Home

Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte

Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte

1994A0103 — NL — 07.04.2016 — 008.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

OVEREENKOMST BETREFFENDE DE EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

(PB L 001 van 3.1.1994, blz. 3)

Gewijzigd bij:

Publicatieblad

nr.

blz.

datum

►M1

PROTOCOL TOT AANPASSING VAN DE OVEREENKOMST BETREFFENDE DE EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

L 1

572

3.1.1994

►M2

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 2/94 van 8 februari 1994

L 85

64

30.3.1994

►M3

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 3/94 van 8 februari 1994

L 85

65

30.3.1994

M4

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 4/94 van 8 februari 1994

L 85

66

30.3.1994

M5

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 5/94 van 8 februari 1994

L 85

71

30.3.1994

M6

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 6/94 van 8 maart 1994

L 95

22

14.4.1994

►M7

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 7/94 van 21 maart 1994

L 160

1

28.6.1994

►M8

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 8/94 van 7 juni 1994

L 198

142

30.7.1994

►M9

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 10/94 van 12 augustus 1994

L 253

32

29.9.1994

►M10

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 11/94 van 12 augustus 1994

L 253

34

29.9.1994

M11

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 1/95 van 27 januari 1995

L 47

19

2.3.1995

►M12

BESLUIT VAN DE EER-RAAD Nr. 1/95 van 10 maart 1995

L 86

58

20.4.1995

►M13

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 35/95 van 19 mei 1995

L 205

39

31.8.1995

►M14

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 36/95 van 19 mei 1995

L 205

45

31.8.1995

M15

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 4/96 van 29 februari 1996

L 102

45

25.4.1996

M16

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 45/96 van 19 juli 1996

L 291

38

14.11.1996

►M17

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 54/96 van 4 oktober 1996

L 21

9

23.1.1997

M18

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 71/96 van 22 november 1996

L 21

12

23.1.1997

►M19

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 56/96 van 28 oktober 1996

L 58

50

27.2.1997

►M20

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 70/96 van 29 november 1996

L 71

43

13.3.1997

►M21

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 84/96 van 20 december 1996

L 71

44

13.3.1997

►M22

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 55/96 van 28 oktober 1996

L 85

64

27.3.1997

►M23

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 83/96 van 13 december 1996

L 145

52

5.6.1997

M24

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 13/97 van 14 maart 1997

L 182

44

10.7.1997

M25

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 39/97 van 10 juli 1997

L 290

24

23.10.1997

M26

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 40/97 van 27 juni 1997

L 290

26

23.10.1997

M27

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 41/97 van 10 juli 1997

L 290

27

23.10.1997

M28

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 42/97 van 10 juli 1997

L 290

28

23.10.1997

M29

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 43/97 van 10 juli 1997

L 290

29

23.10.1997

M30

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 44/97 van 10 juli 1997

L 290

30

23.10.1997

M31

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 45/97 van 10 juli 1997

L 290

31

23.10.1997

M32

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 46/97 van 11 juli 1997

L 290

32

23.10.1997

►M33

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 37/97 van 27 juni 1997

L 160

38

4.6.1998

►M34

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 38/97 van 27 juni 1997

L 160

39

4.6.1998

M35

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 73/97 van 4 oktober 1997

L 193

39

9.7.1998

►M36

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 86/97 van 31 oktober 1997

L 193

40

9.7.1998

►M37

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 98/97 van 12 december 1997

L 193

55

9.7.1998

M38

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 99/97 van 9 december 1997

L 193

59

9.7.1998

M39

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 102/97 van 15 december 1997

L 193

62

9.7.1998

M40

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 13/98 van 6 maart 1998

L 272

18

8.10.1998

►M41

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 18/98 van 6 maart 1998

L 272

31

8.10.1998

►M42

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 54/98 van 3 juni 1998

L 30

57

4.2.1999

►M43

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 77/98 van 31 juli 1998

L 172

56

8.7.1999

M44

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 78/98 van 17 juli 1998

L 172

57

8.7.1999

M45

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 79/98 van 17 juli 1998

L 172

58

8.7.1999

M46

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 80/98 van 31 juli 1998

L 172

59

8.7.1999

M47

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 81/98 van 31 juli 1998

L 172

60

8.7.1999

M48

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 99/98 van 25 september 1998

L 189

73

22.7.1999

M49

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 114/98 van 27 november 1998

L 277

51

28.10.1999

M50

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 35/2000 van 31 maart 2000

L 141

62

15.6.2000

►M51

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 36/2000 van 31 maart 2000

L 141

64

15.6.2000

M52

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 37/2000 van 31 maart 2000

L 141

65

15.6.2000

►M53

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 38/2000 van 31 maart 2000

L 141

66

15.6.2000

►M54

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 39/2000 van 11 april 2000

L 141

67

15.6.2000

►M55

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 40/2000 van 11 april 2000

L 141

68

15.6.2000

►M56

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 22/1999 van 26 februari 1999

L 148

47

22.6.2000

►M57

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 23/1999 van 26 februari 1999

L 148

48

22.6.2000

►M58

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 24/1999 van 26 februari 1999

L 148

49

22.6.2000

M59

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 25/1999 van 26 februari 1999

L 148

51

22.6.2000

M60

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 26/1999 van 26 februari 1999

L 148

53

22.6.2000

►M61

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 27/1999 van 26 februari 1999

L 148

54

22.6.2000

M62

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 44/2000 van 19 mei 2000

L 174

55

13.7.2000

►M63

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 45/2000 van 19 mei 2000

L 174

57

13.7.2000

►M64

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 46/2000 van 19 mei 2000

L 174

58

13.7.2000

►M65

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 47/2000 van 22 mei 2000

L 174

59

13.7.2000

M66

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 64/2000 van 28 juni 2000

L 237

83

21.9.2000

►M67

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 70/2000 van 2 augustus 2000

L 250

53

5.10.2000

►M68

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 38/1999 van 30 maart 1999

L 266

27

19.10.2000

M69

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 45/1999 van 26 maart 1999

L 266

53

19.10.2000

►M70

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 60/1999 van 30 april 1999

L 284

38

9.11.2000

►M71

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 69/1999 van 2 juni 1999

L 284

55

9.11.2000

►M72

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 70/1999 van 2 juni 1999

L 284

57

9.11.2000

►M73

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 71/1999 van 2 juni 1999

L 284

59

9.11.2000

►M74

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 72/1999 van 15 juni 1999

L 284

61

9.11.2000

M75

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 73/1999 van 28 mei 1999

L 284

63

9.11.2000

►M76

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 47/1999 van 28 mei 1999

L 284

65

9.11.2000

M77

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 82/1999 van 25 juni 1999

L 296

39

23.11.2000

►M78

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 83/1999 van 25 juni 1999

L 296

41

23.11.2000

►M79

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 89/1999 van 25 juni 1999

L 296

51

23.11.2000

►M80

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 90/1999 van 25 juni 1999

L 296

53

23.11.2000

►M81

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 99/1999 van 30 juli 1999

L 296

78

23.11.2000

►M82

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 100/1999 van 30 juli 1999

L 296

79

23.11.2000

►M83

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 82/2000 van 2 oktober 2000

L 315

26

14.12.2000

M84

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 83/2000 van 2 oktober 2000

L 315

28

14.12.2000

►M85

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 84/2000 van 2 oktober 2000

L 315

30

14.12.2000

M86

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 85/2000 van 2 oktober 2000

L 315

32

14.12.2000

►M87

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 99/2000 van 27 oktober 2000

L 7

29

11.1.2001

►M88

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 100/2000 van 10 november 2000

L 7

32

11.1.2001

►M89

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 101/2000 van 10 november 2000

L 7

36

11.1.2001

►M90

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 102/2000 van 10 november 2000

L 7

38

11.1.2001

►M91

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 112/2000 van 15 december 2000

L 52

37

22.2.2001

M92

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 114/2000 van 22 december 2000

L 52

40

22.2.2001

►M93

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 172/1999 van 26 november 1999

L 61

31

1.3.2001

►M94

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 173/1999 van 26 november 1999

L 61

33

1.3.2001

M95

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 174/1999 van 26 november 1999

L 61

35

1.3.2001

M96

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 187/1999 van 17 december 1999

L 74

18

15.3.2001

M97

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 188/1999 van 17 december 1999

L 74

20

15.3.2001

►M98

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 192/1999 van 17 december 1999

L 74

32

15.3.2001

►M99

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 17/2000 van 28 januari 2000

L 103

34

12.4.2001

►M100

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 24/2000 van 25 februari 2000

L 103

51

12.4.2001

►M101

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 58/2001 van 18 mei 2001

L 165

64

21.6.2001

►M102

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 59/2001 van 18 mei 2001

L 165

65

21.6.2001

►M103

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 87/2001 van 19 juni 2001

L 238

41

6.9.2001

►M104

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 88/2001 van 19 juni 2001

L 238

43

6.9.2001

M105

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 98/2001 van 13 juli 2001

L 251

25

20.9.2001

►M106

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 99/2001 van 13 juli 2001

L 251

26

20.9.2001

M107

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 100/2001 van 13 juli 2001

L 251

27

20.9.2001

►M108

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 140/2001 van 23 november 2001

L 22

34

24.1.2002

►M109

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 164/2001 van 11 december 2001

L 65

46

7.3.2002

►M110

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 165/2001 van 11 december 2001

L 65

48

7.3.2002

►M111

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 46/2002 van 19 april 2002

L 154

34

13.6.2002

►M112

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 66/2002 van 31 mei 2002

L 238

38

5.9.2002

M113

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 67/2002 van 31 mei 2002

L 238

40

5.9.2002

►M114

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 94/2002 van 25 juni 2002

L 266

71

3.10.2002

►M115

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 111/2002 van 12 juli 2002

L 298

37

31.10.2002

►M116

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 135/2002 van 27 september 2002

L 336

36

12.12.2002

►M117

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 140/2002 van 8 november 2002

L 19

5

23.1.2003

►M118

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 154/2002 van 8 november 2002

L 19

52

23.1.2003

►M119

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 18/2003 van 31 januari 2003

L 94

78

10.4.2003

►M120

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 19/2003 van 31 januari 2003

L 94

80

10.4.2003

►M121

PROTOCOL tot aanpassing van de handelsaspecten van de Europaovereenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Tsjechische Republiek, anderzijds, in verband met de resultaten van de onderhandelingen over nieuwe wederzijdse landbouwconcessies

L 107

17

30.4.2003

►M122

PROTOCOL tot aanpassing van de handelsaspecten van de Europaovereenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Slowaakse Republiek, anderzijds, in verband met de resultaten van de onderhandelingen over nieuwe wederzijdse landbouwconcessies

L 107

40

30.4.2003

►M123

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 32/2003 van 14 maart 2003

L 137

32

5.6.2003

M124

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ EER nr. 38/2003 van 14 maart 2003

L 137

46

5.6.2003

►M125

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 64/2003 van 16 mei 2003

L 193

54

31.7.2003

►M126

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 85/2003 van 20 juni 2003

L 257

42

9.10.2003

►M127

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 86/2003 van 20 juni 2003

L 257

44

9.10.2003

►M128

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 96/2003 van 11 juli 2003

L 272

34

23.10.2003

M129

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 163/2003 van 7 november 2003

L 41

64

12.2.2004

►M130

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 164/2003 van 7 november 2003

L 41

67

12.2.2004

►M131

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 165/2003 van 7 november 2003

L 41

69

12.2.2004

►M132

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 181/2003 van 5 december 2003

L 88

63

25.3.2004

►M133

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 9/2004 van 6 februari 2004

L 116

56

22.4.2004

►M134

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 10/2004 van 6 februari 2004

L 116

58

22.4.2004

►M135

OVEREENKOMST betreffende de deelname van de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Hongarije, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek aan de Europese Economische Ruimte

L 130

11

29.4.2004

►M136

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 78/2004 van 8 juni 2004

L 219

13

19.6.2004

►M137

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 79/2004 van 8 juni 2004

L 219

24

19.6.2004

►M138

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 58/2004 van 23 april 2004

L 277

29

26.8.2004

M139

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 65/2004 van 26 april 2004

L 277

182

26.8.2004

►M140

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 66/2004 van 26 april 2004

L 277

183

26.8.2004

►M141

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITE VAN DE EERNr. 67/2004 van 26 april 2004

L 277

185

26.8.2004

►M142

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 138/2004 van 29 oktober 2004

L 342

30

18.11.2004

►M143

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 87/2004 van 8 juni 2004

L 349

48

25.11.2004

M144

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 88/2004 van 8 juni 2004

L 349

49

25.11.2004

►M145

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 89/2004 van 8 juni 2004

L 349

51

25.11.2004

►M146

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 90/2004 van 8 juni 2004

L 349

52

25.11.2004

►M147

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 115/2004 van 6 augustus 2004

L 64

1

10.3.2005

►M148

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 116/2004 van 6 augustus 2004,

L 64

3

10.3.2005

►M149

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 117/2004 van 6 augustus 2004,

L 64

5

10.3.2005

►M150

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 130/2004 van 24 september 2004

L 64

57

10.3.2005

►M151

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 137/2004 van 24 september 2004

L 64

80

10.3.2005

►M152

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 160/2004 van 29 oktober 2004

L 102

45

21.4.2005

►M153

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 177/2004 van 3 december 2004

L 133

33

26.5.2005

►M154

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 178/2004 van 3 december 2004

L 133

35

26.5.2005

►M155

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 180/2004 van 16 december 2004

L 133

42

26.5.2005

►M156

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 181/2004 van 16 december 2004

L 133

44

26.5.2005

►M157

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 182/2004 van 16 december 2004

L 133

46

26.5.2005

►M158

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 183/2004 van 16 december 2004

L 133

48

26.5.2005

►M159

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 23/2005 van 8 februari 2005

L 161

52

23.6.2005

►M160

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 40/2005 van 11 maart 2005

L 198

38

28.7.2005

►M161

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 43/2005 van 11 maart 2005

L 198

45

28.7.2005

►M162

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 72/2005 van 29 april 2005

L 239

64

15.9.2005

►M163

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 73/2005 van 29 april 2005

L 239

66

15.9.2005

M164

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 74/2005 van 29 april 2005

L 239

67

15.9.2005

►M165

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 75/2005 van 29 april 2005

L 239

68

15.9.2005

►M166

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 88/2005 van 10 juni 2005

L 268

24

13.10.2005

►M167

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 89/2005 van 10 juni 2005

L 268

25

13.10.2005

►M168

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 107/2005 van 8 juli 2005

L 306

45

24.11.2005

►M169

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 136/2005 van 21 oktober 2005

L 321

1

8.12.2005

►M170

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 123/2005 van 30 september 2005

L 339

32

22.12.2005

►M171

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 129/2005 van 30 september 2005

L 339

55

22.12.2005

►M172

BESLUIT Nr. 135/2005 VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER van 21 oktober 2005

L 14

24

19.1.2006

►M173

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 17/2006 van 27 januari 2006

