Home

Verordening (EEG) n r. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek

Verordening (EEG) n r. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek

1993R2454 — NL — 05.12.2014 — 022.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

Gewijzigd bij:

Publicatieblad

No

page

date

►M1

VERORDENING (EG) Nr. 3665/93 VAN DE COMMISSIE van 21 december 1993

L 335

1

31.12.1993

M2

VERORDENING (EG) Nr. 655/94 VAN DE COMMISSIE van 24 maart 1994

L 82

15

25.3.1994

M3

VERORDENING (EG) Nr. 1500/94 VAN DE RAAD van 21 juni 1994

L 162

1

30.6.1994

►M4

VERORDENING (EG) Nr. 2193/94 VAN DE COMMISSIE van 8 september 1994

L 235

6

9.9.1994

►M5

VERORDENING (EG) Nr. 3254/94 VAN DE COMMISSIE van 19 december 1994

L 346

1

31.12.1994

►M6

VERORDENING (EG) Nr. 1762/95 VAN DE COMMISSIE van 19 juli 1995

L 171

8

21.7.1995

►M7

VERORDENING (EG) Nr. 482/96 VAN DE COMMISSIE van 19 maart 1996

L 70

4

20.3.1996

►M8

VERORDENING (EG) Nr. 1676/96 VAN DE COMMISSIE van 30 juli 1996

L 218

1

28.8.1996

M9

VERORDENING (EG) Nr. 2153/96 VAN DE RAAD van 25 oktober 1996

L 289

1

12.11.1996

►M10

VERORDENING (EG) Nr. 12/97 VAN DE COMMISSIE van 18 december 1996

L 9

1

13.1.1997

M11

VERORDENING (EG) Nr. 89/97 VAN DE COMMISSIE van 20 januari 1997

L 17

28

21.1.1997

►M12

VERORDENING (EG) Nr. 1427/97 VAN DE COMMISSIE van 23 juli 1997

L 196

31

24.7.1997

►M13

VERORDENING (EG) Nr. 75/98 VAN DE COMMISSIE van 12 januari 1998

L 7

3

13.1.1998

►M14

VERORDENING (EG) Nr. 1677/98 VAN DE COMMISSIE van 29 juli 1998

L 212

18

30.7.1998

►M15

VERORDENING (EG) Nr. 46/1999 VAN DE COMMISSIE van 8 januari 1999

L 10

1

15.1.1999

►M16

VERORDENING (EG) Nr. 502/1999 VAN DE COMMISSIE van 12 februari 1999

L 65

1

12.3.1999

M17

VERORDENING (EG) Nr. 1662/1999 VAN DE COMMISSIE van 28 juli 1999

L 197

25

29.7.1999

►M18

VERORDENING (EG) Nr. 1602/2000 VAN DE COMMISSIE van 24 juli 2000

L 188

1

26.7.2000

►M19

VERORDENING (EG) Nr. 2787/2000 VAN DE COMMISSIE van 15 december 2000

L 330

1

27.12.2000

►M20

VERORDENING (EG) Nr. 993/2001 VAN DE COMMISSIE van 4 mei 2001

L 141

1

28.5.2001

►M21

VERORDENING (EG) Nr. 444/2002 VAN DE COMMISSIE van 11 maart 2002

L 68

11

12.3.2002

►M22

VERORDENING (EG) Nr. 881/2003 VAN DE COMMISSIE van 21 mei 2003

L 134

1

29.5.2003

►M23

VERORDENING (EG) Nr. 1335/2003 VAN DE COMMISSIE van 25 juli 2003

L 187

16

26.7.2003

►M24

VERORDENING (EG) Nr. 2286/2003 VAN DE COMMISSIE van 18 december 2003

L 343

1

31.12.2003

►M25

VERORDENING (EG) Nr. 837/2005 VAN DE RAAD van 23 mei 2005

L 139

1

2.6.2005

►M26

VERORDENING (EG) Nr. 883/2005 VAN DE COMMISSIE van 10 juni 2005

L 148

5

11.6.2005

►M27

VERORDENING (EG) Nr. 215/2006 VAN DE COMMISSIE van 8 februari 2006

L 38

11

9.2.2006

►M28

VERORDENING (EG) Nr. 402/2006 VAN DE COMMISSIE van 8 maart 2006

L 70

35

9.3.2006

►M29

VERORDENING (EG) Nr. 1875/2006 VAN DE COMMISSIE van 18 december 2006

L 360

64

19.12.2006

►M30

VERORDENING (EG) Nr. 1792/2006 VAN DE COMMISSIE van 23 oktober 2006

L 362

1

20.12.2006

►M31

VERORDENING (EG) Nr. 214/2007 VAN DE COMMISSIE van 28 februari 2007

L 62

6

1.3.2007

►M32

VERORDENING (EG) Nr. 1192/2008 VAN DE COMMISSIE van 17 november 2008

L 329

1

6.12.2008

►M33

VERORDENING (EG) Nr. 312/2009 VAN DE COMMISSIE van 16 april 2009

L 98

3

17.4.2009

►M34

VERORDENING (EG) Nr. 414/2009 VAN DE COMMISSIE van 30 april 2009

L 125

6

21.5.2009

►M35

VERORDENING (EU) Nr. 169/2010 VAN DE COMMISSIE van 1 maart 2010

L 51

2

2.3.2010

►M36

VERORDENING (EU) Nr. 177/2010 VAN DE COMMISSIE van 2 maart 2010

L 52

28

3.3.2010

►M37

VERORDENING (EU) Nr. 197/2010 VAN DE COMMISSIE van 9 maart 2010

L 60

9

10.3.2010

►M38

VERORDENING (EU) Nr. 430/2010 VAN DE COMMISSIE van 20 mei 2010

L 125

10

21.5.2010

►M39

VERORDENING (EU) Nr. 1063/2010 VAN DE COMMISSIE van 18 november 2010

L 307

1

23.11.2010

►M40

UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 756/2012 VAN DE COMMISSIE van 20 augustus 2012

L 223

8

21.8.2012

►M41

UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1101/2012 VAN DE COMMISSIE van 26 november 2012

L 327

18

27.11.2012

►M42

UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1159/2012 VAN DE COMMISSIE van 7 december 2012

L 336

1

8.12.2012

►M43

UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1180/2012 VAN DE COMMISSIE van 10 december 2012

L 337

37

11.12.2012

M44

UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 58/2013 VAN DE COMMISSIE van 23 januari 2013

L 21

19

24.1.2013

►M45

VERORDENING (EU) Nr. 519/2013 VAN DE COMMISSIE van 21 februari 2013

L 158

74

10.6.2013

►M46

UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 530/2013 VAN DE COMMISSIE van 10 juni 2013

L 159

1

11.6.2013

►M47

UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1063/2013 VAN DE COMMISSIE van 30 oktober 2013

L 289

44

31.10.2013

►M48

UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1076/2013 VAN DE COMMISSIE van 31 oktober 2013

L 292

1

1.11.2013

►M49

UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1099/2013 VAN DE COMMISSIE van 5 november 2013

L 294

40

6.11.2013

►M50

UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1357/2013 VAN DE COMMISSIE van 17 december 2013

L 341

47

18.12.2013

►M51

UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 174/2014 VAN DE COMMISSIE van 25 februari 2014

L 56

1

26.2.2014

►M52

UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 889/2014 VAN DE COMMISSIE van 14 augustus 2014

L 243

39

15.8.2014

►M53

UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1223/2014 VAN DE COMMISSIE van 14 november 2014

L 330

37

15.11.2014

►M54

UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1272/2014 VAN DE COMMISSIE van 28 november 2014

L 344

14

29.11.2014


Gewijzigd bij:


Gerectificeerd bij:



NB: Deze geconsolideerde versie bevat referenties naar de Europese rekeneenheid en/of ecu. Vanaf 1 januari 1999 moeten beide worden gelezen als referentie naar de euro — Verordening (EEG) nr. 3308/80 van de Raad (PB L 345 van 20.12.1980, blz. 1) en Verordening (EG) nr. 1103/97 van de Raad (PB L 162 van 19.6.1997, blz. 1).




▼B

VERORDENING (EEG) Nr. 2454/93 VAN DE COMMISSIE

van 2 juli 1993

houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek



DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (1), hierna het Wetboek genoemd, inzonderheid op artikel 249,

Overwegende dat het communautair douanewetboek de bestaande douanewetgeving in een enkel juridisch instrument heeft samengebracht; dat dit Wetboek tegelijkertijd die wetgeving heeft gewijzigd ten einde haar meer samenhang te verlenen, haar te vereenvoudigen en bepaalde hiaten op te vullen; dat het derhalve op dit gebied de gehele communautaire regelgeving vertegenwoordigt;

Overwegende dat de redenen die tot het vaststellen van het Wetboek hebben geleid eveneens geldig zijn voor de douanebepalingen ter toepassing daarvan; dat het derhalve passend is de uitvoeringsbepalingen van het thans in een veelheid van verordeningen en richtlijnen van de Gemeenschap verspreide douanerecht in één verordening bijeen te brengen;

Overwegende dat het aldus vastgestelde uitvoeringswetboek van het communautair douanewetboek de thans geldende uitvoeringsbepalingen dient over te nemen; dat het in het licht van de opgedane ervaring evenwel dienstig is:

—op deze bepalingen enkele wijzigingen aan te brengen ter aanpassing aan het Wetboek;

—de draagwijdte van enkele bepalingen, die thans beperkt is tot enkele welbepaalde douaneregelingen, te verruimen ten einde met de algemene werkingssfeer van het Wetboek rekening te houden;

—enkele voorschriften nauwkeuriger te formuleren voor een grotere rechtszekerheid bij de toepassing daarvan;

dat de wijzigingen voornamelijk bepalingen betreffen met betrekking tot de douaneschuld;

Overwegende dat het dienstig is de toepasbaarheid van artikel 791, lid 2, te beperken tot 1 januari 1995 en vóór het verstrijken van die termijn deze aangelegenheid in het licht van de opgedane ervaring opnieuw te onderzoeken;

Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:



DEEL I

ALGEMENE TOEPASSINGSBEPALINGEN



TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN



HOOFDSTUK 1

Definities

Artikel 1

In de zin van de onderhavige verordening wordt verstaan onder:

1)Wetboek: Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek;

▼M6

2)carnet ATA: het in het kader van de ATA-Overeenkomst of van de Overeenkomst van Istanboel vastgestelde internationale douanedocument voor de tijdelijke invoer van goederen;

▼M21

3)Comité: het bij de artikelen 247 bis en 248 bis van het Wetboek ingestelde Comité douanewetboek;

▼B

4)Internationale Douaneraad: de organisatie opgericht bij het Verdrag houdende instelling van een Internationale Douaneraad, gesloten te Brussel op 15 december 1950;

5)gegevens ter identificatie van de goederen: enerzijds de in de handelspraktijk gebruikelijke gegevens ter identificatie van de goederen op grond waarvan de douaneautoriteiten deze kunnen indelen in het tarief en, anderzijds, de hoeveelheid van de goederen;

6)goederen waaraan elk handelskarakter vreemd is: goederen die incidenteel onder een douaneregeling worden geplaatst en, gezien hun aard en hoeveelheid, kennelijk zijn voorbehouden voor persoonlijk gebruik door de geadresseerden of de vervoerders of de leden van hun gezin, dan wel kennelijk zijn bestemd om als geschenk te worden aangeboden;

7)handelspolitieke maatregelen: de niet-tarifaire maatregelen die in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek zijn vastgesteld bij communautaire bepalingen van toepassing op in- en uitvoer van goederen, zoals maatregelen van toezicht of vrijwaringsmaatregelen, kwantitatieve beperkingen en invoer- of uitvoerverboden;

8)douanenomenclatuur: één van de in artikel 20, lid 6, van het Wetboek bedoelde nomenclaturen;

9)geharmoniseerd systeem: het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen;

▼M21

10)Verdrag: het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;

▼M6

11)Overeenkomst van Istanboel: De Overeenkomst inzake de tijdelijke invoer, gesloten te Istanboel op 26 juni 1990;

▼M29

12)Marktdeelnemer: een persoon die zich in het kader van zijn bedrijf bezighoudt met activiteiten waarop de douanewetgeving betrekking heeft;

▼M32

13)Grensoverschrijdende vergunning: een vergunning waarbij douaneadministraties in meer dan één lidstaat zijn betrokken voor een van de volgende procedures:

—de vereenvoudigde aangifte in de zin van artikel 76, lid 1, van het Wetboek, of

—de domiciliëringsprocedure in de zin van artikel 76, lid 1, van het Wetboek, of

—de economische douaneregelingen in de zin van artikel 84, lid 1, onder b), van het Wetboek, of

—de bijzondere bestemming in de zin van artikel 21, lid 1, van het Wetboek;

14)Geïntegreerde vergunning: een vergunning om meer dan een van de in punt 13 genoemde regelingen te gebruiken; zij kan de vorm aannemen van een geïntegreerde grensoverschrijdende vergunning wanneer hierbij meer dan één douaneadministratie is betrokken;

15)Vergunningverlenende douaneautoriteit: de douaneautoriteit die de vergunning verleent;

▼M33

16)EORI-nummer (Economic Operators Registration and Identification number — registratie- en identificatienummer van marktdeelnemer): een nummer dat uniek is in de Europese Gemeenschap en overeenkomstig de in hoofdstuk 6 vastgestelde regels door de douaneautoriteiten of de aangewezen autoriteit of autoriteiten van een lidstaat aan de marktdeelnemers en andere personen wordt toegekend;

17)Summiere aangifte bij binnenkomst: de in artikel 36 bis van het Wetboek bedoelde summiere aangifte die moet worden ingediend voor goederen die het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, tenzij in deze verordening anders is bepaald.

▼M38

18)Summiere aangifte bij uitgang: de in artikel 182 quater van het Wetboek bedoelde summiere aangifte die moet worden ingediend voor goederen die het douanegebied van de Gemeenschap verlaten, tenzij in deze verordening anders is bepaald.

▼M18

Artikel 1 bis

Voor de toepassing van de artikelen 291 tot en met 300, worden de landen van de Benelux Economische Unie als één enkele lidstaat aangemerkt.

▼B



HOOFDSTUK 2

Beschikkingen

Artikel 2

Wanneer degene die een verzoek om een beschikking indient niet in staat is alle voor het nemen van een beslissing op het verzoek benodigde bescheiden en gegevens te verstrekken, zijn de douaneautoriteiten gehouden de tot hun beschikking staande bescheiden en gegevens ambtshalve te verstrekken.

Artikel 3

Een beschikking betreffende zekerheidstelling die in het voordeel is van degene die de verplichting op zich heeft genomen de gevorderde bedragen op eerste schriftelijk verzoek van de douaneautoriteiten te voldoen, wordt ingetrokken wanneer geen gevolg wordt gegeven aan genoemde verplichting.

Artikel 4

De intrekking geldt niet voor goederen die, op het tijdstip waarop de intrekking van kracht wordt, reeds op grond van de ingetrokken vergunning onder de regeling zijn geplaatst

De douaneautoriteiten kunnen evenwel eisen dat deze goederen binnen een door hen vast te stellen termijn een van de toegelaten douanebestemmingen krijgen.

▼M1



HOOFDSTUK 3

Systemen voor automatische gegevensverwerking

Artikel 4 bis

1. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat op door hen te bepalen voorwaarden en te stellen regels en met inachtneming van de beginselen van de douanewetgeving, formaliteiten met behulp van systemen voor automatische gegevensverwerking worden vervuld.

Wordt verstaan onder:

automatische gegevensverwerking:

a)het uitwisselen van genormaliseerde EDI-berichten met de douaneautoriteiten;

b)het in de systemen voor automatische gegevensverwerking van de douane invoeren van de gegevens die voor het vervullen van de betrokken formaliteiten noodzakelijk zijn;

EDI (Electronic Data Interchange): de toezending van gestructureerde gegevens volgens overeengekomen berichtnormen, langs elektronische weg, van het ene systeem voor automatische gegevensverwerking naar het andere;

genormaliseerd bericht: een vooraf vastgestelde en aanvaarde structuur voor de elektronische toezending van gegevens.

2. Toestemming om formaliteiten met behulp van systemen voor automatische gegevensverwerking te vervullen kan slechts worden verleend wanneer met name maatregelen voor controle van de bron en voor de bescherming van gegevens tegen ongeoorloofde toegang, verlies, wijziging of vernietiging zijn genomen.

Artikel 4 ter

Wanneer de formaliteiten worden vervuld met behulp van systemen voor automatische gegevensverwerking stellen de douaneautoriteiten vast door welke techniek, die eventueel op het gebruik van codes berust, de handtekening wordt vervangen.

▼M19

Artikel 4 quater

Voor de proefprogramma's ter beoordeling van mogelijke vereenvoudigingen die gebruik maken van systemen voor automatische gegevensverwerking kunnen de douaneautoriteiten voor de tijd die strikt noodzakelijk is om het programma ten uitvoer te leggen ervan afzien de volgende gegevens te verlangen:

a)de in artikel 178, lid 1, bedoelde aangifte;

b)in afwijking van artikel 222, lid 1, de vermeldingen van een aantal gegevens in bepaalde vakken van het Enig Document die niet noodzakelijk zijn voor de identificatie van de goederen en die niet als elementen voor de heffingsgrondslag van de in- of uitvoerrechten dienen.

Op verzoek dienen deze gegevens echter wel bij controleacties te worden verstrekt.

Het bedrag van de invoerrechten dat tijdens de periode waarop een op grond van de eerste alinea verleende afwijking betrekking heeft wordt ingevorderd, mag niet lager zijn dan het bedrag dat zonder de afwijking zou worden ingevorderd.

Lidstaten die aan dergelijke proefprogramma's wensen deel te nemen delen de Commissie vooraf alle bijzonderheden betreffende het voorgestelde proefprogramma mede, met inbegrip van de duur daarvan. Voorts houden zij de Commissie op de hoogte van de toepassing in de praktijk van het programma en de resultaten daarvan. De Commissie licht alle andere lidstaten in.

▼M29



HOOFDSTUK 4

Uitwisseling van gegevens tussen douaneautoriteiten met behulp van informatietechnologie en computernetwerken

Artikel 4 quinquies

1. Wanneer elektronische systemen voor de uitwisseling van informatie over een douaneregeling of marktdeelnemer door de lidstaten in samenwerking met de Commissie zijn ontwikkeld, maken de douaneautoriteiten gebruik van deze systemen voor de uitwisseling van gegevens tussen de betrokken douanekantoren, zonder afbreuk te doen aan bijzondere omstandigheden en de bepalingen inzake de betrokken regeling, die in voorkomend geval van overeenkomstige toepassing zijn.

2. Wanneer de bij een regeling betrokken douanekantoren in verschillende lidstaten zijn gelegen, hebben de voor de uitwisseling van gegevens te gebruiken berichten de structuur en bevatten zij de gegevens die de douaneautoriteiten in onderling overleg hebben vastgesteld.

Artikel 4 sexies

1. Naast de in artikel 4 bis, lid 2, bedoelde voorwaarden, stellen de douaneautoriteiten passende veiligheidsmaatregelen vast en handhaven zij deze voor een effectieve, betrouwbare en veilige werking van de verschillende systemen.

2. Om het in lid 1 bedoelde niveau van systeemveiligheid te bereiken, worden iedere invoer, wijziging en verwijdering van gegevens geregisteerd, tezamen met informatie welke de reden hiervoor aangeeft, alsmede de precieze tijd en de identiteit van de persoon die de handeling uitvoert. De oorspronkelijke gegevens of alle gegevens die een bewerking hebben ondergaan, worden ten minste drie kalenderjaren bewaard vanaf het einde van het jaar waarop deze gegevens betrekking hebben, tenzij anders bepaald.

3. De douaneautoriteiten controleren de beveiliging regelmatig.

4. De betrokken douaneautoriteiten stellen elkaar, en in voorkomend geval de betrokken marktdeelnemer, van alle vermoedens van inbreuken op de beveiliging in kennis.



HOOFDSTUK 5

Risicobeheer

Artikel 4 septies

1. De douaneautoriteiten verrichten risicobeheer om een onderscheid te maken tussen de risiconiveaus die verbonden zijn aan de goederen die aan douanecontrole of douanetoezicht zijn onderworpen en om te bepalen of, en zo ja waar, de goederen aan bijzondere douanecontroles zullen worden onderworpen.

2. De risiconiveaus worden bepaald door een beoordeling van de waarschijnlijkheid dat de met het risico verband houdende gebeurtenis zich zal voordoen en wat daarvan de gevolgen zullen zijn. De door de douane te controleren goederen of aangiften worden ook steekproefsgewijs geselecteerd.

Artikel 4 octies

1. Het in artikel 13, lid 2, van het Wetboek bedoelde communautaire risicobeheer wordt uitgevoerd overeenkomstig een gemeenschappelijk kader voor elektronisch risicobeheer, dat uit de volgende delen bestaat:

a)een communautair douanerisicobeheersysteem voor de tenuitvoerlegging van het risicobeheer, dat moet worden gebruikt voor de communicatie tussen de douaneautoriteiten van de lidstaten en de Commissie van alle risicogerelateerde informatie die de douanecontroles zou kunnen verbeteren;

b)gemeenschappelijke prioritaire controlegebieden;

c)gemeenschappelijke risicocriteria en normen voor de geharmoniseerde toepassing van douanecontroles in specifieke gevallen.

2. De douaneautoriteiten wisselen met behulp van het in lid 1, onder a), bedoelde systeem informatie over risico’s uit wanneer:

a)een douaneautoriteit oordeelt, dat de risico’s significant zijn, dat een controle noodzakelijk is en bij de controle blijkt dat de in artikel 4, punt 25, van het Wetboek bedoelde gebeurtenis zich heeft voorgedaan;

b)bij de controle niet blijkt dat de in artikel 4, punt 25, van het Wetboek bedoelde gebeurtenis zich heeft voorgedaan, maar de betrokken douaneautoriteit oordeelt dat de dreiging elders in de Gemeenschap een hoog risico vormt.

Artikel 4 nonies

1. Gemeenschappelijke prioritaire controlegebieden omvatten bepaalde douanebestemmingen, soorten goederen, vervoerstrajecten, vervoerswijzen of marktdeelnemers die in een bepaalde periode in sterkere mate aan risicoanalysen en douanecontroles dienen te worden onderworpen.

2. De toepassing van gemeenschappelijke prioritaire controlegebieden wordt gebaseerd op een gemeenschappelijke benadering van de risicoanalyse en, om gelijkwaardige douanecontroleniveaus te verzekeren, gemeenschappelijke risicocriteria en normen voor de selectie van goederen of marktdeelnemers voor controle.

3. Douanecontroles die in gemeenschappelijke prioritaire controlegebieden worden uitgevoerd, doen geen afbreuk aan andere controles die de douaneautoriteiten normaal verrichten.

Artikel 4 decies

1. De in artikel 4 octies, lid 1, onder c), bedoelde gemeenschappelijke risicocriteria en normen omvatten de volgende onderdelen:

a)een beschrijving van het risico of de risico’s;

b)de te gebruiken risicofactoren of -indicatoren om goederen of marktdeelnemers voor douanecontroles te selecteren;

c)de aard van de door de douaneautoriteiten uit te voeren douanecontroles;

d)de toepassingsduur van de onder c) bedoelde douanecontroles.

De informatie die door toepassing van de in de eerste alinea bedoelde onderdelen wordt verkregen, wordt verspreid met behulp van het in artikel 4 octies, lid 1, onder a), bedoelde communautaire douanerisicobeheersysteem. Zij wordt door de douaneautoriteiten in hun risicobeheersystemen gebruikt.

2. De douaneautoriteiten delen de Commissie de resultaten mede van de overeenkomstig lid 1 uitgevoerde douanecontroles.

Artikel 4 undecies

Voor de vaststelling van de gemeenschappelijke prioritaire controlegebieden en de toepassing van gemeenschappelijke risicocriteria en normen wordt rekening gehouden met:

a)de evenredigheid met het risico;

b)de dringendheid van de uit te voeren controles;

c)de waarschijnlijke gevolgen voor het handelsverkeer, de afzonderlijke lidstaten en de beschikbare controlemiddelen.

▼M33



HOOFDSTUK 6

Registratie- en identificatiesysteem

Artikel 4 duodecies

1. Het EORI-nummer wordt gebruikt voor de identificatie van de marktdeelnemers en andere personen in hun betrekkingen met de douaneautoriteiten.

De structuur van het EORI-nummer voldoet aan de in bijlage 38 vastgestelde criteria.

2. Wanneer de voor de toekenning van het EORI-nummer bevoegde autoriteit niet de douaneautoriteit is, wijst iedere lidstaat de autoriteit of autoriteiten aan die bevoegd is of zijn voor de registratie van de marktdeelnemers en andere personen en voor de toekenning aan hen van de EORI-nummers.

De douaneautoriteiten van de lidstaten delen de Commissie de naam en de adresgegevens mede van de autoriteit of autoriteiten die bevoegd is of zijn voor de toekenning van het EORI-nummer. De Commissie maakt deze informatie bekend op het internet.

3. Behoudens lid 1, mogen de lidstaten een nummer dat de bevoegde autoriteiten voor fiscale, statistische of andere doeleinden reeds aan een marktdeelnemer of een andere persoon hebben toegekend, als EORI-nummer gebruiken.

Artikel 4 terdecies

1. Een in het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemer wordt geregistreerd door de douaneautoriteit of de aangewezen autoriteit van de lidstaat waar hij is gevestigd. De marktdeelnemers moeten de registratie aanvragen, voordat zij de in artikel 1, punt 12, bedoelde activiteiten beginnen. De marktdeelnemers die geen registratie hebben aangevraagd, mogen dat evenwel tijdens hun eerste handeling doen.

2. In de in artikel 4 duodecies, lid 3, bedoelde gevallen kunnen de lidstaten een marktdeelnemer of een andere persoon ontheffen van de verplichting een EORI-nummer aan te vragen.

3. Wanneer een niet in het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemer geen EORI-nummer heeft, wordt hij geregistreerd door de douaneautoriteit of de aangewezen autoriteit van de lidstaat waar hij voor het eerst een van de volgende handelingen verricht:

▼M35

a)hij dient in de Gemeenschap een summiere aangifte in of een andere douaneaangifte dan:

i)een douaneaangifte overeenkomstig de artikelen 225 tot en met 238;

ii)een douaneaangifte voor tijdelijke invoer of voor zuivering van deze regeling door wederuitvoer;

iii)een douaneaangifte voor plaatsing onder de regeling gemeenschappelijk douanevervoer door een marktdeelnemer die is gevestigd in een andere partij bij de Overeenkomst gemeenschappelijk douanevervoer dan de Europese Unie, indien deze aangifte niet ook als een summiere aangifte bij binnenkomst of uitgang wordt gebruikt;

iv)een douaneaangifte voor plaatsing onder de regeling communautair douanevervoer door een in Andorra of San Marino gevestigde marktdeelnemer, indien deze aangifte niet ook als een summiere aangifte bij binnenkomst of uitgang wordt gebruikt;

▼M33

b)hij dient in de Gemeenschap een summiere aangifte bij uitgang of bij binnenkomst in;

c)hij beheert een ruimte voor tijdelijke opslag overeenkomstig artikel 185, lid 1;

d)hij vraagt een vergunning aan overeenkomstig artikel 324 bis of 372;

e)hij vraagt een AEO-certificaat aan overeenkomstig artikel 14 bis;

▼M51

f)hij treedt op als een vervoerder als bedoeld in artikel 181 ter in het geval van vervoer over zee, over de binnenwateren of door de lucht, tenzij hem een uniek derdeland-identificatienummer is toegekend dat is meegedeeld in het kader van een door de Unie erkend partnerschapsprogramma met het bedrijfsleven van een derde land. Dit geldt onverminderd punt b);

g)hij treedt op als een vervoerder die is aangesloten op het douanesysteem en hij wenst een van de kennisgevingen zoals bepaald in artikel 183, leden 6 en 8, en artikel 184 quinquies, lid 2, te ontvangen.

▼M33

4. Andere personen dan marktdeelnemers worden slechts geregistreerd, indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)de wetgeving van een lidstaat vereist deze registratie;

b)aan de betrokken persoon is nog geen EORI-nummer toegekend;

c)de betrokken persoon verricht handelingen waarvoor overeenkomstig bijlage 30 bis of bijlage 37, titel I, een EORI-nummer moet worden verstrekt.

5. In het in lid 4 bedoelde geval

a)wordt een in het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde persoon die geen marktdeelnemer is als bedoeld in lid 1, geregistreerd door de douaneautoriteit of de aangewezen autoriteit van de lidstaat waar hij is gevestigd;

b)wordt een niet in het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde persoon die geen marktdeelnemer is als bedoeld in lid 3, geregistreerd door de douaneautoriteit of de aangewezen autoriteit van de lidstaat waar hij activiteiten verricht die onder de douanewetgeving vallen.

6. Marktdeelnemers of andere personen hebben slechts één EORI-nummer.

7. Voor de toepassing van dit hoofdstuk is bij de vaststelling of een persoon in een lidstaat is gevestigd, artikel 4, punt 2, van het Wetboek van overeenkomstige toepassing.

Artikel 4 quaterdecies

1. De registratie- en identificatiegegevens van de marktdeelnemers of, in voorkomend geval, andere personen die in het in artikel 4 sexdecies bedoelde systeem worden verwerkt, bevatten de in bijlage 38 quinquies genoemde gegevens, met inachtneming van de specifieke voorwaarden van artikel 4 sexdecies, leden 4 en 5.

2. De lidstaten kunnen van de marktdeelnemers en andere personen bij hun EORI-nummerregistratie eisen dat deze ook andere dan de in bijlage 38 quinquies genoemde gegevens verstrekken wanneer dat voor de in hun nationale wetgeving vastgestelde doeleinden noodzakelijk is.

3. De lidstaten kunnen van de marktdeelnemers of, in voorkomend geval, andere personen eisen dat zij de in de leden 1 en 2 bedoelde gegevens langs elektronische weg verstrekken.

Artikel 4 quindecies

Het EORI-nummer wordt, indien vereist, gebruikt bij alle communicatie tussen de marktdeelnemers of andere personen en de douaneautoriteiten. Het wordt ook gebruikt voor de uitwisseling van informatie tussen de douaneautoriteiten onderling en tussen de douaneautoriteiten en andere autoriteiten onder de in de artikelen 4 septdecies en 4 octodecies vastgestelde voorwaarden.

Artikel 4 sexdecies

1. De lidstaten werken samen met de Commissie voor de ontwikkeling van een centraal elektronisch informatie- en communicatiesysteem dat de in bijlage 38 quinquies genoemde gegevens bevat die door alle lidstaten zijn verstrekt.

2. De douaneautoriteiten werken samen met de Commissie voor de verwerking en de uitwisseling tussen de douaneautoriteiten onderling, en tussen de Commissie en de douaneautoriteiten, van de in bijlage 38 quinquies genoemde registratie- en identificatiegegevens van de marktdeelnemers en andere personen, zulks met gebruikmaking van het in lid 1 bedoelde systeem.

Andere dan de in bijlage 38 quinquies genoemde gegevens worden niet in het centrale systeem verwerkt.

3. De lidstaten zorgen ervoor, dat hun nationale systemen bijgewerkt, volledig en accuraat zijn.

4. De lidstaten brengen op gezette tijden de in bijlage 38 quinquies, punten 1 tot en met 4, genoemde gegevens betreffende de marktdeelnemers en andere personen in het centrale systeem in, wanneer nieuwe EORI-nummers zijn toegekend of wijziging in deze gegevens komt.

5. De lidstaten brengen ook op gezette tijden de in bijlage 38 quinquies, punten 5 tot en met 12, genoemde gegevens betreffende de marktdeelnemers en andere personen, indien deze beschikbaar zijn in hun nationale systemen, in het centrale systeem in, wanneer nieuwe EORI-nummers zijn toegekend of wijziging in deze gegevens komt.

6. Uitsluitend de overeenkomstig artikel 4 terdecies, leden 1 tot en met 5, toegekende EORI-nummers worden tezamen met de andere in bijlage 38 quinquies genoemde gegevens in het centrale systeem ingebracht.

7. Wanneer vaststaat, dat een marktdeelnemer of een andere persoon dan een marktdeelnemer de in artikel 1, punt 12, bedoelde activiteiten staakt, geven de lidstaten dit weer in het in bijlage 38 quinquies, punt 11, genoemde gegeven.

Artikel 4 septdecies

In iedere lidstaat geeft de overeenkomstig artikel 4 duodecies, lid 2, aangewezen autoriteit de douaneautoriteiten van die lidstaat rechtstreekse toegang tot de in bijlage 38 quinquies bedoelde gegevens.

Artikel 4 octodecies

1. In iedere lidstaat kunnen de volgende autoriteiten elkaar per geval rechtstreekse toegang verlenen tot de in bijlage 38 quinquies, punten 1 tot en met 4, bedoelde gegevens die zij in hun bezit hebben:

a)douaneautoriteiten;

b)veterinaire autoriteiten;

c)sanitaire autoriteiten;

d)statistische autoriteiten;

e)belastingautoriteiten;

f)autoriteiten belast met fraudebestrijding;

g)autoriteiten belast met het handelsbeleid, waaronder begrepen indien van toepassing, landbouwautoriteiten;

h)autoriteiten belast met grenscontrole.

2. De in lid 1 bedoelde autoriteiten mogen de in dat lid bedoelde gegevens alleen opslaan of onderling uitwisselen, wanneer een dergelijke verwerking noodzakelijk is om aan hun wettelijke verplichtingen te voldoen met betrekking tot het verkeer van onder een douaneregeling geplaatste goederen.

3. De douaneautoriteiten van de lidstaten delen de Commissie de adresgegevens mede van de in lid 1 genoemde autoriteiten. De Commissie maakt deze informatie bekend op het internet.

Artikel 4 novodecies

De EORI-nummers en de in bijlage 38 quinquies bedoelde gegevens worden in het centrale systeem verwerkt gedurende de termijn die is vastgesteld in de wetgeving van de lidstaten die de in artikel 4 sexdecies, leden 4 en 5, bedoelde gegevens in dat systeem hebben ingebracht.

Artikel 4 vicies

1. Deze verordening laat het niveau van bescherming van natuurlijke personen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens krachtens het Gemeenschapsrecht en het nationale recht onverlet en tast dit op geen enkele wijze aan, en brengt met name geen wijziging in de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG noch in de verplichtingen van de communautaire instellingen en organen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden.

2. De Commissie mag de identificatie- en registratiegegevens van de marktdeelnemers en andere personen, samengesteld uit de in bijlage 38 quinquies, punten 1, 2 en 3, bedoelde gegevens, alleen op het internet openbaar maken indien deze daartoe vrijelijk en met kennis van zaken hun specifieke en schriftelijke toestemming hebben verleend. Wanneer deze toestemming is verleend, wordt zij overeenkomstig de nationale wetgeving van de lidstaten meegedeeld aan de overeenkomstig artikel 4 duodecies, lid 2, aangewezen autoriteit of autoriteiten van de lidstaten of aan de douaneautoriteiten.

3. De rechten van personen met betrekking tot hun in bijlage 38 quinquies bedoelde registratiegegevens die in de nationale systemen zijn verwerkt, worden uitgeoefend overeenkomstig het recht van de lidstaat die deze persoonsgegevens heeft opgeslagen, en met name, in voorkomend geval, de bepalingen ter uitvoering van Richtlijn 95/46/EG.

Artikel 4 unvicies

De nationale toezichthoudende gegevensbeschermingsautoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming werken, elk binnen hun eigen bevoegdheden, actief samen en zorgen voor een gecoördineerd toezicht op het in artikel 4 sexdecies, lid 1, bedoelde systeem.

▼M10



TITEL II

BINDENDE INLICHTINGEN



HOOFDSTUK 1

Definities

Artikel 5

In de zin van deze titel wordt verstaan onder:

1)bindende inlichting: een tariefinlichting of een inlichting inzake de oorsprong die de administraties van alle Lid-Staten van de Gemeenschap bindt wanneer de in de artikelen 6 en 7 omschreven voorwaarden zijn vervuld;

2)aanvrager:

—van een tariefinlichting: elke persoon die bij de douaneautoriteiten een verzoek om een bindende tariefinlichting heeft ingediend,

—van een oorsprongsinlichting: elke persoon die om gegronde redenen bij de douaneautoriteiten een verzoek om een bindende oorsprongsinlichting heeft ingediend;

3)rechthebbende: de persoon op wiens naam de bindende inlichting wordt verstrekt.



HOOFDSTUK 2

Procedure voor het verkrijgen van bindende inlichtingen — Kennisgeving aan de aanvrager en mededeling van de inlichtingen aan de Commissie

Artikel 6

1. Het verzoek om een bindende inlichting geschiedt schriftelijk en wordt gericht aan, hetzij de bevoegde douaneautoriteiten van de Lid-Staat, respectievelijk Lid-Staten waar de bedoelde inlichting dient te worden gebruikt, hetzij de bevoegde douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar de aanvrager is gevestigd.

▼M18

Voor het aanvragen van een bindende tariefinlichting wordt een formulier gebruikt dat overeenkomt met het model in bijlage 1 ter.

▼M10

2. Het verzoek om een bindende tariefinlichting mag slechts op één soort goederen, dat om een bindende oorsprongsinlichting slechts op één soort goederen en op één type oorsprongverlenende omstandigheden betrekking mag hebben.

3.

A)Het verzoek om een bindende tariefinlichting dient met name de volgende gegevens te bevatten:

a)de naam en het adres van de rechthebbende;

b)de naam en het adres van de aanvrager, wanneer deze niet tevens de rechthebbende is;

c)de douanenomenclatuur waarin de goederen dienen te worden ingedeeld. Wanneer de aanvrager de indeling van goederen in een van de in artikel 20, lid 3, onder b) en lid 6, onder b) van het Wetboek bedoelde nomenclaturen wenst te kennen, dient de betreffende nomenclatuur uitdrukkelijk in zijn verzoek om een bindende tariefinlichting te worden vermeld;

d)een gedetailleerde omschrijving van de goederen waardoor zij kunnen worden geïdentificeerd en in de douanenomenclatuur kunnen worden ingedeeld;

e)de samenstelling van de goederen en de onderzoekmethoden die eventueel worden gebruikt om deze samenstelling te bepalen, indien de indeling hiervan afhankelijk is;

f)de eventuele beschikbaarstelling in de vorm van bijlagen, van monsters, fotografische afbeeldingen, blauwdrukken, catalogi of andere documentatie, die de douaneautoriteiten bij het vaststellen van de juiste indeling van de goederen in de douanenomenclatuur van nut kunnen zijn;

g)de beoogde indeling;

h)een verklaring dat de aanvrager bereid is de douaneautoriteiten desgevraagd van de eventueel bijgevoegde documentatie een vertaling in de officiële taal of in een van de officiële talen van de betrokken Lid-Staat te bezorgen;

i)de vermelding van de gegevens die als vertrouwelijk zijn te beschouwen;

j)de vermelding door de aanvrager of bij zijn weten reeds een bindende tariefinlichting voor identieke of gelijkaardige goederen in de Gemeenschap is gevraagd of verstrekt;

▼M24

k)een verklaring dat de aanvrager ermee instemt dat de verstrekte gegevens in een gegevensbank van de Commissie worden opgeslagen en dat de gegevens van de bindende tariefinlichting waaronder, in voorkomend geval, foto's, tekeningen, brochures enz., via het internet aan het publiek worden bekendgemaakt, met uitzondering van de gegevens die de aanvrager als vertrouwelijk heeft aangemerkt; de bepalingen inzake gegevensbescherming zijn van toepassing.

▼M10

B)Het verzoek om een bindende oorsprongsinlichting dient de volgende gegevens te bevatten:

a)de naam en het adres van de rechthebbende;

b)de naam en het adres van de aanvrager, wanneer deze niet tevens de rechthebbende is;

c)de rechtsgrondslag in de zin van de artikelen 22 en 27 van het Wetboek;

d)een gedetailleerde omschrijving van de goederen alsook de tariefindeling daarvan;

e)indien nodig, de samenstelling van de goederen en de ter bepaling van die samenstelling eventueel gebruikte onderzoekmethoden alsmede de prijs af fabriek van de goederen;

f)de voor het vaststellen van de oorsprong vereiste gegevens, de omschrijving van de in het betrokken produkt verwerkte materialen alsmede de oorsprong, de tariefindeling en de waarde daarvan en een opgave van de redenen (regels inzake wijziging van tariefpost, toegevoegde waarde, omschrijving van de be- of verwerking of elke andere specifieke regel) waarom het betrokken produkt aan de gestelde voorwaarden voldoet; in het bijzonder dient te worden vermeld welke oorsprongsregel juist werd toegepast, en tevens de beoogde oorsprong van de betrokken goederen;

g)de eventuele beschikbaarstelling in de vorm van bijlagen, van monsters, fotografische afbeeldingen, blauwdrukken, catalogi of andere documentatie betreffende zowel de samenstelling van de goederen als de daarin verwerkte materialen, waaruit blijkt welk fabricageprocédé of welke be- of verwerking deze materialen hebben ondergaan;

h)een verklaring dat de aanvrager bereid is de douaneautoriteiten desgevraagd een vertaling van de eventueel bijgevoegde documentatie in de officiële taal of in een van de officiële talen van de betrokken Lid-Staat te bezorgen;

i)de vermelding van de elementen die als vertrouwelijk dienen te worden beschouwd, ongeacht of deze het algemene publiek dan wel de administraties betreffen;

j)de vermelding door de aanvrager of bij zijn weten reeds een bindende tarief- of een bindende oorsprongsinlichting voor goederen of materialen die identiek of gelijkaardig zijn aan de onder d) of f) vermelde goederen of materialen, in de Gemeenschap is gevraagd of verstrekt;

k)een verklaring dat de aanvrager ermee instemt dat de verstrekte gegevens in een voor het publiek toegankelijke databank van de Commissie worden opgeslagen. Onverminderd artikel 15 van het Wetboek zijn echter de in de Lid-Staten inzake gegevensbescherming geldende bepalingen van toepassing.

4. Indien bij de ontvangst van het verzoek de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat het niet alle benodigde gegevens bevat om zich met kennis van zaken te kunnen uitspreken, verzoeken zij de aanvrager hen de ontbrekende gegevens te verstrekken. De in artikel 7 bedoelde termijnen van drie maanden, respectievelijk 150 dagen gaan in op het tijdstip waarop de douaneautoriteiten over alle vereiste gegevens beschikken. Zij stellen de aanvrager van de ontvangst van zijn verzoek en van de datum waarop genoemde termijn ingaat, in kennis.

5. De lijst van de door de Lid-Staten aangewezen douaneautoriteiten waar verzoeken om bindende tarief- of bindende oorsprongsinlichtingen moeten worden ingediend of die deze inlichtingen verstrekken, wordt in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt.

Artikel 7

1. Van de bindende inlichting wordt de aanvrager zo spoedig mogelijk schriftelijk kennis gegeven:

a)Wat de tariefinlichting betreft: indien drie maanden na de aanvaarding van het verzoek om inlichtingen de bindende tariefinlichting de aanvrager nog niet kon worden medegedeeld, stellen de douaneautoriteiten deze in kennis van de redenen van de vertraging alsmede van de termijn waarbinnen zij van oordeel zijn de gevraagde bindende tariefinlichting te kunnen verstrekken.

b)Wat de oorsprongsinlichting betreft: deze dient de aanvrager uiterlijk binnen 150 dagen na de datum van aanvaarding van de aanvraag te worden verstrekt.

2. De kennisgeving geschiedt op een formulier waarvan het model in bijlage 1 (bindende tariefinlichting), respectievelijk in bijlage 1 bis (bindende oorsprongsinlichting) is opgenomen. In deze kennisgevingen wordt vermeld welke van de opgenomen gegevens als vertrouwelijk moeten worden beschouwd. Van de in artikel 243 van het Wetboek bedoelde mogelijkheid van beroep moet melding worden gemaakt.

▼M24

Artikel 8

1. In geval van bindende tariefinlichtingen zenden de douaneautoriteiten van de lidstaten de Commissie zo spoedig mogelijk het volgende toe:

a)een afschrift van de aanvraag voor een bindende tariefinlichting (bijlage 1 ter);

b)een afschrift van de medegedeelde bindende tariefinlichting (exemplaar 2 in bijlage 1);

c)de gegevens genoemd in exemplaar 4 in bijlage 1.

In geval van bindende oorsprongsinlichtingen zenden zij zo spoedig mogelijk de relevante gegevens van de medegedeelde bindende oorsprongsinlichting toe.

Deze toezendingen geschieden langs elektronische weg.

2. De Commissie zendt een lidstaat op daartoe strekkend verzoek zo spoedig mogelijk de gegevens toe die zij overeenkomstig lid 1 heeft verkregen. Deze toezending geschiedt langs elektronische weg.

3. De toegezonden gegevens van de aanvraag voor een bindende tariefinlichting, de medegedeelde bindende tariefinlichting en de gegevens van exemplaar 4 in bijlage 1 worden opgeslagen in een centrale gegevensbank van de Commissie. De gegevens van de bindende tariefinlichting, waaronder foto's, tekeningen, brochures enz., kunnen via het internet aan het publiek worden bekendgemaakt, met uitzondering van de vertrouwelijke gegevens in de vakken 3 en 8 van de medegedeelde bindende tariefinlichting.

▼M10



HOOFDSTUK 3

Verschillen tussen bindende inlichtingen

Artikel 9

Wanneer tussen twee of meer bindende inlichtingen verschillen worden geconstateerd:

—plaatst de Commissie dit vraagstuk eigener beweging of op verzoek van de vertegenwoordiger van een Lid-Staat op de agenda van de vergadering van het Comité van de volgende maand of, indien dit niet mogelijk is, op die van zijn eerst daaropvolgende vergadering;

—stelt de Commissie volgens de procedure van het Comité zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes maanden na de in het eerste streepje bedoelde vergadering, een maatregel vast die de eenvormige toepassing van de voorschriften op het gebied van, naargelang van het geval, de nomenclatuur of de oorsprong garandeert.

2. Voor de toepassing van lid 1 worden als verschillend beschouwd, de bindende oorsprongsinlichtingen die een verschillende oorsprong toekennen aan goederen, welke:

—onder dezelfde tariefpost vallen en waarvan de oorsprong volgens dezelfde oorsprongregels is vastgesteld,

—en

—volgens hetzelfde fabricageprocédé zijn verkregen.



HOOFDSTUK 4

Juridische draagwijdte van bindende inlichtingen

Artikel 10

1. Op de bindende inlichting mag, onverminderd de artikelen 5 en 64 van het Wetboek, slechts door de rechthebbende een beroep worden gedaan.

2.

a)Wat de tariefinlichting betreft, kunnen de douaneautoriteiten eisen dat de rechthebbende die voor de goederen welke het voorwerp van inklaring zijn, in het bezit is van een bindende tariefinlichting, hen, wanneer die rechthebbende de douaneformaliteiten vervult, van die inlichting in kennis stelt.

b)Wat de oorsprongsinlichting betreft, kunnen de autoriteiten die bevoegd zijn de toepasselijkheid van bindende oorsprongsinlichtingen te verifiëren, eisen dat de rechthebbende die, voor de goederen welke het voorwerp van nagenoemde formaliteiten zijn, in het bezit is van een bindende oorsprongsinlichting, hen, wanneer die rechthebbende enigerlei formaliteit vervult, van die inlichting in kennis stelt.

3. De rechthebbende van een bindende inlichting mag zich voor bepaalde goederen daarop slechts beroepen indien:

a)Wat de tariefinlichting betreft, ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt vastgesteld dat deze goederen in alle opzichten aan de in de voorgelegde inlichting opgenomen omschrijving beantwoorden.

b)Wat de oorsprongsinlichting betreft, ten genoegen van de in lid 2, onder b), bedoelde autoriteiten wordt vastgesteld dat deze goederen in ieder opzicht aan de in de overgelegde inlichtingen opgenomen omschrijving en aan alle voorwaarden voor het verkrijgen van de oorsprong beantwoorden.

4. De douaneautoriteiten (voor de bindende tariefinlichtingen) of de in lid 2, onder b), bedoelde autoriteiten (voor de bindende oorsprongsinlichtingen) kunnen van de inlichting een vertaling in de officiële taal of in een van de officiële talen van de betrokken Lid-Staat verlangen.

Artikel 11

De vanaf 1 januari 1991 door de douaneautoriteiten van een Lid-Staat verstrekte bindende tariefinlichtingen binden onder dezelfde voorwaarden de douaneautoriteiten van alle Lid-Staten.

Artikel 12

1. Onmiddellijk na de vaststelling van een van de in artikel 12, lid 5, van het Wetboek genoemde besluiten of maatregelen dragen de douaneautoriteiten ervoor zorg dat bindende inlichtingen nog uitsluitend overeenkomstig het genoemde besluit of de genoemde maatregel worden verstrekt.

2.

a)Voor bindende tariefinlichtingen is de voor de toepassing van lid 1 in aanmerking te nemen datum:

—wat de in artikel 12, lid 5, onder a), i) van het Wetboek bedoelde verordeningen waarbij de douanenomenclatuur wordt gewijzigd, betreft, die waarop zij van toepassing worden;

—wat de in artikel 12, lid 5, onder a), i), van het Wetboek bedoelde verordeningen waarbij de indeling van goederen in de douanenomenclatuur wordt vastgesteld of gewijzigd, betreft, die waarop zij in de L-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen worden bekendgemaakt;

—wat de in artikel 12, lid 5, onder a), ii), van het Wetboek bedoelde maatregelen betreffende wijziging van de toelichtingen op de gecombineerde nomenclatuur betreft, die waarop zij in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen worden bekendgemaakt;

—wat de in artikel 12, lid 5, onder a), ii), van het Wetboek bedoelde arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen betreft, die waarop het arrest wordt gewezen;

—wat de in artikel 12, lid 5, onder a), ii), van het Wetboek bedoelde maatregelen van de Werelddouaneorganisatie inzake indelingsadviezen of wijziging van de toelichtingen op de nomenclatuur van het geharmoniseerde systeem betreft, die waarop zij door de Commissie in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen worden bekendgemaakt.

b)Voor bindende oorsprongsinlichtingen is de voor de toepassing van lid 1 in aanmerking te nemen datum:

—wat de in artikel 12, lid 5, onder b), i), van het Wetboek bedoelde verordeningen betreffende de definitie van het begrip oorsprong van goederen en de in artikel 12, lid 5, onder b), ii), bedoelde voorschriften betreft, die waarop zij van toepassing worden;

—wat de in artikel 12, lid 5, onder b), ii), van het Wetboek bedoelde maatregelen betreffende de op communautair niveau vastgestelde toelichtingen en adviezen betreft, die waarop zij in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen worden bekendgemaakt;

—wat de in artikel 12, lid 5, onder b), ii), van het Wetboek bedoelde arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen betreft, die waarop het arrest wordt gewezen;

—wat de in artikel 12, lid 5, onder b), ii), van het Wetboek bedoelde maatregelen van de Wereldhandelsorganisatie inzake oorsprongsadviezen of toelichtingen betreft, die welke in de mededeling van de Commissie in de C-reeks van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen wordt vermeld;

—wat de in artikel 12, lid 5, onder b), ii), van het Wetboek bedoelde maatregelen in verband met de bijlage bij de Overeenkomst betreffende de oorsprongsregels van de Wereldhandelsorganisatie en de in het kader van internationale overeenkomsten vastgestelde maatregelen betreft, die waarop zij van toepassing worden.

3. De Commissie deelt de douaneautoriteiten zo spoedig mogelijk de data mede waarop de in dit artikel bedoelde maatregelen en besluiten zijn vastgesteld.



HOOFDSTUK 5

Het vervallen van de geldigheid van bindende inlichtingen

Artikel 13

Indien met toepassing van artikel 12, lid 4, tweede volzin, en lid 5, van het Wetboek een bindende inlichting wordt ingetrokken of haar geldigheid verliest, deelt de douaneautoriteit die deze inlichting heeft verstrekt, dit zo spoedig mogelijk aan de Commissie mede.

Artikel 14

1. Wanneer de rechthebbende van een bindende inlichting die haar geldigheid heeft verloren om redenen als bedoeld in artikel 12, lid 5, van het Wetboek, zich gedurende een bepaalde periode overeenkomstig lid 6 van dat artikel op deze inlichting wenst te beroepen, geeft hij de douaneautoriteiten daarvan kennis. Deze kennisgeving dient zo nodig vergezeld te gaan van bewijsstukken aan de hand waarvan kan worden nagegaan of aan de ter zake gestelde voorwaarden is voldaan.

2. In de uitzonderlijke gevallen waarin de Commissie overeenkomstig artikel 12, lid 7, tweede alinea, van het Wetboek een van lid 6 van dat artikel afwijkende maatregel heeft vastgesteld en in de gevallen waarin niet aan de in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde voorwaarden om zich op een bindende inlichting te kunnen beroepen is voldaan, geven de douaneautoriteiten daarvan de rechthebbende schriftelijk kennis.

▼M29



TITEL II BIS

GEAUTORISEERDE MARKTDEELNEMERS



HOOFDSTUK 1

Procedure voor de afgifte van certificaten



Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 14 bis

1. Onverminderd het gebruik van andere vereenvoudigingen waarin de douanewetgeving voorziet, kunnen de douaneautoriteiten, op verzoek van een marktdeelnemer, overeenkomstig artikel 5 bis van het Wetboek, de volgende certificaten van geautoriseerde marktdeelnemers (GM of AEO (Authorised Economic Operators)) afgeven, hierna „AEO-certificaten” genoemd:

►C16 a)het AEO-certificaat — douanevereenvoudigingen voor marktdeelnemers die voor vereenvoudigingen volgens de douanewetgeving in aanmerking wensen te komen en die voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 14 nonies, 14 decies en 14 undecies;

►C16 b)het AEO-certificaat — veiligheid voor marktdeelnemers die in aanmerking wensen te komen voor faciliteiten bij de douanecontroles betreffende de veiligheid bij de binnenkomst van goederen in het douanegebied van de Gemeenschap of bij het verlaten van goederen uit dit douanegebied en die voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 14 nonies tot en met 14 duodecies.

►C16 c)het AEO-certificaat — douanevereenvoudigingen/veiligheid voor marktdeelnemers die voor de onder a) bedoelde vereenvoudigingen en voor de onder b) bedoelde faciliteiten in aanmerking wensen te komen en die voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 14 nonies tot en met 14 duodecies.

2. De douaneautoriteiten houden terdege rekening met de bijzondere kenmerken van de marktdeelnemers, en met name van kleine en middelgrote ondernemingen.

Artikel 14 ter

1. Indien een houder van een in artikel 14 bis, lid 1, onder a) of c), bedoeld AEO-certificaat een aanvraag indient voor een of meer vergunningen als bedoeld in de artikelen 260, 263, 269, 272, 276, 277, 282, 283, 313 bis, 313 ter, 324 bis, 324 sexies, 372, 454 bis en 912 octies, onderzoeken de douaneautoriteiten van alle lidstaten niet opnieuw de criteria die reeds zijn onderzocht toen het AEO-certificaat werd afgegeven.

2. Wanneer een summiere aangifte bij binnenkomst is ingediend door de houder van het in artikel 14 bis, lid 1, onder b) of c), bedoelde AEO-certificaat, kan het bevoegde douanekantoor deze geautoriseerde marktdeelnemer voor de aankomst van de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap ervan in kennis stellen, dat de goederen, als gevolg van een veiligheidsrisicoanalyse, zijn geselecteerd voor een fysieke controle. Deze kennisgeving wordt slechts gedaan wanneer een dergelijke mededeling de uit te voeren controle niet in gevaar brengt.

De lidstaten kunnen echter ook een fysieke controle verrichten wanneer de geautoriseerde marktdeelnemer voor de aankomst van de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap niet in kennis is gesteld van de selectie van de goederen voor een dergelijke controle.

Wanneer de goederen het douanegebied van de Gemeenschap verlaten, zijn de eerste en de tweede alinea van overeenkomstige toepassing.

3. De houders van het in artikel 14 bis, lid 1, onder b) of c), bedoelde AEO-certificaat die goederen in- of uitvoeren, kunnen summiere aangiften bij binnenkomst en bij uitgang indienen, die slechts de in punt 2.5 van bijlage 30 bis vereiste beperkte gegevens bevatten.

Vervoerders, expediteurs en douaneagenten die houder zijn van een in artikel 14 bis, lid 1, onder b) of c), bedoeld AEO-certificaat en die betrokken zijn bij de in- of uitvoer van goederen namens houders van een in artikel 14 bis, lid 1, onder b) of c), bedoeld AEO-certificaat, kunnen eveneens summiere aangiften bij binnenkomst en bij uitgang indienen die slechts de in punt 2.5 van bijlage 30 bis vereiste beperkte gegevens bevatten.

Van de houders van een AEO-certificaat die slechts de in punt 2.5 van bijlage 30 bis vereiste gegevens behoeven te verstrekken, kan evenwel worden geëist dat zij aanvullende gegevens verstrekken om de goede werking te verzekeren van in internationale overeenkomsten met derde landen voorziene systemen betreffende de wederzijdse erkenning van met de veiligheid verband houdende AEO-certificaten en maatregelen.

4. De houders van een AEO-certificaat worden aan minder fysieke en controles van bescheiden onderworpen dan andere marktdeelnemers. De douaneautoriteiten kunnen anders besluiten in geval van een bijzonder risico of controleverplichtingen overeenkomstig andere Gemeenschapswetgeving.

Indien het bevoegde douanekantoor na een risicoanalyse voor nader onderzoek toch een zending selecteert die wordt gedekt door een summiere aangifte bij binnenkomst of uitgang of een door een geautoriseerde marktdeelnemer ingediende douaneaangifte, verricht het de nodige controles bij voorrang. Op verzoek van de geautoriseerde marktdeelnemer kan deze controle, indien de betrokken douaneautoriteit hiermee instemt, op een andere plaats worden verricht dan de plaats van het betrokken douanekantoor.

5. De in de leden 1 tot en met 4 genoemde voordelen gelden voor de betrokken marktdeelnemer, mits deze de vereiste AEO-certificaatnummers verstrekt.



Afdeling 2

Aanvragen voor AEO-certificaten

Artikel 14 quater

1. De aanvraag om een AEO-certificaat, die moet overeenstemmen met het model in bijlage 1 quater, wordt schriftelijk of elektronisch ingediend.

2. Wanneer de douaneautoriteit vaststelt, dat de aanvraag niet alle benodigde gegevens bevat, verzoekt zij binnen 30 kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag, de marktdeelnemer, onder opgave van redenen voor haar verzoek, de relevante gegevens te verstrekken.

De in de artikel 14 terdecies, lid 1, en 14 sexdecies, lid 2, bedoelde termijnen gaan in op de dag waarop de douaneautoriteit alle informatie ontvangt op grond waarvan zij de aanvraag kan aanvaarden. De douaneautoriteiten delen de marktdeelnemer mede, dat de aanvraag is aanvaard en op welke datum de termijnen ingaan.

Artikel 14 quinquies

1. De aanvraag wordt ingediend bij een van de volgende douaneautoriteiten:

a)de douaneautoriteit van de lidstaat waar de hoofdboekhouding van de aanvrager in verband met de betrokken douaneregelingen wordt bijgehouden en waar ten minste een deel van de door het AEO-certificaat te dekken activiteiten wordt uitgeoefend;

b)de douaneautoriteit van de lidstaat waar de hoofdboekhouding van de aanvrager in verband met de betrokken douaneregelingen in het computersysteem van de aanvrager met behulp van informatietechnologie en computernetwerken voor de betrokken douaneautoriteit toegankelijk is, waar de algemene logistieke beheersactiviteiten van de aanvrager plaatsvinden en waar ten minste een deel van de door het AEO-certificaat te dekken activiteiten worden uitgeoefend.

De onder a) en b), bedoelde hoofdboekhouding van de aanvrager omvat dossiers en bescheiden aan de hand waarvan de douaneautoriteiten kunnen verifiëren en controleren, of aan de voorwaarden en criteria ter verkrijging van het AEO-certificaat is voldaan.

2. Wanneer op grond van lid 1 de bevoegde douaneautoriteit niet kan worden vastgesteld, wordt de aanvraag ingediend bij een van de volgende douaneautoriteiten:

a)de douaneautoriteit van de lidstaat waar de hoofdboekhouding van de aanvrager in verband met de betrokken douaneregelingen wordt bijgehouden;

b)de douaneautoriteit van de lidstaat waar de hoofdboekhouding van de aanvrager in verband met de betrokken douaneregelingen toegankelijk is, zoals bedoeld in lid 1, onder b), en waar de algemene logistieke beheersactiviteiten van de aanvrager plaatsvinden.

3. Wanneer een deel van de betrokken dossiers en documenten in een andere lidstaat wordt bewaard dan de lidstaat van de douaneautoriteit waarbij de aanvraag ingevolge lid 1 of 2 is ingediend, moet de aanvrager de vakken 13, 16, 17 en 18 invullen van het aanvraagformulier waarvan het model in bijlage 1 quater is opgenomen.

4. Wanneer de aanvrager een opslagfaciliteit of anderebedrijfsruimten heeft in een andere lidstaat dan de lidstaat waar de aanvraag overeenkomstig lid 1 of 2 is ingediend, moet hij dit vermelden in vak 13 van het in bijlage 1 quater opgenomen aanvraagformulier om het onderzoek van de voorwaarden door de douaneautoriteiten van die lidstaat in deze opslagfaciliteit of andere bedrijfsruimten te vergemakkelijken.

5. De in artikel 14 quaterdecies bedoelde raadplegingsprocedure is van toepassing in de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde gevallen.

6. De aanvrager wijst een gemakkelijk toegankelijk centraal punt of een contactpersoon binnen zijn administratie aan, waarbij of bij wie de douaneautoriteiten alle informatie kunnen verkrijgen waaruit blijkt dat aan de voorwaarden voor de afgifte van het AEO-certificaat is voldaan.

7. De aanvragers doen de nodige gegevens zo veel mogelijk elektronisch aan de douaneautoriteiten toekomen.

Artikel 14 sexies

De lidstaten doen de Commissie hun lijst van autoriteiten toekomen waarbij de aanvragen kunnen worden ingediend en eventuele wijzigingen van die lijst. De Commissie doet deze gegevens aan de andere lidstaten toekomen of maakt deze op het internet bekend.

Deze autoriteiten zijn ook de autoriteiten van afgifte van de AEO-certificaten.

Artikel 14 septies

De aanvraag wordt in de volgende gevallen afgewezen:

a)de aanvraag voldoet niet aan de artikelen 14 quater en 14 quinquies;

b)de aanvrager is ten tijde van de indiening van de aanvraag veroordeeld voor een ernstig strafbaar feit dat verband houdt met zijn economische activiteit of tegen hem loopt een faillissementsprocedure;

c)de aanvrager heeft een wettelijke vertegenwoordiger in douanezaken, die is veroordeeld voor een ernstige strafbaar feit met betrekking tot een inbreuk op de douanewetgeving die verband houdt met zijn activiteit als wettelijke vertegenwoordiger;

d)de aanvraag wordt ingediend binnen drie jaar na de intrekking van het AEO-certificaat, zoals bedoeld in artikel 14 tervicies, lid 4.



Afdeling 3

Voorwaarden en criteria voor de afgifte van een AEO-certificaat

Artikel 14 octies

Een aanvrager behoeft in de volgende gevallen niet in het douanegebied van de Gemeenschap te zijn gevestigd:

a)wanneer een internationale overeenkomst tussen de Gemeenschap en het derde land waar de marktdeelnemer is gevestigd, in de wederzijdse erkenning van AEO-certificaten voorziet en bepalingen bevat inzake administratieve regelingen voor het verrichten van passende controles namens de douaneautoriteiten van de lidstaat, indien deze hierom verzoeken;

b)wanneer de aanvraag voor het toekennen van het in artikel 14 bis, lid 1, onder b), bedoelde AEO-certificaat wordt ingediend door een niet in de Gemeenschap gevestigde luchtvaart- of scheepvaartmaatschappij, die aldaar een regionaal kantoor heeft en reeds in aanmerking komt voor de in de artikelen 324 sexies, 445 of 448 bedoelde vereenvoudigingen.

In het in de eerste alinea, onder b), bedoelde geval wordt de aanvrager geacht te hebben voldaan aan de voorwaarden in de artikelen 14 nonies, 14 decies, 14 undecies, maar hij moet nog voldoen aan de voorwaarden van artikel 14 duodecies, lid 2.

Artikel 14 nonies

1. De staat van dienst op het gebied van de naleving van de douanevereisten wordt passend geacht, als bedoeld in artikel 5 bis, lid 2, eerste streepje, van het Douanewetboek indien in de drie jaar voorafgaande aan de indiening van de aanvraag geen ernstige of herhaalde overtredingen van de douanewetgeving zijn begaan door:

a)de aanvrager;

b)personen die verantwoordelijk zijn voor het bedrijf dat de aanvraag heeft ingediend of die zeggenschap hebben over de leiding van het bedrijf;

c)indien van toepassing, de wettelijke vertegenwoordiger van de aanvrager in douanezaken;

d)de voor douanezaken verantwoordelijke persoon in het bedrijf dat de aanvraag heeft ingediend.

De staat van dienst op het gebied van de naleving van de douanevereisten kan passend worden geacht, indien de bevoegde douaneautoriteit eventuele overtredingen als van weinig belang beschouwt in verhouding tot het aantal en de omvang van de douanegerelateerde activiteiten van de aanvrager en zij geen twijfel hebben doen ontstaan over diens goede trouw.

2. Wanneer de personen die zeggenschap uitoefenen over het bedrijf dat de aanvraag indient, in een derde land zijn gevestigd, beoordelen de douaneautoriteiten hun naleving van de douanewetgeving aan de hand van de documenten en informatie waarover zij beschikken.

3. Indien de aanvrager minder dan drie jaar geleden is opgericht, beoordelen de douaneautoriteiten diens naleving van de douanewetgeving aan de hand van de documenten en informatie waarover zij beschikken.

Artikel 14 decies

Om de douaneautoriteiten in staat te stellen te onderzoeken, of de aanvrager over een deugdelijke handels- en, in voorkomend geval, vervoersadministratie beschikt, als bedoeld in artikel 5 bis, lid 2, tweede streepje, van het Wetboek, moet de aanvrager aan de volgende eisen voldoen:

a)een administratie voeren, die in overeenstemming is met de algemene aanvaarde boekhoudbeginselen van de lidstaat waar de adinistratie wordt gevoerd en welke administratieve douanecontrole vergemakkelijkt;

b)de douaneautoriteit fysieke of elektronische toegang verlenen tot zijn douaneadministratie en, in voorkomend geval, vervoersadministratie;

c)over een logistiek systeem beschikken, dat een onderscheid maakt tussen communautaire en niet-communautaire goederen;

d)over een administratieve organisatie beschikken, die in overeenstemming is met de soort en de omvang van de bedrijfsactiviteiten en geschikt is voor het beheer van de goederenstroom, en over een systeem van interne controles beschikken waarmee onrechtmatige of frauduleuze transacties kunnen worden opgespoord;

e)indien van toepassing, toereikende procedures toepassen voor het beheer van vergunningen die verband houden met handelspolitieke maatregelen of de handel in landbouwproducten;

f)toereikende procedures toepassen voor het bewaren van bedrijfsbescheiden en bedrijsinformatie en ter bescherming tegen informatieverlies;

g)erop toezien, dat werknemers zich bewust zijn van de noodzaak, de douaneautoriteiten in te lichten wanneer zich problemen voordoen in verband met de naleving van de douanewetgeving en personen aanwijzen die in dat geval contact met de douaneautoriteiten opnemen;

h)passende maatregelen hebben genomen ter voorkoming dat onbevoegden zijn computersysteem binnendringen en ter bescherming van zijn documentatie.

Een aanvrager van het in artikel 14 bis, lid 1, onder b), bedoelde AEO-certificaat behoeft niet te voldoen aan het in de eerste alinea, onder c), van dit artikel bedoelde vereiste.

Artikel 14 undecies

1. Aan de voorwaarde van financiële solvabiliteit, zoals bedoeld in artikel 5 bis, lid 2, derde streepje, van het Wetboek, wordt de aanvrager geacht te voldoen indien zijn solvabiliteit over de afgelopen drie jaar kan worden aangetoond.

In dit artikel wordt onder financiële solvabiliteit verstaan, een gezonde financiële situatie die de aanvrager in staat stelt aan zijn verplichtingen te voldoen, de kenmerken van zijn zakelijke activiteiten in aanmerking genomen.

2. Wanneer de aanvrager minder dan drie jaar geleden is opgericht, wordt zijn financiële solvabiliteit beoordeeld aan de hand van de beschikbare documenten en informatie.

Artikel 14 duodecies

1. De veiligheidsnormen van de aanvrager worden passend geacht, zoals bedoeld in artikel 5 bis, lid 2, vierde streepje, van het Wetboek, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)de gebouwen die voor de door het certificaat te dekken activiteiten worden gebruikt, zijn gemaakt van materialen die verhinderen dat onbevoegden zich hiertoe onrechtmatig toegang kunnen verschaffen;

b)er zijn passende toegangscontrolemaatregelen genomen om onrechtmatige toegang tot verzendingsruimten, los- en laadkades en los- en laaddekken te voorkomen;

c)er zijn maatregelen genomen om het toevoegen, omwisselen of wegnemen van materialen, of andere manipulaties van de goederen bij het laden, lossen, de op- en overslag te voorkomen;

d)indien van toepassing, zijn er procedures voor de behandeling van in- en/of uitvoervergunningen die verband houden met verboden en beperkingen en om goederen van elkaar te onderscheiden;

e)de aanvrager heeft maatregelen genomen, om zijn handelspartners duidelijk te kunnen identificeren met het oog op de veiligheid van de internationale toeleveringsketen;

f)de aanvrager onderwerpt sollicitanten voor veiligheidsgevoelige functies aan veiligheidsonderzoeken, voor zover de wetgeving dit toelaat, en verricht regelmatig achtergrondcontroles;

g)de aanvrager ziet erop toe, dat de betrokken werknemers actief aan programma’s inzake veiligheidsbewustzijn meewerken.

2. Wanneer een luchtvaart- of scheepvaartmaatschappij die niet in de Gemeenschap is gevestigd, maar die daar een regionaal kantoor heeft en in aanmerking komt voor de vereenvoudigingen als bedoeld in de artikelen 324 sexies, 445 en 448, een aanvraag indient voor het in artikel 14 bis, lid 1, onder b), bedoelde AEO-certificaat, moet zij aan één van de volgende voorwaarden voldoen:

a)zij is houdster van een internationaal erkend veiligheidscertificaat dat afgegeven is op basis van internationale verdragen in de betrokken vervoersector;

▼M52

b)zij is een erkend agent als bedoeld in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad (2) („erkend agent”) en voldoet aan de in Verordening (EU) nr. 185/2010 van de Commissie (3) vastgestelde eisen;

▼M29

c)zij is houdster van een certificaat dat is afgegeven in een buiten het douanegebied van de Gemeenschap gelegen land indien een bilaterale overeenkomst tussen de Gemeenschap en dat derde land voorziet in de aanvaarding van dat certificaat op de bij die overeenkomst vastgestelde voorwaarden.

Wanneer de luchtvaart- of scheepvaartmaatschappij houdster is van een onder a) van dit lid bedoeld certificaat, moet zij voldoen aan de in lid 1 vastgestelde criteria. De douaneautoriteit van afgifte gaat ervan uit, dat aan de in lid 1 vastgestelde criteria is voldaan, voor zover de criteria voor de afgifte van het internationale certificaat identiek of vergelijkbaar zijn met de in lid 1 vastgestelde criteria.

▼M52

Wanneer de luchtvaartmaatschappij een erkend agent is, wordt geacht te zijn voldaan aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden met betrekking tot de locaties en de activiteiten waarvoor de aanvrager de status van erkend agent heeft verkregen voor zover de voorwaarden voor het verlenen van de status van erkend agent hetzelfde zijn of overeenstemmen met de in lid 1 bedoelde voorwaarden.

▼M52

3. Wanneer de aanvrager in het douanegebied van de Gemeenschap is gevestigd, een erkend agent of bekende afzender is zoals omschreven in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 300/2008 en voldoet aan de in Verordening (EU) nr. 185/2010 vastgestelde eisen, wordt geacht te zijn voldaan aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden met betrekking tot de locaties en de activiteiten waarvoor de aanvrager de status van erkend agent of bekende afzender heeft verkregen voor zover de voorwaarden voor het verlenen van de status van erkend agent of bekende afzender hetzelfde zijn of overeenstemmen met de in lid 1 bedoelde voorwaarden.

▼M29

4. Wanneer de in de Gemeenschap gevestigde aanvrager houder is van een internationaal erkend veiligheidscertificaat dat op grond van internationale overeenkomsten is afgegeven, van een Europees veiligheidscertificaat dat op grond van de Gemeenschapswetgeving is afgegeven, van een internationale norm van de Internationale Organisatie voor Normalisatie, of van een Europese norm van de Europese Organisatie voor Normalisatie, wordt aan de in lid 1 vastgestelde criteria geacht te zijn voldaan, voor zover de criteria voor de afgifte van die certificaten identiek of vergelijkbaar zijn met die welke in de onderhavige verordening zijn vastgesteld.



Afdeling 4

Procedure voor de afgifte van AEO-certificaten

Artikel 14 terdecies

1. De douaneautoriteit van afgifte deelt de aanvraag binnen vijf werkdagen vanaf de datum waarop zij de aanvraag overeenkomstig artikel 14 quater heeft ontvangen, mede aan de douaneautoriteiten van alle andere lidstaten met behulp van het in artikel 14 quinvicies bedoelde communicatiesysteem.

2. Wanneer de douaneautoriteiten van een andere lidstaat relevante gegevens hebben die een beletsel kunnen vormen voor de afgifte van het certificaat, delen zij deze binnen 35 kalenderdagen vanaf de datum van de in lid 1 bedoelde mededeling mede aan de douaneautoriteit van afgifte, met behulp van het in artikel 14 quinvicies bedoelde communicatiesysteem.

Artikel 14 quaterdecies

1. Raadpleging tussen de douaneautoriteiten van de lidstaten is vereist, indien een of meer van de in de artikelen 14 octies tot en met 14 duodecies vastgestelde criteria niet kunnen worden onderzocht door de douaneautoriteit van afgifte wegens een gebrek aan informatie of de onmogelijkheid deze te controleren. In deze gevallen voeren de douaneautoriteiten van de lidstaten de raadpleging uit, binnen 60 kalenderdagen na de mededeling van de informatie door de douaneautoriteit van afgifte om de afgifte, van het certificaat of de afwijzing van de aanvraag binnen de in artikel 14 sexdecies, lid 2, bepaalde termijnen mogelijk te maken.

Indien de geraadpleegde douaneautoriteit niet binnen 60 kalenderdagen antwoordt, kan de raadplegende autoriteit op verantwoordelijkheid van de geraadpleegde douaneautoriteit aannemen, dat voldaan is aan de criteria waarvoor de raadpleging is geschied. Deze termijn kan worden verlengd, indien de aanvrager aanpassingen uitvoert om aan die criteria te voldoen, en deze aan de geraadpleegde en de raadplegende autoriteit mededeelt.

2. Wanneer de geraadpleegde douaneautoriteit na het in artikel 14 quindecies bedoelde onderzoek vaststelt, dat de aanvrager niet aan een of meer criteria voldoet, deelt zij dit, met bewijsstukken, mede aan de douaneautoriteit van afgifte, die de aanvraag dan afwijst. Artikel 14 sexdecies, leden 4, 5 en 6, is van toepassing.

Artikel 14 quindecies

1. De douaneautoriteit van afgifte onderzoekt, of wordt voldaan aan de in de artikelen 14 octies tot en met 14 duodecies vastgestelde criteria voor de afgifte van het certificaat. Het onderzoek van de in artikel 14 duodecies vastgestelde criteria geschiedt met betrekking tot alle bedrijfsruimten die voor de douanegerelateerde activiteiten van de aanvrager van belang zijn. De douaneautoreiten stellen een verslag op over het onderzoek en de uitslag ervan.

Wanneer, in het geval van een groot aantal bedrijfsruimten, de termijn voor de afgifte van het certificaat niet lang genoeg is om alle betrokken bedrijfsruimten te onderzoeken, maar de douaneautoriteit er niet aan twijfelt dat de aanvrager in al zijn bedrijfsruimten de voor het bedrijf geldende veiligheidsnormen toepast, kan zij besluiten slechts een representatief deel van die bedrijfsruimten te onderzoeken.

2. De douaneautoriteit van afgifte kan door een deskundige verstrekte conclusies aanvaarden op een van de in de artikelen 14 decies, 14 undecies en 14 duodecies bedoelde gebieden met betrekking tot de in die artikelen vastgestelde voorwaarden en criteria. De deskundige mag geen banden hebben met de aanvrager.

Artikel 14 sexdecies

1. De douaneautoriteit van afgifte geeft het AEO-certificaat af, dat moet overeenstemmen met het model in bijlage 1 quinquies.

▼M37

2. De douaneautoriteit geeft een AEO-certificaat af of wijst de aanvraag af binnen 120 kalenderdagen vanaf de ontvangst van de aanvraag overeenkomstig artikel 14 quater. Wanneer de douaneautoriteit zich niet aan deze termijn kan houden, kan deze termijn met een termijn van 60 kalenderdagen worden verlengd. In deze gevallen deelt de douaneautoriteit de aanvrager de redenen van de verlenging mede, voordat de termijn van 120 kalenderdagen is verstreken.

▼M29

3. De in lid 2, eerste zin, bepaalde termijn kan ook worden verlengd, indien de aanvrager, tijdens het onderzoek van de criteria, aanpassingen verricht om aan die criteria te voldoen en deze aan de bevoegde autoriteit mededeelt.

4. Wanneer de uitslag van het overeenkomstig de artikelen 14 terdecies, 14 quaterdecies en 14 quindecies ingestelde onderzoek waarschijnlijk tot een afwijziging van de aanvraag zal leiden, deelt de douaneautoriteit van afgifte de bevindingen mede aan de aanvrager en stelt zij hem in de gelegenheid binnen 30 kalenderdagen te reageren, voordat zij de aanvraag afwijst. De in lid 2, eerste zin, bepaalde termijn wordt dienovereenkomstig geschorst.

5. De afwijzing van de aanvraag leidt niet tot de automatische intrekking van de bestaande vergunningen die op grond van de douanewetgeving zijn afgegeven.

6. Wanneer de aanvraag wordt afgewezen, deelt de douaneautoriteit de aanvrager de redenen hiervan mede. Het besluit tot afwijzing van de aanvraag wordt binnen de in de leden 2, 3 en 4 vastgestelde termijnen aan de aanvrager medegedeeld.

Artikel 14 septdecies

De douaneautoriteit van afgifte deelt de douaneautoriteiten van de andere lidstaten binnen vijf werkdagen mede, dat een AEO-certificaat is afgegeven, met behulp van het in artikel 14 quinvicies bedoelde communicatiesysteem. Binnen dezelfde termijn wordt ook informatie verstrekt wanneer de aanvraag wordt afgewezen.



HOOFDSTUK 2

Rechtsgevolgen van AEO-certificaten



Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 14 octodecies

1. Het AEO-certificaat wordt van kracht op de tiende werkdag na de datum van afgifte.

2. Het AEO-certificaat wordt in alle lidstaten erkend.

3. Het AEO-certificaat heeft een onbepaalde geldigheidsduur.

4. De douaneautoriteiten zien erop toe, dat de geautoriseerde marktdeelnemer aan de voor hem geldende voorwaarden en criteria blijft voldoen.

5. De douaneautoriteit van afgifte gaat in de volgende gevallen tot een herbeoordeling van de voorwaarden en criteria over:

a)het toepasselijke Gemeenschapsrecht heeft aanzienlijke wijzigingen ondergaan;

b)er bestaat een redelijke aanwijzing, dat de geautoriseerde marktdeelnemer niet langer aan de voorwaarden en criteria voldoet.

In het geval van een AEO certificaat dat is afgegeven aan een minder dan drie jaar gevestigde aanvrager, wordt in het eerste jaar na de afgifte een nauwlettend toezicht verricht.

Artikel 14 quindecies, lid 2, is van toepassing.

De uitslag van de herbeoordeling wordt medegedeeld aan de douaneautoriteiten van alle lidstaten, met behulp van het in artikel 14 quinvicies bedoelde communicatiesysteem.



Afdeling 2

Schorsing van de status van geautoriseerde marktdeelnemer

Artikel 14 novodecies

1. De status van geautoriseerde marktdeelnemer wordt door de douaneautoriteit van afgifte geschorst:

a)wanneer blijkt, dat de voor het AEO-certificaat geldende voorwaarden en criteria niet worden nageleefd;

b)wanneer de douane voldoende redenen heeft om aan te nemen, dat zich feiten hebben voorgedaan, die tot een strafrechtelijke vervolging aanleiding geven en die verband houden met een overtreding van de douanewetgeving door de geautoriseerde marktdeelnemer.

In het in lid 1, onder b), bedoelde geval kan de douaneautoriteit echter besluiten de status van geautoriseerde marktdeelnemer niet te schorsen, indien zij de overtreding als van weinig belang beschouwt in verhouding tot het aantal en de omvang van de douanegerelateerde activiteiten van de geautoriseerde marktdeelnemer en de overtreding geen twijfel heeft doen ontstaan over diens goede trouw.

Alvorens een dergelijk besluit te nemen, deelt de douaneautoriteit haar bevindingen aan de betrokken geautoriseerde marktdeelnemer mede. Deze is gerechtigd binnen 30 kalenderdagen vanaf die mededeling de situatie te corrigeren en/of zijn standpunt kenbaar te maken.

De schorsing gaat echter onmiddellijk in, wanneer dit wegens de aard en de omvang van het risico voor de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu noodzakelijk is. De douaneautoriteit die tot schorsing besluit, deelt dit de douaneautoriteiten van de andere lidstaten onmiddellijk mede, met behulp van het in artikel 14 quinvicies bedoelde communicatiesysteem.

2. Indien de houder van het AEO-certificaat de in lid 1, eerste alinea, onder a), bedoelde situatie niet binnen de in lid 1, derde alinea, genoemde termijn van 30 kalenderdagen regulariseert, deelt de bevoegde douaneautoriteit de betrokken marktdeelnemer mede, dat de status van geautoriseerde marktdeelnemer voor een periode van 30 kalenderdagen is geschorst, opdat de marktdeelnemer de nodige maatregelen kan nemen om de situatie te regulariseren. De mededeling wordt ook gezonden aan de douaneautoriteiten van de andere lidstaten, met behulp van het in artikel 14 quinvicies bedoelde communicatiesysteem.

3. Wanneer de houder van een AEO-certificaat een in lid 1, eerste alinea, onder b), bedoeld feit heeft gepleegd, schorst de douaneautoriteit van afgifte de status van geautoriseerde marktdeelnemer voor de duur van de rechtszaak. Zij deelt dit aan de houder van het certificaat mede. De mededeling wordt ook gezonden aan de douaneautoriteiten van de andere lidstaten met behulp van het in artikel 14 quinvicies bedoelde communicatiesysteem.

4. Wanneer de betrokken marktdeelnemer niet in staat is de situatie binnen 30 kalenderdagen te regulariseren, maar kan aantonen dat aan de voorwaarden kan worden voldaan, indien de schorsingstermijn wordt verlengd, schorst de bevoegde douaneautoriteit de status van geautoriseerde marktdeelnemer nogmaals voor 30 kalenderdagen.

Artikel 14 vicies

1. De schorsing is niet van invloed op douaneregelingen die reeds waren begonnen toen de schorsing inging en die nog niet zijn beëindigd.

2. De schorsing is niet automatisch van invloed op vergunningen die zonder verwijzing naar het AEO-certificaat zijn verleend, tenzij de redenen van de schorsing ook relevant zijn voor die vergunningen.

3. De schorsing is niet automatisch van invloed op vergunningen voor het gebruik van douanevereenvoudigingen die op grond van het AEO-certificaat zijn verleend en waarvoor nog aan de voorwaarden wordt voldaan.

