door de bevoegde autoriteiten als minstens even streng als de voorschriften van deze richtlijn worden beschouwd;
-
„financiële instrumenten”: instrumenten als omschreven in deel B van de bijlage van Richtlijn 93/22/EEG;
-
„handelsportefeuille van een instelling”: een portefeuille bestaande uit:
-
de eigen posities in financiële instrumenten, grondstoffen en van grondstoffen afgeleide instrumenten, die door de instelling voor wederverkoop worden aangehouden en/of worden ingenomen met de bedoeling op korte termijn een voordeel te behalen uit bestaande en/of verwachte verschillen tussen de aankoop- en verkoopprijzen of uit andere koers- of renteschommelingen, en posities in financiële instrumenten, grondstoffen en van grondstoffen afgeleide instrumenten uit hoofde van door een tussenpersoon voor eigen rekening verrichte compenserende aan- en verkopen („matched principal broking”) of posities die worden ingenomen teneinde andere elementen van de handelsportefeuille af te dekken;
-
de risicoposities in verband met niet-afgewikkelde transacties, leveringen zonder tegenprestatie („free deliveries”) en afgeleide „over-the-counter” (OTC)-instrumenten als bedoeld in de punten 1, 2, 3 en 5 van bijlage II; de risicoposities in verband met retrocessieovereenkomsten en verstrekte effecten- en grondstoffenleningen, als bedoeld in punt 4 van bijlage II, welke berusten op overeenkomstig punt a) hierboven in de handelsportefeuille opgenomen effecten of grondstoffen, en mits de bevoegde autoriteiten daarmee instemmen, de risicoposities in verband met omgekeerde retrocessieovereenkomsten en opgenomen effecten- en grondstoffenleningen, beschreven in punt 4 van bijlage II, welke voldoen aan de voorwaarden vermeld onder i), ii), iii) en v), dan wel aan de voorwaarden vermeld onder iv) en v);
-
de risicoposities worden dagelijks tegen de marktwaarde gewaardeerd volgens de procedure van bijlage II;
-
de zekerheid wordt aangepast om rekening te houden met veranderingen van betekenis in de waarde van de effecten of grondstoffen waarop de betrokken overeenkomst of transactie berust, overeenkomstig een voor de bevoegde autoriteiten aanvaardbare regel;
-
in de overeenkomst of effectenleningstransactie is bepaald dat de vorderingen van de instelling automatisch en onmiddellijk worden gecompenseerd met de vorderingen van de tegenpartij, indien deze in gebreke blijft;
-
de overeenkomst of effectenleningstransactie in kwestie wordt aangegaan tussen professionele partijen;
-
een dergelijke overeenkomst of effectenleningstransactie wordt uitsluitend aangegaan in de gebruikelijke en passende omstandigheden; kunstmatige transacties, vooral die welke geen korte-termijntransacties zijn, zijn uitgesloten; en
-
-
de risicoposities in de vorm van provisie, courtage, rente, dividend en marges met betrekking tot aan een beurs verhandelde afgeleide instrumenten, welke rechtstreeks verband houden met de in de portefeuille opgenomen elementen, als bedoeld in punt 6 van bijlage II.