L 92

46

30.3.2006

►M174

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 38/2006 van 10 maart 2006

L 147

58

1.6.2006

►M175

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 39/2006 van 10 maart 2006

L 147

61

1.6.2006

►M176

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 40/2006 van 10 maart 2006

L 147

63

1.6.2006

►M177

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 41/2006 van 10 maart 2006

L 147

64

1.6.2006

►M178

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 73/2006 van 2 juni 2006

L 245

44

7.9.2006

►M179

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 74/2006 van 2 juni 2006

L 245

45

7.9.2006

►M180

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 75/2006 van 2 juni 2006

L 245

46

7.9.2006

►M181

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 98/2006 van 7 juli 2006

L 289

50

19.10.2006

M182

BESLUITNr. 128/2006 VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER van 22 september 2006

L 333

60

30.11.2006

►M183

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 138/2006 van 27 oktober 2006

L 366

83

21.12.2006

►M184

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 139/2006 van 27 oktober 2006

L 366

85

21.12.2006

►M185

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 153/2006 van 8 december 2006

L 89

25

29.3.2007

M186

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 161/2006 van 8 december 2006

L 89

40

29.3.2007

►M187

OVEREENKOMST betreffende de deelname van de Republiek Bulgarije en Roemenië aan de Europese Economische Ruimte

L 221

15

25.8.2007

►M188

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 63/2007 van 15 juni 2007

L 304

43

22.11.2007

►M189

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 64/2007 van 15 juni 2007

L 304

45

22.11.2007

►M190

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 65/2007 van 15 juni 2007

L 304

47

22.11.2007

►M191

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 66/2007 van 15 juni 2007

L 304

49

22.11.2007

►M192

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 67/2007 van 29 juni 2007

L 304

51

22.11.2007

►M193

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 68/2007 van 15 juni 2007

L 304

52

22.11.2007

►M194

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 69/2007 van 15 juni 2007

L 304

53

22.11.2007

►M195

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 70/2007 van 29 juni 2007

L 304

54

22.11.2007

M196

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 71/2007 van 29 juni 2007

L 304

56

22.11.2007

►M197

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 96/2007 van 27 juli 2007

L 47

1

21.2.2008

►M198

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 97/2007 van 28 september 2007

L 47

3

21.2.2008

►M199

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 115/2007 van 28 september 2007

L 47

36

21.2.2008

►M200

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 131/2007 van 28 september 2007

L 47

67

21.2.2008

►M201

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 132/2007 van 26 oktober 2007

L 100

1

10.4.2008

►M202

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 142/2007 van 26 oktober 2007

L 100

70

10.4.2008

►M203

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 147/2007 van 26 oktober 2007

L 100

99

10.4.2008

►M204

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 19/2008 van 1 februari 2008

L 154

38

12.6.2008

►M205

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 20/2008 van 1 februari 2008

L 154

40

12.6.2008

►M206

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 39/2008 van 14 maart 2008

L 182

42

10.7.2008

►M207

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 75/2008 van 6 juni 2008

L 257

41

25.9.2008

►M208

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 76/2008 van 6 juni 2008

L 257

45

25.9.2008

►M209

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 77/2008 van 6 juni 2008

L 257

46

25.9.2008

►M210

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 78/2008 van 6 juni 2008

L 257

47

25.9.2008

►M211

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 81/2008 van 4 juli 2008

L 280

12

23.10.2008

►M212

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 93/2008 van 4 juli 2008

L 280

34

23.10.2008

►M213

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 94/2008 van 4 juli 2008

L 280

36

23.10.2008

►M214

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 109/2008 van 26 september 2008

L 309

39

20.11.2008

►M215

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 110/2008 van 5 november 2008

L 339

93

18.12.2008

►M216

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 40/2009 van 17 maart 2009

L 130

36

28.5.2009

►M217

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 61/2009 van 29 mei 2009

L 232

13

3.9.2009

►M218

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER nr. 75/2009 van 29 mei 2009

L 232

39

3.9.2009

►M219

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EERNr. 76/2009 van 30 juni 2009

L 232

40

3.9.2009

►M220

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 90/2009 van 3 juli 2009

L 277

43

22.10.2009

►M221

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 91/2009 van 3 juli 2009

L 277

45

22.10.2009

►M222

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 92/2009 van 3 juli 2009

L 277

47

22.10.2009

M223

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 93/2009 van 3 juli 2009

L 277

49

22.10.2009

►M224

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 94/2009 van 8 juli 2009

L 277

50

22.10.2009

►M225

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 117/2009 van 22 oktober 2009

L 334

20

17.12.2009

►M226

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 118/2009 van 22 oktober 2009

L 334

22

17.12.2009

►M227

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 119/2009 van 22 oktober 2009

L 334

23

17.12.2009

►M228

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 153/2009 van 4 december 2009

L 62

56

11.3.2010

►M229

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 159/2009 van 4 december 2009

L 62

65

11.3.2010

►M230

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 160/2009 van 4 december 2009

L 62

67

11.3.2010

►M231

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 16/2010 van 29 januari 2010

L 101

26

22.4.2010

►M232

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 57/2010 van 30 april 2010

L 181

26

15.7.2010

►M233

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 58/2010 van 30 april 2010

L 181

27

15.7.2010

►M234

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 78/2010 van 11 juni 2010

L 244

37

16.9.2010

►M235

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 79/2010 van 11 juni 2010

L 244

39

16.9.2010

►M236

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 80/2010 van 11 juni 2010

L 244

41

16.9.2010

►M237

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 92/2010 van 2 juli 2010

L 277

46

21.10.2010

M238

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 96/2010 van 2 juli 2010

L 277

53

21.10.2010

►M239

OVEREENKOMST tussen de Europese Unie, IJsland, het Vorstendom Liechtenstein en het Koninkrijk Noorwegen betreffende een financieel mechanisme van de EER voor de periode 2009-2014

L 291

4

9.11.2010

►M240

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 4/2011 van 11 februari 2011

L 117

1

5.5.2011

M241

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 50/2011 van 20 mei 2011

L 196

29

28.7.2011

►M242

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 76/2011 van 1 juli 2011

L 262

33

6.10.2011

M243

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 91/2011 van 19 juli 2011

L 262

63

6.10.2011

►M244

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 92/2011 van 19 juli 2011

L 262

64

6.10.2011

►M245

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 104/2011 van 30 september 2011

L 318

42

1.12.2011

►M246

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 61/2012 van 30 maart 2012

L 207

41

2.8.2012

►M247

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 101/2012 van 30 april 2012

L 248

39

13.9.2012

►M248

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 102/2012 van 30 april 2012

L 248

40

13.9.2012

►M249

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 109/2012 van 15 juni 2012

L 270

31

4.10.2012

►M250

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 121/2012 van 15 juni 2012

L 270

44

4.10.2012

►M251

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 122/2012 van 15 juni 2012

L 270

46

4.10.2012

►M252

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 139/2012 van 13 juli 2012

L 309

21

8.11.2012

►M253

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 140/2012 van 13 juli 2012

L 309

23

8.11.2012

►M254

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 141/2012 van 13 juli 2012

L 309

25

8.11.2012

M255

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 142/2012 van 13 juli 2012

L 309

26

8.11.2012

►M256

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 143/2012 van 13 juli 2012

L 309

27

8.11.2012

►M257

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 190/2012 van 28 september 2012

L 341

44

13.12.2012

►M258

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 204/2012 van 26 oktober 2012

L 21

57

24.1.2013

►M259

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 233/2012 van 7 december 2012

L 81

35

21.3.2013

►M260

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 18/2013 van 1 februari 2013

L 144

23

30.5.2013

►M261

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 101/2013 van 3 mei 2013

L 291

67

31.10.2013

►M262

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 118/2013 van 14 juni 2013

L 318

20

28.11.2013

►M263

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 132/2013 van 14 juni 2013

L 318

34

28.11.2013

►M264

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 133/2013 van 8 juli 2013

L 345

1

19.12.2013

►M265

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 134/2013 van 8 juli 2013

L 345

2

19.12.2013

►M266

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 211/2013 van 8 november 2013

L 92

37

27.3.2014

►M267

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 212/2013 van 8 november 2013

L 92

38

27.3.2014

►M268

OVEREENKOMST betreffende de deelname van de Republiek Kroatië aan de Europese Economische Ruimte en drie daarmee verband houdende overeenkomsten

L 170

5

11.6.2014

►M269

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 109/2014 van 16 mei 2014

L 310

80

30.10.2014

►M270

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 110/2014 van 16 mei 2014

L 310

82

30.10.2014

►M271

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 111/2014 van 16 mei 2014

L 310

83

30.10.2014

►M272

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 112/2014 van 16 mei 2014

L 310

84

30.10.2014

►M273

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 146/2014 van 27 juni 2014

L 342

55

27.11.2014

►M274

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 147/2014 van 27 juni 2014

L 342

56

27.11.2014

►M275

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 148/2014 van 27 juni 2014

L 342

58

27.11.2014

►M276

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 149/2014 van 27 juni 2014

L 342

59

27.11.2014

►M277

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 150/2014 van 27 juni 2014

L 342

60

27.11.2014

►M278

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITE VAN DE EER Nr. 151/2014 van 27 juni 2014

L 342

61

27.11.2014

►M279

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 157/2014 van 9 juli 2014

L 15

85

22.1.2015

►M280

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 158/2014 van 9 juli 2014

L 15

86

22.1.2015

►M281

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 159/2014 van 9 juli 2014

L 15

87

22.1.2015

►M282

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 192/2014 van 25 september 2014

L 202

44

30.7.2015

►M283

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 201/2014 van 25 september 2014

L 202

55

30.7.2015

►M284

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 202/2014 van 25 september 2014

L 202

56

30.7.2015

►M285

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 244/2014 van 24 oktober 2014

L 230

52

3.9.2015

►M286

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 247/2014 van 13 november 2014

L 263

36

8.10.2015

►M287

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 248/2014 van 13 november 2014

L 263

38

8.10.2015

►M288

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 249/2014 van 13 november 2014

L 263

40

8.10.2015

►M289

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 250/2014 van 13 november 2014

L 263

42

8.10.2015

►M290

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 251/2014 van 13 november 2014

L 263

44

8.10.2015

►M291

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 252/2014 van 13 november 2014

L 263

46

8.10.2015

►M292

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 253/2014 van 13 november 2014

L 263

47

8.10.2015

►M293

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 300/2014 van 12 december 2014

L 311

55

26.11.2015

►M294

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 301/2014 van 12 december 2014

L 311

56

26.11.2015

►M295

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 32/2015 van 25 februari 2015

L 93

49

7.4.2016

►M296

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. 33/2015 van 25 februari 2015

L 93

50

7.4.2016


Gerectificeerd bij:




▼B

OVEREENKOMST BETREFFENDE DE EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

INHOUDSOPGAVE

PREAMBULE

DEELI

DOELSTELLINGEN EN BEGINSELEN

DEEL II

HET VRIJE VERKEER VAN GOEDEREN

Hoofdstuk 1:

De grondbegìnselen

Hoofdstuk 2:

Landbouw- en visserijprodukten

Hoofdstuk 3:

Samenwerking op het gebied van douaneaangelegenheden en handelsbevordering

Hoofdstuk 4:

Andere voorschriften inzake het vrije verkeer van goederen

Hoofdstuk 5:

Kolen- en staalprodukten

DEEL III

HET VRIJE VERKEER VAN PERSONEN, DIENSTEN EN KAPITAAL

Hoofdstuk 1:

Werknemers en zelfstandigen

Hoofdstuk 2:

Recht van vestiging

Hoofdstuk 3:

Diensten

Hoofdstuk 4:

Kapitaal

Hoofdstuk 5:

Samenwerking bij het economisch en monetair beleid

Hoofdstuk 6:

Vervoer

DEEL IV

MEDEDINGING EN ANDERE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS

Hoofdstuk 1:

Regels voor ondernemingen

Hoofdstuk 2:

Steunmaatregelen van de Staten

Hoofdstuk 3:

Verdere gemeenschappelijke regels

DEEL V

HORIZONTALE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE VIER VRIJHEDEN

Hoofdstuk 1:

Sociaal beleid

Hoofdstuk 2:

Bescherming van de consument

Hoofdstuk 3:

Het milieu

Hoofdstuk 4:

Statistieken

Hoofdstuk 5:

Vennootschapsrecht

DEEL VI

SAMENWERKING BUITEN HET KADER VAN DE VIER

DEEL VII

BEPALINGEN INZAKE DE INSTELLINGEN

Hoofdstuk 1:

De structuur van de associane

Hoofdstuk 2:

De besluitvormingsprocedure

Hoofdstuk 3:

Homogeniteit, toezichtprocedure en beslechting van geschillen

Hoofdstuk 4:

Vrijwaringsmaatregelen

DEEL VIII

FINANCIEEL MECHANISME

DEEL IX

ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

PROTOCOLLEN

BIJLAGEN

SLOTAKTE



PREAMBULE

▼M187

DE EUROPESE GEMEENSCHAP,

HET KONINKRIJK BELGIË,

DE REPUBLIEK BULGARIJE,

DE TSJECHISCHE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK DENEMARKEN,

DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND,

DE REPUBLIEK ESTLAND,

IERLAND,

DE HELLEENSE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK SPANJE,

DE FRANSE REPUBLIEK,

▼M268

DE REPUBLIEK KROATIË,

▼M187

DE ITALIAANSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK CYPRUS,

DE REPUBLIEK LETLAND,

DE REPUBLIEK LITOUWEN,

HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG,

►M268 ————— HONGARIJE,

►M268 DE REPUBLIEK MALTA,

HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN,

DE REPUBLIEK OOSTENRIJK,

DE REPUBLIEK POLEN,

DE PORTUGESE REPUBLIEK,

ROEMENIË,

DE REPUBLIEK SLOVENIË,

DE SLOWAAKSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK FINLAND,

HET KONINKRIJK ZWEDEN,

HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND,

en

IJSLAND,

HET VORSTENDOM LIECHTENSTEIN,

HET KONINKRIJK NOORWEGEN,

▼B

hierna de OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN te noemen;

OVERTUIGD van de bijdrage die een Europese Economische Ruimte zal leveren aan de totstandbrenging van een Europa gebaseerd op vrede, democratie en mensenrechten;

OPNIEUW BEVESTIGEND de hoge prioriteit die wordt toegekend aan de bevoorrechte relatie tussen de Europese Gemeenschap, haar Lid-Staten en de EVA-Staten gebaseerd op nabuurschap, traditionele gemeenschappelijke waarden en een Europese identiteit;

VASTBESLOTEN op basis van de beginselen van de markteconomie bij te dragen aan de mondiale vrijmaking van de handel en internationale samenwerking op handelsgebied, met name in overeenstemming met de bepalingen van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel en de Overeenkomst betreffende de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling;

OVERWEGENDE het oogmerk een dynamische en homogene Europese Economische Ruimte tot stand te brengen, gebaseerd op gemeenschappelijke regels en gelijke mededingingsvoorwaarden, en voorzien van een passend uitvoeringsmechanisme, mede op gerechtelijk niveau, een en ander op basis van gelijkheid en wederkerigheid en van een algeheel evenwicht wat betreft de voordelen en de rechten en plichten voor de overeenkomstsluitende partijen;

VASTBESLOTEN te voorzien in een zo volledig mogelijke verwezenlijking van het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal in de gehele Europese Economische Ruimte, alsmede in een sterkere en ruimere samenwerking op het gebied van begeleidende en horizontale beleidsmaatregelen;