4. Indien in het geval van het in artikel 14 bis, lid 1, onder c), bedoelde AEO-certificaat, de betrokken marktdeelnemer slechts niet voldoet aan de in artikel 14 duodecies vastgestelde voorwaarden, wordt de status van geautoriseerde marktdeelnemer gedeeltelijk geschorst en kan op verzoek van de marktdeelnemer een nieuw AEO-certificaat als bedoeld in artikel 14 bis, lid 1, onder a), worden afgegeven.

Artikel 14 unvicies

1. Wanneer de betrokken marktdeelnemer ten genoegen van de douaneautoriteit de nodige maatregelen heeft getroffen om aan de voorwaarden en criteria voor een AEO-certificaat te voldoen, trekt de douaneautoriteit van afgifte de schorsing in en deelt zij dit de betrokken marktdeelnemer en de douaneautoriteiten van de andere lidstaten mede. De schorsing kan worden ingetrokken, voordat de in artikel 14 novodecies, lid 2 of lid 4, vastgestelde termijn verstrijkt.

In de in artikel 14 vicies, lid 4, bedoelde situatie, doet de douaneautoriteit van schorsing de geldigheid van het geschorste certificaat weer ingaan. Zij trekt het in artikel 14 bis, lid 1, onder a), bedoelde AEO-certificaat dan weer in.

2. Wanneer de betrokken marktdeelnemer binnen de in artikel 14 novodecies, lid 2 of lid 4, vastgestelde schorsingstermijn niet de nodige maatregelen treft, trekt de douaneautoriteit van afgifte het AEO-certificaat in en deelt zij dit onmiddellijk mede aan de douaneautoriteiten van de andere lidstaten, met behulp van het in artikel 14 quinvicies bedoelde communicatiesysteem.

In de in artikel 14 vicies, lid 4, bedoelde situatie wordt het oorspronkelijke certificaat ingetrokken en is slechts het nieuwe AEO-certificaat als bedoeld in artikel 14 bis, lid 1, onder a), geldig.

Artikel 14 duovicies

1. Wanneer een geautoriseerde marktdeelnemer tijdelijk niet in staat is aan de in artikel 14 bis vastgestelde criteria te voldoen, kan hij om schorsing van de status van geautoriseerde marktdeelnemer verzoeken. In dat geval deelt de geautoriseerde marktdeelnemer dit de douaneautoriteit van afgifte mede, onder vermelding van de datum waarop hij opnieuw aan de criteria kan voldoen. Hij stelt de douaneautoriteit van afgifte ook in kennis van de voorgenomen maatregelen en van het tijdschema voor uitvoering ervan.

De douaneautoriteit waaraan de mededeling is gezonden, geeft deze door aan de douaneautoriteiten van de andere lidstaten, met behulp van het in artikel 14 quinvicies bedoelde communicatiesysteem.

2. Wanneer de geautoriseerde marktdeelnemer de situatie niet binnen de door hem medegedeelde termijn kan regulariseren, kan de douaneautoriteit van afgifte een redelijke verlenging toestaan, mits de geautoriseerde marktdeelnemer te goeder trouw is. De verlenging van de termijn wordt ook medegedeeld aan de douaneautoriteiten van de andere lidstaten, met behulp van het in artikel 14 quinvicies bedoelde communicatiesysteem.

In alle andere gevallen wordt het AEO-certificaat ingetrokken en deelt de douaneautoriteit van afgifte dit onmiddellijk mede aan de douaneautoriteiten van de andere lidstaten, met behulp van het in artikel 14 quinvicies bedoelde communicatiesysteem.

3. Indien de vereiste maatregelen niet binnen de schorsingstermijn worden genomen, is artikel 14 tervicies van toepassing.



Afdeling 3

Intrekking van het AEO-certificaat

Artikel 14 tervicies

1. De douaneautoriteit van afgifte trekt het AEO-certificaat in de volgende gevallen in:

a)de geautoriseerde marktdeelnemer neemt de in artikel 14 unvicies, lid 1, bedoelde maatregelen niet;

b)de geautoriseerde marktdeelnemer heeft een ernstige overtreding van de douanevoorschriften begaan en er is geen verder recht tot beroep;

c)de geautoriseerde marktdeelnemer verzuimt tijdens de in artikel 14 duovicies bedoelde schorsingstermijn de nodige maatregelen te treffen;

d)op verzoek van de geautoriseerde marktdeelnemer.

In het onder b) bedoelde geval kan de douaneautoriteit echter besluiten, het AEO-certificaat niet in te trekken, indien zij de overtreding als van weinig belang beschouwt in verhouding tot het aantal en de omvang van de douanegerelateerde activiteiten van de geautoriseerde marktdeelnemer en de overtreding geen twijfel heeft doen ontstaan over diens goede trouw.

2. De intrekking wordt op de dag na de mededeling ervan van kracht.

Indien, in geval van het in artikel 14 bis, lid 1, onder c), bedoelde AEO-certificaat, de betrokken geautoriseerde marktdeelnemer slechts niet voldoet aan de in artikel 14 duodecies bepaalde voorwaarden, wordt het certificaat door de douaneautoriteit van afgifte ingetrokken en wordt een nieuw AEO-certificaat als bedoeld in artikel 14 bis, lid 1, onder a), afgegeven.

3. De douaneautoriteit van afgifte stelt de douaneautoriteiten van de andere lidstaten onmiddellijk van de intrekking in kennis, met behulp van het in artikel 14 quinvicies bedoelde communicatiesysteem.

4. Behoudens de in lid 1, onder c) en d), bedoelde gevallen van intrekking, kan de marktdeelnemer binnen drie jaar na de intrekking geen nieuwe aanvraag voor een AEO-certificaat indienen.



HOOFDSTUK 3

Uitwisseling van informatie

Artikel 14 quatervicies

1. De geautoriseerde marktdeelnemer stelt de douaneautoriteit van afgifte in kennis van elk feit dat zich na de toekenning van het certificaat voordoet en dat gevolgen kan hebben voor de handhaving of de inhoud daarvan.

2. Alle relevante informatie waarover de douaneautoriteit van afgifte beschikt, wordt ter beschikking gesteld van de douaneautoriteiten van de andere lidstaten waar de geautoriseerde marktdeelnemer douanegerelateerde activiteiten uitoefent.

3. Indien een douaneautoriteit een specifieke vergunning intrekt die op grond van een AEO-certificaat is afgegeven voor het gebruik van een douanevereenvoudiging als bedoeld in de artikelen 260, 263, 269, 272, 276, 277, 282, 283, 313 bis, 313 ter, 324 bis, 324 sexies, 372, 454 bis en 912 octies deelt zij dit aan de douaneautoriteit die het AEO-certificaat heeft afgegeven mede.

▼M52

4. De douaneautoriteit van afgifte biedt de voor de beveiliging van de burgerluchtvaart verantwoordelijke bevoegde nationale autoriteit onmiddellijk ten minste de volgende haar ter beschikking staande informatie aan met betrekking tot de status van geautoriseerd marktdeelnemer:

a)het AEO-certificaat — veiligheid en AEO-certificaat — douanevereenvoudigingen en veiligheid inclusief de naam van de houder van het certificaat en, in voorkomend geval, de wijziging, intrekking of schorsing van de status van geautoriseerd marktdeelnemer en de redenen daarvoor;

b)informatie over de vraag of de betreffende locatie door de douaneautoriteiten is bezocht, de datum van het laatste bezoek en het doel van het bezoek (vergunningsprocedure, herbeoordeling, monitoring);

c)elke herbeoordeling van een AEO-certificaat — veiligheid of een AEO-certificaat — douanevereenvoudigingen en veiligheid en de resultaten daarvan.

De nationale douaneautoriteiten stellen uiterlijk op 1 maart 2015 in overleg met de voor de beveiliging van de burgerluchtvaart verantwoordelijke bevoegde nationale autoriteit nadere modaliteiten vast voor de uitwisseling van de in de eerste alinea bedoelde informatie die niet onder het in artikel 14 quinvicies genoemde elektronisch informatie- en communicatiesysteem valt.

De voor de beveiliging van de burgerluchtvaart verantwoordelijke nationale autoriteiten die de betreffende informatie behandelen, gebruiken deze uitsluitend voor de toepassing van de relevante programma's voor erkende agenten of bekende afzenders en nemen passende technische en organisatorische maatregelen om de beveiliging van deze informatie te waarborgen.

▼M29

Artikel 14 quinvicies

1. Een elektronisch informatie- en communicatiesysteem dat in overleg tussen de Commissie en de douaneautoriteiten wordt opgezet, wordt gebruikt voor het informatie- en communicatieproces tussen de douaneautoriteiten en voor het verstrekken van informatie aan de Commissie en de marktdeelnemers.

2. De Commissie en de douaneautoriteiten hebben toegang tot en slaan de volgende informatie op in het in lid 1 bedoelde systeem:

a)de elektronisch toegezonden gegevens van de aanvragen;

b)de AEO-certificaten en, indien van toepassing, wijzigingen en intrekkingen van deze certificaten en schorsingen van de status van geautoriseerde marktdeelnemer;

c)alle andere relevante informatie.

▼M52

2 bis. Indien van toepassing, met name wanneer de status van geautoriseerde marktdeelnemer beschouwd wordt als de grondslag voor het verlenen van goedkeuring, vergunningen of faciliteiten in het kader van andere Uniewetgeving, kan de in artikel 14 quatervicies, lid 4, punten a) en c), vermelde informatie tevens worden verstrekt aan de bevoegde nationale autoriteit die verantwoordelijk is voor de beveiliging van de burgerluchtvaart.

▼M29

3. De douaneautoriteit van afgifte stelt de risicoanalysekantoren in de eigen lidstaat in kennis van de afgifte, wijziging of intrekking van een AEO-certificaat of van de schorsing van de status van geautoriseerde marktdeelnemer. Zij stelt ook alle douaneautoriteiten van afgifte in de andere lidstaten in kennis.

4. De lijst van geautoriseerde marktdeelnemers kan door de Commissie op het internet bekend worden gemaakt, indien de betrokken geautoriseerde marktdeelnemer hiervoor toestemming geeft. De lijst wordt bijgewerkt.

▼M18 —————

▼B



TITEL IV

OORSPRONG VAN GOEDEREN



HOOFDSTUK 1

Niet-preferentiële oorsprong



Afdeling 1

Be- of verwerking die het karakter van produkt van oorsprong verleent

Artikel 35

In dit hoofdstuk wordt bepaald welke be- of verwerkingen van, enerzijds, textielstoffen en textielwaren van afdeling XI van de gecombineerde nomenclatuur en van, anderzijds, bepaalde andere produkten dan textielstoffen en textielwaren geacht worden te beantwoorden aan de criteria van artikel 24 van het Wetboek, waardoor deze produkten het karakter verkrijgen van produkt van oorsprong uit het land waar de be- of verwerkingen hebben plaatsgevonden.

Onder „land” wordt, al naar gelang van het geval, een derde land of de Gemeenschap verstaan.



Onderafdeling 1

Textielstoffen en textielwaren van afdeling XI van de gecombineerde nomenclatuur

Artikel 36

De volledige verwerking, als in artikel 37 beschreven, van textielstoffen en textielwaren die onder afdeling XI van de gecombineerde nomenclatuur worden ingedeeld, wordt beschouwd als een be- of verwerking waardoor het produkt het karakter van produkt van oorsprong verkrijgt in de zin van artikel 24 van het Wetboek.

Artikel 37

Een be- of verwerking als gevolg waarvan de verkregen producten onder een andere post van de gecombineerde nomenclatuur worden ingedeeld dan elk van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn, wordt als een volledige verwerking beschouwd.

Wat de produkten in bijlage 10 betreft, wordt evenwel slechts de be- of verwerking die in kolom 3 van deze bijlage naast elk verkregen produkt is beschreven als een volledige verwerking beschouwd, ongeacht het feit of deze al dan niet leidt tot een wijziging van post.

De wijze waarop de regels in bijlage 10 worden toegepast, is omschreven in de inleidende aantekeningen in bijlage 9.

Artikel 38

Voor de toepassing van het voorgaande artikel worden de volgende be- of verwerkingen steeds als ontoereikend beschouwd om de oorsprong te verlenen, ongeacht of deze al dan niet leiden tot een wijziging van post:

a)behandelingen welke dienen om de produkten tijdens vervoer en opslag in goede staat te bewaren (luchten, uitleggen, drogen, verwijderen van beschadigde delen en soortgelijke behandelingen);

b)eenvoudige handelingen zoals stofvrij maken, zeven, sorteren, rangschikken, samenvoegen (daaronder begrepen het samenstellen van sets), wassen en snijden;

c)

i)veranderen van verpakking, splitsen en samenvoegen van colli,

ii)eenvoudig verpakken in zakken, omhulsels, blikken, bevestigen op plankjes enz. en alle andere eenvoudige verpakkingshandelingen;

d)aanbrengen op de producten zelf of op hun verpakking van merken, etiketten of andere herkenningstekens;

e)eenvoudig samenvoegen van delen tot een volledig produkt;

f)combinaties van twee of meer van de onder a) tot en met e) genoemde handelingen.



Onderafdeling 2

Andere produkten dan textielstoffen en textielwaren van afdeling XI van de gecombineerde nomenclatuur

Artikel 39

Van de verkregen produkten genoemd in bijlage 11, wordt de in kolom 3 van deze bijlage genoemde be- of verwerking beschouwd als een be- of verwerking waardoor de oorsprong wordt verkregen overeenkomstig artikel 24 van het Wetboek.

De wijze waarop de regels in bijlage 11 worden toegepast is omschreven in de inleidende aantekeningen van bijlage 9.



Onderafdeling 3

Gemeenschappelijke bepalingen voor alle produkten

Artikel 40

Wanneer in de lijsten van de bijlagen 10 en 11 is bepaald dat het karakter van produkt van oorsprong wordt verkregen indien de waarde van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn een bepaald percentage van de prijs af fabriek van de verkregen produkten niet overschrijdt, wordt dit percentage als volgt berekend:

—„waarde” betekent de douanewaarde ten tijde van de invoer van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn, of, indien deze niet bekend is en niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die voor deze materialen in het land van verwerking is betaald,

—„prijs af fabriek” betekent de prijs af fabriek van het verkregen produkt verminderd met alle binnenlandse belastingen die zijn of kunnen worden terugbetaald wanneer dit produkt wordt uitgevoerd,

—„meerwaarde verkregen door montage” betekent de meerwaarde die voortvloeit uit de montage zelf, de afwerking en de controle en uit het inbouwen van onderdelen van oorsprong uit het land waar deze montage plaatsvindt, met inbegrip van de in dit land gemaakte winst en bedrijfskosten als gevolg van vorengenoemde handelingen.



Afdeling 2

Vervangingsonderdelen

Artikel 41

▼M1

1. Accessoires, vervangingsonderdelen en gereedschappen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden geleverd en die deel uitmaken van de normale uitrusting daarvan, worden geacht dezelfde oorsprong te hebben als het betrokken materieel, de betrokken machines, apparaten of voertuigen.

▼B

►M1 2. Essentiële vervangingsonderdelen bestemd voor materieel, machines, apparaten of voertuigen die in het vrije verkeer zijn gebracht of eerder werden uitgevoerd, worden geacht dezelfde oorsprong te hebben als dit materieel of deze machines, apparaten of voertuigen, voor zover aan de in deze afdeling gestelde voorwaarden is voldaan.

Artikel 42

De overeenkomstig het vorige artikel aangenomen oorsprong wordt slechts aanvaard:

—indien dit noodzakelijk is voor invoer in het land van bestemming,

—indien het gebruik van deze essentiële vervangingsonderdelen tijdens de vervaardiging van bedoeld materieel of de bedoelde machines, apparaten of voertuigen niet belet zou hebben dat dit materieel of deze machines, apparaten of voertuigen het karakter van product van oorsprong uit de Gemeenschap of uit het land van vervaardiging zou(den) bezitten.

Artikel 43

Voor de toepassing van artikel 41 wordt verstaan onder:

a)„materieel, machines, apparaten en voertuigen” goederen die onder de afdelingen XVI, XVII en XVIII van de gecombineerde nomenclatuur worden ingedeeld;

b)onder „essentiële vervangingsonderdelen”:

—onderdelen zonder welke de onder a) bedoelde goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht of eerder werden uitgevoerd, niet goed kunnen functioneren,

—kenmerkend zijn voor die goederen,

—en

—voor het normale onderhoud ervan zijn bestemd en ter vervanging van onderdelen van dezelfde soort die zijn beschadigd of niet meer kunnen worden gebruikt.

Artikel 44

Wanneer bij de bevoegde autoriteiten of de aangewezen instanties van de Lid-Staten een aanvraag wordt ingediend voor een certificaat van oorsprong voor de in artikel 41 bedoelde essentiële vervangingsonderdelen, wordt op dat certificaat en de daarop betrekking hebbende aanvraag in vak 6 (volgnummer; merken, nummers; aantal en soort van de colli; omschrijving van de goederen) een verklaring van de aanvrager opgenomen dat de daarin vermelde goederen bestemd zijn voor het normale onderhoud van eerder uitgevoerd materieel of van eerder uitgevoerde machines, apparaten of voertuigen alsmede een nauwkeurige omschrijving van dit materieel, deze machines, apparaten of voertuigen.

Voor zover mogelijk vermeldt de aanvrager tevens de gegevens van het certificaat van oorsprong (instantie van afgifte, nummer en datum van het certificaat) onder geleide waarvan het materieel, de machines, de apparaten of voertuigen waarvoor de onderdelen zijn bestemd, zijn uitgevoerd.

Artikel 45

Wanneer de oorsprong van de in artikel 41 bedoelde essentiële vervangingsonderdelen met het oog op de aangifte voor het vrije verkeer in de Gemeenschap moet worden aangetoond door middel van een certificaat van oorsprong, dient dit de in artikel 44 bedoelde gegevens te bevatten.

Artikel 46

De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten kunnen met het oog op de toepassing van deze afdeling nader bewijsmateriaal eisen, waaronder:

—de factuur of een afschrift van de factuur betreffende het materieel, de machines, apparaten of voertuigen welke in het vrije verkeer werden gebracht of eerder werden uitgevoerd;

—het contract of een afschrift van het contract of elk ander document waaruit blijkt dat de levering in het kader van het normale onderhoud plaatsvindt.



Afdeling 3

Certificaten van oorsprong



Onderafdeling 1

Algemene certificaten van oorsprong

Artikel 47

Wanneer de oorsprong van een produkt bij invoer wordt of moet worden aangetoond door middel van een certificaat van oorsprong, dient dit certificaat aan de volgende voorwaarden te voldoen:

a)het is afgegeven door een autoriteit dan wel door een daartoe door het land van afgifte gemachtigde instantie, die de nodige waarborgen biedt;

b)het bevat de nodige gegevens ten einde het produkt waarop het betrekking heeft te kunnen identificeren, onder meer:

—het aantal, de aard, de merken en de nummers van de colli;

—het soort produkt;

—het bruto- en nettogewicht van het produkt; deze gegevens kunnen evenwel door andere worden vervangen zoals aantal of volume wanneer het gewicht van het produkt tijdens het vervoer aan veranderingen onderhevig is of wanneer het gewicht ervan niet kan worden vastgesteld of wanneer het gewoonlijk aan de hand van deze andere gegevens wordt geïdentificeerd;

—de naam van de afzender;

c)het vermeldt duidelijk het land van oorsprong van het produkt waarop het betrekking heeft.

Artikel 48

1. Een certificaat van oorsprong afgegeven door de bevoegde autoriteiten of de daartoe gemachtigde instanties van de Lid-Staten dient te voldoen aan de in artikel 47, onder a) en b), gestelde voorwaarden

2. De certificaten en de daarop betrekking hebbende aanvragen dienen te worden gesteld op formulieren die overeenstemmen met de modellen in bijlage 12.

3. In deze certificaten van oorsprong wordt verklaard dat de goederen van oorsprong zijn uit de Gemeenschap.

Er kan evenwel verklaard worden dat de goederen van oorsprong zijn uit een bepaalde Lid-Staat indien dit ten behoeve van de handel nodig is.

Wordt aan de voorwaarden van artikel 24 van het Wetboek slechts voldaan als gevolg van een reeks be- of verwerkingen in verschillende Lid-Staten, dan kan slechts worden verklaard dat de goederen van oorsprong zijn uit de Gemeenschap.

Artikel 49

Een certificaat van oorsprong wordt op schriftelijk verzoek van de belanghebbende afgegeven.

Wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen, onder andere wanneer de aanvrager regelmatig goederen uitvoert, behoeven de Lid-Staten voor elke afzonderlijke uitvoerverrichting geen aanvraag te eisen, mits naleving van de voorschriften inzake oorsprong is verzekerd.

Wanneer dit ten behoeve van de handel nodig is, kunnen een of meer extra kopieën van een certificaat van oorsprong worden afgegeven.

Deze kopieën worden gesteld op formulieren waarvan het model in bijlage 12 is opgenomen.

Artikel 50

1. De afmetingen van het certificaat bedragen 210 × 297 mm, waarbij in de lengte een afwijking van 5 mm minder of 8 mm meer is toegestaan. Het te gebruiken papier is wit, houtvrij, zodanig gelijmd dat het goed te beschrijven is, met een gewicht van ten minste 64 g per m2 of tussen 25 en 30 g per m2 wanneer luchtpostpapier wordt gebruikt. Het is voorzien van een bisterkleurige, geguillocheerde onderdruk die elke vervalsing met behulp van mechanische of chemische middelen zichtbaar maakt.

2. Het aanvraagformulier wordt gedrukt in de officiële taal of talen van de Lid-Staat van uitvoer. Het formulier van het certificaat van oorsprong wordt gedrukt in een of meer van de officiële talen van de Gemeenschap, of in een andere taal, al naar gelang van de behoeften en de gebruiken van de handel.

3. De Lid-Staten kunnen het drukken van de formulieren van de certificaten van oorsprong voorbehouden of overlaten aan drukkerijen die daartoe zijn goedgekeurd. In dit geval moet op elk formulier van het certificaat van oorsprong een verwijzing voorkomen naar die goedkeuring. Op elk certificaat van oorsprong worden naam en adres van de drukker vermeld of een teken waardoor deze geïdentificeerd kan worden. Het bevat daarenboven een volgnummer, gedrukt of door middel van een stempel aangebracht, waardoor het van andere certificaten te onderscheiden is.

Artikel 51

►C1 Het aanvraagformulier en het certificaat van oorsprong worden op gelijke wijze met een schrijfmachine of met de hand ingevuld in één van de officiële talen van de Gemeenschap, of in een andere taal, al naar gelang van de behoeften en de gebruiken van de handel.

Artikel 52

Elk in artikel 48 bedoeld certificaat van oorsprong draagt een volgnummer om het van andere certificaten te onderscheiden. Het aanvraagformulier voor het certificaat en alle kopieën van het certificaat dragen hetzelfde nummer.

Bovendien mogen de bevoegde autoriteiten of de aangewezen instanties van de Lid-Staten deze documenten een afgiftenummer geven.

Artikel 53

De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten kunnen voorts verlangen dat in de aanvraag nog andere gegevens worden verstrekt, die evenwel tot een strikt minimum beperkt dienen te blijven.

Elke Lid-Staat deelt de Commissie mee welke bepalingen hij op grond van de voorgaande alinea heeft vastgesteld. De Commissie geeft deze mededelingen onverwijld aan de andere Lid-Staten door.

Artikel 54

De bevoegde autoriteiten of de aangewezen instanties van de Lid-Staten die certificaten van oorsprong hebben afgegeven, bewaren de daarbij behorende aanvragen gedurende ten minste twee jaar.

Aanvragen kunnen evenwel ook in de vorm van kopieën worden bewaard, voor zover deze volgens het nationale recht van de betrokken Lid-Staat dezelfde bewijskracht hebben als het origineel.



Onderafdeling 2

Certificaten van oorsprong voor bepaalde landbouwprodukten waarvoor bijzondere invoerregelingen gelden

Artikel 55

In de artikelen 56 tot en met 65 worden de voorwaarden vastgesteld voor het gebruik van certificaten van oorsprong met betrekking tot landbouwprodukten van oorsprong uit derde landen waarvoor bijzondere, niet-preferentiële invoerregelingen gelden, voor zover hierin naar de volgende bepalingen wordt verwezen.



a)

Certificaten van oorsprong

Artikel 56

1. Certificaten van oorsprong met betrekking tot landbouwprodukten van oorsprong uit derde landen waarvoor bijzondere, niet-preferentiële invoerregelingen gelden, worden gesteld op formulieren die overeenstemmen met het model in bijlage 13.

2. Deze certificaten worden afgegeven door de bevoegde overheidsinstanties van de betrokken derde landen, hierna „instantie van afgifte” genoemd, indien de producten waarop deze certificaten betrekking hebben, beschouwd kunnen worden als van oorsprong zijnde uit die landen in de zin van de in de Gemeenschap geldende bepalingen.

3. Deze certificaten bevatten tevens alle gegevens die volgens de communautaire wetgeving vereist zijn met betrekking tot de in artikel 55 bedoelde bijzondere invoerregelingen.

4. Onverminderd specifieke bepalingen van de in artikel 55 bedoelde speciale invoerregelingen zijn de certificaten tien maanden geldig vanaf de datum van afgifte door de instantie van afgifte.

Artikel 57

1. De overeenkomstig deze onderafdeling afgegeven certificaten van oorsprong bestaan slechts uit één exemplaar waarop, naast het opschrift van het document, het woord „origineel” is vermeld.

Mochten extra kopieën nodig blijken, dan wordt daarop, naast het opschrift van het document, het woord „kopie” vermeld.

2. De bevoegde autoriteiten van de Gemeenschap aanvaarden uitsluitend het origineel van het certificaat van oorsprong als geldig exemplaar.

Artikel 58

1. De afmetingen van het certificaat bedragen 210 × 297 mm, waarbij in de lengte een afwijking van 5 mm minder of 8 mm meer is toegestaan. Het te gebruiken papier is wit en houtvrij, met een gewicht van ten minste 40 g per m2. Het is voorzien van een gele, geguillocheerde onderdruk die elke vervalsing met behulp van mechanische of chemische middelen zichtbaar maakt.

2. De certificaten worden gedrukt en ingevuld in één van de officiële talen van de Gemeenschap.

Artikel 59

1. Het certificaat wordt ingevuld met de schrijfmachine of door middel van een mecanografisch of soortgelijk procédé.

2. In het certificaat mogen geen raderingen of overschrijvingen voorkomen. Wijzigingen worden aangebracht door middel van doorhaling van de onjuiste en, in voorkomend geval, toevoeging van de juiste gegevens. Elke aldus aangebrachte wijziging wordt goedgekeurd door degene die deze aanbrengt en geviseerd door de instantie van afgifte.

Artikel 60

1. In vak 5 van de overeenkomstig de artikelen 56 tot en met 59 afgegeven certificaten van oorsprong worden alle aanvullende gegevens vermeld die nodig zijn voor de toepassing van de in artikel 56, lid 3, bedoelde bijzondere invoerregelingen waarop zij betrekking hebben.

2. De onbeschreven gedeelten van de vakken 5, 6 en 7 worden zo doorgekruist dat latere toevoegingen niet mogelijk zijn.

Artikel 61

Elk certificaat van oorsprong is van een al dan niet gedrukt volgnummer voorzien, om het van de andere certificaten te onderscheiden, alsmede van het stempel van de instantie van afgifte en de handtekening van de persoon of de personen die gemachtigd zijn het te ondertekenen.

Het certificaat wordt afgegeven bij de uitvoer van de produkten waarop het betrekking heeft. De instantie van afgifte bewaart een kopie van elk certificaat dat zij afgeeft.

Artikel 62

Bij wijze van uitzondering kan het hierboven bedoelde certificaat van oorsprong afgegeven worden na uitvoer van de produkten waarop het betrekking heeft, wanneer dit ten gevolge van een vergissing, onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden niet is geschied op het tijdstip van de uitvoer.

De bevoegde autoriteiten kunnen een in de artikelen 56 tot en met 61 bedoeld certificaat van oorsprong slechts achteraf afgeven na te hebben gecontroleerd of de gegevens in de aanvraag van de exporteur overeenstemmen met die in het desbetreffende dossier.

Op de achteraf afgegeven certificaten wordt in het vak „Opmerkingen” een van de volgende vermeldingen aangebracht:

—expedido a posteriori,

—udstedt efterfølgende,

—Nachträglich ausgestellt,

—Εκδοθέν εκ των υστέρων,

—Issued retrospectively,

—Délivré a posteriori,

—rilasciato a posteriori,

—afgegeven a posteriori,

—emitido a posteriori,

—annettu jälkikäteen / utfärdat i efterhand,

—utfärdat i efterhand,

▼A2

—Vystaveno dodatečně,

—Välja antud tagasiulatuvalt,

—Izsniegts retrospektīvi,

—Retrospektyvusis išdavimas,

—Kiadva visszamenőleges hatállyal,

—Maħruġ retrospettivament,

—Wystawione retrospektywnie,

—Izdano naknadno,

▼M26

—Vyhotovené dodatočne,

▼M30

—издаден впоследстви,

—eliberat ulterior,

▼M45

—Izdano naknadno.

▼B



b)

Administratieve samenwerking

Artikel 63

1. Indien volgens de bijzondere invoerregelingen voor bepaalde landbouwprodukten het in de artikelen 56 tot en met 62 bedoelde certificaat van oorsprong moet worden gebruikt, dan is de toepassing van deze regelingen afhankelijk van het instellen van een procedure van administratieve samenwerking, tenzij dit in de betrokken regelingen anders is bepaald.

Met het oog hierop doen de betrokken derde landen de Commissie het volgende toekomen:

—de namen en adressen van de instanties die de certificaten van oorsprong afgeven, alsmede afdrukken van de gebruikte stempels,

—de namen en adressen van de overheidsinstanties die belast zijn met de behandeling van de in artikel 64 bedoelde verzoeken om controle achteraf van de certificaten van oorsprong.

Al deze informatie wordt door de Commissie aan de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten doorgegeven.

2. Wanneer de betrokken derde landen verzuimen de Commissie de in lid 1 bedoelde informatie te verstrekken, passen de bevoegde autoriteiten in de Gemeenschap de bijzondere invoerregelingen niet toe.

Artikel 64

1. De controle achteraf van de in de artikelen 56 tot en met 62 bedoelde certificaten van oorsprong geschiedt bij wijze van steekproef en wanneer er redenen zijn om te twijfelen aan de echtheid van het document of de juistheid van de daarin vervatte gegevens.

De controle ten aanzien van de oorsprong wordt uitgevoerd op initiatief van de douaneautoriteiten.

Voor de toepassing van de landbouwregelingen kan deze controle eventueel door andere bevoegde autoriteiten worden uitgevoerd.

2. Voor de toepassing van lid 1 zenden de bevoegde autoriteiten in de Gemeenschap het certificaat van oorsprong of de kopie daarvan terug aan de door het land van uitvoer aangewezen overheidsinstantie, onder vermelding van de materiële of formele redenen van het verzoek om controle. Indien een factuur werd overgelegd, wordt deze of een kopie daarvan bij het terug te zenden certificaat gevoegd. Deze autoriteiten verstrekken voorts alle door hen verkregen inlichtingen die het vermoeden hebben doen rijzen dat de gegevens op het certificaat onjuist zijn of dat het certificaat niet echt is.

Indien de douaneautoriteiten in de Gemeenschap besluiten de toepassing van de bijzondere invoerregelingen op te schorten in afwachting van de resultaten van de controle, verlenen zij vrijgave van de produkten onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.

Artikel 65

1. De resultaten van de controle achteraf worden zo snel mogelijk ter kennis gebracht van de bevoegde autoriteiten in de Gemeenschap.

Aan de hand van deze resultaten moet kunnen worden vastgesteld of de onder de in artikel 64 bedoelde omstandigheden teruggezonden certificaten van oorsprong betrekking hebben op de uitgevoerde goederen en of deze inderdaad in aanmerking komen voor toepassing van de betreffende bijzondere invoerregeling.

2. Wanneer geen gevolg is gegeven aan het verzoek tot controle achteraf binnen zes maanden, weigeren de bevoegde autoriteiten in de Gemeenschap definitief de toekenning van de bijzondere invoerregeling.

▼M18



HOOFDSTUK 2

Preferentiële oorsprong

▼M39



Afdeling 1

Stelsel van algemene preferenties



Onderafdeling 1

Algemene bepalingen

▼M46

Artikel 66

Deze afdeling bevat de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en de regels voor de daarmee verband houdende methoden van administratieve samenwerking, die zijn vastgesteld met het oog op de toepassing van het stelsel van algemene preferenties (SAP) dat de Unie bij Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad (4) aan ontwikkelingslanden heeft toegekend („het stelsel”).

▼M39

Artikel 67

1. In deze afdeling en in afdeling 1 bis van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

▼M46

a)

„begunstigd land” : een land of gebied zoals gedefinieerd in artikel 2, onder d), van Verordening (EU) nr. 978/2012;

▼M39

b)

„vervaardiging” : elke soort be- of verwerking, met inbegrip van assemblage;

c)

„materiaal” : alle ingrediënten, grondstoffen, componenten, delen, enz., die bij de vervaardiging van het product worden gebruikt;

d)

„product” : het vervaardigde product, zelfs indien het bestemd is om later bij de vervaardiging van een ander product te worden gebruikt;

e)

„goederen” : zowel materialen als producten;

f)

„bilaterale cumulatie” : een systeem op grond waarvan producten, die overeenkomstig deze verordening van oorsprong zijn uit de Europese Unie, kunnen worden beschouwd als materialen van oorsprong uit een begunstigd land wanneer zij in dat begunstigde land verder worden bewerkt of in een product opgenomen;

g)

„cumulatie met Noorwegen, Turkije of Zwitserland” : een systeem op grond waarvan producten, die overeenkomstig deze verordening van oorsprong zijn uit Noorwegen, Turkije of Zwitserland, beschouwd kunnen worden als materialen van oorsprong uit een begunstigd land wanneer zij in dat begunstigde land verder worden bewerkt of in een product opgenomen en in de Europese Unie zijn ingevoerd;

h)

„regionale cumulatie” : een systeem op grond waarvan producten, die overeenkomstig deze verordening van oorsprong zijn uit een land dat lid is van een regionale groep, beschouwd worden als materialen van oorsprong uit een ander land van dezelfde regionale groep (of een land van een andere regionale groep wanneer cumulatie tussen groepen mogelijk is) wanneer zij aldaar verder worden bewerkt of in een aldaar vervaardigd product opgenomen;

i)

„uitgebreide cumulatie” : een systeem dat van toepassing is na inwilliging door de Commissie van een daartoe strekkend verzoek van een begunstigd land, op grond waarvan bepaalde materialen, van oorsprong uit een land waarmee de Europese Unie een vrijhandelsovereenkomst heeft overeenkomstig artikel XXIV van de Algemene Overeenkomst inzake tarieven en handel (GATT), worden beschouwd als materialen van oorsprong uit het betrokken begunstigde land wanneer zij in dat land verder worden bewerkt of in een in dat land vervaardigd product worden opgenomen;

j)

„vervangbare materialen” : materialen van dezelfde soort en handelskwaliteit, met dezelfde technische en fysische kenmerken en waartussen geen onderscheid mogelijk is zodra zij in het eindproduct zijn opgenomen;

k)

„regionale groep” : een groep landen waartussen regionale cumulatie van toepassing is;

l)

„douanewaarde” : de waarde zoals bepaald volgens de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel van 1994 (Overeenkomst inzake de douanewaarde van de WTO);

m)

„waarde van de materialen” : in de lijst in bijlage 13 bis: de douanewaarde ten tijde van de invoer van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn, of, indien deze niet bekend is en niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die voor de materialen in het begunstigde land is betaald. Wanneer de waarde van de gebruikte materialen van oorsprong moet worden vastgesteld, is dit punt van overeenkomstige toepassing;

n)

„prijs af fabriek” :

de prijs die voor het product af fabriek is betaald aan de fabrikant in wiens onderneming de laatste be- of verwerking is verricht, voor zover in die prijs de waarde is begrepen van alle gebruikte materialen en alle andere aan de vervaardiging verbonden kosten, verminderd met alle binnenlandse belastingen die worden of kunnen worden terugbetaald wanneer het verkregen product wordt uitgevoerd.

Wanneer de betaalde prijs niet alle kosten dekt die verbonden zijn aan de vervaardiging van het product in het begunstigde land, is de prijs af fabriek de som van al die kosten, verminderd met alle binnenlandse belastingen die worden of kunnen worden terugbetaald wanneer het verkregen product wordt uitgevoerd;

o)

„maximuminhoud van niet van oorsprong zijnde materialen” : de maximum hoeveelheid niet van oorsprong zijnde materialen die is toegestaan om een vervaardiging als een toereikende be- of verwerking en het product als van oorsprong te beschouwen. Deze hoeveelheid kan worden uitgedrukt in procenten van de prijs af fabriek van het product of in procenten van het nettogewicht van de gebruikte materialen van een bepaalde groep hoofdstukken, een hoofdstuk, post of postonderverdeling;

p)

„nettogewicht” : het gewicht van de goederen zelf zonder verpakkingsmateriaal en bergingsmiddelen van welke soort dan ook;

q)

„hoofdstukken”, „posten” en „postonderverdelingen” : de hoofdstukken, posten en postonderverdelingen (vier- of zescijfercodes) van de nomenclatuur die het geharmoniseerd systeem vormt met de wijzigingen ingevolge de aanbeveling van de Internationale Douaneraad van 26 juni 2004;

r)

„ingedeeld” : de indeling van een product of materiaal onder een bepaalde post of postonderverdeling van het geharmoniseerd systeem;

s)

„zending” :

producten die of

—gelijktijdig van een exporteur naar een geadresseerde worden gezonden; of

—die vanaf de verzending bij de exporteur tot aan de aankomst bij de geadresseerde vergezeld gaan van een enkel vervoersdocument of, in afwezigheid van een dergelijk document, van een enkele factuur;

t)

„exporteur” : een persoon die goederen naar de Europese Unie of naar een begunstigd land uitvoert en die de oorsprong van de goederen kan aantonen, ongeacht het feit of hij de fabrikant is en ongeacht of hij de uitvoerformaliteiten zelf verricht;

u)

„geregistreerde exporteur” : een exporteur die bij de bevoegde autoriteiten van een begunstigd land geregistreerd staat in verband met het opstellen van attesten van oorsprong, met het doel goederen in het kader van het stelsel uit te voeren;

v)

„attest van oorsprong” : een door een exporteur opgestelde verklaring dat de goederen waarop het attest betrekking heeft aan de oorsprongsregels van het stelsel voldoen, zodat degene die deze goederen voor het vrije verkeer in de Europese Unie aangeeft, in aanmerking komt voor de preferentiële tariefbehandeling, of waarmee een marktdeelnemer in een begunstigd land dat materialen invoert ter verdere verwerking in het kader van de cumulatie de oorsprong van die materialen kan aantonen.

▼M46

1 bis. Voor de toepassing van lid 1, onder a), wordt onder een „begunstigd land” ook verstaan de territoriale zee, binnen haar vastgelegde grenzen, van dat land of gebied in de zin van het Zeerechtverdrag van de Verenigde Naties (Montego Bay-Verdrag, 10 december 1982).

▼M39

2. Wanneer de laatste be- of verwerking aan een onderaannemer is uitbesteed, kan de in lid 1, onder n), gebruikte term „fabrikant” verwijzen naar het bedrijf dat de be- of verwerking heeft uitbesteed.

Artikel 68

1. Om de goede werking van het stelsel te verzekeren, verbinden de begunstigde landen zich ertoe:

a)de administratieve structuren en systemen op te zetten en in stand te houden die nodig zijn voor de toepassing en het beheer in dat land van de in deze afdeling vastgestelde regels en procedures, zo nodig met inbegrip van regelingen voor de toepassing van cumulatie.

b)erop toe te zien dat hun bevoegde autoriteiten met de Commissie en de douaneautoriteiten van de lidstaten samenwerken.

2. De in lid 1, onder b), bedoelde samenwerking bestaat uit:

a)het verlenen van alle nodige steun, op verzoek van de Commissie, zodat deze toezicht kan uitoefenen op het beheer van het stelsel in het betrokken land, met inbegrip van controles ter plaatse door de Commissie of de douaneautoriteiten van de lidstaten;

b)onverminderd de artikelen 97 octies en 97 nonies, het controleren van de oorsprong van producten en de nakoming van de andere in deze afdeling vastgestelde voorwaarden, met inbegrip van controles ter plaatse wanneer de Commissie of de douaneautoriteiten van de lidstaten hierom, in het kader van onderzoeken naar de oorsprong, verzoeken.

3. De begunstigde landen doen de Commissie de in lid 1 bedoelde verbintenis toekomen.

Artikel 69

1. De begunstigde landen delen de Commissie de namen en adressen mede van de op hun grondgebied gevestigde autoriteiten die:

a)deel uitmaken van de overheidsdiensten van het betrokken land of die namens de overheid optreden en die gemachtigd zijn exporteurs te registreren en deze van het register van geregistreerde exporteurs te schrappen;

b)deel uitmaken van de overheidsdiensten van het betrokken land en gemachtigd zijn de Commissie en de douaneautoriteiten van de lidstaten bijstand te verlenen in het kader van de in deze afdeling bedoelde administratieve samenwerking.

2. De begunstigde landen delen de Commissie onmiddellijk de wijzigingen mede die zich in de in lid 1 bedoelde gegevens voordoen.

3. De Commissie zet een elektronische gegevensbank van geregistreerde exporteurs op, op basis van de informatie die de overheidsdiensten van de begunstigde landen en de douaneautoriteiten van de lidstaten hebben verstrekt.

Uitsluitend de Commissie heeft toegang tot de gegevensbank en de daarin opgenomen gegevens. De in de eerste alinea bedoelde autoriteiten zorgen ervoor, dat de aan de Commissie verstrekte gegevens steeds worden bijgewerkt en volledig en nauwkeurig zijn.

De gegevens in de in de eerste alinea bedoelde gegevensbank staan op het internet ter beschikking van het publiek, met uitzondering van de vertrouwelijke gegevens van de vakken 2 en 3 van het in artikel bedoelde formulier voor de aanvraag van registratie als geregistreerde exporteur.

Persoonsgegevens die op grond van deze afdeling zijn verwerkt in de in de eerste alinea bedoelde gegevensbank en door de lidstaten worden uitsluitend overgedragen aan of ter beschikking gesteld van derde landen of internationale organisaties indien dit niet in strijd is met artikel 9 van Verordening (EG) nr. 45/2001.

4. Deze verordening vormt geen aantasting van het niveau van bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens volgens het recht van de Europese Unie en nationaal recht, en zij houdt met name geen wijziging in van de verplichtingen van de lidstaten ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG noch van de verplichtingen van de instellingen en organen van de Europese Unie ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 in het kader van de uitoefening van hun bevoegdheden.

De Commissie mag de identificatie- en registratiegegevens van de exporteurs, bestaande uit de in bijlage 13 quater, punten 1, 3 (beschrijving van de activiteiten), 4 en 5 bedoelde gegevens uitsluitend op internet openbaar maken indien de exporteurs daartoe vrijelijk en met kennis van zaken specifiek en schriftelijk toestemming hebben gegeven.

De exporteurs ontvangen de in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 45/2001 bedoelde informatie.

De rechten van personen met betrekking tot hun in bijlage 13 quater bedoelde registratiegegevens die in de nationale systemen zijn verwerkt, worden uitgeoefend in overeenstemming met de wetgeving van de lidstaat die deze persoonsgegevens heeft opgeslagen overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG.

De rechten van personen ten aanzien van de verwerking van persoonsgegevens in de in lid 3 bedoelde centrale gegevensbank worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001.

De nationale toezichthoudende gegevensbeschermingsautoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming werken, elk binnen de grenzen van hun eigen bevoegdheden, actief samen en zorgen voor een gecoördineerd toezicht op de in lid 3 bedoelde gegevensbank.

Artikel 70

▼M46

1. De Commissie zal de lijst van begunstigde landen en de datum waarop zij geacht worden aan de in de artikelen 68 en 69 bedoelde voorwaarden te hebben voldaan, bekendmaken in het Publicatieblad van de Europese Unie (C-serie). De Commissie zal deze lijst bijwerken wanneer een nieuw begunstigd land aan dezelfde voorwaarden voldoet en wanneer een begunstigd land niet langer aan de voorwaarden voldoet.

2. Producten van oorsprong uit een begunstigd land in de zin van deze afdeling komen, wanneer zij in de Unie in het vrije verkeer worden gebracht, uitsluitend in aanmerking voor het stelsel indien zij uit een begunstigd land zijn uitgevoerd op of na de datum die is vermeld in de in lid 1 bedoelde lijst.

▼M39

3. Het begunstigde land wordt geacht aan de artikelen 68 en 69 te hebben voldaan op de dag waarop het de in artikel 68, lid 1, bedoelde verbintenis heeft doen toekomen en het de in artikel 69, lid 1, bedoelde kennisgeving heeft gedaan.

▼M46

Artikel 71

1. Indien de bevoegde autoriteiten van een begunstigd land niet voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 68, lid 1, artikel 69, lid 2, de artikelen 91, 92 en 93 of artikel 97 octies, of stelselmatig niet voldoen aan hun verplichtingen op grond van artikel 97 nonies, lid 2, kan dit leiden tot de tijdelijke intrekking van de preferenties die in het kader van het stelsel aan dat land zijn toegekend, overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU) nr. 978/2012.

2. Voor de toepassing van deze afdeling geldt dat, indien een land of gebied van de in artikel 70, lid 1, bedoelde lijst van begunstigde landen is geschrapt, de in artikel 68, artikel 88, lid 1, onder b), artikel 97 octies, lid 1, onder a), artikel 97 octies, lid 3, en artikel 97 decies, lid 1, onder b), neergelegde verplichtingen voor dat land of gebied van toepassing blijven voor een periode van drie jaar vanaf de datum waarop het land of gebied van die lijst is geschrapt.

▼M39



Onderafdeling 2

Definitie van het begrip „producten van oorsprong”

Artikel 72

De volgende producten worden beschouwd van oorsprong te zijn uit een begunstigd land:

a)geheel en al in dat land verkregen producten in de zin van artikel 75;

b)in dat land verkregen producten, waarin materialen zijn verwerkt die daar niet geheel en al zijn verkregen, mits deze materialen een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 76.

Artikel 73

1. Het begunstigde land neemt de in deze onderafdeling beschreven voorwaarden in acht waaraan moet worden voldaan om aan een product de oorsprong te verlenen.

2. Indien goederen van oorsprong uit een begunstigd land naar een ander land worden uitgevoerd en terugkeren, worden zij als niet van oorsprong beschouwd tenzij ten genoegen van de bevoegde autoriteiten kan worden aangetoond dat:

a)de teruggekeerde producten dezelfde zijn als die welke waren uitgevoerd, en

b)zij tijdens de periode dat zij zich in dat andere land bevonden of waren uitgevoerd geen andere be- of verwerkingen hebben ondergaan dan die welke voor hun bewaring in goede staat noodzakelijk waren.

Artikel 74

1. De voor het vrije verkeer in de Europese Unie aangegeven producten zijn dezelfde producten als die welke zijn uitgevoerd uit het begunstigde land waarin zij geacht worden van oorsprong te zijn. Zij zijn op geen enkele manier gewijzigd en hebben ook geen andere behandelingen ondergaan dan die welke noodzakelijk waren voor hun bewaring in goede staat voordat zij voor het vrije verkeer werden aangegeven. De producten of zendingen kunnen worden opgeslagen en de zendingen kunnen worden gesplitst wanneer dit onder de verantwoordelijkheid van de exporteur of een daaropvolgende houder van de goederen gebeurt en zij in het land of de landen van doorvoer onder het toezicht van de douane zijn gebleven.

2. Aan de voorwaarden in lid 1 wordt geacht te zijn voldaan, tenzij de douaneautoriteiten redenen hebben om het tegendeel aan te nemen; in dergelijke gevallen kunnen de douaneautoriteiten de aangever verzoeken te bewijzen dat hij aan de voorwaarden voldoet, welk bewijs op enigerlei wijze kan worden geleverd, onder meer aan de hand van vervoersovereenkomsten zoals cognossementen of feitelijk of concreet bewijsmateriaal zoals merktekens of nummering van de colli of ander bewijsmateriaal betreffende de goederen zelf.

3. De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing bij cumulatie op grond van de artikelen 84, 85 of 86.

Artikel 75

1. De volgende producten worden beschouwd als geheel en al verkregen in een begunstigd land:

a)aldaar uit de bodem of uit de zee- of oceaanbodem gewonnen minerale producten;

b)aldaar gekweekte en geoogste producten van het plantenrijk;

c)aldaar geboren en gefokte levende dieren;

d)producten afkomstig van aldaar gefokte levende dieren;

e)producten afkomstig van aldaar geboren en gefokte geslachte dieren;

f)voortbrengselen van de aldaar bedreven jacht en visserij;

g)producten van de aquacultuur wanneer de vis, schelp- en weekdieren aldaar zijn geboren en gekweekt;

h)producten van de zeevisserij en andere, door zijn schepen buiten een territoriale zee uit de zee gewonnen producten;

i)uitsluitend uit de onder h) bedoelde producten aan boord van zijn fabrieksschepen vervaardigde producten;

j)aldaar verzamelde gebruikte artikelen die slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen;

k)van aldaar verrichte fabrieksbewerkingen afkomstig afval en schroot;

l)van of uit de buiten een territoriale zee gelegen zee- of oceaanbodem of uit de ondergrond daarvan gewonnen producten, voor zover het begunstigde land exclusieve ontginningsrechten op deze zeebodem of deze ondergrond heeft;

m)goederen die aldaar uitsluitend uit de onder a) tot en met l) bedoelde producten zijn vervaardigd.

2. De termen „zijn schepen” en „zijn fabrieksschepen” in lid 1, onder h) en i), zijn slechts van toepassing op schepen en fabrieksschepen die aan elk van de volgende vereisten voldoen:

a)zij zijn in het begunstigde land of in een lidstaat geregistreerd;

b)zij voeren de vlag van het begunstigde land of van een lidstaat;

c)zij voldoen aan een van de volgende voorwaarden:

i)zij behoren voor ten minste 50 % toe aan onderdanen van het begunstigde land of van de lidstaten, of

ii)zij behoren toe aan ondernemingen:

—die hun hoofdkantoor en hun belangrijkste economische activiteiten in het begunstigde land of in de lidstaten hebben;

—die voor ten minste 50 % toebehoren aan het begunstigde land, de lidstaten, overheidsorganen of onderdanen van het begunstigde land of van de lidstaten.

▼M46

3. Aan elk van de voorwaarden van lid 2 kan in lidstaten of in verschillende begunstigde landen worden voldaan, voor zover alle betrokken begunstigde landen voor regionale cumulatie in aanmerking komen overeenkomstig artikel 86, leden 1 en 5. In dat geval worden de producten geacht de oorsprong te hebben van het begunstigde land onder de vlag waarvan het vaartuig of fabrieksschip vaart overeenkomstig lid 2, onder b).

De eerste alinea is uitsluitend van toepassing indien aan de voorwaarden in artikel 86, lid 2, onder a), c) en d), is voldaan.

▼M39

Artikel 76

1. Onverminderd de artikelen 78 en 79, worden producten die niet geheel en al zijn verkregen in het begunstigde land in de zin van artikel 75 geacht aldaar van oorsprong te zijn, indien zij voldoen aan de in bijlage 13 bis vermelde voorwaarden.

2. Indien een product dat overeenkomstig lid 1 de oorsprong van een land heeft verkregen, in dat land verder wordt be- of verwerkt en gebruikt als materiaal bij de vervaardiging van een ander product, wordt geen rekening gehouden met de niet van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging ervan kunnen zijn gebruikt.

Artikel 77

1. Voor elk product wordt bepaald, of aan de eisen van artikel 76, lid 1, is voldaan.

Wanneer de betrokken regel echter gebaseerd is op een maximuminhoud van niet van oorsprong zijnde materialen, kan voor de waarde van de niet van oorsprong zijnde materialen een gemiddelde worden berekend, overeenkomstig lid 2, om rekening te houden met schommelingen in kosten en wisselkoersen.

2. In het in lid 1, tweede alinea, bedoelde geval worden een gemiddelde prijs van het product af fabriek en een gemiddelde waarde van de gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen respectievelijk berekend op basis van de som van de prijzen af fabriek van de gehele verkoop van dat product in het voorgaande boekjaar en de som van de waarde van alle niet van oorsprong zijnde materialen die gebruikt zijn bij de vervaardiging van het product in het voorgaande boekjaar, zoals gedefinieerd in het land van uitvoer of, wanneer cijfers voor een geheel boekjaar ontbreken, een kortere periode die echter niet minder dan drie maanden kan zijn.

3. De exporteurs die gekozen hebben voor een berekening op basis van gemiddelden moeten deze methode in het jaar volgende op het referentieboekjaar steeds gebruiken of, indien van toepassing, in het jaar volgende op de kortere periode die als referentieperiode is gebruikt. Zij mogen ophouden met de toepassing van deze methode wanneer zij vaststellen dat in een bepaald boekjaar, of in de kortere representatieve periode van niet minder dan drie maanden, de schommelingen in de kosten of wisselkoeren die het gebruik van die methode rechtvaardigden, hebben opgehouden.

4. De in lid 2 bedoelde gemiddelden worden gebruikt als respectievelijk de prijs af fabriek en de waarde van niet van oorsprong zijnde materialen, om vast te stellen of voldaan is aan de voorwaarde van de maximuminhoud van niet van oorsprong zijnde materialen.

Artikel 78

1. Onverminderd lid 3 worden de volgende behandelingen beschouwd als ontoereikend om de oorsprong te verlenen, ongeacht of aan de voorwaarden van artikel 76 wordt voldaan:

a)conserverende behandelingen die ervoor moeten zorgen dat de producten tijdens vervoer en opslag in goede staat blijven;

b)het splitsen en samenvoegen van colli;

c)het wassen, schoonmaken; het stofvrij maken; verwijderen van roest, olie, verf of dergelijke;

d)het strijken of persen van textiel en artikelen van textiel;

e)het eenvoudig schilderen of polijsten;

f)het ontvliezen of doppen en geheel of gedeeltelijk vermalen van rijst; het polijsten of glanzen van granen en rijst;

g)het kleuren of aromatiseren van suiker of het vormen van suikerklonten; geheel of gedeeltelijk vermalen van kristalsuiker;

h)het pellen, ontpitten of schillen van noten, vruchten en groenten;

i)het aanscherpen, eenvoudig vermalen of eenvoudig versnijden;

j)het zeven, sorteren, classificeren, assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van stellen of assortimenten van artikelen);

k)het eenvoudig verpakken in flessen, blikken, flacons, zakken, etuis,dozen, bevestigen op kaartjes of plankjes en alle andere eenvoudige handelingen in verband met de opmaak;

l)het eenvoudig aanbrengen of opdrukken van merken, etiketten, logo's en andere soortgelijke onderscheidingstekens op de producten zelf of op hun verpakking;

m)het eenvoudig mengen van producten, ook van verschillende soorten; het mengen van suiker met elk materiaal;

n)het eenvoudig toevoegen van water of het verdunnen, drogen of denatureren van producten;

o)het eenvoudig samenvoegen van delen van artikelen tot een volledig artikel dan wel het uit elkaar nemen van artikelen in onderdelen;

p)het uitvoeren van twee of meer van de onder a) tot en met o) genoemde handelingen tezamen;

q)het slachten van dieren.

2. Voor de toepassing van lid 1 worden behandelingen als eenvoudig beschouwd wanneer voor het uitvoeren daarvan geen bijzondere vaardigheden nodig zijn noch speciaal daarvoor gemaakte of geïnstalleerde machines, apparaten of gereedschappen.

3. Om te bepalen of de be- of verwerkingen die een bepaald product heeft ondergaan ontoereikend zijn in de zin van lid 1, worden alle behandelingen die dit product in een begunstigd land heeft ondergaan tezamen genomen.

Artikel 79

1. In afwijking van artikel 76 en met inachtneming van de leden 2 en 3 van dit artikel mogen niet van oorsprong zijnde materialen die volgens de in de lijst in bijlage 13 bis opgenomen voorwaarden bij de vervaardiging van een bepaald product niet mogen worden gebruikt, toch worden gebruikt, mits de totale waarde of het totale nettogewicht niet hoger is dan:

a)15 % van het gewicht van het product voor producten die vallen onder de hoofdstukken 2 en 4 tot en met 24 van het geharmoniseerd systeem, andere dan de verwerkte visserijproducten van hoofdstuk 16;

b)15 % van de prijs af fabriek van het product voor andere producten, behalve de producten die vallen onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerd systeem, waarvoor de afwijkingen van toepassing zijn die zijn vermeld in bijlage 13 bis, deel I, aantekeningen 6 en 7.

2. Op grond van lid 1 mogen de percentages niet worden overschreden voor de maximuminhoud van niet van oorsprong zijnde materialen die zijn vermeld in de lijst in bijlage 13 bis.

3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op producten die geheel en al zijn verkregen in een begunstigd land in de zin van artikel 75. Onverminderd artikel 78 en artikel 80, lid 2, is de in die leden vastgestelde afwijking echter van toepassing op de som van alle materialen die bij de vervaardiging van een product zijn gebruikt en waarvoor de regel in de lijst in bijlage 13 bis eist dat die materialen geheel en al zijn verkregen.

Artikel 80

1. De determinerende eenheid voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling is het product dat bij de bepaling van de indeling volgens het geharmoniseerde systeem als de basiseenheid wordt beschouwd.

2. Wanneer een zending uit een aantal identieke producten bestaat die onder dezelfde post van het geharmoniseerde systeem zijn ingedeeld, zijn de bepalingen van deze afdeling op elk van deze producten op zich beschouwd, van toepassing.

3. Wanneer volgens algemene regel 5 voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem de verpakking meetelt voor het vaststellen van de indeling, telt deze ook mee voor het vaststellen van de oorsprong.

Artikel 81

Accessoires, vervangingsonderdelen en gereedschappen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden geleverd en deel uitmaken van de normale uitrusting daarvan en in de prijs af fabriek daarvan zijn begrepen, worden geacht één geheel te vormen met het materieel en de machines, apparaten of voertuigen in kwestie.

Artikel 82

Stellen of assortimenten in de zin van algemene regel 3 voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem, worden als van oorsprong beschouwd indien alle samenstellende delen van oorsprong zijn.

Een stel of assortiment bestaande uit producten van oorsprong en producten die niet van oorsprong zijn, wordt evenwel als van oorsprong beschouwd indien de waarde van de producten die niet van oorsprong zijn niet hoger is dan 15 % van de prijs af fabriek van het stel of assortiment.

Artikel 83

Om te bepalen of een product een product van oorsprong is, is het niet noodzakelijk rekening te houden met de volgende elementen die bij de vervaardiging ervan gebruikt mochten zijn:

a)energie en brandstof;

b)installatie en uitrusting;

c)machines en werktuigen;

d)goederen die in de uiteindelijke samenstelling van het product niet voorkomen en ook niet bestemd zijn om daarin voor te komen.



Onderafdeling 3

Cumulatie

Artikel 84

Door bilaterale cumulatie kunnen producten die van oorsprong zijn uit de Europese Unie worden beschouwd als materialen van oorsprong uit een begunstigd land wanneer zij zijn opgenomen in een in dat land vervaardigd product, mits de aldaar uitgevoerde be- of verwerkingen meer inhouden dan de in artikel 78, lid 1, beschreven behandelingen.

Artikel 85

1. Voor zover Noorwegen, Turkije en Zwitserland algemene tariefpreferenties toekennen aan producten van oorsprong uit de begunstigde landen en een definitie van „producten van oorsprong” toepassen die overeenstemt met die welke in deze afdeling is opgenomen, is het door cumulatie met Noorwegen, Turkije en Zwitserland mogelijk dat producten van oorsprong uit Noorwegen, Turkije en Zwitserland beschouwd worden als materialen van oorsprong uit een begunstigd land, mits de aldaar uitgevoerde be- of verwerkingen verder gaan dat de in artikel 78, lid 1, vermelde behandelingen.

2. Lid 1 is van toepassing op voorwaarde dat Noorwegen, Turkije en Zwitserland op basis van wederkerigheid producten van oorsprong uit de begunstigde landen waarin materialen van oorsprong uit de Europese Unie zijn opgenomen op dezelfde wijze behandelen.

3. Lid 1 is niet van toepassing op producten die zijn ingedeeld onder de hoofdstukken 1 tot en met 24 van het geharmoniseerd systeem.

4. De Europese Commissie maakt in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie bekend op welke datum aan de voorwaarden van de leden 1 en 2 is voldaan.

Artikel 86

▼M46

1. Regionale cumulatie is van toepassing op de volgende vier afzonderlijke regionale groepen:

a)Groep I: Brunei, Cambodja, Filipijnen, Indonesië, Laos, Maleisië, Myanmar/Birma, Thailand, Vietnam;

b)Groep II: Bolivia, Colombia, Costa Rica, Ecuador, El Salvador, Guatemala, Honduras, Nicaragua, Panama, Peru en Venezuela;

c)Groep III: Bangladesh, Bhutan, India, Maldiven, Nepal, Pakistan en Sri Lanka;

d)Groep IV: Argentinië, Brazilië, Paraguay en Uruguay.

2. Regionale cumulatie tussen landen van dezelfde groep kan uitsluitend worden toegepast indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)de bij de cumulatie betrokken landen zijn, op het moment van de uitvoer van het product naar de Unie:

i)begunstigde landen, zolang het systeem van geregistreerde exporteurs nog niet is ingevoerd in deze landen;

ii)begunstigde landen zoals opgenomen in de in artikel 70, lid 1, bedoelde lijst, wanneer het systeem van geregistreerde exporteurs in deze landen is ingevoerd;

b)de in deze afdeling opgenomen oorsprongsregels zijn van toepassing op de regionale cumulatie tussen de landen van een regionale groep;

c)de landen van de regionale groep hebben zich ertoe verbonden:

i)aan deze afdeling te voldoen of ervoor te zorgen dat daaraan wordt voldaan, en

ii)de nodige administratieve samenwerking te verlenen om de juiste toepassing van deze afdeling te waarborgen, zowel met de Unie als tussen hen onderling;

d)het secretariaat van de betrokken regionale groep of een ander bevoegd gemeenschappelijk orgaan dat alle leden van die groep vertegenwoordigt, heeft de Commissie de onder c) bedoelde verbintenissen toegezonden.

Voor de toepassing van punt b), geldt dat wanneer de determinerende behandeling volgens bijlage 13 bis, deel II, niet dezelfde is voor alle bij de cumulatie betrokken landen, de oorsprong van producten die van het ene naar het andere land van de regionale groep worden uitgevoerd met het oog op regionale cumulatie, wordt bepaald op basis van de regel die van toepassing zou zijn indien de producten naar de Unie waren uitgevoerd.

Indien landen in een regionale groep reeds vóór 1 januari 2011 aan de in de eerste alinea, onder c) en d), gestelde eisen hebben voldaan, is geen nieuwe verbintenis vereist.

▼M39

3. De in bijlage 13 bis vermelde materialen zijn uitgesloten van de in lid 2 bedoelde cumulatie wanneer:

a)de tariefpreferentie die in de Europese Unie van toepassing is niet dezelfde is voor alle bij de cumulatie betrokken landen; en

b)de materialen door cumulatie voor een gunstiger tariefpreferentie in aanmerking zouden komen dan bij rechtstreekse uitvoer naar de Europese Unie.

▼M46

4. Regionale cumulatie tussen begunstigde landen van dezelfde regionale groep is slechts toegestaan wanneer de be- of verwerking in het begunstigde land waar de materialen verder worden verwerkt of in een product opgenomen, verder gaat dan de in artikel 78, lid 1, vermelde behandelingen en, in geval van textielproducten, ook verder gaat dan de in bijlage 16 vermelde behandelingen.

▼C18

Wanneer niet wordt voldaan aan de in de eerste alinea vastgestelde voorwaarde, hebben de producten als land van oorsprong het land van de regionale groep waaruit de materialen van oorsprong zijn die het grootste deel uitmaken van de waarde van de gebruikte materialen die van oorsprong zijn uit landen van de regionale groep.

▼M39

Wanneer het land van oorsprong overeenkomstig de tweede alinea wordt bepaald, wordt dat land vermeld als land van oorsprong op het bewijs van oorsprong dat wordt opgesteld door degene die het product naar de Europese Unie uitvoert of dat, tot de invoering van het systeem van geregistreerde exporteurs, wordt afgegeven door de autoriteiten van het begunstigde land van uitvoer.

5. Op verzoek van de autoriteiten van een begunstigd land uit groep I of uit groep III kan regionale cumulatie tussen de landen van die groepen door de Commissie worden toegestaan, mits ten genoegen van de Commissie is aangetoond, dat aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

▼M46

a)aan de voorwaarden van lid 2, onder a) en b), is voldaan, en

▼M39

b)de bij een dergelijke regionale cumulatie betrokken landen hebben zich ertoe verbonden en hebben de Commissie gezamenlijk in kennis gesteld van de verbintenis

i)aan deze afdeling te voldoen of ervoor te zorgen dat daaraan wordt voldaan, en

ii)de nodige administratieve samenwerking te verlenen om de juiste toepassing van deze afdeling te waarborgen zowel met de Europese Unie als tussen hen onderling.

Het in de eerste alinea bedoelde verzoek bevat bewijsmateriaal dat aan de voorwaarden van die alinea is voldaan. Dit wordt de Commissie toegezonden. De Commissie neemt een besluit over het verzoek, rekening houdende met alle relevant geachte gegevens in verband met de cumulatie, waaronder de te cumuleren materialen.

6. Wanneer in een begunstigd land van groep I of III producten zijn vervaardigd met gebruik van materialen van oorsprong uit een land dat tot de andere groep behoort, wordt de oorsprong bij uitvoer naar de Europese Unie als volgt bepaald:

a)materialen van oorsprong uit een land van een regionale groep worden beschouwd als materialen van oorsprong uit een land van de andere regionale groep wanneer zij zijn opgenomen in een aldaar verkregen product, mits de be- of verwerking in laatstgenoemd begunstigd land meer inhoudt dan de in artikel 78, lid 1, vermelde behandelingen en, in geval van textielproducten, meer dan de in bijlage 16 vermelde behandelingen;

b)wanneer niet wordt voldaan aan de onder a) vastgestelde voorwaarde, hebben de producten de oorsprong van het aan de cumulatie deelnemende land waaruit de materialen van oorsprong zijn die het grootste deel uitmaken van de waarde van de gebruikte materialen van oorsprong uit aan de cumulatie deelnemende landen.

Wanneer het land van oorsprong overeenkomstig de eerste alinea, onder b), wordt bepaald, wordt dat land vermeld als land van oorsprong op het bewijs van oorsprong dat wordt opgesteld door degene die het product naar de Europese Unie uitvoert of dat, tot de invoering van het systeem van geregistreerde exporteurs, wordt afgegeven door de autoriteiten van het begunstigde land van uitvoer.

7. Op verzoek van de autoriteiten van een begunstigd land kan de Commissie uitgebreide cumulatie toestaan tussen een begunstigd land en een land waarmee de Europese Unie een vrijhandelsovereenkomst heeft gesloten overeenkomstig artikel XXIV van de algemene overeenkomst inzake tarieven en handel (GATT), mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

a)de bij de cumulatie betrokken landen hebben zich ertoe verbonden de bepalingen van deze afdeling toe te passen of ervoor te zorgen dat deze worden toegepast en te zorgen voor de nodige administratieve samenwerking met het oog op de juiste toepassing van deze afdeling, zowel met de Europese Unie als tussen hen onderling;

b)het begunstigde land heeft de Commissie de onder a) bedoelde verbintenis toegezonden.

Het in de eerste alinea bedoelde verzoek bevat een lijst van materialen waarop cumulatie van toepassing is alsmede bewijsmateriaal dat aan de in de eerste alinea, onder a) en b), vastgestelde voorwaarden is voldaan. Dit wordt de Commissie toegezonden. Indien de lijst van betrokken materialen wordt gewijzigd, wordt een ander verzoek ingediend.

Materialen die onder de hoofdstukken 1 tot en met 24 van het geharmoniseerd systeem zijn ingedeeld zijn van de uitgebreide cumulatie uitgesloten.

8. Bij toepassing van de in lid 7 bedoelde uitgebreide cumulatie wordt de oorsprong van de gebruikte materialen en het documentaire bewijs van de oorsprong bepaald overeenkomstig de regels die in de betrokken vrijhandelsovereenkomst zijn opgenomen. De oorsprong van de naar de Europese Unie uit te voeren producten wordt bepaald overeenkomstig de in deze afdeling opgenomen oorsprongsregels.

Materialen van oorsprong uit een land waarmee de Europese Unie een vrijhandelsovereenkomst heeft en die in een begunstigd land worden gebruikt bij de vervaardiging van naar de Europese Unie uit te voeren producten behoeven geen toereikende be- of verwerking te hebben ondergaan, mits de be- of verwerking in dat begunstigde land meer inhoudt dan de in artikel 78, lid 1, vermelde behandelingen.

9. De Commissie zal in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie het volgende bekendmaken:

a)de datum waarop de cumulatie tussen landen van groep I en van groep III, als bedoeld in lid 5, van kracht wordt, de bij die cumulatie betrokken landen en, in voorkomend geval, de lijst van materialen in verband waarmee die cumulatie van toepassing is;

b)de datum waarop de uitgebreide cumulatie van kracht wordt, de bij die cumulatie betrokken landen en de lijst van materialen in verband waarmee die cumulatie van toepassing is.

Artikel 87

Wanneer bilaterale cumulatie of cumulatie met Noorwegen, Turkije of Zwitserland wordt gebruikt in combinatie met regionale cumulatie, verkrijgt het product de oorsprong van een van de landen van de betrokken regionale groep, bepaald overeenkomstig artikel 86, lid 4, eerste en tweede alinea.

Artikel 88

1. De onderafdelingen 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op:

a)de uitvoer uit de Europese Unie naar een begunstigd land met het oog op de toepassing van bilaterale cumulatie;

▼M46

b)de uitvoer uit een begunstigd land naar een ander begunstigd land met het oog op de toepassing van regionale cumulatie als bedoeld in artikel 86, leden 1 en 5, onverminderd artikel 86, lid 2, onder b), tweede alinea.

▼M39

2. Indien zowel van oorsprong als niet van oorsprong zijnde vervangbare materialen worden gebruikt bij de vervaardiging van een product, kunnen de douaneautoriteiten van de lidstaten, op schriftelijk verzoek van een marktdeelnemer, toestaan dat die materialen in de Europese Unie met behulp van een gescheiden boekhouding worden beheerd met het oog op de latere uitvoer naar een begunstigd land in het kader van de bilaterale cumulatie, zonder dat die materialen apart worden opgeslagen.

3. De douaneautoriteiten van de lidstaten kunnen het verlenen van de in lid 2 bedoelde vergunning afhankelijk stellen van de door hen passend geachte voorwaarden.

Vergunning wordt slechts verleend indien door het gebruik van de in lid 2 bedoelde methode steeds kan worden vastgesteld dat de hoeveelheid verkregen producten die als van oorsprong uit de Europese Unie kan worden beschouwd dezelfde is als de hoeveelheid die zou zijn verkregen bij een fysieke scheiding van de voorraden.

Indien vergunning wordt verleend, wordt de methode van de gescheiden boekhouding toegepast overeenkomstig de algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen die in de Europese Unie van toepassing zijn.

4. De gebruiker van de in lid 2 bedoelde boekhoudmethode stelt de oorsprongsbewijzen op voor de hoeveelheid producten die als van oorsprong uit de Europese Unie kan worden beschouwd of vraagt om de afgifte van deze oorsprongsbewijzen zolang het systeem van de geregistreerde exporteurs nog niet van toepassing is. De gebruiker geeft op verzoek van de douaneautoriteiten van een lidstaat een verklaring af over de wijze waarop de hoeveelheden zijn beheerd.

5. De douaneautoriteiten van de lidstaten houden toezicht op het gebruik dat van de in lid 2 bedoelde vergunning wordt gemaakt.

Zij kunnen de vergunning in de volgende gevallen intrekken:

a)de gebruiker maakt op de een of ander manier een niet passend gebruik van de vergunning, of

b)de gebruiker voldoet niet aan een van de voorwaarden die in deze afdeling of afdeling 1 bis zijn opgenomen.



Onderafdeling 4

Afwijkingen

Artikel 89

1. De Commissie kan op eigen initiatief of op verzoek van een begunstigd land dit land tijdelijk een afwijking van de bepalingen van deze afdeling toestaan wanneer:

a)het voor het betrokken land door interne of externe factoren tijdelijk onmogelijk is de in artikel 72 opgenomen oorsprongsregels in acht te nemen, terwijl het dit voordien wel kon, of

b)het land tijd nodig heeft om zich voor te bereiden op de inachtneming van de in artikel 72 opgenomen oorsprongsregels.

2. De tijdelijke afwijking geldt zolang de gevolgen van de interne of externe factoren die tot de afwijking hebben geleid, voortduren of gedurende de tijd die het begunstigde land nodig heeft om ervoor te zorgen dat de regels in acht worden genomen.

3. Een afwijking moet schriftelijk bij de Commissie worden aangevraagd. In het verzoek moet worden aangegeven waarom de in lid 1 bedoelde afwijking noodzakelijk is; de nodige bewijsstukken moeten worden bijgevoegd.

4. Wanneer een afwijking wordt toegestaan moet eventueel aan voorwaarden worden voldaan in verband met aan de Commissie te verstrekken informatie over het gebruik van de afwijking en het beheer van de hoeveelheden waarvoor de afwijking was toegestaan.



Onderafdeling 5

Procedures bij uitvoer uit het begunstigde land

Artikel 90

Het stelsel is van toepassing op:

a)goederen die voldoen aan de voorwaarden van deze afdeling en zijn uitgevoerd door een geregistreerde exporteur in de zin van artikel 92;

b)zendingen bestaande uit een of meer colli die producten van oorsprong bevatten die zijn uitgevoerd door een willekeurige exporteur, wanneer de totale waarde van de producten van oorsprong niet hoger is dan 6 000 euro.

Artikel 91

1. De bevoegde autoriteiten van het begunstigde land houden een elektronisch register bij van geregistreerde exporteurs in hun land en werken dit steeds bij. Het register wordt onmiddellijk bijgewerkt wanneer een exporteur van het register wordt geschrapt overeenkomstig artikel 93, lid 2.

2. Het register bevat de volgende informatie:

a)naam en volledig adres van de geregistreerde exporteur, met inbegrip van de code van het land of gebied (de uit twee letters bestaande ISO alpha 2 landcode);

b)het nummer van de geregistreerde exporteur;

c)de onder het stelsel uit te voeren producten (indicatieve lijst van hoofdstukken of posten van het geharmoniseerd systeem, naar keuze van de aanvrager);

d)vanaf welke datum en tot welke datum de exporteur is/was geregistreerd;

e)de redenen van schrapping (op verzoek van de exporteur / door de bevoegde autoriteiten). Deze gegevens staan slechts ter beschikking van de bevoegde autoriteiten.

3. De bevoegde autoriteiten van de begunstigde landen stellen de Commissie in kennis van het systeem dat zij in hun land gebruiken voor het toekennen van een nummer aan geregistreerde exporteurs. Het nummer begint met de uit twee letters bestaande ISO alpha 2 landcode.

Artikel 92

Om te worden geregistreerd moeten exporteurs een aanvraag tot registratie indienen bij de in artikel 69, lid 1, onder a), bedoelde bevoegde autoriteiten van het begunstigde land met behulp van een formulier waarvan het model in bijlage 13 quater is opgenomen. Door het indienen van het formulier geven exporteurs toestemming tot de opslag van de verstrekte gegevens in de gegevensbank van de Commissie en tot bekendmaking van de niet-vertrouwelijke gegevens op internet.

De bevoegde autoriteiten aanvaarden de aanvraag slechts indien deze volledig is ingevuld.

Artikel 93

1. De geregistreerde exporteurs die niet meer voldoen aan de voorwaarden om goederen in het kader van het stelsel uit te voeren, of die niet langer voornemens zijn goederen in het kader van het stelsel uit te voeren, delen dit mede aan de bevoegde autoriteiten in het begunstigde land die hen onmiddellijk schrappen van het register van geregistreerde exporteurs dat in dat begunstigde land wordt bijgehouden.

2. Onverminderd straffen en boetes die in het begunstigde land van toepassing zijn, schrappen de bevoegde autoriteiten van het begunstigde land de exporteur van het register van geregistreerde exporteurs dat in dat land wordt bijgehouden, indien de exporteur met opzet of uit nalatigheid attesten van oorsprong of bewijsstukken heeft opgesteld of doen opstellen die onjuiste informatie bevatten waardoor de preferentiële tariefbehandeling ten onrechte werd toegekend.

3. Onverminderd de gevolgen van onregelmatigheden die bij controles kunnen worden aangetroffen, heeft de schrapping van het register van geregistreerde exporteurs slechts gevolgen voor de toekomst, dat wil zeggen ten aanzien van attesten die na de datum van schrapping opgestelde attesten.

4. Exporteurs die overeenkomstig lid 2 door de bevoegde autoriteiten van het register van geregistreerde exporteurs zijn geschrapt, kunnen slechts weer in het register van geregistreerde exporteurs worden opgenomen wanneer zij ten genoegen van de bevoegde autoriteiten in het begunstigde land hebben aangetoond dat de toestand die tot hun schrapping heeft geleid niet meer bestaat.

Artikel 94

1. Al dan niet geregistreerde exporteurs voldoen aan de volgende verplichtingen:

a)zij voeren een passende boekhouding van de vervaardiging en levering van goederen die voor de preferentiële behandeling in aanmerking komen;

b)zij bewaren alle bewijsstukken in verband met de materialen die zij bij de vervaardiging gebruiken;

c)zij bewaren alle douanedocumenten in verband met de materialen die zij bij de vervaardiging gebruiken;

d)zij bewaren ten minste drie jaar vanaf het einde van het jaar waarin het attest van oorsprong werd opgesteld, of langer indien het nationale recht dit vereist, alle documenten in verband met:

i)de attesten van oorsprong die zij hebben opgesteld, en

ii)de rekeningen in verband met de van oorsprong zijnde en niet van oorsprong zijnde materialen, vervaardiging en voorraden.

De in lid 1, onder d) bedoelde documenten kunnen elektronische documenten zijn, zolang het aan de hand daarvan mogelijk is de materialen die bij de vervaardiging van de uitgevoerde producten zijn gebruikt te traceren en hun oorsprong te bevestigen.

2. De in lid 1 vastgestelde verplichtingen zijn ook van toepassing op de door leveranciers aan exporteurs afgegeven leveranciersverklaringen betreffende de oorsprong van de goederen die zij hebben geleverd.

Artikel 95

1. Een attest van oorsprong wordt door de exporteur opgesteld wanneer de producten waarop deze betrekking heeft worden uitgevoerd, indien die producten als van oorsprong uit het betrokken begunstigde land kunnen worden beschouwd of van oorsprong uit een ander begunstigd land overeenkomstig artikel 86, lid 4, tweede alinea, of artikel 86, lid 6, eerste alinea, onder b).

2. In afwijking van lid 1 kan een attest van oorsprong bij uitzondering ook na uitvoer worden opgesteld („attest achteraf”), mits het in de lidstaat van aangifte voor het vrije verkeer niet langer dan twee jaar na de uitvoer wordt aangeboden.

3. Het attest van oorsprong wordt door de exporteur afgegeven aan zijn afnemer in de Europese Unie en bevat de in bijlage 13 quinquies vermelde gegevens. Een attest van oorsprong wordt in het Engels of in het Frans opgesteld.

Het kan op elk handelsdocument worden opgesteld waaruit de identiteit van de exporteur blijkt en waaruit blijkt om welke goederen het gaat.

4. Wanneer cumulatie op grond van artikel 84 of artikel 86, leden 1, 5 of 6 van toepassing is, gaat de exporteur van een product, bij de vervaardiging waarvan materialen zijn gebruikt van oorsprong uit een partij waarmee cumulatie is toegestaan, uit van het door zijn leverancier opgestelde attest van oorsprong. In dit geval bevat het door de exporteur opgestelde attest van oorsprong de vermelding „EU cumulation” of „regional cumulation” dan wel „cumul UE” of „cumul régional”.

5. Wanneer cumulatie op grond van artikel 85 van toepassing is, gaat de exporteur van een product, bij de vervaardiging waarvan materialen zijn gebruikt van oorsprong uit een partij waarmee cumulatie is toegestaan, uit van het door zijn leverancier opgestelde oorsprongsbewijs dat is afgegeven overeenkomstig de oorsprongsregels van de ASP van Noorwegen, Turkije of Zwitserland, al naar gelang van het geval. In dit geval bevat het door de exporteur opgestelde attest van oorsprong de vermelding „Norway cumulation” of „Switzerland cumulation” of „Turkey cumulation” dan wel „cumul Norvège” of „cumul Suisse” of „cumul Turquie”.

6. Wanneer de uitgebreide cumulatie op grond van artikel 86, leden 7 en 8, van toepassing is, gaat de exporteur van een product, bij de vervaardiging waarvan materialen zijn gebruikt van oorsprong uit een partij waarmee uitgebreide cumulatie is toegestaan, uit van het bewijs van de oorsprong van zijn leverancier dat is afgegeven overeenkomstig de bepalingen van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de betrokken partij.

In dit geval bevat het door de exporteur opgestelde attest van oorsprong de vermelding „extended cumulation with country x” of „cumul étendu avec le pays x”.

Artikel 96

1. Voor elke zending wordt een attest van oorsprong opgesteld.

2. Een attest van oorsprong is twaalf maanden geldig vanaf de datum van opstelling door de exporteur.

3. Een enkel attest van oorsprong kan betrekking hebben op verschillende zendingen indien de goederen aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)zij zijn gedemonteerd of niet-gemonteerd in de zin van algemene regel 2 a) van het geharmoniseerd systeem;

b)zij zijn ingedeeld onder afdeling XVI of XVII of post 7308 of 9406 van het geharmoniseerd systeem; en

c)zij zijn bedoeld om in deelzendingen te worden ingevoerd.



Onderafdeling 6

Procedures bij het in het vrije verkeer brengen in de Europese Unie

Artikel 97

1. De douaneaangifte voor het vrije verkeer verwijst naar het attest van oorsprong. Het attest van oorsprong wordt ter beschikking gehouden van de douaneautoriteiten die overlegging kunnen eisen ter controle van de aangifte. Die autoriteiten kunnen ook een vertaling verlangen in de officiële taal of een van de officiële talen van de betrokken lidstaat.

2. Wanneer de aangever om toepassing van het stelsel verzoekt, zonder dat hij ten tijde van de aanvaarding van de douaneaangifte voor het vrije verkeer in het bezit is van een attest van oorsprong, wordt deze aangifte als onvolledig beschouwd in de zin van artikel 253, lid 1, en dienovereenkomstig behandeld.

3. Voordat goederen voor het vrije verkeer worden aangegeven, ziet de aangever erop toe, dat zij in overeenstemming zijn met de voorschriften in deze afdeling, met name door:

i)in de in artikel 69, lid 3, bedoelde gegevensbank te controleren, dat de exporteur een geregistreerde exporteur is, die attesten van oorsprong mag opstellen, behalve wanneer de totale waarde van de producten van oorsprong in de zending niet meer dan 6 000 euro bedraagt, en

ii)te controleren dat het attest van oorsprong overeenkomstig bijlage 13 quinquies is opgesteld.

Artikel 97 bis

1. Voor de volgende producten behoeft geen attest van oorsprong te worden opgesteld en overgelegd:

a)producten die door particulieren in kleine zendingen aan particulieren worden gezonden en waarvan de totale waarde niet meer dan 500 euro bedraagt;

b)producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers en waarvan de totale waarde niet meer dan 1 200 euro bedraagt.

2. De in lid 1 bedoelde producten voldoen aan de volgende voorwaarden:

a)het gaat om invoer waaraan elk handelskarakter vreemd is;

b)verklaard wordt dat zij aan de voorwaarden voldoen om voor het stelsel in aanmerking te komen;

c)er is geen twijfel aan de juistheid van de onder b) bedoelde verklaring.

3. Voor de toepassing van lid 2, onder a), wordt onder invoer waaraan elk handelskarakter vreemd is, verstaan:

a)incidentele invoer;

b)de invoer bestaat uitsluitend uit producten voor het persoonlijke gebruik van de ontvangers, de reizigers of de leden van hun gezin;

c)uit de aard en de hoeveelheid van de producten blijkt dat deze geen commerciële doeleinden beogen.