Het al dan niet opnemen van welbepaalde elementen in de handelsportefeuille geschiedt volgens objectieve procedures, waaronder in voorkomend geval de bij de betrokken instelling gehanteerde boekhoudkundige normen; op deze procedures en de consequente toepassing ervan wordt door de bevoegde autoriteiten toezicht gehouden;
-
-
„moederonderneming”, „dochteronderneming” en „financiële instelling” worden gedefinieerd overeenkomstig artikel 1 van Richtlijn 92/30/EEG;
-
„financiële holding”: een financiële instelling waarvan de dochterondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk kredietinstellingen, beleggingsondernemingen of andere financiële instellingen zijn, met dien verstande dat ten minste één van die dochterondernemingen een kredietinstelling of beleggingsonderneming is;
-
„risicowegingsfactoren”: de kredietrisicograden die van toepassing zijn op de tegenpartijen in kwestie overeenkomstig Richtlijn 89/647/EEG. Aan activa in de vorm van vorderingen en andere risicoposities op beleggingsondernemingen of op erkende beleggingsondernemingen uit een derde land en risicoposities op erkende clearinginstellingen en beurzen wordt evenwel dezelfde wegingsfactor toegekend als die welke wordt toegekend wanneer de tegenpartij in kwestie een kredietinstelling is;
-
„afgeleide over-the-counter-instrumenten (OTC-instrumenten)”: posten buiten de balanstelling waarop ingevolge artikel 6, lid 3, eerste alinea, van Richtlijn 89/647/EEG de in bijlage II bij genoemde richtlijn bepaalde methoden moeten worden toegepast;
-
„gereglementeerde markt”: markt die voldoet aan de omschrijving van artikel 1, punt 13, van Richtlijn 93/22/EEG;
-
„gekwalificeerde posten”: lange en korte posities in activa als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b), van Richtlijn 89/647/EEG en in schuldinstrumenten uitgegeven door beleggingsondernemingen of door erkende beleggingsondernemingen uit een derde land. De uitdrukking heeft ook betrekking op lange en korte posities in schuldinstrumenten, indien deze instrumenten aan de volgende voorwaarden voldoen: zij zijn genoteerd op ten minste één gereglementeerde markt van een Lid-Staat of aan een effectenbeurs in een derde land, mits die beurs door de bevoegde autoriteiten van de betrokken Lid-Staat is erkend, én de betrokken instelling beschouwt de instrumenten als voldoende liquide, en de graad van het aan deze instrumenten verbonden debiteurenrisico is, gelet op de solvabiliteit van de emittent, vergelijkbaar met, of lager dan die van de activa bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b), van Richtlijn 89/647/EEG; de bevoegde autoriteiten oefenen toezicht uit op de wijze waarop de instrumenten worden beoordeeld, en wijzen de evaluatie van de instelling af indien aan de betrokken instrumenten naar hun oordeel een te hoog debiteurenrisico verbonden is om als gekwalificeerde posten te kunnen worden beschouwd.
Onverminderd het voorgaande punt staat het de bevoegde autoriteiten, in afwachting van een verdere coördinatie, vrij om als gekwalificeerde posten die instrumenten aan te merken die voldoende liquide zijn en waaraan, gelet op de solvabiliteit van de emittent, een graad van debiteurenrisico verbonden is die vergelijkbaar is met, of lager is dan die van de activa als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder b), van Richtlijn 89/647/EEG. Het aan deze instrumenten verbonden debiteurenrisico moet op een zodanig niveau zijn gewaardeerd door ten minste twee door de bevoegde autoriteiten erkende credit-ratinginstellingen, dan wel door één dergelijke credit-ratinginstelling, mits aan deze instrumenten door een andere door de bevoegde autoriteiten erkende credit-ratinginstelling geen lagere waardering is toegekend.
De bevoegde autoriteiten mogen evenwel afzien van toepassing van de in de voorgaande zin gestelde voorwaarden indien zij deze ongeschikt achten, bij voorbeeld gelet op de kenmerken van de markt, de emittent, of de emissie, dan wel een combinatie van deze kenmerken.
Tevens verlangen de bevoegde autoriteiten van de instellingen dat zij de maximumwegingsfactor van tabel 1, punt 14, van bijlage I toepassen op effecten waaraan wegens ontoereikende solvabiliteit van de emittent en/of ontoereikende liquiditeit een bijzonder risico verbonden is.
De bevoegde autoriteiten van elke Lid-Staat verstrekken aan de Raad en aan de Commissie regelmatig informatie over de methoden die voor de waardering van gekwalificeerde posten worden gehanteerd, inzonderheid de methoden om de graad van liquiditeit van de emissie en de solvabiliteit van de emittent te evalueren;
-
„posten centrale overheid”: lange en korte posities in de activa als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder a), van Richtlijn 89/647/EEG, en activa waarvoor krachtens artikel 7 van die zelfde richtlijn een wegingsfactor 0 % geldt;
-
„converteerbaar waardepapier”: een waardepapier dat naar keuze van de houder tegen een ander waardepapier, gewoonlijk een aandeel van de emittent, kan worden ingeruild;
-
„warrant”: een waardepapier dat de houder het recht geeft tot of op het einde van de looptijd van de „warrant” tegen een vastgestelde prijs een onderliggende waarde te kopen. De warrant kan worden afgewikkeld door levering van de onderliggende waarde zelf of door afwikkeling in contanten;
-
„voorraadfinanciering”: posities waarbij fysieke voorraden op termijn verkocht worden en de financieringskosten tot de datum van de termijnverkoop zijn vastgelegd;
-
„retrocessieovereenkomst” en „omgekeerde retrocessieovereenkomst”: een overeenkomst waarbij een instelling of haar tegenpartij effecten of grondstoffen, of gegarandeerde rechten betreffende de eigendom van effecten of grondstoffen overdraagt, mits die garantie is gegeven door een erkende beurs die houder is van de rechten betreffende de effecten of grondstoffen, en de overeenkomst een instelling niet toestaat een bepaald effect of een bepaalde grondstof aan meer dan één tegenpartij tegelijkertijd over te dragen of toe te zeggen, onder de verbintenis deze effecten of grondstoffen (of vervangende effecten of grondstoffen met dezelfde kenmerken) tegen een vastgestelde prijs op een door de overdragende instelling bepaald of te bepalen tijdstip in de toekomst terug te kopen, wordt aangemerkt als een „retrocessieovereenkomst” voor de instelling die de effecten of grondstoffen verkoopt, en een „omgekeerde retrocessieovereenkomst” voor de instelling die de effecten of grondstoffen koopt.