STREVENDE naar een harmonische ontwikkeling van de Europese Economische Ruimte en overtuigd van de noodzaak via de uitvoering van deze Overeenkomst bij te dragen aan vermindering van de economische en sociale regionale verschillen;

VERLANGENDE bij te dragen aan de versterking van de samenwerking tussen de leden van het Europese Parlement en de parlementen van de EVA-Staten alsmede tussen de sociale partners in de Europese Gemeenschap en de EVA-Staten;

OVERTUIGD van de belangrijke rol die personen in de Europese Economische Ruimte via de uitoefening van de door deze Overeenkomst aan hen toegekende rechten en via een verdediging daarvan in rechte zullen spelen;

VASTBESLOTEN de kwaliteit van het milieu te behouden, te beschermen en te verbeteren en zorg te dragen voor een behoedzaam en rationeel gebruik van de natuurlijke hulpbronnen, met name op basis van het beginsel van duurzame ontwikkeling en preventief handelen;

VASTBESLOTEN bij de verdere uitwerking van regels uit te gaan van een hoog beschermingsniveau wat betreft de gezondheid, de veiligheid en het milieu;

WIJZENDE op het belang van de ontwikkeling van de sociale dimensie, inclusief de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, in de Europese Economische Ruimte en wensende de economische en sociale vooruitgang te verzekeren en de voorwaarden voor volledige werkgelegenheid, een hogere levensstandaard en betere arbeidsvoorwaarden binnen de Europese Economische Ruimte te verbeteren;

VASTBESLOTEN de belangen van de consumenten te bevorderen en hun positie op de markt te versterken, waarbij een hoog beschermingsniveau wordt nagestreefd;

VERLANGENDE de gemeenschappelijke doelstellingen van versterking van de wetenschappelijke en technologische basis van de Europese industrie en verbetering van haar internationale concurrentiepositie te verwezenlijken;

OVERWEGENDE dat de sluiting van deze Overeenkomst op generlei wijze afbreuk doet aan de mogelijkheid van een EVA-Staat toe te treden tot de Europese Gemeenschappen;

OVERWEGENDE dat de overeenkomstsluitende partijen, met volledige eerbiediging van de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties, streven naar een uniforme uitlegging en toepassing van deze Overeenkomst en van die bepalingen van de communautaire wetgeving die in hoofdzaak in deze Overeenkomst zijn overgenomen, en te komen tot een gelijke behandeling van personen en ondernemingen wat betreft de vier vrijheden en de mededingingsvoorwaarden;

OVERWEGENDE dat deze Overeenkomst geen beperkingen stelt aan de besluitvormingsautonomie van de overeenkomstsluitende partijen noch aan hun bevoegdheid tot het sluiten van verdragen, behoudens het bepaalde in deze Overeenkomst en de door het volkenrecht gestelde beperkingen;

HEBBEN BESLOTEN de volgende Overeenkomst te sluiten:



DEEL I

DOELSTELLINGEN EN BEGINSELEN

Artikel 1

1. Het doel van deze Associatieovereenkomst is de bevordering van een gestadige en evenwichtige versterking van de handel en de economische betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen onder gelijke mededingingsvoorwaarden en met inachtneming van dezelfde voorschriften met het oog op de totstandbrenging van een homogene Europese Economische Ruimte, hierna „EER” te noemen.

2. Ten einde de in lid 1 genoemde doelstellingen te bereiken, voorziet de associatie, in overeenstemming met de bepalingen van deze Overeenkomst, in:

a)het vrije verkeer van goederen,

b)het vrije verkeer van personen,

c)het vrije verkeer van diensten,

d)het vrije verkeer van kapitaal,

e)de totstandbrenging van een systeem waardoor wordt gewaarborgd dat de mededinging niet wordt vervalst en dat de mededingingsregels gelijkelijk worden nagekomen, alsmede

f)nauwere samenwerking op andere gebieden, zoals onderzoek en ontwikkeling, het milieu, het onderwijs en het sociaal beleid.

Artikel 2

In deze Overeenkomst wordt verstaan onder:

a)„Overeenkomst”: de hoofdovereenkomst met de daarbij behorende protocollen en bijlagen alsmede de daarin genoemde besluiten;

b)►M135 „EVA-Staten”: ►M187 ————— IJsland, het Vorstendom Liechtenstein en het Koninkrijk Noorwegen;

c)„overeenkomstsluitende partijen”: wat de Gemeenschap en de Lid-Staten van de EG betreft, de Gemeenschap en de Lid-Staten van de EG, of de Gemeenschap, of de Lid-Staten van de EG. De per geval aan deze term te hechten betekenis moet worden afgeleid uit de betrokken bepalingen van deze Overeenkomst en de onderscheiden bevoegdheden van de Gemeenschap en de Lid-Staten van de EG zoals deze voortvloeit uit het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap ►M135 —————;

▼M135

d)„Toetredingsakte van 16 april 2003”: de akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Tsjechische Republiek, de Republiek Estland, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Hongarije, de Republiek Malta, de Republiek Polen, de Republiek Slovenië en de Slowaakse Republiek en de aanpassingen van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, goedgekeurd te Athene op 16 april 2003;

▼M187

e)„Toetredingsakte van 25 april 2005”: de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor de Republiek Bulgarije en Roemenië en de aanpassing van de Verdragen waarop de Europese Unie is gegrond, goedgekeurd te Luxemburg op 25 april 2005;

▼M268 —————

▼M268

f)het begrip „Toetredingsakte van 9 december 2011” heeft betrekking op de Akte betreffende de voorwaarden voor de toetreding van de Republiek Kroatië en de aanpassing van het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, ondertekend te Brussel op 9 december 2011.

▼B

Artikel 3

De overeenkomstsluitende partijen treffen alle algemene of bijzondere maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit deze Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen te verzekeren.

Zij onthouden zich van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst in gevaar kunnen brengen.

Voorts vergemakkelijken zij de samenwerking in het kader van deze Overeenkomst.

Artikel 4

Binnen de werkingssfeer van deze Overeenkomst en onverminderd de daarin vervatte bijzondere bepalingen, is elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden.

Artikel 5

Een overeenkomstsluitende partij kan een vraagstuk dat zij van belang acht te allen tijde aan de orde stellen op het niveau van het Gemengd Comité van de EER of de EER-Raad op de respectievelijk in artikel 92, lid 2, en artikel 89, lid 2, vastgestelde wijzen.

Artikel 6

Onverminderd de toekomstige ontwikkelingen van de jurisprudentie, worden de bepalingen van deze Overeenkomst, voor zover zij in essentie gelijk zijn aan de overeenkomstige regels van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en de ter uitvoering van die Verdragen aangenomen besluiten, wat de tenuitvoerlegging en toepassing betreft, uitgelegd overeenkomstig de desbetreffende uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen daterende van vóór de ondertekening van deze Overeenkomst.

Artikel 7

De in de bijlagen bij deze Overeenkomst of in beschikkingen van het Gemengd Comité van de EER vermelde of vervatte besluiten zijn verbindend voor de overeenkomstsluitende partijen en maken deel uit van of worden opgenomen in hun interne rechtsorde, zulks op de volgende wijze:

a)een met een EEG-verordening overeenstemmend besluit wordt als zodanig opgenomen in de interne rechtsorde van de overeenkomstsluitende partijen;

b)een met een EEG-richtlijn overeenstemmend besluit laat aan de instanties van de overeenkomstsluitende partijen de vrijheid om de vorm, middelen en wijze van tenuitvoerlegging te kiezen.



DEEL II

HET VRIJE VERKEER VAN GOEDEREN



HOOFDSTUK 1

DE GRONDBEGINSELEN

Artikel 8

1. Het vrije verkeer van goederen tussen de overeenkomstsluitende partijen wordt in overeenstemming met de bepalingen van deze Overeenkomst tot stand gebracht.

2. Tenzij anders bepaald, zijn de artikelen 10 tot en met 15, 19, 20, 25, 26 en 27 slechts van toepassing op produkten van oorsprong uit de overeenkomstsluitende partijen.

3. Tenzij anders bepaald, zijn de bepalingen van deze Overeenkomst slechts van toepassing op:

a)de produkten vallende onder de hoofdstukken 25 tot en met 97 van het geharmoniseerd systeem inzake de omschrijving en codering van goederen, met uitzondering van de in Protocol 2 vermelde produkten;

b)de in Protocol 3 opgenomen produkten, behoudens de in dat protocol vervatte specifieke regelingen.

Artikel 9

1. Protocol 4 bevat de regels inzake oorsprong. Zij doen geen afbreuk aan de internationale verplichtingen die door de overeenkomstsluitende partijen in het kader van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel zijn of kunnen worden aangegaan.

2. Met het oog op de ontwikkeling van de in deze Overeenkomst bereikte resultaten zullen de overeenkomstsluitende partijen zich blijven inspannen om alle aspecten van de regels inzake oorsprong verder te verbeteren en te vereenvoudigen en de samenwerking op douanegebied uit te breiden.

3. Een eerste onderzoek zal plaatsvinden vóór eind 1993. Vervolgens vindt om de twee jaar een onderzoek plaats. Op basis daarvan zeggen de overeenkomstsluitende partijen toe een besluit te zullen nemen over passende in de Overeenkomst op te nemen maatregelen.

Artikel 10

In- en uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking zijn tussen de overeenkomstsluitende partijen verboden. Onverminderd de in Protocol 5 opgenomen regelingen geldt zulks eveneens voor douanerechten van fiscale aard.

Artikel 11

Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de overeenkomstsluitende partijen verboden.

Artikel 12

Kwantitatieve uitvoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn tussen de overeenkomstsluitende partijen verboden.

Artikel 13

Het bepaalde in de artikelen 11 en 12 vormt geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zedelijkheid, de - openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren, planten, het nationaal artistiek, historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de overeenkomstsluitende Staten vormen.

Artikel 14

De overeenkomstsluitende partijen heffen op produkten van de andere overeenkomstsluitende partijen, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale produkten worden geheven.

Bovendien heffen de overeenkomstsluitende partijen op de produkten van de overige overeenkomstsluitende partijen geen zodanige binnenlandse belastingen, dat daardoor andere produkties zijdelings worden beschermd.

Artikel 15

Bij de uitvoer van produkten naar het grondgebied van een der overeenkomstsluitende partijen mag de teruggave van binnenlandse belastingen niet het bedrag overschrijden dat daarover al dan niet rechtstreeks geheven is.

Artikel 16

1. De overeenkomstsluitende partijen zorgen ervoor dat nationale monopolies van commerciële aard zo worden aangepast dat elke discriminatie tussen onderdanen van de Lid-Staten van de EG en onderdanen van de EVA-Staten wat de voorwaarden van de voorziening en afzet van goederen betreft, zal zijn uitgesloten.

2. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op elk lichaam waardoor de bevoegde autoriteiten van de overeenkomstsluitende partijen de invoer of de uitvoer tussen de overeenkomstsluitende partijen in rechte of in feite rechtstreeks of zijdelings beheersen, leiden of aanmerkelijk beïnvloeden. Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op de door een Staat gedelegeerde monopolies.



HOOFDSTUK 2

LANDBOUW- EN VISSERIJPRODUCTEN

Artikel 17

Bijlage I bevat specifieke bepalingen en regelingen op veterinair en fytosanitair gebied.

Artikel 18

Onverminderd de specifieke regelingen betreffende de handel in landbouwprodukten zorgen de overeenkomstsluitende partijen ervoor dat aan de in de artikelen 17 en 23, onder a) en b), vervatte regelingen, zoals deze van toepassing zijn op andere produkten dan die welke onder artikel 8, lid 3, vallen, geen afbreuk wordt gedaan door andere technische handelsbelemmeringen. Artikel 13 is van toepassing.

Artikel 19

1. De overeenkomstsluitende partijen bestuderen eventuele moeilijkheden die bij hun handel in landbouwprodukten rijzen en pogen hiervoor passende oplossingen te vinden.

2. De overeenkomstsluitende partijen verplichten zich tot voortzetting van hun inspanningen met het oog op de geleidelijke liberalisatie van de handel in landbouwprodukten.

3. Hiertoe onderwerpen zij de voorwaarden waaronder de handel in landbouwprodukten plaatsvindt vóór eind 1993 en daarna om de twee jaar aan een onderzoek.

4. De overeenkomstsluitende partijen zullen, in het licht van de resultaten van dat onderzoek, in het kader van het landbouwbeleid van hun respectieve landen en met inachtneming van de resultaten van de Uruguay ronde, binnen het kader van deze Overeenkomst op preferentiële, bilaterale of multilaterale basis, op grondslag van wederkerigheid en wederzijds voordeel beslissen over verdere verminderingen van alle soorten handelsbelemmeringen in de landbouwsector, inclusief die welke voortvloeien uit nationale monopolies van commerciële aard op landbouwgebied.

Artikel 20

Protocol 9 bevat bepalingen en regelingen die van toepassing zijn op vis en andere produkten van de zee.



HOOFDSTUK 3

SAMENWERKING OP HET GEBIED VAN DOUANEAANGELEGENHEDEN EN HANDELSBEVORDERING

Artikel 21

1. Ten einde de onderlinge handel te bevorderen, vereenvoudigen de overeenkomstsluitende partijen de grenscontroles en -formaliteiten. Hiertoe strekkende regelingen, zijn opgenomen in Protocol 10.

2. De overeenkomstsluitende partijen verlenen elkaar bijstand in douaneaangelegenheden, ten einde ervoor te zorgen dat de douanewetgeving correct wordt toegepast. Hiertoe strekkende regelingen zijn opgenomen in Protocol 11.

3. De overeenkomstsluitende partijen versterken en verbreden de samenwerking met het oog op vereenvoudiging van de procedures voor de handel in goederen, met name in het kader van communautaire programma’s, projecten en acties die beogen de handel overeenkomstig de in deel VI vervatte regels te vergemakkelijken.

4. In afwijking van artikel 8, lid 3, is dit artikel van toepassing op alle produkten.

Artikel 22

Een overeenkomstsluitende partij die de verlaging overweegt van het daadwerkelijke niveau van haar rechten of heffingen van gelijke werking geldende voor derde landen die in aanmerking komen voor de meestbegunstigingsclausule of die schorsing van de toepassing daarvan overweegt, stelt het Gemengd Comité van de EER, voor zover zulks uitvoerbaar is, uiterlijk 30 dagen voordat een dergelijke verlaging of schorsing van kracht wordt, hiervan in kennis. Hij neemt nota van eventuele bezwaren van andere overeenkomstsluitende partijen ten aanzien van mogelijk hieruit voortvloeiende verstoringen.



HOOFDSTUK 4

ANDERE VOORSCHRIFTEN INZAKE HET VRIJE VERKEER VAN GOEDEREN

Artikel 23

Specifieke bepalingen en regelingen zijn vervat in:

a)Protocol 12 en bijlage II wat betreft technische voorschriften, normen, keuring en certificering;

b)Protocol 47 wat betreft de afschaffing van technische belemmeringen voor de handel in wijn;

c)bijlage III wat betreft produktaansprakelijkheid.

Zij zijn van toepassing op alle produkten, tenzij anders wordt bepaald.

Artikel 24

Bijlage IV bevat specifieke bepalingen en regelingen betreffende energie.