Artikel 97 ter

1. Geringe verschillen tussen de gegevens in het attest van oorsprong en de gegevens in de documenten die aan de douaneautoriteiten worden ingediend voor het afwikkelen van de formaliteiten bij invoer, maken het attest van oorsprong niet automatisch ongeldig, indien wordt vastgesteld indien blijkt dat het document met de betrokken goederen overeenstemt.

2. Kennelijke vormfouten, zoals typefouten in een attest van oorsprong, leiden er niet toe, dat dit document wordt geweigerd indien deze fouten niet van dien aard zijn dat zij twijfel doen rijzen over de juistheid van de gegevens in dat document.

3. Attesten van oorsprong die aan de douaneautoriteiten van het land van invoer worden overgelegd na afloop van de in artikel 96 genoemde geldigheidsperiode, kunnen met het oog op de toepassing van de tariefpreferenties worden aanvaard, wanneer de verlate overlegging aan buitengewone omstandigheden is te wijten. In andere gevallen van verlate overlegging kunnen de douaneautoriteiten van het land van invoer de attesten van oorsprong aanvaarden wanneer de producten voor het aflopen van de termijn bij de douane zijn aangebracht.

Artikel 97 quater

1. De in artikel 96, lid 3, bedoelde procedure is van toepassing gedurende een door de douaneautoriteiten van de lidstaten vastgestelde periode.

2. De douaneautoriteiten van de lidstaat van invoer die toezicht houdt op achtereenvolgende vrijgaven voor het vrije verkeer controleert dat de achtereenvolgende zendingen deel uitmaken van de gedemonteerde of niet-gemonteerde producten waarvoor het attest van oorsprong is opgesteld.

Artikel 97 quinquies

1. Wanneer producten nog niet voor het vrije verkeer zijn vrijgegeven, kan een attest van oorsprong worden vervangen door een of meer door de houder van de goederen op te stellen vervangende attesten van oorsprong om alle of een deel van de producten naar een andere plaats binnen het douanegebied van de Europese Unie te zenden of, indien van toepassing, naar Noorwegen, Turkije of Zwitserland. Om vervangende attesten van oorsprong te mogen opstellen, hoeven de houders van de goederen zelf geen geregistreerde exporteur te zijn.

2. Wanneer een attest van oorsprong wordt vervangen, wordt op het oorspronkelijke attest van oorsprong het volgende vermeld:

a)de gegevens van het vervangende attest of attesten van oorsprong;

b)de naam en het adres van de afzender;

c)de geadresseerde of geadresseerden in de Europese Unie.

Het oorspronkelijke attest van oorsprong wordt van de vermelding „replaced” of „remplacée” voorzien.

3. Op het vervangende attest van oorsprong wordt het volgende vermeld:

a)alle gegevens van de wederverzonden producten;

b)de datum waarop het oorspronkelijke attest van oorsprong was opgesteld;

c)alle vermeldingen die volgens bijlage 13 quinquies nodig zijn;

d)de naam en het adres van de afzender van de producten in de Europese Unie;

e)de naam en het adres van de geadresseerde in de Europese Unie, Noorwegen, Turkije of Zwitserland;

f)plaats en datum van de vervanging.

De persoon die het vervangende attest van oorsprong opstelt kan een kopie van het oorspronkelijke attest van oorsprong aan het vervangende attest van oorsprong hechten.

4. De leden 1, 2 en 3 zijn van overeenkomstige toepassing op verklaringen ter vervanging van attesten van oorsprong die zelf vervangende attesten van oorsprong zijn. De leden 1, 2 en 3 zijn van overeenkomstige toepassing op vervangende attesten die door verzenders van de producten in Noorwegen, Turkije en Zwitserland zijn opgesteld.

5. Voor producten die op grond van de in artikel 89 bedoelde afwijking voor tariefpreferenties in aanmerking komen, is de in onderhavig artikel bedoelde vervanging slechts van toepassing op de voor de Europese Unie bestemde producten. Wanneer het betrokken product de oorsprong door regionale cumulatie heeft verkregen, kan een vervangend attest van oorsprong slechts worden opgesteld voor producten die naar Noorwegen, Turkije en Zwitserland worden verzonden wanneer deze landen dezelfde regionale cumulatie toepassen als de Europese Unie.

6. De leden 1, 2 en 3 zijn van overeenkomstige toepassing op attesten ter vervanging van attesten van oorsprong na de splitsing van een zending overeenkomstig artikel 74.

Artikel 97 sexies

1. Wanneer de douaneautoriteiten twijfelen aan de oorsprong van de producten, kunnen zij de aangever verzoeken hun binnen een door hen te bepalen redelijke termijn bewijsstukken over te leggen, zodat zij de juistheid van de vermelding van de oorsprong in de aangifte kunnen controleren of dat aan de voorwaarden van artikel 74 is voldaan.

2. De douaneautoriteiten kunnen de toepassing van de preferentiële tariefmaatregel voor de duur van de in artikel 97 nonies bedoelde controle schorsen, wanneer:

a)de door de aangever verstrekte informatie niet voldoende is om de oorsprong van de producten of de naleving van de voorwaarden van artikel 73 of artikel 74 te bevestigen;

b)de aangever niet antwoordt binnen de termijn voor het verstrekken van de in lid 1 bedoelde informatie.

3. In afwachting van de informatie die van de aangever is gevraagd, als bedoeld in lid 1, of in afwachting van de resultaten van de controle, als bedoeld in lid 2 wordt de importeur de vrijgave van de producten aangeboden met inachtneming van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.

Artikel 97 septies

1. De douaneautoriteiten van de lidstaat van invoer weigeren de toepassing van het stelsel zonder verplicht te zijn aanvullende bewijsstukken op te vragen of een verzoek om controle naar het begunstigde land te zenden, wanneer:

a)de aangebrachte goederen niet dezelfde zijn als die waarop het attest van oorsprong betrekking heeft;

b)de aangever geen attest van oorsprong voor de betrokken producten overlegt, indien dit vereist is;

c)onverminderd artikel 90, onder b), en artikel 97 quinquies, lid 1, het attest van oorsprong dat in het bezit van de aangever is, niet is opgesteld door een exporteur die in een begunstigd land is geregistreerd;

d)het attest van oorsprong niet overeenkomstig bijlage 13 quinquies is opgesteld;

e)niet aan de voorwaarden van artikel 74 is voldaan.

2. De douaneautoriteiten van de lidstaat van invoer weigeren de toepassing van het stelsel, na het verzenden van een verzoek om controle in de zin van artikel 97 nonies aan de bevoegde autoriteiten van een begunstigd land, wanneer zij:

a)het antwoord hebben ontvangen dat de exporteur niet bevoegd was het attest van oorsprong op te stellen;

b)het antwoord hebben ontvangen, dat de betrokken producten niet van oorsprong zijn uit een begunstigd land of dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 73;

c)redenen hebben te twijfelen aan de geldigheid van het door de aangever opgestelde attest van oorsprong of de juistheid van de door de aangever verstrekte informatie over de oorsprong van de producten, wanneer zij om controle hebben verzocht, en

i)binnen de in artikel 97 nonies bedoelde termijn geen antwoord hebben ontvangen of

ii)zij een antwoord hebben ontvangen dat de in het verzoek gestelde vragen niet afdoende beantwoordt.



Onderafdeling 7

Controle van de oorsprong

Artikel 97 octies

1. Om erop toe te zien dat aan de oorsprongsregels is voldaan, verrichten de bevoegde autoriteiten van het begunstigde land:

a)controles van de oorsprong van de producten op verzoek van de douaneautoriteiten van de lidstaten;

b)regelmatige controles bij exporteurs op hun eigen initiatief.

Voor zover Noorwegen, Turkije en Zwitserland een overeenkomst met de Europese Unie hebben gesloten dat zij elkaar bijstand verlenen in het kader van administratieve samenwerking, is de eerste alinea van overeenkomstige toepassing op verzoeken aan de autoriteiten van Noorwegen, Turkije en Zwitserland om controle van op hun grondgebied opgestelde vervangende attesten van oorsprong waarbij deze autoriteiten wordt verzocht contact op te nemen met de bevoegde autoriteiten in het begunstigde land.

Uitgebreide cumulatie op grond van artikel 86, leden 7 en 8, is uitsluitend toegestaan indien een land waarmee de Europese Unie een vrijhandelsovereenkomst heeft gesloten het begunstigde land op dezelfde wijze bijstand in het kader van administratieve samenwerking verleent als het de lidstaten zou verlenen op grond van de desbetreffende bepalingen van die vrijhandelsovereenkomst.

2. De in lid 1, onder b), bedoelde controles worden verricht om erop toe te zien dat de exporteurs aan hun verplichtingen blijven voldoen. Zij worden met tussenpozen verricht die bepaald worden aan de hand van risicoanalysecriteria. Te dien einde eisen de bevoegde autoriteiten van de begunstigde landen dat exporteurs hun kopieën of een lijst doen toekomen van de attesten van oorsprong die zij hebben opgesteld.

3. De bevoegde autoriteiten van de begunstigde landen hebben het recht alle bewijsstukken op te vragen en alle administratieve controles te verrichten bij de exporteurs en, zo nodig, bij hun toeleveranciers, ook ter plaatse, en andere controles te verrichten die zij dienstig achten.

Artikel 97 nonies

1. Attesten van oorsprong worden achteraf steekproefsgewijs gecontroleerd, en tevens wanneer de douaneautoriteiten van de lidstaten redenen hebben te twijfelen aan de echtheid van deze documenten, de oorsprong van de betrokken producten of de naleving van de andere voorwaarden van deze afdeling.

Wanneer de douaneautoriteiten van een lidstaat om de medewerking verzoeken van de bevoegde autoriteiten van een begunstigd land om de geldigheid van attesten van oorsprong of de oorsprong van producten, of beide, te controleren, vermelden zij in hun verzoek, indien van toepassing, de reden waarom zij twijfelen aan de geldigheid van het attest van oorsprong of aan de oorsprong van de producten.

Een kopie van het attest van oorsprong en eventuele aanvullende gegevens of documenten die erop wijzen dat de gegevens in het attest onjuist zijn kunnen ter ondersteuning van het verzoek om controle worden toegezonden.

De verzoekende lidstaat stelt een termijn van zes maanden vast voor de mededeling van de resultaten van de controle, ingaande op de datum van het verzoek om controle; in het geval van verzoeken aan Noorwegen, Turkije en Zwitserland om een controle van een vervangend attest van oorsprong die op hun grondgebied is opgesteld aan de hand van een attest van oorsprong die in een begunstigd land is opgesteld, bedraagt de termijn echter acht maanden.

2. Wanneer bij gegronde twijfel binnen de in lid 1 bedoelde termijn, geen antwoord is ontvangen of wanneer het antwoord niet voldoende gegevens bevat om de oorsprong van de producten vast te stellen, wordt aan de bevoegde autoriteiten een tweede schrijven gezonden. De bij dit schrijven medegedeelde verlenging van de termijn kan echter niet meer dan zes maanden bedragen.



Onderafdeling 8

Andere bepalingen

Artikel 97 decies

1. De onderafdelingen 5, 6 en 7 zijn van overeenkomstige toepassing op:

a)de uitvoer uit de Europese Unie naar een begunstigd land met het oog op de toepassing van bilaterale cumulatie;

b)de uitvoer uit een begunstigd land naar een ander begunstigd land met het oog op de toepassing van regionale cumulatie als bedoeld in artikel 86, leden 1 en 5.

2. Een exporteur in de Europese Unie wordt door de douaneautoriteiten van een lidstaat op zijn verzoek in het kader van het stelsel als een geregistreerde exporteur aangemerkt indien hij aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)hij heeft een EORI-nummer overeenkomstig de artikelen 4 duodecies tot en met 4 unvicies;

b)hij heeft de status van „toegelaten exporteur” in het kader van een andere preferentiële regeling;

c)hij verstrekt de douaneautoriteiten van de lidstaat de volgende gegevens met behulp van een formulier waarvan het model in bijlage 13 quater is opgenomen:

i)de gegevens die worden gevraagd in de vakken 1 en 4,

ii)de verbintenis die is opgenomen in vak 5.

Artikel 97 undecies

1. De onderafdelingen 1, 2 en 3 zijn van overeenkomstige toepassing om te bepalen of producten bij uitvoer naar Ceuta en Melilla als van oorsprong uit een begunstigd land kunnen worden beschouwd of, bij uitvoer naar een begunstigd land, als van oorsprong uit Ceuta en Melilla kunnen worden beschouwd met het oog op de toepassing van bilaterale cumulatie.

2. De onderafdelingen 5, 6 en 7 zijn van overeenkomstige toepassing op producten die vanuit een begunstigd land naar Ceuta en Melilla worden uitgevoerd en op producten die vanuit Ceuta en Melilla naar een begunstigd land worden uitgevoerd met het oog op de toepassing van bilaterale cumulatie.

3. De Spaanse douaneautoriteiten zijn belast met de toepassing van de onderafdelingen 1, 2, 3, 5, 6 en 7 in Ceuta en Melilla.

4. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 worden Ceuta en Melilla als één grondgebied beschouwd.

▼M39



Afdeling 1 bis

Procedures en methoden van administratieve samenwerking die gelden tot de toepassing van het systeem van geregistreerde exporteurs



Onderafdeling 1

Algemene beginselen

Artikel 97 duodecies

1. Elk begunstigd land past het volgende toe of zorgt ervoor dat dit wordt toegepast:

a)de in afdeling 1 opgenomen oorsprongsregels voor de uit te voeren producten;

b)de voorschriften voor het invullen en de afgifte van certificaten van oorsprong, formulier A, waarvan een model in bijlage 17 is opgenomen;

c)de bepalingen voor het gebruik van factuurverklaringen, waarvan een model in bijlage 18 is opgenomen;

d)de in artikel 97 vicies opgenomen bepalingen inzake de methoden van administratieve samenwerking;

e)de in artikel 89 opgenomen bepalingen betreffende afwijkingen.

2. De bevoegde autoriteiten van de begunstigde landen werken met name op de volgende gebieden samen met de Commissie en de lidstaten:

a)het verlenen van alle nodige steun, op verzoek van de Commissie, bij het toezicht van de Commissie op het beheer van het stelsel in het betrokken land, met inbegrip van controles ter plaatse door de Commissie of de douaneautoriteiten van de lidstaten;

b)onverminderd de artikelen 97 vicies en 97 unvicies, het controleren van de oorsprong van producten en het voldoen aan de andere voorwaarden van deze afdeling, met inbegrip van controles ter plaatse indien de Commissie of de douaneautoriteiten van de lidstaten hierom, in het kader van onderzoeken naar de oorsprong, verzoeken.

3. Wanneer in een begunstigd land een bevoegde autoriteit voor de afgifte van certificaten van oorsprong, formulier A, is aangewezen, documentaire bewijzen van de oorsprong worden gecontroleerd, en certificaten van oorsprong, formulier A, worden afgegeven voor de uitvoer naar de Europese Unie, wordt dat land geacht de in lid 1 vastgestelde voorwaarden te hebben aanvaard.

▼M46

4. Wanneer een land of gebied wordt toegelaten of opnieuw wordt toegelaten als begunstigde van het stelsel van algemene preferenties voor de in Verordening (EU) nr. 978/2012 bedoelde producten, komen de goederen van oorsprong uit dat land of gebied voor de voordelen van dit stelsel in aanmerking wanneer zij op of na de in artikel 97 vicies bedoelde datum uit dat land of gebied zijn uitgevoerd.

▼M39

5. Een bewijs van oorsprong is tien maanden geldig vanaf de datum van afgifte in het land van uitvoer. Het moet binnen deze termijn bij de douaneautoriteiten van het land van invoer worden ingediend.

▼M46

6. Voor de toepassing van onderafdeling 2 en 3 van deze afdeling geldt dat, indien een land of gebied is geschrapt van de in artikel 97 vicies, lid 2, bedoelde lijst van begunstigde landen, de in artikel 97 duodecies, lid 2, artikel 97 terdecies, lid 5, artikel 97 unvicies, leden 3, 4, 6 en 7, en artikel 97 duovicies, lid 1, neergelegde verplichtingen voor dat land of gebied van toepassing blijven voor een periode van drie jaar vanaf de datum waarop het van die lijst is geschrapt.

7. De in lid 6 vermelde verplichtingen zijn op Singapore van toepassing voor een periode van drie jaar met ingang van 1 januari 2014.

▼M39



Onderafdeling 2

Procedures bij uitvoer uit het begunstigde land

Artikel 97 terdecies

1. Certificaten van oorsprong, formulier A, waarvan het model in bijlage 17 is opgenomen, worden afgegeven op schriftelijk verzoek van de exporteur of diens vertegenwoordiger, tezamen met alle andere documenten waaruit blijkt dat de uit te voeren goederen voor de afgifte van een certificaat van oorsprong, formulier A, in aanmerking komen.

2. Het certificaat staat de exporteur ter beschikking, zodra de goederen daadwerkelijk worden uitgevoerd of het zeker is dat zij zullen worden uitgevoerd. Een certificaat van oorsprong, formulier A, kan bij wijze van uitzondering na de uitvoer van de goederen waarop het betrekking heeft, worden afgegeven indien:

a)dit door een vergissing, onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden niet bij de uitvoer is gebeurd, of

b)ten genoegen van de bevoegde overheidsinstanties wordt aangetoond dat het certificaat van oorsprong, formulier A, is afgegeven, maar bij invoer om technische redenen niet is aanvaard.

3. De bevoegde overheidsinstanties kunnen slechts tot afgifte achteraf van een certificaat overgaan na te hebben vastgesteld dat de gegevens in de aanvraag van de exporteur met die in het desbetreffende uitvoerdossier overeenstemmen en dat bij de uitvoer van de betrokken goederen geen certificaat van oorsprong, formulier A, dat aan de bepalingen van deze afdeling voldoet, is afgegeven. Vak 4 van een achteraf afgegeven certificaat van oorsprong, formulier A, bevat de vermelding „Issued retrospectively” of „Délivré à posteriori”.

4. In geval van diefstal, verlies of vernietiging van een certificaat van oorsprong, formulier A, kan de exporteur de bevoegde overheidsinstanties die dit certificaat hebben afgegeven, verzoeken aan de hand van de uitvoerdocumenten die in hun bezit zijn een duplicaat op te maken. Vak 4 van het aldus afgegeven duplicaat wordt van de vermelding „Duplicate” of „Duplicata” voorzien en van de datum van afgifte en het volgnummer van het oorspronkelijke certificaat. Het duplicaat is geldig vanaf de datum van het oorspronkelijke certificaat.

5. Om te controleren of de goederen waarvoor om een certificaat van oorsprong, formulier A, wordt verzocht aan de oorsprongsregels voldoen, hebben de bevoegde overheidsinstanties het recht alle bewijsstukken op te vragen en alle controles te verrichten die zij nodig achten.

6. Het is niet verplicht vak 2 van het certificaat van oorsprong, formulier A, in te vullen. Vak 12 is voorzien van de vermelding „Europese Unie” of de naam van een van de lidstaten. De datum van afgifte van het certificaat van oorsprong, formulier A, wordt in vak 11 vermeld. Dat vak, dat bestemd is voor de overheidsinstantie die bevoegd is het certificaat af te geven, moet met de hand worden ondertekend, evenals vak 12 waarin de handtekening van de gemachtigde ondertekenaar van de exporteur moet worden geplaatst.

Artikel 97 quaterdecies

▼M46

1. Een factuurverklaring kan door iedere in een begunstigd land werkzame exporteur worden opgesteld voor elke zending bestaande uit een of meer colli die producten van oorsprong bevatten waarvan de totale waarde niet meer dan 6 000 EUR bedraagt, mits de in artikel 97 duodecies, lid 2, bedoelde administratieve samenwerking op deze procedure van toepassing is.

▼M39

2. De exporteur die de factuurverklaring opstelt, moet op verzoek van de douaneautoriteiten of andere bevoegde overheidsinstantie van het land van uitvoer, steeds de nodige documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn.

3. De factuurverklaring, waarvan de tekst in bijlage 18 is opgenomen, wordt, in het Frans of in het Engels, door de exporteur op de factuur, de pakbon of een ander handelsdocument getypt, gestempeld of gedrukt. Wanneer de verklaring met de hand wordt geschreven, moet dit met inkt en in blokletters geschieden. De factuurverklaring wordt door de exporteur eigenhandig ondertekend.

4. De factuurverklaring kan slechts op de volgende voorwaarden worden gebruikt:

a)voor elke zending wordt een factuurverklaring opgesteld;

b)indien in het land van uitvoer reeds is gecontroleerd of de goederen die deel uitmaken van de zending, aan de voorwaarden voldoen om als product van oorsprong te worden beschouwd, mag de exporteur in de factuurverklaring van deze controle melding maken.

5. Wanneer cumulatie op grond van de artikelen 84, 85 of 86 van toepassing is, gaan de bevoegde overheidsinstanties van het begunstigde land, waaraan wordt gevraagd certificaten van oorsprong, formulier A, af te geven voor producten bij de vervaardiging waarvan materialen zijn gebruikt van oorsprong uit een partij waarmee cumulatie mogelijk is, uit van het volgende:

—bij bilaterale cumulatie: van het van de leverancier van de exporteur afkomstige bewijs van oorsprong dat overeenkomstig onderafdeling 5 is afgegeven;

—bij cumulatie met Noorwegen, Turkije en Zwitserland: van het van de leverancier van de exporteur afkomstige bewijs van oorsprong dat overeenkomstig de oorsprongsregels van de APS van Noorwegen, Turkije en Zwitserland, al naar gelang van het geval, is afgegeven;

—bij regionale cumulatie: van het van de leverancier van de exporteur afkomstige bewijs van oorsprong, namelijk een certificaat van oorsprong, formulier A, waarvan het model in bijlage 17 is opgenomen of, in voorkomend geval, een factuurverklaring, waarvan de tekst in bijlage 18 is opgenomen;

—bij uitgebreide cumulatie: van het van de leverancier van de exporteur afkomstige bewijs van oorsprong dat overeenkomstig de bepalingen van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en het betrokken land is afgegeven.

In de in de eerste alinea, eerste, tweede, derde en vierde streepje bedoelde gevallen, wordt vak 4 van het certificaat van oorsprong, formulier A, van een van de volgende vermeldingen voorzien, al naar gelang van het geval: „EU cumulation”, „Norway cumulation”, „Switzerland cumulation”, „Turkey cumulation”, „regional cumulation”, „extended cumulation with country x” of „cumul UE”, „cumul Norvège”, „cumul Suisse”, „cumul Turquie”, „cumul regional”, „cumul étendu avec le pays x”.



Onderafdeling 3

Procedures bij het in het vrije verkeer brengen in de Europese Unie

Artikel 97 quindecies

1. De certificaten van oorsprong, formulier A, of de factuurverklaringen worden ingediend bij de douaneautoriteiten van de lidstaat van invoer overeenkomstig de procedures betreffende de douaneaangifte.

2. De bewijzen van oorsprong die na het verstrijken van de in artikel 97 duodecies, lid 5, genoemde termijn bij de douaneautoriteiten van het land van invoer worden ingediend, kunnen met het oog op de toepassing van de preferentiële tarieven worden aanvaard wanneer de verlate indiening het gevolg is van buitengewone omstandigheden. In andere gevallen van verlate indiening kunnen de douaneautoriteiten van het land van invoer de bewijzen van oorsprong aanvaarden indien de producten vóór het verstrijken van de termijn bij hen zijn aangebracht.

Artikel 97 sexdecies

1. Wanneer, op verzoek van de importeur en op de door de douaneautoriteiten van de lidstaat van invoer vastgestelde voorwaarden, gedemonteerde of niet-gemonteerde producten in de zin van algemene regel 2, onder a), voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem, vallende onder de afdelingen XVI en XVII of de posten 7308 en 9406 van het geharmoniseerde systeem, in deelzendingen worden ingevoerd, kan één enkel bewijs van oorsprong bij de douane worden ingediend bij de invoer van de eerste deelzending.

2. Op verzoek van de importeur en op de door de douaneautoriteiten van de lidstaat van invoer gestelde voorwaarden, mag een enkel bewijs van de oorsprong bij de douaneautoriteiten worden ingediend bij de invoer van de eerste zending, wanneer de goederen:

a)in het kader van regelmatige en voortdurende transacties die een aanzienlijke handelswaarde vertegenwoordigen, worden ingevoerd;

b)het voorwerp van eenzelfde koopcontract vormen, waarbij de partijen in het land van uitvoer of in de lidstaat of lidstaten zijn gevestigd;

c)onder dezelfde achtcijfercode van de gecombineerde nomenclatuur zijn ingedeeld;

d)van eenzelfde exporteur afkomstig zijn, voor eenzelfde importeur zijn bestemd en waarvoor de invoerformaliteiten bij hetzelfde douanekantoor van dezelfde lidstaat worden vervuld.

Deze procedure is van toepassing gedurende een door de bevoegde douaneautoriteiten vastgestelde periode.

Artikel 97 septdecies

1. Wanneer producten van oorsprong onder toezicht van een douanekantoor van een enkele lidstaat zijn geplaatst, kan het oorspronkelijke bewijs van de oorsprong door een of meer certificaten van oorsprong, formulier A, worden vervangen om deze producten of een deel ervan naar een andere plaats in de Europese Unie of, indien van toepassing naar Noorwegen, Turkije of Zwitserland te verzenden.

2. Vervangingscertificaten van oorsprong, formulier A, worden afgegeven door het douanekantoor waar de producten onder toezicht zijn geplaatst. Een vervangingscertificaat wordt opgesteld op schriftelijk verzoek van de persoon die de producten wederuitvoert.

3. In het vak in de rechterbovenhoek van het vervangingscertificaat wordt de naam vermeld van het land van doorvoer waar het is afgegeven. In vak 4 moet één van de volgende aanduidingen worden vermeld: „replacement certificate”, of „certificat de remplacement” alsmede de datum van afgifte en het volgnummer van het oorspronkelijke certificaat van oorsprong. In vak 1 moet de naam worden vermeld van degene die de goederen wederuitvoert. In vak 2 kan de naam worden vermeld van degene voor wie de goederen uiteindelijk zijn bestemd. Alle gegevens over de wederuitgevoerde producten die het oorspronkelijke certificaat bevat moeten worden overgenomen in de vakken 3 tot en met 9, terwijl in vak 10 moet worden verwezen naar de factuur van degene die de producten wederuitvoert.

4. De douaneautoriteit die het vervangingscertificaat afgeeft, brengt in vak 11 haar visum aan. De verantwoordelijkheid van deze autoriteit reikt niet verder dan de opstelling van het vervangingscertificaat. De vermeldingen in vak 12 betreffende het land van oorsprong en dat van bestemming worden van het oorspronkelijke certificaat overgenomen. Degene die de goederen wederuitvoert, brengt in dit vak zijn handtekening aan. Wanneer de persoon die wederuitvoert in dit vak te goeder trouw zijn handtekening heeft geplaatst, is hij niet verantwoordelijk voor de juistheid van de op het oorspronkelijke certificaat aangebrachte vermeldingen.

5. Het douanekantoor dat wordt verzocht het in lid 1 bedoelde vervangingscertificaat af te geven, vermeldt op het oorspronkelijke certificaat het gewicht, het aantal en de aard van de wederverzonden producten alsmede het nummer (de nummers) van het overeenkomstige vervangingscertificaat of de overeenkomstige vervangingscertificaten. Dit douanekantoor bewaart het oorspronkelijke certificaat ten minste drie jaar. Bij het vervangingscertificaat mag een fotokopie van het oorspronkelijke certificaat worden gevoegd.

6. Voor producten die op grond van de in artikel 89 bedoelde afwijking voor tariefpreferenties in aanmerking komen, is de in het onderhavige artikel bedoelde procedure slechts van toepassing op de voor de Europese Unie bestemde producten. Wanneer de producten de oorsprong door regionale cumulatie hebben verkregen, kan bij verzending van die producten naar Noorwegen, Turkije en Zwitserland slechts een vervangingscertificaat worden opgesteld wanneer die landen dezelfde regionale cumulatieregels toepassen als de Europese Unie.

Artikel 97 octodecies

1. Producten die in kleine colli door particulieren aan particulieren worden verzonden of die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers worden toegelaten als producten van oorsprong die voor de in artikel 66 bedoelde tariefpreferenties in aanmerking komen zonder dat een certificaat van oorsprong, formulier A, of een factuurverklaring behoeft te worden overgelegd, voor zover:

a)deze producten:

i)invoer zijn waaraan elk handelskarakter vreemd is;

ii)verklaard wordt dat zij aan de voorwaarden voldoen om voor het stelsel in aanmerking te komen;

b)er geen twijfel bestaat aan de juistheid van de onder a) ii) bedoelde verklaring.

2. Onder invoer waaraan elk handelskarakter vreemd is wordt verstaan:

a)incidentele invoer;

b)de invoer bestaat uitsluitend uit producten voor het persoonlijke gebruik van de ontvangers, de reizigers of de leden van hun gezin;

c)uit de aard en de hoeveelheid van de producten blijkt dat deze geen commerciële doeleinden beogen.

3. De totale waarde van de in lid 2 bedoelde producten mag niet hoger zijn dan 500 euro voor kleine colli of 1 200 euro voor producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers.

Artikel 97 novodecies

1. Geringe verschillen tussen de gegevens in een certificaat van oorsprong, formulier A, of een factuurverklaring en de gegevens in de documenten die in verband met de formaliteiten bij invoer bij het douanekantoor worden ingediend, maken dit certificaat of de factuurverklaring niet automatisch ongeldig, wanneer wordt vastgesteld, dat het document met de betrokken goederen overeenstemt.

2. Kennelijke vormfouten, zoals typefouten in een certificaat van oorsprong, formulier A, in een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of in een factuurverklaring leiden er niet toe, dat dit document wordt geweigerd, indien deze fouten niet van dien aard zijn dat zij twijfel doen rijzen over de juistheid van de gegevens in dit document.



Onderafdeling 4

Methoden van administratieve samenwerking

Artikel 97 vicies

1. De begunstigde landen delen de Commissie de namen en adressen van de overheidsinstanties op hun grondgebied mede, die bevoegd zijn voor de afgifte van certificaten van oorsprong, formulier A, specimens van de afdrukken van de door deze instanties gebruikte stempels, alsmede de namen en adressen van de bevoegde overheidsinstanties die met de controle van de certificaten van oorsprong, formulier A, en van de factuurverklaringen zijn belast.

De Commissie geeft deze gegevens door aan de douaneautoriteiten van de lidstaten. Indien dergelijke gegevens als wijziging van reeds eerder medegedeelde gegevens worden toegezonden, deelt de Commissie de datum van ingang van de geldigheid van de nieuwe stempels mede, volgens de aanwijzingen die de bevoegde overheidsinstanties van de begunstigde landen hebben verstrekt. Deze gegevens zijn vertrouwelijk. Bij het in het vrije verkeer brengen van goederen kunnen de douaneautoriteiten echter toestaan, dat de importeurs of hun vertegenwoordigers de specimens van de stempelafdrukken raadplegen.

De begunstigde landen die de in de eerste alinea bedoelde gegevens reeds hebben verstrekt, zijn niet verplicht deze opnieuw te verstrekken, tenzij deze inmiddels zijn gewijzigd.

▼M46

2. Voor de toepassing van artikel 97 duodecies, lid 4, zal de Commissie in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie de datum bekendmaken waarop een land of gebied dat als begunstigd land is toegelaten of weer is toegelaten ten aanzien van in Verordening (EU) nr. 978/2012 bedoelde producten de in lid 1 van dit artikel bedoelde verplichtingen is nagekomen.

▼M39

3. De Commissie zendt de begunstigde landen, op verzoek van die landen, specimens van de stempelafdrukken toe die de douaneautoriteiten van de lidstaten gebruiken bij de afgifte van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1.

Artikel 97 unvicies

1. De certificaten van oorsprong, formulier A, en de factuurverklaringen worden achteraf, door middel van steekproeven gecontroleerd of telkens wanneer de douaneautoriteiten van de lidstaten redenen hebben te twijfelen aan de echtheid van deze documenten, de oorsprong van de betrokken producten of de naleving van de andere voorwaarden van deze afdeling.

2. Wanneer zij een verzoek om controle achteraf indienen, zenden de douaneautoriteiten van de lidstaten het certificaat van oorsprong, formulier A, en de factuur, indien deze is overgelegd, de factuurverklaring of een kopie van deze documenten, aan de bevoegde overheidsinstanties van het begunstigde land van uitvoer terug, indien van toepassing onder vermelding van de redenen van het verzoek. Zij voegen bij dit verzoek om controle alle documenten en gegevens die het vermoeden hebben doen rijzen dat de gegevens op het bewijs van oorsprong onjuist zijn.

Wanneer de douaneautoriteiten van de lidstaten besluiten de tariefpreferenties in afwachting van de resultaten van de controle niet toe te kennen, bieden zij de importeur aan de producten vrij te geven onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.

3. Binnen zes maanden nadat het verzoek daartoe is ingediend, wordt de controle achteraf uitgevoerd en worden de resultaten medegedeeld aan de douaneautoriteiten van de lidstaten of binnen acht maanden nadat een verzoek aan Noorwegen, Turkije en Zwitserland is verzonden in verband met de controle van vervangende oorsprongsbewijzen die op hun grondgebied zijn opgesteld op basis van certificaten van oorsprong, formulier A, of op basis van in een begunstigd land opgestelde factuurverklaringen. Aan de hand van deze resultaten moet kunnen worden vastgesteld, of het betrokken bewijs van oorsprong op de uitgevoerde producten betrekking heeft en of deze producten als producten van oorsprong uit het begunstigde land kunnen worden beschouwd.

4. Voor certificaten van oorsprong, formulier A, die in het kader van bilaterale cumulatie zijn afgegeven, wordt of worden bij het antwoord een kopie of kopieën gevoegd van het certificaat of de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 of van de factuurverklaring of -verklaringen.

5. Wanneer in geval van gegronde twijfel binnen de in lid 3 bedoelde termijn van zes maanden geen antwoord is ontvangen of wanneer het antwoord niet voldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de oorsprong van de producten vast te stellen, wordt aan de bevoegde autoriteiten een tweede schrijven gezonden. Wanneer de resultaten van de controle na dit tweede schrijven niet binnen vier maanden na de verzending van het tweede schrijven ter kennis van de verzoekende autoriteiten zijn gebracht of wanneer deze geen uitsluitsel over de echtheid van het document of over de oorsprong van de producten geven, kennen de verzoekende autoriteiten de tariefpreferenties niet toe, behoudens buitengewone omstandigheden.

6. Wanneer er bij controle of op grond van andere beschikbare gegevens aanwijzingen zijn, dat inbreuk wordt gemaakt op de oorsprongsregels, stelt het begunstigde land van uitvoer, op eigen initiatief of op verzoek van de douaneautoriteiten van de lidstaten, met de nodige spoed een onderzoek in of laat het een onderzoek instellen teneinde dergelijke inbreuken vast te stellen en een herhaling ervan te voorkomen. De Commissie en de douaneautoriteiten van de lidstaten kunnen aan dit onderzoek deelnemen.

7. Om een controle achteraf van de certificaten van oorsprong, formulier A, mogelijk te maken bewaren de exporteurs alle documenten waaruit de oorsprong van de betrokken producten blijkt en de bevoegde overheidsinstanties van het begunstigde land van uitvoer bewaren kopieën van de certificaten en van alle daarmee verband houdende uitvoerdocumenten. Deze documenten worden ten minste drie jaar bewaard vanaf het einde van het jaar waarin het certificaat van oorsprong, formulier A, is afgegeven.

Artikel 97 duovicies

1. De artikelen 97 vicies en 97 unvicies zijn ook van toepassing tussen landen van dezelfde regionale groep bij het verstrekken van informatie aan de Commissie en de douaneautoriteiten van de lidstaten en het uitvoeren van controles achteraf van de certificaten van oorsprong, formulier A, en de factuurverklaringen die overeenkomstig de regels inzake de regionale cumulatie van de oorsprong zijn afgegeven.

2. Voor de toepassing van de artikelen 85, 97 quaterdecies en 97 septdecies bevat de overeenkomst tussen de Europese Unie, Noorwegen, Turkije en Zwitserland onder meer een verbintenis, elkaar in het kader van de administratieve samenwerking bijstand te verlenen.

Voor de toepassing van artikel 86, leden 7 en 8, en artikel 97 duodecies stemt het land waarmee de Europese Unie een vrijhandelsovereenkomst heeft gesloten en dat ermee instemt bij de uitgebreide cumulatie met een begunstigd land betrokken te zijn, er ook mee in het begunstigde land op dezelfde wijze in het kader van administratieve samenwerking bijstand te verlenen, als het de douaneautoriteiten van de lidstaten zou verlenen overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de vrijhandelsovereenkomst.



Onderafdeling 5

Procedures voor de toepassing van bilaterale cumulatie

Artikel 97 tervicies

1. Het bewijs dat producten van oorsprong uit de Europese Unie zijn, wordt geleverd door:

a)een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, waarvan het model in bijlage 21 is opgenomen; of

b)een factuurverklaring, waarvan de tekst in bijlage 18 is opgenomen. Factuurverklaringen kunnen worden opgesteld door elke exporteur voor zendingen die producten van oorsprong bevatten waarvan de totale waarde niet meer dan 6 000 euro bedraagt en door toegelaten exporteurs van de Europese Unie.

2. De exporteur of zijn vertegenwoordiger vermeldt in vak 2 van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 de woorden „GSP beneficiary countries” en „EU” dan wel „Pays bénéficiaires du SPG” en „UE”.

3. De bepalingen van deze afdeling betreffende de afgifte, het gebruik en de controle achteraf van de certificaten van oorsprong, formulier A, zijn van overeenkomstige toepassing op de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en, met uitzondering van de bepalingen inzake de afgifte, op de factuurverklaringen.

4. De douaneautoriteiten van de lidstaten kunnen elke exporteur die, in het kader van de bilaterale cumulatie, dikwijls producten van oorsprong uit de Europese Unie verzendt, vergunning verlenen factuurverklaringen op te stellen ongeacht de waarde van de betrokken producten, wanneer die exporteur (hierna „toegelaten exporteur” genoemd) ten genoegen van de douaneautoriteiten alle nodige garanties biedt voor de controle op:

a)de oorsprong van de producten, en

b)het voldoen aan de andere eisen die in die lidstaat van toepassing zijn.

5. De douaneautoriteiten kunnen het verlenen van de status van toegelaten exporteur afhankelijk stellen van de voorwaarden die zij dienstig achten. De douaneautoriteiten kennen de toegelaten exporteur een nummer toe, dat op de factuurverklaringen moet worden vermeld.

6. De douaneautoriteiten houden toezicht op het gebruik van de vergunning door de toegelaten exporteur. De douaneautoriteiten kunnen de vergunning te allen tijde intrekken.

Zij trekken de vergunning in de volgende gevallen in:

a)de toegelaten exporteur biedt niet langer de in lid 4 bedoelde garanties;

b)de toegelaten exporteur voldoet niet aan de in lid 5 bedoelde voorwaarden;

c)de toegelaten exporteur maakt op andere wijze een niet passend gebruik van de vergunning.

7. Een toegelaten exporteur is niet verplicht de factuurverklaringen te ondertekenen, mits hij de douaneautoriteiten een schriftelijke verklaring doet toekomen waarin hij de volledige verantwoordelijkheid op zich neemt voor elke factuurverklaring waaruit zijn identiteit blijkt alsof hij deze eigenhandig had ondertekend.



Onderafdeling 6

Ceuta en Melilla

Artikel 97 quatervicies

De bepalingen van deze afdeling betreffende de afgifte, het gebruik en de controle achteraf van bewijzen van oorsprong zijn van overeenkomstige toepassing op producten die vanuit een begunstigd land naar Ceuta en Melilla worden uitgevoerd en op producten die vanuit Ceuta en Melilla naar een begunstigd land worden uitgevoerd met het oog op de bilaterale cumulatie.

Ceuta en Melilla worden als één grondgebied beschouwd.

De Spaanse douaneautoriteiten zijn belast met de toepassing van deze afdeling in Ceuta en Melilla.

▼M18



Afdeling 2

▼M21

Landen en gebieden die in aanmerking komen voor de eenzijdig door de Gemeenschap vastgestelde preferentiële tariefmaatregelen ten gunste van bepaalde landen en gebieden

▼M39

Artikel 97 quinvicies

1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

a)

„vervaardiging” : elke soort be- of verwerking, met inbegrip van assemblage;

b)

„materiaal” : alle ingrediënten, grondstoffen, componenten, delen, enz., die bij de vervaardiging van het product zijn gebruikt;

c)

„product” : het vervaardigde product, zelfs indien het bestemd is om later bij de vervaardiging van een ander product te worden gebruikt;

d)

„goederen” : zowel materialen als producten;

e)

„douanewaarde” : de waarde zoals bepaald volgens de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel van 1994 (Overeenkomst inzake de douanewaarde van de WTO);

f)

„prijs af fabriek” in de lijst in bijlage 15 :

de prijs die voor het product af fabriek is betaald aan de fabrikant in wiens onderneming de laatste be- of verwerking is verricht, voor zover in die prijs de waarde van alle gebruikte materialen is begrepen, verminderd met alle binnenlandse belastingen die, wanneer het verkregen product wordt uitgevoerd, worden of kunnen worden terugbetaald.

Wanneer de betaalde prijs niet alle kosten dekt die verbonden zijn aan de vervaardiging van het product in het begunstigde land, is de prijs af fabriek de som van al die kosten, verminderd met alle binnenlandse belastingen die worden of kunnen worden terugbetaald wanneer het verkregen product wordt uitgevoerd;

g)

„waarde van de materialen” in de lijst in bijlage 15 : de douanewaarde ten tijde van de invoer van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn, of, indien deze niet bekend is en niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die voor de materialen in de Europese Unie of in het begunstigde land in de zin van artikel 98, lid 1, is betaald; Wanneer de waarde van de gebruikte materialen van oorsprong moet worden vastgesteld, zijn de bepalingen van dit punt van overeenkomstige toepassing;

h)

„hoofdstukken”, „posten” en „postonderverdelingen” : de hoofdstukken, posten en postonderverdelingen (vier- of zescijfercodes) van de nomenclatuur die het geharmoniseerd systeem vormt;

i)

„ingedeeld” : de indeling van een product of materiaal onder een bepaalde post of postonderverdeling van het geharmoniseerd systeem;

j)

„zending” :

producten die

—gelijktijdig van eenzelfde exporteur naar eenzelfde geadresseerde worden gezonden, of die

—vergezeld gaan van een enkel vervoerdocument vanaf de verzending bij de exporteur tot de aankomst bij de geadresseerde of, in afwezigheid van een dergelijk document, van een enkele factuur.

2. Wanneer de laatste be- of verwerking aan een onderaannemer is uitbesteed, kan de in de in lid 1, onder f), gebruikte term „fabrikant”verwijzen naar het bedrijf dat de be- of verwerking heeft uitbesteed.

▼M18



Onderafdeling 1

Definitie van het begrip „producten van oorsprong”

Artikel 98

▼M21

1. Voor de toepassing van de bepalingen over de eenzijdig door de Gemeenschap vastgestelde preferentiële tariefmaatregelen ten gunste van bepaalde landen, landengroepen of gebieden, hierna „begunstigde landen of gebieden” genoemd, met uitzondering van die welke in afdeling 1 zijn bedoeld en de met de Gemeenschap geassocieerde landen en gebieden overzee, worden als producten van oorsprong uit een begunstigd land of gebied beschouwd:

▼M18

a)geheel en al in dat ►M21 begunstigde land of gebied verkregen producten in de zin van artikel 99;

b)in dat ►M21 begunstigde land of gebied verkregen producten, bij de vervaardiging waarvan ander dan de onder a) bedoelde producten zijn verwerkt, mits deze producten een toereikende be- of verwerking in de zin van artikel 100 hebben ondergaan.

2. Voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling worden producten van oorsprong uit de Gemeenschap in de zin van lid 3 als producten van oorsprong uit ►M21 een begunstigd land of gebied beschouwd wanneer zij in dat ►M21 begunstigde land of gebied verderreikende be- of verwerkingen ondergaan dan die welke in artikel 101 zijn opgesomd.

3. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing om de oorsprong van in de Gemeenschap verkregen producten vast te stellen.

Artikel 99

1. Als geheel en al in ►M21 een begunstigd land of gebied of in de Gemeenschap verkregen worden beschouwd:

a)aldaar uit de bodem of uit de zee- of oceaanbodem gewonnen producten;

b)aldaar geoogste producten van het plantenrijk;

c)aldaar geboren en gefokte levende dieren;

d)producten afkomstig van aldaar gefokte levende dieren;

▼M39

d) bisproducten afkomstig van aldaar geboren en gefokte geslachte dieren;

▼M18

e)voortbrengselen van de aldaar bedreven jacht en visserij;

f)producten van de zeevisserij en ander door hun schepen buiten hun territoriale wateren uit de zee gewonnen producten;

g)uitsluitend uit de onder f) bedoelde producten aan boord van hun fabrieksschepen vervaardigde producten;

h)aldaar verzamelde gebruikte artikelen die slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen;

i)van aldaar verrichte fabrieksbewerkingen afkomstig afval en schroot;

j)van of uit de buiten hun territoriale wateren gelegen zee- of oceaanbodem of uit de ondergrond daarvan gewonnen producten, voorzover zij exclusieve ontginningsrechten op deze zeebodem of deze ondergrond hebben;

k)goederen die aldaar uitsluitend uit de ►C6 onder a) tot en met j) bedoelde producten zijn vervaardigd.

2. De termen „hun schepen” en „hun fabrieksschepen” in lid 1, onder f) en g), zijn slechts van toepassing op schepen en fabrieksschepen:

—dat in ►M21 het begunstigde land of gebied of een lidstaat zijn ingeschreven of geregistreerd;

—dat de vlag van dat ►M21 begunstigde land of gebied of van een lidstaat voeren;

—dat voor ten minste 50 procent aan onderdanen van dat ►M21 begunstigde land of gebied of van de lidstaten toebehoren of aan een vennootschap dat haar hoofdkantoor in dat ►M21 begunstigde land of gebied of in een van deze lidstaten heeft en waarvan de bedrijfsvoerder(s), de voorzitter van de raad van bestuur of van toezicht en de meerderheid van de leden van deze raden onderdaan zijn van dat ►M21 begunstigde land of gebied of van de lidstaten, en waarvan bovendien, in het geval van vennootschappen, ten minste de helft van het kapitaal aan dat ►M21 begunstigde land of gebied of aan deze lidstaten of aan openbare lichamen of onderdanen van dat begunstigde republiek of van deze lidstaten toebehoort;

—waarvan de kapitein en de officieren onderdaan van ►M21 het begunstigde land of gebied of van de lidstaten zijn, en

—waarvan de bemanning voor ten minste 75 procent uit onderdanen van dat ►M21 begunstigde land of gebied of van de lidstaten bestaat.

3. Onder „►M21 begunstigde land of gebied” en „Gemeenschap” worden ook de territoriale wateren van dat ►M21 begunstigde land of gebied of dat van de lidstaten verstaan.

4. Schepen waarmee in volle zee wordt gevist, in het bijzonder de fabrieksschepen aan boord waarvan de gevangen vis wordt be- of verwerkt, worden geacht deel uit te maken van het grondgebied van dat ►M21 begunstigde land of gebied of van dat van de lidstaat waartoe zij behoren, voorzover zij aan de voorwaarden van lid 2 voldoen.

Artikel 100

Voor de toepassing van artikel 98 worden producten die niet geheel en al in ►M21 een begunstigd land of gebied of in de Gemeenschap zijn verkregen, geacht een toereikende bewerking of verwerking te hebben ondergaan indien aan de voorwaarden van de lijst in bijlage 15 wordt voldaan.

Deze voorwaarden geven voor alle onder deze afdeling vallende ►C6 producten, de be- of verwerkingen aan, die niet van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging van deze producten worden gebruikt moeten ondergaan en zijn uitsluitend op deze materialen van toepassing.

Wanneer een product dat de oorsprong heeft verkregen doordat het aan de in de lijst vervatte voorwaarden voor dat product heeft voldaan, als materiaal bij de vervaardiging van een ander product wordt gebruikt, gelden de op het product waarin het wordt verwerkt van toepassing zijnde voorwaarden daarvoor niet en wordt met de niet van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging ervan kunnen zijn gebruikt, geen rekening gehouden.

Artikel 101

▼M22

1. Onverminderd lid 2 worden de volgende be- of verwerkingen als ontoereikend beschouwd om de oorsprong te verlenen, ongeacht of aan de voorwaarden van artikel 100 is voldaan:

a)conserverende behandelingen die ervoor moeten zorgen dat de producten tijdens vervoer en opslag in goede staat blijven;

b)het splitsen en samenvoegen van colli;

c)het wassen, schoonmaken; het stofvrij maken, verwijderen van roest, olie, verf of dergelijke;

d)het strijken of persen van textiel;

e)het schilderen of polijsten;

f)het ontvliezen of doppen, het geheel of gedeeltelijk vermalen, het polijsten of vlampolijsten van granen of rijstdoppen;

▼M39

g)het kleuren of aromatiseren van suiker of vormen van suikerklonten; het geheel of gedeeltelijk vermalen van kristalsuiker;

▼M22

h)het pellen, ontpitten of schillen van noten, vruchten of groenten;

i)het aanscherpen, vermalen of versnijden;

j)het zeven, sorteren, classificeren, assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van sets van artikelen);

k)het eenvoudig verpakken in flessen, blikken, zakken, etuis, dozen, bevestigen op kaartjes of plankjes en alle andere eenvoudige handelingen in verband met de opmaak;

l)het aanbrengen of opdrukken van merken, etiketten, logo's en soortgelijke onderscheidingstekens op de producten zelf of op hun verpakkingen;

▼M39

m)het eenvoudig mengen van producten, ook van verschillende soorten; het mengen van suiker met elk materiaal;

▼M39

m) biseenvoudig toevoegen van water of verdunnen, het drogen of denatureren van producten;

▼M22

n)het samenvoegen van delen van artikelen tot een volledig artikel dan wel het uit elkaar nemen van artikelen in onderdelen;

o)het uitvoeren van twee of meer van de onder a) tot en met n) genoemde handelingen tezamen;

p)het slachten van dieren.

▼M18

2. Om te bepalen of de be- of verwerkingen die een bepaald product heeft ondergaan als ontoereikend in de zin van lid 1 moeten worden beschouwd, worden alle be- of verwerkingen die dit product in ►M21 het begunstigde land of gebied of in de Gemeenschap heeft ondergaan tezamen beschouwd.

Artikel 101 bis

1. De voor de toepassing van de bepalingen van deze afdeling in aanmerking te nemen eenheid is het product dat bij de bepaling van de indeling volgens het geharmoniseerde systeem als de basiseenheid wordt beschouwd.

Hieruit volgt dat:

a)wanneer een uit een groep of verzameling van artikelen bestaand ►C6 product onder één enkele post van het geharmoniseerde systeem wordt ingedeeld, het geheel de in aanmerking te nemen eenheid vormt;

b)wanneer een zending uit een zeker aantal identieke producten bestaat die onder dezelfde post van het geharmoniseerde systeem zijn ingedeeld, de bepalingen van deze afdeling op elk van deze producten op zich beschouwd, van toepassing zijn.

2. Wanneer volgens algemene regel 5 voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem de verpakking voor de vaststelling van de indeling van het daarin verpakte product meetelt, moet de verpakking voor de vaststelling van de oorsprong worden geacht een geheel met het product te vormen.

Artikel 102

1. In afwijking van artikel 100 mogen niet van oorsprong zijnde materialen bij de vervaardiging van een bepaald product worden gebruikt, mits de totale waarde ervan niet meer dan 10 procent van de prijs af fabriek van het product bedraagt.

Wanneer in de lijst een of meer percentages zijn gegeven voor de maximumwaarde van de materialen die niet van oorsprong zijn, mag de toepassing van de eerste alinea niet tot een overschrijding van deze percentages leiden.

2. Lid 1 is niet van toepassing op de producten die onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerde systeem zijn ingedeeld.

Artikel 103

De accessoires, vervangingsonderdelen en gereedschappen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden geleverd en deel uitmaken van de normale uitrusting daarvan en in de prijs daarvan zijn begrepen of niet afzonderlijk in rekening worden gebracht, worden geacht met het betrokken materieel, respectievelijk de betrokken machines, apparaten of voertuigen één geheel te vormen.

Artikel 104

Stellen of assortimenten in de zin van algemene regel 3 voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem, worden als van oorsprong beschouwd indien alle samenstellende delen van oorsprong zijn. Een stel of assortiment bestaande uit producten van oorsprong en producten die niet van oorsprong zijn, wordt evenwel als van oorsprong beschouwd indien de waarde van de producten die niet van oorsprong zijn niet meer dan 15 procent van de prijs af fabriek van het stel of assortiment bedraagt.

Artikel 105

Om te bepalen of een product van oorsprong is, is het niet noodzakelijk de oorsprong na te gaan van de volgende elementen die bij de vervaardiging ervan ►C6 gebruikt mochten zijn:

a)energie en brandstof;

b)installaties en uitrusting;

c)machines en werktuigen;

d)goederen die in de uiteindelijke samenstelling van het product niet voorkomen en ook niet zijn bestemd om daarin voor te komen.

Artikel 106

Aan de in deze afdeling genoemde voorwaarden voor de verkrijging van het karakter van product van oorsprong moet zonder onderbreking in ►M21 het begunstigde land of gebied of in de Gemeenschap zijn voldaan.

Wanneer producten van oorsprong die uit ►M21 het begunstigde land of gebied of uit de Gemeenschap naar een ander land worden uitgevoerd en daarnaar terugkeren, worden zij als niet van oorsprong beschouwd, tenzij ten genoegen van de bevoegde autoriteiten kan worden aangetoond dat:

—de teruggekeerde producten dezelfde zijn als die welke waren uitgevoerd, en

—zij tijdens de periode dat zij zich in dit land bevonden of waren uitgevoerd geen andere be- of verwerkingen hebben ondergaan dan die welke voor hun bewaring in goede staat noodzakelijk waren.

Artikel 107

1. Als rechtstreeks vervoerd van ►M21 het begunstigde land of gebied naar de Gemeenschap of van de Gemeenschap naar ►M21 het begunstigde land of gebied worden beschouwd:

a)producten waarvan het vervoer niet over het grondgebied van een ander land geschiedt;

b)producten die één enkele zending vormen en over het grondgebied van andere landen dan over dat van ►M21 het begunstigde land of gebied of over dat van de Gemeenschap worden vervoerd, eventueel met overslag of tijdelijke opslag in deze landen, voorzover zij onder toezicht van de ►C6 douaneautoriteiten van het land van doorvoer of opslag zijn gebleven en aldaar geen andere behandelingen hebben ondergaan dan lossen en opnieuw laden of enige andere behandeling om deze producten in goede staat te ►C6 behouden;

c)producten die zonder onderbreking per pijpleiding over een ander grondgebied dan dat van ►M21 het begunstigde land of gebied van uitvoer of van de Gemeenschap worden vervoerd.

2. Het bewijs dat aan de in lid 1, onder b), bedoelde voorwaarden is voldaan, wordt geleverd door overlegging van de volgende stukken aan de bevoegde douaneautoriteiten:

a)hetzij een enkel vervoerdocument onder dekking waarvan het ►C6 vervoer van het land van uitvoer door het land van doorvoer geschiedt;

b)hetzij een door de douaneautoriteiten van het land van doorvoer afgegeven verklaring, waarin:

—de producten nauwkeurig zijn omschreven,

—de data zijn vermeld waarop de producten zijn gelost en opnieuw geladen, in voorkomend geval onder opgave van de naam van de gebruikte schepen, of van de andere gebruikte vervoermiddelen, en

—een verklaring betreffende de voorwaarden waarop de producten in het land van doorvoer verbleven;

c)hetzij, bij gebreke van bovengenoemde stukken, enig ander bewijsstuk.

Artikel 108

1. De producten van oorsprong die vanuit ►M21 een begunstigd land of gebied zijn verzonden om in een ander land te worden tentoongesteld en die na de tentoonstelling voor invoer in de Gemeenschap worden verkocht, komen voor de in artikel 98 bedoelde tariefpreferenties in aanmerking, mits deze aan de in deze afdeling omschreven voorwaarden voldoen om als producten van oorsprong uit ►M21 het begunstigde land of gebied te worden beschouwd en voorzover ten genoegen van de bevoegde douaneautoriteiten van de Gemeenschap wordt aangetoond dat:

a)een exporteur deze producten rechtstreeks vanuit ►M21 het begunstigde land of gebied naar het land van de tentoonstelling heeft verzonden en deze aldaar heeft tentoongesteld;

b)deze exporteur de producten aan een geadresseerde in de Gemeenschap heeft verkocht of op een andere wijze heeft overgedragen;

c)de producten tijdens of onmiddellijk na de tentoonstelling in dezelfde staat als die waarin zij naar de tentoonstelling werden verzonden, naar de Gemeenschap zijn verzonden, en

d)de producten, vanaf het tijdstip waarop zij naar de tentoonstelling werden verzonden, niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan om op die tentoonstelling te worden vertoond.

2. Het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt op de gewone wijze bij de douaneautoriteiten van de Gemeenschap ingediend. Op dit certificaat zijn de naam en het adres van de tentoonstelling vermeld. Zo nodig kunnen ten aanzien van de aard van de producten en de voorwaarden waarop zij werden tentoongesteld aanvullende bewijsstukken worden verlangd.

3. Lid 1 is van toepassing op alle tentoonstellingen, beurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter die niet voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten met het oog op de verkoop van buitenlandse producten worden gehouden, en gedurende welke de producten onder douanetoezicht blijven.



Onderafdeling 2

Bewijs van de oorsprong

Artikel 109

Producten van oorsprong uit ►M21 de begunstigde landen of gebieden komen voor de in artikel 98 bedoelde tariefpreferenties in aanmerking op vertoon van:

a)ofwel een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, waarvan het model in bijlage 21 is opgenomen,

b)ofwel, in de in artikel 116, lid 1, bedoelde gevallen, een verklaring van de exporteur op de factuur, pakbon of een ander handelsdocument waarin de producten op voldoende nauwkeurige manier zijn omschreven om deze te kunnen identificeren, hierna „factuurverklaring” genoemd, en waarvan de tekst in bijlage 22 is opgenomen.



a)

CERTIFICAAT INZAKE GOEDERENVERKEER EUR.1

Artikel 110

▼M21

1. Producten van oorsprong in de zin van deze afdeling komen bij invoer in de Gemeenschap in aanmerking voor de in artikel 98 bedoelde tariefpreferenties, voorzover zij rechtstreeks naar de Gemeenschap zijn vervoerd in de zin van artikel 107, op vertoon van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 dat door de douaneautoriteiten is afgegeven dan wel door andere bevoegde overheidsinstanties van een begunstigd land of gebied, mits dit land of gebied:

▼M18

—de Commissie de bij artikel 121 vereiste informatie hebben verstrekt, en

—de Gemeenschap bijstand verlenen door aan de douaneautoriteiten van de lidstaten de mogelijkheid te bieden de echtheid van het document of de juistheid van de inlichtingen omtrent de werkelijke oorsprong van de betrokken producten na te gaan.

2. Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt slechts afgegeven wanneer het als het bewijsstuk voor de toepassing van de in artikel 98 bedoelde tariefpreferenties kan dienen.

3. Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 ►C6 wordt slechts afgegeven op schriftelijk verzoek van de exporteur of van zijn gemachtigde vertegenwoordiger. Deze aanvraag wordt op het formulier gesteld waarvan het model in bijlage 21 is opgenomen en dat overeenkomstig het bepaalde in deze onderafdeling is ingevuld.

De aanvragen voor certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 moeten ten minste drie jaar door de bevoegde overheidsinstanties van ►M21 het begunstigde land of gebied van uitvoer of door de douaneautoriteiten van de lidstaat van uitvoer worden bewaard.

4. De exporteur of zijn gemachtigde vertegenwoordiger voegt bij zijn aanvraag alle stukken waarmee kan worden aangetoond dat de uit te voeren producten voor de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 in aanmerking kunnen komen.

Hij verbindt zich ertoe op verzoek van de bevoegde autoriteiten alle bijkomende bewijsstukken over te leggen die deze noodzakelijk achten om de juistheid na te gaan van de oorsprong van de producten die voor tariefpreferenties in aanmerking komen, en elke controle door deze autoriteiten van zijn boekhouding te aanvaarden, alsmede dat zij de omstandigheden onderzoeken waaronder deze producten zijn verkregen.

5. Het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt afgegeven door de bevoegde overheidsinstanties van ►M21 het begunstigde land of gebied of door de douaneautoriteiten van de lidstaat van uitvoer indien de uit te voeren producten als van oorsprong in de zin van deze afdeling kunnen worden beschouwd.

6. Daar het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 het bewijsstuk voor de toepassing van de in artikel 98 bedoelde tariefpreferenties vormt, dienen de bevoegde overheidsinstanties van ►M21 het begunstigde land of gebied of de douaneautoriteiten van de lidstaat van uitvoer de nodige maatregelen te nemen om de oorsprong van de producten en de op het certificaat vermelde gegevens te verifiëren.

7. Om na te gaan of aan de voorwaarde van lid 5 is voldaan, hebben de bevoegde overheidsinstanties van ►M21 het begunstigde land of gebied het recht alle bewijsstukken op te vragen en elke controle te verrichten die zij dienstig achten.

8. De bevoegde overheidsinstanties van ►M21 het begunstigde land of gebied of de douaneautoriteiten van de lidstaat van uitvoer zien erop toe dat de in lid 1 bedoelde formulieren naar behoren worden ingevuld.

9. De datum van afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt in het voor de douaneautoriteiten gereserveerde deel van dat certificaat vermeld.

10. Het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt bij de uitvoer van de producten waarop het betrekking heeft, afgegeven door de bevoegde autoriteiten van ►M21 het begunstigde land of gebied of door de douaneautoriteiten van de lidstaat van uitvoer. Het wordt de exporteur ter beschikking gesteld zodra de uitvoer van de goederen heeft plaatsgevonden of het gewaarborgd is dat dat zal gebeuren.

Artikel 111

Wanneer, op verzoek van de importeur en op de door de douaneautoriteiten van het land van invoer vastgestelde voorwaarden, gedemonteerde of niet-gemonteerde producten in de zin van algemene regel 2, onder a), voor de interpretatie van het geharmoniseerde systeem, vallende onder de afdelingen XVI of XVII of onder de posten 7308 of 9406 van het geharmoniseerde systeem, in deelzendingen worden ingevoerd, wordt bij de invoer van de eerste deelzending één enkel bewijs van oorsprong bij de douaneautoriteiten ingediend.

Artikel 112

De bewijzen van oorsprong worden bij de douaneautoriteiten van de lidstaat van invoer op de bij artikel 62 van het Wetboek voorgeschreven wijze overgelegd. Deze autoriteiten kunnen een vertaling van dit bewijs verlangen. Zij kunnen voorts eisen dat de aangifte ten invoer vergezeld gaat van een verklaring van de importeur dat de producten aan de voorwaarden voor de toepassing van deze afdeling voldoen.

Artikel 113

1. In afwijking van artikel 110, lid 10, kan het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, bij wijze van uitzonderingen na de uitvoer van de goederen waarop het betrekking heeft, worden afgegeven indien:

a)dit door een vergissing, onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden niet bij de uitvoer is gebeurd, of

b)ten genoegen van de bevoegde overheidsinstanties wordt aangetoond dat een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 is afgegeven, maar bij de invoer om technische redenen niet is aanvaard.

2. De bevoegde overheidsinstanties kunnen eerst tot afgifte achteraf van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 overgaan na te hebben vastgesteld dat de gegevens in de aanvraag van de exporteur met die in het desbetreffende uitvoerdossier overeenstemmen en of bij de uitvoer van de betrokken producten geen certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 dat aan de voorwaarden van deze afdeling voldoet, is afgegeven.

3. Op een achteraf afgegeven certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt een van de volgende aantekeningen aangebracht:

—„EXPEDIDO A POSTERIORI”,

—„UDSTEDT EFTERFØLGENDE”,

—„NACHTRÄGLICH AUSGESTELLT”,

—„ΕΚΔΟΘΕΝ ΕΚ ΤΩΝ ΥΣΤΕΡΩΝ”,

—„ISSUED RETROSPECTIVELY”,

—„DÉLIVRÉ A POSTERIORI”,

—„RILASCIATO A POSTERIORI”,

—„AFGEGEVEN A POSTERIORI”,

—„EMITIDO A POSTERIORI”,

—„ANNETTU JÄLKIKÄTEEN”,

—„UTFÄRDAT I EFTERHAND”,

▼A2

—„VYSTAVENO DODATEČNĚ”,

—„VÄLJA ANTUD TAGASIULATUVALT”,

—„IZSNIEGTS RETROSPEKTĪVI”,

—„RETROSPEKTYVUSIS IŠDAVIMAS”,

—„KIADVA VISSZAMENŐLEGES HATÁLLYAL”,

—„UTÓLAG KIÁLLÍTVA”,

—„MAĦRUĠ RETROSPETTIVAMENT”,

—„WYSTAWIONE RETROSPEKTYWNIE”,

—„IZDANO NAKNADNO”,

▼M26

—„VYHOTOVENÉ DODATOČNE”,

▼M30

—„ИЗДАДЕН ВПОСЛЕДСТВИЕ”,

—„ELIBERAT ULTERIOR”,

▼M45

—„IZDANO NAKNADNO”.

▼M18

4. De in lid 3 bedoelde aantekening wordt aangebracht in het vak „Opmerkingen” van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.

Artikel 114

1. In geval van diefstal, verlies of vernietiging van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, kan de exporteur de bevoegde autoriteit die dit certificaat hebben afgegeven, verzoeken aan de hand van de uitvoerdocumenten die in hun bezit zijn, een duplicaat op te maken.

2. Op het aldus afgegeven duplicaat wordt een van de volgende aantekeningen aangebracht:

—„DUPLICADO”,

—„DUPLIKAT”,

—„DUPLIKAT”,

—„ΑΝΤΙΓΡΑΦΟ”,

—„DUPLICATE”,

—„DUPLICATA”,

—„DUPLICATO”,

—„DUPLICAAT”,

—„SEGUNDA VIA”,

—„KAKSOISKAPPALE”,

—„DUPLIKAT”,

▼A2

—„DUPLIKÁT”,

—„DUPLIKAAT”,

—„DUBLIKĀTS”,

—„DUBLIKATAS”,

—„MÁSODLAT”,

—„DUPLIKAT”,

—„DUPLIKAT”,

—„DVOJNIK”,

—„DUPLIKÁT”,

▼M30

—„ДУБЛИКАТ”,

—„DUPLICAT”,

▼M45

—„DUPLIKAT”.

▼M18

3. De in lid 2 bedoelde aantekening wordt aangebracht in het vak „Opmerkingen” van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1.

4. Het duplicaat, dat dezelfde datum van afgifte draagt als het oorspronkelijke certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, is vanaf die datum geldig.

Artikel 115

Wanneer producten van oorsprong onder toezicht van een douanekantoor in de Gemeenschap zijn geplaatst, kan het aanvankelijke bewijs van de oorsprong door een of meer certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 worden vervangen om deze producten of sommige ervan naar een andere plaats in de Gemeenschap te verzenden. Dit vervangingscertificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt afgegeven door het douanekantoor waar de producten onder toezicht worden geplaatst.



b)

FACTUURVERKLARING

Artikel 116

1. De factuurverklaring mag worden opgesteld door:

a)een toegelaten exporteur in de Gemeenschap in de zin van artikel 117;

b)iedere exporteur, voor elke zending bestaande uit een of meer colli die producten van oorsprong bevatten waarvan de totale waarde niet meer dan 6 000 EUR bedraagt, mits de in artikel 110, lid 1, bedoelde bijstand ook op deze procedure van toepassing is.

2. Een factuurverklaring mag worden opgesteld indien de producten als van oorsprong uit de Gemeenschap of uit ►M21 een begunstigd land of gebied kunnen worden beschouwd en aan de andere voorwaarden van deze afdeling voldoen.

3. De exporteur die een factuurverklaring opstelt moet op verzoek van de douaneautoriteiten of van andere bevoegde overheidsinstanties van het land van uitvoer steeds in staat zijn de nodige documenten voor te leggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn en dat aan de andere voorwaarden van deze afdeling wordt voldaan.

4. Deze factuurverklaring, waarvan de tekst in bijlage 22 is opgenomen, wordt door de exporteur op de factuur, de pakbon of een ander handelsdocument getypt, gestempeld of gedrukt in een van de in deze bijlage opgenomen taalversies, overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht van het land van uitvoer. De factuurverklaring mag ook met de hand worden geschreven. In dat geval moet dit met inkt en in blokletters gebeuren.

5. De factuurverklaring wordt door de exporteur eigenhandig ondertekend. Een toegelaten exporteur in de zin van artikel 117 behoeft deze verklaring echter niet te ondertekenen, mits hij de douaneautoriteiten een schriftelijke verklaring doet toekomen waarin hij de volle verantwoordelijkheid op zich neemt voor elke factuurverklaring die hem identificeert alsof hij deze eigenhandig had ondertekend.

6. Voor de in lid 1, onder b), genoemde gevallen is het gebruik van een factuurverklaring aan de volgende bijzondere voorwaarden onderworpen:

a)voor elke zending wordt een factuurverklaring opgesteld;

b)indien in het uitvoerende land reeds is gecontroleerd of de goederen die deel uitmaken van de zending, aan de voorwaarden voldoen om als product van oorsprong te worden beschouwd, mag de exporteur in de factuurverklaring van deze controle melding maken.

Het bepaalde in de eerste alinea stelt de exporteur, in voorkomend geval, niet vrij van de vervulling van andere formaliteiten uit hoofde van de douane- of postwetgeving.

Artikel 117

1. De douaneautoriteiten van de Gemeenschap kunnen een exporteur, hierna „toegelaten exporteur” genoemd, die veelvuldig producten van oorsprong uit de Gemeenschap in de zin van artikel 98, lid 2, verzendt en die ten genoegen van de douaneautoriteiten de nodige waarborgen biedt ten aanzien van de controle op het karakter van product van oorsprong van de producten en de naleving van alle andere voorwaarden van deze afdeling, machtigen factuurverklaringen op te stellen, ongeacht de waarde van de betrokken producten.

2. De douaneautoriteiten kunnen de verlening van de status van toegelaten exporteur van door hen noodzakelijk geachte voorwaarden afhankelijk stellen.

3. De douaneautoriteiten kennen de toegelaten exporteur een nummer van een douanevergunning toe, dat in de factuurverklaring moet worden vermeld.

4. De douaneautoriteiten houden toezicht op het gebruik dat de toegelaten exporteur van de vergunning maakt.

5. De douaneautoriteiten kunnen de vergunning steeds intrekken. Zij zijn verplicht dit te doen wanneer de toegelaten exporteur niet langer de in lid 1 bedoelde garanties biedt, niet langer aan de in lid 2 bedoelde voorwaarden voldoet of de vergunning op enigerlei wijze misbruikt.

Artikel 118

1. Een bewijs van oorsprong is vier maanden vanaf de datum van afgifte in het land van uitvoer geldig. Het moet binnen deze periode bij de douaneautoriteiten van het land van invoer worden ingediend.

2. Bewijzen van oorsprong die na het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn bij de douaneautoriteiten van het land van invoer worden ingediend, kunnen met het oog op de toepassing van de in artikel 98 bedoelde tariefpreferenties worden aanvaard wanneer de niet-inachtneming van de termijn het gevolg van buitengewone omstandigheden is.

3. In andere dan de in lid 2 genoemde gevallen van verlate indiening kunnen de douaneautoriteiten van het land van invoer de bewijzen van oorsprong aanvaarden indien de producten vóór het verstrijken van genoemde termijn bij hen zijn aangebracht.

4. Op verzoek van de importeur en op de door de douaneautoriteiten van de lidstaat van invoer gestelde voorwaarden is het toegestaan dat voor goederen die:

a)in het kader van regelmatige en voortdurende transacties die een aanzienlijke handelswaarde vertegenwoordigen, worden ingevoerd;

b)het voorwerp van eenzelfde koopcontract vormen, waarbij de partijen in het land van uitvoer of in de Gemeenschap zijn gevestigd;

c)onder dezelfde achtcijfercode van de gecombineerde nomenclatuur zijn ingedeeld;

d)van eenzelfde exporteur afkomstig zijn, voor eenzelfde importeur zijn bestemd en waarvoor de invoerformaliteiten bij hetzelfde douanekantoor van de Gemeenschap worden vervuld,

bij de invoer van de eerste zending slechts één enkel bewijs van oorsprong bij de douaneautoriteiten wordt overgelegd.

Deze procedure is van toepassing op de door de bevoegde douaneautoriteiten vastgestelde hoeveelheden en gedurende een door deze autoriteiten vastgestelde periode. Die periode kan in geen geval langer dan drie maanden zijn.

Artikel 119

1. Producten die in kleine zendingen door particulieren aan particulieren worden verzonden of die van de persoonlijke bagage van reizigers deel uitmaken, worden voor de toepassing van de in artikel 98 bedoelde tariefpreferenties als ►C6 producten van oorsprong toegelaten zonder dat het nodig is een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of een factuurverklaring over te leggen, voorzover het om invoer gaat waaraan ieder handelskarakter vreemd is en wordt verklaard dat de producten aan de voorwaarden voor de toepassing van deze afdeling voldoen en er over de juistheid van een dergelijke verklaring geen twijfel bestaat.

2. Als invoer waaraan ieder handelskarakter vreemd is wordt beschouwd de invoer van incidentele aard van producten die uitsluitend bestemd zijn voor het persoonlijke gebruik van de geadresseerde, de reiziger of de leden van zijn gezin, voorzover noch de aard noch de hoeveelheid van de producten op commerciële doeleinden wijzen.

Voorts mag de totale waarde van deze producten niet meer bedragen dan 500 EUR voor kleine zendingen of 1 200 EUR voor producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers.

Artikel 120

Wanneer tussen de gegevens in bewijs van oorsprong en de gegevens in de documenten die in verband met de formaliteiten bij invoer bij het douanekantoor worden ingediend, geringe verschillen worden vastgesteld, leidt dit loutere feit niet tot ongeldigheid van het bewijs van oorsprong, wanneer wordt vastgesteld dat het met de aangeboden producten overeenstemt.

Kennelijke vormfouten zoals typefouten in het bewijs van oorsprong leiden er niet toe dat dit document wordt geweigerd indien deze fouten niet van dien aard zijn dat zij over de juistheid de in dit document vermelde gegevens twijfel doen rijzen.



Onderafdeling 3

Methoden van administratieve samenwerking

Artikel 121

1. ►M21 De begunstigde landen of gebieden doen de Commissie toekomen: de namen en adressen van de zich op hun grondgebied bevindende overheidsinstanties die bevoegd zijn voor de afgifte van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1, de specimens van de afdrukken van de door deze instanties gebruikte stempels, alsmede de namen en adressen van de bevoegde overheidsinstanties die met de controle van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en van de factuurverklaringen zijn belast. Deze stempels zijn geldig vanaf de datum van ontvangst ervan door de Commissie. De Commissie geeft deze inlichtingen aan de douaneautoriteiten van de lidstaten door. Indien dergelijke mededelingen als wijziging van eerder gedane mededelingen worden toegezonden, deelt de Commissie de datum van ingang van de geldigheid van de nieuwe stempels mede, volgens de aanwijzingen die de bevoegde overheidsinstanties van ►M21 de begunstigde landen of gebieden hebben verstrekt. Deze gegevens zijn vertrouwelijk. Bij het in het vrije verkeer brengen van goederen kunnen de betrokken douaneautoriteiten echter toestaan dat invoerders of hun vertegenwoordigers de specimens van de in dit lid genoemde stempelafdrukken raadplegen.

2. De Commissie verstrekt ►M21 de begunstigde landen of gebieden specimens van de afdrukken van de stempels die door de douaneautoriteiten van de lidstaten bij de afgifte van de EUR.1-certificaten worden gebruikt.

Artikel 122

1. De controle achteraf van de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 en van de factuurverklaringen wordt door middel van steekproeven verricht of telkens wanneer de douaneautoriteiten van de lidstaat van invoer of de bevoegde overheidsinstanties van ►M21 de begunstigde landen of gebieden gegronde redenen hebben aan de echtheid van deze documenten, de oorsprong van de betrokken producten of de naleving van de andere voorwaarden van deze afdeling te twijfelen.

2. Voor de toepassing van lid 1 zenden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van invoer of van ►M21 het begunstigde land of gebied van invoer het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 en de factuur, indien deze werd voorgelegd, de factuurverklaring of een kopie van deze documenten, aan de bevoegde autoriteiten van het land van uitvoer terug, indien van toepassing onder vermelding van de ►C6 redenen die een onderzoek rechtvaardigen. Ter ondersteuning van hun aanvraag om controle achteraf verstrekken zij alle documenten en verkregen gegevens die het vermoeden hebben doen rijzen dat de op het bewijs van oorsprong aangebrachte gegevens onjuist zijn.

Wanneer de douaneautoriteiten van de lidstaat van invoer besluiten de in artikel 98 bedoelde tariefpreferenties in afwachting van de resultaten van de controle niet toe te kennen bieden zij de importeur aan, de producten vrij te geven onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.

3. Wanneer overeenkomstig lid 1 een verzoek om controle achteraf is gedaan, wordt deze controle verricht en worden de resultaten ervan binnen zes maanden aan de douaneautoriteiten van de lidstaat van invoer of aan de bevoegde overheidsinstanties van ►M21 het begunstigde land of gebied van invoer medegedeeld. Aan de hand van deze resultaten moet kunnen worden vastgesteld of het betreffende bewijs van oorsprong op de werkelijk uitgevoerde producten betrekking heeft en of deze producten als producten van oorsprong uit ►M21 het begunstigde land of gebied of uit de Gemeenschap kunnen worden beschouwd.

4. Wanneer bij gegronde twijfel binnen de in lid 3 bedoelde termijn van zes maanden geen antwoord is ontvangen of wanneer het antwoord niet voldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de producten vast te stellen, wordt aan de bevoegde autoriteiten een tweede schrijven gezonden. Wanneer de resultaten van de controle na dit tweede schrijven niet binnen vier maanden ter kennis van de aanvragende autoriteiten worden gebracht of wanneer deze geen uitsluitsel over de echtheid van het document of over de werkelijke oorsprong van de producten geven, kennen de aanvragende autoriteiten de tariefpreferenties niet toe, behoudens buitengewone omstandigheden.

5. Wanneer er bij controle of op grond van enigerlei andere beschikbare gegevens aanwijzingen lijken te bestaan dat op de bepalingen van deze afdeling inbreuk wordt gemaakt, stelt ►M21 het begunstigde land of gebied van uitvoer, op eigen initiatief of op verzoek van de Gemeenschap, met de nodige spoed een onderzoek in of laat zij een onderzoek verrichten teneinde dergelijke inbreuken vast te stellen en een herhaling ervan te voorkomen. De Gemeenschap kan te dien einde aan dergelijke onderzoeken deelnemen.

6. Voor de controle achteraf van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 worden de kopieën van deze certificaten en eventueel de daarop betrekking hebbende uitvoerdocumenten door de bevoegde overheidsinstanties van ►M21 het begunstigde land of gebied van uitvoer of door de douaneautoriteiten van de lidstaat van uitvoer gedurende ten minste drie jaar bewaard.



Onderafdeling 4

Ceuta en Melilla

Artikel 123

1. De in deze afdeling gebruikte term „Gemeenschap” omvat niet Ceuta en Melilla. Onder „producten van oorsprong uit de Gemeenschap” zijn producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla niet begrepen.

2. De bepalingen van deze afdeling zijn van overeenkomstig toepassing om vast te stellen of in Ceuta en Melilla ingevoerde producten als van oorsprong uit ►M21 een begunstigd land of gebied van uitvoer of als van oorsprong uit Ceuta en Melilla kunnen worden beschouwd.

3. Ceuta en Melilla worden als één enkel grondgebied beschouwd.

4. De bepalingen van deze afdeling betreffende de afgifte, het gebruik en de controle achteraf van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 zijn op de producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla van overeenkomstige toepassing.

5. De Spaanse douaneautoriteiten zijn belast met de toepassing van deze afdeling in Ceuta en Melilla.

▼B



TITEL V

DOUANEWAARDE



HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

Artikel 141

1. Voor de toepassing van de artikelen 28 tot en met 36 van het Wetboek en van deze titel houden de Lid-Staten rekening met de in bijlage 23 opgenomen bepalingen.

De vorengenoemde bepalingen, die in de eerste kolom van bijlage 23 zijn vermeld, dienen te worden toegepast overeenkomstig de noten voor de interpretatie die in de tweede kolom voorkomen.

2. Indien voor het bepalen van de douanewaarde de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen dienen te worden toegepast, zijn de bepalingen van bijlage 24 van toepassing.

Artikel 142

1. In de zin van deze titel wordt verstaan onder:

a)„overeenkomst”: de overeenkomst betreffende de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, gesloten in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen die van 1973 tot 1979 hebben plaatsgehad, en die in artikel 31, lid 1, eerste streepje, van het Wetboek is vermeld;

b)„voortgebrachte goederen”: goederen die zijn geteeld, vervaardigd of gewonnen;

c)„identieke goederen”: in hetzelfde land voortgebrachte goederen die in alle opzichten eender zijn, met inbegrip van de materiële kenmerken, kwaliteit en reputatie, waarbij geringe verschillen in uiterlijk echter geen beletsel zijn om goederen die voor het overige aan de definitie beantwoorden, aan te merken als identiek;

d)„soortgelijke goederen”: in hetzelfde land voortgebrachte goederen die, ofschoon zij niet in alle opzichten eender zijn, gelijke kenmerken vertonen en gelijksoortige bestanddelen bevatten waardoor zij dezelfde functies kunnen vervullen en in de handel uitwisselbaar kunnen zijn; de kwaliteit van de goederen, hun reputatie en de aanwezigheid van een fabrieks- of handelsmerk zijn factoren die onder meer in aanmerking moeten worden genomen om vast te stellen of goederen soortgelijk zijn;

e)„goederen van dezelfde aard of hetzelfde karakter”: goederen van een groep of reeks van goederen, de identieke of soortgelijke goederen hieronder begrepen, die worden voortgebracht door een bepaalde industrie of industriesector.

2. De termen „identieke goederen” en „soortgelijke goederen” omvatten, al naar gelang van het geval, geen goederen waarin engineering, ontwikkeling, werken van kunst, ontwerpen, tekeningen en schetsen zijn begrepen of tot uitdrukking gebracht, waarvoor in verband met het feit dat deze zijn verricht of gemaakt in de Gemeenschap, geen aanpassing uit hoofde van artikel 32, lid 1, onder b), punt iv), van het Wetboek heeft plaatsgevonden.

Artikel 143

1. ►M15 Voor de toepassing van het bepaalde in titel II, hoofdstuk 3, van het wetboek en in de bepalingen van de onderhavige titel worden personen slechts geacht te zijn verbonden indien:

a)zij functionaris of directeur zijn van elkaars zaken;

b)zij door de wettelijke bepalingen worden erkend als in zaken verbonden;

c)zij werkgever en werknemer zijn;

d)enig persoon, hetzij rechtstreeks of zijdelings, 5 % of meer van het stemgerechtigde uitstaande kapitaal of aandelen van beiden bezit, controleert of houdt;

e)één van hen de ander, rechtstreeks of zijdelings, controleert;

f)beiden, rechtstreeks of zijdelings, worden gecontroleerd door een derde persoon;

g)zij samen, rechtstreeks of zijdelings, een derde persoon controleren, of

h)zij behoren tot dezelfde familie. Personen worden slechts geacht leden te zijn van dezelfde familie indien zij op een van de volgende wijzen met elkaar bloed- of aanverwant zijn:

—echtgenoot en echtgenote,

—ouder en kind,

—broers en zusters (of halfbroers en halfzusters),

—grootouder en kleinkind,

—oom of tante en neef of nicht (oomzeggers),

—schoonouder en schoondochter of schoonzoon,

—zwagers en schoonzusters.