Een omgekeerde retrocessieovereenkomst wordt als een transactie tussen professionele partijen beschouwd wanneer de tegenpartij onderworpen is aan prudentiële coördinatie op communautair niveau of een kredietinstelling van zone A is als omschreven in Richtljn 89/647/EEG, of een erkende beleggingsonderneming uit een derde land, of wanneer de overeenkomst is gesloten met een erkende clearinginstelling of beurs;
-
„verstrekte effecten- of grondstoffenlening” en „opgenomen effecten- of grondstoffenlening”: een transactie waarbij een instelling of haar tegenpartij effecten of grondstoffen overdraagt tegen een passende zekerheid, onder de verbintenis dat de leningnemer op een tijdstip in de toekomst of wanneer de overdragende instelling daarom verzoekt, gelijkwaardige effecten of grondstoffen teruglevert, wordt aangemerkt als een „verstrekte effecten- of grondstoffenlening” voor de instelling die de effecten of grondstoffen overdraagt, en een „opgenomen effecten- of grondstoffenlening” voor de instelling waaraan de effecten of grondstoffen worden overgedragen.
Een opgenomen effecten- of grondstoffenlening wordt beschouwd als een transactie tussen professionele partijen wanneer de tegenpartij onderworpen is aan prudentiële coördinatie op communautair niveau of een kredietinstelling van zone A is in de zin van Richtlijn 89/647/EEG, of een erkende beleggingsonderneming uit een derde land of wanneer de transactie is verricht met een erkende clearinginstelling of beurs;
-
„clearing member”: een lid van de beurs en/of van de clearinginstelling dat met de centrale tegenpartij („market guarantor”) een rechtstreekse contractuele verhouding heeft. Niet-clearing members moeten voor hun handel een beroep doen op een clearing member;
-
„plaatselijke onderneming”: een onderneming die op een beurs voor financiële futures of voor opties alleen voor eigen rekening of voor rekening van andere leden van dezelfde beurs handelt of deze laatsten een prijs geeft, en die door een clearing member van dezelfde beurs wordt gegarandeerd. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de door dergelijke ondernemingen gesloten contracten berust bij een clearing member van dezelfde beurs, en met deze contracten moet rekening worden gehouden bij de berekening van de totale kapitaalvereisten voor het clearing member, zolang de posities van de plaatselijke onderneming volledig gescheiden zijn van die van het clearing member;
-
„delta”: de verwachte verandering van een optieprijs als evenredig deel van een geringe verandering in de prijs van het onderliggende instrument;
-
„lange positie” voor de toepassing van bijlage I, punt 4: een positie waarin een instelling de op een bepaald tijdstip in de toekomst te ontvangen rente heeft vastgelegd en „korte positie”: een positie waarin een instelling de op een bepaald tijdstip in de toekomst te betalen rente heeft vastgelegd;
-
„eigen vermogen”: het eigen vermogen als omschreven in Richtlijn 89/299/EEG. Deze definitie kan echter worden gewijzigd onder de voorwaarden van bijlage V;
-
„aanvangskapitaal”: posten als omschreven in artikel 2, lid 1, punten 1 en 2, van Richtlijn 89/299/EEG;
-
„oorspronkelijk eigen vermogen”: de som van de activa als omschreven in artikel 2, lid 1, punten 1, 2 en 4, minus de som van de activa in de punten 9, 10 en 11, van Richtlijn 89/299/EEG;
-
„kapitaal”: het eigen vermogen;
-
„gewijzigde duration”: berekend volgens de formule in bijlage I, punt 26.