Artikel 25

Wanneer naleving van het bepaalde in de artikelen 10 en 12 leidt tot

a)wederuitvoer naar een derde land ten aanzien waarvan de exporterende overeenkomstsluitende partij voor het betrokken produkt kwantitatieve beperkingen, uitvoerrechten of maatregelen of heffingen van gelijke werking handhaaft, dan wel

b)een ernstig of dreigend ernstig tekort aan een voor de exporterende overeenkomstsluitende partij essentieel produkt,

en voornoemde situaties aanleiding geven of kunnen geven tot ernstige moeilijkheden voor de exporterende overeenkomstsluitende partij, kan die partij passende maatregelen overeenkomstig de in artikel 113 vermelde procedures treffen.

Artikel 26

In de betrekkingen tussen de overeenkomstsluitende partijen worden geen anti-dumpingmaatregelen, compenserende rechten en maatregelen tegen ongeoorloofde handelspraktijken van derde landen toegepast, tenzij in deze Overeenkomst anders wordt bepaald.



HOOFDSTUK 5

KOLEN- EN STAALPRODUKTEN

Artikel 27

De Protocollen 14 en 25 bevatten bepalingen en regelingen betreffende kolen- en staalprodukten.



DEEL III

HET VRIJE VERKEER VAN PERSONEN, DIENSTEN EN KAPITAAL



HOOFDSTUK 1

WERKNEMERS EN ZELFSTANDINGEN

Artikel 28

1. Tussen de Lid-Staten van de EG en de EVA-Staten wordt vrij verkeer van werknemers tot stand gebracht.

2. Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen de werknemers van de Lid-Staten van de EG en de EVA-Staten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.

3. Het houdt behoudens de uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid gerechtvaardigde beperkingen het recht in om:

a)in te gaan op een feitelijk aanbod tot tewerkstelling;

b)zich te dien einde vrij te verplaatsen binnen het grondgebied van de Lid-Staten van de EG en de EVA-Staten;

c)op het grondgebied van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat te verblijven ten einde daar een beroep uit te oefenen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke voor de tewerkstelling van nationale werknemers gelden;

d)op het grondgebied van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat verblijf te houden, na er een betrekking te hebben vervuld.

4. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op betrekkingen in overheidsdienst.

5. Bijlage V bevat specifieke bepalingen inzake het vrije verkeer van werknemers.

Artikel 29

Met het oog op de totstandkoming van het vrije verkeer van werknemers en zelfstandigen waarborgen de overeenkomstsluitende partijen voor werknemers en zelfstandigen en hun rechthebbenden op het gebied van de sociale zekerheid, overeenkomstig bijlage VI, met name:

a)dat, met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen alsmede voor de berekening daarvan, al die tijdvakken worden bijeengeteld welke door de verschillende nationale wetgevingen in aanmerking worden genomen;

b)dat de uitkeringen aan personen die op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen verblijven, zullen worden betaald.

Artikel 30

Ten einde de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden voor werknemers en zelfstandigen te vergemakkelijken, treffen de overeenkomstsluitende partijen overeenkomstig bijlage VII de noodzakelijke maatregelen inzake de onderlinge erkenning van diploma’s, certificaten en andere titels en de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de overeenkomstsluitende partijen betreffende de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden door werknemers en zelfstandigen.



HOOFDSTUK 2

RECHT VAN VESTIGING

Artikel 31

1. In het kader van de bepalingen van deze Overeen komst zijn er geen beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat op het grondgebied van een andere staat bij de Overeenkomst. Dit geldt eveneens voor de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat die op het grondgebied van een van deze staten zijn gevestigd.

De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van hoofdstuk 4, de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van artikel 34, tweede alinea, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.

2. De bijlagen VIII tot en met XI bevatten specifieke bepalingen inzake het recht van vestiging.

Artikel 32

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn, wat de betrokken overeenkomstsluitende partij betreft, niet van toepassing op de werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag in deze overeenkomstsluitende partij, zelfs indien deze slechts voor een bepaalde gelegenheid geschieden.

Artikel 33

De voorschriften van dit hoofdstuk en de maatregelen uit hoofde daarvan genomen doen niet af aan de toepasselijkheid van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen waarbij een bijzondere regeling is vastgesteld voor vreemdelingen, welke bepalingen uit hoofde van de openbare orde, de openbare veiligheid en de volksgezondheid gerechtvaardigd zijn.

Artikel 34

Vennootschappen welke in overeenstemming met de wetgeving van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat zijn opgericht en welke hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen hebben, worden voor de toepassing van dit hoofdstuk gelijkgesteld met natuurlijke personen die onderdaan zijn van de Lid-Staten van de EG of de EVA-Staten.

Onder vennootschappen worden verstaan maatschappen naar burgerlijk recht of handelsrecht, de coöperatieve verenigingen of vennootschappen daaronder begrepen, en de overige rechtspersonen naar publiek- of privaatrecht, met uitzondering van vennootschappen welke geen winst beogen.

Artikel 35

De bepalingen van artikel 30 zijn van toepassing op het onderwerp dat in dit hoofdstuk is geregeld.



HOOFDSTUK 3

DIENSTEN

Artikel 36

1. In het kader van de bepalingen van deze Overeenkomst zijn er geen beperkingen van het vrij verrichten van diensten binnen het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen ten aanzien van de onderdanen van de Lid-Staten van de EG en de EVA-Staten die in een andere Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat zijn gevestigd dan die, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.

2. De bijlagen IX tot en met XI bevatten specifieke bepalingen inzake het vrij verrichten van diensten.

Artikel 37

In deze Overeenkomst worden als diensten beschouwd de dienstverrichtingen welke gewoonlijk tegen vergoeding geschieden, voor zover de bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen, kapitaal en personen op deze dienstverrichtingen niet van toepassing zijn.

Diensten omvatten met name werkzaamheden:

a)van industriële aard,

b)van commerciële aard,

c)van het ambacht,

d)van de vrije beroepen.

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk 2, kan degene die de dienst verricht, daartoe zijn werkzaamheden tijdelijk uitoefenen in het land waar de dienst wordt verricht, onder dezelfde voorwaarden als die welke dat land aan zijn eigen onderdanen oplegt.

Artikel 38

Het vrije verkeer van diensten op het gebied van het vervoer wordt geregeld door de bepalingen van hoofdstuk 6.

Artikel 39

De bepalingen van de artikelen 30 en 32 tot en met 34 zijn van toepassing op het onderwerp dat in dit hoofdstuk is geregeld.



HOOFDSTUK 4

KAPITAAL

Artikel 40

In het kader van de bepalingen van deze Overeenkomst zijn er tussen de overeenkomstsluitende partijen geen beperkingen van het verkeer van kapitaal toebehorende aan personen die woonachtig of gevestigd zijn in de Lid-Staten van de EG of de EVA-Staten en is er geen discriminerende behandeling op grond van de nationaliteit of van de vestigingsplaats van partijen of op grond van het gebied waar het kapitaal wordt belegd. Bijlage XII bevat de bepalingen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van dit artikel.

Artikel 41

De lopende betalingen met betrekking tot het verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal tussen de overeenkomstsluitende partijen zijn in het kader van de bepalingen van deze Overeenkomst vrij van alle beperkingen.

Artikel 42

1. Wanneer binnenlandse voorschriften met betrekking tot de kapitaalmarkt en het kredietwezen worden toegepast op het overeenkomstig de bepalingen van deze Overeenkomst geliberaliseerd kapitaalverkeer, dan geschiedt zulks op niet-discriminerende wijze.

2. Leningen voor de middellijke of onmiddellijke financiering van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat of van zijn territoriale publiekrechtelijke lichamen kunnen in de overige Lid-Staten van de EG of de EVA-Staten slechts worden uitgeschreven of geplaatst nadat tussen de betrokken staten ter zake overeenstemming is bereikt.

Artikel 43

1. Wanneer verschillen tussen de deviezenregelingen van de Lid-Staten van de EG en de EVA-Staten de personen die woonachtig of gevestigd zijn in een van deze landen ertoe zouden brengen de in artikel 40 bedoelde transfermogelijkheden op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen te benutten, ten einde de door een van deze landen ten opzichte van derde landen getroffen regeling te ontgaan, kan de betrokken overeenkomstsluitende partij passende maatregelen treffen om deze moeilijkheden weg te nemen.

2. Ingeval kapitaalbewegingen verstoringen in de werking van de kapitaalmarkt in een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat tot gevolg hebben, kan de betrokken overeenkomstsluitende partij beschermende maatregelen op het gebied van het kapitaalverkeer nemen.

3. Indien de bevoegde instanties van een overeenkomstsluitende partij in de wisselkoers een wijziging aanbrengen die de mededingingsvoorwaarden ernstig vervalst, kunnen de overige overeenkomstsluitende partijen voor een strikt beperkte periode de maatregelen nemen die noodzakelijk zijn om de gevolgen van die handelwijze te ondervangen.

4. In geval van moeilijkheden of ernstig dreigende moeilijkheden in de betalingsbalans van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat, die voortvloeien hetzij uit het ontbreken van het globaal evenwicht van zijn balans hetzij uit de aard van zijn beschikbare deviezen, en die met name de werking van deze Overeenkomst in gevaar kunnen brengen, kan de betrokken overeenkomstsluitende partij beschermende maatregelen treffen.

Artikel 44

De Gemeenschap enerzijds en de EVA-Staten anderzijds passen hun interne procedures toe, zoals bepaald in Protocol 18, om de bepalingen van artikel 43 uit te voeren.

Artikel 45

1. Het Gemengd Comité van de EER wordt in kennis gesteld van de beschikkingen, adviezen en aanbevelingen verband houdende met de in artikel 43 beschreven maatregelen.

2. Over alle maatregelen wordt in het Gemengd Comité van de EER voorafgaand overleg gepleegd en informatie uitgewisseld.

3. In de in artikel 43, lid 2, bedoelde situatie kan de betrokken overeenkomstsluitende partij evenwel om reden van hun geheim of dringend karakter, maatregelen zelf treffen, wanneer zij noodzakelijk zijn, zonder voorafgaand overleg en voorafgaande uitwisseling van informatie.

4. In het in artikel 43, lid 4, bedoelde geval dat er een plotselinge crisis in de betalingsbalans optreedt en de procedures van lid 2 niet kunnen worden gevolgd, kan de betrokken overeenkomstsluitende partij te harer bescherming de noodzakelijke beschermende maatregelen treffen. Die maatregelen moeten zo weinig mogelijk verstoringen in de werking van de Overeenkomst teweegbrengen en mogen niet verder reiken dan strikt onvermijdelijk is om de plotseling opgetreden moeilijkheden te overwinnen.

5. Wanneer er maatregelen overeenkomstig de leden 3 en 4 worden getroffen, wordt hiervan uiterlijk op de datum van hun inwerkingtreding mededeling gedaan en vinden de uitwisseling van informatie, het overleg en de in lid 1 bedoelde kennisgevingen zo spoedig mogelijk daarna plaats.



HOOFDSTUK 5

SAMENWERKING BIJ HET ECONOMISCH EN MONETAIR BELEID

Artikel 46

De overeenkomstsluitende partijen wisselen meningen en informatie uit over de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst en het effect van de integratie op hun economische bedrijvigheid en hun economisch en monetair beleid. Voorts kunnen zij macro-economische situaties, beleid en vooruitzichten bespreken. Deze uitwisseling van meningen en informatie is niet bindend.



HOOFDSTUK 6

VERVOER

Artikel 47

1. De artikelen 48 tot en met 52 zijn van toepassing op het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren.

2. Bijlage XIII bevat specifieke bepalingen betreffende alle wijzen van vervoer.

Artikel 48

1. De bepalingen van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat betreffende het vervoer per spoor, over de weg en over de binnenwateren die niet onder bijlage XIII vallen, worden in hun rechtstreekse of zijdelingse uitwerking niet minder gunstig gemaakt voor de vervoerondernemers van de overige staten dan voor de nationale vervoerondernemers.

2. Elke overeenkomstsluitende partij die van het in lid 1 vervatte beginsel afwijkt, stelt het Gemengd Comité van de EER daarvan in kennis. Indien andere overeenkomstsluitende partijen de afwijking niet aanvaarden, kunnen zij overeenkomstige tegenmaatregelen nemen.

Artikel 49

Met deze Overeenkomst is verenigbaar steun die beantwoordt aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer of die overeenkomt met de vergoeding van bepaalde met het begrip „openbare dienst” verbonden, verplichte dienstverrichtingen.

Artikel 50

1. In het verkeer op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen zijn er geen discriminaties welke daarin bestaan, dat een vervoerondernemer voor dezelfde verbindingen verschillende vrachtprijzen en vervoervoorwaarden voor gelijke goederen toepast naar gelang van het land van herkomst of bestemming van de vervoerde waren.

2. De overeenkomstig deel VII bevoegde autoriteit onderzoekt eigener beweging of op verzoek van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat de in dit artikel bedoelde gevallen van discriminatie en neemt in het kader van haar interne regels de noodzakelijke beschikkingen.

Artikel 51

1. Behoudens machtiging van de in artikel 50, lid 2, bedoelde bevoegde autoriteit, is het verboden voor het vervoer op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen de toepassing van prijzen en voorwaarden op te leggen welke enig element van steun of bescherming in het belang van een of meer ondernemingen of bepaalde industrieën inhouden.

2. De bevoegde autoriteit onderwerpt eigener beweging of op verzoek van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat de in lid 1 bedoelde prijzen en voorwaarden aan een onderzoek en houdt daarbij met name rekening, enerzijds met de vereisten van een passend regionaal economisch beleid, met de behoeften van minder ontwikkelde gebieden alsmede met de vraagstukken welke zich in door politieke omstandigheden ernstig benadeelde streken voordoen, en anderzijds met de gevolgen van die prijzen en voorwaarden voor de mededinging tussen de takken van vervoer.

De bevoegde autoriteit neemt in het kader van haar interne regels de noodzakelijke beschikkingen.

3. Het in lid 1 bedoelde verbod geldt niet voor mededingingstarieven.

Artikel 52

De heffingen of andere rechten welke naast de vervoerprijs door een vervoerondernemer in verband met het overschrijden der grens in rekening worden gebracht, mogen een redelijk peil niet te boven gaan, gelet op de werkelijke kosten welke door die grensoverschrijding feitelijk zijn veroorzaakt. De overeenkomstsluitende partijen streven naar een geleidelijke verlaging van die kosten.



DEEL IV

MEDEDINGING EN ANDERE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS



HOOFDSTUK 1

REGELS VOOR ONDERNEMINGEN

Artikel 53

1. Onverenigbaar met de werking van deze Overeenkomst en verboden zijn alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op het door deze Overeenkomst bestreken grondgebied wordt verhinderd, beperkt of vervalst en met name die welke bestaan in:

a)het rechtstreeks of zijdelings bepalen van de aan- of verkoopprijzen of van andere contractuele voorwaarden;

b)het beperken of controleren van de produktie, de afzet, de technische ontwikkeling of de investeringen;

c)het verdelen van de markten of van de voorzieningsbronnen;

d)het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging;

e)het afhankelijk stellen van het sluiten van overeenkomsten van de aanvaarding door de handelspartners van bijkomende prestaties welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.