2. Voor de toepassing van deze titel worden personen die in zaken zijn verbonden doordat de één exclusief agent, exclusief distributeur of exclusief concessiehouder, hoedanig ook aangeduid, van de ander is, enkel geacht te zijn verbonden indien zij aan een van de criteria van lid 1 beantwoorden.

Artikel 144

1. Bij de vaststelling, overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek, van de douanewaarde van goederen waarvan de prijs niet daadwerkelijk is betaald op het tijdstip waarop de douanewaarde wordt bepaald, wordt de bij vereffening op genoemd tijdstip te betalen prijs in het algemeen als basis voor de douanewaarde genomen.

2. De Commissie en de Lid-Staten plegen in het Comité overleg over de toepassing van lid 1.

▼M21

Artikel 145

1. Wanneer goederen die voor het vrije verkeer worden aangegeven, deel uitmaken van een grotere in een enkele transactie aangekochte hoeveelheid van dezelfde goederen, is de werkelijk betaalde of te betalen prijs, voor de toepassing van artikel 29, lid 1, van het Wetboek, een prijs die in dezelfde verhouding staat tot de totale prijs als de aangegeven hoeveelheid staat tot de totale aangekochte hoeveelheid.

Een verhoudingsgewijze verdeling van de werkelijk betaalde of te betalen prijs wordt ook toegepast in geval van gedeeltelijk verlies of in geval van beschadiging, vóór het in het vrije verkeer brengen, van de goederen waarvan de douanewaarde wordt bepaald.

2. Na het in het vrije verkeer brengen van de goederen kan de wijziging, door de verkoper ten gunste van de koper, van de werkelijk voor de goederen betaalde of te betalen prijs voor het bepalen van de douanewaarde overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek in aanmerking worden genomen wanneer ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:

a)deze goederen op het in artikel 67 van het Wetboek bedoelde tijdstip gebreken vertoonden;

b)de verkoper de wijziging heeft verricht ter uitvoering van een contractuele garantieverplichting bepaald in een vóór het in het vrije verkeer brengen van de genoemde goederen gesloten koopovereenkomst, en

c)met de gebreken van de goederen niet reeds in het desbetreffende verkoopcontract rekening is gehouden.

3. De werkelijk voor de goederen betaalde of te betalen prijs, zoals gewijzigd overeenkomstig lid 2, mag slechts in aanmerking worden genomen, indien deze wijziging binnen twaalf maanden na de datum van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer van de goederen is geschied.

▼B

Artikel 146

Wanneer de werkelijk betaalde of te betalen prijs bedoeld in artikel 29, lid 1, van het Wetboek een bedrag aan binnenlandse belastingen omvat waaraan de betrokken goederen in het land van oorsprong of van uitvoer onderworpen zijn, wordt het genoemde bedrag niet in de douanewaarde begrepen op voorwaarde dat ten genoegen van de betrokken douaneautoriteiten kan worden aangetoond dat de betreffende goederen daarvan ten voordele van de koper werden of zullen worden vrijgesteld.

Artikel 147

1. Voor de toepassing van artikel 29 van het Wetboek is het feit dat de goederen die het voorwerp van een verkoop uitmaken, voor het vrije verkeer worden aangegeven, een voldoende aanduiding om de goederen als verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap aan te merken. ►M6 In het geval van opeenvolgende verkopen voordat de waarde wordt bepaald, is een dergelijke aanduiding van toepassing op de laatste verkoop als gevolg waarvan de goederen het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht of op een verkoop binnen het douanegebied van de Gemeenschap voordat de goederen in het vrije verkeer worden gebracht.

Wanneer de prijs wordt aangegeven die betrekking heeft op een verkoop die voorafgaat aan de laatste verkoop als gevolg waarvan de goederen het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht, dient ten genoegen van de douaneautoriteiten te worden aangetoond dat deze verkoop met het oog op de uitvoer naar genoemd douanegebied is afgesloten.

De artikelen 178 tot en met 181 bis zijn van toepassing.

2. Indien de goederen, tussen het tijdstip van de verkoop en het tijdstip van het in het vrije verkeer brengen, in een derde land zijn gebruikt, is toepassing van de transactiewaarde ►M6 —————niet verplicht.

3. De koper dient aan geen enkele andere voorwaarde te voldoen dan partij te zijn bij het koopcontract.

Artikel 148

Wanneer met toepassing van artikel 29, lid 1, onder b), van het Wetboek blijkt dat de verkoop of de prijs van ingevoerde goederen is beïnvloed door een voorwaarde of prestatie waarvan de waarde met betrekking tot de goederen waarvan de waarde wordt bepaald kan worden vastgesteld, wordt die waarde aangemerkt als een niet rechtstreekse betaling door de koper aan de verkoper en als een deel van de werkelijk betaalde of te betalen prijs, mits die voorwaarde of prestatie geen betrekking heeft op

a)een activiteit bedoeld in artikel 29, lid 3, onder b), van het Wetboek, of

b)waarvoor overeenkomstig artikel 32 van het Wetboek een verhoging van de werkelijk betaalde of te betalen prijs dient plaats te vinden.

Artikel 149

1. Voor de toepassing van artikel 29, lid 3, onder b), van het Wetboek betekent de uitdrukking „activiteiten die verband houden met het verhandelen van de goederen” alle activiteiten die verband houden met marktonderzoek, reclame voor en promotie van de verkoop van de betrokken goederen, alsmede alle activiteiten die verband houden met de voor de goederen verstrekte garanties.

2. Dergelijke door de koper verrichte activiteiten worden aangemerkt als voor eigen rekening te zijn verricht, zelfs indien de koper daartoe verplicht is ingevolge een overeenkomst met de verkoper.

Artikel 150

1. Voor de toepassing van artikel 30, lid 2, onder a), van het Wetboek (de transactiewaarde van identieke goederen) wordt de douanewaarde vastgesteld op basis van de transactiewaarde van identieke goederen die zijn verkocht op hetzelfde handelsniveau en in nagenoeg dezelfde hoeveelheid als de goederen waarvan de waarde wordt bepaald. Indien een dergelijke verkoop niet wordt vastgesteld, wordt gebruik gemaakt van de transactiewaarde van identieke goederen die zijn verkocht op een verschillend handelsniveau en/of in verschillende hoeveelheden, aangepast ten einde rekening te houden met verschillen in handelsniveau en/of hoeveelheid, mits dergelijke aanpassingen kunnen worden gegrond op bewijzen waaruit duidelijk blijkt dat zij redelijk en exact zijn en daargelaten of daaruit een verhoging of een verlaging van de waarde voortvloeit.

2. Wanneer de in artikel 32, lid 1, onder e), van het Wetboek bedoelde kosten zijn begrepen in de transactiewaarde, wordt deze waarde aangepast ten einde rekening te houden met belangrijke verschillen die, als gevolg van verschillende afstanden en wijzen van vervoer, tussen kosten voor de ingevoerde goederen en de in aanmerking genomen identieke goederen kunnen bestaan.

3. Indien met toepassing van dit artikel meer dan één transactiewaarde van identieke goederen wordt gevonden, wordt de laagste van die waarden gebruikt voor de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen.

4. Bij de toepassing van dit artikel wordt een transactiewaarde voor goederen die zijn voortgebracht door een andere persoon, slechts in aanmerking genomen indien met toepassing van lid 1 geen transactiewaarde kan worden gevonden voor identieke goederen die zijn voortgebracht door dezelfde persoon als de goederen waarvan de waarde wordt bepaald.

5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder transactiewaarde van ingevoerde identieke goederen verstaan een overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek eerder vastgestelde douanewaarde, aangepast ►C1 overeenkomstig lid 1 en lid 2 van het onderhavige artikel.

Artikel 151

1. Voor de toepassing van artikel 30, lid 2, onder b), van het Wetboek (de transactiewaarde van soortgelijke goederen) wordt de douanewaarde vastgesteld op basis van de transactiewaarde van soortgelijke goederen die zijn verkocht op hetzelfde handelsniveau en in nagenoeg dezelfde hoeveelheid als de goederen waarvan de waarde wordt bepaald. Indien een dergelijke verkoop niet bekend is, wordt gebruik gemaakt van de transactiewaarde van soortgelijke goederen die zijn verkocht op een verschillend handelsniveau en/of in verschillende hoeveelheden, aangepast ten einde rekening te houden met verschillen in handelsniveau en/of hoeveelheid, mits dergelijke aanpassingen kunnen worden gestaafd met bewijzen waaruit duidelijk blijkt dat zij redelijk en exact zijn en daargelaten of daaruit een verhoging of een verlaging van de waarde voortvloeit.

2. Wanneer de in artikel 32, lid 1, onder e), van het Wetboek bedoelde kosten zijn begrepen in de transactiewaarde, wordt deze waarde aangepast ten einde rekening te houden met belangrijke verschillen die, als gevolg van de verschillende afstanden en wijzen van vervoer, tussen de kosten voor de ingevoerde goederen en de in aanmerking genomen soortgelijke goederen kunnen bestaan.

3. Indien met toepassing van dit artikel meer dan één transactiewaarde van soortgelijke goederen wordt gevonden, wordt de laagste van die waarden gebruikt voor de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen.

4. Bij de toepassing van dit artikel wordt een transactiewaarde voor goederen die zijn voortgebracht door een andere persoon slechts in aanmerking genomen indien met toepassing van lid 1 geen transactiewaarde kan worden gevonden voor soortgelijke goederen die door dezelfde persoon zijn voortgebracht als de goederen waarvan de waarde wordt bepaald.

5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder transactiewaarde van ingevoerde soortgelijke goederen verstaan een overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek eerder vastgestelde douanewaarde, aangepast ►C1 overeenkomstig lid 1 en lid 2 van het onderhavige artikel.

Artikel 152

1.

a)Indien de ingevoerde goederen dan wel ingevoerde identieke of soortgelijke goederen in de Gemeenschap worden verkocht in de staat waarin zij zijn ingevoerd, wordt de douanewaarde van de ingevoerde goederen, vastgesteld met toepassing van artikel 30, lid 2, onder c), van het Wetboek, gebaseerd op de prijs per eenheid waartegen, op of omstreeks het tijdstip van invoer van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, de ingevoerde goederen dan wel ingevoerde identieke of soortgelijke goederen in de grootste totale hoeveelheid worden verkocht aan personen die niet zijn verbonden met de personen van wie zij deze goederen kopen, onder voorbehoud van aftrek van de volgende elementen:

i)hetzij de commissies die gewoonlijk worden betaald of overeengekomen, hetzij de gebruikelijke opslagen voor winst en algemene kosten (directe en indirecte kosten in verband met het verhandelen van de betrokken goederen daaronder begrepen) bij verkopen in de Gemeenschap van ingevoerde goederen van dezelfde aard of met hetzelfde karakter;

ii)de gebruikelijke kosten van vervoer en verzekering en daarmede verbonden kosten, ontstaan in de Gemeenschap, en

iii)de rechten bij invoer en andere heffingen die in de Gemeenschap zijn verschuldigd bij de invoer of de verkoop van de goederen.

▼M27

a) bisDe douanewaarde van bepaalde in consignatie ingevoerde aan bederf onderhevige goederen mag rechtstreeks worden bepaald overeenkomstig artikel 30, lid 2, onder c), van het wetboek. Hiertoe worden de eenheidsprijzen door de lidstaten aan de Commissie medegedeeld en door deze via Taric bekendgemaakt overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (5).

De eenheidsprijzen worden als volgt berekend en medegedeeld:

i)Na toepassing van de onder a) bedoelde aftrekken, wordt een eenheidsprijs per 100 kg netto voor elke categorie goederen door de lidstaten aan de Commissie medegedeeld. De lidstaten mogen vaste bedragen vaststellen voor de onder a), ii), bedoelde kosten die zij aan de Commissie mededelen.

ii)De eenheidsprijs mag worden gebruikt om de douanewaarde te bepalen van de ingevoerde goederen voor tijdvakken van 14 dagen, waarbij elk tijdvak op een vrijdag aanvangt.

iii)Het referentietijdvak voor de bepaling van de eenheidsprijzen is het voorafgaande tijdvak van 14 dagen dat eindigt op de donderdag voorafgaande aan de week waarin de nieuwe eenheidsprijzen moeten worden vastgesteld.

iv)De lidstaten delen de Commissie de eenheidsprijzen in euro mede uiterlijk om 12.00 uur op de maandag van de week waarin zij door de Commissie worden bekendgemaakt. Wanneer die dag een feestdag is, geschiedt de mededeling op de voorafgaande werkdag. De eenheidsprijzen zijn slechts van toepassing indien zij door de Commissie zijn bekendgemaakt.

De in de eerste alinea van dit punt bedoelde goederen zijn vermeld in bijlage 26.

▼B

b)Indien noch de ingevoerde goederen noch ingevoerde identieke of soortgelijke goederen worden verkocht op of omstreeks het tijdstip van de invoer van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, wordt de douanewaarde van de ingevoerde goederen, vastgesteld met toepassing van de bepalingen van dit artikel, behoudens het bepaalde onder a), gebaseerd op de prijs per eenheid waartegen de ingevoerde goederen dan wel ingevoerde identieke of soortgelijke goederen in dezelfde staat in de Gemeenschap worden verkocht op de vroegste datum na de invoer van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, doch in ieder geval binnen 90 dagen na die invoer.

2. Wanneer noch de ingevoerde goederen noch ingevoerde identieke of soortgelijke goederen, in dezelfde staat, in de Gemeenschap worden verkocht, wordt op verzoek van de importeur de douanewaarde gebaseerd op de prijs per eenheid waartegen de ingevoerde goederen, na bewerking of verwerking, in de grootste totale hoeveelheid worden verkocht aan in de Gemeenschap gevestigde personen die niet zijn verbonden met de personen van wie zij deze goederen kopen, onder aftrek van de waarde die door de be- of verwerking is toegevoegd en de aftrekposten als bedoeld in lid 1, onder a).

3. Voor de toepassing van dit artikel is de prijs per eenheid waartegen de ingevoerde goederen in de grootste totale hoeveelheid worden verkocht, de prijs waartegen het grootste aantal eenheden, op het eerste handelsniveau na de invoer, wordt verkocht aan personen die niet zijn verbonden.

4. Een verkoop in de Gemeenschap aan een persoon die gratis of tegen verminderde prijs rechtstreeks of zijdelings een of meer van de in artikel 32, lid 1, onder b), van het Wetboek bedoelde elementen levert voor gebruik in verband met de voortbrenging en de verkoop voor uitvoer van de ingevoerde goederen, dient voor de toepassing van dit artikel niet in aanmerking te worden genomen bij de vaststelling van de prijs per eenheid.

5. Voor de toepassing van lid 1, onder b), is de „vroegste datum” de datum waarop verkopen van de ingevoerde goederen dan wel ingevoerde identieke of soortgelijke goederen tot stand komen in een hoeveelheid die voldoende is om de prijs per eenheid vast te stellen.

Artikel 153

1. Voor de toepassing van artikel 30, lid 2, onder d), van het Wetboek (een berekende waarde) kunnen de douaneautoriteiten, ten behoeve van de vaststelling van een berekende waarde, geen enkele persoon die niet in de Gemeenschap is gevestigd, oproepen of dwingen tot het overleggen voor onderzoek van enige boekhoudkundige rekening of ander document. Evenwel kunnen de autoriteiten van een Lid-Staat, met toestemming van degene die de goederen heeft voortgebracht, de inlichtingen die door deze met het oog op de vaststelling van de douanewaarde krachtens dit artikel werden verstrekt, in een land dat geen deel uitmaakt van de Gemeenschap controleren, op voorwaarde dat genoemde douaneautoriteiten de douaneautoriteiten van het betrokken land tijdig genoeg inlichten en deze laatste instemmen met het onderzoek.

2. Onder de kosten of de waarde van de materialen en van de vervaardiging bedoeld in artikel 30, lid 2, onder d), eerste streepje, van het Wetboek zijn begrepen de kosten van de elementen bedoeld in artikel 32, lid 1, onder a), punten ii) en iii), van het Wetboek.

Daaronder is mede begrepen de waarde, op passende wijze toegedeeld, van ieder in artikel 32, lid 1, onder b), van het Wetboek omschreven product dat of dienst die door de koper — rechtstreeks of zijdelings — is geleverd voor gebruik in verband met de voortbrenging van de ingevoerde goederen. De waarde van de in artikel 32, lid 1, onder b), punt iv), van het Wetboek genoemde zaken die in de Gemeenschap worden verricht, wordt slechts in de kosten of de waarde begrepen voor zover zij in rekening worden gebracht aan degene die de goederen voortbrengt.

3. Indien voor de vaststelling van een berekende waarde andere inlichtingen worden gebruikt dan die welke door of namens de producent van de goederen zijn verstrekt, doen de douaneautoriteiten aan de aangever, indien deze daarom verzoekt, mededeling van de herkomst van deze inlichtingen, de gebruikte gegevens en de op die gegevens gebaseerde berekeningen, een en ander behoudens artikel 15 van het Wetboek.

4. De in artikel 30, lid 2, onder d), tweede streepje, van het Wetboek genoemde „algemene kosten” omvatten de directe en indirecte kosten van de voortbrenging en de verkoop voor uitvoer van de goederen, voor zover deze kosten niet worden begrepen krachtens artikel 30, lid 2, onder d), eerste streepje.

Artikel 154

Wanneer verpakkingsmiddelen, bedoeld in artikel 32, lid 1, onder a), punt ii), van het Wetboek, bij meer dan één invoer zullen worden gebruikt, worden de kosten daarvan, op verzoek van de aangever, overeenkomstig algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen, naar verhouding toegedeeld.

Artikel 155

Voor de toepassing van artikel 32, lid 1, onder b), punt iv), van het Wetboek worden de kosten van wetenschappelijk onderzoek en voorlopige schetsontwerpen niet in de douanewaarde begrepen.

Artikel 156

Artikel 33, onder c), van het Wetboek is van overeenkomstige toepassing wanneer de douanewaarde wordt bepaald met toepassing van een andere methode dan die gebaseerd op de transactiewaarde.

▼M8

Artikel 156 bis

1. De douaneautoriteiten kunnen, op verzoek van betrokkene, toestaan dat:

—in afwijking van artikel 32, lid 2, van het Wetboek, bepaalde op het tijdstip van ontstaan van de douaneschuld niet te kwantificeren elementen die aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn toe te voegen,

—in afwijking van artikel 33 van het Wetboek, bepaalde niet in de douanewaarde op te nemen kosten, indien het bedrag van deze elementen op het tijdstip dat de douaneschuld ontstaat, niet van de betaalde of te betalen prijs is te onderscheiden,

op grond van passende en specifieke criteria worden vastgesteld.

In dat geval dient de aangegeven douanewaarde niet als voorlopig in de zin van artikel 254, tweede streepje, te worden beschouwd.

2. De vergunning kan slechts worden verleend wanneer:

a)de voltooiing van de in artikel 259 omschreven procedures in de gegeven omstandigheden onevenredig hoge administratiekosten meebrengt;

b)toepassing van de artikelen 30 en 31 van het Wetboek in bijzondere omstandigheden niet aangewezen lijkt;

c)goede redenen bestaan om aan te nemen dat het bedrag aan rechten bij invoer dat verschuldigd wordt gedurende de periode waarin de vergunning van toepassing is, niet lager zal zijn dan het bedrag dat bij afwezigheid van een dergelijke vergunning zou worden geheven;

d)hierdoor de concurrentievoorwaarden niet worden verstoord.

▼B



HOOFDSTUK 2

Royalty's en licentierechten

Artikel 157

1. Voor de toepassing van artikel 32, lid 1, onder c), van het Wetboek wordt onder royalty's en licentierechten onder andere verstaan de betaling voor het gebruik van rechten nopens:

—de vervaardiging van ingevoerde goederen (met name octrooien, tekeningen, modellen en know-how),

—of

—de verkoop voor uitvoer van ingevoerde goederen (met name fabrieks- of handelsmerken, gedeponeerde modellen),

—of

—het gebruik of de wederverkoop van ingevoerde goederen (met name auteursrechten, fabricageprocédés die onafscheidelijk in het ingevoerde goed zijn belichaamd).

2. Onverminderd artikel 32, lid 5, van het Wetboek worden bij de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen met toepassing van artikel 29 van het Wetboek, de royalty of het licentierecht slechts aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs toegevoegd, indien de betaling ervan:

—op de goederen waarvan de waarde wordt bepaald betrekking heeft,

—en

—voor die goederen een verkoopvoorwaarde vormt.

Artikel 158

1. Wanneer de ingevoerde goederen louter een ingrediënt of bestanddeel van in de Gemeenschap vervaardigde goederen zijn, mag aanpassing van de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs slechts geschieden indien de royalty of het licentierecht op die goederen betrekking heeft.

2. Wanneer goederen in niet-gemonteerde staat worden ingevoerd of wanneer zij voor hun doorverkoop slechts een eenvoudige behandeling, zoals verdunning of verpakking, moeten ondergaan, sluit dat niet uit dat de royalty of het licentierecht mag worden aangemerkt als op de ingevoerde goederen betrekking te hebben.

3. Indien de royalty's of licentierechten gedeeltelijk op de ingevoerde goederen en gedeeltelijk op andere ingrediënten of bestanddelen die aan de goederen na hun invoer worden toegevoegd of op verrichtingen of diensten na invoer betrekking hebben, worden deze slechts aan de hand van objectieve en meetbare gegevens, overeenkomstig de in bijlage 23 opgenomen noot voor de interpretatie op artikel 32, lid 2, van het Wetboek, toegedeeld.

Artikel 159

De royalty of het licentierecht betreffende het recht om van een fabrieks- of handelsmerk gebruik te maken wordt slechts aan de voor het ingevoerde goed werkelijk betaalde of te betalen prijs toegevoegd, indien

—de royalty of het licentierecht betrekking heeft op goederen die in ongewijzigde staat zijn doorverkocht of die na de invoer slechts een eenvoudige behandeling hebben ondergaan;

—deze goederen onder de vóór of na de invoer aangebrachte merknaam, waarvoor de royalty of het licentierecht wordt betaald, in de handel worden gebracht,

—en

—het de koper niet vrijstaat dergelijke goederen bij andere, niet met de verkoper verbonden leveranciers aan te kopen.

Artikel 160

Wanneer de koper een royalty of een licentierecht aan een derde betaalt, worden de in artikel 157, lid 2, bedoelde voorwaarden geacht slechts vervuld te zijn indien de verkoper of een met deze verbonden persoon die betaling van de koper verlangt.

Artikel 161

Wanneer de wijze waarop het bedrag van een royalty of licentierecht wordt berekend, verband houdt met de prijs van het ingevoerde goed, wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, verondersteld dat de betaling van die royalty of dat licentierecht op het goed waarvan de waarde wordt bepaald betrekking heeft.

Wanneer echter het bedrag van een royalty of licentierecht onafhankelijk van de prijs van het ingevoerde goed wordt berekend, kan de betaling van die royalty of dat licentierecht niettemin op het goed waarvan de waarde wordt bepaald betrekking hebben.

Artikel 162

Voor de toepassing van artikel 32, lid 1, onder c), van het Wetboek wordt geen rekening gehouden met het land van vestiging van de ontvanger van de royalty's of van het licentierecht.



HOOFDSTUK 3

Plaats van binnenkomst in de Gemeenschap

Artikel 163

1. Voor de toepassing van artikel 32, lid 1, onder e), en artikel 33, onder a), van het Wetboek wordt onder plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap verstaan:

a)voor goederen aangevoerd over zee: de haven van lossing, dan wel de haven van overlading indien de overlading is bevestigd door de douaneautoriteiten van die haven;

b)voor goederen welke zonder overlading, eerst over zee en daarna via binnenwateren zijn aangevoerd: de eerste haven die voor de lossing in aanmerking komt, gelegen hetzij aan de monding van de rivier of het kanaal, hetzij verder landinwaarts, voor zover ten genoegen van de douane wordt aangetoond dat de vrachtprijs tot aan de haven van lossing hoger is dan de vrachtprijs tot aan eerder bedoelde eerste haven;

c)voor goederen welke per spoor, via binnenwateren of over de weg zijn aangevoerd: de plaats waar het eerste douanekantoor is gevestigd;

d)voor op andere wijze aangevoerde goederen: de plaats waar de grens van het douanegebied van de Gemeenschap wordt overschreden.

▼M45

2. Voor goederen welke het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen en naar een plaats van bestemming in een ander gedeelte van dit gebied worden vervoerd over het grondgebied van Belarus, Rusland, Zwitserland, Bosnië en Herzegovina, de Federale Republiek Joegoslavië of de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië wordt bij de bepaling van de douanewaarde de eerste plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap in aanmerking genomen, voor zover de goederen rechtstreeks over het grondgebied van die landen worden vervoerd en het vervoer over deze grondgebieden een normale weg naar de plaats van bestemming vormt.

▼B

3. Voor goederen welke het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen en over zee naar de plaats van bestemming in een ander gedeelte van dit gebied worden vervoerd, wordt bij de bepaling van de douanewaarde de eerste plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap in aanmerking genomen, voor zover de goederen rechtstreeks en langs een normale weg naar de plaats van bestemming worden vervoerd.

▼M45

4. De leden 2 en 3 blijven eveneens van toepassing indien de goederen om vervoertechnische redenen in Belarus, Rusland, Zwitserland, Bosnië en Herzegovina, de Federale Republiek Joegoslavië of de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië werden gelost, overgeladen of tijdelijk opgehouden.

▼B

5. Voor goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen en rechtstreeks worden vervoerd tussen één van de Franse overzeese departementen en een ander deel van het douanegebied van de Gemeenschap, is de plaats van binnenkomst de in de leden 1 en 2 bedoelde plaats, gelegen in het deel van het douanegebied van de Gemeenschap waaruit de goederen herkomstig zijn, mits door de douaneautoriteiten is bevestigd dat de goederen daar gelost of overgeladen zijn.

6. Ingeval de in de leden 2, 3 en 5 gestelde voorwaarden niet zijn vervuld, is de plaats van binnenkomst de in lid 1 bedoelde plaats, gelegen in het deel van het douanegebied van de Gemeenschap waarvoor de goederen bestemd zijn.



HOOFDSTUK 4

Vrachtkosten

Artikel 164

Voor de toepassing van artikel 32, lid 1, onder e), en artikel 33, onder a), van het Wetboek geldt het volgende:

a)Indien goederen met een zelfde soort vervoermiddel worden vervoerd tot een plaats die verder binnenwaarts is gelegen dan de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap, worden de vrachtkosten gesplitst naar evenredigheid van de buiten en binnen het douanegebied van de Gemeenschap afgelegde afstanden, tenzij ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond welke de vrachtkosten zijn die, volgens een algemeen en verplicht tarief, verschuldigd zouden zijn voor het vervoer van de goederen tot de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap.

b)Indien goederen worden gefactureerd tegen een uniforme prijs franco plaats van bestemming, welke prijs overeenkomt met die op de plaats van binnenkomst, dienen de vrachtkosten voor het traject binnen de Gemeenschap daarop niet in vermindering te worden gebracht. Aftrek is evenwel toegestaan indien ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat de prijs franco grens lager zou zijn dan de uniforme prijs voor levering franco plaats van bestemming.

c)Indien het vervoer kosteloos of met een vervoermiddel van de koper plaatsvindt, dienen de vrachtkosten tot de plaats van binnenkomst, berekend volgens de gebruikelijke tarieven voor vervoer met een zelfde soort vervoermiddel, in de douanewaarde te worden begrepen.

Artikel 165

1. De portokosten tot de plaats van bestemming op met de post verzonden goederen dienen in hun geheel in de douanewaarde van deze goederen te worden begrepen, met uitzondering van de bijkomende postale kosten, die eventueel in het land van invoer worden geheven.

2. Deze kosten geven evenwel geen aanleiding tot een aanpassing van de aangegeven waarde bij het bepalen van de douanewaarde van goederen die vervat zijn in zendingen waaraan elk handelskarakter vreemd is.

3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op goederen die worden vervoerd door de expresse-postdiensten genoemd EMS-Datapost (in Denemarken EMS-Jetpost, in Duitsland EMS-Kurierpostsendungen en in Italië CAI-Post)

Artikel 166

De in de douanewaarde van de goederen te begrijpen luchtvrachtkosten worden vastgesteld volgens de regels en percentages in bijlage 25.

▼M21 —————

▼B



HOOFDSTUK 6

Wisselkoersen

Artikel 168

►C2 Voor de toepassing van de artikelen 169 tot en met 172 wordt verstaan onder:

a)„genoteerde koers”:

—de laatste verkoopkoers die voor handelstransacties op de meest representatieve valutamarkt of valutamarkten van de betrokken Lid-Staat wordt genoteerd,

—of

—enigerlei andere omschrijving van een aldus genoteerde wisselkoers die door de Lid-Staat als de „genoteerde koers” wordt aangemerkt, op voorwaarde dat deze een zo werkelijk mogelijke weergave van de gangbare waarde van de betrokken munteenheid bij handelstransacties is;

b)„gepubliceerd” algemeen bekendgemaakt op door de betrokken Lid-Staat aangeduide wijze;

c)„munteenheid” elke munteenheid die ter vereffening tussen monetaire autoriteiten of op de internationale markt wordt gebruikt.

Artikel 169

1. Wanneer de gegevens voor de bepaling van de douanewaarde op het ogenblik van die bepaling in een andere munteenheid zijn uitgedrukt dan in die van de Lid-Staat waar de waardebepaling geschiedt, is de voor het bepalen van die waarde in de munteenheid van de betrokken Lid-Staat te gebruiken wisselkoers de op de voorlaatste woensdag van de maand genoteerde wisselkoers welke op die dag of op de daaropvolgende dag wordt gepubliceerd.

2. De op de voorlaatste woensdag van de maand genoteerde wisselkoers geldt gedurende de volgende kalendermaand, tenzij hij door een overeenkomstig artikel 171 vastgestelde koers wordt vervangen.

3. Indien een wisselkoers niet op de in lid 1 bedoelde voorlaatste woensdag wordt genoteerd of, indien hij wordt genoteerd, niet op die dag noch op de daaropvolgende dag wordt gepubliceerd, wordt de voor de betrokken munteenheid laatst genoteerde en in de voorafgaande 14 dagen gepubliceerde wisselkoers geacht de op die woensdag genoteerde wisselkoers te zijn.

Artikel 170

Indien een wisselkoers niet overeenkomstig artikel 169 kan worden vastgesteld, wordt de voor de toepassing van artikel 35 van het Wetboek te gebruiken wisselkoers door de betrokken Lid-Staat aangewezen. Deze dient een zo getrouw mogelijke weergave, in de munteenheid van die Lid-Staat, van de gangbare waarde van de betrokken munteenheid bij handelstransacties te zijn.

Artikel 171

1. Wanneer een op de laatste woensdag van een maand genoteerde koers welke op die dag of op de daaropvolgende dag wordt gepubliceerd, 5 % of meer van de overeenkomstig artikel 169 vastgestelde en vanaf de volgende maand te gebruiken koers afwijkt, treedt deze in de plaats van de laatstgenoemde koers en geldt vanaf de eerste woensdag van die maand als de koers die voor de toepassing van artikel 35 van het Wetboek dient te worden gebruikt.

2. Wanneer een op een woensdag van de in bovenstaande bepalingen genoemde toepassingsperiode genoteerde koers, welke op die dag of op de daaropvolgende dag wordt gepubliceerd, met 5 % of meer van de overeenkomstig de bepalingen van de onderhavige bepalingen gebruikte koers afwijkt, dan treedt deze in de plaats van laatstgenoemde koers en geldt met ingang van de volgende woensdag als de koers die voor de toepassing van artikel 35 van het Wetboek dient te worden gebruikt. Deze vervangende koers geldt voor de rest van de lopende maand, tenzij hij op grond van de eerste volzin van dit lid wordt vervangen door een andere koers.

3. Wanneer in een Lid-Staat een wisselkoers niet op een woensdag wordt genoteerd of, indien hij wordt genoteerd, niet op die dag noch op de daaropvolgende dag wordt gepubliceerd, wordt voor de toepassing van de leden 1 en 2 in die Lid-Staat als genoteerde koers aangemerkt de koers die voorafgaande aan die woensdag het laatst is genoteerd en gepubliceerd.

Artikel 172

Wanneer de douaneautoriteiten van een Lid-Staat een aangever toestaan bepaalde gegevens van de aangifte voor het vrije verkeer in de vorm van een periodieke aangifte te verstrekken, kan op verzoek van de aangever worden toegestaan dat één enkele wisselkoers wordt toegepast voor de omrekening in de nationale munteenheid van de betreffende Lid-Staat van de elementen ter bepaling van de douanewaarde die in een bepaalde munteenheid zijn uitgedrukt. In dat geval is de toe te passen koers de overeenkomstig de onderhavige bepalingen vastgestelde wisselkoers, die geldt op de eerste dag van de periode waarop de aangifte betrekking heeft.



HOOFDSTUK 7

Vereenvoudigde procedure voor bepaalde aan bederf onderhevige goederen

▼M27 —————

▼B



HOOFDSTUK 8

Aangifte van te verstrekken gegevens en overlegging van de desbetreffende stukken

Artikel 178

1. Wanneer de douanewaarde dient te worden vastgesteld, wordt, voor de toepassing van de artikelen 28 tot en met 36 van het Wetboek, een aangifte van gegevens inzake de douanewaarde gevoegd bij de aangifte die voor de ingevoerde goederen wordt gedaan. De aangifte van de gegevens inzake de douanewaarde wordt gedaan op een formulier D.V. 1 dat overeenstemt met het model in bijlage 28, in voorkomend geval vergezeld van een of meer formulieren D.V. 1 BIS die overeenstemmen met het model in bijlage 29.

▼M14

2. De aangifte van de douanewaarde overeenkomstig lid 1 mag slechts worden gedaan door een in de Gemeenschap gevestigde persoon die over alle desbetreffende feitelijke gegevens beschikt.

Artikel 64, lid 2, onder b), tweede streepje, en lid 3, van het wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.

▼B

3. Wanneer de douanewaarde van de betrokken goederen niet kan worden vastgesteld met toepassing van artikel 29 van het Wetboek, kunnen de douaneautoriteiten afzien van de eis dat de aangifte wordt gedaan op een formulier dat overeenstemt met het in lid 1 genoemde model. In die gevallen dient de in lid 2 bedoelde persoon de betrokken douaneautoriteiten alle overige inlichtingen te verstrekken of te laten verstrekken die nodig zijn ten einde de douanewaarde vast te stellen krachtens een ander artikel van het Wetboek; deze inlichtingen worden verstrekt in de vorm en onder de voorwaarden als voorgeschreven door de betrokken douaneautoriteiten.

4. Het indienen bij een douanekantoor van een krachtens lid 1 vereiste aangifte geldt, onverminderd de eventuele toepassing van strafbepalingen, als het op zich nemen door de in lid 2 bedoelde persoon van de aansprakelijkheid voor:

—de juistheid en volledigheid van de in de aangifte verstrekte gegevens,

—de echtheid van de tot staving van die gegevens overgelegde stukken,

—en

—het verstrekken van alle bijkomende inlichtingen of documenten die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de douanewaarde van de goederen.

5. Dit artikel is niet van toepassing op goederen waarvan de douanewaarde wordt bepaald volgens het systeem van vereenvoudigde procedures vastgesteld overeenkomstig de artikelen 173 tot en met 177.

Artikel 179

1. Behoudens wanneer dit onmisbaar is voor een juiste heffing van de rechten bij invoer, kunnen de douaneautoriteiten geheel of gedeeltelijk afzien van de in artikel 178, lid 1, bedoelde aangifte:

a)wanneer de douanewaarde van de ingevoerde goederen per zending niet hoger is dan ►M21 10 000 EUR, voor zover het geen deelzendingen of meervoudige zendingen betreft welke door een zelfde afzender aan een zelfde geadresseerde worden verzonden,

of

b)wanneer het invoerbewegingen betreft waaraan elk handelskarakter vreemd is,

of

c)wanneer het verstrekken van die gegevens niet noodzakelijk is voor de toepassing van het douanetarief van de Europese Gemeenschappen of indien de in het tarief vastgelegde douanerechten niet dienen te worden geheven omdat bijzondere douanevoorschriften van toepassing zijn.

2. Het in lid 1, onder a), vermelde bedrag in ecu wordt omgerekend overeenkomstig artikel 18 van het Wetboek. Het na bedoelde omrekening verkregen bedrag kan door de douaneautoriteiten naar boven of naar beneden worden afgerond.

De douaneautoriteiten hebben eveneens de mogelijkheid om de tegenwaarde in nationale valuta van het in ecu vastgestelde bedrag ongewijzigd te handhaven indien, bij de jaarlijkse aanpassing als bedoeld in artikel 18 van het Wetboek, de omrekening van dat bedrag vóór de in dit lid bedoelde afronding leidt tot een wijziging van de in nationale valuta uitgedrukte tegenwaarde van minder dan 5 % of tot een verlaging van deze tegenwaarde.

3. Ten aanzien van de regelmatige invoer van goederen die het voorwerp uitmaken van transacties gesloten onder dezelfde handelsvoorwaarden tussen dezelfde verkoper en dezelfde koper, kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat niet alle in artikel 178, lid 1, bedoelde gegevens bij iedere aangifte worden verstrekt; zij eisen deze gegevens evenwel telkens wanneer de omstandigheden een wijziging ondergaan en ten minste eenmaal elke drie jaar.

4. Een op grond van dit artikel toegestane ontheffing kan worden ingetrokken en de overlegging van een formulier D.V. 1 kan worden geëist ingeval wordt vastgesteld dat aan een voor het verlenen van die ontheffing noodzakelijke voorwaarde niet is voldaan of deze voorwaarde niet meer geldt.

Artikel 180

Wanneer systemen voor geautomatiseerde gegevensverwerking worden gebruikt of wanneer de betrokken goederen het voorwerp uitmaken van een algemene, periodieke of samenvattende aangifte, kunnen de Lid-Staten afwijkingen toestaan in de vorm waarin de voor de vaststelling van de douanewaarde vereiste inlichtingen worden verstrekt.

Artikel 181

1. De in artikel 178, lid 2, bedoelde persoon is gehouden een exemplaar van de factuur op grond waarvan de douanewaarde van de in te voeren goederen wordt aangegeven, aan de douanedienst over te leggen. Wordt de aangifte van de douanewaarde schriftelijk gedaan, dan behouden de douaneautoriteiten dit exemplaar.

2. In gevallen waarin de aangifte van de douanewaarde schriftelijk wordt gedaan en de op de ingevoerde goederen betrekking hebbende factuur is opgemaakt ten name van een persoon die gevestigd is in een andere Lid-Staat dan die waar de douanewaarde wordt aangegeven, dient de aangever aan de douaneautoriteiten twee exemplaren van genoemde factuur over te leggen. Eén van die exemplaren moet door de douaneautoriteiten worden bewaard, het andere, voorzien van een afdruk van de douanestempel en het volgnummer waaronder de aangifte door het douanekantoor is ingeschreven, moet aan de aangever worden teruggegeven ten einde te worden toegezonden aan degene ten name van wie de factuur is opgemaakt.

3. De Lid-Staten kunnen voorschrijven dat het bepaalde in lid 2 eveneens van toepassing is in gevallen waarin degene ten name van wie de factuur is opgemaakt, is gevestigd in de Lid-Staat waar de douanewaarde wordt aangegeven.

▼M5

Artikel 181 bis

1. De douaneautoriteiten behoeven de douanewaarde van ingevoerde goederen niet op basis van de methode van de transactiewaarde vast te stellen indien zij overeenkomstig de in lid 2 omschreven procedure, wegens gegronde twijfel, niet ervan overtuigd zijn dat de aangegeven waarde met de in artikel 29 van het Wetboek omschreven totale betaalde of te betalen prijs overeenkomt.

2. Wanneer bij de douaneautoriteiten de in lid 1 bedoelde twijfel bestaat, kunnen zij overeenkomstig artikel 178, lid 4, om aanvullende informatie vragen. Indien deze twijfel blijft bestaan, stellen de douaneautoriteiten, alvorens een definitieve beslissing te nemen, de betrokkene, desgevraagd schriftelijk, in kennis van de redenen voor die twijfel en bieden zij hem een redelijke gelegenheid daarop te antwoorden. De definitieve beslissing en de redenen daarvoor worden de betrokkene schriftelijk meegedeeld.

▼B



TITEL VI

BINNENBRENGEN VAN GOEDEREN IN HET DOUANEGEBIED



▼M29

HOOFDSTUK 1

Summiere aangifte bij binnenkomst

▼M29



Afdeling 1

Toepassingsgebied

▼M33

Artikel 181 ter

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en bijlage 30 bis wordt verstaan onder:

vervoerder :

de persoon die de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap binnenbrengt of die de aansprakelijkheid aanvaardt voor het vervoer van de goederen tot in het douanegebied van de Gemeenschap, als bedoeld in artikel 36 ter, lid 3, van het Wetboek. Hierbij geldt evenwel het volgende:

—bij gecombineerd vervoer, als bedoeld in artikel 183 ter, wordt onder vervoerder de persoon verstaan die het vervoermiddel exploiteert dat, nadat het in het douanegebied van de Gemeenschap is binnengebracht, zichzelf als actief vervoermiddel voortbeweegt;

—bij vervoer over zee of door de lucht in het kader van een charterovereenkomst of een overeenkomst voor het delen van laadruimte, als bedoeld in artikel 183 quater, wordt onder vervoerder de persoon verstaan die een overeenkomst heeft gesloten en een cognossement of luchtvrachtbrief heeft afgegeven om de goederen feitelijk in het douanegebied van de Gemeenschap binnen te brengen.

▼M29

Artikel 181 quater

Een summiere aangifte bij binnenkomst is niet vereist voor de volgende goederen:

a)elektrische energie;

b)goederen die door middel van een pijpleiding binnenkomen;

c)brieven, briefkaarten en drukwerk, ook indien op elektronische dragers;

d)goederen die overeenkomstig de voorschriften van het Wereldpostverdrag worden vervoerd;

▼M38

e)goederen waarvoor een douaneaangifte door enige andere handeling is toegestaan overeenkomstig de artikelen 230, 232 en 233, met uitzondering van roerende goederen en voorwerpen als omschreven in artikel 2, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad (6), laadborden, containers en middelen voor het vervoer over de weg, per spoor, door de lucht, over zee en de binnenwateren die op grond van een vervoersovereenkomst worden vervoerd;

▼M29

f)goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers;

▼M38

g)goederen waarvoor een mondelinge douaneaangifte is toegestaan overeenkomstig de artikelen 225, 227 en 229, lid 1, met uitzondering van roerende goederen en voorwerpen als omschreven in artikel 2, lid 1, onder d), van Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad, laadborden, containers en middelen voor het vervoer over de weg, per spoor, door de lucht, over zee en de binnenwateren die op grond van een vervoersovereenkomst worden vervoerd;

▼M29

h)door carnets ATA en CPD gedekte goederen;

i)goederen die worden vervoerd onder geleide van het formulier 302 als bedoeld in het op 19 juni 1951 te Londen ondertekende Verdrag tussen de staten die partij zijn bij het Noord-Atlantisch Verdrag nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten;

▼M33

j)goederen die worden vervoerd aan boord van vaartuigen die een lijndienst onderhouden overeenkomstig artikel 313 ter en goederen aan boord van vaartuigen of luchtvaartuigen die tussen havens of luchthavens van de Gemeenschap worden vervoerd zonder een haven of luchthaven buiten het douanegebied van de Gemeenschap aan te doen;

▼M29

k)goederen die voor vrijstelling in aanmerking komen op grond van het Verdrag van Wenen inzake diplomatieke betrekkingen van 18 april 1961, het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 24 april 1963 of andere consulaire verdragen of het Verdrag van New York inzake bijzondere missies;

▼M33

l)wapens en militaire uitrusting die door de autoriteiten die met de militaire verdediging van een lidstaat zijn belast in het douanegebied van de Gemeenschap worden gebracht, in het kader van een militair vervoer of een uitsluitend voor de militaire autoriteiten bestemd vervoer;

▼M38

m)de volgende goederen die het douanegebied van de Gemeenschap rechtstreeks binnenkomen vanaf boor- of productieplatforms of windturbines die door een in het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde persoon worden geëxploiteerd:

i)goederen die bij de bouw, het herstel, het onderhoud of de verbouwing van deze platforms of windturbines daarvan een deel zijn gaan uitmaken;

ii)goederen die voor de uitrusting van deze platforms of windturbines zijn gebruikt;

iii)andere voorzieningen die op die platforms of windturbines worden gebruikt of verbruikt, en

iv)ongevaarlijke afvalproducten van deze platforms of windturbines;

▼M33

n)zendingen waarvan de intrinsieke waarde niet meer dan 22 EUR bedraagt, mits de douaneautoriteiten ermee instemmen dat, met goedkeuring van de marktdeelnemer, een risicoanalyse wordt verricht aan de hand van de informatie die aanwezig is in of wordt geleverd door het door de marktdeelnemer gebruikte systeem.

▼M38

o)goederen die worden gebracht vanuit gebieden binnen het douanegebied van de Gemeenschap waar Richtlijn 2006/112/EG van de Raad (7) of Richtlijn 2008/118/EG van de Raad (8) niet van toepassing zijn en goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen vanuit Helgoland, de Republiek San Marino en Vaticaanstad.

▼M33 —————

▼M29

Artikel 181 quinquies

Indien een internationale overeenkomst tussen de Gemeenschap en een derde land voorziet in de erkenning van in het land van uitvoer verrichte veiligheidscontroles, zijn de in die overeenkomst opgenomen voorwaarden van toepassing.



▼M29

Afdeling 2

De indiening van een summiere aangifte bij binnenkomst

Artikel 183

1. De summiere aangifte bij binnenkomst wordt elektronisch ingediend. Zij bevat de in bijlage 30 bis voor een dergelijke aangifte vereiste gegevens en wordt ingevuld overeenkomstig de toelichting in die bijlage.

De summiere aangifte bij binnenkomst wordt gewaarmerkt door de indiener van die aangifte.

Artikel 199, lid 1, is van overeenkomstige toepassing.

2. ►M33 De douaneautoriteiten staan slechts in een van de volgende omstandigheden toe, dat de summiere aangifte bij binnenkomst op papier wordt ingediend of dat een andere tussen de douaneautoriteiten overeengekomen procedure ter vervanging daarvan wordt gevolgd:

a)het computersysteem van de douane werkt niet;

b)en/of, de elektronische applicatie van de indiener van de summiere aangifte bij binnenkomst werkt niet.

▼M34

In de in de eerste alinea, onder a) en b), bedoelde gevallen wordt de summiere aangifte bij binnenkomst op papier gedaan met behulp van het document veiligheid overeenkomstig het in bijlage 45 decies opgenomen model. Wanneer de zending waarvoor een summiere aangifte bij binnenkomst wordt opgesteld, uit meer dan één artikel bestaat, wordt het document veiligheid aangevuld met een lijst van artikelen overeenkomstig het in bijlage 45 undecies opgenomen model. Deze lijst van artikelen maakt deel uit van het document veiligheid.

▼M34

In de in de eerste alinea, onder a) en b), bedoelde gevallen kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat het document veiligheid wordt vervangen door of aangevuld met handelsdocumenten, op voorwaarde dat de aan de douane voorgelegde documenten de krachtens bijlage 30 bis voor summiere aangiften bij binnenkomst vereiste gegevens bevatten.

▼M29

3. De douaneautoriteiten stellen in onderlinge overeenstemming de procedure vast, die in de in lid 2, eerste alinea, onder a), bedoelde gevallen moet worden gevolgd.

4. In het in de eerste alinea, lid 2, onder b), bedoelde geval is voor het indienen van een summiere aangifte bij binnenkomst op papier de goedkeuring van de douane vereist.

De summiere aangifte bij binnenkomst op papier wordt ondertekend door degene die deze doet.

5. Summiere aangiften bij binnenkomst worden onmiddellijk door de douaneautoriteiten geregistreerd.

▼M33

6. De douaneautoriteiten stellen de indiener van de summiere aangifte bij binnenkomst onmiddellijk in kennis van de registratie van die aangifte. Wanneer de summiere aangifte bij binnenkomst door een in artikel 36 ter, lid 4, van het Wetboek bedoelde persoon wordt ingediend, stellen de douaneautoriteiten ook de vervoerder in kennis van de registratie, mits de vervoerder op het douanesysteem is aangesloten.

7. Wanneer de summiere aangifte bij binnenkomst door een in artikel 36 ter, lid 4, van het Wetboek bedoelde persoon wordt ingediend, mogen de douaneautoriteiten ervan uitgaan, tenzij het tegendeel wordt aangetoond, dat de vervoerder in het kader van de vervoersovereenkomst zijn toestemming heeft gegeven en dat de aangifte met zijn kennis is ingediend.

8. De douaneautoriteiten stellen de persoon die wijzigingen van de summiere aangifte bij binnenkomst heeft ingediend, onmiddellijk in kennis van de registratie van die wijzigingen. Wanneer de wijzigingen van de summiere aangifte bij binnenkomst door een in artikel 36 ter, lid 4, van het Wetboek bedoelde persoon worden ingediend, stellen de douaneautoriteiten ook de vervoerder hiervan in kennis, mits de vervoerder de douaneautoriteiten hierom heeft verzocht en hij op het douanesysteem is aangesloten.

9. Wanneer 200 dagen na de indiening van een summiere aangifte bij binnenkomst de douane niet van de aankomst van het vervoermiddel in kennis is gesteld overeenkomstig artikel 184 octies of de goederen niet bij de douane zijn aangebracht overeenkomstig artikel 186, wordt de summiere aangifte bij binnenkomst geacht niet te zijn ingediend.

▼M29

Artikel 183 bis

1. De gegevens die in het kader van een douanevervoerregeling zijn verstrekt, kunnen op de volgende voorwaarden als een summiere aangifte bij binnenkomst worden gebruikt:

a)de goederen komen in het kader van de regeling douanevervoer het douanegebied van de Gemeenschap binnen;

b)de gegevens over het douanevervoer worden met behulp van informatietechnologie en computernetwerken uitgewisseld;

c)de gegevens over het douanevervoer bevatten alle gegevens die voor een summiere aangifte bij binnenkomst zijn vereist.

2. Mits de gegevens over het douanevervoer die de vereiste gegevens bevatten, binnen de in artikel 184 bis vastgestelde termijn zijn uitgewisseld, wordt aan de eisen van artikel 183 geacht te zijn voldaan, zelfs wanneer de goederen buiten het douanegebied van de Gemeenschap voor douanevervoer zijn vrijgegeven.

▼M33

Artikel 183 ter

In het geval van gecombineerd vervoer waarbij het actieve vervoermiddel dat het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomt, uitsluitend een ander vervoermiddel vervoert dat, na binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap, zichzelf als actief vervoermiddel voortbeweegt, berust de verplichting tot het indienen van de summiere aangifte bij binnenkomst bij de exploitant van dat andere vervoermiddel.

De termijn voor het indienen van de summiere aangifte bij binnenkomst is de termijn die in artikel 184 bis is vastgesteld voor het actieve vervoermiddel dat het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomt.

▼M29

Artikel 183 quater

In het geval van zee- of luchtvervoer in het kader van een charterovereenkomst of een overeenkomst voor het delen van laadruimte, berust de verplichting tot het indienen van de summiere aangifte bij binnenkomst bij de persoon die de overeenkomst uitvoert en het cognossement of luchtvrachtbrief heeft afgegeven voor het feitelijke vervoer van de goederen met het vaartuig of het luchtvaartuig overeenkomstig de overeenkomst.

▼M33

Artikel 183 quinquies

1. Wanneer een actief vervoermiddel dat het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomt, eerst aankomt bij een douanekantoor in een lidstaat dat in de summiere aangifte bij binnenkomst niet was opgegeven, deelt de exploitant van dit vervoermiddel of zijn vertegenwoordiger dit mede aan het opgegeven douanekantoor van binnenkomst door middel van een bericht „verzoek om uitwijking”. Dit bericht bevat de in bijlage 30 bis vermelde gegevens en wordt opgesteld overeenkomstig de toelichtingen in die bijlage. Dit lid is niet van toepassing op de in artikel 183 bis bedoelde gevallen.

2. Het opgegeven douanekantoor van binnenkomst stelt het feitelijke douanekantoor van binnenkomst van de uitwijking en de resultaten van de veiligheidsrisicoanalyse in kennis.

▼B

Artikel 184

1. De ►M29 artikel 183, leden 1 en 2, bedoelde persoon is verplicht om de goederen waarvoor een summiere aangifte is ingediend, op elke vordering van de douaneautoriteiten opnieuw volledig aan te bieden, zolang zij niet zijn gelost van het vervoermiddel waarop zij zich bevinden, tot op het moment dat de goederen een douanebestemming krijgen.

2. Alle personen die de goederen, na het lossen, achtereenvolgens onder zich hebben om deze te verplaatsen of op te slaan, zijn gehouden tot het nakomen van de verplichting om de goederen op elke vordering van de douaneautoriteiten opnieuw volledig aan te bieden.

▼M29



Afdeling 3

Termijnen

Artikel 184 bis

1. In het geval van vervoer over zee, wordt de summiere aangifte bij binnenkomst binnen de volgende termijnen bij het douanekantoor van binnenkomst ingediend:

a)voor in containers vervoerde goederen, tenzij punt c) of punt d) van toepassing is: ten minste 24 uur voor het laden in de haven van vertrek;

▼M33

b)voor stort-/stukgoederen, behalve wanneer punt c) of d) van toepassing is: ten minste vier uur voor aankomst in de eerste haven in het douanegebied van de Gemeenschap.

▼M29

c)bij vervoer tussen Groenland, de Faeröer, Ceuta, Melilla, Noorwegen, IJsland of de havens aan de Oostzee, de Noordzee, de Zwarte Zee, de Middellandse Zee of alle havens in Marokko, en het douanegebied van de Gemeenschap, met uitzondering van de Franse overzeese departementen, de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden: ten minste twee uur voor aankomst in de eerste haven in het douanegebied van de Gemeenschap;

d)voor ander dan onder c) bedoeld vervoer tussen een gebied buiten het douanegebied van de Gemeenschap en de Franse overzeese departementen, de Azoren, Madeira of de Canarische Eilanden, wanneer de reisduur minder dan 24 uur is: ten minste twee uur voor aankomst in de eerste haven in het douanegebied van de Gemeenschap.

2. In het geval van vervoer door de lucht, wordt de summiere aangifte bij binnenkomst binnen de volgende termijnen ingediend bij het douanekantoor van binnenkomst:

a)voor korte vluchten: ten laatste wanneer het luchtvaartuig feitelijk opstijgt;

b)voor lange vluchten: ten minste vier uur voor aankomst in de eerste luchthaven in het douanegebied van de Gemeenschap.

Voor de toepassing van dit lid wordt onder een korte vlucht verstaan, een vlucht van minder dan vier uur vanaf de laatste luchthaven van vertrek in een derde land tot de aankomst in de eerste luchthaven in de Gemeenschap. Alle andere vluchten worden geacht lange vluchten te zijn.

▼C16

3. In het geval van vervoer per spoor en over de binnenwateren, wordt de summiere aangifte bij binnenkomst ten minste twee uur voor aankomst bij het douanekantoor van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap ingediend bij het douanekantoor van binnenkomst.

4. In het geval van vervoer over de weg, wordt de summiere aangifte bij binnenkomst ten minste één uur voor aankomst bij het douanekantoor van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap ingediend bij het douanekantoor van binnenkomst.

▼M29

5. Wanneer de summiere aangifte bij binnenkomst niet met behulp van een gegevensverwerkingstechniek wordt ingediend, bedragen de in lid 1, onder c) en d), lid 2, onder a), en de leden 3 en 4, vastgestelde termijnen ten minste vier uur.

6. Ingeval het computersysteem van de douaneautoriteiten tijdelijk buiten gebruik is, blijven de in de leden 1 tot en met 4 vastgestelde termijnen van toepassing.

Artikel 184 ter

De in artikel 184 bis, leden 1 tot en met 4, vastgestelde termijnen zijn in de volgende gevallen niet van toepassing:

a)wanneer internationale overeenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen voorzien in de erkenning van de in artikel 181 quinquies bedoelde veiligheidscontroles;

b)wanneer de aangiftegegevens krachtens overeenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen binnen andere termijnen moeten worden uitgewisseld dan die welke zijn bepaald in artikel 184 bis, leden 1 tot en met 4.

c)in geval van overmacht.

Artikel 184 quater

Wanneer bij de douane aangebrachte goederen waarvoor een summiere aangifte bij binnenkomst moet worden ingediend, niet door een dergelijke aangifte worden gedekt, wordt deze onmiddellijk ingediend door de persoon die de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap heeft binnengebracht of die voor het vervoer van de goederen verantwoordelijk was.

Wanneer een marktdeelnemer een summiere aangifte bij binnenkomst na de in artikel 184 bis vastgestelde termijnen indient, doet dit geen afbreuk aan de toepassing van de sancties die in het nationale recht zijn voorzien.



Afdeling 4

Risicoanalyse

Artikel 184 quinquies

1. Na ontvangst van de gegevens van de summiere aangifte bij binnenkomst voert het douanekantoor van binnenkomst een voornamelijk op veiligheid gerichte risicoanalyse uit, voordat de goederen het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen.

Wanneer de summiere aangifte bij binnenkomst bij een ander douanekantoor is ingediend dan het douanekantoor van binnenkomst en de gegevens overeenkomstig artikel 36 bis, lid 2, en artikel 36 quater, lid 1, tweede alinea, van het Wetboek, zijn doorgegeven, aanvaardt het kantoor van binnenkomst de resultaten van de door het andere douanekantoor verrichte risicoanalyse of houdt het rekening met deze resultaten wanneer het zelf een risicoanalyse verricht.

2. De douaneautoriteiten voltooien de risicoanalyse, voordat de goederen aankomen, mits de bij artikel 184 bis vastgestelde termijnen in acht zijn genomen.

Voor goederen die worden vervoerd op de in artikel 184 bis, lid 1, onder a), bedoelde wijze, voltooien de douaneautoriteiten de risicoanalyse binnen 24 uur na de ontvangst van de summiere aangifte bij binnenkomst. ►M33 Wanneer deze analyse bij de douaneautoriteiten een redelijk vermoeden doet ontstaan, dat de binnenkomst van deze goederen in het douanegebied van de Gemeenschap een zodanig ernstig veiligheidsrisico inhoudt, dat een onmiddellijk optreden is vereist, stellen de douaneautoriteiten de indiener van de summiere aangifte en, indien dit een ander is, de vervoerder mits deze op het douanesysteem is aangesloten, ervan in kennis dat de goederen niet mogen worden geladen. Deze kennisgeving wordt binnen 24 uur na ontvangst van de summiere aangifte bij binnenkomst gedaan.

▼M33

3. Wanneer goederen waarvoor, overeenkomstig ►M38 artikel 181 quater, onder c) tot en met i) en onder l) tot en met o), geen summiere aangifte bij binnenkomst behoeft te worden ingediend, het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, wordt de risicoanalyse bij het aanbrengen van de goederen verricht, op grond van de summiere aangifte voor tijdelijke opslag of de douaneaangifte voor deze goederen, indien deze beschikbaar zijn.

▼M29

4. Bij de douaneautoriteiten aangebrachte goederen kunnen voor een douanebestemming worden vrijgegeven, zodra dit op grond van de risicoanalyse mogelijk is.

Artikel 184 sexies

Wanneer een vaartuig of luchtvaartuig meer dan één haven of luchthaven in het douanegebied van de Gemeenschap moet aandoen, zonder daartussen een haven of luchthaven buiten het douanegebied van de Gemeenschap aan te doen, wordt de summiere aangifte bij binnenkomst voor alle vervoerde goederen in de eerste haven of luchthaven van de Gemeenschap ingediend. De douaneautoriteiten van de eerste haven of luchthaven van binnenkomst voeren de risicoanalyse voor veiligheidsdoeleinden uit voor alle vervoerde goederen. Aanvullende risicoanalysen kunnen voor die goederen worden uitgevoerd in de haven of luchthaven waar zij worden gelost.

▼M33

Wanneer een risico wordt vastgesteld, neemt het douanekantoor van de eerste haven of luchthaven van binnenkomst verbodsmaatregelen in het geval van zendingen waarvan is vastgesteld dat zij een zodanig ernstig risico inhouden, dat een onmiddellijk optreden is vereist, en geeft het in ieder geval de resultaten van de risicoanalyse door aan de volgende havens of luchthavens.

Bij de volgende havens of luchthavens in het douanegebied van de Gemeenschap is artikel 186 van toepassing op goederen die in die haven of luchthaven worden aangebracht.

▼M33 —————

▼M33



Afdeling 5

Kennisgeving van aankomst

Artikel 184 octies

De exploitant van het actieve vervoermiddel dat het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomt of zijn vertegenwoordiger stelt het eerste douanekantoor van binnenkomst in kennis van de aankomst van het vervoermiddel. Deze kennisgeving van aankomst bevat de gegevens die nodig zijn voor de identificatie van de summiere aangiften bij binnenkomst voor alle goederen die door dat vervoermiddel worden vervoerd. Zo mogelijk, wordt gebruikgemaakt van de beschikbare methoden om van de aankomst kennis te geven.



▼M29

HOOFDSTUK 2

Tijdelijke opslag

▼B

Artikel 185

1. Wanneer de in artikel 51, lid 1, van het Wetboek bedoelde plaatsen permanent zijn goedgekeurd voor de tijdelijke opslag van goederen, worden deze plaatsen „ruimten voor tijdelijke opslag” genoemd.

2. Ten einde de toepassing van de douanevoorschriften te verzekeren, kunnen de douaneautoriteiten, wanneer zij niet zelf de ruimte voor tijdelijke opslag beheren, eisen dat:

a)de ruimte voor tijdelijke opslag met twee sleutels wordt afgesloten, waarvan één in het bezit van de douaneautoriteiten blijft;

b)de persoon die de ruimte voor tijdelijke opslag beheert, een voorraadadministratie voert aan de hand waarvan de goederenbewegingen kunnen worden gevolgd.

▼M33

Artikel 186

1. De bij de douane aangebrachte niet-communautaire goederen worden gedekt door een summiere aangifte voor tijdelijke opslag ter zake waarvan door de douaneautoriteiten nadere regels worden vastgesteld.

De summiere aangifte voor tijdelijke opslag wordt uiterlijk bij het aanbrengen van de goederen ingediend door of namens de persoon die de goederen aanbrengt. Wanneer de summiere aangifte voor tijdelijke opslag wordt ingediend door een andere persoon dan de exploitant van de faciliteit voor tijdelijke opslag, stellen de douaneautoriteiten die exploitant van die aangifte in kennis, mits die persoon in de summiere aangifte voor tijdelijke opslag is vermeld en op het douanesysteem is aangesloten.

2. De summiere aangifte voor tijdelijke opslag kan een van de volgende vormen aannemen, zoals door de douaneautoriteiten voorgeschreven:

a)een verwijzing naar een willekeurige summiere aangifte bij binnenkomst voor de betrokken goederen, aangevuld door de gegevens van een summiere aangifte voor tijdelijke opslag;

b)een willekeurige summiere aangifte voor tijdelijke opslag die een verwijzing bevat naar een summiere aangifte bij binnenkomst voor de betrokken goederen;

c)een manifest of ander vervoerdocument, mits dit de gegevens van een summiere aangifte voor tijdelijke opslag bevat, waaronder een verwijzing naar een willekeurige summiere aangifte bij binnenkomst voor de betrokken goederen.

3. Een verwijzing naar een summiere aangifte bij binnenkomst is niet vereist wanneer de goederen reeds in tijdelijke opslag zijn geweest of een douanebestemming hebben gekregen en het douanegebied van de Gemeenschap niet hebben verlaten.

4. Handels-, haven- of vervoerinventarissystemen mogen worden gebruikt, mits deze door de douaneautoriteiten worden goedgekeurd.

5. De summiere aangifte voor tijdelijke opslag kan worden ingediend tezamen met het in artikel 184 octies bedoelde bericht van aankomst of kan dit bevatten.

6. Voor de toepassing van artikel 49 van het Wetboek wordt de summiere aangifte voor tijdelijke opslag geacht te zijn ingediend op de datum van aanbrenging van de goederen.

7. De douaneautoriteiten bewaren de summiere aangifte voor tijdelijke opslag om te controleren of de goederen waarop deze betrekking heeft, een douanebestemming hebben gekregen.

8. Een summiere aangifte voor tijdelijke opslag is niet vereist wanneer, uiterlijk bij de aanbrenging bij de douane:

a)de goederen voor een douaneregeling worden aangegeven of anderszins een douanebestemming krijgen, of

b)het bewijs wordt geleverd, dat de goederen de communautaire status hebben overeenkomstig de artikelen 314 ter tot en met 336.

9. Wanneer een douaneaangifte bij het douanekantoor van binnenkomst is ingediend als summiere aangifte bij binnenkomst overeenkomstig artikel 36 quater van het Wetboek, aanvaardt de douane de aangifte onmiddellijk bij het aanbrengen van de goederen en worden de goederen rechtstreeks onder de aangegeven regeling geplaatst met naleving van de voor die regeling geldende voorwaarden.

10. Wanneer niet-communautaire goederen die vanaf het douanekantoor van vertrek onder een douanevervoerregeling zijn vervoerd, bij het douanekantoor van bestemming in het douanegebied van de Gemeenschap worden aangebracht, wordt, voor de toepassing van de leden 1 tot en met 9, de voor het douanekantoor van bestemming bestemde aangifte voor douanevervoer geacht de summiere aangifte voor tijdelijke opslag te zijn.

▼B

Artikel 187

Onverminderd artikel 56 van het Wetboek en de bepalingen inzake de verkoop van goederen onder douaneverband, is degene die de summiere aangifte heeft ingediend of, wanneer een dergelijke aangifte nog niet is ingediend, zijn de in ►M29 artikel 36 ter, lid 3, van het Wetboek bedoelde personen gehouden gevolg te geven aan de maatregelen die door de douaneautoriteiten met toepassing van artikel 53, lid 1, van het Wetboek worden genomen en de hieruit voortvloeiende kosten te dragen.

▼M29

Artikel 187 bis

1. De douaneautoriteiten kunnen op grond van artikel 42 van het Wetboek aan de persoon die volgens de douanewetgeving de goederen een douanebestemming kan geven, op mondeling verzoek van die persoon, toestemming geven tot onderzoek van de goederen. De douaneautoriteiten kunnen het echter, gelet op de omstandigheden, nodig achten dat een schriftelijk verzoek wordt gedaan.

2. De douaneautoriteiten kunnen het nemen van monsters slechts toestaan op schriftelijk verzoek van de in lid 1 bedoelde persoon.

3. Het schriftelijke verzoek kan op papier of elektronisch worden ingediend. Het wordt door de belanghebbende getekend of gewaarmerkt en bij de betrokken douaneautoriteiten ingediend. Het moet de volgende gegevens bevatten:

a)de naam en het adres van de aanvrager;

b)de plaats waar de goederen zich bevinden;

c)een verwijzing naar:

i)de summiere aangifte bij binnenkomst,

ii)de voorafgaande douaneregeling,

iii)het vervoermiddel;

d)alle andere nodige gegevens om de goederen te kunnen identificeren.

4. De douaneautoriteiten delen de belanghebbende op diens verzoek hun besluit mede. Wanneer dit verzoek het nemen van monsters betreft, wordt in het besluit vermeld hoeveel goederen mogen worden weggenomen.

5. Het onderzoek van de goederen en de monsterneming geschieden onder toezicht van de douaneautoriteiten en op de door hen voorgeschreven wijze.

De betrokkene draagt alle risico's en kosten van het onderzoek, de monsterneming en de analyse van de goederen.

6. De genomen monsters zijn onderworpen aan de formaliteiten om deze een douanebestemming te geven. Wanneer het onderzoek van de monsters leidt tot de vernietiging of het onherstelbare verlies ervan, wordt ervan uitgegaan dat geen douaneschuld is ontstaan.

De eventuele resten en afvallen van het onderzoek krijgen een voor niet-communautaire goederen voorgeschreven douanebestemming.



▼M29

HOOFDSTUK 3

Bijzondere bepalingen voor goederen die over zee of door de lucht worden vervoerd

▼B



Afdeling 1

Algemene bepaling

▼M33

Artikel 189

Goederen die over zee of door de lucht het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht en voor vervoer aan boord van hetzelfde vervoermiddel blijven zonder overlading, worden pas in de haven of luchthaven van de Gemeenschap waar zij worden gelost of overgeladen bij de douane aangebracht overeenkomstig artikel 40 van het Wetboek.

▼M38

Goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen en die worden gelost om tijdens dezelfde reis weer op hetzelfde vervoermiddel te worden geladen om andere goederen te kunnen lossen of laden, worden echter niet bij de douane aangebracht.

▼B



Afdeling 2

Bijzondere bepalingen van toepassing op handbagage en ruimbagage in het reizigersverkeer

Artikel 190

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

a)„communautaire luchthaven”: elke op het douanegebied van de Gemeenschap gelegen luchthaven;

b)„communautaire luchthaven met een internationaal karakter”: elke communautaire luchthaven waar, na toestemming van de bevoegde autoriteiten, het luchtvaartverkeer met derde landen afgewikkeld mag worden;

c)„intracommunautaire vlucht”: de verplaatsing van een luchtvaartuig tussen twee communautaire luchthavens, zonder tussenstop tussen deze beide luchthavens, voor zover deze verplaatsing noch begonnen is noch eindigt op een niet-communautaire luchthaven;

d)„communautaire haven”: iedere op het douanegrondgebied van de Gemeenschap gelegen zeehaven;

e)„intracommunautaire zeereis”: de verplaatsing tussen twee communautaire havens, zonder tussenstop tussen deze havens, van een vaartuig dat geregelde diensten tussen twee of meer bepaalde communautaire havens onderhoudt;

f)„pleziervaartuigen”: particuliere vaartuigen die bestemd zijn voor reizen waarvan het traject naar believen door de gebruikers wordt vastgesteld;

g)„sport- of zakenvliegtuigen”: particuliere luchtvaartuigen die bestemd zijn voor reizen waarvan het traject naar believen door de gebruikers wordt vastgesteld;

h)„bagage”: alle voorwerpen die op welke wijze dan ook door een persoon tijdens zijn reis worden vervoerd.

Artikel 191

Voor de toepassing van deze afdeling wat betreft het luchtvervoer wordt bagage beschouwd als:

—ruimbagage, wanneer zij, na in de luchthaven van vertrek geregistreerd te zijn, tijdens de vlucht niet meer voor de betrokken persoon bereikbaar is noch, in voorkomend geval, tijdens de in artikel 192, punten 1 en 2, en in artikel 194, leden 1 en 2, van dit hoofdstuk bedoelde tussenstop;

—handbagage, wanneer de persoon deze aan boord van het luchtvaartuig meeneemt.

Artikel 192

De controle en de formaliteiten die van toepassing zijn op:

1)de handbagage en de ruimbagage van de personen aan boord van een luchtvaartuig dat, van een niet-communautaire luchthaven komend, na een tussenstop in een communautaire luchthaven, deze vlucht moet voortzetten naar een andere communautaire luchthaven, vinden plaats op laatstgenoemde luchthaven voor zover deze een communautaire luchthaven met een internationaal karakter is; in die gevallen wordt de bagage onderworpen aan de voorschriften die gelden voor de bagage van personen die uit derde landen aankomen, wanneer de betrokken persoon niet in staat is om, ten genoegen van de bevoegde autoriteiten, het communautaire karakter van de goederen die hij vervoert, aan te tonen.

2)de handbagage en de ruimbagage van personen aan boord van een luchtvaartuig dat een tussenstop maakt in een communautaire luchthaven alvorens zijn vlucht naar een niet-communautaire luchthaven voort te zetten, vinden plaats op de luchthaven van vertrek, voor zover deze een communautaire luchthaven met een internationaal karakter is; in die gevallen kan een controle van de handbagage worden uitgevoerd op de communautaire luchthaven waar de tussenstop wordt gemaakt, ten einde vast te kunnen stellen dat de goederen die deze handbagage bevat voldoen aan de voorwaarden die verbonden zijn aan het vrije verkeer binnen de Gemeenschap.

3)de bagage van personen die gebruik maken van een door één enkel vaartuig uitgevoerde scheepvaartdienst die een aantal opeenvolgende trajecten omvat en die is begonnen of eindigt of die een tussenstop maakt in een niet-communautaire haven, vinden plaats in de haven waar deze bagage, al naar gelang van het geval, wordt in- of uitgeladen.

Artikel 193

De controle en de formaliteiten die van toepassing zijn op de bagage van personen die gebruik maken van:

1)pleziervaartuigen, worden verricht in elke communautaire haven, ongeacht de plaats van herkomst of van bestemming van deze vaartuigen;

2)sport- of zakenvliegtuigen, worden verricht:

—de eerste luchthaven van aankomst, die een communautaire luchthaven met een internationaal karakter moet zijn, voor wat betreft de vluchten vanaf een niet-communautaire luchthaven, wanneer het luchtvaartuig na de tussenstop een vlucht moet uitvoeren naar een andere communautaire luchthaven;

—op de laatste communautaire luchthaven met een internationaal karakter, voor wat betreft de vluchten vanaf een communautaire luchthaven, wanneer het luchtvaartuig na de tussenstop een vlucht moet uitvoeren naar een niet-communautaire luchthaven.

Artikel 194

1. Wanneer de bagage die op een communautaire luchthaven aankomt aan boord van een luchtvaartuig dat van een niet-communautaire luchthaven komt, op deze communautaire luchthaven wordt overgeladen in een ander luchtvaartuig dat een intracommunautaire vlucht uitvoert:

—worden iedere controle en de formaliteiten die van toepassing zijn op de ruimbagage verricht op de luchthaven van aankomst van de intracommunautaire vlucht, voor zover deze een communautaire luchthaven met een internationaal karakter is;

—wordt iedere controle van de handbagage op de eerste communautaire luchthaven met een internationaal karakter verricht; een extra controle van deze bagage kan alleen bij wijze van uitzondering op de luchthaven van aankomst van de intracommunautaire vlucht worden uitgevoerd, wanneer een dergelijke extra controle na controle van de ruimbagage nodig blijkt te zijn;

—kan een controle van de ruimbagage alleen bij wijze van uitzondering op de eerste communautaire luchthaven worden uitgevoerd, wanneer een dergelijke extra controle na controle van de handbagage nodig blijkt te zijn.

2. Wanneer de bagage die op een communautaire luchthaven aan boord wordt gebracht van een luchtvaartuig dat een intracommunautaire vlucht uitvoert, waarbij deze bagage op een andere communautaire luchthaven wordt overgeladen in een luchtvaartuig dat een niet-communautaire luchthaven als bestemming heeft:

—worden de controle en de formaliteiten die van toepassing zijn op de ruimbagage verricht op de luchthaven van vertrek van de intracommunautaire vlucht, voor zover deze een communautaire luchthaven met een internationaal karakter is;

—wordt iedere controle van de handbagage op de laatste communautaire luchthaven met een internationaal karakter verricht. Een eerdere controle van deze bagage kan alleen bij wijze van uitzondering worden uitgevoerd op de luchthaven van vertrek van de intracommunautaire vlucht, wanneer een dergelijke controle na de controle van de ruimbagage nodig blijkt te zijn;

—kan een controle van de ruimbagage alleen bij wijze van uitzondering op de laatste communautaire luchthaven worden uitgevoerd, wanneer een dergelijke extra controle na controle van de handbagage nodig blijkt te zijn.

3. De controle en formaliteiten die van toepassing zijn op de bagage die op een communautaire luchthaven aankomt aan boord van een uit een niet-communautaire luchthaven afkomstig lijn- of chartertoestel en die op deze communautaire luchthaven wordt overgeladen in een sport- of zakenvliegtuig dat een intracommunautaire vlucht uitvoert, worden verricht op de luchthaven van aankomst van het lijn- of chartertoestel.

4. De controle en formaliteiten die van toepassing zijn op de bagage die op een communautaire luchthaven aan boord wordt gebracht van een sport- of zakenvliegtuig, dat een intracommunautaire vlucht uitvoert, waarbij deze bagage op een andere communautaire luchthaven wordt overgeladen in een lijn- of chartertoestel met als bestemming een niet-communautaire luchthaven, worden verricht op de luchthaven van vertrek van het lijn- of chartertoestel.

5. De Lid-Staten kunnen op de communautaire luchthaven met een internationaal karakter waar de ruimbagage wordt overgeladen, de bagage controleren die:

—van een niet-communautaire luchthaven komt en op een communautaire luchthaven met een internationaal karakter wordt overgeladen in een luchtvaartuig dat een luchthaven met een internationaal karakter die op hetzelfde nationale grondgebied is gelegen, tot bestemming heeft;

—op een luchthaven met een internationaal karakter aan boord van een luchtvaartuig wordt gebracht om, op een andere luchthaven met een internationaal karakter die op hetzelfde nationale grondgebied is gelegen, te worden overgeladen op een luchtvaartuig dat een niet-communautaire luchthaven tot bestemming heeft.

Artikel 195

De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat:

—er bij de aankomst van personen, voor de controle van de niet in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 3925/91 van de Raad (9) bedoelde handbagage, geen enkele omwisseling van goederen kan plaatshebben;

—er bij het vertrek van personen, na de controle van de niet in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 3925/91 bedoelde handbagage, geen enkele omwisseling van goederen kan plaatshebben;

—er bij de aankomst van personen voorzieningen zijn getroffen om te verhinderen dat, vóór de controle van de niet in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 3925/91 bedoelde ruimbagage, een omwisseling van goederen kan plaatshebben;

—er bij het vertrek van personen voorzieningen zijn getroffen om te verhinderen dat, na de controle van de niet in artikel 1 van Verordening (EEG) nr. 3925/91 bedoelde ruimbagage, een omwisseling van goederen kan plaatshebben.

Artikel 196

De in een communautaire luchthaven geregistreerde ruimbagage wordt als zodanig gekenmerkt door een label dat op die luchthaven wordt aangebracht. Het voorbeeld van dit label alsook de technische kenmerken ervan zijn in bijlage 30 opgenomen.

Artikel 197

De Lid-Staten zenden de Commissie de lijst toe van de luchthavens die aan de definitie „communautaire luchthaven met een internationaal karakter” in de zin van artikel 190, onder b), beantwoorden. De Commissie maakt deze lijst bekend in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen, reeks C.



TITEL VII

DOUANEAANGIFTE — NORMALE PROCEDURE



HOOFDSTUK 1

Schriftelijke douaneaangifte



Afdeling 1

Algemene bepalingen

Artikel 198

1. Wanneer een douaneaangifte verscheidene artikelen omvat, worden de op elk artikel betrekking hebbende vermeldingen beschouwd als een afzonderlijke aangifte.

2. De onderdelen van fabrieksinstallaties die onder één enkele code van de gecombineerde nomenclatuur worden ingedeeld, worden als één enkel goed beschouwd.

Artikel 199

▼M32

1. Onverminderd de eventuele toepassing van strafbepalingen geldt de indiening door de aangever of diens vertegenwoordiger van een door hem ondertekende aangifte bij een douanekantoor of de indiening van een aangifte voor douanevervoer met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken als het aanvaarden van de aansprakelijkheid van de aangever of diens vertegenwoordiger overeenkomstig de in de lidstaten geldende bepalingen voor:

—de juistheid van de in de aangifte voorkomende gegevens,

—de echtheid van de ingediende documenten, en

—de naleving van alle verplichtingen in verband met de plaatsing van de betrokken goederen onder de desbetreffende regeling.

2. Wanneer de aangever gebruikmaakt van systemen voor automatische gegevensverwerking voor het opstellen van douaneaangiften, met inbegrip van aangiften voor douanevervoer opgesteld overeenkomstig artikel 353, lid 2, onder b), kunnen de douaneautoriteiten bepalen dat de met de hand geschreven handtekening wordt vervangen door een andere identificatietechniek die eventueel op het gebruik van codes berust. Deze faciliteit wordt slechts toegestaan wanneer de door de douane vastgestelde technische en administratieve voorwaarden zijn vervuld.

De douaneautoriteiten kunnen eveneens bepalen dat aangiften die met behulp van systemen voor automatische gegevensverwerking van de douane worden opgesteld, met inbegrip van aangiften voor douanevervoer opgesteld overeenkomstig artikel 353, lid 2, onder b), rechtstreeks door deze systemen worden gewaarmerkt in plaats van door de handmatige of mechanische plaatsing van het stempel van het douanekantoor en de handtekening van de bevoegde ambtenaar.

▼M1

3. De douaneautoriteiten kunnen, op door hen te bepalen voorwaarden en te stellen nadere regels, toestaan dat bepaalde in bijlage 37 bedoelde vermeldingen van de schriftelijke aangifte worden vervangen door de elektronische toezending van die vermeldingen aan het daartoe aangewezen douanekantoor, in voorkomend geval in gecodeerde vorm.

▼B

Artikel 200

Behoudens andersluidende bepalingen worden de bij de aangifte gevoegde documenten door de douaneautoriteiten bewaard, tenzij zij door de aangever voor andere verrichtingen kunnen worden gebruikt. In dit laatste geval verzekeren de douaneautoriteiten zich ervan dat de betrokken documenten naderhand slechts gebruikt kunnen worden voor de hoeveelheid of de waarde waarvoor zij geldig blijven.

▼M29

Artikel 201

1. De douaneaangifte wordt bij een van de volgende douanekantoren ingediend:

a)het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de goederen overeenkomstig de douanewetgeving bij de douane zijn of moeten worden aangebracht;

b)het douanekantoor dat toezicht houdt op de plaats waar de exporteur is gevestigd of waar de goederen voor uitvoer worden verpakt of geladen, behalve in de in de artikelen 789, 790, 791 en 794 bepaalde gevallen.

De douaneaangifte kan worden ingediend, zodra de goederen bij de douaneautoriteiten worden aangebracht of voor controle of ter beschikking worden gehouden.

2. De douaneautoriteiten kunnen erin toestemmen, dat de douaneaangifte wordt ingediend, voordat de aangever de goederen kan aanbrengen of deze voor controle ter beschikking kan stellen in het douanekantoor waar de douaneaangifte wordt ingediend, in een ander douanekantoor of op een door de douaneautoriteiten aangewezen plaats.

De douaneautoriteiten kunnen een overeenkomstig de omstandigheden te bepalen termijn vaststellen, waarbinnen de goederen moeten worden aangebracht of ter beschikking gesteld. Indien de goederen binnen deze termijn niet zijn aangebracht of ter beschikking gesteld, wordt de douaneaangifte geacht niet te zijn ingediend.

De douaneaangifte kan slechts worden aanvaard, nadat de goederen bij de douaneautoriteiten zijn aangebracht of ten genoegen van de douaneautoriteiten voor controle ter beschikking zijn gesteld.

▼M32

3. De douaneautoriteiten kunnen erin toestemmen dat de douaneaangifte bij een ander douanekantoor wordt ingediend dan het kantoor waar de goederen worden aangebracht of voor controle ter beschikking worden gehouden, mits aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)de in de aanhef bedoelde douanekantoren zijn gelegen in dezelfde lidstaat;

b)de goederen worden door de houder van de grensoverschrijdende vergunning voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften of van de domiciliëringsprocedure onder een douaneregeling geplaatst.

▼B

Artikel 202

1. De aangifte wordt bij het bevoegde douanekantoor ingediend op de dagen en uren waarop dit kantoor geopend is.

Op verzoek en op kosten van de aangever kunnen de douaneautoriteiten evenwel toestaan dat de aangifte buiten deze dagen en uren wordt ingediend.

2. Met het indienen van een aangifte bij een douanekantoor wordt gelijkgesteld de overhandiging van de aangifte aan de ambtenaren van dit kantoor op een andere daartoe aangewezen plaats in het kader van een overeenkomst tussen de douaneautoriteiten en de betrokkene.

▼M32

3. De aangifte voor douanevervoer wordt ingediend en de goederen worden aangebracht bij het kantoor van vertrek tijdens de door de douane vastgestelde openingstijden.

Het kantoor van vertrek kan op verzoek en op kosten van de aangever toestaan dat de goederen op een andere plaats worden aangebracht.

▼M32

Artikel 203

1. De datum van aanvaarding wordt op de aangifte vermeld.

2. De aangifte voor communautair douanevervoer wordt door het kantoor van vertrek tijdens de door de douane vastgestelde openingstijden aanvaard en geregistreerd.

▼B

Artikel 204

De douaneautoriteiten kunnen toestaan of eisen dat de in artikel 65 van het Wetboek bedoelde wijzigingen worden aangebracht door middel van een nieuwe aangifte ter vervanging van de oorspronkelijke. In dat geval moet de datum waarop de oorspronkelijke aangifte is aanvaard, in aanmerking worden genomen als datum voor het bepalen van de eventueel verschuldigde rechten en voor de toepassing van de andere bepalingen van de desbetreffende douaneregeling.



Afdeling 2

Te gebruiken formulieren

Artikel 205

1. Het officiële model voor de schriftelijke douaneaangifte van goederen in het kader van de normale procedure met het oog op hun plaatsing onder een douaneregeling of wederuitvoer ►C1 overeenkomstig artikel 182, lid 3, van het Wetboek, is het enig document.

2. Andere formulieren kunnen worden gebruikt op voorwaarde dat de bepalingen van de desbetreffende douaneregeling dit toestaan.

3. Het bepaalde in de leden 1 en 2 doet geen afbreuk aan:

—de in de artikelen 225 tot en met 236 bedoelde ontheffing van de verplichting een schriftelijke aangifte in te dienen voor het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer of de tijdelijke invoer,

—de mogelijkheid voor de Lid-Staten om ontheffing te verlenen van het gebruik van het in lid 1 bedoelde formulier, in geval van toepassing van de in de artikelen 237 en 238 bedoelde bijzondere bepalingen met betrekking tot briefpostzendingen en postpakketten,

—het gebruik van speciale formulieren om de aangifte in bijzondere gevallen te vergemakkelijken, wanneer de douaneautoriteiten daartoe toestemming verlenen,

—De mogelijkheid voor de Lid-Staten om ontheffing te verlenen van het gebruik van het in lid 1 bedoelde formulier, in geval van tussen de administraties van twee of meer Lid-Staten gesloten of te sluiten overeenkomsten of regelingen die een verdere vereenvoudiging van de formaliteiten voor het gehele verkeer of een deel daarvan tussen deze Lid-Staten ten doel hebben,

▼M32

—de mogelijkheid voor de belanghebbenden om voor zendingen die verschillende soorten goederen bevatten, gebruik te maken van ladingslijsten bij het vervullen van de formaliteiten voor communautair douanevervoer wanneer artikel 353, lid 2, en artikel 441 worden toegepast,

—de opmaak met behulp van openbare of particuliere systemen voor automatische gegevensverwerking van aangiften van uitvoer, invoer of van douanevervoer bij toepassing van artikel 353, lid 2, alsmede documenten ten bewijze van het communautaire karakter van niet onder de regeling intern communautair douanevervoer vervoerde goederen, zo nodig op blanco papier, op door de lidstaten vast te stellen voorwaarden,

▼B

—de mogelijkheid voor de Lid-Staten om, ingeval bij de behandeling van aangiften gebruik wordt gemaakt van een systeem voor automatische gegevensverwerking, te bepalen dat de in lid 1 bedoelde aangifte bestaat uit een door het systeem vervaardigd enig document.

▼M1 —————

▼B

5. Indien in een communautaire reglementering wordt verwezen naar een aangifte ten uitvoer, wederuitvoer, invoer of tot plaatsing onder ongeacht welke douaneregeling, mogen de Lid-Staten geen andere administratieve documenten eisen dan die welke:

—uitdrukkelijk door communautaire besluiten in het leven zijn geroepen of daarin zijn voorgeschreven;

—worden verlangd krachtens internationale overeenkomsten die met het Verdrag verenigbaar zijn;

—van ondernemers worden verlangd ten einde hen op hun verzoek in het genot van een bepaald voordeel of van een bepaalde faciliteit te stellen;

—met inachtneming van het bepaalde in het Verdrag, worden verlangd voor de tenuitvoerlegging van specifieke voorschriften die niet kunnen worden toegepast door gebruik van het in lid 1 bedoelde enig document.

Artikel 206

In de gevallen waarin dat nodig is, wordt het formulier van het enig document ook gebruikt tijdens de overgangsperiode waarin de Akte van Toetreding voorziet voor het verkeer tussen de Gemeenschap in haar samenstelling op 31 december 1985 en Spanje of Portugal, alsmede voor het verkeer tussen beide laatstgenoemde Lid-Staten van goederen die nog niet voor volledige vrijstelling van douanerechten en heffingen van gelijke werking in aanmerking komen of die onderworpen blijven aan andere in de Akte van Toetreding opgenomen maatregelen.

Voor de toepassing van de eerste alinea wordt exemplaar nr. 2 of, al naar gelang van het geval, exemplaar nr. 7 vernietigd van de formulieren die worden gebruikt in het handelsverkeer met Spanje en Portugal of in het handelsverkeer tussen deze twee Lid-Staten.

Het wordt eveneens gebruikt in het kader van het handelsverkeer van communautaire goederen tussen gedeelten van het douanegebied van de Gemeenschap waar de bepalingen van Richtlijn 77/388/EEG van de Raad (10) van toepassing zijn en gedeelten van dit douanegebied waar deze bepalingen niet van toepassing zijn, of in het kader van het handelsverkeer tussen gedeelten van dit douanegebied waar deze bepalingen niet van toepassing zijn.

Artikel 207

Onverminderd artikel 205, lid 3, kunnen de douaneautoriteiten van de Lid-Staten voor het vervullen van in- en uitvoerformaliteiten in het algemeen afzien van de eis dat bepaalde voor de betrokken Lid-Staat bestemde exemplaren van het enig document worden overgelegd, mits zij over de betreffende gegevens kunnen beschikken door middel van andere informatiedragers.

Artikel 208

1. Het enig document wordt aangeboden in sets die het aantal exemplaren bevatten dat nodig is voor het vervullen van de formaliteiten voor de douaneregeling waaronder de goederen worden geplaatst.

▼M32

2. Wanneer de regeling communautair of gemeenschappelijk douanevervoer wordt voorafgegaan of gevolgd door een andere douaneregeling, kan een set worden aangeboden met het aantal exemplaren dat nodig is voor het vervullen van de formaliteiten voor de regeling douanevervoer wanneer artikel 353, lid 2, wordt toegepast, en de voorafgaande of volgende douaneregeling.

▼B

3. De in de leden 1 en 2 bedoelde sets worden samengesteld uit:

—hetzij een reeks van acht exemplaren, overeenkomstig het model in bijlage 31;

—hetzij, in het bijzonder in geval van vervaardiging door een geautomatiseerd systeem voor de verwerking van aangiften, uit twee opeenvolgende reeksen van vier exemplaren, overeenkomstig het model in bijlage 32.

4. Onverminderd artikel 205, lid 3, de artikelen 222 tot en met 224, alsmede de artikelen 254 tot en met 289, kunnen de aangifteformulieren in voorkomend geval worden aangevuld met een of meer aanvullende formulieren die worden aangeboden in sets die de aangifte-exemplaren bevatten welke nodig zijn voor het vervullen van de formaliteiten voor de douaneregeling waaronder de goederen worden geplaatst, eventueel onder bijvoeging van de exemplaren die voor het vervullen van de formaliteiten voor de voorafgaande of volgende douaneregelingen nodig zijn.

Deze sets worden samengesteld uit:

—hetzij een reeks van acht exemplaren, overeenkomstig het model in bijlage 33,

—hetzij uit twee reeksen van vier exemplaren, overeenkomstig het model in bijlage 34.

De aanvullende formulieren maken onlosmakelijk deel uit van het enig document waarop zij betrekking hebben

5. In afwijking van lid 4 kunnen de douaneautoriteiten bepalen dat het gebruik van de aanvullende formulieren niet is toegestaan bij gebruik van een geautomatiseerd systeem voor de verwerking van aangiften, dat deze aangiften vervaardigd.

Artikel 209

1. Bij toepassing van artikel 208, lid 2, verbindt elke belanghebbende zich slechts voor de gegevens die verband houden met de regeling die hij heeft gevraagd in zijn hoedanigheid van aangever of diens vertegenwoordiger.

2. Voor de toepassing van lid 1 moet de aangever, die gebruik maakt van een enig document dat tijdens de vorige douaneregeling is afgegeven, vóór het indienen van zijn aangifte ten aanzien van de hem betreffende vakken nagaan of de bestaande gegevens juist zijn en of zij toepasbaar zijn op de betrokken goederen en de gevraagde regeling, en moet hij deze gegevens zo nodig aanvullen.

In de gevallen zoals bedoeld in de eerste alinea moet elk verschil dat door de aangever wordt vastgesteld tussen de betrokken goederen en de bestaande gegevens, onmiddellijk door hem aan het douanekantoor waar de aangifte is ingediend, worden medegedeeld. In dergelijk geval moet de aangever zijn aangifte op nieuwe exemplaren van het formulier van het enig document stellen.

Artikel 210

Wanneer het enig document wordt gebruikt voor verschillende opeenvolgende douaneregelingen, vergewissen de douaneautoriteiten zich ervan dat de vermeldingen op de aangiften met betrekking tot deze regelingen met elkaar overeenstemmen.

Artikel 211

De aangifte moet worden gesteld in een van de officiële talen van de Gemeenschap die wordt aanvaard door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar de formaliteiten worden vervuld.

Zo nodig kunnen de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van bestemming de aangever of diens vertegenwoordiger in deze Lid-Staat verzoeken om een vertaling van de aangifte in de officiële taal of in een van de officiële talen van deze Lid-Staat. Deze vertaling komt in de plaats van de overeenkomstige vermeldingen van de desbetreffende aangifte.

In afwijking van de eerste alinea moet de aangifte worden gesteld in de officiële taal of één van de officiële talen van de Lid-Staat van bestemming in alle gevallen waarin de aangifte in deze laatste Lid-Staat geschiedt op andere aangifte-exemplaren dan die welke oorspronkelijk bij het douanekantoor van de Lid-Staat van verzending zijn ingediend.

Artikel 212

1. Het enig document dient te worden ingevuld overeenkomstig de toelichting in bijlage 37 en eventueel met inachtneming van aanvullende aanwijzingen, voorzien in het kader van andere communautaire wetgeving.

▼M29

Wanneer een douaneaangifte overeenkomstig artikel 36 quater, lid 1, van het Wetboek als summiere aangifte bij binnenkomst wordt gebruikt, bevat die aangifte, naast de in bijlage 37 genoemde gegevens voor de betrokken regeling, ook de in bijlage 30 bis genoemde gegevens voor een summiere aangifte bij binnenkomst.

▼B

2. De douaneautoriteiten zien erop toe dat de gebruikers de in lid 1 bedoelde toelichting op eenvoudige wijze kunnen verkrijgen.

3. De douaneadministratie van elke Lid-Staat vult zo nodig deze toelichting aan.

▼M24

4. De lidstaten delen de Commissie de lijst mede vande gegevens waarvan zij de opgave verlangen voor elk vande in bijlage 37 bedoelde procedures. De Commissie publiceertde lijst van deze gegevens.

▼B

Artikel 213

De te gebruiken codes voor het invullen van het in artikel 205, lid 1, bedoelde formulier zijn in bijlage 38 vermeld.

▼M24

De lidstaten delen de Commissie de lijst mede van de nationale codes die in de vakken 37, tweede deelvak, 44 en 47, eerste deelvak, worden gebruikt. De Commissie publiceert de lijst van deze codes.

▼B

Artikel 214

In de gevallen waarin het opmaken van aanvullende kopieën van het formulier als bedoeld in artikel 205, lid 1, is voorgeschreven, mag de aangever te dien einde en voor zover nodig bijkomende exemplaren of fotokopieën van genoemd formulier gebruiken.

Deze bijkomende exemplaren of deze fotokopieën moeten door de aangever worden ondertekend, aan de bevoegde douaneautoriteiten worden overgelegd en door deze autoriteiten worden geviseerd onder dezelfde voorwaarden als het enig document zelf. Zij worden door de douaneautoriteiten op dezelfde voet als de originele documenten aanvaard, mits hun kwaliteit en leesbaarheid door genoemde autoriteiten bevredigend worden geacht.

Artikel 215

1. Het formulier bedoeld in artikel 205, lid 1, wordt gedrukt op zelfkopiërend papier dat zodanig is gelijmd dat het goed te beschrijven is, en dat ten minste 40 g per m2 weegt. Het papier moet zo ondoorzichtig zijn dat de gegevens die op de ene zijde voorkomen de leesbaarheid van de gegevens die op de andere zijde voorkomen niet aantasten en het moet zo stevig zijn dat het bij normaal gebruik niet scheurt of kreukt.

▼M32

Dit papier is wit voor alle exemplaren. In de overeenkomstig artikel 353, lid 2, gebruikte exemplaren voor het communautair douanevervoer hebben de vakken 1 (eerste en derde deelvak), 2, 3, 4, 5, 6, 8, 15, 17, 18, 19, 21, 25, 27, 31, 32, 33 (eerste deelvak links), 35, 38, 40, 44, 50, 51, 52, 53, 55 en 56 echter een groene onderdruk.

De formulieren worden in het groen bedrukt.

▼B

2. De afmetingen van de vakken zijn horizontaal op 1/10 duim (inch) en verticaal op 1/6 duim (inch) gebaseerd. De afmetingen van de onderverdelingen van de vakken zijn horizontaal op 1/10 duim (inch) gebaseerd.

3. De verschillende exemplaren van de formulieren worden met de volgende kleuren gemerkt:

a)op de formulieren overeenkomstig de modellen van de bijlagen 31 en 33:

—hebben de exemplaren nrs. 1, 2, 3 en 5 aan de rechterzijde een doorlopende kantlijn waarvan de kleur respectievelijk rood, groen, geel en blauw is;

—hebben de exemplaren nrs. 4, 6, 7 en 8 aan de rechterzijde een niet doorlopende kantlijn waarvan de kleur respectievelijk blauw, rood, groen en geel is;

b)van de formulieren overeenkomstig de modellen in de bijlagen 32 en 34 hebben de exemplaren nrs. 1/6, 2/7, 3/8 en 4/5 aan de rechterzijde een doorlopende kantlijn en rechts daarvan een niet doorlopende kantlijn waarvan de kleur respectievelijk rood, groen, geel en blauw is.

Deze kantlijnen zijn ongeveer 3 mm breed. De niet doorlopende kantlijn bestaat uit op elkaar volgende vierkantjes met een zijde van 3 mm, die ieder door een tussenruimte van 3 mm zijn gescheiden.

4. In bijlage 35 zijn de exemplaren vermeld waarop de gegevens die voorkomen op de in de bijlagen 31 en 33 opgenomen formulieren, door middel van een zelfkopiërend procédé moeten worden doorgeschreven.

In bijlage 36 zijn de exemplaren vermeld waarop de gegevens die voorkomen op de in de bijlagen 32 en 34 opgenomen formulieren, door middel van een zelfkopiërend procédé moeten worden doorgeschreven.

5. De afmetingen van de formulieren zijn 210 × 297 mm, waarbij in de lengte een afwijking van ten hoogste 5 mm minder of 8 mm meer is toegestaan.

6. De douaneadministraties van de Lid-Staten kunnen eisen dat de naam en het adres van de drukker op de formulieren zijn vermeld of dat deze van een teken zijn voorzien aan de hand waarvan de drukker geïdentificeerd kan worden. Zij kunnen het drukken van de formulieren bovendien van een voorafgaande technische goedkeuring afhankelijk stellen.



Afdeling 3

Voor de toepassing van de onderscheiden douaneregelingen te vermelden gegevens

▼M24

Artikel 216

De lijst van de vakken die kunnen worden ingevuld op een aangifte tot plaatsing onder een bepaalde douaneregeling wanneer van het enig document gebruik wordt gemaakt, is in bijlage 37 opgenomen.

▼M29

Wanneer, overeenkomstig artikel 182 ter van het Wetboek, een douaneaangifte moet worden ingediend voor goederen die het douanegebied van de Gemeenschap verlaten, bevat die aangifte, naast de in bijlage 37 genoemde gegevens voor de betrokken regeling, ook de in bijlage 30 bis genoemde gegevens voor een summiere aangifte bij uitgang.

▼B

Artikel 217

De gegevens welke dienen te worden vermeld wanneer gebruik wordt gemaakt van één van de in artikel 205, lid 2, bedoelde formulieren, vloeien voort uit het formulier zelf, alsmede, in voorkomend geval, uit de bepalingen met betrekking tot de betrokken douaneregeling.



Afdeling 4

Bij de douaneaangifte te voegen stukken

Artikel 218

1. Bij de aangifte voor het vrije verkeer dienen de volgende stukken te worden gevoegd:

a)de factuur die ten grondslag ligt aan de aangifte van de douanewaarde, zoals deze overeenkomstig artikel 181 dient te worden overgelegd;

b)wanneer artikel 178 daarin voorziet, de opgave van de voor de vaststelling van de douanewaarde van de aangegeven goederen vereiste gegevens overeenkomstig het genoemde artikel;

c)de documenten die vereist zijn voor de toepassing van een preferentiële tariefregeling of van iedere andere van de normale voorschriften afwijkende regeling die op de aangegeven goederen van toepassing is;

d)alle andere bescheiden die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de bepalingen betreffende het in het vrije verkeer brengen van de aangegeven goederen.

2. De douaneautoriteiten kunnen eisen dat bij de aangifte de vervoersdocumenten of, in voorkomend geval, de op de voorafgaande douaneregeling betrekking hebbende documenten worden overgelegd.

Wanneer een zelfde soort goederen in verscheidene colli wordt aangeboden, kunnen zij tevens de overlegging eisen van een paklijst of een gelijkwaardig bescheid waarin de inhoud van ieder collo is vermeld.

▼M7

3. Wanneer het goederen betreft die in aanmerking komen voor de in titel II, deel D, van de inleidende bepalingen van de gecombineerde nomenclatuur bedoelde forfaitaire heffing, of goederen die in aanmerking komen voor vrijstelling van rechten bij invoer, kan evenwel worden afgezien van de eis dat de in lid 1, onder a), b) en c) bedoelde bescheiden worden overgelegd, tenzij de douaneautoriteiten dit voor de toepassing van de bepalingen betreffende het in het vrije verkeer brengen van de genoemde goederen noodzakelijk achten.

▼B

Artikel 219

▼M32

1. De goederen waarop de aangifte voor douanevervoer betrekking heeft, worden samen met het vervoersdocument aangeboden.

Het kantoor van vertrek kan besluiten dat dit document bij het vervullen van de douaneformaliteiten niet behoeft te worden overgelegd, mits het te zijner beschikking wordt gehouden.

Het vervoersdocument moet tijdens het vervoer evenwel te allen tijde op verzoek van de douane of iedere andere daartoe gemachtigde instantie worden overgelegd.

▼B

2. Onverminderd de vereenvoudigingsmaatregelen die eventueel van toepassing zijn, wordt het douanedocument voor de uitvoer, de verzending of de wederuitvoer van de goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap of ieder gelijkwaardig document bij het kantoor van vertrek overgelegd, te zamen met de aangifte voor douanevervoer waarop het betrekking heeft.

3. De douaneautoriteiten kunnen in voorkomend geval eisen dat het op de voorafgaande douaneregeling betrekking hebbende document wordt overgelegd.

▼M10

Artikel 220

1. Onverminderd andere bijzondere bepalingen worden bij de aangifte tot plaatsing onder een economische douaneregeling de volgende stukken gevoegd:

a)voor het stelsel douane-entrepots:

—in een entrepot van het type D, de in de artikelen 218, lid 1, onder a) en b), genoemde bescheiden,

—in een ander entrepot dan dat van het type D, geen enkel bescheid;

b)voor de regeling actieve veredeling:

—terugbetalingssysteem, de in artikel 218, lid 1, genoemde bescheiden,

—schorsingssysteem, de in artikel 218, lid 1, onder a) en b), genoemde bescheiden,

en, in voorkomend geval, de schriftelijke vergunning tot gebruikmaking van de betrokken douaneregeling of een kopie van de vergunningaanvraag, indien ►M20 artikel 508, lid 1, van toepassing is;

c)voor de regeling behandeling onder douanetoezicht, de in artikel 218, lid 1, onder a) en b), genoemde bescheiden en, in voorkomend geval, de schriftelijke vergunning tot gebruikmaking van de betrokken douaneregeling►M20 of een kopie van de vergunningsaanvraag wanneer artikel 508, lid 1, van toepassing is;

d)voor de regeling tijdelijke invoer:

—met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten, de in de artikel 218, lid 1, genoemde bescheiden,

—de regeling tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten, de in artikel 218, lid 1, onder a) en b), genoemde bescheiden,

en, in voorkomend geval, de schriftelijke vergunning tot gebruikmaking van de betrokken douaneregeling►M20 of een kopie van de vergunningsaanvraag wanneer artikel 508, lid 1, van toepassing is;

e)voor de regeling passieve veredeling, de in artikel 221, lid 1, genoemde bescheiden en, in voorkomend geval, de schriftelijke vergunning tot gebruikmaking van de betrokken douaneregeling of een kopie van de vergunningaanvraag, indien ►M20 artikel 508, lid 1, van toepassing is.

2. Artikel 218, lid 2, is van toepassing op aangiften voor plaatsing onder elke economische douaneregeling.

3. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat de schriftelijke vergunning tot gebruikmaking van de betrokken douaneregeling of de kopie van de vergunningaanvraag niet worden bijgevoegd doch ter beschikking van de douaneautoriteiten worden gehouden.

▼B

Artikel 221

1. Bij de aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer dienen alle bescheiden te worden gevoegd die nodig zijn voor de juiste toepassing van de rechten bij uitvoer en van de bepalingen betreffende de uitvoer van de betrokken goederen.

2. Artikel 218, lid 2, is van toepassing op de aangifte ten uitvoer of tot wederuitvoer.

▼M1



HOOFDSTUK 2

Douaneaangifte met behulp van systemen voor automatische gegevensverwerking

Artikel 222

1. Wanneer de douaneaangifte met behulp van systemen voor automatische gegevensverwerking wordt ingediend, worden de in bijlage 37 bedoelde gegevens voor de schriftelijke aangifte vervangen door de toezending aan het daartoe aangewezen douanekantoor, met het oog op de verwerking ervan per computer, van gegevens in een gecodeerde dan wel in een andere door de douaneautoriteiten vastgestelde vorm, welke gegevens dienen overeen te stemmen met die welke voor een schriftelijke aangifte worden vereist.

2. Een met behulp van EDI opgestelde douaneaangifte wordt geacht te zijn ingediend op het tijdstip waarop het EDI-bericht door de douaneautoriteiten wordt ontvangen.

De aanvaarding van een met behulp van EDI ingediende douaneaangifte wordt de aangever medegedeeld door middel van een antwoordbericht, waarin tenminste de identificatie van het ontvangen bericht en/of het registratienummer van de douaneaangifte, alsmede de datum van aanvaarding zijn vermeld.

3. Wanneer een douaneaangifte met behulp van EDI wordt gedaan, bepalen de douaneautoriteiten op welke wijze het bepaalde in artikel 247 wordt toegepast.

4. Wanneer een douaneaangifte met behulp van EDI wordt gedaan, wordt de vrijgave van de goederen aan de aangever meegedeeld, waarbij ten minste de identificatie van de aangifte en de datum van vrijgave worden vermeld.

5. Wanneer de gegevens van de douaneaangifte in de systemen voor automatische gegevensverwerking van de douane worden ingevoerd, zijn de bepalingen van de leden 2, 3 en 4 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 223

Wanneer met het oog op de vervulling van andere formaliteiten een exemplaar van de douaneaangifte op papier moet worden gesteld, wordt dit exemplaar, op verzoek van de aangever, door het betrokken douanekantoor, of wel overeenkomstig artikel 199, lid 2, tweede alinea, opgesteld en geviseerd.

Artikel 224

De douaneautoriteiten kunnen, op door hen te bepalen voorwaarden en te stellen nadere regels toestaan dat de bescheiden die nodig zijn om goederen onder een douaneregeling te plaatsen, langs elektronische weg worden opgesteld en toegezonden.

▼B



HOOFDSTUK 3

Mondelinge aangifte of aangifte door enige andere handeling



Afdeling 1

Mondelinge aangifte

Artikel 225

Een mondelinge douaneaangifte voor het vrije verkeer kan worden gedaan voor:

a)goederen waaraan elk handelskarakter vreemd is:

—hetzij vervat in de persoonlijke bagage van reizigers,

—hetzij vervat in aan particulieren gerichte zendingen,

—hetzij in andere, onbelangrijke gevallen, wanneer de douaneautoriteiten dit toestaan;

b)commerciële goederen, voor zover:

—de totale waarde van de genoemde goederen, per zending en per aangever, niet meer bedraagt dan de statistische drempel die in de ter zake geldende communautaire bepalingen is vastgesteld,

—de zending geen deel uitmaakt van een regelmatige reeks van soortgelijke zendingen

—en

—de goederen niet door onafhankelijke vervoersondernemingen worden vervoerd als onderdeel van een grotere vrachtvervoerstransactie;

c)de in artikel 229 genoemde goederen, voor zover deze als terugkerende goederen voor de vrijstelling in aanmerking komen;

d)de in artikel 230, onder b) en c), bedoelde goederen.

Artikel 226

Een mondelinge douaneaangifte ten uitvoer kan worden gedaan voor:

a)goederen waaraan ieder handelskarakter vreemd is:

—hetzij vervat in de persoonlijke bagage van reizigers,

—hetzij verzonden door particulieren;

b)de in artikel 225, onder b), bedoelde goederen;

c)de in artikel 231, onder b) en c), bedoelde goederen;

d)andere goederen, in uit economisch oogpunt onbelangrijke gevallen, wanneer de douaneautoriteiten dit toestaan.

Artikel 227

1. De douaneautoriteiten kunnen bepalen dat de artikelen 225 en 226 geen toepassing vinden wanneer de persoon die de goederen in- of uitklaart dit beroepshalve en voor rekening van derden doet.

2. Wanneer de douaneautoriteiten twijfelen aan de juistheid of de volledigheid van de aangegeven elementen kunnen zij een schriftelijke aangifte eisen.

Artikel 228

Wanneer de goederen die overeenkomstig de artikelen 225 en 226 mondeling bij de douane worden aangegeven, aan rechten bij invoer of bij uitvoer zijn onderworpen, geeft de douanedienst de belanghebbende een kwitantie tegen betaling van de verschuldigde rechten.

▼M10

Deze kwitantie bevat ten minste de volgende gegevens:

a)een omschrijving van de goederen; deze moet voldoende nauwkeurig zijn om de goederen te kunnen identificeren; deze omschrijving zal, in voorkomend geval, met de vermelding van de tariefpost kunnen worden aangevuld;

b)de factuurwaarde en/of, naar gelang van het geval, de hoeveelheid van de goederen;

c)de betaalde rechten;

d)de datum van opstelling ervan;

e)de identiteit van de instantie die de kwitantie heeft afgegeven.

De Lid-Staten doen de Commissie een model toekomen van de kwitanties die voor de toepassing van dit artikel wordt gebruikt. De Commissie zal deze modellen aan de andere Lid-Staten doen toekomen.

▼B

Artikel 229

1. Een mondelinge douaneaangifte voor tijdelijke invoer kan overeenkomstig ►M20 artikel 497, lid 3, tweede alineaworden gedaan voor:

a)►M20

—dieren bestemd voor het weiden of verweiden, voor werk als trek-, rij- of lastdier alsmede goederen die aan de voorwaarden van artikel 567, tweede alinea, onder a), voldoen,

—verpakkingsmiddelen als bedoeld in artikel 571, onder a), die van niet uit te wissen en niet te verwijderen merken van een buiten het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde persoon zijn voorzien,

—materiaal voor radio- of televisieprodukties of -reportages en de voertuigen die speciaal zijn ingericht voor radio- of televisieprodukties of -reportages en hun uitrusting, die worden ingevoerd door een buiten de Gemeenschap gevestigd openbaar of privaatrechtelijk lichaam, dat door de vergunningverlenende douaneautoriteiten is erkend voor de invoer van dit materiaal of deze voertuigen,

—door artsen benodigde instrumenten en apparaten voor het verlenen van zorg aan zieken die in afwachting zijn van een orgaantransplantatie, met toepassing van ►M20 artikel 569;

b)de in artikel 232 bedoelde goederen;

c)andere goederen, wanneer de douaneautoriteiten dit toestaan.

2. Voor de in lid 1 bedoelde goederen kan mondeling aangifte ten uitvoer worden gedaan ter aanzuivering van de regeling tijdelijke invoer.



Afdeling 2

Douaneaangifte door enige andere handeling

Artikel 230

Wanneer zij niet uitdrukkelijk bij de douane worden aangegeven, worden de hierna volgende goederen geacht voor het vrije verkeer te zijn aangegeven door de handeling bedoeld in artikel 233

a)goederen waaraan ieder handelskarakter vreemd is, die in de persoonlijke bagage van reizigers zijn vervat en voor vrijstelling in aanmerking komen, hetzij ingevolge hoofdstuk I, titel XI, van Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad (11), hetzij als terugkerende goederen;

b)goederen die in aanmerking komen voor de vrijstellingen bedoeld bij hoofdstuk I, titels IX en X, van Verordening (EEG) nr. 918/83;

c)vervoermiddelen die als terugkerende goederen voor vrijstelling in aanmerking komen;

d)goederen die worden ingevoerd in het kader van onbelangrijk handelsverkeer en zijn vrijgesteld van de verplichting om te worden aangebracht bij een douanekantoor overeenkomstig artikel 38, lid 4, van het Wetboek, op voorwaarde dat zij niet zijn onderworpen aan rechten bij invoer;

▼M48

e)draagbare muziekinstrumenten die door reizigers worden ingevoerd en in aanmerking komen voor vrijstelling als terugkerende goederen.

▼B

Artikel 231

Wanneer zij niet uitdrukkelijk bij de douane worden aangegeven, worden de hierna volgende goederen geacht ten uitvoer te zijn aangegeven door de handeling bedoeld in artikel 233, onder b):

a)goederen waarop geen rechten bij uitvoer van toepassing zijn, waaraan ieder handelskarakter vreemd is en die in de bagage van reizigers zijn vervat;

b)in het douanegebied van de Gemeenschap geregistreerde voertuigen die zijn bestemd om weder te worden ingevoerd;

c)de in hoofdstuk 2 van Verordening (EEG) nr. 918/83 bedoelde goederen;

d)andere goederen, in uit economisch oogpunt onbelangrijke gevallen, wanneer de douaneautoriteiten dit toestaan;

▼M48

e)draagbare muziekinstrumenten van reizigers.

▼B

Artikel 232

▼M20

1. Wanneer zij niet schriftelijk of mondeling worden aangegeven, worden de hiernavolgende goederen geacht voor tijdelijke invoer te zijn aangegeven door de handeling bedoeld in artikel 233 en onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 579:

a)de persoonlijke bezittingen en goederen voor sportdoeleinden die overeenkomstig artikel 563 door reizigers worden ingevoerd;

b)de in de artikelen 556 tot en met 561 genoemde vervoermiddelen;

c)welzijnsgoederen voor zeelieden, gebruikt aan boord van een schip in de internationale zeevaart overeenkomstig artikel 564, onder a);

▼M48

d)draagbare muziekinstrumenten als bedoeld in artikel 569, lid 1 bis.

▼B

2. Wanneer zij niet uitdrukkelijk worden aangegeven, worden de in lid 1 bedoelde goederen geacht door de in artikel 233 bedoelde handeling te zijn aangegeven ten uitvoer ter aanzuivering van de regeling tijdelijke invoer.

Artikel 233

►M6 1. Voor de toepassing van de artikelen 230 tot en met 232 kan de handeling die wordt aangemerkt als douaneaangifte bestaan uit:

a)wanneer de goederen bij een douanekantoor of op enige andere overeenkomstig artikel 38, lid 1, onder a), van het Wetboek aangewezen of goedgekeurde plaats worden aangebracht:

—het gebruik van het groene kanaal, „niets aan te geven”, bij de douanekantoren waar een dubbel controlekanaal aanwezig is;

—het passeren van een douanekantoor waar geen dubbel controlekanaal aanwezig is, zonder aldaar uit eigen beweging douaneaangifte te doen;

—het aanbrengen van een schijf voor douaneaangifte of een zelfklevend vignet „Niets aan te geven” op de voorruit van personenwagens wanneer de nationale bepalingen in deze mogelijkheid voorzien;

b)wanneer de goederen niet bij de douane behoeven te worden aangebracht overeenkomstig de bepalingen die met toepassing van artikel 38, lid 4, van het Wetboek zijn vastgesteld, in geval van uitvoer overeenkomstig artikel 231 en in geval van wederuitvoer overeenkomstig artikel 232, lid 2:

—de enkele overschrijding van de grens van het douanegebied van de Gemeenschap.

▼M6

2. Wanneer de goederen bedoeld in artikel 230, onder a), artikel 231, onder a), en artikel 232, lid 1, onder a), en lid 2, voor zover zij zich in de bagage van een reiziger bevinden, per spoor worden vervoerd zonder door de reiziger te worden begeleid, en bij de douane worden aangegeven zonder dat de reiziger aanwezig is, mag het in bijlage 38 bis bedoelde document worden gebruikt binnen de grenzen en onder de voorwaarden welke daarin worden omschreven.

▼B

Artikel 234

1. Wanneer aan de in de artikelen 230 tot en met 232 bedoelde voorwaarden is voldaan, worden de betrokken goederen geacht bij de douane te zijn aangebracht in de zin van artikel 63 van het Wetboek en wordt de aangifte geacht te zijn aanvaard en de vrijgave geacht te zijn verleend op het tijdstip waarop de in artikel 233 bedoelde handeling wordt verricht.

2. Indien bij een controle blijkt dat de in artikel 233 bedoelde handeling wordt verricht zonder dat de binnenkomende of uitgaande goederen voldoen aan de voorwaarden van de artikelen 230 tot en met 232, worden deze goederen geacht op onregelmatige wijze te zijn binnengebracht of uitgevoerd.



Afdeling 3

Gemeenschappelijke bepalingen voor de afdelingen 1 en 2

Artikel 235

De artikelen 225 tot en met 232 zijn niet van toepassing op goederen waarvoor de toekenning van restituties of andere bedragen dan wel de teruggave van rechten vereist is of gevraagd wordt of die aan verboden of beperkingen of enige andere bijzondere formaliteit zijn onderworpen.

Artikel 236

Voor de toepassing van de afdelingen 1 en 2 wordt onder „reiziger” verstaan:

A.bij invoer:

1)een ieder die het douanegebied van de Gemeenschap, waar hij niet zijn normale verblijfplaats heeft, tijdelijk binnenkomt, alsmede

2)een ieder die naar het douanegebied van de Gemeenschap, waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft, terugkeert na tijdelijk op het grondgebied van een derde land te hebben verbleven;

B.bij uitvoer:

1)een ieder die het douanegebied van de Gemeenschap, waar hij zijn normale verblijfplaats heeft, tijdelijk verlaat, alsmede

2)een ieder die het douanegebied van de Gemeenschap, waar hij niet zijn normale verblijfplaats heeft, na een tijdelijk verblijf verlaat.



Afdeling 4

Postverkeer

Artikel 237

1. De hierna genoemde postzendingen worden geacht bij de douane te zijn aangegeven:

A.voor het vrije verkeer:

a)op het tijdstip waarop zij in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht:

—briefkaarten en brieven die uitsluitend persoonlijke boodschappen bevatten,

—braillestukken,

—van invoerrechten vrijgesteld drukwerk,

—en

—alle andere briefpostzendingen en pakketpostzendingen die niet bij de douane behoeven te worden aangebracht overeenkomstig de bepalingen die met toepassing van artikel 38, lid 4, van het Wetboek zijn vastgesteld;

b)op het tijdstip waarop zij bij de douane worden aangebracht:

—briefpostzendingen en pakketpostzendingen andere dan die bedoeld onder a), mits zij vergezeld gaan van de aangiften ►M18 CN22en/of ►M18 CN23;

B.ten uitvoer:

a)op het tijdstip waarop de posterijen de verantwoordelijkheid op zich nemen voor de briefpostzendingen en pakketpostzendingen welke niet aan rechten bij uitvoer zijn onderworpen;

b)op het tijdstip waarop zij bij de douane worden aangebracht, de briefpostzendingen en pakketpostzendingen welke aan rechten bij uitvoer zijn onderworpen, mits zij vergezeld gaan van de aangiften ►M18 CN22 en/of ►M18 CN23.

2. In de in lid 1, punt A, bedoelde gevallen wordt de geadresseerde en in de in lid 1, punt B, bedoelde gevallen wordt de afzender geacht aangever en, in voorkomend geval, schuldenaar te zijn. De douaneautoriteiten kunnen bepalen dat de posterijen worden aangemerkt als aangever en, in voorkomend geval, als schuldenaar.

3. Voor de toepassing van lid 1 worden niet aan rechten onderworpen goederen die geacht worden bij de douane te zijn aangebracht in de zin van artikel 63 van het Wetboek en wordt de douaneaangifte geacht te zijn aanvaard en de vrijgave te zijn verleend:

a)bij invoer, op het tijdstip waarop de goederen aan de geadresseerde ter beschikking worden gesteld;

b)bij uitvoer, op het tijdstip waarop de posterijen de verantwoordelijkheid voor de goederen op zich nemen.

4. Wanneer een briefpostzending of pakketpostzending waarvoor geen ontheffing is verleend van de verplichting tot het aanbrengen bij de douane overeenkomstig de bepalingen die met toepassing van artikel 38, lid 4, van het Wetboek zijn vastgesteld, zonder aangiften ►M18 CN22 en/of ►M18 CN23 wordt aangeboden of wanneer de genoemde aangifte onvolledig is, stellen de douaneautoriteiten de vorm vast waarin de douaneaangifte dient te worden gedaan of aangevuld.

Artikel 238

Artikel 237 is niet van toepassing:

—op zendingen of colli welke voor commerciële doeleinden bestemde goederen bevatten waarvan de totale waarde de bij de geldende communautaire bepalingen vastgestelde statistische drempel overschrijdt; de douaneautoriteiten kunnen hogere drempels vaststellen;

—op zendingen of colli welke voor commerciële doeleinden bestemde goederen bevatten die deel uitmaken van een regelmatige reeks van soortgelijke transacties;

—wanneer de douaneaangifte schriftelijk, mondeling of met een systeem van geautomatiseerde gegevensverwerking wordt gedaan;

—op zendingen of colli welke goederen als bedoeld in artikel 235 bevatten.



TITEL VIII

ONDERZOEK VAN DE GOEDEREN, BEVINDINGEN VAN HET DOUANEKANTOOR EN ANDERE DOOR HET DOUANEKANTOOR TE NEMEN MAATREGELEN

Artikel 239

1. Het onderzoek van de goederen vindt plaats op de daartoe aangewezen plaatsen en op de daartoe vastgestelde tijden

2. Op verzoek van de aangever kunnen de douaneautoriteiten echter toestaan dat de goederen op andere dan de in lid 1 bedoelde plaatsen en tijden worden onderzocht.

De kosten die hieruit kunnen voortvloeien komen ten laste van de aangever.

Artikel 240

1. Wanneer de douaneautoriteiten besluiten de goederen aan een onderzoek te onderwerpen, stellen zij de aangever of diens vertegenwoordiger hiervan in kennis.

2. Wanneer de douaneautoriteiten besluiten de aangegeven goederen slechts gedeeltelijk te onderzoeken, delen zij de aangever of diens vertegenwoordiger mede welke goederen onderzocht zullen worden; de aangever of diens vertegenwoordiger kan zich tegen deze keuze niet verzetten.

Artikel 241

1. De aangever of degene die hij heeft aangewezen om bij het onderzoek van de goederen aanwezig te zijn, verleent de douaneautoriteiten de nodige bijstand om hun taak te vergemakkelijken. Indien de verleende bijstand door de douaneautoriteiten niet toereikend wordt geacht, kunnen zij van de aangever eisen dat deze een persoon aanwijst die in staat is de vereiste bijstand te verlenen.

2. Wanneer de aangever weigert bij het onderzoek van de goederen aanwezig te zijn of een persoon aan te wijzen die in staat is de door de douaneautoriteiten noodzakelijk geachte bijstand te verlenen, stellen deze autoriteiten een termijn vast waarbinnen de aangever aan deze eis dient te voldoen, tenzij zij menen van het onderzoek af te kunnen zien.

Indien na het verstrijken van de gestelde termijn de aangever geen gevolg heeft gegeven aan de eis van de douaneautoriteiten, gaan deze, met het oog op de toepassing van artikel 75, onder a), van het Wetboek, ambtshalve over tot het onderzoek van de goederen voor risico en op kosten van de aangever, waarbij zij, wanneer zij zulks nodig achten, een beroep doen op de diensten van een deskundige of van iedere andere volgens de geldende bepalingen aangewezen persoon.

3. De bevindingen van de douaneautoriteiten bij een onderzoek als bedoeld in lid 2, hebben dezelfde rechtskracht als wanneer het onderzoek in het bijzijn van de aangever zou zijn uitgevoerd.

4. De douaneautoriteiten kunnen, in plaats van over te gaan tot de in de leden 2 en 3 bedoelde maatregelen, de aangifte buiten werking stellen, mits er geen vermoeden bestaat dat de weigering van de aangever bij het onderzoek aanwezig te zijn of een persoon aan te wijzen die de nodige bijstand kan verlenen ten doel of tot gevolg heeft dat de vaststelling wordt verhinderd van een inbreuk op de voorschriften betreffende de plaatsing van de goederen onder de betrokken douaneregeling of dat artikel 66, lid 1, of artikel 80, lid 2, van het Wetboek kan worden toegepast.

Artikel 242

1. Wanneer de douaneautoriteiten besluiten monsters te nemen, stellen zij de aangever of diens vertegenwoordiger hiervan in kennis.

2. Het nemen van monsters geschiedt door de douaneautoriteiten zelf. Zij kunnen echter verzoeken dat de monsterneming onder hun toezicht door de aangever of door een door hem aangewezen persoon wordt verricht.

De monsterneming geschiedt volgens de methoden die ter zake zijn voorgeschreven.

3. De bij de monsterneming te nemen hoeveelheden zijn niet groter dan noodzakelijk is om de analyse of het grondige onderzoek, met inbegrip van een eventuele tegenanalyse, te kunnen verrichten.

Artikel 243

1. De aangever of de persoon die hij aanwijst om bij de monsterneming aanwezig te zijn, is gehouden de douaneautoriteiten alle nodige bijstand te verlenen om hun taak te vergemakkelijken.

▼M7

2. Wanneer de aangever weigert bij de monsterneming aanwezig te zijn of hiertoe een persoon aan te wijzen of indien hij de douaneautoriteiten niet alle nodige bijstand verleent om hun taak te vergemakkelijken, is artikel 241, lid 1, tweede zin, en de leden 2, 3 en 4, van toepassing.

▼B

Artikel 244

Wanneer de douaneautoriteiten monsters hebben genomen met het oog op een analyse of een grondig onderzoek, verlenen zij vrijgave van de betrokken goederen zonder de resultaten van deze analyse of van dit onderzoek af te wachten, indien geen andere overwegingen zich hiertegen verzetten en mits, ingeval een douaneschuld is ontstaan of kan ontstaan, eerst het bedrag van de overeenkomstige rechten is geboekt en betaald of daarvoor zekerheid is gesteld.

Artikel 245

1. De bij de monsterneming door het douanekantoor genomen hoeveelheden kunnen niet op de aangegeven hoeveelheid in mindering worden gebracht.

2. Wanneer het een aangifte ten uitvoer of een aangifte voor passieve veredeling betreft, wordt het de aangever toegestaan, indien de omstandigheden dit toelaten, om de als monsters genomen hoeveelheden goederen te vervangen door identieke goederen ten einde de zending aan te vullen.

Artikel 246

1. Behoudens wanneer de genomen monsters door de analyse of het grondige onderzoek zijn vernietigd, worden zij aan de aangever op diens verzoek en op diens kosten teruggegeven wanneer het geen zin meer heeft dat de douaneautoriteiten deze monsters nog langer bewaren, met name wanneer de aangever alle mogelijkheden van beroep tegen de beschikking van de douaneautoriteiten op grond van deze analyse of dit grondige onderzoek heeft uitgeput.

2. De douaneautoriteiten kunnen de monsters die door de aangever niet zijn teruggevraagd ofwel vernietigen ofwel bewaren. In bepaalde gevallen kunnen de douaneautoriteiten evenwel eisen dat de betrokkene de overgebleven monsters terugneemt.

Artikel 247

1. Wanneer de douaneautoriteiten overgaan tot verificatie van de aangifte en de daarbij gevoegde bescheiden of tot onderzoek van de goederen, geven zij in ieder geval op het voor deze autoriteiten bestemde exemplaar van de aangifte of op een daarbij gevoegd bescheid aan waarop deze verificatie of dit onderzoek betrekking had, alsmede de resultaten hiervan. Bij een gedeeltelijk onderzoek van de goederen wordt eveneens aangegeven welk gedeelte werd onderzocht.

In voorkomend geval maken de douaneautoriteiten op de aangifte ook melding van de afwezigheid van de aangever of diens vertegenwoordiger.

2. Indien het resultaat van de verificatie van de aangifte en de daarbij gevoegde bescheiden of van het onderzoek van de goederen niet in overeenstemming is met de aangifte, vermelden de douaneautoriteiten in ieder geval op het voor deze autoriteiten bestemde exemplaar van de aangifte of op een daarbij gevoegd bescheid de grondslagen welke in aanmerking moeten worden genomen voor het vaststellen van de heffing op de betrokken goederen en, in voorkomend geval, de grondslagen voor de berekening van de restituties en de andere bedragen bij uitvoer en voor de toepassing van de andere bepalingen van de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst.

3. Uit de bevindingen van de douaneautoriteiten dient in voorkomend geval te blijken welke identificatiemiddelen zijn gebruikt. Voorts dienen de bevindingen te zijn gedagtekend en de nodige gegevens te bevatten aan de hand waarvan de ambtenaar die de bevindingen heeft gedaan, kan worden geïdentificeerd.

4. De douaneautoriteiten kunnen zich onthouden van het aanbrengen van enige vermelding op de aangifte en op een bijgevoegd document indien zij in het geheel niet tot verificatie van de aangifte of tot onderzoek van de goederen zijn overgegaan.

▼M32

5. Voor de toepassing van de regeling communautair douanevervoer legt het kantoor van vertrek de resultaten van de verificatie vast, door de daarop betrekking hebbende gegevens in het computersysteem in te voeren.

▼B

Artikel 248

1. Vrijgave van de goederen leidt tot boeking van de op grond van de vermeldingen van de aangifte vastgestelde rechten bij invoer. Wanneer de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat de door hen ingestelde controles kunnen leiden tot de vaststelling van een bedrag dat hoger is dan het bedrag dat voortvloeit uit de vermeldingen in de aangifte, eisen deze autoriteiten bovendien dat voldoende zekerheid wordt gesteld om het verschil te dekken tussen het laatstgenoemde bedrag en het bedrag dat uiteindelijk op de goederen van toepassing kan zijn. De aangever heeft evenwel de mogelijkheid om, in plaats van het stellen van die zekerheid, de directe boeking te verzoeken van het bedrag aan rechten dat uiteindelijk op de betrokken goederen van toepassing kan zijn.

2. Wanneer de douaneautoriteiten op grond van de door hen verrichte controles een bedrag aan rechten vaststellen dat afwijkt van het bedrag dat voortvloeit uit de vermeldingen in de aangifte, kunnen de goederen slechts worden vrijgegeven indien dat bedrag direct wordt geboekt.

3. Wanneer de douaneautoriteiten twijfelen of verboden of beperkingen van toepassing zijn en die twijfel slechts kan worden opgeheven na het verkrijgen van de resultaten van de door hen verrichte controles, kunnen de betreffende goederen niet worden vrijgegeven.

▼M12

4. Onverminderd lid 1 kunnen de douaneautoriteiten voor goederen waarvoor een aanvraag is ingediend tot opneming uit een tariefcontingent, van het eisen van een zekerheid afzien, indien zij op het tijdstip waarop de aangifte voor het vrije verkeer wordt aanvaard, vaststellen dat het betrokken tariefcontingent niet kritiek is in de zin van artikel 308 quater.

▼B

Artikel 249

1. De wijze waarop de vrijgave wordt verleend, wordt bepaald door de douaneautoriteiten, rekening houdend met de plaats waar de goederen zich bevinden en de specifieke wijze waarop toezicht op die goederen wordt gehouden.

2. In het geval van een schriftelijke aangifte worden de vrijgave en de datum waarop deze wordt verleend, vermeld op de aangifte, waarvan een kopie aan de aangever wordt teruggeven, of in voorkomend geval op een bijgevoegd document.

▼M32

3. Voor de toepassing van de regeling communautair douanevervoer geeft het kantoor van vertrek, indien de controleresultaten het toelaten, de goederen vrij en voert het de datum van de vrijgave in het computersysteem in.

▼B

Artikel 250

1. Indien de goederen om een van de in artikel 75, onder a), tweede of derde streepje, van het Wetboek bedoelde redenen niet kunnen worden vrijgegeven, stellen de douaneautoriteiten een termijn vast waarbinnen de aangever de situatie van deze goederen dient te regelen.

2. Indien in de in artikel 74, onder a), tweede streepje, van het Wetboek bedoelde gevallen de aangever, na het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn, de betrokken bescheiden niet heeft overgelegd, blijft de betrokken aangifte zonder gevolg en wordt zij door de douanedienst buiten werking gesteld. Artikel 66, lid 3, van het Wetboek is van toepassing.

3. Onverminderd de eventuele toepassing van artikel 66, lid 1, eerste alinea, of van artikel 182 van het Wetboek, kunnen de douaneautoriteiten in de in artikel 75, onder a), derde streepje, van het Wetboek bedoelde gevallen, wanneer de aangever vóór het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn het bedrag van de verschuldigde rechten niet heeft betaald en er evenmin zekerheid voor heeft gesteld, overgaan tot de nodige formaliteiten die aan de verkoop van de goederen voorafgaan. In dat geval wordt die verkoop verricht, indien de situatie inmiddels, eventueel met dwangmiddelen, wanneer de wetgeving van de Lid-Staat waaronder genoemde douaneautoriteiten ressorteren zulks toestaat, niet is geregeld. De douaneautoriteiten stellen de aangever hiervan in kennis.

De douaneautoriteiten kunnen, voor risico en op kosten van de aangever, de betrokken goederen overbrengen naar een speciale, onder hun toezicht staande plaats.

Artikel 251

In afwijking van artikel 66, lid 2, van het Wetboek kan de douaneaangifte ongeldig worden gemaakt nadat vrijgave is verleend, onder de hierna volgende voorwaarden:

1)Wanneer is vastgesteld dat de goederen, in plaats van onder een andere douaneregeling te zijn gebracht, bij vergissing zijn aangegeven voor een douaneregeling die de verplichting tot betaling van de rechten bij invoer inhoudt, maken de douaneautoriteiten de aangifte ongeldig indien het verzoek daartoe wordt ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum van aanvaarding van de aangifte, voor zover:

—de goederen niet zijn gebruikt onder andere voorwaarden dan die welke gelden voor de douaneregeling waarvoor zij bestemd waren,

—de goederen op het ogenblik van aangifte waren bestemd om te worden geplaatst onder een andere douaneregeling en zij aan alle voorwaarden daarvoor voldeden,

—en

—de goederen onmiddellijk worden aangegeven voor de douaneregeling waarvoor zij in werkelijkheid waren bestemd.

De aangifte tot plaatsing van de goederen onder deze laatste douaneregeling wordt van kracht op de datum van aanvaarding van de ongeldig gemaakte aangifte.

De douaneautoriteiten kunnen in naar behoren gerechtvaardigde uitzonderlijke gevallen toestaan dat de vorengenoemde termijn wordt overschreden.

▼M1

1 bis)Wanneer is vastgesteld dat de goederen in de plaats van andere goederen bij vergissing zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van de rechten bij invoer voortvloeit, maken de douaneautoriteiten de aangifte ongeldig indien het verzoek daartoe wordt ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum van aanvaarding van de aangifte, voor zover:

—de oorspronkelijk aangegeven goederen:

i)niet zijn gebruikt op een andere wijze dan toegestaan in de voorafgaande situatie ervan,

en

ii)weer in de voorafgaande situatie worden gebracht,

en voor zover

—de goederen die in werkelijkheid voor de aanvankelijk beoogde douaneregeling hadden moeten worden aangegeven:

i)op het ogenblik van indiening van de oorspronkelijke aangifte bij hetzelfde douanekantoor hadden kunnen worden aangeboden,

en

ii)voor dezelfde douaneregeling die aanvankelijk was beoogd, zijn aangegeven.

De douaneautoriteiten kunnen in naar behoren gerechtvaardigde uitzonderlijke gevallen toestaan dat de vorengenoemde termijn wordt overschreden.

▼M12

1 ter)De douaneautoriteiten maken de aangifte voor het vrije verkeer van in het kader van een postorderverkoop geweigerde goederen ongeldig indien binnen drie maanden na de aanvaarding van de aangifte een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend en mits deze goederen naar het adres van de oorspronkelijke leverancier of naar een ander door deze opgegeven adres zijn uitgevoerd.

▼M20

1 quater)Wanneer een vergunning met terugwerkende kracht wordt verleend

—overeenkomstig artikel 294, voor het in het vrije verkeer brengen van goederen waarvoor een gunstige tariefregeling geldt of die op grond van hun bijzondere bestemming voor een verminderd recht of een nulrecht in aanmerking komen, of

—overeenkomstig artikel 508, voor plaatsing onder een economische douaneregeling.

▼B

2)Wanneer de goederen ten uitvoer of voor de regeling passieve veredeling zijn aangegeven, wordt de aangifte ongeldig gemaakt, voor zover:

a)indien het goederen betreft waarop rechten bij uitvoer van toepassing zijn of waarvoor een verzoek om terugbetaling van de rechten bij invoer, restituties of andere bedragen bij uitvoer is ingediend of waarop een andere bijzondere maatregel bij uitvoer van toepassing is:

—de aangever ten genoegen van het douanekantoor van uitvoer aantoont dat de goederen het douanegebied van de Gemeenschap niet hebben verlaten,

—de aangever op het genoemde kantoor opnieuw alle exemplaren van de douaneaangifte alsmede alle andere bescheiden welke aan hem zijn teruggegeven bij aanvaarding van de aangifte overlegt,

—de aangever ten genoegen van het douanekantoor van uitvoer aantoont dat de restituties en andere in verband met de aangifte ten uitvoer van de betrokken goederen toegekende bedragen zijn terugbetaald of dat door de betrokken diensten de nodige maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat deze worden uitbetaald,

—de aangever in voorkomend geval en overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen voldoet aan de andere verplichtingen die door het douanekantoor van uitvoer kunnen worden opgelegd met het oog op de regularisatie van de situatie van deze goederen.

De ongeldigmaking van de aangifte leidt in voorkomend geval tot annulering van de afboekingen op de uitvoer- of voorfixatiecertificaten die bij deze aangifte werden overgelegd.

Wanneer de ten uitvoer aangegeven goederen het douanegebied van de Gemeenschap binnen een bepaalde termijn moeten verlaten, heeft het niet in acht nemen van deze termijn de ongeldigmaking van de betreffende aangifte tot gevolg;

▼M33

b)indien het andere goederen betreft, het douanekantoor van uitvoer overeenkomstig artikel 792 bis, lid 1, in kennis is gesteld of overeenkomstig artikel 796 sexies, lid 2, van oordeel is, dat de aangegeven goederen het douanegebied van de Gemeenschap niet hebben verlaten.

▼B

3)Voor zover voor de wederuitvoer een aangifte moet worden ingediend, is punt 2 van overeenkomstige toepassing.

4)Wanneer communautaire goederen onder het stelsel van douane-entrepots zijn geplaatst in de zin van artikel 98, lid 1, onder b), van het Wetboek, kan het ongeldig maken van de aangifte tot plaatsing onder het stelsel worden aangevraagd en kan deze ongeldigmaking geschieden zodra de maatregelen zijn genomen welke in de betreffende specifieke voorschriften zijn vastgesteld voor het geval dat de goederen een andere dan de beoogde bestemming krijgen.

Indien bij het verstrijken van de termijn die is vastgesteld voor de duur van het verblijf van de bovengenoemde goederen onder het stelsel van douane-entrepots geen verzoek is ingediend dat ertoe strekt deze goederen één van de in de desbetreffende specifieke voorschriften vastgestelde bestemmingen te geven, nemen de douaneautoriteiten de uit hoofde van deze voorschriften vastgestelde maatregelen

▼M1

Artikel 252

Wanneer de douaneautoriteiten tot de verkoop van communautaire goederen overeenkomstig artikel 75, onder b), van het wetboek overgaan, gebeurt deze verkoop volgens de in de Lid-Staten geldende procedures.

▼B



TITEL IX

VEREENVOUDIGDE PROCEDURES



▼M1

HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen



▼M32

Afdeling 1

Algemeen

▼B

Artikel 253

1. De procedure van de onvolledige aangifte houdt in dat de douaneautoriteiten, in naar behoren gerechtvaardigde gevallen, een aangifte aanvaarden die niet alle vereiste vermeldingen bevat of waarbij niet alle, voor de desbetreffende douaneregeling benodigde bescheiden zijn gevoegd.

2. De procedure van de vereenvoudigde aangifte houdt in dat goederen onder de desbetreffende douaneregeling worden geplaatst onder overlegging van een vereenvoudigde aangifte, waarna een aanvullende aangifte wordt ingediend, die in voorkomend geval een algemeen, periodiek of samenvattend karakter kan hebben.

3. De domiciliëringsprocedure houdt in dat goederen in de bedrijfsruimten van de belanghebbende of in andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaatsen onder de desbetreffende douaneregeling worden geplaatst.

▼M32

4. Een persoon kan een vergunning aanvragen voor gebruik van vereenvoudigde aangiften of van de domiciliëringsprocedure, voor eigen gebruik of voor gebruik als vertegenwoordiger, mits hij een administratie voert en procedures gebruikt aan de hand waarvan de vergunningverlenende douaneautoriteit de vertegenwoordigde personen kan identificeren en passende douanecontroles kan verrichten.

Deze aanvraag kan ook betrekking hebben op een geïntegreerde vergunning, onverminderd artikel 64 van het Wetboek.

5. Het gebruik van vereenvoudigde aangiften en de domiciliëringsprocedure is afhankelijk van de voorwaarde dat zekerheid wordt gesteld voor invoerrechten en andere heffingen.

6. De vergunninghouder moet voldoen aan de in dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden en criteria en de verplichtingen nakomen die uit de vergunning voortvloeien, onverminderd de verplichtingen van de aangever en de bepalingen inzake het ontstaan van een douaneschuld.

7. De vergunninghouder stelt de vergunningverlenende douaneautoriteit in kennis van elk feit dat zich na de afgifte van de vergunning voordoet en dat gevolgen kan hebben voor de handhaving of de inhoud van de vergunning.

8. De vergunningverlenende douaneautoriteit voeren in de volgende gevallen een herbeoordeling uit van de vergunning voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften of de domiciliëringsprocedure:

a)het toepasselijke Gemeenschapsrecht heeft aanzienlijke wijzigingen ondergaan;

b)er is een redelijke aanwijzing dat de vergunninghouder niet langer aan de voorwaarden voldoet.

Wanneer een vergunning voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften of de domiciliëringsprocedure is afgegeven aan een aanvrager die minder dan drie jaar geleden is opgericht, wordt in het eerste jaar na de afgifte nauwlettend toezicht uitgeoefend.

▼M1

Artikel 253 bis

Wanneer een vereenvoudigde procedure met automatische gegevensverwerking wordt toegepast of de douaneaangifte met behulp van een systeem voor automatische gegevensverwerking wordt opgesteld, zijn artikel 199, leden 2 en 3, en de artikelen 222, 223 en 224 van overeenkomstige toepassing.

▼M32

Het gebruik van vereenvoudigde aangiften en de domiciliëringsprocedure is slechts toegestaan indien de douaneaangiften en de kennisgevingen elektronisch worden ingediend.

▼M38

Wanneer het echter niet mogelijk is gebruik te maken van het gegevensverwerkende systeem van de douane of van de marktdeelnemer om vereenvoudigde douaneaangiften of kennisgevingen in het kader van de domiciliëringsprocedure in te dienen of te ontvangen, kan de douane andere soorten aangiften en kennisgevingen in de door hen voorgeschreven vorm aanvaarden, mits een effectieve risicoanalyse wordt uitgevoerd.

▼M32



Afdeling 2

De verlening, schorsing en intrekking van vergunningen voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften en de domiciliëringsprocedure

Artikel 253 ter

1. De aanvragen voor een vergunning voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften of de domiciliëringsprocedure worden ingediend met behulp van het aanvraagformulier waarvan het model in bijlage 67 is opgenomen of de overeenkomstige elektronische versie.

2. Wanneer de vergunningverlenende douaneautoriteit vaststelt dat de aanvraag niet alle vereiste gegevens bevat, verzoekt zij de aanvrager binnen 30 kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag haar de nodige gegevens te verstrekken, onder opgave van de redenen van haar verzoek.

3. De aanvraag wordt niet aanvaard indien:

a)zij niet voldoet aan het bepaalde in lid 1;

b)zij niet is ingediend bij de bevoegde douaneautoriteiten;

c)de aanvrager veroordeeld is wegens een ernstig misdrijf dat verband houdt met diens economische activiteiten;

d)tegen de aanvrager een faillissementsprocedure loopt ten tijde van de indiening van de aanvraag.

4. Voordat een vergunning voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften of de domiciliëringsprocedure wordt verleend, controleren de douaneautoriteiten de administratie van de aanvrager, tenzij de resultaten van een vorige administratieve controle kunnen worden gebruikt.

Artikel 253 quater

1. Voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften wordt vergunning verleend indien voldaan wordt aan de voorwaarden en criteria van artikel 14 nonies, met uitzondering van lid 1, onder c), artikel 14 decies, onder d), e) en g) en artikel 14 undecies.

Voor het gebruik van de domiciliëringsprocedure wordt vergunning verleend indien voldaan wordt aan de voorwaarden en criteria van artikel 14 nonies, met uitzondering van lid 1, onder c), artikel 14 decies en artikel 14 undecies.

Voor de verlening van de in de eerste en de tweede alinea bedoelde vergunningen, passen de douaneautoriteiten artikel 14 bis, lid 2, toe en gebruiken zij het in bijlage 67 opgenomen vergunningsformulier.

2. Wanneer de aanvrager houder is van een AEO-certificaat als bedoeld in artikel 14 bis, lid 1, onder a) of c), wordt aan de voorwaarden en criteria van lid 1 geacht te zijn voldaan.

Artikel 253 quinquies

1. Een vergunning voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften of de domiciliëringsprocedure wordt door de vergunningverlenende douaneautoriteit geschorst wanneer:

a)blijkt dat niet aan de voorwaarden en criteria van artikel 253 quater, lid 1, wordt voldaan;

b)de douane voldoende redenen heeft om aan te nemen dat zich feiten hebben voorgedaan die tot een strafrechtelijke vervolging aanleiding geven en die verband houden met een overtreding van de douanewetgeving door de vergunninghouder of door een andere in artikel 14 nonies, lid 1, onder a), b) of d) bedoelde persoon.

In het in de eerste alinea, onder b), van dit artikel bedoelde geval kan de vergunningverlenende douaneautoriteit echter besluiten de vergunning voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften of de domiciliëringsprocedure niet te schorsen, indien zij van oordeel is dat de overtreding van weinig belang is in verhouding tot het aantal en de omvang van de douanegerelateerde activiteiten van de vergunninghouder en geen twijfel heeft doen ontstaan aan diens goede trouw.

Alvorens een besluit te nemen, deelt de vergunningverlenende douaneautoriteit haar bevindingen aan de vergunninghouder mee. De vergunninghouder is gerechtigd binnen 30 kalenderdagen vanaf die mededeling de situatie te corrigeren en/of zijn standpunt kenbaar te maken.

2. Wanneer de vergunninghouder de in lid 1, eerste alinea, onder a), bedoelde situatie niet binnen 30 kalenderdagen regulariseert, deelt de vergunningverlenende douaneautoriteit hem mee, dat de vergunning voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften of de domiciliëringsprocedure voor 30 kalenderdagen dagen is geschorst, zodat de vergunninghouder de nodige maatregelen kan nemen om de situatie te regulariseren.

3. In de in lid 1, eerste alinea, onder b), bedoelde gevallen schorst de vergunningverlenende douaneautoriteit de vergunning tot het einde van de gerechtelijke procedure. Zij deelt dit aan de vergunninghouder mee.

4. Wanneer de vergunninghouder de situatie niet binnen 30 kalenderdagen kan regulariseren, maar kan aantonen dat aan de voorwaarden kan worden voldaan indien de schorsingstermijn wordt verlengd, schorst de vergunningverlenende douaneautoriteit de vergunning voor het gebruik van de vereenvoudigde aangifte of de domiciliëringsprocedure voor nogmaals 30 kalenderdagen.

5. De schorsing van een vergunning is niet van invloed op douaneregelingen die reeds waren begonnen toen de schorsing inging en die nog niet zijn beëindigd.

Artikel 253 sexies

1. Wanneer de vergunninghouder, ten genoegen van de vergunningverlenende douaneautoriteit, de nodige maatregelen heeft genomen om te voldoen aan de voorwaarden en criteria om in aanmerking te komen voor de vergunning voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften of de domiciliëringsprocedure, trekt de vergunningverlenende douaneautoriteit de schorsing in en deelt zij dit mee aan de vergunninghouder. De schorsing kan worden ingetrokken, voordat de in artikel 253 quinquies, lid 2 of lid 4, bepaalde termijn verstrijkt.

2. Indien de vergunninghouder nalaat de nodige maatregelen te nemen binnen de bij artikel 253 quinquies, lid 2 of lid 4, bepaalde schorsingstermijn, is artikel 253 octies van toepassing.

Artikel 253 septies

1. Wanneer een vergunninghouder tijdelijk niet kan voldoen aan een van de voorwaarden of criteria die gelden voor de vergunning voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften of de domiciliëringsprocedure, kan hij verzoeken dat de vergunning wordt geschorst. In dat geval deelt de vergunninghouder dit mee aan de vergunningverlenende douaneautoriteit, onder vermelding van de datum waarop hij opnieuw aan de voorwaarden en criteria kan voldoen. Hij stelt de vergunningverlenende douaneautoriteit ook in kennis van voorgenomen maatregelen en wanneer deze zullen worden uitgevoerd.

2. Indien de vergunninghouder nalaat de situatie binnen de door hem meegedeelde termijn te regulariseren, kan de vergunningverlenende douaneautoriteit een redelijke verlenging toestaan, mits de vergunninghouder te goeder trouw is.

Artikel 253 octies

Onverminderd artikel 9 van het Wetboek en artikel 4 van deze verordening, wordt de vergunning voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften of de domiciliëringsprocedure door de vergunningverlenende douaneautoriteit in de volgende gevallen ingetrokken:

a)wanneer de vergunninghouder de in artikel 253 quinquies, lid 2, en artikel 253 septies, lid 1, bedoelde situatie niet regulariseert;

b)wanneer de vergunninghouder of een andere in artikel 14 nonies, lid 1, onder a), b) of d), bedoelde persoon ernstige of herhaalde inbreuken heeft gepleegd op de douanewetgeving en zijn beroepsmogelijkheden heeft uitgeput;

c)op verzoek van de vergunninghouder.

In het in de eerste alinea, onder b), bedoelde geval kan de vergunningverlenende douaneautoriteit echter besluiten de vergunning voor gebruik van vereenvoudigde aangiften of van de domiciliëringsprocedure niet in te trekken, indien zij van oordeel is dat de overtredingen van weinig belang zijn in verhouding tot het aantal en de omvang van de douanegerelateerde activiteiten van de vergunninghouder en geen twijfel hebben doen ontstaan aan diens goede trouw.



HOOFDSTUK 1 bis

Grensoverschrijdende vergunning voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften of de domiciliëringsprocedure



Afdeling 1

Aanvraagprocedure

Artikel 253 nonies

1. De aanvraag voor een grensoverschrijdende vergunning voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften of de domiciliëringsprocedure wordt bij een van de in artikel 14 quinquies, leden 1 en 2, bedoelde douaneautoriteiten ingediend.

Wanneer echter de vergunning voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften of de domiciliëringsprocedure wordt aangevraagd in het kader van of volgende op een aanvraag voor een grensoverschrijdende vergunning voor een bijzondere bestemming of een economische douaneregeling, zijn artikel 292, leden 5 en 6, of de artikelen 500 en 501 van toepassing.

2. Wanneer een deel van de betrokken administratie en documentatie in een andere lidstaat wordt bijgehouden dan de lidstaat waar de aanvraag wordt ingediend, vult de aanvrager de vakken 5a, 5b en 7 in van het aanvraagformulier waarvan het model in bijlage 67 is opgenomen.

3. De aanvrager zorgt voor een gemakkelijk toegankelijk centraal punt of een contactpersoon binnen zijn administratie in de lidstaat waar de aanvraag is ingediend, zodat de douane de informatie kan verkrijgen waaruit blijkt dat aan de eisen voor de afgifte van de grensoverschrijdende vergunning is voldaan.

4. De aanvragers doen de nodige gegevens zoveel mogelijk elektronisch aan de douane toekomen.

5. Tot de invoering van het voor de betrokken douaneregeling vereiste systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens tussen de betrokken lidstaten, kunnen de vergunningverlenende douaneautoriteiten aanvragen afwijzen die overeenkomstig lid 1 zijn ingediend, indien de grensoverschrijdende vergunning onevenredige administratieve lasten zou meebrengen.

Artikel 253 decies

1. De lidstaten doen de Commissie een lijst van de in artikel 253 nonies, lid 1, bedoelde douaneautoriteiten toekomen waarbij de aanvragen moeten worden ingediend alsmede eventuele wijzigingen in die lijst. De Commissie maakt deze informatie bekend op het internet. Deze autoriteiten treden op als de vergunningverlenende douaneautoriteiten van grensoverschrijdende vergunningen voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften en de domiciliëringsprocedure.

2. De lidstaten wijzen een centraal kantoor aan dat verantwoordelijk is voor de gegevensuitwisseling tussen de lidstaten en tussen de lidstaten en de Commissie en stellen de Commissie hiervan in kennis.



Afdeling 2

Afgifteprocedure

Artikel 253 undecies

1. Wanneer een aanvraag voor een grensoverschrijdende vergunning voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften of de domiciliëringsprocedure is ingediend, stelt de vergunningverlenende douaneautoriteit de andere douaneautoriteiten in kennis van:

a)de aanvraag;

b)de ontwerpvergunning;

c)alle inlichtingen die voor het verlenen van de vergunning nodig zijn.

Deze gegevens worden meegedeeld met behulp van het in artikel 253 quaterdecies bedoelde communicatiesysteem, zodra dit beschikbaar is.

2. De in lid 1, onder a), b) en c) bedoelde informatie wordt binnen de volgende termijnen door de vergunningverlenende douaneautoriteit verstrekt:

a)30 kalenderdagen indien de aanvrager eerder een vergunning heeft verkregen voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften of de domiciliëringsprocedure of houder is van een AEO-certificaat als bedoeld in artikel 14 bis, lid 1, onder a) of c);

b)90 kalenderdagen in alle andere gevallen.

Wanneer de vergunningverlenende douaneautoriteit deze termijnen niet kan nakomen, kan zij deze met 30 kalenderdagen verlengen. In dat geval deelt de vergunningverlenende douaneautoriteit de aanvrager, voordat de termijnen zijn verstreken, de reden van de verlenging mee.

De termijn gaat in op de dag waarop de vergunningverlenende douaneautoriteit alle in lid 1, onder a), b) en c), bedoelde nodige informatie heeft ontvangen. De vergunningverlenende douaneautoriteit deelt de aanvrager mee dat de aanvraag is aanvaard alsmede de datum waarop de termijn ingaat.

3. Tot en met 31 december 2009 wordt de in lid 2, eerste alinea, bedoelde maximumtermijn van 30 of 90 kalenderdagen vervangen door respectievelijk 90 en 210 kalenderdagen.

Artikel 253 duodecies

1. De vergunningverlenende douaneautoriteit van de lidstaat waar de aanvraag is ingediend en de douaneautoriteiten van de andere lidstaten die bij de aangevraagde grensoverschrijdende vergunning zijn betrokken werken samen bij het opstellen van de operationele eisen en rapporteringseisen, waaronder een controleprogramma voor toezicht op het gebruik van de douaneregeling waarop de grensoverschrijdende vergunning betrekking heeft. Voor de douaneregeling of douaneregelingen worden echter niet meer gegevens tussen de betrokken douaneautoriteiten uitgewisseld dan die welke zijn vermeld in bijlage 30 bis.

2. De douaneautoriteiten van de andere lidstaten die bij de aangevraagde grensoverschrijdende vergunning zijn betrokken, delen de vergunningverlenende douaneautoriteit binnen 30 kalenderdagen na ontvangst van de ontwerpvergunning hun eventuele bezwaren mee. Wanneer voor deze mededeling meer tijd nodig is, wordt dit zo spoedig mogelijk, en in ieder geval binnen deze termijn, meegedeeld aan de vergunningverlenende douaneautoriteit. Deze aanvullende termijn mag met niet meer dan 30 kalenderdagen worden verlengd. In geval van verlenging stelt de vergunningverlenende douaneautoriteit de aanvrager van de verlenging van de termijn in kennis.

Wanneer na de mededeling van bezwaren binnen die termijn geen overeenstemming tussen de douaneautoriteiten wordt bereikt, wordt de aanvraag afgewezen, voor zover tegen de aanvaarding bezwaar is gemaakt.

Wanneer de geraadpleegde douaneautoriteit niet binnen de in de eerste alinea vastgestelde termijn of termijnen antwoordt, kan de vergunningverlenende douaneautoriteit, op verantwoordelijkheid van de geraadpleegde douaneautoriteit, aannemen dat er geen bezwaar tegen de afgifte van de vergunning bestaat.

3. Alvorens de aanvraag geheel of gedeeltelijk af te wijzen, deelt de vergunningverlenende douaneautoriteit de aanvrager de redenen van haar besluit mee, waarna de aanvrager zijn standpunt binnen 30 kalenderdagen nadat de mededeling is gedaan, kenbaar kan maken.

Artikel 253 terdecies

1. Wanneer de houder van een AEO-certificaat als bedoeld in artikel 14 bis, lid 1, onder a) of c), een aanvraag indient voor een grensoverschrijdende vergunning, wordt deze vergunning verleend wanneer de nodige gegevens zijn uitgewisseld tussen:

a)de aanvrager en de vergunningverlenende douaneautoriteit;

b)de vergunningverlenende autoriteit en andere douaneautoriteiten die betrokken zijn bij de aangevraagde grensoverschrijdende vergunning.

Wanneer de aanvrager geen houder is van een AEO-certificaat als bedoeld in artikel 14 bis, lid 1, onder a) of c), wordt de vergunning verleend wanneer de vergunningverlenende douaneautoriteit ervan overtuigd is dat de aanvrager kan voldoen aan de voorwaarden en criteria voor de vergunning die zijn vastgesteld bij of bedoeld in de artikelen 253, 253 bis en 253 quater en wanneer de nodige uitwisseling van gegevens als bedoeld in de eerste alinea van dit lid is geregeld.

2. Nadat de vergunningverlenende douaneautoriteit toestemming heeft gekregen of geen met redenen omklede bezwaren heeft ontvangen van de andere betrokken douaneautoriteiten, geeft zij binnen 30 kalenderdagen na het verstrijken van de in artikel 253 undecies, lid 2 of lid 3, bedoelde termijnen de vergunning af overeenkomstig het vergunningformulier waarvan het model is opgenomen in bijlage 67.

De vergunningverlenende douaneautoriteit doet de vergunning toekomen aan de douaneautoriteiten in de deelnemende lidstaten met behulp van het in artikel 253 quaterdecies bedoelde informatie- en communicatiesysteem zodra dit beschikbaar is.

3. De grensoverschrijdende vergunningen voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften en de domiciliëringsprocedure worden in alle lidstaten erkend die zijn vermeld in vak 10 en/of vak 11 van de vergunning.



Afdeling 3

Uitwisseling van informatie

Artikel 253 quaterdecies

1. Een elektronisch informatie- en communicatiesysteem dat in overleg tussen de Commissie en de douaneautoriteiten wordt vastgesteld, wordt, zodra het beschikbaar is, gebruikt voor informatie en communicatie tussen de douaneautoriteiten en ter informatie van de Commissie en de marktdeelnemers. Aan de marktdeelnemers worden slechts de niet-vertrouwelijke gegevens meegedeeld als omschreven in titel II, punt 16, van de toelichting bij het aanvraagformulier voor het gebruik van vereenvoudigde procedures waarvan het model in bijlage 67 is opgenomen.

2. Met behulp van het in lid 1 bedoelde systeem worden de volgende gegevens uitgewisseld, opgeslagen en toegankelijk gemaakt voor de Commissie en de douaneautoriteiten:

a)de gegevens van de aanvragen;

b)de gegevens die voor de afgifte van de vergunning zijn vereist;

c)de grensoverschrijdende vergunningen die zijn afgegeven voor de procedures als bedoeld in artikel 1, leden 13 en 14, en eventuele gegevens over wijziging, schorsing en intrekkingen van die vergunningen;

d)de resultaten van een herbeoordeling in de zin van artikel 253, lid 8.

3. De Commissie en de lidstaten mogen de lijst van de grensoverschrijdende vergunningen en de niet-vertrouwelijke gegevens als bedoeld in titel II, punt 16, van de toelichting bij het aanvraagformulier voor het gebruik van vereenvoudigde procedures waarvan het model in bijlage 67 is opgenomen, met toestemming van de vergunninghouder aan het publiek op het internet bekendmaken. De lijst wordt bijgewerkt.

▼B



HOOFDSTUK 2

Aangifte voor het vrije verkeer



Afdeling 1

Onvolledige aangifte

▼M29

Artikel 254

Op verzoek van de aangever kunnen de douaneautoriteiten aangiften voor het vrije verkeer aanvaarden die niet alle in bijlage 37 genoemde gegevens bevatten.

Deze aangiften bevatten echter ten minste de in bijlage 30 bis genoemde gegevens voor een onvolledige aangifte.

▼B

Artikel 255

1. De aangiften voor het vrije verkeer die de douaneautoriteiten op verzoek van de aangever kunnen aanvaarden hoewel daarbij bepaalde bescheiden die moeten worden overgelegd ter staving van de aangifte niet zijn gevoegd, dienen ten minste vergezeld te gaan van die documenten waarvan de overlegging noodzakelijk is voor het in het vrije verkeer brengen van de goederen.

2. In afwijking van lid 1 kan een aangifte waaraan één van de voor het in het vrije verkeer brengen noodzakelijke bescheiden ontbreekt, worden aanvaard indien ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond:

a)dat het betrokken document bestaat en dat de geldigheidsduur hiervan niet is verstreken;

b)dat het feit dat dit bescheid niet bij de aangifte kon worden gevoegd, te wijten is aan omstandigheden buiten de wil van de aangever;

en dat

c)dat iedere vertraging bij de aanvaarding van de aangifte ertoe zou leiden dat de goederen niet in het vrije verkeer zouden kunnen worden gebracht of ten gevolge zou hebben dat deze goederen aan hogere rechten zouden worden onderworpen.

De gegevens met betrekking tot de ontbrekende bescheiden dienen in ieder geval op de aangifte te worden vermeld.

Artikel 256

1. De door de douaneautoriteiten gestelde termijn voor het mededelen, respectievelijk overleggen, van de bij de aanvaarding van de aangifte ontbrekende gegevens of bescheiden mag niet meer bedragen dan een maand te rekenen vanaf de datum van aanvaarding van de aangifte.

▼M22

Betreft het een voor de toepassing van een lager invoerrecht of nulrecht noodzakelijk bescheid, dan kan, indien de douaneautoriteiten gegronde redenen hebben om aan te nemen dat de goederen waarop de onvolledige aangifte betrekking heeft daadwerkelijk voor een lager invoerrecht of nulrecht in aanmerking komen, op verzoek van de aangever, een langere dan de in lid 1 genoemde termijn worden toegestaan voor het overleggen van dit bescheid, voor zover de omstandigheden dit rechtvaardigen. Deze termijn mag evenwel niet langer zijn dan vier maanden te rekenen vanaf de datum van aanvaarding van de aangifte en kan niet worden verlengd.

▼B

Indien gegevens of bescheiden met betrekking tot de douanewaarde ontbreken, kunnen de douaneautoriteiten voor zover nodig een aanvankelijk vastgestelde termijn verlengen. Voor de totaal toegestane periode dient rekening te worden gehouden met de geldende verjaringstermijnen.

▼M12

2. Wanneer een verlaagd invoerrecht of een nulrecht van toepassing is op goederen die in het vrije verkeer worden gebracht in het raam van een tariefcontingent of, mits het normale invoerrecht niet wordt wederingesteld, in het raam van tariefplafonds of van andere preferentiële tariefmaatregelen, wordt gebruikmaking van het tariefcontingent of van de preferentiële tariefmaatregel eerst toegestaan nadat het document waarvan de toekenning van dat verlaagde recht of van dat nulrecht afhankelijk is, bij de douaneautoriteiten is overgelegd. Het document moet in ieder geval worden overgelegd:

—vóórdat het tariefcontingent is uitgeput,

—of

—in de overige gevallen, vóór de datum waarop de normale invoerrechten bij een communautaire maatregel worden wederingesteld.

▼B

3. Onverminderd de leden 1 en 2 mag het voor de toepassing van het lagere recht of het nulrecht bij invoer noodzakelijke bescheid, na de datum van afloop van de periode waarvoor in een lager recht of een nulrecht bij invoer was voorzien, worden overgelegd, mits de aangifte met betrekking tot die goederen vóór die datum is aanvaard.

Artikel 257

1. Het aanvaarden door de douaneautoriteiten van een onvolledige aangifte kan, wanneer zich daar verder niets tegen verzet, niet tot gevolg hebben dat de vrijgave van de goederen, waarop deze aangifte betrekking heeft, wordt verhinderd of vertraagd. Onverminderd artikel 248 is de vrijgave onderworpen aan de in de leden 2 tot en met 5 hierna genoemde voorwaarden.

2. Wanneer het later mededelen, respectievelijk overleggen, van op het tijdstip van aanvaarding ontbrekende gegevens in de aangifte of bescheiden geen enkele invloed kan hebben op het bedrag aan rechten bij invoer die van toepassing zijn op de goederen waarop deze aangifte betrekking heeft, wordt het op de gebruikelijke wijze berekende bedrag aan rechten onmiddellijk door de douaneautoriteiten geboekt.

3. Wanneer de aangifte met toepassing van artikel 254 een voorlopige opgave van de waarde inhoudt, gaan de douaneautoriteiten over tot:

—de onmiddellijke boeking van het bedrag aan rechten, berekend op basis van deze voorlopige opgave;

—in voorkomend geval, het eisen van een voldoende zekerheid om het verschil tussen dit bedrag en het bedrag dat uiteindelijk op de goederen van toepassing kan zijn, te dekken.

4. Wanneer, in andere dan de in lid 3 bedoelde gevallen, het later mededelen, respectievelijk overleggen, van op het tijdstip van aanvaarding ontbrekende gegevens in de aangifte of bescheiden van invloed kan zijn op het bedrag aan rechten bij invoer die van toepassing zijn op de goederen waarop deze aangifte betrekking heeft:

a)indien het later mededelen, respectievelijk overleggen, van de ontbrekende gegevens of bescheiden de toepassing van een lager invoerrecht tot gevolg kan hebben, gaan de douaneautoriteiten over tot:

—de onmiddellijke boeking van het bedrag aan rechten berekend volgens dit lagere tarief,

—het eisen van zekerheid voor het verschil tussen dit bedrag en het bedrag dat zou voortvloeien uit de toepassing op genoemde goederen van de volgens het gewone tarief berekende rechten;

b)indien het later mededelen, respectievelijk overleggen, van de ontbrekende gegevens of bescheiden ertoe kan leiden dat de goederen geheel en definitief van rechten worden vrijgesteld, eisen de douaneautoriteiten dat een zekerheid wordt gesteld ter dekking van het eventueel te heffen bedrag aan rechten berekend volgens het gewone tarief.