2. De krachtens dit artikel verboden overeenkomsten of besluiten zijn van rechtswege nietig.

3. De bepalingen van lid 1 van dit artikel kunnen echter buiten toepassing worden verklaard:

—voor elke overeenkomst of groep van overeenkomsten tussen ondernemingen,

—voor elk besluit of groep van besluiten van ondernemersverenigingen, en

—voor elke onderling afgestemde feitelijke gedraging of groep van gedragingen

die bijdragen tot verbetering van de produktie of van de verdeling der produkten of tot verbetering van de technische of economische vooruitgang, mits een billijk aandeel in de daaruit voortvloeiende voordelen de gebruikers ten goede komt, en zonder nochtans aan de betrokken ondernemingen

a)beperkingen op te leggen welke voor het bereiken van deze doelstellingen niet onmisbaar zijn;

b)de mogelijkheid te geven, voor een wezenlijk deel van de betrokken produkten de mededinging uit te schakelen.

Artikel 54

Onverenigbaar met de werking van deze Overeenkomst en verboden, voor zover de handel tussen de overeenkomstsluitende partijen daardoor ongunstig kan worden beïnvloed, is het, dat een of meer ondernemingen misbruik maken van een machtspositie op het door deze Overeenkomst bestreken grondgebied of op een wezenlijk deel daarvan.

Dit misbruik kan met name bestaan in:

a)het rechtstreeks of zijdelings opleggen van onbillijke aan- of verkoopprijzen of van andere onbillijke contractuele voorwaarden;

b)het beperken van de produktie, de afzet of de technische ontwikkeling ten nadele van de verbruikers;

c)het toepassen ten opzichte van handelspartners van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, hun daarmede nadeel berokkenend bij de mededinging;

d)het feit dat het sluiten van overeenkomsten afhankelijk wordt gesteld van het aanvaarden door de handelspartners van bijkomende prestaties, welke naar hun aard of volgens het handelsgebruik geen verband houden met het onderwerp van deze overeenkomsten.

Artikel 55

1. Onverminderd de bepalingen die uitvoering geven aan de artikelen 53 en 54, zoals die in Protocol 21 en bijlage XIV van deze Overeenkomst zijn vervat, waken de Commissie van de EG en de in artikel 108, lid 1, bedoelde Toezichthoudende Autoriteit van de EVA over de toepassing van de in de artikelen 53 en 54 neergelegde beginselen.

De in artikel 56 bedoelde bevoegde toezichthoudende autoriteit stelt, eigener beweging of op verzoek van een staat binnen het onderscheiden rechtsgebied of van het andere toezichthoudende orgaan, een onderzoek in naar de gevallen van vermoedelijke inbreuk op deze beginselen. De bevoegde toezichthoudende autoriteit verricht het onderzoek in samenwerking met de bevoegde nationale autoriteiten binnen het onderscheiden rechtsgebied en met het andere toezichthoudende orgaan dat haar overeenkomstig zijn interne regels behulpzaam is.

Indien haar blijkt dat inbreuk is gepleegd, stelt zij passende middelen voor om daaraan een eind te maken.

2. Wordt aan deze inbreuken geen eind gemaakt, dan stelt de bevoegde toezichthoudende autoriteit de inbreuk op de beginselen in een met redenen omklede beschikking vast.

De bevoegde toezichthoudende autoriteit kan haar beschikking bekendmaken en de staten binnen het onderscheiden rechtsgebied machtigen de noodzakelijke tegenmaatregelen, waarvan zij de voorwaarden en de wijze van toepassing bepaalt, te treffen om de toestand te verhelpen. Zij kan de andere toezichthoudende autoriteit eveneens verzoeken om de staten binnen het onderscheiden rechtsgebied te machtigen tot het treffen van dergelijke maatregelen.

Artikel 56

1. Over afzonderlijke gevallen waarop artikel 53 van toepassing is, wordt door de toezichthoudende autoriteiten overeenkomstig de volgende bepalingen beslist:

a)over afzonderlijke gevallen waarin alleen de handel tussen de EVA-Staten ongunstig wordt beïnvloed, wordt beslist door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA;

b)onverminderd het bepaalde onder c) beslist de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, zoals bepaald in artikel 58, Protocol 21 en de uitvoeringsbepalingen daarvan, Protocol 23 en bijlage XIV, over de gevallen waarin de omzet van de betrokken ondernemingen op het grondgebied van de EVA-Staten 33 % of meer bedraagt van hun omzet op het door deze overeenkomst bestreken grondgebied;

c)over de overige gevallen alsmede over de onder b) bedoelde gevallen waarin de handel tussen de Lid-Staten van de EG ongunstig wordt beïnvloed, beslist de Commissie van de EG met inachtneming van het bepaalde in artikel 58, Protocol 21, Protocol 23 en bijlage XIV.

2. Over afzonderlijke gevallen waarop artikel 54 van toepassing is, wordt beslist door de toezichthoudende autoriteit op het rechtsgebied waarvan het bestaan van een machtspositie is geconstateerd. Het in lid 1, onder b) en c), bepaalde is slechts van toepassing indien er een machtspositie bestaat binnen het rechtsgebied van beide toezichthoudende autoriteiten.

3. Over afzonderlijke gevallen waarop lid 1, onder c), van toepassing is en waarvan de gevolgen voor de handel tussen de Lid-Staten van de EG of voor de mededinging binnen de Gemeenschap niet merkbaar zijn, wordt beslist door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA.

4. De termen „ondernemingen” en „omzet” worden voor de toepassing van dit artikel in Protocol 22 gedefinieerd.

Artikel 57

1. Concentraties die overeenkomstig lid 2 aan toezicht onderworpen zijn en die een machtspositie creëren of versterken ten gevolge waarvan een daadwerkelijke mededinging op het door deze Overeenkomst bestreken grondgebied of op een wezenlijk deel daarvan aanzienlijk wordt belemmerd, worden onverenigbaar met deze Overeenkomst verklaard.

2. Op concentraties waarop lid 1 van toepassing is, wordt toezicht gehouden door:

a)de Commissie van de EG in de gevallen waarop Verordening (EEG) nr. 4064/89 van toepassing is, overeenkomstig die verordening en overeenkomstig de Protocollen 21 en 24 en bijlage XIV. Aan de Commissie van de EG wordt de uitsluitende bevoegdheid toegekend over deze gevallen te beslissen, met dien verstande dat het Hof van Justitie van de EG de wettigheid hiervan kan nagaan;

b)de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA in de gevallen die niet onder het bepaalde in punt a) vallen, wanneer de in bijlage XIV vermelde drempels op het grondgebied van de EVA-Staten zijn bereikt overeenkomstig de Protocollen 21 en 24 en bijlage XIV, zulks onverminderd de bevoegdheden van de Lid-Staten van de EG.

Artikel 58

De bevoegde autoriteiten werken samen overeenkomstig het bepaalde in de Protocollen 23 en 24, met het oog op de ontwikkeling en het behoud van een uniform toezichtbeleid in de gehele Europese Economische Ruimte op het gebied van de mededinging en met het oog op de bevordering van een homogene tenuitvoerlegging, toe passing en interpretatie van de daartoe strekkende bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel 59

1. De overeenkomstsluitende partijen zien erop toe dat met betrekking tot de openbare bedrijven en de ondernemingen waaraan de Lid-Staten van de EG of de EVA-Staten bijzondere of uitsluitende rechten verlenen, geen enkele maatregel wordt vastgesteld of gehandhaafd welke in strijd is met de regels van deze Overeenkomst, met name die bedoeld in de artikelen 4 en 53 tot en met 63.

2. Ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang of die het karakter dragen van een fiscaal monopolie, vallen onder de regels van deze Overeenkomst, met name onder de mededingingsregels, voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taken niet verhindert. De ontwikkeling van het handelsverkeer mag niet worden beïnvloed in een mate die strijdig is met het belang van de overeenkomstsluitende partijen.

3. De Commissie van de EG en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA waken binnen het kader van hun respectieve bevoegdheden over de toepassing van dit artikel en treffen, voor zover nodig, passende maatregelen ten aanzien van de staten binnen hun onderscheiden rechtsgebied.

Artikel 60

Bijlage XIV bevat specifieke bepalingen ter uitvoering van de beginselen neergelegd in de artikelen 53, 54, 57 en 59.



HOOFDSTUK 2

STEUNMAATREGELEN VAN DE STATEN

Artikel 61

1. Behoudens de afwijkingen waarin deze Overeenkomst voorziet, zijn steunmaatregelen van de Lid-Staten van de EG, de EVA-Staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de werking van deze Overeenkomst, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig beïnvloedt.

2. Met de werking van deze Overeenkomst zijn verenigbaar:

a)steunmaatregelen van sociale aard aan individuele verbruikers op voorwaarde dat deze toegepast worden zonder onderscheid naar de oorsprong van de produkten;

b)steunmaatregelen tot herstel van schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen.

c)steunmaatregelen aan de economie van bepaalde streken van de Bondsrepubliek Duitsland die nadeel ondervinden van de deling van Duitsland, voor zover deze steunmaatregelen noodzakelijk zijn om de door deze deling berokkende economische nadelen te compenseren.

3. Als verenigbaar met de werking van deze Overeenkomst kunnen worden beschouwd:

a)steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling van streken waarin de levensstandaard abnormaal laag is of waar een ernstig gebrek aan werkgelegenheid heerst;

b)steunmaatregelen om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen of een ernstige verstoring in de economie van een Lid-Staat van de EG of een EVA-Staat op te heffen;

c)steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad;

d)andere soorten van steunmaatregelen aangewezen door het Gemengd Comité van de EER overeenkomstig deel VII.

Artikel 62

1. Op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen worden alle bestaande regelingen inzake over heidssteun en alle plannen om overheidssteun te verlenen of te wijzigen voortdurend onderzocht op hun verenig baarheid met artikel 61. Dit onderzoek wordt uitgevoerd:

a)wat de Lid-Staten van de EG betreft, door de Commissie van de EG overeenkomstig de in artikel 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap vastgestelde regels;

b)wat de EVA-Staten betreft, door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA overeenkomstig de regels neergelegd in een overeenkomst tussen de EVA-Staten waarbij deze autoriteit, die de in Protocol 26 vastgestelde bevoegdheden en taken heeft, wordt ingesteld.

2. Met het oog op een uniform toezichtbeleid op het gebied van overheidssteun op het gehele door deze Overeenkomst bestreken grondgebied werken de Commissie van de EG en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA samen overeenkomstig het bepaalde in Protocol 27.

Artikel 63

Bijlage XV bevat specifieke bepalingen inzake overheidssteun.

Artikel 64

1. Indien een van de toezichthoudende autoriteiten van oordeel is dat de tenuitvoerlegging door de andere toezichthoudende autoriteit van de artikelen 61 en 62 van deze Overeenkomst en van artikel 5 van Protocol 14 niet in overeenstemming is met de handhaving van gelijke mededingingsvoorwaarden op het door deze Overeenkomst bestreken grondgebied, wordt daarover overeenkomstig de procedure van Protocol 27, punt f), binnen twee weken van gedachten gewisseld.

Indien tegen het einde van deze periode van twee weken geen gemeenschappelijk aanvaarde oplossing is bereikt, kan de bevoegde autoriteit van de benadeelde overeenkomstsluitende partij onverwijld passende tussentijdse maatregelen nemen om aan de ontstane vervalsing van de mededinging een einde te maken.

Vervolgens wordt in het Gemengd Comité van de EER overleg gepleegd, ten einde een voor alle betrokkenen aanvaardbare oplossing uit te werken.

Indien het Gemengd Comité van de EER binnen drie maanden geen oplossing heeft kunnen uitwerken, en indien de desbetreffende feitelijke gedraging de mededinging zodanig vervalst of dreigt te vervalsen dat de handel tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig wordt beïnvloed, kunnen de tussentijdse maatregelen worden vervangen door definitieve maatregelen die strikt noodzakelijk zijn om de gevolgen van die vervalsing te compenseren. Er wordt voorrang verleend aan maatregelen die de werking van de EER zo weinig mogelijk verstoren.

2. De bepalingen van dit artikel zijn eveneens van toepassing op staatsmonopolies die na de datum van ondertekening van de Overeenkomst tot stand komen.



HOOFDSTUK 3

VERDERE GEMEENSCHAPPELIJKE REGELS

Artikel 65

1. Bijlage XVI bevat specifieke bepalingen en regelingen betreffende aanbestedingen die, tenzij anders bepaald, op alle vermelde produkten en diensten van toepassing zijn.

2. Protocol 28 en bijlage XVII bevatten specifieke bepalingen en regelingen betreffende de intellectuele, industriële en commerciële eigendom die, tenzij anders bepaald, op alle produkten en diensten van toepassing zijn.



DEEL V

HORIZONTALE BEPALINGEN MET BETREKKING TOT DE VIER VRIJHEDEN



HOOFDSTUK 1

SOCIAAL BELEID

Artikel 66

De overeenkomstsluitende partijen erkennen de noodzaak, verbetering van de levensstandaard en de arbeidsvoorwaarden van de werknemers te bevorderen.

Artikel 67

1. De overeenkomstsluitende partijen beijveren zich om de verbetering van met name het arbeidsmilieu te bevorderen ten einde de gezondheid en de veiligheid van de werknemers te beschermen. Om dit doel te bereiken worden geleidelijk minimumeisen ingevoerd met inachtneming van de in elk van de overeenkomstsluitende partijen bestaande omstandigheden en technische voorschriften. Dergelijke minimumeisen beletten niet dat een overeenkomstsluitende partij maatregelen voor een hogere graad van bescherming van de arbeidsvoorwaarden handhaaft en treft welke met deze Overeenkomst verenigbaar zijn.

2. Bijlage XVIII bevat de als de in lid 1 genoemde minimumeisen in te voeren bepalingen.

Artikel 68

De overeenkomstsluitende partijen treffen op het gebied van het arbeidsrecht de maatregelen die noodzakelijk zijn om de goede werking van deze Overeenkomst te waarborgen. Deze maatregelen zijn opgenomen in bijlage XVIII.

Artikel 69

1. Elke overeenkomstsluitende partij verzekert en handhaaft de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid.

Onder beloning in de zin van dit artikel dient te worden verstaan het gewone basis- of minimumloon of -salaris, en alle overige voordelen in geld of in natura die de werkgever direct of indirect aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking betaalt.

Gelijkheid van beloning zonder onderscheid naar kunne houdt in:

a)dat de beloning voor dezelfde arbeid in stukloon wordt vastgesteld op basis van een zelfde maatstaf;

b)dat de beloning voor arbeid in tijdloon dezelfde is voor een zelfde functie.

2. Bijlage XVIII bevat specifieke bepalingen voor de tenuitvoerlegging van lid 1.

Artikel 70

De overeenkomstsluitende partijen bevorderen het beginsel van gelijke behandeling van mannelijke en vrouwelijke werknemers via de tenuitvoerlegging van de in bijlage XVIII opgenomen bepalingen.

Artikel 71

De overeenkomstsluitende partijen beijveren zich de dialoog tussen de sociale partners op Europees niveau te bevorderen.



HOOFDSTUK 2

BESCHERMING VAN DE CONSUMENT

Artikel 72

Bijlage XIX bevat bepalingen inzake de bescherming van de consument.