5. Onverminderd mogelijke latere wijzigingen, bij voorbeeld veroorzaakt door de definitieve vaststelling van de waarde, heeft de aangever in plaats van het stellen van zekerheid de mogelijkheid om de directe boeking te verzoeken:

—in geval van toepassing van lid 3, tweede streepje, of van lid 4, onder a), tweede streepje, van het bedrag aan rechten dat uiteindelijk op de goederen van toepassing kan zijn,

—in geval van toepassing van lid 4, onder b), van het volgens het normale tarief berekende bedrag aan rechten.

Artikel 258

Indien de aangever na het verstrijken van de in artikel 256 bedoelde termijn de noodzakelijke gegevens voor de definitieve vaststelling van de douanewaarde van de goederen niet heeft verstrekt of de ontbrekende gegevens of bescheiden niet heeft medegedeeld, respectievelijk overgelegd, boeken de douaneautoriteiten onmiddellijk het bedrag van de overeenkomstig artikel 257, lid 3, tweede streepje, of lid 4, onder a), tweede streepje, en onder b), gestelde zekerheid, als de op de betrokken goederen van toepassing zijnde rechten.

Artikel 259

Een onder de voorwaarden van de artikelen 254 tot en met 257 aanvaarde onvolledige aangifte mag door de aangever worden aangevuld of, met toestemming van de douaneautoriteiten, worden vervangen door een andere aangifte die voldoet aan de voorwaarden van artikel 62 van het Wetboek.

In het laatstgenoemde geval moet de datum waarop de onvolledige aangifte is aanvaard, worden aangehouden als datum voor het bepalen van de eventueel verschuldigde rechten en voor de toepassing van de andere bepalingen die gelden voor het in het vrije verkeer brengen van de goederen.



Afdeling 2

Vereenvoudigde aangifteprocedure

Artikel 260

1. Aan ►M32 een aanvrager wordt, op schriftelijk verzoek onder vermelding van alle noodzakelijke gegevens, overeenkomstig de voorwaarden en nadere bepalingen van de artikelen 261 en 262 toegestaan de aangifte voor het vrije verkeer in vereenvoudigde vorm in te dienen wanneer de goederen bij de douane worden aangebracht.

▼M29

2. De vereenvoudigde aangifte bevat ten minste de in bijlage 30 bis vervatte gegevens voor een vereenvoudigde aangifte ten invoer.

▼B

3. Indien de omstandigheden dit toelaten, kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat het in lid 2, tweede streepje, bedoelde verzoek tot het brengen in het vrije verkeer wordt vervangen door een algemene aanvraag die betrekking heeft op het in het vrije verkeer brengen gedurende een bepaalde periode. In het overeenkomstig lid 1 overgelegde handels- of administratieve document dient verwezen te worden naar de op deze algemene aanvraag verleende vergunning.

4. Bij de vereenvoudigde aangifte moeten alle bescheiden worden gevoegd die in voorkomend geval moeten worden overgelegd voor het brengen in het vrije verkeer. Artikel 255, lid 2, is van toepassing.

5. Dit artikel is van toepassing onverminderd artikel 278.

▼M32

Artikel 261

▼M38

1. Een vergunning voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften wordt verleend aan de aanvrager indien voldaan is aan de voorwaarden en criteria van de artikelen 253, 253 bis, 253 ter en 253 quater.

▼M32

2. Wanneer de aanvrager houder is van een AEO-certificaat als bedoeld in artikel 14 bis, lid 1, onder a) of c), verleent de vergunningverlenende douaneautoriteit de vergunning na uitwisseling van de nodige gegevens tussen de aanvrager en vergunningverlenende autoriteit. Aan alle andere in lid 1 vermelde criteria wordt dan geacht te zijn voldaan.

▼B

Artikel 262

▼M29

1. De in artikel 260 bedoelde vergunning bevat de volgende gegevens:

a)het douanekantoor dat of de douanekantoren die bevoegd is of zijn vereenvoudigde aangiften te aanvaarden;

b)de goederen waarop zij van toepassing is, en

c)een verwijzing naar de door de betrokkene te stellen zekerheid ter dekking van douaneschulden die kunnen ontstaan.

In de vergunning worden tevens de vorm en de inhoud vermeld van de aanvullende aangiften, alsmede de termijnen waarbinnen deze bij de voor dit doel aan te wijzen douaneautoriteit moeten worden ingediend.

▼B

2. De douaneautoriteiten kunnen ontheffing verlenen van de verplichting tot het indienen van een aanvullende aangifte, wanneer de vereenvoudigde aangifte betrekking heeft op goederen waarvan de waarde de bij geldende communautaire bepalingen vastgestelde statistische drempel niet overschrijdt en wanneer de vereenvoudigde aangifte reeds alle voor het brengen in het vrije verkeer benodigde gegevens bevat.



Afdeling 3

Domiciliëringsprocedure

Artikel 263

Een vergunning om gebruik te maken van de domiciliëringsprocedure wordt onder de voorwaarden en volgens de bepalingen van de artikelen 264, 265 en 266 verleend aan een ieder die in zijn onderneming of op andere in artikel 253 bedoelde plaatsen goederen in het vrije verkeer wil brengen en die daartoe bij de douaneautoriteiten een schriftelijke aanvraag indient, welke alle voor het verlenen van de vergunning benodigde gegevens bevat met betrekking tot:

—goederen die onder de regeling voor communautair of gemeenschappelijk douanevervoer vallen en waarvoor bovenbedoelde persoon gebruik kan maken van een vereenvoudiging van de aan het kantoor van bestemming te verrichten formaliteiten, overeenkomstig ►M19 de artikelen 406, 407 en 408;

—onder economische douaneregeling geplaatste goederen, onverminderd artikel 278;

—goederen die na hun aanbieding bij de douane, overeenkomstig artikel 40 van het Wetboek, naar de bovengenoemde onderneming of plaatsen worden vervoerd onder een andere dan de in het eerste streepje bedoelde vervoerregelingt;

—goederen die het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht zonder bij een douanekantoor te zijn aangebracht overeenkomstig artikel 41, onder b), van het Wetboek.

▼M32

Artikel 264

▼M38

1. Een vergunning voor het gebruik van de domiciliëringsprocedure wordt verleend aan de aanvrager indien voldaan is aan de voorwaarden en criteria van de artikelen 253, 253 bis, 253 ter en 253 quater.

▼M32

2. Wanneer de aanvrager houder is van een AEO-certificaat als bedoeld in artikel 14 bis, lid 1, onder a) of c), verleent de vergunningverlenende douaneautoriteit de vergunning na uitwisseling van de nodige gegevens tussen de aanvrager en de vergunningverlenende autoriteit. Aan alle andere in lid 1 van dit artikel bedoelde criteria wordt dan geacht te zijn voldaan.

▼M32 —————

▼B

Artikel 266

▼M4

1. Teneinde de douaneautoriteiten in staat te stellen de regelmatigheid van de verrichtingen te controleren, dient de houder van de in artikel 263 bedoelde vergunning:

a)in de bij artikel 263, eerste en derde streepje, bedoelde gevallen:

i)wanneer de goederen in het vrije verkeer worden gebracht, zodra deze in de daartoe aangewezen plaatsen zijn aangekomen:

—de douaneautoriteiten, in de vorm en op de wijze die door hen zijn vastgesteld, van deze aankomst kennis te geven teneinde de vrijgave van de goederen te verkrijgen,

—en

—de goederen in zijn administratie in te schrijven;

ii)wanneer het in het vrije verkeer brengen wordt voorafgegaan door een tijdelijke opslag in de zin van artikel 50 van het Wetboek op dezelfde plaats, voor het verstrijken van de ingevolge artikel 49 van het Wetboek vastgestelde termijnen:

—de douaneautoriteiten kennis te geven van zijn wens om de goederen in het vrije verkeer te brengen, in de vorm en op de wijze die door hen zijn vastgesteld, teneinde de vrijgave van de goederen te verkrijgen,

—en

—de goederen in zijn administratie in te schrijven;

b)in de bij artikel 263, tweede streepje, bedoelde gevallen:

—de douaneautoriteiten kennis te geven van zijn wens om de goederen in het vrije verkeer te brengen, in de vorm en op de wijze die door hen zijn vastgesteld, teneinde de vrijgave van de goederen te verkrijgen,

—en

—de goederen in zijn administratie in te schrijven.

De bij het eerste streepje bedoelde kennisgeving is niet noodzakelijk voor het in het vrije verkeer brengen van goederen die van tevoren onder het stelsel van douane-entrepots waren geplaatst in een entrepot van het type D;

c)in de bij artikel 263, vierde streepje, bedoelde gevallen, zodra de goederen in de daartoe aangewezen plaatsen zijn aangekomen:

—de goederen in zijn administratie in te schrijven;

d)alle documenten die in voorkomend geval moeten worden overgelegd als voorwaarde voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor het in het vrije verkeer brengen van goederen, vanaf het ogenblik van de onder a), b) en c) bedoelde inschrijving ter beschikking van de douaneautoriteiten te houden.

▼B

2. Voor zover dit geen gevolgen heeft voor de controle op de regelmatigheid van de handelingen, kunnen de douaneautoriteiten:

▼M4

a)toestaan dat de in lid 1, onder a) en b), bedoelde kennisgeving wordt gedaan zodra de aankomst van de goederen wordt verwacht;

▼B

b)in bepaalde, door de aard van de betrokken goederen en de snelle opeenvolging van de verrichtingen gerechtvaardigde bijzondere omstandigheden, de vergunninghouder ontslaan van de verplichting iedere aankomst van goederen ter kennis te brengen van de bevoegde douanedienst, mits hij aan deze dienst alle inlichtingen verstrekt die deze noodzakelijk acht om in voorkomend geval zijn recht om de goederen aan een onderzoek te onderwerpen, te kunnen uitoefenen.

In dat geval worden de goederen geacht te zijn vrijgegeven zodra zij in de administratie van de belanghebbende zijn ingeschreven.

▼M29

3. De in lid 1, onder a), b) en c), bedoelde inschrijving in de administratie kan worden vervangen door iedere andere door de douane vereiste formaliteit die overeenkomstige waarborgen biedt. Deze inschrijving moet de datum waarop zij plaatsvindt vermelden en de in bijlage 30 bis genoemde gegevens bevatten voor een aangifte volgens de domiciliëringsprocedure.

▼B

Artikel 267

In de in artikel 263 bedoelde vergunning wordt de wijze van afwikkeling van de procedure vastgesteld en wordt onder meer aangegeven:

—de goederen waarop de procedure van toepassing is;

—de wijze waarop aan de in artikel 266 bedoelde verplichtingen wordt voldaan alsmede de gegevens omtrent de door de belanghebbende te stellen zekerheid;

—het tijdstip waarop de goederen worden vrijgegeven;

—de termijn waarbinnen de aanvullende aangifte moet worden ingediend bij het daartoe aangewezen bevoegde douanekantoor;

—de voorwaarden waaronder in voorkomend geval algemene, periodieke of samenvattende aangiften met betrekking tot de goederen moeten worden ingediend.



HOOFDSTUK 3

Aangifte voor een economische douaneregeling



Afdeling 1

Plaatsing onder een economische douaneregeling



Onderafdeling 1

Plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots



a)

Onvolledige aangifte

Artikel 268

▼M29

1. Op verzoek van de aangever kan het douanekantoor van binnenkomst aangiften voor de regeling douane-entrepots aanvaarden die niet alle in bijlage 37 genoemde gegevens bevatten.

Deze aangiften bevatten echter ten minste de in bijlage 30 bis genoemde gegevens voor een onvolledige aangifte.

▼B

2. De artikelen 255, 256 en 259 zijn van overeenkomstige toepassing.

3. Dit artikel is niet van toepassing op aangiften tot plaatsing onder het stelsel van de in ►M20 artikel 524bedoelde communautaire landbouwgoederen.



b)

Procedure van de vereenvoudigde aangifte

Artikel 269

▼M38

1. Een vergunning voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften wordt verleend aan de aanvrager indien voldaan is aan de voorwaarden en criteria van de artikelen 253, 253 bis, 253 ter, 253 quater en 270.

▼B

2. Wordt deze procedure in een entrepot van het type D toegepast, dan wordt in de vereenvoudigde aangifte eveneens het soort goederen voldoende nauwkeurig omschreven om deze onmiddellijk en met zekerheid te kunnen indelen, en wordt tevens de douanewaarde vermeld.

▼M1

3. De procedure van lid 1 is niet van toepassing op entrepots van het type F en evenmin bij de plaatsing onder het stelsel van de in ►M20 artikel 524 bedoelde communautaire landbouwgoederen in alle soorten entrepots.

▼M24

4. De in lid 1, tweede streepje, bedoelde procedure is van toepassing op entrepots van het type B, evenwel met uitsluiting van de mogelijkheid een handelsdocument te gebruiken. Wanneer het administratieve document niet alle in bijlage 37, titel I, deel B, bedoelde gegevens bevat, dienen deze gegevens te worden verstrekt in het verzoek tot plaatsing onder de regeling dat bij het document is gevoegd.

▼B

Artikel 270

1. Het in artikel 269, lid 1, bedoelde verzoek dient schriftelijk te worden ingediend en alle gegevens te bevatten die nodig zijn om de vergunning te kunnen verlenen.

Wanneer de omstandigheden dit toelaten, kan het in artikel 269, lid 1, bedoelde verzoek worden vervangen door een globale aanvraag met betrekking tot de in een bepaalde periode te verrichten handelingen.

In dat geval dient die aanvraag te worden gedaan overeenkomstig de in de artikelen ►M20 497, 498 en 499vastgestelde voorwaarden en te worden ingediend, samen met de aanvraag voor een vergunning tot het beheren van een douane-entrepot of in de vorm van een wijziging van de oorspronkelijke vergunning, bij de douaneautoriteit die de vergunning voor het stelsel heeft verleend.

▼M32 —————

▼M32

5. Wanneer de aanvrager houder is van een AEO-certificaat als bedoeld in artikel 14 bis, lid 1, onder a) of c), verleent de vergunningverlenende douaneautoriteit de vergunning na uitwisseling van de nodige gegevens tussen de aanvrager en de vergunningverlenende autoriteit. Aan alle andere in lid 1 van dit artikel bedoelde voorwaarden en criteria wordt dan geacht te zijn voldaan.

▼M29

Artikel 271

In de in artikel 269, lid 1, bedoelde vergunning worden de wijze van afwikkeling van de procedure vermeld, met inbegrip van het douanekantoor of douanekantoren van plaatsing onder de regeling.

Een aanvullende aangifte behoeft niet te worden ingediend.

▼B



c)

Domiciliëringsprocedure

Artikel 272

▼M38

1. Een vergunning voor het gebruik van de domiciliëringsprocedure wordt verleend aan de aanvrager indien voldaan is aan de voorwaarden en criteria van lid 2 en de artikelen 253, 253 bis, 253 ter, 253 quater en 274.

▼M6

2. De domiciliëringsprocedure geldt niet voor entrepots van het type B en het type F, noch voor de plaatsing van de in ►M20 artikel 524 bedoelde communautaire landbouwgoederen onder het stelsel douane-entrepots in om het even welk type entrepot.

3. Artikel 270 is van overeenkomstige toepassing.

▼B

Artikel 273

1. Ten einde de douaneautoriteiten in staat te stellen de regelmatigheid van de verrichtingen te controleren, dient de vergunninghouder, zodra de goederen in de daartoe aangewezen ruimten zijn aangekomen:

a)deze aankomst bij het controlekantoor te melden binnen de termijn en op de wijze als door dit kantoor bepaald;

b)de goederen in te schrijven in de voorraadadministratie;

c)alle documenten met betrekking tot de plaatsing van de goederen onder het stelsel ter beschikking te houden van het controlekantoor.

De onder b) bedoelde inschrijving dient ten minste enkele gegevens te bevatten die in de handelspraktijk gebruikt worden ter identificatie van de goederen, hun hoeveelheid daaronder begrepen.

2. Artikel 266, lid 2, is van toepassing.

Artikel 274

In de in artikel 272, lid 1, bedoelde vergunning wordt de wijze van afwikkeling van de procedure vastgesteld, waaronder:

—de goederen waarop zij kan worden toegepast,

—de vorm van de in artikel 273 bedoelde verplichtingen,

—het ogenblik van vrijgave van de goederen.

Een aanvullende aangifte behoeft niet te worden ingediend.



Onderafdeling 2

Plaatsing onder de regeling actieve veredeling, behandeling onder douanetoezicht of tijdelijke invoer



a)

Onvolledige aangifte

Artikel 275

▼M29

1. Het douanekantoor van plaatsing kan op verzoek van de aangever aangiften tot plaatsing onder een andere economische douaneregeling dan passieve veredeling of douane-entrepots aanvaarden die niet alle in bijlage 37 genoemde gegevens bevatten of die niet vergezeld gaan van bepaalde in artikel 220 bedoelde documenten.

Deze aangiften bevatten echter ten minste de in bijlage 30 bis genoemde gegevens voor een onvolledige aangifte.

▼B

2. De artikelen 255, 256 en 259 zijn van overeenkomstige toepassing.

3. De artikelen 257 en 258 zijn eveneens van overeenkomstige toepassing bij plaatsing van goederen onder de regeling actieve verdeling (terugbetalingssysteem).



b)

Procedure van de vereenvoudigde aangifte en domiciliëringsprocedure

Artikel 276

De artikelen 260 tot en met 267 en 270 zijn van overeenkomstige toepassing op de aangifte tot plaatsing onder de bij deze onderafdeling bedoelde economische douaneregelingen.



Onderafdeling 3

Aangifte voor de passieve veredeling

Artikel 277

De artikelen 279 tot en met 289 betreffende de aangifte ten uitvoer zijn van overeenkomstige toepassing op de aangifte ten uitvoer onder de regeling passieve veredeling.

▼M20



Onderafdeling 4

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 277 bis

Wanneer twee of meer vergunningen voor een economische douaneregeling aan dezelfde persoon worden verleend en een regeling wordt aangezuiverd omdat de goederen met gebruik van de domiciliëringsprocedure onder een andere regeling worden geplaatst, kan een aanvullende aangifte worden geëist.

▼B



Afdeling 2

Aanzuivering van een economische douaneregeling

Artikel 278

1. Bij aanzuivering van een economische douaneregeling, met uitzondering van de regeling passieve veredeling en het stelsel van douane-entrepots, kunnen de voor het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer en de wederuitvoer geldende vereenvoudigde procedures worden gebruikt. Ingeval van wederuitvoer zijn de artikelen 279 tot en met 289 van overeenkomstige toepassing.

2. Bij de aangifte voor het vrije verkeer met toepassing van de regeling passieve veredeling kunnen de bij de artikelen 254 tot en met 267 bedoelde vereenvoudigde procedures worden gebruikt.

3. Bij aanzuivering van het stelsel van douane-entrepots kunnen de voor het in het vrije verkeer brengen, de uitvoer en de wederuitvoer geldende vereenvoudigde procedures worden gebruikt.

Echter:

a)voor goederen die in een entrepot van het type F onder het stelsel zijn geplaatst, kan geen vereenvoudigde procedure worden toegestaan;

b)voor goederen die in een entrepot van het type B onder het stelsel zijn geplaatst, kan alleen de onvolledige aangifte of de procedure van de vereenvoudigde aangifte worden toegestaan;

c)de afgifte van een vergunning voor een entrepot van het type D houdt automatisch in dat de domiciliëringsprocedure voor het brengen in het vrije verkeer wordt toegepast.

Indien echter de belanghebbende vraagt dat heffingsgrondslagen in aanmerking worden genomen die zonder daadwerkelijk onderzoek van de goederen niet kunnen worden gecontroleerd, kan deze procedure niet worden toegepast. In dat geval kunnen andere procedures worden toegepast, waarbij de goederen wel bij de douane worden aangebracht;

▼M20

d)vereenvoudigde procedures kunnen niet worden toegepast voor de in artikel 524 bedoelde communautaire landbouwproducten die onder de regeling douane-entrepots worden geplaatst.

▼B



HOOFDSTUK 4

Aangifte ten uitvoer

▼M38

Artikel 279

„De uitvoerformaliteiten als bedoeld in de artikelen 786 tot en met 796 sexies kunnen overeenkomstig dit hoofdstuk worden vereenvoudigd.”.

▼B



Afdeling 1

Onvolledige aangifte

▼M29

Artikel 280

1. Het douanekantoor van uitvoer kan op verzoek van de aangever aangiften ten uitvoer aanvaarden die niet alle in bijlage 37 genoemde gegevens bevatten.

Deze aangiften bevatten echter ten minste de in bijlage 30 bis genoemde gegevens voor een onvolledige aangifte.

Wanneer het goederen betreft waarop rechten bij uitvoer van toepassing zijn, of andere maatregelen in het kader van het gemeenschappelijke landbouwbeleid, bevatten de aangiften ten uitvoer alle voor de toepassing van deze rechten of maatregelen vereiste gegevens.

2. De artikelen 255 tot en met 259 zijn van overeenkomstige toepassing op aangiften ten uitvoer.

Artikel 281

1. Indien artikel 789 van toepassing is, kan de aanvullende aangifte worden ingediend bij het douanekantoor dat bevoegd is voor de plaats waar de exporteur is gevestigd.

2. Wanneer de onderaannemer in een andere lidstaat is gevestigd dan de exporteur, is lid 1 slechts van toepassing indien de vereiste gegevens elektronisch worden uitgewisseld overeenkomstig artikel 4, onder d).

3. De onvolledige aangifte ten uitvoer vermeldt het douanekantoor waarbij de aanvullende aangifte moet worden ingediend. Het douanekantoor dat de onvolledige aangifte ten uitvoer ontvangt, deelt de gegevens van deze onvolledige aangifte mede aan het douanekantoor waar de aanvullende aangifte overeenkomstig lid 1 moet worden ingediend.

4. In de in lid 2 bedoelde gevallen deelt douanekantoor waar de aanvullende aangifte is ingediend, de gegevens van deze aanvullende aangifte mede aan het douanekantoor waar de onvolledige aangifte ten uitvoer is ingediend.

▼B



Afdeling 2

Procedure van de vereenvoudigde aangifte

Artikel 282

▼M38

1. Een vergunning voor het gebruik van vereenvoudigde aangiften wordt verleend overeenkomstig de voorwaarden en op de wijze als vermeld in de artikelen 253, 253 bis, 253 ter, 253 quater, 261, lid 2, en, op overeenkomstige wijze, artikel 262.

▼M29

2. De vereenvoudigde aangifte bevat ten minste de in bijlage 30 bis genoemde gegevens voor een vereenvoudigde aangifte.

De artikelen 255 tot en met 259 zijn van overeenkomstige toepassing.

▼B



Afdeling 3

Domiciliëringsprocedure

▼M38

Artikel 283

De vergunning voor het gebruik van de domiciliëringsprocedure wordt op de voorwaarden en op de wijze als vermeld in de artikelen 253, 253 bis, 253 ter en 253 quater verleend aan een persoon, hierna „toegelaten exporteur” genoemd, die in zijn bedrijfsruimten of in andere door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaatsen uitvoerformaliteiten wenst te vervullen.

▼M38 —————

▼M29

Artikel 285

1. Voor het vertrek van de goederen van de in artikel 283 bedoelde plaatsen voldoet de toegelaten exporteur aan de volgende verplichtingen:

a)hij meldt dit vertrek bij het douanekantoor van uitvoer door de indiening van een vereenvoudigde aangifte ten uitvoer, als bedoeld in artikel 282;

b)hij stelt de douaneautoriteiten alle documenten ter beschikking die voor de uitvoer van de goederen zijn vereist.

2. De toegelaten exporteur kan een volledige aangifte ten uitvoer indienen in plaats van een vereenvoudigde aangifte ten uitvoer. In dit geval vervalt het vereiste van een aanvullende aangifte dat is vastgesteld in artikel 76, lid 2, van het Wetboek.

▼M29

Artikel 285 bis

1. De douaneautoriteiten kunnen de toegelaten exporteur ontheffen van de verplichting tot het indienen van een vereenvoudigde aangifte ten uitvoer bij het douanekantoor van uitvoer vóór elk vertrek van goederen. Deze ontheffing wordt uitsluitend verleend indien de erkende exporteur aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)hij stelt het douanekantoor van uitvoer in kennis van elk vertrek, op de door dat kantoor voorgeschreven wijze;

b)hij verstrekt de douaneautoriteiten alle informatie die deze voor een risicoanalyse nodig hebben, voordat de goederen van de in artikel 283 bedoelde plaatsen vertrekken of hij houdt deze informatie ter beschikking van de douaneautoriteiten;

c)hij schrijft de goederen in zijn administratie in.

De in de eerste alinea, onder c), bedoelde inschrijving kan worden vervangen door een andere door de douaneautoriteiten vereiste formaliteit die overeenkomstige waarborgen biedt. De inschrijving vermeldt de datum waarop zij plaatsvindt, en bevat de voor de identificatie van de goederen noodzakelijke gegevens.

▼M38

1 a) Wanneer artikel 592 bis of artikel 592 quinquies van toepassing is, kan de douane een marktdeelnemer vergunning verlenen om onmiddellijk elke uitvoertransactie in zijn administratie in te schrijven en al deze transacties te melden door middel van een aanvullende aangifte op periodieke basis maar uiterlijk een maand nadat de goederen het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten bij het douanekantoor dat de vergunning heeft verleend. Een dergelijke vergunning kan onder de volgende voorwaarden worden verleend:

a)de marktdeelnemer gebruikt de vergunning uitsluitend voor goederen die niet aan verboden en beperkingen zijn onderworpen;

b)de marktdeelnemer verstrekt het douanekantoor van uitvoer alle informatie die dit kantoor nodig acht om de goederen te kunnen controleren;

c)wanneer het douanekantoor van uitvoer niet hetzelfde is als het douanekantoor van uitgang, de douaneautoriteiten het gebruik van deze regeling hebben toegestaan en het douanekantoor van uitgang ook beschikt over de onder b) bedoelde informatie.

Wanneer gebruik wordt gemaakt van deze regeling, geldt de inschrijving van de goederen in de administratie als vrijgave voor uitvoer en uitgang.

▼M29

2. In bepaalde bijzondere omstandigheden die voortvloeien uit de aard van de goederen en de snelle opeenvolging van de uitvoertransacties, kunnen de douaneautoriteiten tot 30 juni 2009 de toegelaten exporteur ontheffen van de in lid 1, eerste alinea, onder a) en b), bedoelde vereisten, mits hij het douanekantoor van uitvoer alle inlichtingen verstrekt die dat noodzakelijk acht om de goederen zo nodig voor het vertrek ervan te kunnen onderzoeken.

In dat geval geldt de inschrijving van de goederen in de administratie van de toegelaten exporteur als vrijgave.

Artikel 285 ter

1. De in artikel 285 bis, lid 1, eerste alinea, onder a), bedoelde gegevens worden binnen de in de artikelen 592 ter en 592 quater vastgestelde termijnen aan het douanekantoor van uitvoer verstrekt.

2. De in artikel 285 bis, lid 1, eerste alinea, onder c), bedoelde inschrijving in de administratie bevat de in bijlage 30 bis genoemde gegevens voor de domiciliëringsprocedure.

3. De douane ziet erop toe, dat aan de eisen van de artikelen 796 bis tot en met 796 sexies is voldaan.

▼B

Artikel 286

1. Voor het controleren of de goederen daadwerkelijk het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten, wordt exemplaar nr. 3 van het enig document als bewijsstuk gebruikt.

In de vergunning wordt bepaald dat exemplaar nr. 3 van het enig document vooraf dient te worden gewaarmerkt.

2. De waarmerking vooraf kan plaatsvinden:

a)hetzij door het vooraf aanbrengen, in vak A, van de stempelafdruk van het bevoegde douanekantoor en de handtekening van een ambtenaar van dit kantoor;

b)hetzij door het aanbrengen, door de toegelaten exporteur, van een speciale stempelafdruk die overeenstemt met het model in bijlage 62.

De stempelafdruk kan op de formulieren worden voorgedrukt wanneer deze door een daartoe gemachtigde drukkerij worden gedrukt.

▼M29

3. Voor het vertrek van de goederen voldoet de toegelaten exporteur aan de volgende eisen:

a)hij vervult de in artikel 285 of 285 bis bedoelde formaliteiten;

b)hij vermeldt op het begeleidende document of elke andere drager die dit vervangt, het volgende:

i)een verwijzing naar de inschrijving in zijn administratie;

ii)de datum waarop de in punt i) bedoelde inschrijving is geschied;

iii)het nummer van de vergunning;

iv)de naam van het douanekantoor van afgifte.

▼B

Artikel 287

▼M29

1. In de in artikel 283 bedoelde vergunning worden de wijze van afwikkeling van de procedure en met name de volgende gegevens vermeld:

a)de goederen waarop zij van toepassing is;

b)de wijze waarop aan de in artikel 285 bis, lid 1, vastgestelde voorwaarden moet worden voldaan;

c)de wijze en het tijdstip waarop de goederen worden vrijgegeven;

d)de inhoud van alle begeleidende documenten of de drager die deze vervangt en de wijze waarop dit moet worden gevalideerd;

e)de wijze waarop en de termijn waarbinnen de aanvullende aangifte moet worden ingediend.

Wanneer de artikelen 796 bis tot en met 796 sexies van toepassing zijn, wordt de in de eerste alinea, onder c), bedoelde vrijgave toegestaan overeenkomstig artikel 796 ter.

▼B

2. De vergunning bevat de verbintenis van de toegelaten exporteur om alle nodige maatregelen te treffen om de speciale stempel of de formulieren die van de stempelafdruk van het kantoor van uitvoer of van de afdruk van de speciale stempel zijn voorzien, veilig te bewaren.



Afdeling 4

Gemeenschappelijke bepalingen voor de afdelingen 2 en 3

▼M32 —————

▼B

Artikel 289

Indien de uitvoerverrichting in zijn geheel op het grondgebied van één enkele Lid-Staat wordt afgewikkeld, kan deze Lid-Staat andere vereenvoudigingen vaststellen dan de in de afdelingen 2 en 3 omschreven procedures, zulks met inachtneming van het gemeenschappelijk beleid.

▼M29

De aangever verstrekt de douaneautoriteiten echter de nodige informatie voor de risicoanalyse en de controle van de goederen voordat deze goederen uitgaan.

▼B



DEEL II

DE DOUANEBESTEMMINGEN



TITEL I

IN HET VRIJE VERKEER BRENGEN



HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

Artikel 290

1. Wanneer communautaire goederen zijn uitgevoerd onder dekking van een carnet ATA met toepassing van artikel 797 kunnen deze goederen voor het vrije verkeer worden aangegeven met gebruikmaking van het carnet ATA.

2. In dit geval vervult het kantoor waar de goederen in het vrije verkeer worden gebracht de volgende formaliteiten:

a)het verifieert de gegevens die in de vakken A tot en met G van het deel „Wederinvoer” voorkomen;

b)het vult de strook en vak H van het deel „Wederinvoer” in;

c)het houdt het deel „wederinvoer” achter.

3. Wanneer de formaliteiten voor de aanzuivering van de tijdelijke uitvoer van communautaire goederen bij een ander kantoor dan het kantoor van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap worden vervuld, vindt het overbrengen van deze goederen van dit laatste kantoor naar het kantoor waar genoemde formaliteiten worden verricht, plaats zonder verdere formaliteiten.



▼M28

HOOFDSTUK 1 BIS

Bepalingen inzake bananen

▼M28

Artikel 290 bis

Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de bijlagen 38 ter en 38 quater wordt verstaan onder:

a)„erkende weger”: elke marktdeelnemer die van een douanekantoor een vergunning heeft voor het wegen van verse bananen;

b)„administratie van de aanvrager”: alle documenten die verband houden met het wegen van verse bananen;

c)„nettogewicht van verse bananen”: het gewicht van de bananen zelf zonder alle soorten verpakkingsmateriaal en containers;

d)„zending verse bananen”: alle verse bananen die met éénzelfde vervoermiddel worden vervoerd en door éénzelfde exporteur worden verzonden naar één of meer geadresseerden;

e)„plaats van lossing”: elke plaats waar een zending verse bananen kan worden gelost of onder een douaneregeling naar toe kan worden gebracht of, in het geval van vervoer met behulp van containers, waar de container van het vaartuig, het luchtvaartuig of een ander hoofdvervoermiddel wordt gelost of waar de container wordt uitgeladen.

▼M28

Artikel 290 ter

1. Elk douanekantoor verleent de status van erkende weger op aanvraag aan marktdeelnemers die betrokken zijn bij de invoer, het vervoer, de opslag en de behandeling van verse bananen, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)de aanvrager biedt alle noodzakelijke waarborgen voor een juiste uitvoering van de weging;

b)de aanvrager beschikt over een adequate weeginstallatie;

c)de administratie van de aanvrager stelt de douaneautoriteiten in staat een doeltreffende controle uit te voeren.

Het douanekantoor weigert de status van erkende weger indien de aanvrager de douanevoorschriften ernstig of herhaaldelijk heeft overtreden.

De vergunning blijft beperkt tot het wegen van verse bananen op de plaats die ressorteert onder het douanekantoor dat de vergunning heeft verleend.

2. Het douanekantoor dat de status van erkende weger heeft verleend, trekt deze in indien niet langer is voldaan aan de voorwaarden van lid 1.

Artikel 290 quater

1. Met het oog op de controle van het nettogewicht bij invoer in de Gemeenschap van verse bananen van GN-code 0803 00 19 , wordt bij de desbetreffende aangifte voor het in het vrije verkeer brengen een weegcertificaat voor bananen gevoegd, waarop het nettogewicht van de betrokken zending verse bananen per soort verpakking en per oorsprong wordt vermeld.

Het weegcertificaat voor bananen wordt overeenkomstig de in bijlage 38 ter bepaalde procedure door een erkende weger opgesteld op het formulier dat met het model in bijlage 38 quater overeenstemt.

Onder door de douaneautoriteiten vast te stellen voorwaarden mogen deze certificaten in elektronische vorm aan de douaneautoriteiten worden toegezonden.

2. De erkende weger doet de douaneautoriteiten van tevoren mededeling van het wegen met het oog op het opstellen van een weegcertificaat voor bananen voor een zending verse bananen, dat details bevat over het type verpakking, de oorsprong, de tijd en de plaats van weging.

3. De douanekantoren verifiëren op basis van een risicoanalyse het nettogewicht van verse bananen voorzien van een weegcertificaat voor bananen, door een controle van ten minste 5 % van het totale aantal elk jaar overgelegde weegcertificaten, hetzij door aanwezigheid bij de weging van representatieve steekproeven van de bananen door de erkende weger, hetzij door eigen weging van deze steekproeven overeenkomstig de in de punten 1, 2 en 3 van bijlage 38 ter bedoelde procedure.

Artikel 290 quinquies

De lidstaten delen de lijst van erkende wegers en de eventuele wijzigingen daarvan aan de Commissie mee.

De Commissie stelt de andere lidstaten van deze lijst in kennis.

▼M18



HOOFDSTUK 2

Bijzondere bestemmingen

Artikel 291

1. Dit hoofdstuk is van toepassing wanneer goederen die uit hoofde van hun bijzondere bestemming met toepassing van een gunstige tariefregeling of van een verlaagd recht of een nulrecht in het vrije verkeer worden gebracht, aan douanetoezicht in het kader van de regeling bijzondere bestemmingen zijn onderworpen.

2. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

▼M32 —————

▼M18

b)

boekhouding : de door of voor rekening van de vergunninghouder gevoerde commerciële, fiscale of andere boekhouding;

c)

administratie : alle noodzakelijke gegevens en technische bijzonderheden, op welke drager dan ook, aan de hand waarvan de douaneautoriteiten toezicht op de handelingen kunnen houden en deze kunnen controleren.

Artikel 292

1. Wanneer goederen uit hoofde van hun bijzondere bestemming aan douanetoezicht zijn onderworpen, wordt de toekenning van een gunstige tariefbehandeling overeenkomstig artikel 21 van het Wetboek van een schriftelijke vergunning afhankelijk gesteld.

Wanneer goederen uit hoofde van hun bijzondere bestemming met een verlaagd recht of met een nulrecht in het vrije verkeer worden gebracht en zij volgens de van kracht zijnde voorschriften overeenkomstig artikel 82 van het Wetboek onder douanetoezicht moeten blijven, is voor het douanetoezicht van de bijzondere bestemming een schriftelijke vergunning vereist.

2. De aanvraag voor een vergunning moet schriftelijk worden gedaan volgens het in bijlage 67 opgenomen model. De douaneautoriteiten kunnen verlenging of wijziging van de vergunning op eenvoudig schriftelijk verzoek toestaan.

3. In bijzondere omstandigheden kunnen de douaneautoriteiten de schriftelijk of met systemen voor automatische gegevensverwerking volgens de normale procedure ingediende aangifte voor het vrije verkeer als aanvraag voor een vergunning aanvaarden, op voorwaarde dat:

—bij de aanvraag slechts één douaneadministratie is betrokken,

—de aanvrager de goederen in hun geheel de voorgeschreven bijzondere bestemming geeft, en

—het correcte verloop van de handelingen gewaarborgd is.

4. Wanneer de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat de in de aanvraag verstrekte gegevens ontoereikend zijn, kunnen zij verlangen dat de aanvrager aanvullende gegevens verstrekt.

In het bijzonder wanneer de douaneaangifte als aanvraag geldt, verlangen de douaneautoriteiten, onverminderd het bepaalde in artikel 218, dat de aanvraag vergezeld gaat van een door de aangever opgesteld document dat ten minste de volgende gegevens bevat, tenzij deze gegevens niet noodzakelijk worden geacht of in de douaneaangifte zijn vermeld:

a)de naam en het adres van de aanvrager, de aangever en de betrokken onderneming;

b)de aard van de bijzondere bestemming;

c)de technische beschrijving van de goederen en van de uit de bijzondere bestemming resulterende producten en de middelen om deze te identificeren;

d)het geraamde opbrengstpercentage of de wijze van vaststelling van dit percentage;

e)de geraamde termijn waarbinnen de goederen de bijzondere bestemming dienen te volgen;

f)de plaats waar de goederen de bijzondere bestemming volgen.

5. Voor een enkelvoudige vergunning is de voorafgaande toestemming van de douaneautoriteiten vereist. De volgende procedure is van toepassing:

De aanvraag wordt ingediend bij de douaneautoriteiten die bevoegd zijn voor de plaats:

—waar zich ten behoeve van de administratieve controle de hoofdboekhouding van de aanvrager bevindt en waar minstens een gedeelte van de handelingen waarop de vergunning betrekking heeft, wordt verricht; of

▼M24

—in andere gevallen, waar de hoofdboekhouding van de aanvrager wordt bijgehouden aan de hand waarvan het gebruik van de regeling kan worden gecontroleerd.

▼M18

Deze douaneautoriteiten zenden de aanvraag en de ontwerpvergunning aan de andere betrokken douaneautoriteiten, die binnen 15 dagen kennis geven van de ontvangst daarvan.

De andere betrokken douaneautoriteiten geven binnen 30 dagen na de datum van ontvangst van de ontwerpvergunning kennis van hun eventuele bezwaren. Wanneer van deze bezwaren binnen de genoemde termijn kennis is gegeven en geen overeenstemming wordt bereikt, wordt de aanvraag afgewezen ten aanzien van die elementen waarop de bezwaren betrekking hebben.

De douaneautoriteiten kunnen de vergunning verlenen indien zij binnen 30 dagen geen bezwaren ten aanzien van de ontwerpvergunning hebben ontvangen.

De douaneautoriteiten die de vergunning verlenen, zenden alle betrokken douaneautoriteiten daarvan een kopie.

6. Wanneer twee of meer douaneadministraties overeenstemming hebben bereikt over de criteria en voorwaarden voor de afgifte van een enkelvoudige vergunning, kunnen deze administraties ook overeenkomen de voorafgaande raadpleging door een eenvoudige kennisgeving te vervangen. Een dergelijke kennisgeving is in alle gevallen toereikend voor de verlenging of intrekking van een enkelvoudige vergunning.

▼M21

7. De aanvrager wordt binnen 30 dagen na de datum waarop de aanvraag werd ingediend of waarop de eventueel gevraagde ontbrekende of aanvullende informatie door de douaneautoriteiten werd ontvangen, in kennis gesteld van het besluit tot afgifte van een vergunning of van de redenen waarom de aanvraag werd afgewezen.

Deze termijn is niet van toepassing op enkelvoudige vergunningen, tenzij deze overeenkomstig lid 6 werden afgegeven.

▼M18

Artikel 293

1. Aan personen die in het douanegebied van de Gemeenschap zijn gevestigd, wordt een vergunning verleend overeenkomstig het in bijlage 67 vastgestelde model indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)De beoogde activiteiten zijn verenigbaar met de voorgeschreven bijzondere bestemming en met de bepalingen inzake de overdracht van goederen overeenkomstig artikel 296, en het correcte verloop van de handelingen is gewaarborgd;

b)De aanvrager biedt alle noodzakelijke waarborgen voor het correcte verloop van de handelingen en verbindt zich ertoe:

—de goederen geheel of ten dele de voorgeschreven bijzondere bestemming te geven of deze over te dragen en het volgens de van kracht zijnde bepalingen voorgeschreven bewijs van deze bestemming of overdracht te leveren,

—geen activiteiten te verrichten die onverenigbaar zijn met het beoogde economische doel van de voorgeschreven bijzondere bestemming,

—alle elementen die gevolgen kunnen hebben voor de vergunning de bevoegde douaneautoriteiten ter kennis te brengen;

c)Doelmatig douanetoezicht is verzekerd en de door de douaneautoriteiten te nemen administratieve maatregelen staan in verhouding tot de economische behoeften;

d)Er wordt een passende administratie gevoerd en deze wordt bewaard;

e)Er wordt zekerheid gesteld voorzover de douaneautoriteiten dit noodzakelijk achten.

2. Voor aanvragen uit hoofde van artikel 292, lid 3, wordt de vergunning door aanvaarding van de douaneaangifte verleend aan personen die in het douanegebied van de Gemeenschap zijn gevestigd, onder de in lid 1 vastgestelde voorwaarden.

3. In de vergunning worden onder meer vermeld, tenzij dit overbodig wordt geacht:

a)de naam en het adres van de vergunninghouder;

b)indien nodig, de GN- of Taric-code, de aard en de omschrijving van de goederen, de in het kader van de bijzondere bestemming te verrichten handelingen en bepalingen betreffende de opbrengstpercentages;

▼M21

c)de middelen en methoden voor de identificatie van de goederen en het douanetoezicht, met inbegrip van regelingen voor:

—de gezamenlijke opslag, waarop het bepaalde in artikel 534, leden 2 en 3, van overeenkomstige toepassing is;

—de gemengde opslag van producten van de hoofdstukken 27 en 29 van de gecombineerde nomenclatuur die aan toezicht op de bijzondere bestemming zijn onderworpen of van dergelijke producten met ruwe aardolie van GN-code 2709 00 ;

▼M18

d)de termijn waarbinnen de goederen de voorgeschreven bijzondere bestemming moeten hebben gevolgd;

e)de douanekantoren waar de goederen voor het vrije verkeer worden aangegeven en de kantoren die met het toezicht zijn belast;

f)de plaatsen waar aan de goederen de voorgeschreven bijzondere bestemming moet worden gegeven;

g)in voorkomend geval, het bedrag van de zekerheidstelling;

h)de geldigheidsduur van de vergunning;

i)indien van toepassing, de mogelijkheid tot overdracht van de goederen overeenkomstig artikel 296, lid 1;

j)indien van toepassing, de vereenvoudigde regelingen voor de overdracht van goederen krachtens artikel 296, lid 2, tweede alinea, en lid 3;

k)indien van toepassing, de overeenkomstig artikel 76 van het Wetboek toegestane vereenvoudigde procedures;

l)de wijze van gegevensuitwisseling.

▼M21

Wanneer de in de eerste alinea onder c), tweede streepje, bedoelde goederen niet onder dezelfde, uit acht cijfers bestaande GN-code vallen, niet van dezelfde handelskwaliteit zijn en niet dezelfde technische en fysieke kenmerken hebben, is gemengde opslag slechts toegestaan wanneer het volledige mengsel bestemd is om een van de bewerkingen bedoeld in de aanvullende aantekeningen 4 en 5 bij hoofdstuk 27 van de gecombineerde nomenclatuur te ondergaan.

▼M18

4. Onverminderd het bepaalde in artikel 294 wordt de vergunning van kracht op de datum van afgifte ervan of op een latere in de vergunning vastgestelde datum.

▼M21

De geldigheidsduur bedraagt ten hoogste drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de vergunning van kracht wordt, tenzij er gegronde redenen zijn die een langere geldigheidsduur rechtvaardigen.

▼M18

Artikel 294

1. De douaneautoriteiten kunnen een vergunning met terugwerkende kracht verlenen.

Onverminderd de leden 2 en 3, wordt een dergelijke vergunning van kracht op de datum waarop de aanvraag werd ingediend.

2. Wanneer de aanvraag betrekking heeft op de verlenging van een vergunning voor dezelfde handelingen en goederen, kan een vergunning met terugwerkende kracht worden verleend, vanaf de datum waarop de geldigheidsduur van de oorspronkelijke vergunning is verstreken.

3. In uitzonderlijke omstandigheden kan de terugwerkende kracht van een vergunning verder teruggaan, doch hoogstens tot een jaar voor de datum waarop de aanvraag werd ingediend, op voorwaarde dat hiervoor een aangetoonde economische noodzaak bestaat en:

a)de aanvraag geen verband houdt met een poging tot misleiding of met kennelijke nalatigheid;

b)aan de hand van de boekhouding van de aanvrager kan worden nagegaan dat aan alle voorwaarden van de maatregelen is voldaan en, in voorkomend geval, teneinde verwisseling te voorkomen, de goederen voor de termijn van terugwerkende kracht geïdentificeerd kunnen worden en de maatregelen aan de hand van deze boekhouding gecontroleerd kunnen worden;

c)alle voor de regularisering van de situatie van de goederen benodigde formaliteiten, met inbegrip van, indien nodig, de ongeldigmaking van de aangifte, kunnen worden vervuld.

Artikel 295

Het verstrijken van de geldigheid van een vergunning heeft geen gevolgen voor goederen die zich voor de verstrijkingsdatum ervan krachtens deze vergunning in het vrije verkeer bevonden.

Artikel 296

1. Goederen kunnen zonder douaneformaliteiten van een in de vergunning vermelde plaats naar een andere in dezelfde vergunning vermelde plaats worden overgebracht.

2. Wanneer goederen tussen twee in verschillende lidstaten gevestigde vergunninghouders worden overgedragen en de betrokken douaneautoriteiten geen vereenvoudigde procedures als bedoeld in lid 3 zijn overeengekomen, wordt het in bijlage 63 opgenomen controle-exemplaar T5 gebruikt overeenkomstig de volgende procedure:

a)de overdrager/afzender stelt het controle-exemplaar T5 op in drie exemplaren (één origineel en twee kopieën);►M21 —————

b)het controle-exemplaar T5 bevat de volgende gegevens:

—in vak A („Kantoor van vertrek”), het adres van het bevoegde douanekantoor dat in de vergunning van de overdrager/afzender is vermeld;

—in vak 2 de naam of handelsnaam, het volledig adres en het nummer van de aan de overdrager/afzender afgegeven vergunning;

—in vak 8 de naam of handelsnaam, het volledig adres en het nummer van de aan de overnemer/geadresseerde afgegeven vergunning;

—de tekst in het vak „Belangrijke opmerking” en in vak B (onder vak 15) wordt doorgehaald;

—in de vakken 31 en 33, respectievelijk de omschrijving van de goederen op het tijdstip van overdracht, met inbegrip van het aantal colli, en de betrokken GN-code;

—in vak 38 de nettomassa van de goederen;

—in vak 103 de nettohoeveelheid van de goederen in letters;

—in vak 104 wordt het vak „Andere (nauwkeurige vermelding)” aangekruist en wordt in blokletters een van de volgende vermeldingen aangebracht:

—DESTINO ESPECIAL: MERCANCÍAS RESPECTO DE LAS CUALES, LAS OBLIGACIONES SE CEDEN AL CESIONARIO (REGLAMENTO (CEE) No 2454/93, ARTÍCULO 296)

—SÆRLIGT ANVENDELSESFORMÅL: VARER, FOR HVILKE FORPLIGTELSERNE OVERDRAGES TIL ERHVERVEREN (FORORDNING (EØF) Nr. 2454/93, ARTIKEL 296)

—BESONDERE VERWENDUNG: WAREN MIT DENEN DIE PFLICHTEN AUF DEN ÜBERNEHMER ÜBERTRAGEN WERDEN (ARTIKEL 296 DER VERORDNUNG (EWG) Nr. 2454/93)

—ΕΙΔΙΚΟΣ ΠΡΟΟΡΙΣΜΟΣ: ΕΜΠΟΡΕΓΜΑΤΑ ΓΙΑ ΤΑ ΟΠΟΙΑ ΟΙ ΥΠΟΧΡΕΩΣΕΙΣ ΕΚΧΩΡΟΥΝΤΑΙ ΣΤΟΝ ΕΚΔΟΧΕΑ (ΑΡΘΡΟ 296 ΚΑΝΟΝΙΣΜΟΣ (ΕΟΚ) αριθ. 2454/93)

—END-USE: GOODS FOR WHICH THE OBLIGATIONS ARE TRANSFERRED TO THE TRANSFEREE (REGULATION (EEC) No 2454/93, ARTICLE 296)

—DESTINATION PARTICULIÈRE: MARCHANDISES POUR LESQUELLES LES OBLIGATIONS SONT TRANSFÉRÉES AU CESSIONNAIRE [RÈGLEMENT (CEE) No 2454/93, ARTICLE 296]

—DESTINAZIONE PARTICOLARE: MERCI PER LE QUALI GLI OBBLIGHI SONO TRASFERITI AL CESSIONARIO (REGOLAMENTO (CEE) N. 2454/93, ARTICOLO 296)

—BIJZONDERE BESTEMMING: GOEDEREN WAARVOOR DE VERPLICHTINGEN AAN DE OVERNEMER WORDEN OVERGEDRAGEN (VERORDENING (EEG) Nr. 2454/93, ARTIKEL 296)

—DESTINO ESPECIAL: MERCADORIAS RELATIVAMENTE ÀS QUAIS AS OBRIGAÇÕES SÃO TRANSFERIDAS PARA O CESSIONÁRIO [REGULAMENTO (CEE) No 2454/93, ARTIGO 296o]

—TIETTY KÄYTTÖTARKOITUS: TAVARAT, JOIHIN LIITTYVÄT VELVOITTEET SIIRRETÄÄN SIIRRONSAAJALLE (ASETUS (ETY) N:o 2454/93, 296 ARTIKLA)

—ANVÄNDNING FÖR SÄRSKILDA ÄNDAMÅL: VAROR FÖR VILKA SKYLDIGHETERNA ÖVERFÖRS TILL DEN MOTTAGANDE PARTEN (ARTIKEL 296 I FÖRORDNING (EEG) nr 2454/93)

▼A2

—KONEČNÉ POUŽITÍ: ZBOŽÍ, U KTERÉHO PŘECHÁZEJÍ POVINNOSTI NA PŘÍJEMCE (ČLÁNEK 296 NAŘÍZENÍ (EHS) č. 2454/93)

—EESMÄRGIPÄRANE KASUTAMINE: KAUP, MILLE KORRAL KOHUSTUSED LÄHEVAD ÜLE KAUBA SAAJALE (MÄÄRUSE ((EMÜ) NR 2454/93 ARTIKKEL 296)

—IZMANTOŠANAS MĒRĶIS: PREČU SAŅĒMĒJS ATBILDĪGS PAR PREČU IZMANTOŠANU (REGULA (EEK) NR.2454/93, 296.PANTS)

—GALUTINIS VARTOJIMAS: PREKĖS, SU KURIOMIS SUSIJUSIOS PRIEVOLĖS PERDUOTOS JŲ PERĖMĖJUI (REGLAMENTAS (EEB) NR. 2454/93, 296 STRAIPSNIS)

—MEGHATÁROZOTT CÉLRA TÖRTÉNŐ FELHASZNÁLÁS: AZ ÁRUKKAL KAPCSOLATOS KÖTELEZETTSÉGEK AZ ÁRUK ÁTVEVŐJÉRE SZÁLLTAK ÁT (A 2454/93/EGK RENDELET 296.CIKKE)

—UŻU AĦĦARI: OĠĠETTI LI GħALIHOM L-OBBLIGI HUMA TRASFERITI LIL MIN ISIR IT-TRASFERIMENT (REGOLAMENT (KEE) 2454/93, ARTIKOLU 296)

—PRZEZNACZENIE SZCZEGÓLNE: TOWARY, W ODNIESIENIU DO KTÓRYCH ZOBOWIĄZANIA SĄ PRZENOSZONE NA OSOBĘ PRZEJMUJĄCĄ (ROZPORZĄDZENIE (EWG) NR 2454/93, ART. 296)

—POSEBEN NAMEN: BLAGO, ZA KATERO SE OBVEZNOSTI PRENESEJO NA PREJEMNIKA (UREDBA (EGS) ŠT. 2454/93, ČLEN 296)

—KONEČNÉ POUŽITIE: TOVAR, S KTORÝM PRECHÁDZAJÚ POVINNOSTI NA PRÍJEMCU (NARIADENIE (EHS) Č. 2454/93, ČLÁNOK 296)

▼M30

—СПЕЦИФИЧНО ПРЕДНАЗНАЧЕНИЕ: СТОКИ, ЗА КОИТО ЗАДЪЛЖЕНИЯТА СА ПРЕХВЪРЛЕНИ НА ЛИЦЕТО, КОЕТО ГИ ПОЛУЧАВА (РЕГЛАМЕНТ (ЕИО) № 2454/93, ЧЛЕН 296)

—DESTINAȚIE FINALĂ: MĂRFURI PENTRU CARE OBLIGAȚIILE SUNT TRANSFERATE CESIONARULUI (REGULAMENTUL (CEE) Nr. 2454/93, ARTICOLUL 296)

▼M45

—POSEBNA UPORABA: ROBA ZA KOJU SU OBVEZE PRENESENE NA PRIMATELJA (UREDBA (EEZ) BR. 2454/93, ČLANAK 296)

▼M18

—in vak 106,

▼M21

—de belastingelementen van de ingevoerde goederen. De douaneautoriteiten kunnen besluiten van deze eis af te zien;

▼M18

—de datum van geldigmaking en het nummer van de aangifte voor het vrije verkeer, alsmede de naam en het adres van het desbetreffende douanekantoor;

c)de overdrager/afzender zendt aan de overnemer/geadresseerde het volledige stel controle-exemplaren T5;

d)de overnemer/geadresseerde hecht het origineel van het handelsdocument waarop de datum van ontvangst van de goederen is vermeld aan het stel controle-exemplaren T5 en legt alle documenten aan het in zijn vergunning vermelde douanekantoor over. Voorts stelt hij dit douanekantoor onmiddellijk van een eventuele overmaat, tekort, verwisseling of andere onregelmatigheid in kennis;

e)het in de vergunning van de overnemer/geadresseerde vermelde douanekantoor vult vak J van het origineel in en vermeldt daarin onder meer de datum van ontvangst door de overnemer/geadresseerde, na de handelsdocumenten te hebben geverifieerd. Dit kantoor brengt bovendien in vak J van het origineel en in vak E van de twee kopieën de datum en zijn stempelafdruk aan. Het douanekantoor bewaart de tweede kopie en geeft het origineel en de eerste kopie aan de overnemer/geadresseerde terug;

f)de overnemer/geadresseerde bewaart de eerste kopie in zijn administratie en zendt het origineel aan de overdrager/afzender;

g)de overdrager/afzender bewaart het origineel in zijn administratie.

De betrokken douaneautoriteiten kunnen toestaan dat vereenvoudigde procedures worden gebruikt overeenkomstig de aanwijzingen voor het gebruik van het controle-exemplaar T5.

3. Wanneer de betrokken douaneautoriteiten het correcte verloop van de handelingen gewaarborgd achten, kunnen zij toestaan dat goederen tussen twee in verschillende lidstaten gevestigde vergunninghouders worden overgedragen zonder dat van het controle-exemplaar T5 gebruik wordt gemaakt.

4. Wanneer goederen tussen twee in dezelfde lidstaat gevestigde vergunninghouders worden overgedragen, geschiedt dit overeenkomstig de nationale bepalingen.

5. Bij de ontvangst van de goederen neemt de overnemer/geadresseerde de uit dit hoofdstuk voortvloeiende verplichtingen ten aanzien van de overgedragen goederen op zich.

6. De overdrager/afzender is van zijn verplichtingen ontheven wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

—de overnemer/geadresseerde heeft de goederen ontvangen en is ervan in kennis gesteld dat de goederen waarvoor de verplichtingen zijn overgedragen, aan douanetoezicht in verband met hun bijzondere bestemming zijn onderworpen;

—het douanetoezicht is door de douaneautoriteit van de overnemer/geadresseerde overgenomen. Behoudens andersluidende beslissing van de douaneautoriteiten gebeurt deze overname op het tijdstip waarop de overnemer/geadresseerde de goederen in zijn administratie heeft ingeschreven.

Artikel 297

1. Bij de overdracht van materialen voor het onderhoud of de reparatie van luchtvaartuigen door internationale luchtvaartmaatschappijen, op grond van uitwisselingsovereenkomsten of voor de eigen behoeften, mag een luchtvrachtbrief of gelijkwaardig document in plaats van het controle-exemplaar T5 worden gebruikt.

2. De luchtvrachtbrief of het gelijkwaardige document bevat ten minste de volgende gegevens:

a)de naam van de verzendende luchtvaartmaatschappij;

b)de naam van de luchthaven van vertrek;

c)de naam van de ontvangende luchtvaartmaatschappij;

d)de naam van de luchthaven van bestemming;

e)de omschrijving van de materialen;

f)het aantal stuks.

De in de voorgaande alinea bedoelde gegevens mogen in gecodeerde vorm of door verwijzing naar een bijgevoegd document worden verstrekt.

3. Op de luchtvrachtbrief of het gelijkwaardige document moet op de voorzijde in drukletters een van de volgende vermeldingen voorkomen:

—DESTINO ESPECIAL

—SÆRLIGT ANVENDELSESFORMÅL

—BESONDERE VERWENDUNG

—ΕΙΔΙΚΟΣ ΠΡΟΟΡΙΣΜΟΣ

—END-USE

—DESTINATION PARTICULIÈRE

—DESTINAZIONE PARTICOLARE

—BIJZONDERE BESTEMMING

—DESTINO ESPECIAL

—TIETTY KÄYTTÖTARKOITUS

—ANVÄNDNING FÖR SÄRSKILDA ÄNDAMÅL

▼A2

—KONEČNÉ POUŽITÍ

—EESMÄRGIPÄRANE KASUTAMINE

—IZMANTOŠANAS MĒRĶIS

—GALUTINIS VARTOJIMAS

—MEGHATÁROZOTT CÉLRA TÖRTÉNŐ FELHASZNÁLÁS

—UŻU AħħARI

—PRZEZNACZENIE SZCZEGÓLNE

—POSEBEN NAMEN

—KONEČNÉ POUŽITIE

▼M30

—СПЕЦИФИЧНО ПРЕДНАЗНАЧЕНИЕ

—DESTINAȚIE FINALĂ

▼M45

—POSEBNA UPORABA

▼M18

4. De verzendende luchtvaartmaatschappij bewaart een exemplaar van de luchtvrachtbrief of van het gelijkwaardige document in haar administratie en houdt, op de door de douaneautoriteiten van de lidstaat waar de verzendende luchtvaartmaatschappij is gevestigd bepaalde wijze, een ander exemplaar ter beschikking van het bevoegde douanekantoor.

De ontvangende luchtvaartmaatschappij bewaart een exemplaar van de luchtvrachtbrief of het gelijkwaardige document in haar administratie en legt, op de door de douaneautoriteiten van de lidstaat van bestemming bepaalde wijze, een ander exemplaar over bij het bevoegde douanekantoor.

5. De materialen in ongewijzigde staat alsmede de exemplaren van de luchtvrachtbrief of van het gelijkwaardige document dienen aan de ontvangende luchtvaartmaatschappij te worden overgedragen op de plaatsen die zijn goedgekeurd door de douaneautoriteiten van de lidstaat waar deze maatschappij gevestigd is. De ontvangende luchtvaartmaatschappij neemt de materialen in haar administratie op.

6. De uit de leden 1 tot en met 5 voortvloeiende verplichtingen gaan van de verzendende luchtvaartmaatschappij over op de ontvangende luchtvaartmaatschappij op het tijdstip waarop de materialen in ongewijzigde staat alsmede de exemplaren van de luchtvrachtbrief of het gelijkwaardige document aan laatstgenoemde worden overhandigd.

Artikel 298

1. De douaneautoriteiten kunnen, onder door hen vast te stellen voorwaarden, de uitvoer of de vernietiging van de goederen toestaan.

2. Bij de uitvoer van landbouwproducten wordt in vak 44 van het enig document of in een ander gebruikt document in drukletters een van de volgende vermeldingen aangebracht:

—ARTÍCULO 298, REGLAMENTO (CEE) No 2454/93, DESTINO ESPECIAL: MERCANCÍAS DESTINADAS A LA EXPORTACIÓN — NO SE APLICAN RESTITUCIONES AGRÍCOLAS

—ART. 298 I FORORDNING (EØF) Nr. 2454/93 SÆRLIGT ANVENDELSESFORMÅL: VARER BESTEMT TIL UDFØRSEL — INGEN RESTITUTION

—ARTIKEL 298 DER VERORDNUNG (EWG) Nr. 2454/93 BESONDERE VERWENDUNG: ZUR AUSFUHR VORGESEHENE WAREN — ANWENDUNG DER LANDWIRTSCHAFTLICHEN AUSFUHRERSTATTUNGEN AUSGESCHLOSSEN

—ΑΡΘΡΟ 298 ΤΟΥ ΚΑΝ. (CEE) αριθ. 2454/93 ΕΙΔΙΚΟΣ ΠΡΟΟΡΙΣΜΟΣ: ΕΜΠΟΡΕΓΜΑΤΑ ΠΡΟΟΡΙΖΟΜΕΝΑ ΓΙΑ ΕΞΑΓΩΓΗ — ΑΠΟΚΛΕΙΟΝΤΑΙ ΟΙ ΓΕΩΡΓΙΚΕΣ ΕΠΙΣΤΡΟΦΕΣ

—ARTICLE 298 REGULATION (EEC) No 2454/93 END-USE: GOODS DESTINED FOR EXPORTATION — AGRICULTURAL REFUNDS NOT APPLICABLE

—ARTICLE 298, RÈGLEMENT (CEE) No 2454/93 DESTINATION PARTICULIÈRE: MARCHANDISES PRÉVUES POUR L'EXPORTATION — APPLICATION DES RESTITUTIONS AGRICOLES EXCLUE

—ARTICOLO 298 (CEE) No 2454/93 DESTINAZIONE PARTICOLARE: MERCI PREVISTE PER L'ESPORTAZIONE — APPLICAZIONE DELLE RESTITUZIONI AGRICOLE ESCLUSA

—ARTIKEL 298, VERORDENING (EEG) Nr. 2454/93 BIJZONDERE BESTEMMING: VOOR UITVOER BESTEMDE GOEDEREN — LANDBOUWRESTITUTIES NIET VAN TOEPASSING

—ARTIGO 298o REG. (CEE) No 2454/93 DESTINO ESPECIAL: MERCADORIAS DESTINADAS À EXPORTAÇÃO — APLICAÇÃO DE RESTITUIÇÕES AGRÍCOLAS EXCLUÍDA

—298 ART., AS. 2454/93 TIETTY KÄYTTÖTARKOITUS: VIETÄVIKSI TARKOITETTUJA TAVAROITA — MAATALOUSTUKEA EI SOVELLETA

—ARTIKEL 298 I FÖRORDNING (EEG) nr 2454/93 AVSEENDE ANVÄNDNING FÖR SÄRSKILDA ÄNDAMÅL: VAROR AVSEDDA FÖR EXPORT — JORDBRUKSBIDRAG EJ TILLÄMPLIGA

▼A2

—ČLÁNEK 298 NAŘÍZENÍ (EHS) č. 2454/93 KONEČNÉ POUŽITÍ: ZBOŽÍ URČENO K VÝVOZU — ZEMĚDĚLSKÉ NÁHRADY NELZE UPLATNIT,

—MÄÄRUSE (EMÜ) NR 2454/93 ARTIKKEL 298 „EESMÄRGIPÄRANE KASUTAMINE”: KAUBALE, MIS LÄHEB EKSPORDIKS, PÕLLUMAJANDUSTOETUSI EI RAKENDATA,

—REGULAS (EEK) NR. 2454/93, 298.PANTS: IZMANTOŠANAS MĒRĶIS: PRECES PAREDZĒTAS IZVEŠANAI — LAUKSAIMNIECĪBAS KOMPENSĀCIJU NEPIEMĒRO,

—REGLAMENTAS (EEB) NR. 2454/93, 298 STRAIPSNIS, GALUTINIS VARTOJIMAS: EKSPORTUOJAMOS PREKĖS — ŽEMĖS ŪKIO GRĄŽINAMOSIOS IŠMOKOS NETAIKOMOS,

—MEGHATÁROZOTT CÉLRA TÖRTÉNŐ FELHASZNÁLÁS A 2454/93/EGK RENDELET 298.CIKKE SZERINT: KIVITELI RENDELTETÉSŰ ÁRUK — MEZŐGAZDASÁGI VISSZATÉRÍTÉS NEM ALKALMAZHATÓ,

—ARTIKOLU 298 REGOLAMENT (KEE) 2454/93 UŻU AĦĦARI: OĠĠETTI DESTINATI GħALL-ESPORTAZZJONI RIFUŻJONIJIET AGRIKOLI MHUX APPLIKABBLI,

—ARTYKUŁ 298 ROZPORZĄDZENIA (EWG) NR 2454/93 PRZEZNACZENIE SZCZEGÓLNE: TOWARY PRZEZNACZONE DO WYWOZU — NIE STOSUJE SIĘ DOPŁAT ROLNYCH,

—ČLEN 298 UREDBE (EGS) ŠT. 2454/93 POSEBEN NAMEN: BLAGO DEKLARIRANO ZA IZVOZ — UPORABA KMETIJSKIH IZVOZNIH NADOMESTIL IZKLJUČENA,

—ČLÁNOK 298 NARIADENIA (EHS) Č. 2454/93 KONEČNÉ POUŽITIE: TOVAR URČENÝ NA VÝVOZ — POľNOHOSPODÁRSKE NÁHRADY NEMOŽNO UPLATNIŤ

▼M30

—ЧЛЕН 298 НА РЕГЛАМЕНТ (ЕИО) № 2454/93 СПЕЦИФИЧНО ПРЕДНАЗНАЧЕНИЕ: СТОКИ, НАСОЧЕНИ ЗА ИЗНАСЯНЕ — СЕЛСКОСТОПАНСКИ ВЪЗСТАНОВЯВАНИЯ СА НЕПРИЛОЖИМИ

—ARTICOLUL 298 REGULAMENTUL (CEE) Nr. 2454/93 DESTINAȚIE FINALĂ: MĂRFURI DESTINATE PENTRU EXPORT — NU SE APLICĂ RESTITUIRI RESTITUȚII AGRICOLE

▼M45

—ČLANAK 298. UREDBE (EEZ) BR. 2454/93, POSEBNA UPORABA: ROBA NAMIJENJENA IZVOZU — POLJOPRIVREDNE NAKNADE SE NE PRIMJENJUJU

▼M18

3. Voor uitvoer bestemde goederen worden vanaf het tijdstip van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer als niet-communautaire goederen beschouwd.

4. Wanneer goederen worden vernietigd, is artikel 182, lid 5, van het Wetboek van toepassing.

Artikel 299

Wanneer de douaneautoriteiten het gerechtvaardigd achten dat de goederen een andere bestemming krijgen dan die waarin de vergunning voorziet, doet deze bestemming, andere dan uitvoer of vernietiging, een douaneschuld ontstaan. Artikel 208 van het Wetboek is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 300

1. De in artikel 291, lid 1, bedoelde goederen blijven onder douanetoezicht en zijn aan rechten bij invoer onderworpen totdat zij:

a)voor het eerst de voorgeschreven bijzondere bestemming volgen;

b)worden uitgevoerd, vernietigd of een andere bestemming krijgen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 298 en 299.

Wanneer goederen echter geschikt zijn voor herhaald gebruik en de douaneautoriteiten zulks nodig achten teneinde misbruik te voorkomen, wordt het douanetoezicht gehandhaafd gedurende een periode van ten hoogste twee jaar na de datum waarop aan de goederen voor het eerst de voorgeschreven bestemming is gegeven.

2. Resten en afvallen die zijn ontstaan tijdens het be- of verwerkingsproces van de goederen alsmede verliezen als gevolg van natuurlijke oorzaken worden geacht de bijzondere bestemming te hebben gevolgd.

3. Voor de resten en afvallen die overblijven na de vernietiging van de goederen eindigt het douanetoezicht wanneer deze resten en afvallen een toegelaten douanebehandeling of -bestemming krijgen.

▼M12



HOOFDSTUK 3

Beheer van tariefmaatregelen



Afdeling 1

Beheer van tariefcontingenten in chronologische volgorde van de data van aanvaarding van de douaneaangiften

Artikel 308 bis

1. Wanneer bij een maatregel van de Gemeenschap tariefcontingenten worden geopend, worden deze, tenzij anders bepaald, beheerd met inachtneming van de volgorde waarin de aangiften voor het vrije verkeer zijn aanvaard.

2. Wanneer een aangifte voor het vrije verkeer met een geldige aanvraag voor toepassing van een tariefcontingent wordt aanvaard, gaat de betrokken lidstaat, via de Commissie, over tot opneming uit het tariefcontingent van een met zijn behoeften overeenstemmende hoeveelheid.

3. De lidstaten dienen geen aanvragen in voor opneming uit een contingent alvorens aan de voorwaarden van artikel 256, leden 2 en 3, is voldaan.

4. Onverminderd lid 8 wijst de Commissie hoeveelheden toe met inachtneming van de datum van aanvaarding van de desbetreffende aangifte voor het vrije verkeer, voorzover nog hoeveelheden in het desbetreffende tariefcontingent beschikbaar zijn. De voorrang wordt bepaald door de chronologische volgorde van deze data.

5. De lidstaten geven alle geldige aanvragen voor opneming uit een tariefcontingent onverwijld door aan de Commissie. Zij delen daarbij tevens de in lid 4 bedoelde datum mede en de exacte aangevraagde hoeveelheden die op de betreffende aangifte zijn vermeld.

6. Voor de toepassing van de leden 4 en 5 stelt de Commissie volgnummers vast voorzover daarin niet is voorzien bij het besluit van de Gemeenschap waarbij het tariefcontingent werd geopend.

7. Indien grotere hoeveelheden zijn aangevraagd dan in een tariefcontingent beschikbaar zijn, geschiedt de toewijzing in evenredigheid met de aangevraagde hoeveelheden.

8. Voor de doeleinden van dit artikel worden de aangiften voor het vrije verkeer die door de douaneautoriteiten op 1, 2 of 3 januari zijn aanvaard, geacht op 3 januari te zijn aanvaard. Indien een van deze dagen echter op een zaterdag of op een zondag valt, worden de aangiften geacht op 4 januari te zijn aanvaard.

9. Wanneer een nieuw tariefcontingent wordt geopend, wijst de Commissie daaruit geen hoeveelheden toe vóór de elfde werkdag volgende op de datum van publicatie van het besluit waarbij dat tariefcontingent werd ingesteld.

10. De lidstaten storten de door hen opgenomen, doch niet benutte hoeveelheden onverwijld aan de Commissie terug. Indien echter na de eerste maand volgende op het einde van de geldigheidsduur van een tariefcontingent wordt ontdekt dat ten onrechte een hoeveelheid is opgenomen die een douaneschuld van niet meer dan ►M31 10 EUR vertegenwoordigt, behoeven de lidstaten deze hoeveelheid niet terug te storten.

11. Indien de douaneautoriteiten ten aanzien van goederen waarvoor om opneming uit een contingent was verzocht, een aangifte voor het vrije verkeer ongeldig maken, wordt de volledige aanvraag om opneming met betrekking tot die goederen geannuleerd. De betrokken lidstaten storten de eventueel uit het tariefcontingent opgenomen hoeveelheid onverwijld aan de Commissie terug.

12. Gegevens over aanvragen van de verschillende lidstaten voor opnemingen uit tariefcontingenten worden door de Commissie en de overige lidstaten als vertrouwelijk behandeld.

Artikel 308 ter

1. De Commissie wijst elke werkdag hoeveelheden uit de tariefcontingenten toe, behalve:

—op feestdagen van de Europese Instellingen te Brussel,

—of

—in buitengewone omstandigheden, op andere dagen, mits dit aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van tevoren is medegedeeld.

2. Onverminderd artikel 308 bis, lid 8, worden bij elke toewijzing alle niet beantwoorde aanvragen in aanmerking genomen die betrekking hebben op aangiften voor het vrije verkeer die tot en met de tweede dag voorafgaande aan de dag van toewijzing zijn aanvaard en aan de Commissie zijn medegedeeld.

▼M22

Artikel 308 quater

1. Een tariefcontingent wordt als kritiek beschouwd, zodra ►M31 90 % van de aanvankelijke omvang is opgebruikt of wanneer de bevoegde autoriteiten aldus beslissen.

2. In afwijking van lid 1 wordt een tariefcontingent in een van de volgende gevallen vanaf de dag van de opening ervan als kritiek beschouwd:

a)wanneer het voor minder dan drie maanden wordt geopend;

b)wanneer in de afgelopen twee jaren geen tariefcontingenten zijn geopend voor dezelfde producten van dezelfde oorsprong en met een gelijkwaardige geldigheidsduur (gelijkwaardige tariefcontingenten);

c)wanneer een in de afgelopen twee jaren geopend gelijkwaardig tariefcontingent op de laatste dag van de derde maand van de vastgestelde duur van het contingent was uitgeput of een grotere aanvankelijke omvang had dan het betrokken tariefcontingent.

3. Een tariefcontingent waarvan het enige doel de toepassing is van een vergeldings- of een vrijwaringsmaatregel overeenkomstig de WTO-bepalingen wordt als kritiek beschouwd, zodra ►M31 90 % van de aanvankelijke omvang is opgebruikt, ongeacht of in de laatste twee jaar gelijkwaardige tariefcontingenten zijn geopend of niet.

▼M12



Afdeling 2

▼M24

Communautair toezicht

▼M31

Artikel 308 quinquies

1. Wanneer communautair toezicht moet worden gehouden, verstrekken de lidstaten de Commissie ten minste eenmaal per week gegevens over de douaneaangiften voor het vrije verkeer of de douaneaangiften ten uitvoer.

De lidstaten werken met de Commissie samen, om te bepalen welke gegevens van de douaneaangiften voor het vrije verkeer of de douaneaangiften ten uitvoer moeten worden verstrekt.

2. De door de individuele lidstaten op grond van lid 1 verstrekte gegevens worden als vertrouwelijk behandeld.

De geaggregeerde gegevens voor elke lidstaat zijn echter beschikbaar voor bevoegde gebruikers in alle lidstaten.

De lidstaten werken met de Commissie samen om de praktische voorschriften op te stellen betreffende de toegestane toegang tot de geaggregeerde gegevens.

3. Ten aanzien van bepaalde goederen wordt het toezicht op vertrouwelijke grondslag uitgeoefend.

4. Wanneer de in lid 1 van dit artikel bedoelde gegevens niet beschikbaar zijn in het kader van de in de artikelen 253 tot en met 267 en 280 tot en met 289 bedoelde vereenvoudigde procedures, verstrekken de lidstaten de Commissie de gegevens die op de datum van de aanvaarding van de volledige of aanvullende aangifte beschikbaar zijn.

▼B



TITEL II

▼M19

DOUANESTATUS VAN DE GOEDEREN EN DOUANEVERVOER

▼M19 —————

▼B



HOOFDSTUK 3

▼M13

Douanestatus van de goederen



▼M7

Afdeling 1

Algemene bepalingen

▼M36

Artikel 313

1. Onverminderd artikel 180 van het wetboek en de in lid 2 van het onderhavige artikel genoemde uitzonderingen, worden alle goederen die zich in het douanegebied van de Gemeenschap bevinden geacht communautaire goederen te zijn, tenzij wordt vastgesteld dat zij de communautaire status niet hebben.

2. De volgende goederen worden niet geacht communautaire goederen te zijn, tenzij de communautaire status overeenkomstig de artikelen 314 tot en met 323 wordt aangetoond:

a)goederen die overeenkomstig artikel 37 van het wetboek in het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht;

b)goederen die tijdelijk zijn opgeslagen of die zich bevinden in een vrije zone van controletype I ►C17 in de zin van artikel 799 of in een vrij entrepot;

c)goederen die onder een schorsingsregeling zijn geplaatst of die zich bevinden in een vrije zone van controletype II ►C17 in de zin van artikel 799.

3. In afwijking van lid 2, onder a), worden de volgende goederen die in het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht als communautaire goederen beschouwd, tenzij wordt vastgesteld dat zij de communautaire status niet hebben:

a)goederen die, wanneer zij door de lucht zijn aangevoerd, op een luchthaven in het douanegebied van de Gemeenschap zijn geladen of overgeladen om naar een andere luchthaven in het douanegebied van de Gemeenschap te worden vervoerd, voor zover dit vervoer onder dekking van één enkel in een lidstaat ►C17 opgesteld vervoersbescheid heeft plaatsgevonden; of

b)goederen die, wanneer zij over zee zijn aangevoerd, zijn vervoerd tussen in het douanegebied van de Gemeenschap gelegen havens met een lijndienst waarvoor overeenkomstig artikelen 313 ter vergunning is verleend.

Artikel 313 bis

Onder „lijndienst” wordt verstaan een dienst in het kader waarvan vaartuigen goederen vervoeren tussen uitsluitend in het douanegebied van de Gemeenschap gelegen havens. Deze vaartuigen mogen geen havens buiten het douanegebied van de Gemeenschap aandoen, noch een vrije zone van controletype I in de zin van artikel 799 ►C17 in een in het douanegebied van de Gemeenschap gelegen haven.

Artikel 313 ter

1. Een scheepvaartmaatschappij kan een vergunning worden verleend, een lijndienst te onderhouden na hiervoor een aanvraag te hebben ingediend bij de douaneautoriteiten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die maatschappij is gevestigd of, bij het ontbreken daarvan, een regionaal kantoor heeft, mits aan de voorwaarden van dit artikel en van artikel 313 quater is voldaan.

2. Een vergunning wordt slechts aan scheepvaartmaatschappijen verleend die:

a)in het douanegebied van de Gemeenschap zijn gevestigd of aldaar een regionaal kantoor hebben en waarvan de boekhouding voor de bevoegde douaneautoriteiten toegankelijk is;

b)voldoen aan de voorwaarden van artikel 14 nonies;

c)bepalen, welk vaartuig of welke vaartuigen worden gebruikt om de lijndienst te onderhouden en welke havens worden aangedaan, nadat de vergunning is verleend;

d)►C17 zich ertoe verbinden, dat op de routen van de lijndiensten geen havens worden aangedaan in gebieden buiten het douanegebied van de Gemeenschap noch een vrije zone van controletype I in een haven in het douanegebied van de Gemeenschap, en dat op zee geen goederen worden overgeladen;

e)zich ertoe verbinden, de namen van de vaartuigen die de lijndiensten onderhouden en de havens die deze aandoen, bij de vergunning verlenende douaneautoriteit te registreren.

▼M49

2 bis. Met behulp van een elektronisch informatie- en communicatiesysteem voor lijndiensten worden de volgende gegevens opgeslagen en toegankelijk gemaakt voor de Commissie en de douaneautoriteiten van de lidstaten:

a)de gegevens van de aanvragen;

b)de vergunningen voor lijndiensten en, indien van toepassing, de wijzigingen en intrekkingen van die vergunningen;

c)de namen van de havens die worden aangedaan en de namen van de vaartuigen die de lijndiensten onderhouden;

d)alle andere relevante informatie.

▼M36

3. ►M49 In de aanvraag voor een vergunning voor een lijndienst worden de lidstaten vermeld die daadwerkelijk bij die lijndienst zijn betrokken en kunnen de lidstaten worden vermeld die mogelijk worden betrokken en waarvoor de aanvrager aangeeft plannen te hebben voor toekomstige diensten. De douaneautoriteiten van de lidstaat waarbij de aanvraag is ingediend (de vergunningverlenende douaneautoriteit), doet kennisgeving aan de douaneautoriteiten van de andere daadwerkelijk of mogelijk bij de lijndienst betrokken lidstaten (de betrokken douaneautoriteiten) door middel van het in lid 2 bis bedoelde elektronische informatie- en communicatiesysteem voor lijndiensten.

Onverminderd lid 4, kunnen de betrokken douaneautoriteiten, binnen ►M49 15 dagen na ontvangst van deze kennisgeving, de aanvraag afwijzen, indien niet is voldaan aan de voorwaarde van lid 2, onder b), en de afwijzing mededelen door middel van het in artikel 14 quinvicies bedoelde elektronische informatie- en communicatiesysteem. De betrokken douaneautoriteit deelt de redenen van de afwijzing en de wettelijke bepalingen betreffende de gepleegde inbreuken mede. In dat geval geeft de vergunning verlenende douaneautoriteit de vergunning niet af en deelt zij de aanvrager, onder opgave van redenen, de afwijzing van de aanvraag mede.

Indien geen antwoord of afwijzing van de betrokken douaneautoriteiten wordt ontvangen, geeft de vergunning verlenende douaneautoriteit, na te hebben onderzocht, of aan de vergunningvoorwaarden is voldaan, een vergunning af die door de andere bij de lijndienst betrokken lidstaten wordt aanvaard. Het in artikel 14 quinvicies bedoelde informatie- en communicatiesysteem wordt gebruikt voor de opslag van de vergunning en voor de mededeling aan de betrokken douaneautoriteiten dat de vergunning is verleend.

4. Wanneer de scheepvaartmaatschappij houder is van een AEO-certificaat als bedoeld in artikel 14 bis, lid 1, onder a) of c), wordt geacht te zijn voldaan aan de eisen van lid 2, onder a) en b), van het onderhavige artikel en de eisen bedoeld in lid 3 van het onderhavige artikel.

▼M36

Artikel 313 quarter

1. Nadat vergunning voor een lijndienst overeenkomstig artikel 313 ter is verleend, moet de betrokken scheepvaartmaatschappij deze gebruiken voor de vaartuigen die voor dat doel zijn geregistreerd.

2. De scheepvaartmaatschappij stelt de vergunning verlenende douaneautoriteit in kennis van alle omstandigheden die zich na het verlenen van de vergunning voordoen en die de voortzetting of de inhoud van de vergunning kunnen beïnvloeden.

Wanneer een vergunning door de vergunning verlenende douaneautoriteit of op verzoek van de scheepvaartmaatschappij wordt ingetrokken, deelt de vergunning verlenende douaneautoriteit dit mede aan de betrokken douaneautoriteiten met behulp van ►M49 het in artikel 313 ter, lid 2 bis, bedoelde elektronische informatie- en communicatiesysteem voor lijndiensten.

3. De in artikel 313 ter, lid 3, vastgestelde procedure is van toepassing wanneer de vergunning moet worden gewijzigd om deze van toepassing te doen zijn op lidstaten die niet waren genoemd in de oorspronkelijke of een vorige vergunning. Artikel 313 ter, lid 4, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 313 quinquies

1. De scheepvaartmaatschappij die vergunning heeft voor het onderhouden van een lijndienst deelt de vergunning verlenende douaneautoriteit het volgende mede:

a)de namen van de vaartuigen die de lijndienst onderhouden;

b)de eerste haven waar het vaartuig zijn werkzaamheden als lijndienst aanvangt;

c)de havens die worden aangedaan;

d)alle wijzigingen in de onder a), b) en c) bedoelde gegevens;

e)de dag en het tijdstip waarop de onder d) bedoelde wijzigingen van kracht worden.