HOOFDSTUK 3

HET MILIEU

Artikel 73

1. Het optreden van de overeenkomstsluitende partijen op milieu-gebied heeft tot doel:

a)de kwaliteit van het milieu te behouden, te beschermen en te verbeteren;

b)bij te dragen tot de bescherming van de gezondheid van de mens;

c)zorg te dragen voor een behoedzaam en rationeel gebruik van de. natuurlijke hulpbronnen.

2. Het optreden van de overeenkomstsluitende partijen op milieu-gebied berust op de beginselen van pre ventief handelen, bestrijding van milieuaantastingen bij voorrang aan de bron en het beginsel dat de vervuiler betaalt. De eisen ter zake van milieubescherming vormen een bestanddeel van de andere takken van beleid van de overeenkomstsluitende partijen.

Artikel 74

Bijlage XX bevat de specifieke bepalingen inzake beschermende maatregelen die overeenkomstig artikel 73 van toepassing zijn.

Artikel 75

De in artikel 74 bedoelde beschermende maatregelen beletten niet dat een overeenkomstsluitende partij maatregelen voor een verdergaande bescherming handhaaft en treft welke met deze Overeenkomst verenigbaar zijn.



HOOFDSTUK 4

STATISTIEKEN

Artikel 76

1. De overeenkomstsluitende partijen zorgen voor de produktie en verspreiding van samenhangende en vergelijkbare statistische informatie voor het beschrijven en volgen van alle ter zake doende economische, sociale en milieuaspecten van de Europese Economische Ruimte.

2. Hiertoe ontwikkelen en gebruiken de overeenkomstsluitende partijen geharmoniseerde methoden, definities en indelingen alsmede gemeenschappelijke programma’s en procedures; de statistische werkzaamheden worden op de passende administratieve niveaus georganiseerd en de noodzaak van vertrouwelijke behandeling van de statistische informatie wordt naar behoren in acht genomen.

3. Bijlage XXI bevat specifieke bepalingen inzake statistieken.

4. Protocol 30 bevat specifieke bepalingen inzake de organisatie van de samenwerking op het gebied van de statistieken.



HOOFDSTUK 5

VENNOOTSCHAPSRECHT

Artikel 77

Bijlage XXII bevat specifieke bepalingen inzake het vennootschapsrecht.



DEEL VI

SAMENWERKING BUITEN HET KADER VAN DE VIER VRIJHEDEN

Artikel 78

De overeenkomstsluitende partijen versterken en verbreden de samenwerking in het kader van de werkzaamheden van de Gemeenschap op het gebied van:

—onderzoek en technologische ontwikkeling,

—informatiediensten,

—milieu,

—onderwijs, opleiding en jongerenbeleid,

—sociaal beleid,

—bescherming van de consument,

—kleine en middelgrote ondernemingen,

—toerisme,

—de audiovisuele sector en

—burgerbescherming,

voor zover deze onderwerpen niet in andere delen van deze Overeenkomst worden geregeld.

Artikel 79

1. De overeenkomstsluitende partijen stellen alles in het werk, met name via de in deel VII vastgestelde procedures, om hun dialoog te versterken ten einde te bepalen op welke terreinen en voor welke werkzaamheden nauwere samenwerking zou kunnen bijdragen tot de verwezenlijking van hun gemeenschappelijke doelstellingen op de in artikel 78 genoemde gebieden.

2. Zij wisselen met name informatie uit en plegen, op verzoek van een overeenkomstsluitende partij, overleg in het Gemengd Comité van de EER over plannen of voorstellen voor de totstandbrenging of wijziging van kaderprogramma’s, specifieke programma’s, acties en projecten op de in artikel 78 genoemde terreinen.

3. Deel VII is mutatis mutandis van toepassing op het onderhavige deel, wanneer zulks in laatstgenoemd deel of Protocol 31 speciaal wordt bepaald.

Artikel 80

De in artikel 78 bedoelde samenwerking vindt normaliter in een van de volgende vormen plaats:

—deelneming door EVA-Staten aan communautaire kader-programma’s, specifieke programma’s, projecten of andere acties;

—totstandbrenging van gezamenlijke activiteiten op specifieke terreinen, inclusief overleg over of coördinatie van activiteiten, het samenvoegen van bestaande activiteiten en de totstandbrenging van gezamenlijke ad hoc-activiteiten;

—formele en informele uitwisseling of verstrekking van informatie;

—gemeenschappelijke inspanningen om bepaalde activiteiten op het gehele grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen aan te moedigen;

—parallelle wetgeving, in voorkomend geval, met een identieke of gelijksoortige inhoud;

—coördinatie van inspanningen en activiteiten, wanneer zulks van wederzijds belang is, via of in het kader van internationale organisaties en van samenwerking met derde landen.

Artikel 81

Wanneer de samenwerking de vorm aanneemt van deelneming door EVA-Staten in een communautair kaderprogramma, specifiek programma, project of andere actie, zijn de volgende beginselen van toepassing:

a)De EVA-Staten moeten toegang hebben tot alle delen van een programma.

b)In de status van de EVA-Staten in de commissies die de Commissie bijstaan bij het beheer of de ontwikkeling van een communautaire activiteit waaraan EVA-Staten op grond van hun deelneming financieel kunnen bijdragen, moet deze bijdrage ten volle tot uiting komen.

c)Besluiten van de Gemeenschap die geen verband houden met de algemene begroting van de Gemeenschap, en al dan niet rechtstreeks betrekking hebben op een kaderprogramma, een specifiek programma, een project of andere actie waaraan EVA-Staten via een in het kader van deze Overeenkomst genomen besluit deelnemen, zijn onderworpen aan het bepaalde in artikel 79, lid 3. De voorwaarden voor de voortgezette deelneming aan bedoelde activiteit kunnen door het Gemengd Comité van de EER worden gewijzigd overeenkomstig artikel 86.

d)Op projectniveau hebben instellingen, ondernemingen, organisaties en onderdanen van de EVA-Staten dezelfde rechten en verplichtingen in het communautaire programma of een andere actie als die welke gelden voor de instellingen, ondernemingen, organisaties en onderdanen van de Lid-Staten van de EG waarmee het partnerschap wordt aangegaan. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor deelnemers aan uitwisselingen tussen EVA-Staten en Lid-Staten van de EG in het kader van bedoelde activiteit.

e)De EVA-Staten, hun instellingen, ondernemingen, organisaties en onderdanen hebben dezelfde rechten en verplichtingen ten aanzien van de verspreiding, evaluatie en exploitatie van resultaten als die welke gelden voor de Lid-Staten van de EG, hun instellingen, ondernemingen, organisaties en onderdanen.

f)De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe om, in overeenstemming met hun onderscheiden voorschriften en regelingen, het verkeer van deelnemers aan het programma of een andere actie in de mate waarin zulks noodzakelijk is te vergemakkelijken.

Artikel 82

1. Wanneer de samenwerking in het kader van dit deel een financiële deelneming van de EVA-Staten omvat, vindt die deelneming in een van de volgende vormen plaats:

a)De bijdrage van de EVA-Staten als gevolg van hun deelneming aan communautaire activiteiten wordt berekend naar rato van:

—de vastleggingskredieten en

—de betalingskredieten

die elk jaar voor de Gemeenschap op de algemene communautaire begroting worden opgevoerd op elke begrotingslijn overeenstemmende met de betrokken activiteiten.

De „evenredigheidsfactor” aan de hand waarvan de deelneming van de EVA-Staten wordt bepaald, is de som van de verhoudingsgetallen tussen het bruto binnenlands produkt tegen marktprijzen van elk van de EVA-Staten enerzijds en de som van de bruto binnenlandse produkten tegen marktprijzen van de Lid-Staten van de EG en die EVA-Staat anderzijds. Deze factor wordt voor elk begrotingsjaar aan de hand van de meest recente statistische gegevens berekend.

Het bedrag van de bijdrage van de EVA-Staten is zowel wat de vastleggingskredieten als wat de betalingskredieten betreft een aanvulling op de voor de Gemeenschap opgevoerde bedragen op de algemene begroting op elke begrotingslijn overeenstemmende met de betrokken activiteiten.

De elk jaar door de EVA-Staten te betalen bijdragen worden op basis van de betalingskredieten vastgesteld.

Verplichtingen die de Gemeenschap is aangegaan vóór de inwerkingtreding op basis van deze Overeenkomst van de deelneming van de EVA-Staten aan de betrokken activiteiten — en de daaruit voortvloeiende betalingen —, geven geen aanleiding tot een bijdrage van de EVA-Staten.

b)De financiële bijdrage van de EVA-Staten als gevolg van hun deelneming aan bepaalde projecten of andere activiteiten wordt gebaseerd op het beginsel dat elke overeenkomstsluitende partij haar eigen kosten dekt en een door het Gemengd Comité van de EER vast te stellen passende bijdrage levert aan de algemene kosten van de Gemeenschap.

c)Het Gemengd Comité van de EER neemt de nodige besluiten betreffende de bijdrage van de overeenkomstsluitende partijen in de kosten van de activiteit.

2. Protocol 32 bevat de nadere bepalingen voor de tenuitvoerlegging van dit artikel.

Artikel 83

Wanneer de samenwerking de vorm van een uitwisseling van informatie tussen overheidsinstanties aanneemt, hebben de EVA-Staten dezelfde rechten om informatie te ontvangen en verplichtingen om informatie te verstrekken als de Lid-Staten van de EG, op voorwaarde dat wordt voldaan aan de eisen van vertrouwelijkheid die door het Gemengd Comité van de EER worden vastgesteld.

Artikel 84

Protocol 31 bevat bepalingen inzake samenwerking op bepaalde specifieke terreinen.

Artikel 85

Tenzij anders bepaald in Protocol 31 gelden voor op de datum van inwerkingtreding van deze Overeenkomst reeds tussen de Gemeenschap en afzonderlijke EVA-Staten bestaande samenwerking op de in artikel 78 vermelde gebieden na die datum de desbetreffende bepalingen van het onderhavige deel en van Protocol 31.

Artikel 86

Het Gemengd Comité van de EER geeft overeenkomstig deel VII alle beschikkingen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van de artikelen 78 tot en met 85 en de daaruit voortvloeiende maatregelen, zoals bij voorbeeld het aanvullen en wijzigen van de bepalingen van Protocol 31 alsmede het invoeren van de overgangsregelingen die voor de tenuitvoerlegging van artikel 85 nodig zijn.

Artikel 87

De overeenkomstsluitende partijen doen het nodige om de samenwerking in het kader van de activiteiten van de Gemeenschap op niet in artikel 78 vermelde terreinen te ontwikkelen, te versterken of te verbreden, wanneer een dergelijke samenwerking wordt geacht een bijdrage te leveren aan de doelstellingen van deze Overeenkomst of anderszins door de overeenkomstsluitende partijen van wederzijds belang wordt geoordeeld. Dit kan ertoe leiden dat aan de in artikel 78 vermelde terreinen nieuwe terreinen worden toegevoegd.

Artikel 88

Onverminderd het bepaalde in andere delen van deze Overeenkomst beletten de bepalingen van dit deel overeenkomstsluitende partijen niet om zelfstandig maatregelen uit te werken, aan te nemen en ten uitvoer te leggen.



DEEL VII

BEPALINGEN INZAKE DE INSTELLINGEN



HOOFDSTUK 1

DE STRUCTUR VAN DE ASSOCIATIE



Afdeling 1

De EER-Raad

Artikel 89

1. Er wordt een EER-Raad ingesteld die met name verantwoordelijk is voor het geven van de politieke impulsen bij de tenuitvoerlegging van deze Overeenkomst en het vaststellen van de algemene richtsnoeren voor het Gemengd Comité van de EER.

Daartoe beoordeelt de EER-Raad de algemene werking en de ontwikkeling van de Overeenkomst en neemt hij de politieke besluiten die leiden tot wijziging van de Overeenkomst.

2. De overeenkomstsluitende partijen — wat de Gemeenschap en de Lid-Staten van de EG betreft elk op hun onderscheiden bevoegdheidsterreinen — kunnen iedere aangelegenheid die aanleiding geeft tot moeilijkheden, na bespreking ervan in het Gemengd Comité van de EER, of in uitzonderlijk urgente gevallen direct, in de EER-Raad aan de orde stellen.

3. De EER-Raad stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 90

1. De EER-Raad bestaat uit de leden van de Raad van de Europese Gemeenschappen en leden van de Commissie van de EG en één lid van de regering van elk van de EVA-Staten.

De leden van de EER-Raad kunnen worden vertegenwoordigd overeenkomstig de in zijn reglement van orde vast te stellen voorwaarden.

2. De EER-Raad geeft beschikkingen op basis van overeenstemming tussen de Gemeenschap enerzijds en de EVA-Staten anderzijds.

Artikel 91

1. Het voorzitterschap van de EER-Raad wordt afwisselend voor een periode van zes maanden uitgeoefend door een lid van de Raad van de Europese Gemeenschappen en een lid van de regering van een EVA-Staat.

2. De EER-Raad wordt twee maal per jaar door zijn voorzitter bijeengeroepen. De EER-Raad komt overeenkomstig zijn reglement van orde eveneens bijeen wanneer de omstandigheden zulks vereisen.



Afdeling 2

Het Gemengd Comité van de EER

Artikel 92

1. Er wordt een Gemengd Comité van de EER ingesteld, dat de daadwerkelijke tenuitvoerlegging en werking van de Overeenkomst verzekert. Daartoe wisselt het denkbeelden en informatie uit en neemt het in de gevallen waarin deze Overeenkomst voorziet besluiten.

2. De overeenkomstsluitende partijen — wat de Gemeenschap en de Lid-Staten van de EG betreft elk op hun onderscheiden bevoegdheidsterreinen — plegen in het Gemengd Comité van de EER overleg over ieder door een van hen aan de orde gesteld punt dat van belang is voor de Overeenkomst en dat aanleiding geeft tot moeilijkheden.

3. Het Gemengd Comité van de EER stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 93

1. Het Gemengd Comité van de EER bestaat uit vertegenwoordigers van de overeenkomstsluitende partijen.

2. Het Gemengd Comité van de EER geeft beschikkingen op basis van overeenstemming tussen de Gemeenschap enerzijds en de met één stem sprekende EVA-Staten anderzijds.

Artikel 94

1. Het voorzitterschap van het Gemengd Comité van de EER wordt afwisselend voor een periode van zes maanden uitgeoefend door de vertegenwoordiger van de Gemeenschap, in casu de Commissie, en de vertegenwoordiger van een van de EVA-Staten.

2. Om zijn taken te vervullen komt het Gemengd Comité van de EER in beginsel ten minste eenmaal per maand bijeen. Het komt overeenkomstig zijn reglement van orde eveneens bijeen op initiatief van zijn voorzitter of op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen.

3. Het Gemengd Comité van de EER kan besluiten om subcomités of werkgroepen op te richten om het te helpen zijn taken uit te voeren. Het Gemengd Comité van de EER stelt in zijn reglement van orde de samenstelling en wijze van functioneren van deze sub-comités en werkgroepen vast. Hun taken worden per geval door het Comité vastgesteld.