2. De overeenkomstig lid 1 meegedeelde inlichtingen worden door de vergunning verlenende ►C17 douaneautoriteit binnen een werkdag na de dag van ontvangst van de mededeling geregistreerd met behulp van ►M49 het in artikel 313 ter, lid 2 bis, bedoelde elektronische informatie- en communicatiesysteem voor lijndiensten. Het systeem is toegankelijk voor de douaneautoriteiten die werkzaam zijn in binnen het douanegebied van de Gemeenschap gelegen havens.

De registratie wordt van kracht op de eerste werkdag volgende op die van de registratie.

Artikel 313 sexies

Wanneer een voor een lijndienst geregistreerd vaartuig door toeval of overmacht wordt genoopt goederen op zee over te laden of een haven aan te doen die geen deel uitmaakt van de lijndienst, met inbegrip van havens buiten het douanegebied van de Gemeenschap of een vrije zone van controletype I in een haven in het douanegebied van de Gemeenschap, deelt de scheepvaartmaatschappij dit onverwijld mede aan de douaneautoriteiten van de volgende havens in de Gemeenschap die worden aangedaan, waaronder de havens die op de normale route van de lijndienst liggen. In deze havens geladen of geloste goederen worden niet geacht communautaire goederen te zjn.

Artikel 313 septies

1. ►C17 De douaneautoriteiten kunnen van de scheepvaartmaatschappij verlangen, dat deze haar het bewijs levert dat de artikelen 313 ter tot en met 313 sexies zijn nagekomen.

2. Wanneer de douaneautoriteiten vaststellen, dat de scheepvaartmaatschappij de in lid 1 bedoelde bepalingen niet is nagekomen, deelt zij dit onverwijld aan alle bij de lijndienst betrokken douaneautoriteiten mede, met behulp van ►M49 het in artikel 313 ter, lid 2 bis, bedoelde elektronische informatie- en communicatiesysteem voor lijndiensten, zodat deze autoriteiten de nodige maatregelen kunnen nemen.

▼M13

Artikel 314

▼M42

1. De communautaire status van goederen die niet overeenkomstig artikel 313 als communautaire goederen worden aangemerkt, kan worden aangetoond overeenkomstig artikel 314 quater, lid 1, uitsluitend wanneer is voldaan aan de voorwaarden in een van de volgende punten:

a)de goederen zijn vervoerd van de ene naar een andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap en hebben daarbij dat gebied tijdelijk verlaten zonder dat zij over het grondgebied van een derde land zijn gepasseerd;

b)de goederen zijn vervoerd van de ene plaats in het douanegebied van de Gemeenschap, over het grondgebied van een derde land, naar een andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap onder dekking van één enkel, in een lidstaat afgegeven vervoersdocument;

c)de goederen zijn vervoerd van de ene plaats in het douanegebied van de Gemeenschap, over het grondgebied van een derde land waar zij zijn overgeladen op een ander dan het oorspronkelijke vervoermiddel, naar een andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap, en er is een nieuw vervoersdocument voor het vervoer vanuit dat derde land afgegeven, dat wordt voorgelegd tezamen met een kopie van het oorspronkelijke vervoersdocument voor het vervoer van de ene plaats naar de andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap.

▼M19 —————

▼M42

2 bis. Wanneer goederen zijn vervoerd als bedoeld in lid 1, onder c), verrichten de douaneautoriteiten die bevoegd zijn voor de plaats waar de goederen opnieuw het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengekomen, een controle achteraf om zich te vergewissen van de juistheid van de gegevens op de kopie van het oorspronkelijke vervoersdocument, met inachtneming van de in artikel 314 bis vastgestelde vereisten inzake administratieve samenwerking tussen de lidstaten.

▼M13

3. De in ►M19 artikel 314 quater, lid 1bedoelde documenten en andere bewijsmogelijkheden mogen niet worden gebruikt voor de goederen waarvoor de formaliteiten bij uitvoer zijn vervuld of die onder de regeling actieve veredeling, terugbetalingssysteem, worden geplaatst.

▼M19 —————

▼M19

Artikel 314 bis

De douaneadministraties van de lidstaten verlenen elkaar wederzijds bijstand bij de controle van de echtheid en de juistheid van de documenten en de regelmatigheid van de middelen die, overeenkomstig het bepaalde in deze titel, worden aangewend om de communautaire status van de goederen aan te tonen.



Afdeling 2

Bewijs van de communautaire status

Artikel 314 ter

In deze afdeling wordt onder „bevoegd kantoor” de douaneautoriteiten verstaan die bevoegd zijn het document af te geven ten bewijze van de communautaire status van de goederen.

Artikel 314 quater

1. Onverminderd goederen die onder de regeling intern communautair douanevervoer zijn geplaatst, kan het bewijs van de communautaire status van de goederen slechts worden geleverd:

a)door een van de in de artikelen 315 tot en met 317 ter bedoelde documenten, of

b)op de wijze voorzien in de artikelen 319 tot en met 323, of

c)door het in Verordening (EEG) nr. 2719/92 (12) van de Commissie bedoelde geleidedocument, of

d)door het in artikel 325 bedoelde document, of

e)door het in artikel 462 bis, lid 2, bedoelde etiket, of

f)door middel van het in ►M21 artikel 812 bedoelde document ten bewijze van de communautaire status van de goederen, of

g)door het in artikel 843 bedoelde controle-exemplaar T5.

2. Wanneer de in lid 1 genoemde documenten en andere bewijsmogelijkheden worden gebruikt voor de communautaire goederen die zijn voorzien van verpakkingen die niet de communautaire status hebben, wordt op het document dat de communautaire status van de goederen bewijst, een van de volgende vermeldingen aangebracht:

▼C9

—envases N

—N-emballager

—N-Umschließungen

—Συσκευασία Ν

—N packaging

—emballagges N

—imballagi N

—N-verpakkingsmiddelen

—embalagens N

—N-pakkaus

—N förpackning.

▼A2

—obal N

—N-pakendamine

—N veida iepakojums

—N pakuotė

—N csomagolás

—ippakkjar N

—opakowania N

—N embalaža

—N - obal.

▼M30

—опаковка N

—ambalaj N.

▼M45

—N pakiranje.

▼M19

3. Indien aan de voorwaarden voor de afgifte is voldaan, kunnen de in de artikelen 315 tot en met 323 bedoelde documenten achteraf worden afgegeven. In dit geval wordt daarop in het rood een van de volgende vermeldingen aangebracht:

▼C9

—Espedido a posteriori

—Udstedt efterfœlgende

—Nachträglich ausgestellt

—Εκδοθέν εκ των υστέρων

—Issued rectroactively

—Delivré a posteriori

—Rilasciato a posteriori

—Achteraf afgegeven

—Emitido a posteriori

—Annettu jälkikäteen

—Utfärdat i efterhand.

▼A2

—Vystaveno dodatečně

—Välja antud tagasiulatuvalt

—Izsniegts retrospektīvi

—Retrospektyvusis išdavimas

—Kiadva visszamenőleges hatállyal

—Utólag kiállítva

—Maħruġ retrospettivament

—Wystawione retrospektywnie

—Izdano naknadno

▼M26

—Vyhotovené dodatočne.

▼M30

—Издаден впоследствие

—Eliberat ulterior.

▼M45

—Izdano naknadno.

▼M19



Onderafdeling 1

Document T2L

▼M19

Artikel 315

1. Het bewijs van de communautaire status van de goederen wordt door middel van een document T2L geleverd. Dit document wordt overeenkomstig de leden 3, 4 en 5 opgesteld.

2. Het bewijs van de communautaire status van goederen die bestemd zijn voor of van herkomst zijn uit een deel van het douanegebied van de Gemeenschap waar Richtlijn 77/388/EEG van de Raad niet van toepassing is, wordt geleverd door de overlegging van een document T2LF.

De leden 3, 4 en 5 en de artikelen 316 tot en met 324 septies zijn van overeenkomstige toepassing op het document T2LF.

3. Het document T2L wordt gesteld op een formulier dat overeenstemt met exemplaar 4 of met exemplaar 4/5 van het model in de bijlagen 31 en 32.

Dit formulier wordt zo nodig aangevuld met een of meer aanvullende formulieren die overeenstemmen met exemplaar 4 of met exemplaar 4/5 van het model in de bijlagen 33 en 34.

Wanneer de lidstaten het gebruik van aanvullende formulieren niet toestaan bij de behandeling van aangiften door een geautomatiseerd systeem dat deze aangiften ook vervaardigt, wordt dit formulier aangevuld met een of meer formulieren die overeenstemmen met exemplaar 4 of met exemplaar 4/5 van het model in de bijlagen 31 en 32.

4. De belanghebbende vermeldt „T2L” in het rechter deelvak van vak 1 van het formulier en „T2L bis” in het rechter deelvak van vak 1 van het gebruikte aanvullende formulier of de gebruikte aanvullende formulieren.

5. Ladingslijsten die volgens het model in bijlage 45 zijn opgesteld en overeenkomstig bijlage 44 bis zijn ingevuld, mogen in plaats van aanvullende formulieren als beschrijvend onderdeel van het document T2L worden gebruikt.

▼M19

Artikel 315 bis

De douaneautoriteiten kunnen elke persoon die aan de voorwaarden van artikel 373 voldoet toestemming verlenen lijsten die niet aan alle voorwaarden van de bijlagen 44 bis en 45 voldoen als ladingslijsten te gebruiken.

Artikel 385, lid 1, tweede alinea, en leden 2 en 3, zijn van overeenkomstige toepassing.

▼M19

Artikel 316

1. Onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 324 septies wordt het document T2L in één exemplaar opgesteld.

2. Het document T2L en, in voorkomend geval, het aanvullende formulier of de aanvullende formulieren, dan wel de gebruikte ladingslijst of gebruikte ladingslijsten wordt respectievelijk worden op verzoek van de belanghebbende door het bevoegde kantoor afgetekend. De aftekening bevat de hierna volgende gegevens die, voorzover mogelijk, in vak „C. Kantoor van vertrek” van deze documenten worden vermeld:

a)wat het document T2L betreft: de naam, het stempel van het bevoegde kantoor, de handtekening van de ambtenaar van dit kantoor, de datum van de aftekening en, hetzij een nummer van geldigmaking, hetzij het nummer van de aangifte tot verzending indien een dergelijke aangifte noodzakelijk is;

b)wat het aanvullende formulier of de ladingslijst betreft: het nummer dat op het document T2L voorkomt. Dit nummer wordt aangebracht hetzij met een stempel waarin de naam van het bevoegde kantoor voorkomt, hetzij met de hand. In dit laatste geval wordt bij het nummer het officiële stempel van dit kantoor geplaatst.

Deze documenten worden de belanghebbende teruggegeven.



▼M19

Onderafdeling 2

Handelsdocumenten

▼B

Artikel 317

▼M13

1. De communautaire status van de goederen wordt overeenkomstig de navolgende bepalingen aangetoond door overlegging van een factuur die of een transportbescheid dat op die goederen betrekking heeft.

▼M19

2. Op de in lid 1 bedoelde factuur of het in lid 1 bedoelde transportbescheid komen ten minste de naam en het volledige adres van de afzender of van de betrokkene voor, indien deze laatste niet de afzender is, alsmede het aantal, de aard, de merken en nummers van de colli, de omschrijving van de goederen, de brutomassa in kilogram en, in voorkomend geval, de nummers van de containers.

De betrokkene brengt op de factuur of op het transportbescheid op duidelijk zichtbare wijze de vermelding „T2L” en zijn handtekening aan.

3. De factuur of het transportbescheid die of dat door de betrokkene naar behoren is ingevuld en ondertekend, wordt op diens verzoek door het bevoegde kantoor afgetekend. Deze aftekening omvat de naam en het stempel van het bevoegde kantoor, de handtekening van een ambtenaar van het bevoegde kantoor, de datum van de aftekening en hetzij een registratienummer, hetzij het nummer van de aangifte tot verzending indien een dergelijke aangifte noodzakelijk is.

4. Indien de totale waarde van de communautaire goederen als vermeld op de factuur die, of op het transportbescheid dat, overeenkomstig lid 2 van het onderhavige artikel of artikel 224 is ingevuld en ondertekend, niet meer dan 10 000 EUR bedraagt, behoeft de betrokkene dit bescheid of deze factuur niet ter aftekening aan het bevoegde kantoor aan te bieden.

In dit geval dient de factuur of het transportbescheid, naast de in lid 2 genoemde gegevens, de naam van het bevoegde kantoor te bevatten.

▼B

5. Dit artikel is slechts van toepassing indien de factuur of het transportbescheid uitsluitend betrekking heeft op communautaire goederen.

▼M13

Artkel 317 bis

1. Het bewijs van de communautaire status van de goederen wordt, op de in de leden 2 en 3 aangegeven wijze, door het op die goederen betrekking hebbende manifest van de scheepvaartmaatschappij geleverd.

2. Dit manifest dient ten minste de volgende gegevens te bevatten:

a)naam en volledig adres van de scheepvaartmaatschappij;

b)de naam van het schip;

c)plaats en datum van lading van de goederen;

d)plaats van lossing van de goederen.

Voorts bevat het manifest voor elke zending:

a)een verwijzing naar het cognossement of naar een ander handelsdocument;

b)aantal, aard, merktekens en nummers van de colli;

▼M19

c)de gebruikelijke handelsbenaming van de goederen in voldoende nauwkeurige termen om de goederen te kunnen identificeren;

▼M13

d)de brutomassa in kilogram;

e)in voorkomend geval, de nummers van de containers;

▼M19

f)de volgende vermeldingen betreffende de douanestatus van de goederen:

—„C” (gelijk aan „T2L”) voor goederen, waarvan de communautaire status kan worden aangetoond,

—„F” (gelijk aan „T2LF”) voor goederen, waarvan de communautaire status kan worden aangetoond en die worden verzonden naar of afkomstig zijn uit een deel van het douanegebied van de Gemeenschap waar Richtlijn 77/388/EEG niet van toepassing is,

—„N” voor de andere goederen.

3. Het door de scheepvaartmaatschappij naar behoren ingevulde en ondertekende manifest wordt op verzoek van de scheepvaartmaatschappij door het bevoegde kantoor geviseerd. Dit visum bevat de naam, het stempel van het bevoegde kantoor en de handtekening van een ambtenaar van dit kantoor en de datum van de visering.

▼M19

Artikel 317 ter

Wanneer de ►M21 in de artikelen 445 en 448 omschreven vereenvoudigde procedures voor communautair douanevervoer worden gebruikt, wordt het bewijs van het communautaire karakter van de goederen geleverd door op het manifest, naast de betrokken artikelen, de afkorting „C” (gelijkwaardig aan „T2L”) te vermelden.



Onderafdeling 3

Andere bewijsstukken

▼B

Artikel 319

1. Wanneer goederen onder geleide van een carnet TIR of een carnet ATA worden vervoerd, kan de aangever, ten einde het communautaire karakter van deze goederen aan te tonen►M19 —————, op alle daarvoor in aanmerking komende stroken van het gebruikte carnet, in het voor de omschrijving van de goederen bestemde vak, op duidelijk zichtbare wijze het teken „T 2 L” en zijn handtekening aanbrengen alvorens dit carnet ter visering aan het kantoor van vertrek over te leggen. Het teken „T 2 L” wordt op alle stroken waarop het is aangebracht, gewaarmerkt door het stempel van het kantoor van vertrek en de handtekening van de bevoegde ambtenaar.

2. Wanneer het carnet TIR of het carnet ATA zowel betrekking heeft op communautaire als op niet-communautaire goederen, worden deze twee categorieën goederen afzonderlijk vermeld en wordt het teken „T 2 L” zo aangebracht dat het duidelijk uitsluitend betrekking heeft op de communautaire goederen.

Artikel 320

Wanneer het communautaire karakter van een motorvoertuig voor vervoer over de weg, dat in een Lid-Staat van de Gemeenschap is geregistreerd, moet worden aangetoond, wordt dit voertuig geacht communautair te zijn:

a)voor zover kentekenplaat en registratiebewijs zich bij het voertuig bevinden en uit het registratiebewijs en eventueel de kentekenplaat duidelijk blijkt dat dit voertuig het communautaire karakter bezit;

▼M19

b)in de andere gevallen, overeenkomstig de artikelen 315 tot en met 319 en 321, 322 en 323.

▼B

Artikel 321

Indien het communautaire karakter van een goederenwagon die aan een spoorwegmaatschappij van een Lid-Staat toebehoort, moet worden aangetoond, wordt deze goederenwagon geacht communautair te zijn:

a)voor zover uit het codenummer en het eigendomsmerk (teken) op de wagon duidelijk blijkt dat de wagon het communautaire karakter bezit;

b)in de overige gevallen, indien één van de in de ►M19 artikelen 315 tot en met 317 ter bedoelde documenten wordt overgelegd.

Artikel 322

1. Indien het communautaire karakter moet worden aangetoond van verpakkingen die kennelijk toebehoren aan een in een Lid-Staat gevestigde persoon, die in het intracommunautaire goederenverkeer worden gebruikt en die na gebruik leeg uit een andere Lid-Staat terugkeren, worden deze verpakkingen geacht communautair te zijn:

a)voor zover zij worden aangegeven als communautaire goederen en er geen enkele twijfel bestaat omtrent de juistheid van deze aangifte;

b)in de overige gevallen, overeenkomstig de artikelen 315 tot en met 323.

2. De in lid 1 bedoelde vereenvoudiging wordt toegestaan voor houders, verpakkingen, laadborden en ander soortgelijk materieel, met uitzondering van containers►M20 —————.

Artikel 323

Indien het communautaire karakter moet worden aangetoond van goederen die door reizigers worden medegevoerd of die zich in hun bagage bevinden, worden deze goederen, mits zij niet voor commerciële doeleinden zijn bestemd, als communautaire goederen beschouwd:

a)voor zover zij als communautaire goederen worden aangegeven en er geen enkele twijfel bestaat omtrent de juistheid van deze aangifte;

b)in de overige gevallen, overeenkomstig de artikelen 315 tot en met 322.

▼M19 —————

▼M19



Onderafdeling 4

Bewijs van de communautaire status door een toegelaten afzender

Artikel 324 bis

1. De douaneautoriteiten van elke lidstaat kunnen elke persoon, hierna „toegelaten afzender” genoemd, die aan de in artikel 373 gestelde voorwaarden voldoet en die door middel van een document T2L overeenkomstig artikel 315 of door middel van een van de in artikel 317 tot en met 317 ter genoemde documenten, hierna „handelsdocumenten” genoemd, de communautaire status van goederen wenst aan te tonen, vergunning verlenen deze documenten te gebruiken zonder dat zij deze ter aftekening aan het bevoegde kantoor behoeven voor te leggen.

2. De artikelen 374 tot en met 378 zijn van overeenkomstige toepassing op de in lid 1 bedoelde vergunning.

Artikel 324 ter

In de vergunning wordt onder meer bepaald:

a)welk kantoor is belast met de waarmerking vooraf, in de zin van artikel 324 quater, lid 1, onder a), van de formulieren waarop de betrokken documenten worden gesteld;

b)de wijze waarop de toegelaten afzender het gebruik van de genoemde formulieren moet rechtvaardigen;

c)voor welke soort goederen of voor welk soort vervoer de vergunning niet geldt;

d)binnen welke termijn en op welke wijze de toegelaten afzender het bevoegde kantoor inlicht, zodat dit kantoor vóór het vertrek van de goederen eventueel een controle kan verrichten.

Artikel 324 quater

1. In de vergunning wordt bepaald dat de voorzijde van de betrokken handelsdocumenten of vak „C. Kantoor van vertrek” aan de voorzijde van de formulieren die voor het opstellen van het document T2L en, in voorkomend geval, van het aanvullende document of de aanvullende documenten worden gebruikt:

a)vooraf wordt voorzien van een afdruk van de stempel van het in artikel 324 ter, onder a), bedoelde kantoor en van de handtekening van een ambtenaar van dit kantoor, of

b)door de toegelaten afzender wordt voorzien van de afdruk van de speciale, door de douaneautoriteiten aanvaarde metalen stempel die overeenstemt met het model in bijlage 62. Deze stempelafdruk mag ook op de formulieren worden voorgedrukt wanneer deze door een daartoe gemachtigde drukkerij worden gedrukt.

▼M36

Punt 27 van bijlage 37 quinquies is van overeenkomstige toepassing.

▼M19

2. Uiterlijk op het tijdstip van verzending van de goederen vult de toegelaten afzender het formulier in en ondertekent hij het. Bovendien vermeldt hij in vak „D. Controle door het kantoor van vertrek” van het document T2L of op een duidelijk zichtbare plaats op het gebruikte handelsdocument, de naam van het bevoegde kantoor en de datum waarop het document is opgemaakt, en brengt hij daarop een van de volgende vermeldingen aan:

—Expedidor autorizado

—Godkendt afsender

—Zugelassener Versender

—Εγκεκριμένος αποστολέας

—Authorised consignor

—Expéditeur agréé

—Speditore autorizzato

—Toegelaten afzender

—Expedidor autorizado

—Hyväksytty lähettäjä

—Godkänd avsändare.

▼A2

—Schválený odesílatel

—Volitatud kaubasaatja

—Atzītais nosūtītājs

—Įgaliotas siuntėjas

—Engedélyezett feladó

—Awtorizzat li jibgħat

—Upoważniony nadawca

—Pooblaščeni pošiljatelj

—Schválený odosielateľ.

▼M30

—Одобрен изпращач

—Expeditor agreat autorizat autorizat.

▼M45

—Ovlašteni pošiljatelj.

▼M19

Artikel 324 quinquies

▼C9

1. De toegelaten afzender kan worden toegestaan dat de documenten T2L of de handelsdocumenten die van een afdruk van de speciale stempel als bedoeld in bijlage 62 zijn voorzien en die met behulp van een geïntegreerd systeem voor elektronische of geautomatiseerde gegevensverwerking zijn vervaardigd, niet te ondertekenen. Deze toestemming kan pas worden gegeven nadat de toegelaten afzender de douaneautoriteiten een schriftelijke verklaring heeft doen toekomen dat hij aansprakelijk is voor de rechtsgevolgen van de afgifte van alle documenten T2L of van alle handelsdocumenten die van een afdruk van de speciale stempel zijn voorzien.

▼M19

2. Op de overeenkomstig lid 1 opgemaakte documenten T2L of de handelsdocumenten wordt in plaats van de handtekening van de toegelaten afzender één van de volgende vermeldingen aangebracht:

—Dispensa de firma,

—Fritaget for underskrift,

—Freistellung von der Unterschriftsleistung,

—Δεν απαιτείται υπογραφή,

—Signature waived,

—Dispense de signature,

—Dispensa dalla firma,

—Van ondertekening vrijgesteld,

—Dispensada a assinatura,

—Vapautettu allekirjoituksesta,

—Befriad från underskrift,

▼A2

—Podpis se nevyžaduje,

—Allkirjanõudest loobutud,

—Derīgs bez paraksta,

—Leista nepasirašyti,

—Aláírás alól mentesítve,

—Firma mhux meħtieġa,

—Zwolniony ze składania podpisu,

—Opustitev podpisa,

▼M26

—Oslobodenie od podpisu.

▼M30

—Освободен от подпис,

—Dispensă de semnătură,

▼M45

—Oslobođeno potpisa.

▼M19

Artikel 324 sexies

1. De douaneautoriteiten van de lidstaten kunnen toestaan dat scheepvaartmaatschappijen het manifest waarmee de communautaire status van goederen wordt aangetoond, uiterlijk op de dag na het vertrek van het vaartuig opstellen, doch in ieder geval voor de aankomst van het vaartuig in de haven van bestemming.

2. De in lid 1 bedoelde vergunning wordt uitsluitend aan internationale scheepvaartmaatschappijen verleend die

a)aan de voorwaarden van artikel 373 voldoen; in afwijking van artikel 373, lid 1, onder a) behoeven de scheepvaartmaatschappijen echter niet in de Gemeenschap te zijn gevestigd indien zij daar over een regionaal kantoor beschikken, en

b)systemen voor de elektronische uitwisseling van gegevens gebruiken om gegevens door te zenden tussen de havens van vertrek en van bestemming in de Gemeenschap, en

c)die regelmatig tussen de lidstaten heen en weer varen volgens erkende routes.

3. Zodra zij het verzoek hebben ontvangen, delen de douaneautoriteiten van de lidstaat waar de scheepvaartmaatschappij is gevestigd dit de andere lidstaten op het grondgebied waarvan de voorziene havens van vertrek en van bestemming zijn gelegen, mede.

Indien binnen 60 dagen na deze mededeling hiertegen geen bezwaar is gemaakt, staan de douaneautoriteiten toe dat de in lid 4 omschreven vereenvoudigde procedure wordt gevolgd.

Deze vergunning is geldig in de betrokken lidstaten en is uitsluitend van toepassing op douanevervoer tussen de in de vergunning genoemde havens.

4. De vereenvoudiging wordt als volgt toegepast:

a)het manifest van de haven van vertrek wordt met behulp van een systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens doorgezonden naar de haven van bestemming;

b)de scheepvaartmaatschappij vermeldt op het manifest de in artikel 317 bis, lid 2, bedoelde gegevens;

▼M36

c)het door middel van een systeem voor elektronische gegevensuitwisseling toegezonden manifest (gegevensuitwisselingsmanifest) wordt, uiterlijk op de werkdag volgende op het vertrek van het vaartuig, doch in ieder geval voor de aankomst van het vaartuig in de haven van bestemming, voorgelegd aan de douaneautoriteiten van de haven van vertrek. ►C17 De douaneautoriteiten kunnen de overlegging van een afdruk van dit gegevensuitwisselingsmanifest verlangen, wanneer zij geen toegang hebben tot een door de douaneautoriteiten goedgekeurd informatiesysteem dat dit manifest bevat;

d)het gegevensuitwisselingsmanifest wordt aan de douaneautoriteiten van de haven van bestemming voorgelegd. ►C17 De douaneautoriteiten kunnen de overlegging van een afdruk van dit gegevensuitwisselingsmanifest verlangen, wanneer zij geen toegang hebben tot een door de douaneautoriteiten goedgekeurd informatiesysteem dat dit manifest bevat.

▼M19

5. ►M21 Artikel 448, lid 5, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 324 septies

De toegelaten afzender is verplicht een kopie te maken van elk document T2L of van elk overeenkomstig deze onderafdeling afgegeven handelsdocument. De douaneautoriteiten bepalen op welke wijze deze kopie ter controle wordt overgelegd en voor ten minste twee jaar wordt bewaard.



▼M19

Onderafdeling 5

▼M7

Bijzondere bepalingen betreffende zeevisserijprodukten en andere produkten die door vaartuigen uit zee worden gewonnen

Artikel 325

1. In deze ►M19 onderafdelingwordt verstaan onder:

a)„communautair vissersvaartuig”: een vaartuig dat in het tot het douanegebied van de Gemeenschap behorend deel van het grondgebied van een Lid-Staat is geregistreerd en ingeschreven, dat de vlag van een Lid-Staat voert en dat zeevisserijprodukten vangt en ze eventueel aan boord verwerkt;

b)„communautair fabrieksschip”: een vaartuig dat in het tot het douanegebied van de Gemeenschap behorend deel van het grondgebied van een Lid-Staat is geregistreerd of ingeschreven, dat de vlag van een Lid-Staat voert en dat zelf geen zeevisserijprodukten vangt, maar ze wel aan boord verwerkt.

2. Een overeenkomstig de artikelen 327 tot en met 337 opgesteld formulier T2M dient te worden overgelegd ten bewijze van het communautaire karakter van:

a)produkten van de zeevisserij die buiten de territoriale wateren van een niet tot het douanegebied van de Gemeenschap behorend land of gebied door een communautair vissersvaartuig zijn gevangen,

en

b)goederen die aan boord van dit vaartuig of van een communautair fabrieksschip uit deze produkten zijn verkregen, bij welke verwerking eventueel andere communautaire goederen zijn gebruikt,

die eventueel van een communautaire verpakking zijn voorzien en bestemd zijn om onder de in artikel 326 bedoelde voorwaarden het douanegebied van de Gemeenschap te worden binnengebracht.

3. Het bewijs van het communautaire karakter van de zeevisserijprodukten en van de andere produkten, die buiten de territoriale wateren van een niet tot het douanegebied van de Gemeenschap behorend land of gebied zijn gevangen of uit zee gewonnen door vaartuigen die de vlag van een Lid-Staat voeren en die in het tot het douanegebied van de Gemeenschap behorende deel van het gebied van een Lid-Staat zijn ingeschreven of geregistreerd, dan wel van genoemde produkten die door vaartuigen van derde landen in de wateren van het douanegebied van de Gemeenschap zijn gevangen of uit zee gewonnen, wordt geleverd door het scheepsjournaal of elk ander bewijsmiddel.

Artkel 326

1. Het formulier T2M dient te worden overgelegd voor de in artikel 325, lid 2, bedoelde produkten en goederen die rechtstreeks naar het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd:

a)door het communautaire vissersvaartuig dat deze produkten heeft gevangen en eventueel verwerkt,

of

b)door een ander communautair vissersvaartuig of het communautaire fabrieksschip dat de uit het onder a) bedoelde vaartuig overgeladen produkten heeft verwerkt,

of

c)door elk ander vaartuig waarop deze produkten of goederen vanuit de onder a) en b) bedoelde vaartuigen zijn overgeladen, zonder dat deze op dit vaartuig enige behandeling hebben ondergaan,

of

d)door een ander vervoermiddel waarmee de produkten of goederen worden vervoerd onder dekking van een enkel vervoersdocument dat is opgesteld in het niet tot het douanegebied van de Gemeenschap behorende land of gebied waar genoemde produkten en goederen uit de onder a), b) of c) bedoelde vaartuigen zijn gelost.

Zodra het formulier T2M is overgelegd, kan het niet meer worden gebruikt ten bewijze van het communautaire karakter van de produkten of goederen waarop het betrekking heeft.

2. De douaneautoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de haven waar de produkten en/of de goederen worden gelost vanuit het in lid 1, onder a), genoemde vaartuig, kunnen dit artikel buiten toepassing laten wanneer er geen twijfel bestaat over de oorsprong van deze produkten en/of goederen, of ingeval de in artikel 8, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad (13) genoemde aangifte van toepassing is.

▼B

Artikel 327

1. Het formulier waarop het document T 2 M wordt opgemaakt dient overeen te stemmen met het model in bijlage 43.

2. Het voor het origineel te gebruiken papier is houtvrij, zodanig gelijmd dat het goed te beschrijven is en met een gewicht van ten minste 55 g per m2. Beide zijden zijn voorzien van een groene, geguillocheerde onderdruk die elke vervalsing met behulp van mechanische of chemische middelen zichtbaar maakt.

3. De afmetingen van de formulieren T 2 M zijn 210 × 297 mm, waarbij in de lengte een afwijking van ten hoogste 5 mm minder of 8 mm meer is toegestaan.

4. Het formulier wordt gedrukt in één van de officiële talen van de Gemeenschap, aangewezen door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waartoe het vissersvaartuig behoort.

5. De formulieren T 2 M worden samengevoegd tot boekjes van tien formulieren, waarbij elk formulier bestaat uit een origineel dat uit het boekje kan worden gescheurd en een niet-uitscheurbare kopie die door doordruk wordt verkregen. Op bladzijde 2 van de omslag van de boekjes komt de toelichting voor die in bijlage 44 is opgenomen.

6. De formulieren T 2 M worden van volgnummers voorzien om ze van elkaar te kunnen onderscheiden. Het origineel en de kopie dragen hetzelfde nummer.

7. De Lid-Staten kunnen de boekjes met formulieren T 2 M zelf drukken en samenvoegen of dit overlaten aan daartoe goedgekeurde drukkerijen. In het laatste geval wordt op bladzijde 1 van de omslag van elk boekje en op het origineel van elk formulier van deze goedkeuring melding gemaakt. Op genoemde bladzijde 1 en het origineel van elk formulier worden bovendien de naam en het adres van de drukker vermeld of wordt een teken aangebracht aan de hand waarvan de drukker kan worden geïdentificeerd.

8. Het formulier T 2 M wordt in een van de officiële talen van de Gemeenschap, hetzij met de schrijfmachine hetzij duidelijk leesbaar met de hand met inkt en in blokletters, ingevuld. In het formulier mogen geen doorhalingen of overschrijvingen voorkomen. Wijzigingen worden aangebracht door doorhaling van de onjuiste en, zo nodig, toevoeging van de gewenste gegevens. Elke aldus aangebrachte wijziging wordt goedgekeurd door de persoon die de verklaring heeft ondertekend waarin de wijziging voorkomt.

▼M7

Artikel 328

Een boekje met formulieren T2M wordt op verzoek van de belanghebbende afgegeven door het communautaire douanekantoor dat bevoegd is voor toezicht op de thuishaven van het communautaire vissersvaartuig waarvoor dit boekje is bestemd.

Het boekje wordt eerst afgegeven nadat de belanghebbende de vakken 1 en 2 van alle formulieren in het boekje (originelen en kopieën) heeft ingevuld in de taal waarin de formulieren zijn gesteld en de verklaring in vak 3 heeft ingevuld en ondertekend. Bij de afgifte van dit boekje vult genoemd douanekantoor vak B in van alle formulieren (originelen en kopieën) die het boekje bevat.

Het boekje is twee jaar geldig vanaf de datum van afgifte die op bladzijde 2 van de omslag is vermeld. Bovendien blijkt de geldigheid van het boekje uit het stempel dat in vak A van alle originelen en kopieën is aangebracht door de instantie die bevoegd is voor de registratie van het communautaire vissersvaartuig waarvoor het boekje is bestemd.

Artikel 329

De kapitein van het communautaire vissersvaartuig vult vak 4 in, alsmede vak 6 indien de visserijprodukten aan boord zijn verwerkt. Hij vult de verklaring in vak 9 van een formulier (origineel en kopie) in het boekje in en ondertekent deze:

a)bij elke overlading van de producten op een van de in artikel 326, lid 1, onder b), bedoelde vaartuigen die deze produkten verwerken;

b)bij elke overlading van de produkten of goederen op elk ander vaartuig dat ze rechtstreeks, zonder verwerking, naar een haven in het douanegebied van de Gemeenschap vervoert of naar een andere haven vanwaar ze naar het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd;

c)bij het lossen van de produkten of goederen in een haven in het douanegebied van de Gemeenschap, onverminderd artikel 326, lid 2;

d)bij het lossen van de produkten of goederen in een buiten het douanegebied van de Gemeenschap gelegen haven vanwaar ze naar dit douanegebied worden vervoerd.

De verwerking van de hierboven bedoelde produkten moet in het scheepsjournaal worden vermeld.

Artikel 330

De kapitein van het in artikel 326, lid 1, onder b), bedoelde vaartuig vult vak 6 in, alsmede de verklaring in vak 11 van het origineel van het formulier T2M en ondertekent deze wanneer de goederen in een haven in het douanegebied van de Gemeenschap worden gelost, wanneer de goederen in een buiten het douanegebied van de Gemeenschap gelegen haven worden gelost van waaruit ze naar dit dit douanegebied zullen worden vervoerd, of wanneer de goederen daartoe op een ander vaartuig worden overgeladen.

De verwerking van de overgeladen produkten moet in het scheepsjournaal worden vermeld.

Artikel 331

Bij de eerste overlading van de in artikel 329 onder a) of b) bedoelde produkten of goederen wordt vak 10 van het formulier T2M (origineel en kopie) ingevuld; bij een volgende overlading, als bedoeld in artikel 330, wordt vak 12 van het origineel van het formulier T2M eveneens ingevuld. De dienovereenkomstige verklaring van overlading moet door de twee betrokken kapiteins worden ondertekend. De kapitein van het vaartuig waarop de produkten of goederen zijn overgeladen behoudt het origineel van het formulier T2M. Elke overlading wordt in het scheepsjournaal van beide vaartuigen vermeld.

Artikel 332

1. Wanneer de produkten of goederen waarop het formulier T2M betrekking heeft naar een niet tot het douanegebied van de Gemeenschap behorend land of gebied worden vervoerd, is dit formulier slechts geldig indien de verklaring in vak 13 van dit formulier door de douaneautoriteiten van dit land of gebied is ingevuld en geviseerd.

2. Ingeval bepaalde partijen produkten of goederen niet naar het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd, worden de naam, de aard, de brutomassa en de bestemming van deze produkten of goederen in het vak „Opmerkingen” van het formulier T2M vermeld.

Artikel 333

1. Wanneer de produkten of goederen waarop het formulier T2M betrekking heeft naar een niet tot het douanegebied van de Gemeenschap behorend land of gebied worden vervoerd om van daaruit in deelzendingen naar het douanegebied van de Gemeenschap te worden verzonden, gaat de belanghebbende of zijn vertegenwoordiger voor elke zending als volgt te werk:

a)hij vermeldt, in het vak „Opmerkingen” van het oorspronkelijke formulier T2M, aantal en aard van de colli, de brutomassa (in kg), de bestemming van de zending en het nummer van het onder b) bedoelde uittreksel;

b)hij stelt een „uittreksel” T2M op waartoe hij een origineel formulier gebruikt uit het overeenkomstig artikel 328 afgegeven boekje met formulieren T2M.

Ieder „uittreksel” en de bijbehorende kopie die in het boekje blijft, moeten verwijzen naar het oorspronkelijke onder a) bedoelde formulier T2M en moeten zijn voorzien van een van de volgende aantekeningen:

—Extracto

—Udskrift

—Auszug

—Απόσπασμα

—Extract

—Extrait

—Estratto

—Uittreksel

—Extracto

—Ote

—Utdrag.

▼A2

—Výpis

—Väljavõte

—Izraksts

—Išrašas

—Kivonat

—Estratt

—Wyciąg

—Izpisek

—Výpis

▼M30

—Извлечение

—Extras.

▼M45

—Izvod.

▼M7

Op het formulier „uittreksel” T2M dat bij de deelzending blijft die naar het douanegebied van de Gemeenschap wordt vervoerd, dienen in de vakken 4, 5, 6, 7 en 8 de naam, de aard, de GN-code en de hoeveelheid van de tot de deelzending behorende produkten of goederen te worden vermeld. Bovendien dient de verklaring in vak 13 te worden ingevuld en geviseerd door de douaneautoriteiten van het land of gebied waar de produkten of goederen hebben verbleven.

2. Zodra alle produkten of goederen waarop het in lid 1, onder a), bedoelde formulier T2M betrekking heeft naar het douanegebied van de Gemeenschap zijn verzonden, wordt de verklaring in vak 13 van dit formulier ingevuld en door de in lid 1 bedoelde autoriteiten geviseerd. Bovendien wordt dit formulier naar het in artikel 328 bedoelde douanekantoor gezonden.

3. Ingeval bepaalde produkten of goederen niet naar het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd, worden de naam, de aard, de brutomassa en de bestemming van deze produkten of goederen in het vak „Opmerkingen” van het oorspronkelijke formulier T2M vermeld.

Artikel 334

Elk formulier T2M, zowel het oorspronkelijke als het „uittreksel”, dient te worden aangeboden bij het douanekantoor waar de produkten of goederen waarop het betrekking heeft het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht. Wanneer de produkten of goederen het douanegebied van de Gemeenschap echter worden binnengebracht onder een douanevervoerregeling die buiten dit douanegebied is begonnen, wordt het formulier aan het kantoor van bestemming van deze regeling aangeboden.

Dit kantoor kan een vertaling van het formulier vragen. Het kan bovendien, om de gegevens op het formulier T2M te controleren, om overlegging van andere relevante documenten, en eventueel de scheepspapieren, verzoeken. Dit kantoor vult vak C van het formulier T2M en van een kopie daarvan in. De kopie wordt aan het in artikel 328 bedoelde douanekantoor toegezonden.

Artikel 335

Wanneer produkten of goederen waarop het formulier T2M betrekking heeft naar een derde land worden vervoerd dat partij is bij de Overeenkomst inzake gemeenschappelijk douanevervoer en bestemd zijn om van daaruit, in hun geheel of in deelzendingen, onder een regeling „T2” naar het douanegebied van de Gemeenschap te worden verzonden, wordt in het vak „Opmerkingen” van het formulier T2M naar deze regeling verwezen, zulks in afwijking van de artikelen 332, 333 en 334.

Wanneer alle produkten en goederen waarop het formulier T2M betrekking heeft naar het douanegebied van de Gemeenschap zijn verzonden, wordt vak 13 van dit formulier door de douaneautoriteiten ingevuld en geviseerd. Een kopie van het ingevulde formulier wordt naar het in artikel 328 bedoelde douanekantoor verzonden.

In voorkomend geval is artikel 332, lid 2, van toepassing.

Artikel 336

Het boekje met formulieren T2M moet op elk verzoek van de douaneautoriteiten worden overgelegd.

Het in artikel 327 bedoelde boekje met formulieren T2M wordt onmiddellijk ingeleverd bij het douanekantoor dat het heeft afgegeven, wanneer het vaartuig waarop het betrekking heeft voordat alle formulieren zijn gebruikt, niet meer aan de gestelde voorwaarden voldoet, of wanneer alle formulieren die het bevat zijn gebruikt of wanneer de geldigheidsduur is verlopen.

▼M19 —————

▼M7 —————



▼M19

HOOFDSTUK 4

Communautair douanevervoer



Afdeling 1

Algemeen

Artikel 340 bis

Tenzij anders vermeld, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk zowel op het externe als op het interne douanevervoer van toepassing.

De goederen met een hoger frauderisico zijn in bijlage 44 quater opgenomen. Wanneer in een bepaling van deze verordening naar deze bijlage wordt verwezen, zijn de maatregelen met betrekking tot de daarin opgenomen goederen alleen van toepassing wanneer de hoeveelheid van deze goederen de overeenkomstige minimumhoeveelheid overschrijdt. Bijlage 44 quater wordt ten minste ieder jaar opnieuw bezien.

Artikel 340 ter

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

1.

„kantoor van vertrek” : het douanekantoor waar de aangifte tot plaatsing onder de regeling communautair douanevervoer wordt aanvaard;

2.

„kantoor van doorgang” :

a)het douanekantoor van uitgang uit het douanegebied van de Gemeenschap, wanneer de zending dit gebied tijdens het communautaire douanevervoer via een grens tussen een lidstaat en een derde land dat geen EVA-land is, verlaat;

b)of het douanekantoor van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap, wanneer de goederen tijdens het communautaire douanevervoer over het grondgebied van een derde land zijn vervoerd;

3.

„kantoor van bestemming” : het douanekantoor waar de onder de regeling communautair douanevervoer geplaatste goederen ter beëindiging van de regeling moeten worden aangebracht;

4.

„kantoor van zekerheidstelling” : het door de douaneautoriteiten van de lidstaten aangewezen kantoor waar door middel van borgtocht zekerheid wordt gesteld;

5.

„EVA-land” : elk EVA-land of elk land dat tot de Overeenkomst van 20 mei 1987 betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer is toegetreden (14);

▼M32

6.

begeleidingsdocument voor douanevervoer : het document ter begeleiding van de goederen, dat wordt afgedrukt door het computersysteem en is gebaseerd op de gegevens van de aangifte voor douanevervoer;

▼M34

6 bis.

begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid : het document ter begeleiding van de goederen, dat wordt afgedrukt door het computersysteem op basis van de gegevens van de aangifte voor douanevervoer en de summiere aangifte bij binnenkomst of bij uitgang.

▼M32

7.

Noodprocedure : de procedure die berust op het gebruik van op papier opgestelde documenten met het oog op de indiening van de aangifte voor douanevervoer, de controle van die aangifte en de afwikkeling van het vervoer wanneer de standaardprocedure, die langs elektronische weg verloopt, niet kan worden gevolgd.

▼M19

Artikel 340 quater

▼M32

1. De regeling intern communautair douanevervoer geldt voor communautaire goederen die worden vervoerd:

a)van een gedeelte van het douanegebied van de Gemeenschap waar Richtlijn 2006/112/EG van toepassing is, naar een gedeelte van het douanegebied van de Gemeenschap waar die richtlijn niet van toepassing is, of

b)van een gedeelte van het douanegebied van de Gemeenschap waar Richtlijn 2006/112/EG niet van toepassing is, naar een gedeelte van het douanegebied van de Gemeenschap waar die richtlijn wel van toepassing is, of

c)van een gedeelte van het douanegebied van de Gemeenschap waar Richtlijn 2006/112/EG niet van toepassing is, naar een gedeelte van het douanegebied van de Gemeenschap waar die richtlijn evenmin van toepassing is.

▼M19

2. Onverminderd lid 3 worden communautaire goederen die met toepassing van de Overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer, over het grondgebied van een of meer EVA-landen van de ene naar de andere in het douanegebied van de Gemeenschap gelegen plaats worden vervoerd, onder de regeling intern communautair douanevervoer geplaatst.

De in de voorgaande alinea bedoelde goederen die uitsluitend over zee of door de lucht worden vervoerd, behoeven niet onder de regeling intern communautair douanevervoer te worden geplaatst.

▼C9

3. Indien communautaire goederen, met toepassing van de Overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer, naar een EVA-land of met gebruikmaking van het grondgebied van één of meer EVA-landen worden uitgevoerd, worden zij onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatst, indien:

▼M19

a)voor deze goederen douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld met het oog op de toekenning van uitvoerrestituties in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; of

b)deze goederen afkomstig zijn uit interventievoorraden en zij onderworpen zijn aan maatregelen ter controle van het gebruik en/of de bestemming en voor deze goederen de douaneformaliteiten bij uitvoer naar derde landen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid zijn vervuld; of

c)deze goederen voor terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer in aanmerking komen indien zij weer uit het douanegebied van de Gemeenschap worden uitgevoerd; of

d)de douaneformaliteiten voor deze goederen, in de vorm van veredelingsproducten of goederen in ongewijzigde staat, bij uitvoer naar derde landen zijn vervuld ter zuivering van de regeling actieve veredeling, terugbetalingssysteem, met het oog op de terugbetaling of de kwijtschelding van de rechten.

Artikel 340 quinquies

Goederen waarop de regeling communautair douanevervoer van toepassing is, kunnen over het grondgebied van een derde land dat geen EVA-land is, worden vervoerd van de ene naar de andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap, voorzover de doorvoer door dat derde land geschiedt onder geleide van één enkel in een lidstaat opgesteld transportbescheid; in dat geval wordt de werking van die regeling op het grondgebied van het derde land opgeschort.

Artikel 340 sexies

1. Gebruikmaking van de regeling communautair douanevervoer is bij het vervoer van goederen door de lucht slechts verplicht wanneer de goederen in een luchthaven van de Gemeenschap worden geladen of overgeladen.

2. Onder voorbehoud van artikel 91, lid 1, van het Wetboek, is gebruikmaking van de regeling communautair douanevervoer bij het vervoer van goederen over zee verplicht wanneer de goederen per lijndienst worden vervoerd waarvoor overeenkomstig de artikelen 313 bis en 313 ter vergunning is verleend.

Artikel 341

De hoofdstukken 1 en 2 van Titel VII van het Wetboek en de onderhavige titel zijn van overeenkomstige toepassing op andere belastingen in de zin van artikel 91, lid 1, onder a), van het Wetboek.

Artikel 342

1. De door de aangever gestelde zekerheid is in de gehele Gemeenschap geldig.

2. Wanneer de zekerheid door een borg wordt gesteld, moet deze in elke lidstaat woonplaats kiezen of in elke lidstaat een gemachtigde aanstellen.

3. Er dient zekerheid te worden gesteld voor communautair douanevervoer dat door de spoorwegmaatschappijen van de lidstaten volgens een andere procedure wordt verricht dan volgens de in artikel 372, lid 1, onder g), punt i), bedoelde vereenvoudigde procedure.

▼M32

4. Wanneer de zekerheid door een borg wordt gesteld bij een kantoor van zekerheidstelling:

a)wordt aan de aangever een „zekerheidsreferentienummer” toegekend met het oog op het gebruik van de zekerheid en ter identificatie van iedere verbintenis van de borg;

b)wordt aan de aangever een toegangscode die betrekking heeft op het zekerheidsreferentienummer, toegekend en meegedeeld.

▼M32

Artikel 343

Elke lidstaat voert in het computersysteem in welke kantoren voor communautair douanevervoer bevoegd zijn, onder opgave van het kantoornummer, de bevoegdheden en de openingstijden van deze kantoren. Wijzigingen worden eveneens in het computersysteem ingevoerd.

De Commissie stelt de overige lidstaten hiervan in kennis door middel van het computersysteem.

▼M32

Artikel 343 bis

Elke lidstaat stelt de Commissie in kennis van de oprichting van centrale kantoren en van de aan deze kantoren verleende bevoegdheden inzake beheer en afwikkeling van de regeling communautair douanevervoer en de verzending en ontvangst van documenten, met opgave van het soort documenten.

De Commissie stelt de overige lidstaten hiervan in kennis.

▼M19

Artikel 344

De kenmerken van de in het kader van de regeling communautair douanevervoer gebruikte formulieren met uitzondering van het enig document zijn in bijlage 44 ter omschreven.

▼M32

Artikel 344 bis

1. De formaliteiten in het kader van de regeling communautair douanevervoer worden vervuld met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken.

2. De tussen de overheidsinstanties uit te wisselen berichten in het kader van het communautair douanevervoer zijn in overeenstemming met de structuur en de kenmerken die door de douaneautoriteiten in onderling overleg zijn vastgesteld.

▼M19



Afdeling 2

Werking van de regeling



Onderafdeling 1

Zekerheidstelling per aangifte

Artikel 345

▼M21

1. De zekerheid per aangifte dient het gehele bedrag van de douaneschuld die kan ontstaan te dekken. Dit bedrag wordt berekend aan de hand van de hoogste rechten en heffingen die in de lidstaat van vertrek op goederen van dezelfde soort van toepassing zijn. Voor de berekening worden communautaire goederen die met toepassing van de Overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer moeten worden vervoerd, als niet-communautaire goederen beschouwd.

▼M19

De bedragen waarmee bij de berekening van de zekerheid per aangifte rekening moet worden gehouden, mogen niet lager zijn dan een minimumbedrag, wanneer een dergelijk bedrag in de vijfde kolom van bijlage 44 quater is vermeld.

2. De zekerheidstelling per aangifte door het storten van een bedrag in contant geld geschiedt bij het kantoor van vertrek. Dit bedrag wordt terugbetaald wanneer de regeling is gezuiverd.

3. De zekerheidstelling per aangifte door borgstelling kan berusten op het gebruik van bewijzen van zekerheidstelling per aangifte voor een bedrag van 7 000 EUR die door de borg worden afgegeven aan personen die als aangever zullen optreden.

De aansprakelijkheid van de borg is beperkt tot 7 000 EUR per bewijs van zekerheidstelling.

▼M32

4. Wanneer de zekerheidstelling per aangifte door borgstelling geschiedt, kan de aangever de toegangscode die betrekking heeft op het „zekerheidsreferentienummer” niet wijzigen, behalve wanneer bijlage 47 bis, punt 3, van toepassing is.

▼M19

Artikel 346

▼M32

1. De zekerheidstelling per aangifte door borgstelling geschiedt door middel van een akte van borgtocht waarvan het model in bijlage 49 is opgenomen.

De akte van borgtocht wordt bewaard door het kantoor van zekerheidstelling.

▼M19

2. Wanneer dit volgens de nationale wettelijke, bestuursrechtelijke of administratieve bepalingen of de gebruiken is vereist, kan elke lidstaat de in lid 1 bedoelde akte van borgtocht in een andere vorm doen opstellen, mits deze dezelfde gevolgen heeft als de als model gegeven akte.

▼M32

Artikel 347

1. In het in artikel 345, lid 3, bedoelde geval geschiedt de zekerheidstelling per aangifte door middel van een akte van borgtocht waarvan het model in bijlage 50 is opgenomen.

Artikel 346, lid 2, is van overeenkomstige toepassing.

2. De borg verstrekt het kantoor van zekerheidstelling op de door de douaneautoriteiten vastgestelde wijze alle vereiste gegevens met betrekking tot de door hem afgegeven bewijzen van zekerheidstelling per aangifte.

De uiterste datum waarop deze bewijzen kunnen worden gebruikt, mag niet later zijn dan één jaar na afgifte.

3. De borg deelt de aangever voor elk aan hem afgegeven bewijs van zekerheidstelling per aangifte een „zekerheidsreferentienummer” mee, waarvan de bijbehorende toegangscode niet door de aangever kan worden gewijzigd.

4. Voor de toepassing van artikel 353, lid 2, onder b), verstrekt de borg de aangever bewijzen van zekerheidstelling per aangifte op papier overeenkomstig het model in bijlage 54. Het identificatienummer wordt op het bewijs vermeld.

5. De borg kan bewijzen van zekerheidstelling per aangifte afgeven die niet geldig zijn voor communautair douanevervoer van de in bijlage 44 quater vermelde goederen. In dat geval brengt de borg op elk door hem afgegeven bewijs van zekerheidstelling per aangifte op papier diagonaal de volgende vermelding aan:

—Beperkte geldigheid — 99200.

6. De aangever geeft bij het kantoor van vertrek het aantal bewijzen van zekerheidstelling per aangifte af, dat overeenstemt met het veelvoud van 7 000 EUR dat vereist is om het gehele in artikel 345, lid 1, bedoelde bedrag te dekken. Voor de toepassing van artikel 353, lid 2, onder b), worden de papieren bewijzen afgegeven en bewaard door het kantoor van vertrek, dat het identificatienummer van elk bewijs aan het op het bewijs vermelde kantoor van zekerheidstelling meedeelt.

▼M19

Artikel 348

1. Het kantoor van zekerheidstelling trekt het besluit waarbij het de verbintenis van de borg heeft aanvaard in, wanneer niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden die op het tijdstip van de aanvaarding ervan golden.

De borg kan zijn verbintenis te allen tijde opzeggen.

2. De intrekking of opzegging gaat in op de zestiende dag volgende op de dag van kennisgeving aan de borg respectievelijk het kantoor van zekerheidstelling.

Vanaf de datum van ingang van de intrekking of opzegging kunnen de eerder afgegeven bewijzen van zekerheidstelling per aangifte niet meer worden gebruikt om goederen onder de regeling communautair douanevervoer te plaatsen.

▼M32

3. De gegevens met betrekking tot de intrekking of de opzegging en de datum waarop deze ingaat, worden door de douaneautoriteiten van de lidstaat waaronder het kantoor van zekerheidstelling ressorteert, onverwijld in het computersysteem ingebracht.

▼M19



Onderafdeling 2

Vervoermiddelen en aangiften

Artikel 349

1. In eenzelfde aangifte voor douanevervoer mogen slechts goederen worden vermeld die in of op één enkel vervoermiddel zijn of worden geladen en die van een zelfde kantoor van vertrek naar een zelfde kantoor van bestemming zullen worden vervoerd.

Voor de toepassing van dit artikel worden de onderstaande vervoermiddelen als één enkel vervoermiddel beschouwd, mits zij goederen vervoeren die samen moeten worden vervoerd:

a)een voertuig voor wegverkeer met een of meer aanhangwagens of opleggers;

b)twee of meer aan elkaar gekoppelde spoorwagons;

c)twee of meer schepen die één geheel vormen;

d)containers geladen op één enkel vervoermiddel in de zin van dit artikel.

2. Voor het laden van goederen bij verschillende kantoren van vertrek en voor het lossen van goederen bij verschillende kantoren van bestemming kan een enkel vervoermiddel worden gebruikt.

▼M32 —————

▼M32

Artikel 351

Voor zendingen die zowel goederen omvatten die onder de regeling extern communautair douanevervoer als goederen die onder de regeling intern communautair douanevervoer moeten worden geplaatst, wordt de aangifte voor douanevervoer die van de vermelding T is voorzien, op artikelniveau aangevuld met het kenmerk „T1”, „T2” of „T2F”.

▼M32 —————

▼M32

Artikel 353

1. De aangiften voor douanevervoer moeten voldoen aan de in bijlage 37 bis bepaalde structuur en kenmerken.

2. In de volgende gevallen aanvaarden de douaneautoriteiten een schriftelijke aangifte voor douanevervoer op een formulier dat overeenkomt met het model in bijlage 31, overeenkomstig de procedure die in onderling overleg tussen de douaneautoriteiten is vastgesteld:

a)wanneer de goederen worden vervoerd door reizigers die geen rechtstreekse toegang hebben tot het computersysteem van de douane, overeenkomstig de in artikel 353 bis omschreven methoden;

b)wanneer de noodprocedure wordt toegepast, onder de voorwaarden en volgens de methoden die in bijlage 37 quinquies zijn vastgesteld.

3. Het in lid 2, onder b), genoemde gebruik van een schriftelijke aangifte voor douanevervoer is afhankelijk van de goedkeuring van de bevoegde autoriteiten wanneer het computersysteem van de aangever en/of het netwerk niet beschikbaar is of zijn.

4. De schriftelijke aangifte voor douanevervoer kan worden aangevuld met één of meer aanvullende formulieren die overeenstemmen met het model in bijlage 33. Deze formulieren maken deel uit van de aangifte.

5. De ladingslijsten die overeenkomstig bijlage 44 bis zijn opgesteld volgens het model in bijlage 45, kunnen in plaats van aanvullende formulieren worden gebruikt als beschrijvend gedeelte van de schriftelijke aangifte voor douanevervoer waarvan zij dan deel uitmaken.

▼M32

Artikel 353 bis

1. Voor de toepassing van artikel 353, lid 2, onder a), stelt de reiziger de aangifte voor douanevervoer op overeenkomstig artikel 208 en bijlage 37.

2. De douaneautoriteiten dragen er zorg voor dat de gegevens over het douanevervoer met behulp van informatietechnologie en computernetwerken tussen de bevoegde autoriteiten worden uitgewisseld.

▼M25 —————

▼M19



Onderafdeling 3

Formaliteiten bij het kantoor van vertrek

Artikel 355

1. De onder de regeling communautair douanevervoer geplaatste goederen moeten volgens een economisch verantwoorde route naar het kantoor van bestemming worden vervoerd.

2. Onverminderd artikel 387 stelt het kantoor van vertrek, rekening houdende met de door de aangever verstrekte gegevens, voor de in bijlage 44 quater vermelde goederen of wanneer de douaneautoriteiten of de aangever dit nodig achten een verplicht te volgen route vast, waarbij het in vak 44 van de doorvoeraangifte ten minste de lidstaten vermeldt door welke de goederen zullen worden vervoerd.

Artikel 356

1. Het kantoor van vertrek stelt de uiterste datum vast waarop de goederen bij het kantoor van bestemming moeten worden aangebracht, rekening houdende met de te volgen route en alle voorschriften inzake vervoer en andere toepasselijke voorschriften en, in voorkomend geval, de door de aangever verstrekte gegevens.

2. De aldus door het kantoor van vertrek vastgestelde termijn is bindend voor de douaneautoriteiten van de lidstaten over het grondgebied waarvan het communautaire douanevervoer geschiedt en kan door deze autoriteiten niet worden gewijzigd.

▼M32 —————

▼M19

Artikel 357

▼M32

1. Onverminderd lid 4 worden onder de regeling communautair douanevervoer te plaatsen goederen slechts vrijgegeven indien zij zijn verzegeld. Het kantoor van vertrek neemt de identificatiemaatregelen die het noodzakelijk acht, en voert de overeenkomstige gegevens in de aangifte voor douanevervoer in.

▼M19

2. Verzegeling geschiedt:

a)per laadruimte wanneer het vervoermiddel overeenkomstig andere voorschriften is goedgekeurd of door het kantoor van vertrek geschikt is bevonden;

b)per collo, in de overige gevallen.

De verzegelingen moeten de in bijlage 46 bis vermelde kenmerken bezitten.

3. Als geschikt voor verzegeling per laadruimte kunnen worden aangemerkt vervoermiddelen:

a)die op eenvoudige en doeltreffende wijze kunnen worden verzegeld;

b)die zodanig zijn gebouwd dat geen goederen kunnen worden onttrokken of toegevoegd zonder braak die zichtbare sporen achterlaat of zonder verbreking van de verzegeling;

c)die geen geheime ruimten bevatten waarin goederen kunnen worden verborgen, en

d)waarvan de laadruimten gemakkelijk toegankelijk zijn voor controle door de douaneautoriteiten.

Alle wegvoertuigen, aanhangers, opleggers en containers die uit hoofde van een internationale overeenkomst waarbij de Gemeenschap partij is voor vervoer onder douaneverzegeling zijn goedgekeurd, worden geacht voor verzegeling geschikt te zijn.

▼M32

4. Het kantoor van vertrek kan van verzegeling afzien, wanneer het, rekening houdend met eventuele andere identificatiemaatregelen, mogelijk is de goederen te identificeren aan de hand van de omschrijving in de aangifte voor douanevervoer of de bijgevoegde stukken.

De goederen worden geacht aan de hand van hun omschrijving te kunnen worden geïdentificeerd, wanneer deze omschrijving zo nauwkeurig is dat de hoeveelheid en de aard ervan gemakkelijk kunnen worden nagegaan.

Artikel 358

1. Bij de vrijgave van de goederen zendt het kantoor van vertrek de gegevens over het communautaire douanevervoer aan het opgegeven kantoor van bestemming met behulp van „het voorafgaande bericht van aankomst” en aan de opgegeven kantoren van doorgang met behulp van „de voorafgaande kennisgeving van doorgang”. Deze berichten worden gebaseerd op gegevens die zijn ontleend aan de, eventueel gewijzigde, aangifte voor douanevervoer.

▼M34

2. Na de vrijgave van de goederen blijft het begeleidingsdocument douanevervoer of het begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid bij de onder de regeling communautair douanevervoer geplaatste goederen. Dit document dient te voldoen aan het in bijlage 45 bis opgenomen model van het begeleidingsdocument douanevervoer en de daarin genoemde gegevens, dan wel, in gevallen waarin in bijlage 30 bis bedoelde gegevens worden verstrekt in aanvulling op douanevervoergegevens, aan het in bijlage 45 sexies opgenomen model van het begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid en de daarin genoemde gegevens alsook aan het in bijlage 45 septies opgenomen model van de lijst van artikelen douanevervoer/veiligheid en de daarin genoemde gegevens. Dit document wordt de marktdeelnemer op een van de volgende wijzen ter beschikking gesteld:

▼M32

a)het wordt door het kantoor van vertrek overhandigd aan de aangever of het wordt, met toestemming van de douane, aangemaakt met het computersysteem van de aangever;

b)het wordt aangemaakt met het computersysteem van de toegelaten afzender nadat deze van het kantoor van vertrek het bericht heeft ontvangen dat de vrijgave van de goederen is goedgekeurd.

▼M34

3. Wanneer de aangifte meer dan één artikel omvat, wordt het in lid 2 genoemde begeleidingsdocument douanevervoer aangevuld met een lijst van artikelen overeenkomstig het in bijlage 45 ter opgenomen model. Het in lid 2 genoemde begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid wordt altijd aangevuld met de in bijlage 45 septies vastgestelde lijst van artikelen. Deze lijst van artikelen maakt deel uit van het begeleidingsdocument douanevervoer of het begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid.

▼M19



Onderafdeling 4

Formaliteiten tijdens het vervoer

▼M32

Artikel 359

1. De zending en het ►M34 begeleidingsdocument douanevervoer — begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid worden bij elk kantoor van doorgang aangeboden.

2. Het kantoor van doorgang registreert de doorgang in vergelijking met de „voorafgaande kennisgeving van doorgang” die van het kantoor van vertrek is ontvangen. De doorgang wordt met behulp van een „kennisgeving van grensoverschrijding” aan het kantoor van vertrek gemeld.

3. De kantoren van doorgang controleren de goederen indien zij dit noodzakelijk achten. De geschiedt met name aan de hand van de „voorafgaande kennisgeving van doorgang”.

4. Wanneer de goederen via een ander dan het op het ►M34 begeleidingsdocument douanevervoer — begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid vermelde kantoor van doorgang worden vervoerd, verzoekt het feitelijke kantoor van doorgang het kantoor van vertrek om toezending van de „voorafgaande kennisgeving van doorgang” en stelt het het kantoor van vertrek in kennis van de doorgang door middel van een „kennisgeving van grensoverschrijding”.

▼M19

Artikel 360

1. ►M32 De vervoerder is in de volgende gevallen verplicht het ►M34 begeleidingsdocument douanevervoer — begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid van vermeldingen te voorzien en dit, tezamen met de zending, aan te brengen bij de douaneautoriteiten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het vervoermiddel zich bevindt:

a)bij wijziging van de voorgeschreven route, wanneer artikel 355, lid 2, van toepassing is;

b)bij verbreking van de verzegeling tijdens het vervoer door een oorzaak buiten de wil van de vervoerder;

c)bij overlading van de goederen op een ander vervoermiddel; deze overlading dient onder toezicht van de douaneautoriteiten te geschieden, doch deze kunnen toestaan dat de goederen zonder hun toezicht worden overgeladen;

d)bij dreigend gevaar, die een onmiddellijke, gehele of gedeeltelijke, lossing van het ►C9 vervoermiddel noodzakelijk maakt;

e)indien zich gebeurtenissen, voorvallen of ongevallen voordoen waardoor de aangever of de vervoerder hun verplichtingen niet zouden kunnen nakomen.

▼M32

2. Indien de douane van oordeel is dat het communautair douanevervoer, eventueel na het nemen van de nodige maatregelen, op normale wijze kan worden voortgezet, viseert zij het ►M34 begeleidingsdocument douanevervoer — begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid.

Alle relevante gegevens betreffende de overlading of andere gebeurtenissen worden in het computersysteem ingevoerd door, naargelang van het geval, het kantoor van doorgang dan wel van het kantoor van bestemming.

▼M19



Onderafdeling 5

Formaliteiten bij het kantoor van bestemming

▼M32

Artikel 361

1. De goederen en de vereiste documenten worden tijdens de openingstijden bij het kantoor van bestemming aangebracht. Dit kantoor kan evenwel, op verzoek en op kosten van de belanghebbende, toestaan dat het aanbrengen op een ander tijdstip plaatsvindt. Dit kantoor kan, op verzoek en op kosten van de belanghebbende, eveneens toestaan dat de goederen en de vereiste documenten op een andere plaats worden aangebracht.

2. Wanneer de goederen na het verstrijken van de door het kantoor van vertrek voorgeschreven termijn bij het kantoor van bestemming worden aangebracht en de niet-nakoming van deze termijn is te wijten aan niet aan de vervoerder of de aangever toe te rekenen omstandigheden die ten genoegen van het kantoor van bestemming worden aangetoond, wordt de aangever geacht de voorgeschreven termijn in acht te hebben genomen.

3. Het kantoor van bestemming bewaart het ►M34 begeleidingsdocument douanevervoer — begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid en de controle van de goederen geschiedt met name aan de hand van het „voorafgaande bericht van aankomst” dat het kantoor van vertrek heeft toegezonden.

4. Op verzoek van de aangever viseert het kantoor van bestemming, ten bewijze van het feit dat de regeling overeenkomstig artikel 366, lid 1, is beëindigd, de kopie van het ►M34 begeleidingsdocument douanevervoer — begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid dat van de volgende vermelding is voorzien:

—Alternatief bewijs — 99202.

5. Het douanevervoer kan bij een ander dan het in de aangifte voor douanevervoer genoemde kantoor worden beëindigd. Dit kantoor wordt dan het kantoor van bestemming.

Wanneer het nieuwe kantoor van bestemming onder een andere lidstaat ressorteert dan het oorspronkelijk voorziene kantoor, verzoekt het nieuwe kantoor van bestemming het kantoor van vertrek om toezending van het „voorafgaand bericht van aankomst”.

Artikel 362

1. Het kantoor van bestemming viseert een ontvangstbewijs op verzoek van de persoon die de goederen en de vereiste documenten aanbrengt.

2. Het ontvangstbewijs stemt overeen met het model in bijlage 47.

3. Het ontvangstbewijs moet vooraf door de belanghebbende worden ingevuld. Het mag andere gegevens betreffende de zending bevatten, buiten het voor het kantoor van bestemming vermelde vak. Het ontvangstbewijs kan niet als bewijs worden gebruikt dat de regeling in de zin van artikel 366, lid 1, is beëindigd.

Artikel 363

1. Het kantoor van bestemming stelt het kantoor van vertrek, op de dag van de aanbrenging van de goederen bij het kantoor van bestemming, door middel van een „bericht van aankomst” in kennis van de aankomst van de goederen.

2. Wanneer het douanevervoer wordt beëindigd in een ander dan het in de aangifte voor douanevervoer vermelde kantoor, stelt het nieuwe kantoor van bestemming het kantoor van vertrek door middel van een „bericht van aankomst” in kennis van de aankomst van de goederen.

Het kantoor van vertrek stelt het oorspronkelijk voorziene kantoor van bestemming door middel van een „bericht van aankomst ter kennisgeving” in kennis van de aankomst van de goederen.

3. Het in de leden 1 en 2 bedoelde „bericht van aankomst” kan niet dienen als bewijs dat de regeling in de zin van artikel 366, lid 1, is beëindigd.

4. Het kantoor van bestemming zendt het bericht „controleresultaten” uiterlijk op de derde dag volgende op de dag van aanbrenging van de goederen bij het kantoor van bestemming aan het kantoor van vertrek, tenzij er goede redenen zijn dit niet te doen. Bij toepassing evenwel van artikel 408 zendt het kantoor van bestemming het bericht „controleresultaten” binnen zes dagen na de aanbrenging van de goederen bij het kantoor van vertrek.

▼M32 —————

▼M19



Onderafdeling 6

▼M32

Nasporingsprocedure

Artikel 365

1. Wanneer de douaneautoriteiten van de lidstaat van vertrek geen „bericht van aankomst” hebben ontvangen binnen de voorgeschreven termijn voor de aanbrenging van de goederen bij het kantoor van bestemming of wanneer zij geen bericht „controleresultaten” hebben ontvangen binnen zes dagen na ontvangst van het „bericht van aankomst”, overwegen zij de inleiding van de nasporingsprocedure teneinde alle gegevens te verzamelen die voor de zuivering van de regeling noodzakelijk zijn of, indien dit niet mogelijk is, om vast te stellen

—of een douaneschuld is ontstaan;

—wie de schuldenaar is;

—welke douaneautoriteiten voor de invordering bevoegd zijn.

2. De nasporingsprocedure wordt ingeleid binnen zeven dagen na het verstrijken van een van de in lid 1 bedoelde termijnen behalve in uitzonderlijke gevallen, die in onderling overleg door de lidstaten worden vastgesteld. Deze procedure wordt terstond ingeleid wanneer de douaneautoriteiten in een vroeg stadium vernemen dat de regeling niet is beëindigd of wanneer zij dit vermoeden.

3. Indien de douaneautoriteiten van de lidstaat van vertrek uitsluitend het „bericht van aankomst” hebben ontvangen, leiden zij de nasporingsprocedure in door het kantoor van bestemming dat het „bericht van aankomst” heeft verzonden om toezending van het bericht „controleresultaten” te verzoeken.

4. Indien de douaneautoriteiten van de lidstaat van vertrek geen „bericht van aankomst” hebben ontvangen, leiden zij de nasporingsprocedure in door hetzij de aangever om alle voor de zuivering van de regeling vereiste gegevens te verzoeken, hetzij het kantoor van bestemming wanneer voldoende gegevens voor het onderzoek op de plaats van bestemming beschikbaar zijn.

De aangever wordt uiterlijk 28 dagen na de inleiding van de nasporingsprocedure bij het kantoor van bestemming verzocht de gegevens te verstrekken die voor de zuivering van de regeling nodig zijn.

5. Het kantoor van bestemming en de aangever moeten binnen 28 dagen op het in lid 4 bedoelde verzoek antwoorden. Indien de aangever binnen die termijn voldoende gegevens verstrekt, moeten de douaneautoriteiten van de lidstaat van vertrek rekening houden met deze gegevens of de regeling zuiveren indien dat op basis van de verstrekte gegevens mogelijk is.

6. Indien het op basis van de door de aangever verstrekte gegevens niet mogelijk is de regeling te zuiveren, maar deze gegevens door de douaneautoriteiten van de lidstaat van vertrek wel toereikend worden geacht om de nasporingsprocedure voort te zetten, moet terstond een verzoek worden ingediend bij het betrokken douanekantoor.

7. Wanneer tijdens de nasporing blijkt dat de regeling naar behoren is beëindigd, zuiveren de douaneautoriteiten van de lidstaat van vertrek de regeling en delen zij dit onmiddellijk mee aan de aangever en, in voorkomend geval, aan de douaneautoriteiten die overeenkomstig artikel 217 tot en met 232 van het Wetboek met de invordering zijn begonnen.

▼M32

Artikel 365 bis

1. Wanneer tijdens de nasporing en vóór het verstrijken van de in artikel 450 bis, eerste streepje, genoemde termijn de douaneautoriteiten van de lidstaat van vertrek, hierna de „verzoekende autoriteiten” genoemd, door ongeacht welk middel het bewijs verkrijgen op welke plaats de feiten zich hebben voorgedaan die tot het ontstaan van de schuld hebben geleid, en deze plaats zich in een andere lidstaat bevindt, zenden zij onverwijld alle beschikbare gegevens toe aan de autoriteiten die voor die plaats bevoegd zijn, hierna de „aangezochte autoriteiten” genoemd.

2. De aangezochte autoriteiten zenden een ontvangstbevestiging waarin zij verklaren of zij voor de invordering bevoegd zijn. Wanneer binnen 28 dagen geen antwoord wordt ontvangen, zetten de verzoekende autoriteiten de nasporingsprocedure onmiddellijk voort.

▼M32

Artikel 366

1. Het bewijs dat de regeling binnen de in de aangifte gestelde termijn is beëindigd, kan door de aangever ten genoegen van de douaneautoriteiten worden geleverd door de overlegging van een door de douane van de lidstaat van bestemming gewaarmerkt document waaruit blijkt dat de betrokken goederen bij het kantoor van bestemming of, bij toepassing van artikel 406, bij de toegelaten geadresseerde zijn aangebracht.

2. De regeling communautair douanevervoer wordt eveneens als beëindigd beschouwd wanneer de aangever ten genoegen van de douaneautoriteiten een van de volgende documenten ter identificatie van de goederen overlegt:

a)een in een derde land opgesteld douanedocument waaruit blijkt dat de goederen een douanebestemming hebben gekregen;

b)een in een derde land opgesteld document dat is geviseerd door de douaneautoriteiten van dat land en waarin wordt bevestigd dat de goederen worden geacht zich in dat land in het vrije verkeer te bevinden.

3. De in lid 2 genoemde documenten kunnen worden vervangen door kopieën of fotokopieën die voor conform zijn gewaarmerkt door de instantie die de originele documenten heeft geviseerd, door de autoriteiten van de betrokken derde landen of de autoriteiten van een van de lidstaten.

▼M19



Onderafdeling 7

Aanvullende bepalingen betreffende de uitwisseling van douanevervoergegevens tussen de douaneautoriteit door het gebruik van geautomatiseerde gegevensverwerkende systemen en netwerken

▼M32

Artikel 367

De bepalingen betreffende het op informatietechnologie en computernetwerken gebaseerde berichtenverkeer tussen de douaneautoriteiten zijn niet van toepassing op de vereenvoudigde procedures die voor bepaalde wijzen van vervoer gelden, noch op de andere vereenvoudigde procedures op grond van artikel 97, lid 2, van het Wetboek, als bedoeld in artikel 372, lid 1, onder f) en g).

▼M29 —————

▼M32 —————

▼M19



Afdeling 3

Vereenvoudigingen



Onderafdeling 1

Algemene bepalingen inzake vereenvoudigingen

▼M32

Artikel 372

1. Op verzoek van de aangever of van de geadresseerde kunnen de douaneautoriteiten de volgende vereenvoudigingen toestaan:

a)het gebruik van een doorlopende zekerheid of ontheffing van zekerheidstelling;

b)het gebruik van verzegelingen van een bijzonder model;

c)de vrijstelling van de verplichting een bepaalde route te volgen;

d)de status van toegelaten afzender;

e)de status van toegelaten geadresseerde;

f)de toepassing van vereenvoudigde procedures voor bijzondere wijzen van vervoer:

i)per spoor of door middel van grote containers,

ii)door de lucht,

iii)over zee,

iv)door pijpleidingen;

g)andere vereenvoudigde procedures op grond van artikel 97, lid 2, van het Wetboek.

2. Tenzij in deze afdeling of in de vergunning anders is bepaald, zijn de in lid 1, onder a) en f), vermelde vereenvoudigingen, wanneer zij worden toegestaan, in alle lidstaten van toepassing. Wanneer de in lid 1, onder b), c) en d), vermelde vereenvoudigingen worden toegestaan, zijn zij uitsluitend van toepassing op communautair douanevervoer dat aanvangt in de lidstaat waar zij werden toegestaan. Wanneer de in lid 1, onder e), vermelde vereenvoudiging wordt toegestaan, is zij uitsluitend van toepassing in de lidstaat waar zij werd toegestaan.

▼M19

Artikel 373

1. De in artikel 372, lid 1, bedoelde toestemming wordt slechts verleend aan personen die:

a)in de Gemeenschap zijn gevestigd; de toestemming voor het gebruik van de doorlopende zekerheid kan echter slechts worden verleend aan personen die in de lidstaat waar de zekerheid wordt gesteld, gevestigd zijn;

▼M32

b)regelmatig van de regeling communautair douanevervoer gebruikmaken, of van wie het de douaneautoriteiten bekend is dat zij de uit deze regeling voortvloeiende verplichtingen kunnen nakomen of, in geval van de in artikel 372, lid 1, onder e), bedoelde vereenvoudiging, regelmatig onder de regeling communautair douanevervoer geplaatste goederen ontvangen, en

▼M19

c)geen ernstige of herhaalde inbreuken op de douane- of belastingwetgeving hebben gepleegd.

2. Met het oog op een juist beheer van de vereenvoudigingen, wordt de toestemming slechts verleend:

a)indien de douaneautoriteiten het gebruik van de regeling kunnen controleren zonder dat zij daarvoor administratieve maatregelen behoeven te treffen die niet in verhouding staan tot de behoeften van de betrokkenen, en

b)indien de personen een administratie voeren aan de hand waarvan de douaneautoriteiten een doeltreffende controle kunnen verrichten.

▼M29

3. Wanneer de betrokkene houder is van een AEO-certificaat als bedoeld in artikel 14 bis, lid 1, onder a) of c), wordt geacht te zijn voldaan aan de eisen van lid 1, onder c), en van lid 2, onder b), van het onderhavige artikel.

▼M19

Artikel 374

▼M32

1. De aanvraag om een vergunning voor het gebruik van vereenvoudigingen, hierna „de aanvraag” genoemd, wordt gedateerd en ondertekend. De aanvraag wordt schriftelijk of met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken ingediend op de door de douaneautoriteiten vastgestelde voorwaarden en op de door hen bepaalde wijze.

▼M19

2. De aanvraag moet alle gegevens bevatten om de douaneautoriteiten in staat te stellen te beoordelen of aan de voorwaarden voor het verlenen van de aangevraagde vereenvoudigingen is voldaan.

Artikel 375

1. De aanvraag wordt ingediend bij de douaneautoriteiten van de lidstaat waarin de aanvrager is gevestigd.

2. De vergunning wordt afgegeven of de aanvraag wordt afgewezen binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag door de douaneautoriteiten.

Artikel 376

1. Het gedateerde en ondertekende origineel van de vergunning en een of meer kopieën worden aan de houder verstrekt.

2. In de vergunning zijn de voorwaarden vermeld waaronder van de vereenvoudigingen gebruik kan worden gemaakt en de wijze waarop de vereenvoudigingen worden toegepast en gecontroleerd. Zij wordt op de datum van haar afgifte van kracht.

▼M32

3. In geval van de in artikel 372, lid 1, onder b), c), en f), bedoelde vereenvoudigingen wordt de vergunning op elk verzoek van het kantoor van vertrek overgelegd.

▼M19

Artikel 377

1. De vergunninghouder dient de douaneautoriteiten in kennis te stellen van alle voorvallen die zich na het verlenen van de vergunning voordoen en die op de handhaving of de inhoud van de vergunning van invloed kunnen zijn.

2. In het besluit tot intrekking of wijziging van de vergunning wordt de datum van ingang vermeld.

Artikel 378

1. De douaneautoriteiten bewaren de aanvragen en de daarbij gevoegde stukken alsmede een kopie van de afgegeven vergunningen.

2. Wanneer een aanvraag wordt afgewezen of een vergunning vernietigd of ingetrokken, worden de aanvraag en, naar gelang van het geval, het besluit tot afwijzing van de aanvraag of tot vernietiging of intrekking van de vergunning en de daarbij gevoegde stukken gedurende ten minste drie jaar bewaard vanaf het einde van het kalenderjaar waarin de aanvraag is afgewezen of de vergunning is vernietigd of ingetrokken.



Onderafdeling 2

Doorlopende zekerheid en ontheffing van zekerheidstelling

▼M32

Artikel 379

1. De aangever maakt gebruik van de doorlopende zekerheid of van de ontheffing van zekerheidstelling binnen de grenzen van een referentiebedrag.

2. Het referentiebedrag stemt overeen met het bedrag van de douaneschuld die kan ontstaan ten aanzien van door de aangever in een periode van ten minste een week onder de regeling communautair douanevervoer geplaatste goederen.

Het kantoor van zekerheidstelling stelt het referentiebedrag vast in samenwerking met de betrokkene op grond van het volgende:

a)de gegevens over de in het verleden vervoerde goederen en van een raming van de omvang van het te verrichten communautair douanevervoer, zoals deze onder andere uit de handelsadministratie en de boekhouding van de betrokkene blijkt;

b)voor de vaststelling van het referentiebedrag wordt uitgegaan van het hoogste bedrag aan rechten en heffingen dat in de lidstaat van het kantoor van zekerheidstelling op de goederen van toepassing is. Communautaire goederen die zijn of moeten worden vervoerd in overeenstemming met de Overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer, worden bij die vaststelling als niet-communautaire goederen beschouwd.

Voor elk douanevervoer wordt een berekening gemaakt van het bedrag van de douaneschuld die kan ontstaan. Wanneer de nodige gegevens niet beschikbaar zijn, wordt het bedrag geacht 7 000 EUR te zijn, tenzij de douaneautoriteiten op grond van andere gegevens een ander bedrag vaststellen.

3. Het kantoor van zekerheidstelling onderzoekt regelmatig of het referentiebedrag passend is, met name op verzoek van de aangever, en past dit bedrag zo nodig aan.

4. De aangever ziet erop toe dat de eventueel opeisbare bedragen, rekening houdend met het vervoer waarvoor de regeling nog niet is beëindigd, het referentiebedrag niet overschrijden.

De computersystemen van de douaneautoriteiten verwerken het gebruik van de referentiebedragen voor elk douanevervoer en kunnen dit opvolgen.

▼M19

Artikel 380

1. Het door de doorlopende zekerheid te dekken bedrag is gelijk aan het in artikel 379 bedoelde referentiebedrag.

2. Het bedrag van de doorlopende zekerheid kan worden verminderd:

a)tot 50 % van het referentiebedrag wanneer de aangever aantoont dat zijn financiële situatie gezond is en dat hij voldoende ervaring heeft met het gebruik van de regeling communautair douanevervoer;

b)tot 30 % van het referentiebedrag wanneer de aangever aantoont dat zijn financiële situatie gezond is, dat hij voldoende ervaring heeft met het gebruik van de regeling communautair douanevervoer en dat hij een hoog niveau van samenwerking met de douaneautoriteiten heeft bereikt.

3. Ontheffing van zekerheidstelling kan worden verleend aan de aangever die aan de in lid 2, onder b), omschreven criteria inzake betrouwbaarheid voldoet, die controle heeft over het vervoer en die voldoende financieel draagkrachtig is om aan zijn verplichtingen te voldoen.

4. Voor de toepassing van de leden 2 en 3 houden de lidstaten rekening met de in bijlage 46 ter vermelde criteria.

▼M32

Artikel 380 bis

Voor het gebruik van iedere doorlopende zekerheid en/of voor iedere ontheffing van zekerheidstelling wordt:

a)aan de aangever een „zekerheidreferentienummer” toegekend dat is gekoppeld aan het vastgestelde referentiebedrag;

b)door het kantoor van zekerheidstelling aan de aangever een initiële toegangscode met betrekking tot het „zekerheidreferentieummer” toegekend en meegedeeld.