4. Het Gemengd Comité van de EER brengt jaarlijks verslag uit over de werking en de ontwikkeling van de Overeenkomst.



Afdeling 3

Parlementaire samenwerking

Artikel 95

1. Er wordt een Gemengd Parlementair Comité van de EER ingesteld dat bestaat uit gelijke aantallen leden van het Europese Parlement enerzijds en de parlementen van de EVA-Staten anderzijds. Het totale aantal leden van het Comité is neergelegd in de statuten in Protocol 36.

2. Het Gemengd Parlementair Comité van de EER komt afwisselend bijeen in de Gemeenschap en in een EVA-Staat, overeenkomstig de in het statuut in Protocol 36 vastgestelde bepalingen.

3. Het Gemengd Parlementair Comité van de EER draagt door middel van dialoog en beraadslagingen bij tot een beter begrip tussen de Gemeenschap en de EVA-Staten op de door deze Overeenkomst bestreken terreinen.

4. Het Gemengd Parlementair Comité van de EER kan zijn standpunten in de vorm van verslagen of resoluties kenbaar maken. Het bestudeert met name het jaarlijks verslag van het Gemengd Comité van de EER dat overeenkomstig artikel 94, lid 4, over de werking en de ontwikkeling van de Overeenkomst wordt opgesteld.

5. De voorzitter van de EER-Raad kan voor het Gemengd Parlementair Comité van de EER verschijnen om te worden gehoord.

6. Het Gemengd Parlementair Comité van de EER stelt zijn reglement van orde vast.



Afdeling 4

Samenwerking tussen de economische en sociale partners

Artikel 96

1. De leden van het Economisch en Sociaal Comité en andere organen die de sociale partners in de Gemeenschap vertegenwoordigen en de overeenkomstige organen in de EVA-Staten beijveren zich om hun onderlinge contacten te versterken en georganiseerd en regelmatig samen te werken ten einde de bewustwording van de economische en sociale aspecten van de groeiende verstrengeling van de economieën en de belangen van de overeenkomstsluitende partijen in het kader van de EER te verhogen.

2. Daartoe wordt hierbij een Raadgevend Comité van de EER opgericht, dat bestaat uit gelijke aantallen leden van het Economisch en Sociaal Comité van de Gemeenschap enerzijds en het Raadgevend Comité van de EVA anderzijds. Het Raadgevend Comité van de EER kan zijn standpunten kenbaar maken in de vorm van verslagen of resoluties.

3. Het Raadgevend Comité van de EER stelt zijn reglement van orde vast.



HOOFDSTUK 2

DE BESLUITVORMINGSPROCEDURE

Artikel 97

Deze Overeenkomst doet geen afbreuk aan het recht van elke overeenkomstsluitende partij om, onverminderd het beginsel van non-discriminatie en na de overige overeenkomstsluitende partijen te hebben ingelicht, haar interne wetgeving op de door de Overeenkomst bestreken gebieden te wijzigen:

—indien het Gemengd Comité van de EER oordeelt dat de gewijzigde wetgeving geen afbreuk doet aan de goede werking van de Overeenkomst of

—indien de in artikel 98 bedoelde procedures zijn afgerond.

Artikel 98

De bijlagen bij deze Overeenkomst en de Protocollen 1 tot en met 7, 9, 10, 11, 19 tot en met 27, 30, 31, 32, 37, 39, 41 en 47, kunnen bij besluit van het Gemengd Comité van de EER overeenkomstig de artikelen 93, lid 2, 99, 100, 102 en 103 worden gewijzigd.

Artikel 99

1. Zodra er door de Commissie van de EG nieuwe wetgeving wordt voorbereid op een terrein waarop deze Overeenkomst van toepassing is, wint de Commissie van de EG informeel advies in bij deskundigen uit de EVA-Staten op dezelfde wijze als zij voor de uitwerking van haar voorstellen advies inwint bij deskundigen uit de Lid-Staten van de Gemeenschap.

2. Wanneer de Commissie van de EG haar voorstel aan de Raad van de Europese Gemeenschappen toe zendt, doet zij afschriften daarvan toekomen aan de EVA-Staten.

Op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen vindt er in het Gemengd Comité van de EER een inleidende gedachtenwisseling plaats.

3. In de fase voorafgaand aan het besluit van de Raad van de Europese Gemeenschappen plegen de overeenkomstsluitende partijen, in een voortdurend informatie- en raadplegingsproces, op belangrijke momenten op verzoek van een hunner opnieuw overleg met elkaar in het Gemengd Comité van de EER.

4. De overeenkomstsluitende partijen werken in de informatie- en overlegfase te goeder trouw samen met het uiteindelijke oogmerk de besluitvorming in het Gemengd Comité van de EER te vergemakkelijken.

Artikel 100

De Commissie van de EG zorgt, naar gelang de betrokken terreinen, voor een zo ruim mogelijke deelneming van deskundigen van de EVA-Staten in de voorbereidende fase van ontwerp-maatregelen die vervolgens worden voorgelegd aan de commissies die de Commissie bijstaan bij de uitoefening van haar uitvoerende bevoegdheden. Bij de uitwerking van ontwerp-maatregelen worden deskundigen van de EVA-Staten dan ook in dezelfde mate door de Commissie ingeschakeld als deskundigen van de Lid-Staten van de EG.

In de gevallen waarin voornoemde maatregelen overeenkomstig de procedure die past bij het soort ingeschakelde commissie, aan de Raad worden voorgelegd, deelt de Commissie van de EG de standpunten van de deskundigen van de EVA-Staten aan de Raad van de Europese Gemeenschappen mee.

Artikel 101

1. Wat de commissies betreft die noch onder artikel 81 noch onder artikel 100 vallen, worden deskundigen uit de EVA-Staten ingeschakeld bij de werkzaamheden wanneer de goede werking van deze Overeenkomst zulks vereist.

Bedoelde commissies zijn vermeld in Protocol 37. De wijze van uitvoering van deze samenwerking wordt uiteengezet in de desbetreffende sectoriële protocollen en bijlagen waarin de betrokken onderwerpen worden behandeld.

2. Indien de overeenkomstsluitende partijen tot de conclusie komen dat een dergelijke samenwerking tot andere commissies met soortgelijke kenmerken moet worden uitgebreid, kan het Gemengd Comité van de EER Protocol 37 wijzigen.

Artikel 102

1. Ten einde de rechtszekerheid en de homogeniteit van de EER te waarborgen, laat het Gemengd Comité van de EER zo min mogelijk tijd verstrijken tussen zijn besluit betreffende een wijziging van een bijlage bij deze Overeenkomst en de aanneming door de Gemeenschap van de overeenkomstige nieuwe communautaire wetgeving met het oog op gelijktijdige toepassing van de communautaire wetgeving en de wijzigingen van de bijlagen bij de Overeenkomst. Met het oog hierop stelt de Gemeenschap, wanneer zij wetgeving aanneemt betreffende een onderwerp dat door deze Overeenkomst wordt geregeld, de overige overeenkomstsluitende partijen in het Gemengd Comité van de EER hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte.

2. In het Gemengd Comité van de EER wordt vastgesteld op welk deel van een bijlage bij de Overeenkomst de nieuwe wetgeving rechtstreeks betrekking heeft.

3. De overeenkomstsluitende partijen doen al het mogelijke om overeenstemming te bereiken over aangelegenheden die deze Overeenkomst betreffen.

Het Gemengd Comité van de EER doet met name het nodige om een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te vinden indien er een ernstig probleem rijst op een gebied dat in de EVA-Staten onder de bevoegdheid van de wetgever valt.

4. Indien er ondanks de toepassing van het voorgaande lid geen overeenstemming kan worden bereikt over een wijziging van een bijlage bij deze Overeenkomst, beziet het Gemengd Comité van de EER alle verdere mogelijkheden tot bescherming van de goede werking van deze Overeenkomst en neemt het de daartoe noodzakelijke besluiten, inclusief de mogelijkheid van erkenning van de gelijkwaardigheid van wetgeving. Een dergelijk besluit wordt uiterlijk genomen zes maanden na de datum van voorlegging aan het Gemengd Comité van de EER of op het moment van inwerkingtreding van de overeenkomstige communautaire regelgeving, wanneer dat tijdstip later valt.

5. Indien het Gemengd Comité van de EER aan het einde van de in lid 4 genoemde termijn geen besluit heeft genomen over een wijziging van een bijlage bij deze Overeenkomst, wordt het betrokken deel daarvan, zoals dit overeenkomstig lid 2 werd vastgesteld, als voorlopig geschorst beschouwd, behoudens een andersluidend besluit van het Gemengd Comité van de EER. Een dergelijke schorsing wordt zes maanden na het einde van de in lid 4 bedoelde periode van kracht, maar in geen geval vóór de datum waarop het overeenkomstige EG-besluit in de Gemeenschap ten uitvoer wordt gelegd. Het Gemengd Comité van de EER blijft zoeken naar overeenstemming over een wederzijds aanvaardbare oplossing zodat de schorsing zo spoedig mogelijk kan worden beëindigd.

6. De praktische gevolgen van de in lid 5 bedoelde schorsing worden in het Gemengd Comité van de EER besproken. De rechten en verplichtingen van personen en ondernemingen krachtens deze Overeenkomst, blijven onverlet. De overeenkomstsluitende partijen besluiten welke aanpassingen in verband met de schorsing noodzakelijk zijn.

Artikel 103

1. Indien een besluit van het Gemengd Comité van de EER voor een overeenkomstsluitende partij slechts verbindend is nadat aan grondwettelijke eisen is voldaan, treedt dat besluit, indien het een datum bevat, op die datum in werking, mits de betrokken overeenkomstsluitende partij de andere overeenkomstsluitende partijen vóór die datum ervan in kennis heeft gesteld dat aan de grondwettelijke eisen is voldaan.

Bij ontbreken van een dergelijke kennisgeving vóór die datum treedt het besluit in werking op de eerste dag van de tweede maand na de laatste kennisgeving.

2. Indien een dergelijke kennisgeving bij het verstrijken van een termijn van zes maanden na het besluit van het Gemengd Comité van de EER niet heeft plaatsgevonden, wordt het besluit van het Gemengd Comité van de EER voorlopig ten uitvoer gelegd totdat is voldaan aan de grondwettelijke eisen, tenzij een overeenkomstsluitende partij te kennen geeft dat voorlopige toepassing niet plaats kan vinden. In laatstgenoemd geval of indien een overeenkomstsluitende partij kennis geeft van de niet-bekrachtiging van een besluit van het Gemengd Comité van de EER, wordt de in artikel 102, lid 5, bedoelde schorsing één maand na een dergelijke kennisgeving van kracht, maar in geen geval vóór het tijdstip waarop het overeenkomstige EG-besluit in de Gemeenschap ten uitvoer wordt gelegd.

Artikel 104

Door het Gemengd Comité van de EER genomen besluiten in de gevallen waarin deze Overeenkomst voorziet, zijn, tenzij daarin anders wordt bepaald, vanaf hun inwerkingtreding verbindend voor de overeenkomstsluitende partijen, die de nodige maatregelen nemen om hun tenuitvoerlegging en toepassing te verzekeren.



HOOFDSTUK 3

HOMOGENITEIT, TOEZICHTPROCEDURE EN BESLECHTING VAN GESCHILLEN



Afdeling 1

Homogeniteit

Artikel 105

1. Met het oog op de verwezenlijking van het streven van de overeenkomstsluitende partijen om te komen tot een zo uniform mogelijke uitlegging van de bepalingen van de Overeenkomst en van die bepalingen van de communautaire wetgeving die in essentie in de Overeenkomst zijn overgenomen, handelt het Gemengd Comité van de EER overeenkomstig dit artikel.

2. Het Gemengd Comité van de EER volgt nauwgezet de ontwikkeling van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en het in artikel 180, lid 2, bedoelde EVA-Hof. Daartoe worden de arresten van beide hoven ter kennis gebracht van het Gemengd Comité van de EER, dat het nodige doet om de homogene uitlegging van de overeenkomst te handhaven.

3. Is het Gemengd Comité van de EER, binnen twee maanden nadat het in kennis is gesteld van een verschil in jurisprudentie van beide hoven, er niet in geslaagd de homogene uitlegging van de Overeenkomst te handhaven, dan kunnen de procedures van artikel 111 worden toegepast.

Artikel 106

Ten einde te komen tot een zo uniform mogelijke uitlegging van deze Overeenkomst, met volledige eerbiediging van de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties, stelt het Gemengd Comité van de EER een systeem in voor de uitwisseling van informatie betreffende de beslissingen van het EVA-Hof, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen en de rechterlijke instanties van de EVA-Staten die in laatste aanleg uitspraak doen. Dit systeem omvat:

a)toezending aan de griffier van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van uitspraken van deze rechterlijke instanties over de uitlegging en toepassing van enerzijds deze Overeenkomst en anderzijds het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal zoals die werden gewijzigd of aangevuld, alsmede van de ter uitvoering daarvan aangenomen besluiten voor zover die betrekking hebben op bepalingen die in essentie gelijk zijn aan die van deze Overeenkomst;

b)de classificatie van die uitspraken door de griffier van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, met inbegrip van, voor zover nodig, het maken en publiceren van vertalingen en samenvattingen;

c)toezending, door de griffier van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, van de documentatie aan de door elke overeenkomstsluitende partij aan te wijzen bevoegde nationale instanties.

Artikel 107

Protocol 34 bepaalt hoe een EVA-Staat een rechterlijke instantie kan toestaan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te verzoeken een uitspraak te doen over de uitlegging van een EER-regel.



Afdeling 2

Toezichtprocedure

Artikel 108

1. De EVA-Staten stellen een onafhankelijke toezichthoudende autoriteit in (de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA) alsmede soortgelijke procedures als die welke in de Gemeenschap bestaan, met inbegrip van procedures voor de naleving van de verplichtingen krachtens deze Overeenkomst en voor de toetsing van de wettigheid van handelingen van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA op het gebied van de mededinging.

2. De EVA-Staten richten een hof van justitie op (het EVA-Hof).

In overeenstemming met een afzonderlijke overeenkomst tussen de EVA-Staten in verband met de toepassing van deze Overeenkomst, is het EVA-Hof in het bijzonder bevoegd ter zake van:

a)vorderingen inzake de toezichtprocedure betreffende de EVA-Staten;

b)beroepen betreffende beschikkingen van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA op het gebied van de mededinging;

c)de beslechting van geschillen tussen twee of meer EVA-Staten.

Artikel 109

1. Op de naleving van de verplichtingen krachtens deze Overeenkomst wordt toegezien door enerzijds de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA en anderzijds de Commissie van de EG, die handelt in overeenstemming met het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap ,►M135 ————— en deze Overeenkomst.

2. Ten einde een uniform toezicht in de gehele EER te verzekeren, wordt door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA en de Commissie van de EG samengewerkt, informatie uitgewisseld en overleg gepleegd over kwesties betreffende het toezichtbeleid en over afzonderlijke gevallen.

3. Klachten betreffende de toepassing van deze Overeenkomst worden gericht tot de Commissie van de EG en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, die elkaar in kennis stellen van de ontvangen klachten.

4. Elk van beide organen onderzoekt alle klachten ter zake waarvan het bevoegd is en geeft de klachten ter zake waarvan het andere orgaan bevoegd is aan dat orgaan door.