De aangever kan aan de zekerheid één of meer toegangscodes toekennen voor zichzelf of zijn vertegenwoordigers.

▼M19

Artikel 381

1. Voor de in bijlage 44 quater bedoelde goederen moet de aangever, ►C9 om van een doorlopende zekerheid gebruik te kunnen maken, niet alleen aantonen dat hij aan de voorwaarden van artikel 373 voldoet, maar bovendien dat zijn financiële situatie gezond is, dat hij voldoende ervaring heeft met het gebruik van de regeling communautair douanevervoer en dat hij, hetzij een hoog niveau van samenwerking met de douaneautoriteiten heeft bereikt, hetzij controle heeft over het vervoer.

2. Het in lid 1 bedoelde bedrag van de doorlopende zekerheid wordt verminderd:

a)tot 50 % van het referentiebedrag wanneer de aangever aantoont dat hij een hoog niveau van samenwerking met de douaneautoriteiten heeft bereikt en dat hij controle heeft over het vervoer;

b)tot 30 % van het referentiebedrag wanneer de aangever aantoont dat hij een hoog niveau van samenwerking met de douaneautoriteiten heeft bereikt, dat hij controle heeft over het vervoer en dat hij financieel voldoende draagkrachtig is om aan zijn verplichtingen te voldoen.

3. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 houden de lidstaten rekening met de in bijlage 46 ter genoemde criteria.

▼M21

3 bis. De leden 1, 2 en 3 zijn ook van toepassing wanneer een aanvraag tot gebruikmaking van de doorlopende zekerheidstelling uitdrukkelijk melding maakt van het gebruik van één en hetzelfde certificaat van doorlopende zekerheidstelling niet alleen voor in bijlage 44 quater opgenomen goederen maar ook voor niet in die bijlage opgenomen goederen.

▼M19

4. De voorwaarden voor de toepassing van artikel 94, leden 6 en 7, van het Wetboek betreffende het tijdelijke verbod op het gebruik van de doorlopende zekerheid tot een verminderd bedrag of van de doorlopende zekerheid zijn in bijlage 47 bis bij de onderhavige verordening omschreven.

▼M32

Artikel 382

1. De doorlopende zekerheid wordt door een borg gesteld.

2. De akte van borgtocht moet overeenstemmen met het model in bijlage 48. De akte van borgtocht wordt bewaard door het kantoor van zekerheidstelling.

3. Artikel 346, lid 2, is van overeenkomstige toepassing.

▼M19

Artikel 383

1. Op grond van de vergunning geven de douaneautoriteiten een of meer certificaten van doorlopende zekerheidstelling of van ontheffing van zekerheidstelling, hierna „certificaten” genoemd, aan de aangever af, welke certificaten overeenstemmen met het model in bijlage 51 of bijlage 51 bis, naar gelang van het geval, en die zijn ingevuld volgens de aanwijzingen in bijlage 51 ter, aan de hand waarvan de aangever kan aantonen dat een doorlopende zekerheid is gesteld of dat ontheffing van zekerheidstelling is verleend.

▼M32

2. De geldigheidsduur van een certificaat bedraagt ten hoogste twee jaar. Het kantoor van zekerheidstelling kan de geldigheidsduur echter eenmaal met een nieuwe termijn van ten hoogste twee jaar verlengen.

▼M32 —————

▼M19

Artikel 384

1. Artikel 348, lid 1 en lid 2, eerste alinea, zijn op de intrekking en opzegging van de doorlopende zekerheid van overeenkomstige toepassing.

▼M32

2. De intrekking van de vergunning voor doorlopende zekerheidstelling of voor ontheffing van zekerheidstelling door de bevoegde autoriteiten, de intrekking van de beschikking van het kantoor van zekerheidstelling tot aanvaarding van de verbintenis van de borg, de opzegging van de verbintenis door de borg en de datum van ingang van de intrekking of de opzegging moeten door het kantoor van zekerheidstelling in het computersysteem worden ingebracht.

3. Vanaf de datum van ingang van de intrekking of de opzegging kunnen de voor de toepassing van artikel 353, lid 2, onder b), afgegeven certificaten niet meer worden gebruikt om goederen onder de regeling communautair douanevervoer te plaatsen, en moeten deze terstond door de aangever bij het kantoor van zekerheidstelling worden ingeleverd.

Elke lidstaat deelt de Commissie de gegevens mee ter identificatie van de nog geldige certificaten die niet zijn ingeleverd of die als gestolen, verloren of vervalst zijn aangemeld. De Commissie stelt de andere lidstaten hiervan in kennis.

▼M32 —————

▼M19



Onderafdeling 3

Bijzondere ladingslijsten

▼M32 —————

▼M19



Onderafdeling 4

Gebruik van verzegelingen van een bijzonder model

Artikel 386

1. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat de aangever voor vervoermiddelen of colli verzegelingen van een bijzonder model gebruikt, mits de douaneautoriteiten hebben erkend dat deze verzegelingen de in bijlage 46 bis vermelde kenmerken bezitten.

▼M32

2. De aangever vermeldt het aantal, het soort en het identificatiemerk van de gebruikte verzegelingen in de aangifte voor douanevervoer.

Hij brengt de verzegelingen uiterlijk bij de vrijgave van de goederen aan.

▼M19



Onderafdeling 5

Vrijstelling van de voorgeschreven route

Artikel 387

1. De douaneautoriteiten kunnen een aangever die de nodige maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de douaneautoriteiten te allen tijde kunnen nagaan waar de zending zich bevindt, van de verplichting vrijstellen een bepaalde route te volgen.



Onderafdeling 6

Status van toegelaten afzender

Artikel 398

▼M32

De status van toegelaten afzender kan worden toegekend aan personen die communautair douanevervoer willen verrichten zonder de in de aangifte voor douanevervoer vermelde goederen bij het kantoor van vertrek of op een andere erkende plaats aan te bieden.

▼M19

Deze vereenvoudiging wordt uitsluitend toegestaan aan personen die van een doorlopende zekerheid gebruik maken of aan wie ontheffing van zekerheidstelling is verleend.

Artikel 399

In de vergunning wordt met name vermeld:

a)welk kantoor of welke kantoren van vertrek voor het te verrichten communautaire douanevervoer bevoegd is respectievelijk zijn;

▼M32

b)over welke termijn de douaneautoriteiten beschikken nadat de toegelaten afzender zijn aangifte heeft ingediend, om vóór het vertrek van de goederen eventueel een controle te kunnen verrichten;

▼M19

c)welke identificatiemaatregelen moeten worden genomen. De douaneautoriteiten kunnen voorschrijven dat de toegelaten afzender op de vervoermiddelen of colli verzegelingen van een bijzonder model aanbrengt, waarvan de douaneautoriteiten hebben erkend dat zij aan de eisen van artikel 46 bis voldoen;

d)voor welke categorieën goederen of voor welke soorten vervoer de vergunning niet geldt.

▼M32

Artikel 400

De toegelaten afzender dient bij het kantoor van vertrek een aangifte voor douanevervoer in. De goederen kunnen niet worden vrijgegeven vóór het verstrijken van de in artikel 399, onder b), genoemde termijn.

▼M32 —————

▼M32

Artikel 402

De toegelaten afzender voert in voorkomend geval de overeenkomstig artikel 355, lid 2, voorgeschreven route en de overeenkomstig artikel 356 vastgestelde termijn waarbinnen de goederen bij het kantoor van bestemming moeten worden aangebracht, evenals het aantal, het soort en het merk van de verzegelingen, in het computersysteem in.

▼M32 —————

▼M19 —————

▼M19



Onderafdeling 7

Status van toegelaten geadresseerde

▼M32

Artikel 406

1. Aan personen die in hun bedrijfsruimte of op andere aangewezen plaatsen onder de regeling communautair douanevervoer geplaatste goederen in ontvangst wensen te nemen zonder dat de goederen of het ►M34 begeleidingsdocument douanevervoer — begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid aan het kantoor van bestemming worden aangebracht, kan de status van „toegelaten geadresseerde” worden toegekend.

2. De aangever heeft aan de ingevolge artikel 96, lid 1, onder a), van het Wetboek op hem rustende verplichtingen voldaan en de regeling communautair douanevervoer is beëindigd zodra het bij de zending gevoegde ►M34 begeleidingsdocument douanevervoer — begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid en de goederen in ongeschonden staat, binnen de gestelde termijn en met inachtneming van de voorgeschreven identificatiemaatregelen aan de toegelaten geadresseerde in diens bedrijfsruimte of op de in de vergunning aangewezen plaats zijn afgeleverd.

3. De toegelaten geadresseerde geeft voor elke zending die in de in lid 2 bedoelde omstandigheden bij hem is afgeleverd op verzoek van de vervoerder het in artikel 362 bedoelde ontvangstbewijs af dat van overeenkomstige toepassing is.

▼M19

Artikel 407

▼M32

1. In de vergunning wordt met name vermeld:

a)welk kantoor of welke kantoren van bestemming bevoegd is of zijn voor de zendingen die de toegelaten geadresseerde ontvangt;

b)binnen welke termijn de toegelaten geadresseerde van het kantoor van bestemming via het bericht „toestemming tot lossen” de relevante gegevens ontvangt van het „voorafgaand bericht van aankomst” met het oog op de overeenkomstige toepassing van artikel 361, lid 3;

c)welke categorieën goederen of welke soorten vervoer zijn uitgesloten.

▼M19

2. De douaneautoriteiten vermelden in de vergunning of de toegelaten geadresseerde zonder tussenkomst van het kantoor van bestemming over de goederen mag beschikken zodra deze aankomen.

▼M32

Artikel 408

1. Wanneer goederen in zijn bedrijfsruimte of op de in de vergunning aangewezen plaats aankomen, moet de toegelaten geadresseerde:

a)dit onmiddellijk meedelen aan het bevoegde kantoor van bestemming met behulp van een „kennisgeving van aankomst” waarin alle gebeurtenissen tijdens het vervoer zijn vermeld;

b)wachten op het bericht „toestemming tot lossen” alvorens met het lossen te beginnen;

c)na ontvangst van het bericht „toestemming tot lossen” het kantoor van bestemming binnen drie dagen na aankomst van de goederen het bericht „opmerkingen lossen” zenden waarin alle verschillen zijn vermeld, overeenkomstig de bij de vergunning vastgestelde voorwaarden;

d)het bij de goederen gevoegde ►M34 begeleidingsdocument douanevervoer — begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid ter beschikking houden van of doen toekomen aan het kantoor van bestemming overeenkomstig het bepaalde in de vergunning.

2. Het kantoor van bestemming voert de gegevens van het bericht „controleresultaten” in het computersysteem in.

▼M32 —————

▼M19 —————



▼M19

Onderafdeling 8

Vervoer per spoor of met behulp van grote containers



A.

Algemene bepalingen betreffende het vervoer per spoor

Artikel 412

Artikel 359 is niet van toepassing op het vervoer van goederen per spoor.

▼B

Artikel 413

Wanneer de regeling communautair douanevervoer van toepassing is, worden de formaliteiten in verband met deze regeling vereenvoudigd overeenkomstig de artikelen 414 tot en met 425, 441 en 442 voor het door spoorwegmaatschappijen verrichte vervoer onder geleide van een „vrachtbrief CIM en expresgoed”, hierna „vrachtbrief CIM” genoemd.

▼M19

Artikel 414

De vrachtbrief CIM geldt als aangifte voor communautair douanevervoer.

▼B

Artikel 415

De spoorwegmaatschappij van elke Lid-Staat houdt de administratie in haar centrale kantoor (kantoren) ter inzage van de douaneautoriteiten van haar land, zodat deze daar de nodige controles kunnen verrichten.

Artikel 416

▼M19

1. De spoorwegmaatschappij die goederen met een vrachtbrief CIM, die als aangifte voor communautair douanevervoer dienst doet, ten vervoer aanneemt, geldt voor dit vervoer als de aangever.

▼B

2. De spoorwegmaatschappij van de Lid-Staat over het grondgebied waarvan goederen de Gemeenschap binnenkomen, geldt als aangever voor het vervoer van goederen die door de spoorwegen van een derde land ten vervoer zijn aangenomen.

Artikel 417

De spoorwegmaatschappijen dragen er zorg voor dat zendingen die onder de regeling communautair douanevervoer worden vervoerd, gekenmerkt worden door middel van etiketten met een pictogram waarvan het model in bijlage 58 is opgenomen.

De etiketten worden aangebracht op de vrachtbrief CIM, alsmede op de wagon, indien het een wagonlading betreft, of op het collo of de colli in andere gevallen.

▼M12

De in de eerste alinea bedoelde etiketten mogen worden vervangen door een stempel in groene inkt dat het in bijlage 58 opgenomen pictogram weergeeft.

▼B

Artikel 418

Ingeval van wijziging van de vervoersovereenkomst ten einde:

—een vervoer binnen in plaats van buiten het douanegebied van de Gemeenschap te beëindigen,

—een vervoer buiten in plaats van binnen het douanegebied van de Gemeenschap te beëindigen,

mogen de spoorwegmaatschappijen de gewijzigde overeenkomst slechts met voorafgaande toestemming van het kantoor van vertrek ten uitvoer brengen.

In alle andere gevallen mogen de spoorwegmaatschappijen de gewijzigde overeenkomst ten uitvoer brengen; zij stellen het kantoor van vertrek onverwijld van de wijziging in kennis.

Artikel 419

1. Wanneer een vervoersbeweging onder de regeling communautair douanevervoer binnen de Gemeenschap begint en dient te eindigen, wordt de vrachtbrief CIM bij het kantoor van vertrek overgelegd.

▼M13

2. Het kantoor van vertrek brengt in het voor de douane bestemde vak van de exemplaren 1, 2 en 3 van de vrachtbrief CIM op duidelijk zichtbare wijze het volgende teken aan:

a)„T1”, indien de goederen onder de regeling extern communautair douanevervoer worden vervoerd;

b)„T2”, indien de goederen onder de regeling intern communautair douanevervoer worden vervoerd overeenkomstig artikel 165 van het Wetboek, behalve in de in ►M19 artikel 340 quater, lid 1, bedoelde gevallen;

c)„T2F”, indien de goederen onder de regeling intern communautair douanevervoer worden vervoerd in de in ►M19 artikel 340 quater, lid 1, bedoelde gevallen.

Het teken „T2”, respectievelijk „T2F”, wordt door het aanbrengen van een stempelafdruk van het kantoor van vertrek gewaarmerkt.

▼B

3. Alle exemplaren van de vrachtbrief CIM worden aan de belanghebbende teruggegeven.

4. De in ►M19 artikel 340 quater, lid 2, bedoelde goederen worden, op de door elke Lid-Staat vast te stellen wijze, voor het gehele traject tussen de in het douanegebied van de Gemeenschap gelegen stations van vertrek en van bestemming onder de regeling intern communautair douanevervoer geplaatst zonder dat de voor deze goederen opgestelde vrachtbrief CIM bij het kantoor van vertrek behoeft te worden overgelegd en zonder dat de in artikel 417 bedoelde etiketten behoeven te worden aangebracht. Deze ontheffing van de verplichting tot overlegging geldt evenwel niet voor vrachtbrieven CIM die betrekking hebben op goederen waarop ►M18 artikel 843 van toepassing is.

5. Voor de in lid 2 bedoelde goederen vervult het douanekantoor waaronder het station van bestemming ressorteert, de functie van kantoor van bestemming. Indien de goederen echter in een tussenstation in het vrije verkeer worden gebracht of onder een andere douaneregeling worden geplaatst, vervult het kantoor waaronder dit station ressorteert de functie van kantoor van bestemming.

Bij het kantoor van bestemming behoeft ten aanzien van de in ►M19 artikel 340 quater, lid 2, bedoelde goederen geen enkele formaliteit te worden vervuld.

6. Ten behoeve van de in artikel 415 bedoelde controle houdt de spoorwegmaatschappij alle vrachtbrieven CIM die betrekking hebben op het in lid 4 bedoelde douanevervoer in het land van bestemming ter beschikking van de douaneautoriteiten, in voorkomend geval op de wijze die in onderling overleg met deze autoriteiten is vastgesteld.

7. Wanneer communautaire goederen per spoor worden vervoerd van een plaats in een Lid-Staat naar een plaats in een andere Lid-Staat over het grondgebied van een derde land dat geen EVA-land is, wordt de regeling intern communautair douanevervoer toegepast. In dit geval zijn de leden 4, 5, tweede alinea, en 6 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 420

Rekening houdend met de door de spoorwegmaatschappijen toegepaste identificatiemaatregelen, worden de vervoermiddelen of de colli in het algemeen niet door het kantoor van vertrek verzegeld.

Artikel 421

1. In de gevallen bedoeld in artikel 419, lid 5, eerste alinea, levert de spoorwegmaatschappij van de Lid-Staat waaronder het kantoor van bestemming ressorteert, bij dit kantoor de exemplaren nrs. 2 en 3 van de vrachtbrief CIM in.

2. Het kantoor van bestemming geeft exemplaar nr. 2 na aftekening onverwijld aan de spoorwegmaatschappij terug en behoudt exemplaar nr. 3.

Artikel 422

1. Wanneer een vervoersbeweging binnen het douanegebied van de Gemeenschap begint en daarbuiten dient te eindigen, zijn de artikelen 419 en 420 van toepassing.

2. Het douanekantoor waaronder het grensstation ressorteert waarlangs het vervoer het douanegebied van de Gemeenschap verlaat, wordt aangemerkt als kantoor van bestemming.

3. Bij het kantoor van bestemming behoeft geen enkele formaliteit te worden vervuld.

Artikel 423

1. Wanneer een vervoersbeweging buiten het douanegebied van de Gemeenschap begint en daarbinnen dient te eindigen, wordt het douanekantoor waaronder het grensstation ressorteert waarlangs het vervoer het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomt, als kantoor van vertrek aangemerkt.

Bij het kantoor van vertrek behoeft geen enkele formaliteit te worden vervuld.

▼M4

2. Het douanekantoor waaronder het station van bestemming ressorteert, wordt als kantoor van bestemming aangemerkt. De formaliteiten bedoeld in artikel 421 worden in het kantoor van bestemming vervuld.

3. Wanneer de goederen echter op een tussenstation in het vrije verkeer worden gebracht dan wel onder een andere douaneregeling geplaatst, wordt het douanekantoor waaronder dit station ressorteert, als kantoor van bestemming aangemerkt. Dit douanekantoor tekent de exemplaren nrs. 2 en 3 af, alsmede een extra kopie van het door de spoorwegmaatschappij aangeboden exemplaar nr. 3, en brengt op deze exemplaren één van de volgende aantekeningen aan:

—Despachado de aduana,

—Toldbehandlet,

—Verzollt,

—Εκτελωνισμένο,

—Cleared,

—Dédouané,

—Sdoganato,

—Vrijgemaakt,

—Desalfandegado,

▼M21

—Tulliselvitetty,

—Tullklarerat,

▼A2

—Propuštěno,

—Lõpetatud,

—Nomuitots,

—Išleista,

—Vámkezelve,

—Mgħoddija,

—Odprawiony,

—Ocarinjeno,

—Prepustené,

▼M30

—Оформено,

—Vămuit,

▼M45

—Ocarinjeno.

▼M4

Dit kantoor geeft de exemplaren nrs. 2 en 3 na aftekening onverwijld aan de spoorwegmaatschappij terug en behoudt de extra kopie van exemplaar nr. 3.

4. De in lid 3 bedoelde procedure is niet van toepassing op de accijnsgoederen als bedoeld in artikel 3, lid 1, en artikel 5, lid 1, van Richtlijn 92/12/EEG van de Raad (15).

5. In de in lid 3 bedoelde gevallen kunnen de douaneautoriteiten die bevoegd zijn voor het station van bestemming, om een controle achteraf verzoeken van de aantekeningen die op het tussenstation op de exemplaren nrs. 2 en 3 zijn aangebracht.

▼B

Artikel 424

1. Wanneer een vervoersbeweging buiten het douanegebied van de Gemeenschap begint en dient te eindigen, worden het in artikel 423, lid 1, en het in artikel 422, lid 2, bedoelde kantoor als kantoor van vertrek respectievelijk als kantoor van bestemming aangemerkt.

2. Bij het kantoor van vertrek en bij het kantoor van bestemming behoeft geen enkele formaliteit te worden vervuld.

Artikel 425

Het in artikel 423, lid 1, en artikel 424, lid 1, bedoelde vervoer van goederen wordt geacht met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer plaats te vinden, tenzij het communautaire karakter van de goederen overeenkomstig de artikelen 313 tot en met 340 wordt aangetoond.



▼M19

B.

Bepalingen betreffende het vervoer met behulp van grote containers

▼M12

Artikel 426

In de gevallen waarin de regeling communautair douanevervoer van toepassing is, worden overeenkomstig de artikelen 427 tot en met 442 de daarmee verband houdende formaliteiten vereenvoudigd, wanneer spoorwegmaatschappijen onder geleide van overdrachtsformulieren, hierna „overdrachtsformulier TR” genoemd, met grote containers goederen vervoeren door tussenkomst van vervoersondernemingen. Genoemd vervoer omvat, in voorkomend geval, het door vervoersondernemingen overbrengen van deze zendingen door middel van andere vervoerswijzen dan per spoor, vanaf de plaats van lading naar het dichtstbij zijnde geschikte spoorwegstation en vanaf het dichtsbij zijnde beschikte spoorwegstation naar de plaats van lossing, alsmede het op het traject tussen deze beide stations geschiede vervoer over zee.

▼B

Artikel 427

Voor de toepassing van de artikelen 426 tot en met 442 wordt verstaan onder:

1)„vervoersonderneming”: een onderneming die de spoorwegmaatschappijen hebben opgericht in de vorm van een vennootschap, waarvan zij de vennoten zijn en die tot doel heeft goederen met behulp van grote containers onder geleide van „overdrachtsformulieren TR” te vervoeren;

2)„grote container”: een container►M20 —————:

—die op doeltreffende wijze kan worden verzegeld wanneer verzegeling overeenkomstig artikel 435 noodzakelijk is,

—en

—waarvan de oppervlakte begrensd door de vier onderste buitenhoeken ten minste 7 m2 bedraagt;

3)„overdrachtsformulier TR”: het document waarin de vervoersovereenkomst is vastgelegd op grond waarvan de vervoersonderneming in internationaal vervoer een of meer grote containers van een afzender naar een geadresseerde laat vervoeren. Het overdrachtsformulier TR is in de rechterbovenhoek van een volgnummer voorzien, dat uit acht cijfers bestaat, voorafgegaan door de letters „TR”.

Het overdrachtsformulier TR bestaat uit de volgende exemplaren, in volgorde van nummering:

— 1:exemplaar voor de algemene directie van de vervoersonderneming;

— 2:exemplaar voor de nationale vertegenwoordiger van de vervoersonderneming in het station van bestemming;

— 3A:exemplaar voor de douane;

— 3B:exemplaar voor de geadresseerde;

— 4:exemplaar voor de algemene directie van de vervoersonderneming;

— 5:exemplaar voor de nationale vertegenwoordiger van de vervoersonderneming in het station van vertrek;

— 6:exemplaar voor de afzender.

Met uitzondering van exemplaar nr. 3 A is elk exemplaar van het overdrachtsformulier TR aan de rechterzijde voorzien van een groene band waarvan de breedte ongeveer 4 cm bedraagt;

4)„lijst van grote containers”, hierna „lijst” genoemd: het document dat bij een overdrachtsformulier TR is gevoegd en waarvan het onlosmakelijk deel uitmaakt en dat dient ten geleide van verscheidene grote containers die van een zelfde station van vertrek naar een zelfde station van bestemming worden verzonden, waarbij de douaneformaliteiten in deze stations dienen te worden vervuld.

De lijst wordt in evenveel exemplaren opgesteld als er overeenkomstige overdrachtsformulieren TR zijn.

Het aantal lijsten wordt vermeld in het daarvoor bestemde vak in de rechterbovenhoek van het overdrachtsformulier TR.

Tevens wordt in de rechterbovenhoek van elke lijst het volgnummer van het overeenkomstige overdrachtsformulier TR vermeld;

▼M12

5)„dichtstbij zijnde geschikte spoorwegstation” het spoorwegstation of de terminal dat, respectievelijk die het dichtst bij de plaats van lading of van lossing is gelegen en dat, respectievelijk die over de faciliteiten beschikt om de in punt 2 omschreven „grote containers” te kunnen verwerken.

▼M19

Artikel 428

Het door de vervoersonderneming gebruikte overdrachtsformulier TR geldt als aangifte voor communautair douanevervoer.

▼B

Artikel 429

1. In elke Lid-Staat houdt de vervoersonderneming, door bemiddeling van haar nationale vertegenwoordiger(s), de administratie in haar centrale kantoor (kantoren) of in dat van haar nationale vertegenwoordiger(s), ter beschikking van de douaneautoriteiten, zodat deze de nodige controles kunnen verrichten.

2. De vervoersonderneming of haar nationale vertegenwoordiger(s) stelt (stellen) de douaneautoriteiten op hun verzoek zo spoedig mogelijk in kennis van alle documenten, boekhoudkundige bescheiden of inlichtingen betreffende zendingen die reeds vervoerd of nog onderweg zijn en waarvan deze autoriteiten kennis willen nemen.

3. Wanneer het overdrachtsformulier TR overeenkomstig artikel 428 als ►M19 aangiften voor communautair douanevervoer dienst doet, stelt (stellen) de vervoersonderneming of haar nationale vertegenwoordiger(s):

a)de kantoren van bestemming ervan in kennis wanneer exemplaar nr. 1 van het overdrachtsformulier TR zonder aftekening door de douane bij haar is binnengekomen;

b)kantoren van vertrek ervan in kennis wanneer exemplaar nr. 1 van het overdrachtsformulier TR niet aan haar is teruggezonden, en met betrekking tot dat formulier niet kon worden vastgesteld of de zending op regelmatige wijze bij het kantoor van bestemming werd aangeboden dan wel, bij toepassing van artikel 437, of de zending het douanegebied van de Gemeenschap met als bestemming een derde land heeft verlaten.

Artikel 430

1. Voor het in artikel 426 bedoelde vervoer dat door de vervoersonderneming in een Lid-Staat wordt aanvaard, geldt de spoorwegmaatschappij van die Lid-Staat als aangever.

2. Voor het in artikel 426 bedoelde vervoer dat door de vervoersonderneming in een derde land wordt aanvaard, geldt de spoorwegmaatschappij van de Lid-Staat over het grondgebied waarvan het vervoer het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomt, als aangever.

Artikel 431

Indien douaneformaliteiten dienen te worden vervuld op het traject dat niet per spoor wordt afgelegd tot aan het station van vertrek of dat niet per spoor wordt afgelegd vanaf het station van bestemming, kan het overdrachtsformulier TR slechts op één grote container betrekking hebben.

Artikel 432

De vervoersonderneming draagt er zorg voor dat zendingen die onder de regeling communautair douanevervoer worden vervoerd, gekenmerkt worden door middel van etiketten met een pictogram waarvan het model in bijlage 58 is opgenomen. De etiketten worden aangebracht op het overdrachtsformulier TR, alsmede op de grote container respectievelijk grote containers.

▼M12

De in de eerste alinea bedoelde etiketten mogen worden vervangen door een stempel in groene inkt dat het in bijlage 58 opgenomen pictogram weergeeft.

▼B

Artikel 433

Ingeval van wijziging van de vervoersovereenkomst ten einde:

—een vervoer binnen in plaats van buiten het douanegebied van de Gemeenschap te beëindigen,

—een vervoer buiten in plaats van binnen het douanegebied van de Gemeenschap te beëindigen,

mag de vervoersonderneming de gewijzigde overeenkomst slechts met voorafgaande toestemming van het kantoor van vertrek ten uitvoer brengen.

In alle andere gevallen mag de vervoersonderneming de gewijzigde overeenkomst ten uitvoer brengen; zij stelt het kantoor van vertrek onverwijld van de wijziging in kennis.

Artikel 434

1. Wanneer een vervoersbeweging onder de regeling communautair douanevervoer binnen de Gemeenschap begint en dient te eindigen, wordt het overdrachtsformulier TR bij het kantoor van vertrek overgelegd.

▼M13

2. Het kantoor van vertrek brengt in het voor de douane bestemde vak van de exemplaren 1, 2, 3A en 3B van het overdrachtsformulier TR, op duidelijk zichtbare wijze het volgende teken aan:

a)„T1”, indien de goederen onder de regeling extern communautair douanevervoer worden vervoerd;

b)„T2”, indien de goederen onder de regeling intern communautair douanevervoer worden vervoerd overeenkomstig artikel 165 van het Wetboek, behalve in de in ►M19 artikel 340 quater, lid 1, bedoelde gevallen;

c)„T2F” indien de goederen onder de regeling intern communautair douanevervoer worden vervoerd in de in ►M19 artikel 340 quater, lid 1, bedoelde gevallen.

Het teken „T2”, respectievelijk „T2F”, wordt door het aanbrengen van een stempelafdruk van het kantoor van vertrek gewaarmerkt.

3. Het kantoor van vertrek maakt in het voor de douane bestemde vak van de exemplaren 1, 2, 3A en 3B van het overdrachtsformulier TR afzonderlijk melding van de container(s), naar gelang van het soort goederen dat deze bevat(ten), en brengt, naast de vermelding van de betrokken container(s), het teken „T1”, „T2”, of „T2F” aan wanneer het overdrachtsformulier TR zowel betrekking heeft:

a)op containers met goederen die onder de regeling extern communautair douanevervoer worden vervoerd, als

b)op containers met goederen die overeenkomstig artikel 165 van het Wetboek onder de regeling intern communautair douanevervoer worden vervoerd, behalve in de in ►M19 artikel 340 quater, lid 1, bedoelde gevallen, als

c)op containers met goederen waarop ►M19 artikel 340 quater, lid 1, van toepassing is.

4. Wanneer, In het in lid 3 bedoelde geval, van lijsten van grote containers gebruik wordt gemaakt, worden par categorie container afzonderlijke lijsten opgesteld. De containers worden in het voor de douane bestemde vak van de exemplaren 1, 2, 3A en 3B van het overdrachtsformulier TR aangeduid met het (de) volgnummer(s) van de lijst(en) van grote containers. Het teken „T1”, „T2” of „T2F” wordt, naar gelang van het geval, haast het (de) volgnummer(s) van de lijst(en) aangebracht.

▼B

5. Alle exemplaren van het overdrachtsformulier TR worden aan de belanghebbende teruggegeven.

6. De in ►M19 artikel 340 quater, lid 2, bedoelde goederen worden, op de door elke Lid-Staat vast te stellen wijze, voor het gehele traject onder de regeling intern communautair douanevervoer geplaatst zonder dat het overdrachtsformulier TR betreffende deze goederen bij het kantoor van vertrek behoeft te worden overgelegd en zonder dat de in artikel 432 bedoelde etiketten behoeven te worden aangebracht. Deze ontheffing van de verplichting tot overlegging geldt evenwel niet voor overdrachtsformulieren TR die betrekking hebben op goederen waarop ►M18 artikel 843 van toepassing is.

7. Voor de in lid 2 bedoelde goederen wordt het overdrachtsformulier TR aangeboden bij het kantoor van bestemming waar de goederen voor het vrije verkeer of een andere douaneregeling worden geplaatst.

Bij het kantoor van bestemming behoeft ten aanzien van de in ►M19 artikel 340 quater, lid 2, bedoelde goederen geen enkele formaliteit te worden vervuld.

8. Ten behoeve van de in artikel 429 bedoelde controle houdt de vervoersonderneming alle overdrachtsformulieren die op het in lid 6 bedoelde douanevervoer betrekking hebben in het land van bestemming ter beschikking van de douaneautoriteiten, in voorkomend geval op de wijze die in onderling overleg met deze autoriteiten is vastgesteld.

9. Wanneer communautaire goederen per spoor worden vervoerd van een plaats in een Lid-Staat naar een plaats in een andere Lid-Staat, over het grondgebied van een derde land dat geen EVA-land is, wordt de regeling intern communautair douanevervoer toegepast. In dit geval zijn de leden 6, 7, tweede alinea, en 8 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 435

De identificatie van de goederen geschiedt overeenkomstig ►M19 artikel 357. Het kantoor van vertrek gaat in de regel niet over tot verzegeling van grote containers wanneer door de spoorwegmaatschappij reeds identificatiemaatregelen zijn toegepast. Wanneer de containers worden verzegeld, wordt dit in het voor de douane bestemde vak van de exemplaren nrs. 3 A en 3 B van het overdrachtsformulier TR vermeld.

Artikel 436

1. In de in artikel 434, lid 7, eerste alinea, bedoelde gevallen levert de vervoersonderneming de exemplaren nrs. 1, 2 en 3 A van het overdrachtsformulier TR in bij het kantoor van bestemming.

2. Het kantoor van bestemming geeft de exemplaren nrs. 1 en 2 na aftekening onverwijld aan de vervoersonderneming terug en behoudt exemplaar nr. 3 A.

Artikel 437

1. Wanneer een vervoersbeweging binnen het douanegebied van de Gemeenschap begint en daarbuiten dient te eindigen, zijn artikel 434, leden 1 tot en met 5, en artikel 435 van toepassing.

2. Het douanekantoor waaronder het grensstation ressorteert waarlangs het vervoer het douanegebied van de Gemeenschap verlaat, wordt aangemerkt als kantoor van bestemming.

3. Bij het kantoor van bestemming behoeft geen enkele formaliteit te worden vervuld.

Artikel 438

1. Wanneer een vervoersbeweging buiten het douanegebied van de Gemeenschap begint en daarbinnen dient te eindigen, wordt het douanekantoor waaronder het grensstation ressorteert waarlangs het vervoer het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomt, als kantoor van vertrek aangemerkt.

2. Het douanekantoor waar de goederen worden aangebracht, wordt als kantoor van bestemming aangemerkt.

De bij artikel 436 voorgeschreven formaliteiten worden bij het kantoor van bestemming vervuld.

▼M6

3. Wanneer de goederen in een tussenstation in het vrije verkeer worden gebracht of onder een andere douaneregeling worden geplaatst, wordt het douanekantoor waaronder dit station ressorteert, als kantoor van bestemming aangemerkt. Dit douanekantoor tekent de door de vervoermaatschappij aangeboden exemplaren 1, 2 en 3 A van het overdrachtsformulier TR af en brengt daarop ten minste een van de volgende aantekeningen aan:

—Despachado de aduana,

—Toldbehandlet,

—Verzollt,

—Εκτελωνισμένο,

—Cleared,

—Dédouané,

—Sdoganato,

—Vrijgemaakt,

—Desalfandegado,

—Tulliselvitetty,

—Tullklarerat,

▼A2

—Propuštěno,

—Lõpetatud,

—Nomuitots,

—Išleista,

—Vámkezelve,

—Mgħoddija,

—Odprawiony,

—Ocarinjeno,

—Prepustené,

▼M30

—Оформено,

—Vămuit,

▼M45

—Ocarinjeno.

▼M6

Dit kantoor geeft de exemplaren 1 en 2 na aftekening onverwijld aan de vervoermaatschappij terug en behoudt exemplaar 3 A.

4. Het bepaalde in artikel 423, leden 4 en 5, is van overeenkomstige toepassing.

▼B

Artikel 439

1. Wanneer een vervoersbeweging buiten het douanegebied van de Gemeenschap begint en dient te eindigen, worden de in artikel 438, lid 1, en in artikel 437, lid 2, bedoelde kantoren als kantoor van vertrek respectievelijk als kantoor van bestemming aangemerkt.

2. Bij het kantoor van vertrek en bij het kantoor van bestemming behoeft geen enkele formaliteit te worden vervuld.

Artikel 440

Het in artikel 438, lid 1, of artikel 439, lid 1, bedoelde vervoer van goederen wordt geacht met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer plaats te vinden, tenzij het communautaire karakter van de goederen overeenkomstig de artikelen 313 tot en met 340 wordt aangetoond.



▼M19

C.

Overige bepalingen

▼B

Artikel 441

▼M32

1. Artikel 353, lid 5, en bijlage 37 quinquies, punt 23, zijn van toepassing op de ladingslijsten die eventueel bij de vrachtbrief CIM of het overdrachtsformulier TR zijn gevoegd.

▼B

Voorts wordt op de ladingslijst het nummer vermeld van de wagon waarop de vrachtbrief CIM betrekking heeft of, in voorkomend geval, het nummer van de container waarin de goederen zich bevinden.

2. Bij vervoer, dat binnen het douanegebied van de Gemeenschap begint, van zowel onder de regeling extern communautair douanevervoer als onder de regeling intern communautair douanevervoer geplaatste goederen worden voor elke categorie goederen afzonderlijke ladingslijsten opgesteld. Voor het vervoer met behulp van grote containers onder geleide van overdrachtsformulieren TR worden afzonderlijke ladingslijsten opgesteld voor elke grote container waarin zich goederen van beide categorieën bevinden.

De volgnummers van de ladingslijsten die betrekking hebben op elk van de twee categorieën goederen worden vermeld in het voor de omschrijving van de goederen bestemde vak van de vrachtbrief CIM of het overdrachtsformulier TR.

3. In de gevallen als bedoeld in de leden 1 en 2 en met het oog op de toepassing van de in de artikelen 413 tot en met 442 bedoelde procedures maken de bij de vrachtbrief CIM of het overdrachtsformulier TR gevoegde ladingslijsten daarvan onlosmakelijk deel uit en hebben zij dezelfde rechtsgevolgen.

Het origineel van deze ladingslijsten wordt afgetekend door het station van verzending.



▼M19

D.

Toepassingsgebied van de normale en van de vereenvoudigde procedures

▼B

Artikel 442

▼M32

1. Wanneer de regeling communautair douanevervoer van toepassing is, vormen de artikelen 412 tot en met 441 geen beletsel voor de toepassing van de in de artikelen 344 tot en met 362, artikel 367 en bijlage 37 quinquies, punt 22, omschreven procedures, met dien verstande dat de artikelen 415 en 417 of 429 en 432 niettemin van toepassing zijn.

▼B

2. In het in lid 1 bedoelde geval wordt bij het opstellen van de vrachtbrief CIM of het overdrachtsformulier TR in het voor de vermelding van de bijlagen bestemde vak op duidelijke wijze verwezen naar het (de) gebruikte document(en) voor communautair douanevervoer, onder vermelding van de soort, het kantoor van afgifte, de datum en het nummer van geldigmaking van elk gebruikt document.

Bovendien moet exemplaar nr. 2 van de vrachtbrief CIM of de exemplaren nrs. 1 en 2 van het overdrachtsformulier TR worden afgetekend door de spoorwegmaatschappij waaronder het laatste bij het communautair douanevervoer betrokken station ressorteert. Deze spoorwegmaatschappij tekent de exemplaren af na te hebben nagegaan dat het vervoer van de goederen geschiedt onder geleide van het document, respectievelijk de documenten, voor communautair douanevervoer waarnaar wordt verwezen.

3. Wanneer, overeenkomstig de artikelen 426 tot en met 440, communautair douanevervoer onder geleide van een overdrachtsformulier TR plaatsvindt, valt de in het kader van dit vervoer gebruikte vrachtbrief CIM buiten het toepassingsgebied van de leden 1 en 2 en van de artikelen 412 tot en met 425. Op de vrachtbrief CIM wordt in het voor de vermelding van de bijlagen bestemde vak op duidelijke wijze naar het overdrachtsformulier TR verwezen. Deze verwijzing bevat de vermelding „Overdrachtsformulier TR”, gevolgd door het volgnummer.

▼M19

Artikel 442 bis

1. Wanneer de ontheffing van de verplichting om de aangifte voor douanevervoer bij het kantoor van vertrek aan te bieden betrekking heeft op goederen die overeenkomstig de artikelen 413 tot en met 442 onder geleide van een vrachtbrief CIM of een overdrachtsformulier TR worden verzonden, nemen de douaneautoriteiten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, naar gelang van het geval, het teken „T1”, „T2” of „T2F” op de exemplaren nrs. 1, 2 en 3 van de vrachtbrief CIM of op de exemplaren nrs. 1, 2, 3A en 3B van het overdrachtsformulier TR wordt aangebracht.

2. Wanneer de overeenkomstig de artikelen 413 tot en met 442 vervoerde goederen voor een toegelaten geadresseerde zijn bestemd, kunnen de douaneautoriteiten voorschrijven dat, in afwijking van artikel 406, lid 2, en artikel 408, lid 1, onder b), de exemplaren nrs. 2 en 3 van de vrachtbrief CIM, of de exemplaren nrs. 1, 2 en 3A van het overdrachtsformulier TR rechtstreeks door de spoorwegmaatschappij of de vervoersonderneming bij het kantoor van bestemming worden ingeleverd.

▼B



MISSING TEXT



▼M19

Onderafdeling 9

Vereenvoudige procedures voor het vervoer door de lucht

▼M19 —————

▼M19

Artikel 444

1. Een luchtvaartmaatschappij kan toestemming verkrijgen het luchtvaartmanifest als aangifte voor douanevervoer te gebruiken, mits de inhoud van dit manifest overeenstemt met het model in aanhangsel 3 van bijlage 9 bij het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart (vereenvoudigde procedure - niveau 1).

De vorm van het manifest, evenals de luchthavens van vertrek en van bestemming van het communautaire douanevervoer, worden in de vergunning vermeld. De luchtvaartmaatschappij doet de douaneautoriteiten van elke betrokken luchthaven een voor eensluidend gewaarmerkte kopie van de vergunning toekomen.

2. Wanneer zowel onder de regeling extern communautair douanevervoer te plaatsen goederen worden vervoerd als goederen die overeenkomstig artikel 340 quater, lid 1, onder de regeling intern communautair douanevervoer moeten worden geplaatst, worden deze goederen op afzonderlijke manifesten vermeld.

3. Het manifest bevat een door de luchtvaartmaatschappij gedateerde en ondertekende vermelding, namelijk:

—„T1”, wanneer de goederen onder de regeling extern communautair douanevervoer zijn geplaatst, of

—„T2F”, wanneer de goederen overeenkomstig artikel 340 quater, lid 1, onder de regeling intern communautair douanevervoer zijn geplaatst.

4. In het manifest worden voorts de volgende gegevens vermeld:

a)de naam van de luchtvaartmaatschappij die de goederen vervoert,

b)het vluchtnummer,

c)de datum van de vlucht,

d)de naam van de luchthaven van lading (luchthaven van vertrek) en lossing (luchthaven van bestemming).

In het manifest wordt voor elke zending ook vermeld:

a)het nummer van de luchtvrachtbrief,

b)het aantal colli,

c)een omschrijving van de goederen volgens de gebruikelijke handelsbenaming van de goederen alsmede de noodzakelijke gegevens om de goederen te kunnen identificeren,

d)de brutomassa.

Bij groupagevervoer wordt hun omschrijving, zo nodig, vervangen door de vermelding „consolidation”, eventueel in afgekorte vorm. In dit geval moet de omschrijving van de goederen volgens de gebruikelijke handelsbenaming van de goederen, alsmede de noodzakelijke gegevens om de goederen te kunnen identificeren, voorkomen op de luchtvrachtbrieven die op de in het manifest vermelde goederen betrekking hebben.

5. Het manifest wordt ten minste in tweevoud ter visering aan de douaneautoriteiten van de luchthaven van vertrek voorgelegd, die een exemplaar ervan behouden.

6. Een exemplaar van het manifest wordt aan de douaneautoriteiten van de luchthaven van bestemming overgelegd.

7. De douaneautoriteiten van elke luchthaven van bestemming doen de douaneautoriteiten van elke luchthaven van vertrek maandelijks, na waarmerking, de door de luchtvaartmaatschappijen opgestelde lijst van de manifesten toekomen die in de loop van de voorgaande maand bij hen zijn aangeboden.

Elk manifest wordt op deze lijst omschreven door vermelding van:

a)het referentienummer van het manifest,

b)het teken dat aangeeft dat het manifest overeenkomstig lid 3 als aangifte voor douanevervoer wordt gebruikt,

c)de naam (eventueel afgekort) van de luchtvaartmaatschappij die de goederen heeft vervoerd,

d)het vluchtnummer,

e)de datum van de vlucht.

Eveneens kan worden toegestaan dat de luchtvaartmaatschappijen deze gegevens zelf doorzenden.

Wanneer onregelmatigheden worden vastgesteld ten opzichte van de gegevens van de in deze lijst opgenomen manifesten, delen de douaneautoriteiten van de luchthaven van bestemming dit mede aan de douaneautoriteiten van de luchthaven van vertrek en aan de autoriteit die de vergunning heeft afgegeven, waarbij zij met name verwijzen naar de luchtvrachtbrieven betreffende de goederen die tot de vaststelling van de onregelmatigheden aanleiding hebben gegeven.

Artikel 445

1. Een luchtvaartmaatschappij kan toestemming verkrijgen om manifesten die met behulp van een systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens (EDI) worden doorgezonden als aangifte voor douanevervoer te gebruiken, indien zij een beduidend aantal vluchten tussen de lidstaten uitvoert (vereenvoudigde procedure - niveau 2).

In afwijking van artikel 373, lid 1, onder a), behoeven de luchtvaartmaatschappijen niet in de Gemeenschap te zijn gevestigd, mits zij aldaar over een regionaal kantoor beschikken.

2. Zodra zij de aanvraag om een vergunning hebben ontvangen, delen de douaneautoriteiten dit mede aan de andere lidstaten op het grondgebied waarvan de luchthavens van vertrek en van bestemming zijn gelegen die door een systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens met elkaar zijn verbonden.

Indien binnen 60 dagen na de datum van deze mededeling geen bezwaren zijn ontvangen, verlenen de douaneautoriteiten de vergunning.

Deze vergunning is in alle betrokken lidstaten geldig en is uitsluitend van toepassing op het communautaire douanevervoer tussen de in de vergunning genoemde luchthavens.

3. Voor de toepassing van de vereenvoudiging wordt het op de luchthaven van vertrek opgestelde manifest met behulp van het systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens naar de luchthaven van bestemming gezonden.

De luchtvaartmaatschappij vermeldt op het manifest naast de betrokken posten van het manifest:

a)het teken „T1”, wanneer de goederen onder de regeling extern communautair douanevervoer zijn geplaatst;

b)het teken„TF”, wanneer de goederen overeenkomstig artikel 340 quater onder de regeling intern communautair douanevervoer zijn geplaatst;

c)het teken „TD” wanneer de goederen reeds onder een regeling voor douanevervoer zijn geplaatst of in het kader van de regeling actieve veredeling, douane-entrepots of tijdelijke invoer worden vervoerd. In dergelijke gevallen brengt de luchtvaartmaatschappij het teken „TD” eveneens aan op de betrokken luchtvrachtbrief en vermeldt zij de gevolgde procedure, alsmede het nummer, de datum en het kantoor van afgifte van het document van douanevervoer of overdracht;

d)het teken „C” (gelijk aan „T2L”) voor goederen waarvan het communautaire karakter kan worden aangetoond;

e)het teken „X” voor uit te voeren communautaire goederen die niet onder een regeling voor douanevervoer zijn geplaatst.

Het manifest dient eveneens de in artikel 444, lid 4, bedoelde gegevens te bevatten.

4. De regeling communautair douanevervoer wordt als beëindigd beschouwd zodra de douaneautoriteiten van de luchthaven van bestemming over het manifest kunnen beschikken dat met behulp van het systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens is verzonden en de goederen bij hen zijn aangebracht.

De administratie van de luchtvaartmaatschappij moet ten minste de in lid 3, tweede alinea, genoemde gegevens bevatten.

De douaneautoriteiten van de luchthaven van bestemming zenden zo nodig de gegevens over de manifesten die over het systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens zijn ontvangen, ter controle aan de douaneautoriteiten van de luchthaven van vertrek.

5. Onverminderd de artikelen 365 en 366 en 450 bis tot en met 450 quinquies en titel VII van het Wetboek:

a)stelt de luchtvaartmaatschappij de douaneautoriteiten van alle overtredingen en onregelmatigheden in kennis;

b)delen de douaneautoriteiten van de luchthaven van bestemming alle overtredingen en onregelmatigheden zo spoedig mogelijk mede aan de douaneautoriteiten van de luchthaven van vertrek en aan de autoriteit die de vergunning heeft afgegeven.



Onderafdeling 10

Vereenvoudigde procedures voor het vervoer over zee

Artikel 446

Wanneer de artikelen 447 en 448 van toepassing zijn, behoeft geen zekerheid te worden gesteld.

Artikel 447

1. Een scheepvaartmaatschappij kan toestemming verkrijgen het scheepvaartmanifest dat op de goederen betrekking heeft als aangifte voor douanevervoer te gebruiken (vereenvoudigde procedure - niveau 1).

De vorm van het manifest, evenals de havens van vertrek en van bestemming van het communautaire douanevervoer, worden in de vergunning vermeld. De scheepvaartmaatschappij doet de douaneautoriteiten van elke betrokken haven een voor eensluidend gewaarmerkte kopie van de vergunning toekomen.

2. Wanneer zowel onder de regeling extern communautair douanevervoer te plaatsen goederen worden vervoerd als goederen die overeenkomstig artikel 340 quater, lid 1, onder de regeling intern communautair douanevervoer moeten worden geplaatst, worden deze goederen op afzonderlijke manifesten vermeld.

3. Het manifest wordt door de scheepvaartmaatschappij van de volgende gedateerde en ondertekende vermelding voorzien:

—„T1”, wanneer de goederen onder de regeling extern communautair douanevervoer zijn geplaatst, of

—„T2F”, wanneer de goederen overeenkomstig artikel 340 quater, lid 1, onder de regeling intern communautair douanevervoer zijn geplaatst.

4. In het manifest worden voorts de volgende gegevens vermeld:

a)de naam en het volledige adres van de scheepvaartmaatschappij die de goederen vervoert,

b)de naam van het schip,

c)de plaats van lading,

d)de plaats van lossing.

In het manifest wordt voor elke zending ook vermeld:

a)een verwijzing naar het cognossement,

b)het aantal, de aard, de merken en nummers van de colli,

c)een omschrijving van de goederen volgens de gebruikelijke handelsbenaming alsmede de noodzakelijke gegevens om de goederen te kunnen identificeren,

d)de brutomassa in kg,

e)in voorkomend geval, de nummers van de containers.

5. Het manifest wordt ten minste in tweevoud ter visering aan de douaneautoriteiten van de haven van vertrek voorgelegd, die een exemplaar ervan behouden.

6. Een exemplaar van het manifest dient aan de douaneautoriteiten van de haven van bestemming te worden overgelegd.

7. De douaneautoriteiten van elke haven van bestemming zenden de douaneautoriteiten van elke haven van vertrek maandelijks, na waarmerking, de door de scheepvaartmaatschappijen opgestelde lijst van manifesten die in de loop van de voorgaande maand bij hen zijn aangeboden.

Elk manifest wordt op deze lijst omschreven door vermelding van:

a)het referentienummer van het manifest,

b)het teken dat aangeeft dat het manifest overeenkomstig lid 3 als aangifte voor douanevervoer wordt gebruikt,

c)de naam (eventueel afgekort) van de scheepvaartmaatschappij die de goederen heeft vervoerd,

d)de datum van het vervoer over zee.

Eveneens kan worden toegestaan dat de scheepvaartmaatschappijen deze gegevens zelf doorzenden.

Wanneer onregelmatigheden worden vastgesteld ten opzichte van de gegevens van de in deze lijst opgenomen manifesten, delen de douaneautoriteiten van de haven van bestemming dit mede aan de douaneautoriteiten van de haven van vertrek en aan de autoriteit die de vergunning heeft afgegeven, waarbij zij met name verwijzen naar de cognossementen betreffende de goederen die tot de vaststelling van de onregelmatigheden aanleiding hebben gegeven.

Artikel 448

1. Een scheepvaartmaatschappij die regelmatig en volgens erkende routes tussen de lidstaten heen en weer vaart, kan toestemming verkrijgen een enkel manifest als aangifte voor douanevervoer te gebruiken (vereenvoudigde procedure - niveau 2).

In afwijking van artikel 373, lid 1, onder a), behoeven de scheepvaartmaatschappijen niet in de Gemeenschap te zijn gevestigd, mits zij aldaar over een regionaal kantoor beschikken.

2. Zodra zij de aanvraag om een vergunning hebben ontvangen, delen de douaneautoriteiten dit mede aan de andere lidstaten op het grondgebied waarvan de voorziene havens van vertrek en van bestemming zijn gelegen.

Indien binnen zestig dagen na de datum van mededeling geen bezwaren zijn ontvangen, geven de douaneautoriteiten de vergunning af.

Deze vergunning is geldig in alle betrokken lidstaten en is uitsluitend van toepassing op het communautaire douanevervoer tussen de in de vergunning genoemde havens.

3. Voor de toepassing van de vereenvoudiging mag de scheepvaartmaatschappij een enkel manifest gebruiken voor alle vervoerde goederen; in dit geval vermeldt zij naast de betrokken posten van het manifest:

a)het teken „T1”, wanneer de goederen onder de regeling extern communautair douanevervoer zijn geplaatst;

b)het teken „TF”, wanneer de goederen overeenkomstig artikel 340 quater, lid 1, onder de regeling intern communautair douanevervoer zijn geplaatst;

c)het teken „TD” wanneer de goederen reeds onder een douanevervoerregeling zijn geplaatst of in het kader van de regeling actieve veredeling, douane-entrepots of tijdelijke invoer worden vervoerd. In dergelijke gevallen brengt de scheepvaartmaatschappij de vermelding„TD” ook op het cognossement of een ander geschikt handelsdocument aan en vermeldt zij de gevolgde procedure, alsmede het nummer, de datum en het kantoor van afgifte van het document van douanevervoer of overdracht;

d)het teken „C” (gelijk aan „T2L”) voor goederen waarvan het communautaire karakter kan worden aangetoond;

e)het teken „X” voor uit te voeren communautaire goederen die niet onder een regeling voor douanevervoer zijn geplaatst.

Het manifest dient eveneens de in artikel 447, lid 4, bedoelde gegevens te bevatten.

4. De regeling communautair douanevervoer wordt als beëindigd beschouwd zodra de manifesten en de goederen bij de douaneautoriteiten van de haven van bestemming zijn aangeboden.

De administratie van de scheepvaartmaatschappij, zoals in artikel 373, lid 2, onder b), bedoeld, moet ten minste de in lid 3, eerste alinea, vermelde gegevens bevatten.

De douaneautoriteiten van de haven van bestemming zenden zo nodig de gegevens van de ontvangen manifesten ter controle aan de douaneautoriteiten van de haven van vertrek.

5. Onverminderd de artikelen 365 en 366, 450 bis tot en met 450 quinquies en titel VII van het Wetboek

a)stelt de scheepvaartmaatschappij de douaneautoriteiten van alle overtredingen en onregelmatigheden in kennis;

b)delen de douaneautoriteiten van de haven van bestemming alle overtredingen en onregelmatigheden zo spoedig mogelijk mede aan de douaneautoriteiten van de haven van vertrek en aan de autoriteit die de vergunning heeft afgegeven.



Onderafdeling 11

Vereenvoudigde procedures voor het vervoer door pijpleidingen

▼B

Artikel 450

1. Wanneer de regeling communautair douanevervoer van toepassing is, worden de in het kader van deze regeling te vervullen formaliteiten overeenkomstig de leden 2 tot en met 6 aangepast voor het vervoer van goederen door middel van pijpleidingen.

2. De door middel van pijpleidingen vervoerde goederen worden geacht onder de regeling communautair douanevervoer te zijn geplaatst:

—op het tijdstip waarop zij het douanegebied van de Gemeenschap door middel van een pijpleiding binnenkomen;

—op het tijdstip waarop zij in de pijpleiding worden gebracht, wanneer het goederen betreft die zich reeds in het douanegebied van de Gemeenschap bevinden.

In voorkomend geval wordt het communautaire karakter van deze goederen overeenkomstig de artikelen 313 tot en met 340 vastgesteld.

3. Voor de in lid 2 bedoelde goederen wordt de exploitant van de pijpleiding die in de Lid-Staat is gevestigd over het grondgebied waarvan de goederen het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen of de exploitant van de pijpleiding die in de Lid-Staat is gevestigd waar het vervoer begint, als aangever aangemerkt.

4. Voor de toepassing van artikel 96, lid 2, van het Wetboek wordt de exploitant van de pijpleiding die is gevestigd in de Lid-Staat over het grondgebied waarvan de goederen per pijpleiding worden vervoerd, geacht de vervoerder te zijn.

5. Het communautair douanevervoer wordt geacht te zijn beëindigd op het tijdstip waarop de per pijpleiding vervoerde goederen de installaties of het distributienetwerk van de geadresseerde bereiken en in diens administratie worden opgenomen.

6. De bij het vervoer betrokken ondernemingen voeren een administratie en houden deze ter beschikking van de douaneautoriteiten zodat deze alle controles kunnen verrichten die zij in het kader van het in de leden 2, 3 en 4 bedoelde communautair douanevervoer nodig achten.

▼M19



Afdeling 4

Douaneschuld en invordering

▼M32

Artikel 450 bis

De in artikel 215, lid 1, derde streepje, van het Wetboek bedoelde termijn bedraagt:

—zeven maanden vanaf de laatste dag waarop de goederen bij het kantoor van bestemming hadden moeten worden aangebracht, tenzij een verzoek tot invordering overeenkomstig artikel 365 bis is verzonden, in welk geval deze termijn met maximaal één maand wordt verlengd, of

—één maand na het verstrijken van de in artikel 365, lid 5, genoemde termijn wanneer de aangever onvoldoende dan wel geen gegevens heeft verstrekt.

▼M19

Artikel 450 ter

1. Wanneer na de aanvang van een invorderingsprocedure van de andere heffingen de douaneautoriteiten die overeenkomstig artikel 215 van het Wetboek bevoegd zijn, hierna „verzoekende autoriteiten” genoemd, door ongeacht welk middel het bewijs verkrijgen, van de plaats waar de feiten zich hebben voorgedaan die tot het ontstaan van de douaneschuld hebben geleid, zenden zij de terzake dienende documenten, waaronder gewaarmerkte kopieën van de bewijsstukken, onverwijld aan de douaneautoriteiten die voor die plaats bevoegd zijn, hierna „aangezochte autoriteiten” genoemd.

De aangezochte autoriteiten zenden een ontvangstbevestiging waarin zij verklaren of zij voor de invordering bevoegd zijn. Wanneer zij niet binnen drie maanden antwoorden, hervatten de verzoekende autoriteiten terstond de door hen aangevangen invorderingsprocedure.

2. Ingeval de aangezochte autoriteiten bevoegd zijn, leiden zij, in voorkomend geval na het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn van drie maanden en onder onmiddellijke inkennisstelling van de verzoekende autoriteiten, een nieuwe procedure tot invordering van de andere heffingen in.

Een niet-voltooide procedure tot invordering van de andere heffingen die door de verzoekende autoriteiten is ingeleid, wordt geschorst, zodra de aangezochte autoriteiten hun mededelen dat zij tot invordering overgaan.

Zodra de aangezochte autoriteiten het bewijs hebben geleverd dat zij de verschuldigde andere heffingen hebben ingevorderd, betalen de verzoekende autoriteiten de reeds ingevorderde andere heffingen terug of beëindigen zij de procedure tot invordering van die heffingen overeenkomstig de voorschriften terzake.

Artikel 450 quater

▼M32

1. Wanneer de regeling niet is gezuiverd, moeten de douaneautoriteiten van de lidstaat van vertrek de borg binnen negen maanden na de datum waarop de goederen bij het kantoor van bestemming hadden moeten worden aangebracht, in kennis stellen van de niet-zuivering van de regeling.

▼M21

1 bis. Wanneer de regeling niet is gezuiverd, moeten de overeenkomstig artikel 215 van het Wetboek bepaalde douaneautoriteiten de borg binnen drie jaar na aanvaarding van de aangifte voor douanevervoer, ervan in kennis stellen dat hij verplicht is of kan worden de bedragen, waarvoor hij in verband met het betrokken communautair douanevervoer aansprakelijk is, te betalen. In deze kennisgeving moeten het nummer en de datum van de aangifte voor douanevervoer, de naam van het kantoor van vertrek, de naam van de aangever en de mogelijk opeisbare bedragen worden vermeld.

▼M21

2. De borg is van zijn verplichtingen ontslagen wanneer een van de in de leden 1 en 1 bis genoemde kennisgevingen hem niet binnen de voorgeschreven termijnen is gedaan.

▼M19

3. Wanneer een van de twee kennisgevingen is verzonden, wordt de borg van de invordering van de douaneschuld of van de zuivering van de regeling in kennis gesteld.

Artikel 450 quinquies

De lidstaten verlenen elkaar wederzijds bijstand om vast te stellen welke autoriteiten voor de invordering bevoegd zijn.

▼M32

Deze autoriteiten stellen het kantoor van vertrek en het kantoor van zekerheidstelling in kennis van alle gevallen waarin een schuld is ontstaan in verband met door het kantoor van vertrek aanvaarde aangiften voor douanevervoer en van alle maatregelen die worden genomen om de verschuldigde bedragen bij de schuldenaar in te vorderen. Voorts stellen zij het kantoor van vertrek in kennis van de inning van de rechten en andere heffingen, teneinde dit kantoor in staat te stellen het douanevervoer te zuiveren.

▼B



HOOFDSTUK 9

▼M22

Vervoer onder de TIR- of ATA-regeling

▼B



Afdeling 1

Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 451

Wanneer goederen van de ene plaats naar een andere plaats binnen het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd met toepassing van de regeling voor internationaal goederenvervoer onder geleide van een carnet TIR (TIR-overeenkomst), of onder geleide van een carnet ATA (ATA-overeenkomst►M26 /Overeenkomst van Istanbul), wordt het douanegebied van de Gemeenschap, wat het gebruik van het carnet TIR of het carnet ATA voor dit vervoer betreft, als één gebied aangemerkt.

2. Voor het gebruik van carnets ATA als doorvoerdocumenten wordt onder „doorvoer” verstaan het vervoer van goederen van een douanekantoor dat in het douanegebied van de Gemeenschap is gelegen naar een ander douanekantoor dat in hetzelfde gebied is gelegen.

Artikel 452

Wanneer het vervoer van de ene naar een andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap gedeeltelijk over het grondgebied van een derde land plaatsvindt, zijn de aan de TIR-regeling of de ATA-regeling verbonden formaliteiten en controles van toepassing op de plaatsen waar het vervoer tijdelijk het douanegebied van de Gemeenschap verlaat en waar het opnieuw dit gebied binnenkomt.

Artikel 453

1. Wanneer goederen onder geleide van carnets TIR of carnets ATA in het douanegebied van de Gemeenschap worden vervoerd, worden zij geacht niet-communautaire goederen te zijn, tenzij hun communautaire karakter wordt vastgesteld.

▼M7

2. Het communautaire karakter van de in lid 1 bedoelde goederen wordt aangetoond en vastgesteld overeenkomstig de artikelen ►M22►M32 314 tot en met 324 septies of, indien van toepassing, de artikelen 325 tot en met 334, binnen de in artikel 326 omschreven grenzen.



▼M22

Afdeling 2

De TIR-regeling

▼M32

Artikel 454

1. Deze afdeling is van toepassing op het vervoer van goederen onder geleide van een carnet TIR binnen het douanegebied van de Gemeenschap.

2. De structuur en de kenmerken van de in deze afdeling bedoelde berichten worden in onderling overleg tussen de douaneautoriteiten vastgesteld.

3. De houder van het carnet TIR moet de gegevens van het carnet TIR met behulp van een gegevensverwerkingstechniek op de in de bijlagen 37 bis en 37 quater aangegeven wijze verstrekken aan het douanekantoor van vertrek of binnenkomst.

4. Bij de vrijgave van de goederen voor de TIR-operatie maakt het douanekantoor van vertrek of van binnenkomst een ►M34 begeleidingsdocument douanevervoer — begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid aan, dat wordt gehecht aan strook 2 van het carnet TIR en geeft het de elektronische gegevens door aan het aangegeven douanekantoor van bestemming of van uitgang met behulp van het „voorafgaande bericht van aankomst”.

5. De gegevens van het papieren carnet TIR worden gebruikt om de rechtsgevolgen te bepalen indien er een verschil is tussen de elektronische gegevens van het carnet TIR en de gegevens op papier van het carnet TIR.

6. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan ontheffing worden verleend van de verplichting de gegevens van het carnet TIR met behulp van een gegevensverwerkingstechniek te verstrekken, namelijk wanneer

a)het geautomatiseerde douanevervoersysteem van de douane niet functioneert;

b)de applicatie voor het verstrekken van de gegevens van het carnet TIR met behulp van een gegevensverwerkingstechniek niet functioneert;

c)het netwerk tussen de applicatie voor het verstrekken van de gegevens van het carnet TIR met behulp van een gegevensverwerkingstechniek en de douane niet functioneert.

7. Een ontheffing op grond van lid 6, onder b) of c), kan slechts met toestemming van de douane worden verleend.

▼M26

Artikel 454 bis

1. De douaneautoriteiten kunnen de geadresseerde op diens verzoek toestaan in zijn bedrijfsruimte of op andere aangewezen plaatsen, onder de TIR-regeling vervoerde goederen in ontvangst te nemen, en kunnen hem de status van „toegelaten geadresseerde” toekennen.

2. De in lid 1 bedoelde vergunning wordt slechts verleend aan de personen die:

a)in de Gemeenschap zijn gevestigd;

b)geregeld goederen ontvangen die onder de TIR-regeling zijn geplaatst, of van wie het de douaneautoriteiten bekend is dat zij de uit deze regeling voortvloeiende verplichtingen kunnen nakomen;

c)geen ernstige of herhaalde inbreuken op de douanewetgeving of belastingwetgeving hebben gepleegd;

▼M32

d)gebruikmaken van een gegevensverwerkingstechniek om met het douanekantoor van bestemming te communiceren.

▼M26

Artikel 373, lid 2, is van overeenkomstige toepassing.

De vergunning is slechts van toepassing in de lidstaat die haar heeft toegekend.

De vergunning is slechts van toepassing op de TIR operaties die als laatste plaats van lossing de in de vergunning vermelde ruimten hebben.

3. De artikelen 374 en 375, artikel 376, leden 1 en 2, en de artikelen 377 en 378 zijn van overeenkomstige toepassing op de procedure betreffende het in lid 1 bedoelde verzoek.

4. Artikel 407 is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de in de in lid 1 bedoelde vergunning vastgelegde procedure.

▼M29

5. Wanneer de betrokkene houder is van een AEO-certificaat als bedoeld in artikel 14 bis, lid 1, onder a) of c), wordt geacht te zijn voldaan aan de eisen van lid 2, eerste alinea, onder c), van het onderhavige artikel en van artikel 373, lid 2, onder b).

▼M32

Artikel 454 ter

1. De toegelaten geadresseerde vervult de volgende verplichtingen in verband met goederen die in zijn bedrijfsruimten aankomen of op de plaats die is vermeld in de in artikel 454 bis bedoelde vergunning overeenkomstig de bij de vergunning vastgestelde procedure:

a)hij stelt het kantoor van bestemming onmiddellijk in kennis van de aankomst van de goederen door middel van een „bericht van aankomst” en van alle incidenten die zich tijdens het vervoer hebben voorgedaan;

b)hij wacht op het bericht „toestemming tot lossen” alvorens met het lossen te beginnen;

c)hij vermeldt de resultaten van het lossen onverwijld in zijn administratie;

d)hij zendt uiterlijk drie dagen na aankomst van de goederen het bericht „opmerkingen lossen”, met gegevens over eventuele onregelmatigheden of incidenten, naar het douanekantoor van bestemming.

2. De toegelaten geadresseerde zorgt ervoor dat het carnet TIR en het ►M34 begeleidingsdocument douanevervoer — begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid onverwijld bij het kantoor van bestemming worden aangeboden. Dit kantoor vult stok 2 van het carnet TIR in en geeft het carnet TIR terug aan de houder van het carnet TIR of de persoon die namens hem optreedt. Het douanekantoor van bestemming of uitgang behoudt strook 2.

3. De TIR-operatie wordt als beëindigd beschouwd op de dag dat zij wordt ingeschreven in de in lid 1, onder c), bedoelde administratie.

Wanneer zich echter tijdens het vervoer een onregelmatigheid of incident heeft voorgedaan, wordt de TIR-operatie als beëindigd beschouwd op de dag van verzending van het in artikel 455, lid 4, bedoelde bericht „controleresultaten”.

4. Op verzoek van de houder van het carnet TIR geeft de toegelaten geadresseerde een bewijs af dat de goederen in zijn bedrijfsruimten zijn aangekomen waarin hij naar het ►M34 begeleidingsdocument douanevervoer — begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid en het carnet TIR verwijst. Dit bewijs kan niet worden gebruikt als bewijs van de beëindiging van de TIR-operatie in de zin van artikel 1, onder d), van de TIR-overeenkomst of van artikel 455 ter.

5. Het kantoor van bestemming voert de gegevens van het bericht „controleresultaten” in het computersysteem in.

De douane zendt ook de gegevens als bedoeld in bijlage 10 bij de TIR-overeenkomst.

6. Wanneer de gegevensverwerkingsapplicatie van de toegelaten geadresseerde niet werkt, kunnen de bevoegde autoriteiten toestaan dat andere middelen worden gebruikt om met het douanekantoor van bestemming te communiceren.

▼M26

Artikel 454 quater

1. De houder van het carnet TIR heeft aan zijn verplichtingen krachtens artikel 1, onder o), van de TIR-overeenkomst voldaan, indien dit carnet alsmede het wegvoertuig, de vervoerscombinatie of de container en de goederen in ongeschonden staat zijn aangeboden in de bedrijfsruimte van de toegelaten geadresseerde of op een in de vergunning aangewezen plaats.

▼M32

2. De TIR-operatie is beëindigd in de zin van artikel 1, onder d), van de TIR-overeenkomst wanneer aan de eisen van artikel 454 ter, lid 1 en lid 2, eerste zin, is voldaan.

Artikel 455

1. Het douanekantoor van bestemming of van uitgang vult stok 2 in, behoudt strook 2 en het ►M34 begeleidingsdocument douanevervoer — begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid, en verzendt het „bericht van aankomst” om het kantoor van vertrek of binnenkomst de aankomst van de goederen te melden op de dag waarop deze worden aangebracht bij het douanekantoor van bestemming of uitgang.

2. Wanneer de TIR-operatie bij een ander kantoor wordt beëindigd dan het kantoor dat oorspronkelijk in de aangifte voor douanevervoer is vermeld, meldt het nieuwe kantoor van bestemming of uitgang de aankomst van de goederen aan het kantoor van vertrek of binnenkomst door middel van het „bericht van aankomst”.

Het douanekantoor van vertrek of binnenkomst deelt de aankomst ook mee aan het oorspronkelijk vermelde kantoor van bestemming of uitgang door middel van een „bericht van aankomst ter kennisgeving”.

3. Het in de leden 1 en 2 vermelde „bericht van aankomst” kan niet worden gebruikt als bewijs dat de regeling is beëindigd in de zin van artikel 455 ter.

4. Tenzij er goede redenen zijn om hiervan af te wijken, zendt het kantoor van bestemming of uitgang het bericht „controleresultaten” binnen drie dagen na de aanbrenging van de goederen bij het kantoor van bestemming of uitgang naar het kantoor van binnenkomst of vertrek. Wanneer echter artikel 454 ter van toepassing is, zendt het kantoor van bestemming het bericht „controleresultaten” binnen zes dagen na de aankomst van de goederen in de bedrijfsruimte van de toegelaten geadresseerde naar het kantoor van vertrek of binnenkomst.

De douane zendt ook de gegevens als bedoeld in bijlage 10 van de TIR-overeenkomst.

5. Wanneer artikel 454, lid 6, van toepassing is, zenden de douaneautoriteiten van de lidstaat van bestemming of uitgang het desbetreffende deel van strook 2 van het carnet TIR onverwijld terug aan de douaneautoriteiten van de lidstaat van binnenkomst of vertrek en uiterlijk acht dagen na de beëindiging van de TIR-operatie.

Artikel 455 bis

1. Wanneer de douaneautoriteiten van de lidstaat van vertrek of binnenkomst het bericht van aankomst niet hebben ontvangen binnen de termijn waarin de goederen bij het douanekantoor van bestemming of uitgang moesten worden aangebracht, of het bericht „controleresultaten” niet hebben ontvangen binnen zes dagen na ontvangst van het „bericht van aankomst”, overwegen zij de inleiding van de nasporingsprocedure om de gegevens te verkrijgen die nodig zijn voor het zuiveren van de TIR-operatie of, indien dit niet mogelijk is, om vast te stellen:

—of een douaneschuld is ontstaan,

—wie de schuldenaar is,

—welke douaneautoriteit voor de boeking verantwoordelijk is.

2. De nasporingsprocedure wordt binnen zeven dagen na het verstrijken van een in lid 1 bedoelde termijn ingeleid, behalve in uitzonderlijke gevallen die de lidstaten in onderling overleg vaststellen. Deze procedure wordt terstond ingeleid wanneer de douaneautoriteiten in een vroeg stadium vernemen of vermoeden dat de TIR-operatie niet is beëindigd.

3. Indien de douane van de lidstaat van vertrek of binnenkomst slechts het „bericht van aankomst” heeft ontvangen, leidt zij de nasporingsprocedure in door het douanekantoor van bestemming of uitgang dat dit bericht heeft verzonden, om de „controleresultaten” te verzoeken.

4. Indien het douanekantoor van vertrek of binnenkomst het „bericht van aankomst” niet heeft ontvangen, leidt het de nasporingsprocedure in door de informatie die nodig is voor de zuivering van de TIR-operatie op te vragen bij het douanekantoor van bestemming of uitgang. Dit kantoor antwoordt binnen 28 dagen op dit verzoek.

5. De houder van het carnet TIR wordt uiterlijk 28 dagen na de inleiding van de nasporingsprocedure verzocht de informatie die nodig is om de regeling te zuiveren te verstrekken aan het douanekantoor van bestemming of uitgang wanneer de TIR-operatie niet kan worden gezuiverd. De houder van het carnet TIR antwoordt binnen 28 dagen op dit verzoek. Op verzoek van de houder van het carnet TIR kan deze termijn met nog eens 28 dagen worden verlengd.

De douaneautoriteiten van de lidstaat van vertrek of binnenkomst delen dit ook mee aan de betrokken aansprakelijke organisatie, onverminderd de kennisgeving die op grond van artikel 11, lid 1, van de TIR-overeenkomst moet worden gedaan, met het verzoek het bewijs te leveren dat de TIR-operatie is beëindigd.

6. Wanneer artikel 454, lid 6, van toepassing is, leiden de douaneautoriteiten van de lidstaat van vertrek of binnenkomst de in lid 1 bedoelde nasporingsprocedure in wanneer zij twee maanden na de aanvaarding van het carnet TIR niet het bewijs hebben ontvangen dat de TIR-operatie is beëindigd. Te dien einde zenden de douaneautoriteiten van de lidstaat van vertrek of binnenkomst de douaneautoriteiten van de lidstaat van bestemming of uitgang een verzoek dat alle nodige informatie bevat. Indien de douaneautoriteiten eerder informatie ontvangen waaruit blijkt dat de TIR-operatie niet is beëindigd of indien zij vermoedt dat dit het geval is, leiden zij onverwijld de nasporingsprocedure in. De nasporingsprocedure wordt eveneens ingeleid wanneer achteraf blijkt dat het bewijs van beëindiging van de TIR-operatie vals is en de nasporingsprocedure nodig is om het in lid 1 beoogde doel te bereiken.

De in lid 5 vastgestelde procedure is van overeenkomstige toepassing.

De douaneautoriteiten van de lidstaat van bestemming of uitgang antwoorden binnen 28 dagen.

7. Wanneer bij de nasporingsprocedure blijkt dat de TIR-operatie naar behoren is beëindigd, zuiveren de douaneautoriteiten van de lidstaat van vertrek of binnenkomst de regeling en delen zij dit onverwijld mee aan de aansprakelijke organisatie en de houder van het carnet TIR en, in voorkomend geval, aan de douaneautoriteiten die overeenkomstig de artikelen 217 tot en met 232 van het Wetboek met de invordering zijn begonnen.

▼M32

Artikel 455 ter

1. Het bewijs dat de TIR-operatie binnen de in het carnet TIR gestelde termijn is beëindigd, kan ten genoegen van de douaneautoriteiten worden geleverd door de overlegging van een door de douaneautoriteiten van de lidstaat van bestemming of uitgang gewaarmerkt document waarin de betrokken goederen zijn omschreven en waaruit blijkt dat deze bij het douanekantoor van bestemming of uitgang of, bij toepassing van artikel 454 bis, bij de toegelaten geadresseerde zijn aangebracht.

2. De TIR-operatie wordt ook als beëindigd beschouwd wanneer de houder van het carnet TIR of de aansprakelijke organisatie, ten genoegen van de douane, een van de volgende documenten ter identificatie van de goederen overlegt:

a)een in een derde land opgesteld douanedocument waaruit blijkt dat de goederen een douanebestemming hebben gekregen;

b)een in een derde land afgegeven en door de douane van dat land gewaarmerkt document waarin wordt bevestigd dat de goederen zich in dat derde land in het vrije verkeer bevinden.

3. De in lid 2, onder a) en b), bedoelde documenten kunnen worden vervangen door kopieën of fotokopieën die voor eensluidend zijn gewaarmerkt door de instantie die de originele documenten heeft geviseerd, door een officiële instantie van het betrokken derde land of door een officiële instantie van een van de lidstaten.



▼M22 —————

▼M22

Artikel 456

1. Wanneer door een overtreding of onregelmatigheid in de zin van de TIR-Overeenkomst in de Gemeenschap een douaneschuld ontstaat, zijn de bepalingen van deze afdeling van overeenkomstige toepassing op de andere belastingen in de zin van artikel 91, lid 1, onder a), van het Wetboek.

▼M32

De in artikel 215, lid 1, derde streepje, van het Wetboek bedoelde termijn is zeven maanden vanaf de dag waarop de goederen bij het douanekantoor van bestemming of uitgang hadden moeten worden aangeboden.

▼M32

2. De artikelen 450 ter en 450 quinquies zijn van overeenkomstige toepassing op de invorderingsprocedure in het kader van de TIR-regeling.

▼M22

Artikel 457

1. Voor de toepassing van artikel 8, lid 4, van de TIR-overeenkomst kan elke in de Gemeenschap gevestigde aansprakelijke organisatie, wanneer een TIR operatie op het grondgebied van de Gemeenschap plaatsvindt, aansprakelijk worden gesteld voor de betaling van het gewaarborgde bedrag van de douaneschuld voor de onder de TIR operatie vervoerde goederen tot ten hoogste 60 000 euro per carnet TIR of een overeenkomstig bedrag berekend in een nationale munteenheid.

2. De aansprakelijke organisatie die is gevestigd in de lidstaat die overeenkomstig artikel 215 van het Wetboek voor de invordering bevoegd is, is aansprakelijk voor de betaling van het gewaarborgde bedrag van de douaneschuld.

3. Elke kennisgeving van niet-zuivering van een TIR operatie die geldig is verricht door de douaneautoriteiten van een lidstaat die overeenkomstig artikel 215, lid 1, derde streepje, van het Wetboek worden aangemerkt als bevoegd voor de invordering bij de door deze autoriteiten erkende aansprakelijke organisatie, wordt geacht eveneens geldig te zijn verricht wanneer de douaneautoriteiten van een andere lidstaat die overeenkomstig artikel 215, lid 1, eerste of tweede streepje, van het Wetboek bevoegd zijn, later zouden overgaan tot de invordering bij de door hen erkende aansprakelijke organisatie.

▼M7

Artikel 457 bis

Wanneer de douaneautoriteiten van een Lid-Staat besluiten een persoon overeenkomstig artikel 38 van de TIR-overeenkomst van de TIR-regeling uit te sluiten, is dit besluit in het gehele douanegebied van de Gemeenschap van toepassing.

De Lid-Staat deelt zijn besluit, alsmede het tijdstip waarop dit besluit van toepassing wordt, aan de andere Lid-Staten en aan de Commissie mede.

Dit besluit heeft betrekking op alle carnets TIR die op een douanekantoor ter aanvaarding worden aangeboden.

▼M32

Artikel 457 ter

1. Wanneer een TIR-operatie betrekking heeft op de in artikel 340 bis bedoelde goederen of wanneer de douane dit nodig oordeelt, kan het douanekantoor van vertrek of binnenkomst voorschrijven dat de zending een bepaalde route volgt.

2. De douane van de lidstaat waar de zending zich bevindt, vermeldt de relevante gegevens op het ►M34 begeleidingsdocument douanevervoer — begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid en stok 1 van het carnet TIR wanneer:

a)de route op verzoek van de houder van het carnet TIR wordt gewijzigd;

b)de vervoerder om redenen van overmacht van de voorgeschreven route is afgeweken.

Het douanekantoor van bestemming of uitgang voert de relevante gegevens in het computersysteem in.

3. In het in lid 2, onder b), bedoelde geval wordt de zending, met het ►M34 begeleidingsdocument douanevervoer — begeleidingsdocument douanevervoer/veiligheid en het carnet TIR, onverwijld aangeboden bij de dichtstbij zijnde douaneautoriteiten.

▼B



Afdeling 3

▼M22

De ATA-regeling

▼M22

Artikel 457 quater

1. Dit artikel is van toepassing onverminderd de bijzondere bepalingen van de ATA-overeenkomst►M26 en van de Overeenkomst van Istanbul over de aansprakelijkheid van aansprakelijke organisaties bij het gebruik van een carnet ATA.

2. Wanneer wordt vastgesteld dat in de loop van of in verband met douanevervoer onder geleide van een carnet ATA in een bepaalde lidstaat een overtreding of onregelmatigheid is begaan, wordt de actie tot invordering van de eventueel verschuldigde rechten en andere heffingen door deze lidstaat overeenkomstig de communautaire of nationale wetgeving ingesteld, onverminderd eventuele strafrechtelijke maatregelen.

3. Wanneer het niet mogelijk is te bepalen op welk grondgebied de overtreding of onregelmatigheid is begaan, wordt deze geacht te zijn begaan in de lidstaat waar zij is vastgesteld, tenzij, binnen de in artikel 457quinquies, lid 2, genoemde termijn, ten genoegen van de douaneautoriteiten het bewijs wordt geleverd van de regelmatigheid van het vervoer of van de plaats waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan.

Indien, bij gebreke van een dergelijk bewijs, de overtreding of onregelmatigheid geacht blijft te zijn begaan in de lidstaat waar zij is vastgesteld, worden de rechten en andere heffingen op de betrokken goederen door deze lidstaat overeenkomstig de communautaire of nationale wetgeving ingevorderd.

Indien later wordt vastgesteld in welke lidstaat de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan, worden aan deze lidstaat de rechten en andere heffingen — met uitzondering van het bedrag dat overeenkomstig de tweede alinea als eigen middelen van de Gemeenschap werd geïnd — die in deze lidstaat op de goederen van toepassing zijn, betaald door de lidstaat die deze aanvankelijk had geïnd. Een eventueel overschot wordt terugbetaald aan degene die de rechten en heffingen aanvankelijk had betaald.

Indien het bedrag van de aanvankelijk geïnde en door de innende lidstaat betaalde rechten en andere heffingen lager is dan het bedrag van de rechten en andere heffingen die verschuldigd zijn in de lidstaat waar de overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan, gaat deze lidstaat over tot invordering van het verschil overeenkomstig de communautaire of nationale bepalingen.

De douaneadministraties van de lidstaten nemen de nodige maatregelen om overtredingen en onregelmatigheden tegen te gaan en daarop doeltreffende sancties te stellen.

Artikel 457 quinquies

1. Wanneer wordt vastgesteld dat in de loop van of in verband met douanevervoer onder geleide van een carnet ATA een overtreding of onregelmatigheid is begaan, delen de douaneautoriteiten dit mede aan de houder van het carnet ATA en aan de aansprakelijke organisatie, binnen de in artikel 6, lid 4, van de ATA-overeenkomst►M26 of in artikel 8, lid 4, van bijlage A bij de Overeenkomst van Istanbul, vastgestelde termijn.

2. Het bewijs van de regelmatigheid van het vervoer onder geleide van een carnet ATA in de zin van artikel 457quater, lid 3, eerste alinea, wordt g