5. Bij onenigheid tussen deze twee organen over de maatregelen die in verband met een klacht of met het resultaat van het onderzoek moeten worden genomen, kan elk van deze organen de zaak voorleggen aan het Gemengd Comité van de EER, dat overeenkomstig artikel 111 optreedt.

Artikel 110

De krachtens deze Overeenkomst door de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA en de Commissie van de EG genomen beschikkingen welke voor natuurlijke of rechtspersonen met uitzondering van de staten een geldelijke verplichting inhouden, vormen executoriale titel. Hetzelfde geldt voor krachtens deze Overeenkomst gedane soortgelijke uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen en het EVA-Hof.

De tenuitvoerlegging geschiedt volgens de regels van burgerlijke rechtsvordering die van kracht zijn in de staat op het grondgebied waarvan zij plaatsvindt. De formule van tenuitvoerlegging wordt, zonder andere controle dan de verificatie van de authenticiteit van de toezichtprocedure, op de toezichtprocedure aangebracht door de autoriteit die door elke overeenkomstsluitende partij daartoe wordt aangewezen en wordt bekendgemaakt aan de andere overeenkomstsluitende partijen, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, de Commissie van de EG, het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen en het EVA-Hof.

Nadat deze formaliteiten op verzoek van de belanghebbende zijn vervuld, kan deze overgaan tot de tenuitvoerlegging in overeenstemming met de wetgeving van de staat op het grondgebied waarvan de tenuitvoerlegging moet plaatsvinden, door zich rechtstreeks tot de bevoegde instantie te wenden.

De tenuitvoerlegging kan alleen worden geschorst krachtens een beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, voor zover het gaat om beschikkingen van de Commissie van de EG, het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen of het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, of krachtens een beschikking van het EVA-Hof voor zover het gaat om beschikkingen van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA of het EVA-Hof. Het toezicht op de regelmatigheid van de wijze van tenuitvoerlegging behoort evenwel tot de bevoegdheid van de nationale rechterlijke instanties.



Afdeling 3

Beslechting van geschillen

Artikel 111

1. Geschillen betreffende de uitlegging of de toepassing van deze Overeenkomst kunnen door de Gemeenschap of een EVA-Staat overeenkomstig de volgende bepalingen aan het Gemengd Comité van de EER worden voorgelegd.

2. Het Gemengd Comité van de EER kan het geschil beslechten. Het comité ontvangt alle informatie die nuttig kan zijn voor een diepgaand Onderzoek van de situatie met het oog op het uitwerken van een aanvaardbare oplossing. Daartoe onderzoekt het Gemengd Comité alle mogelijkheden om de goede werking van de Overeenkomst in stand te houden.

3. Indien een geschil betrekking heeft op de uitlegging van bepalingen van deze Overeenkomst die in essentie gelijk zijn aan overeenkomstige regels van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal of ter uitvoering van die Verdragen aangenomen besluiten, en indien het geschil niet beslecht is binnen drie maanden nadat het aan het Gemengd Comité van de EER is voorgelegd, kunnen de overeenkomstsluitende partijen die bij het geschil zijn betrokken, overeenkomen het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te verzoeken zich over de uitlegging van de desbetreffende regels uit te spreken.

Indien het Gemengd Comité van de EER in een dergelijk geschil geen oplossing bereikt binnen zes maanden vanaf het tijdstip waarop de procedure is ingeleid of indien de overeenkomstsluitende partijen die bij het geschil zijn betrokken tegen die tijd niet hebben besloten het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen om een beslissing te verzoeken, kan een overeenkomstsluitende partij, ten einde eventuele onevenwichtige situaties te corrigeren,

—hetzij overeenkomstig artikel 112, lid 2, en volgens de procedure van artikel 113 het initiatief tot een vrijwaringsmaatregel nemen;

—hetzij artikel 102 mutatis mutandis toepassen.

4. Indien een geschil betrekking heeft op het toepassingsgebied of de duur van vrijwaringsmaatregelen die overeenkomstig artikel 111, lid 3, of artikel 112 zijn ge nomen, dan wel op de evenredigheid van de overeenkomstig artikel 114 genomen maatregelen om het even wicht te herstellen, en indien het Gemengd Comité van de EER er niet in slaagt het geschil op te lossen binnen drie maanden vanaf het tijdstip waarop de zaak aan het comité is voorgelegd, kan elke overeenkomstsluitende partij het geschil overeenkomstig de procedures van Protocol 33 aan arbitrage onderwerpen. Vraagstukken inzake de uitlegging van de in lid 3 bedoelde bepalingen van deze Overeenkomst mogen in die procedures niet worden behandeld. De arbitrageuitspraak is bindend voor de partijen bij het geschil.



HOOFDSTUK 4

VRIJWARINGSMAATREGELEN

Artikel 112

1. Indien er mogelijk aanhoudende ernstige economische, maatschappelijke of met het milieu verband houdende moeilijkheden van sectoriële of regionale aard rijzen, mag een overeenkomstsluitende partij overeenkomstig de in artikel 113 vastgestelde voorwaarden en procedures unilateraal passende maatregelen treffen.

2. Dergelijke vrijwaringsmaatregelen zijn naar draagwijdte en duur beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is om de situatie te verhelpen. Voorrang wordt gegeven aan maatregelen die de werking van deze Overeenkomst zo weinig mogelijk verstoren.

3. De vrijwaringsmaatregelen zijn ten aanzien van alle overeenkomstsluitende partijen van toepassing.

Artikel 113

1. Een overeenkomstsluitende partij die overweegt vrijwaringsmaatregelen overeenkomstig artikel 112 te treffen, stelt de overige overeenkomstsluitende partijen hiervan onverwijld via het Gemengd Comité van de EER in kennis en verstrekt alle relevante inlichtingen.

2. De overeenkomstsluitende partijen plegen onmiddellijk overleg in het Gemengd Comité van de EER om een voor elke partij aanvaardbare oplossing te vinden.

3. De betrokken overeenkomstsluitende partij mag geen vrijwaringsmaatregelen nemen binnen een maand na de datum van kennisgeving overeenkomstig lid 1, tenzij de overlegprocedure overeenkomstig lid 2 vóór het verstrijken van de gestelde termijn is beëindigd. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden die onmiddellijke maatregelen vereisen voorafgaand onderzoek uitsluiten, mag de betrokken overeenkomstsluitende partij onmiddellijk de vrijwaringsmaatregelen toepassen die strikt noodzakelijk zijn om de situatie te verhelpen.

Voor de Gemeenschap neemt de EG-Commissie het initiatief tot de vrijwaringsmaatregelen.

4. De betrokken overeenkomstsluitende partij stelt het Gemengd Comité van de EER onverwijld in kennis van de getroffen maatregelen en verstrekt alle relevante inlichtingen.

5. Vanaf de datum van invoering wordt over de vrijwaringsmaatregelen om de drie maanden overleg gepleegd in het Gemengd Comité van de EER, met het oog op de intrekking ervan vóór de gestelde vervaldatum of de beperking van het toepassingsgebied.

Elke overeenkomstsluitende partij kan het Gemengd Comité van de EER te allen tijde om herziening van de maatregelen verzoeken.

Artikel 114

1. Indien een vrijwaringsmaatregel van een overeenkomstsluitende partij het evenwicht tussen de uit deze Overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen verstoort, kan elke andere overeenkomstsluitende partij ten aanzien van die partij de strikt noodzakelijke evenredige maatregelen nemen om het evenwicht te herstellen. Voorrang wordt gegeven aan maatregelen die de werking van de EER zo weinig mogelijk verstoren.

2. De procedure van artikel 113 is van toepassing.



DEEL VIII

FINANCIEEL MECHANISME

Artikel 115

De overeenkomstsluitende partijen zijn het erover eens dat met het oog op de bevordering van een gestadige en evenwichtige versterking van hun handel en hun economische betrekkingen, zoals bepaald in artikel 1, de economische en sociale verschillen tussen hun regio’s moeten worden teruggedrongen. Zij wijzen in dit verband op de elders in deze Overeenkomst en de daarbij behorende protocollen vastgestelde desbetreffende bepalingen, inclusief sommige betreffende landbouw en visserij.

Artikel 116

De EVA-Staten stellen een financieel mechanisme in om in het kader van de EER en in aanvulling op de stappen die de Gemeenschap in dezen reeds heeft gezet bij te dragen tot de in artikel 115 vastgestelde doelstellingen.

Artikel 117

▼M268

Protocol 38, Protocol 38 bis, het addendum bij Protocol 38 bis, Protocol 38 ter en het addendum bij Protocol 38 ter bevatten bepalingen betreffende het financieel mechanisme.

▼B



DEEL IX

ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 118

1. Wanneer een overeenkomstsluitende partij meent dat het in het belang van alle overeenkomstsluitende partijen nuttig zou zijn de bij deze Overeenkomst tot standgebrachte betrekkingen verder te ontwikkelen door ze uit te breiden tot niet door de Overeenkomst bestreken gebieden, legt zij daartoe in de EER-Raad een met redenen omkleed verzoek voor aan de overige overeenkomst sluitende partijen. De EER-Raad kan het Gemengd Comité van de EER opdracht geven alle aspecten van dit verzoek te onderzoeken en een verslag te publiceren.

De EER-Raad kan in voorkomend geval de politieke besluiten nemen met het oog op het openen van onderhandelingen tussen de overeenkomstsluitende partijen.

2. De uit de in lid 1 bedoelde onderhandelingen voortvloeiende overeenkomsten moeten door de overeenkomstsluitende partijen overeenkomstig hun eigen procedures worden bekrachtigd of goedgekeurd.

Artikel 119

De bijlagen en de daarin vermelde besluiten, zoals aangepast voor de toepassing van deze Overeenkomst, en de protocollen vormen een integrerend bestanddeel van deze Overeenkomst.

Artikel 120

Tenzij anders wordt bepaald in deze Overeenkomst en met name in de ►M1 Protocollen 41 en 43, hebben de bepalingen van de onderhavige Overeenkomst voorrang boven de bepalingen in bestaande bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen de Europese Economische Gemeenschap enerzijds en één of meerdere EVA-Staten anderzijds, voor zover de onderhavige Overeenkomst dezelfde onderwerpen regelt.

Artikel 121

De bepalingen van deze Overeenkomst vormen geen beletsel voor samenwerking:

a)in het kader van de Noorse samenwerking, voor zover die samenwerking de goede werking van deze Overeenkomst niet schaadt;

b)in het kader van de regionale unie tussen Zwitserland en Liechtenstein, voor zover de doelstellingen van die unie niet door de uitvoering van deze Overeenkomst worden bereikt en de goede werking van de Overeenkomst niet wordt geschaad;

▼M135 —————

▼B

Artikel 122

De vertegenwoordigers, afgevaardigden en deskundigen van de overeenkomstsluitende partijen alsmede de ambtenaren en andere personeelsleden die bij deze Overeenkomst zijn betrokken, mogen, ook nadat zij hun taken hebben beëindigd, geen ruchtbaarheid geven aan inlichtingen, die krachtens hun aard zijn onderworpen aan het beroepsgeheim en met name aan inlichtingen betreffende ondernemingen, hun handelsbetrekkingen of de elementen van hun kostprijs.

Artikel 123

Niets in deze Overeenkomst verhindert een overeenkomstsluitende partij maatregelen te treffen:

a)die zij noodzakelijk acht ter voorkoming van de verbreiding van inlichtingen die strijdig zijn met de wezenlijke belangen van haar veiligheid;

b)die betrekking hebben op de produktie van of de handel in wapens, munitie en oorlogsmateriaal of andere produkten die onontbeerlijk zijn voor defensiedoeleinden of onderzoek, ontwikkeling of produktie onontbeerlijk voor defensiedoeleinden, mits dergelijke maatregelen geen afbreuk doen aan de mededingingsverhoudingen voor produkten die niet bestemd zijn voor specifiek militaire doeleinden;

c)die zij noodzakelijk acht voor haar eigen veiligheid in geval van ernstige binnenlandse onlusten waardoor de openbare orde wordt verstoord, in geval van oorlog of van een ernstige internationale spanning welke oorlogsgevaar inhoudt, of om te voldoen aan de verplichtingen die zij met het oog op het behoud van de vrede en van de internationale veiligheid heeft aangegaan.

Artikel 124

De overeenkomstsluitende partijen verlenen nationale behandeling wat betreft financiële deelneming door de onderdanen van de Lid-Staten van de EG en de EVA-Staten in het kapitaal van rechtspersonen in de zin van artikel 34, onverminderd de toepassing van de overige bepalingen van deze Overeenkomst.

Artikel 125

Deze Overeenkomst laat de regeling van het eigendomsrecht van de overeenkomstsluitende partijen onverlet.

Artikel 126

1. De Overeenkomst is van toepassing op de gebieden waar het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap ►M135 ————— van toepassing is en onder de in ►M135 dat Verdrag neergelegde voorwaarden en op de grondgebieden van ►M135►M187 ————— IJsland, het Vorstendom Liechtenstein en het Koninkrijk Noorwegen.

2. In afwijking van lid 1 is deze Overeenkomst niet van toepassing op de Ålandeilanden. De regering van Finland kan evenwel door een verklaring die bij de bekrachtiging van deze Overeenkomst wordt neergelegd bij de depositaris, die een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan toezendt aan de overeenkomstsluitende partijen, ervan kennis geven dat de Overeenkomst op die eilanden van toepassing is onder dezelfde voorwaarden als waaronder zij voor andere delen van Finland geldt, behoudens de volgende bepalingen:

a)De bepalingen van deze Overeenkomst vormen geen beletsel voor de toepassing te allen tijde op de Ålandeilanden van de geldende voorschriften inzake:

i)beperkingen op het recht voor natuurlijke personen die niet in het bezit zijn van het regionale burgerschap van Åland, en voor rechtspersonen, om op de Ålandeilanden onroerend goed aan te kopen en te bezitten zonder toestemming van de bevoegde autoriteiten van de eilanden;

ii)beperkingen op het recht van vestiging en het recht diensten te verrichten van natuurlijke personen die niet in het bezit zijn van het regionale burgerschap van Åland of van een rechtspersoon, zonder toestemming van de bevoegde autoriteiten van de eilanden.

b)Deze Overeenkomst doet geen afbreuk aan de rechten die Ålanders in Finland genieten.

c)De autoriteiten van de Ålandeilanden behandelen alle natuurlijke en rechtspersonen van de overeenkomstsluitende partijen op gelijke voet.

Artikel 127

Elke overeenkomstsluitende partij kan deze Overeenkomst opzeggen, mits zij daarvan ten minste twaalf maanden tevoren schriftelijk kennis geeft aan de overige overeenkomstsluitende partijen.

Onmiddellijk na de kennisgeving van de voorgenomen opzegging, roepen de overige overeenkomstsluitende partijen een diplomatieke conferentie bijeen ten einde te bezien welke wijzigingen in de Overeenkomst moeten worden aangebracht.

Artikel 128

►M1

Elke Europese Staat die tot de Gemeenschap toetreedt, moet, en de Zwitserse Bondsstaat of elke Europese Staat die tot de EVA toetreedt, kan, vragen partij te worden bij deze Overeenkomst. Deze aanvragen wordt tot de EER-Raad gericht.

2. De voorwaarden voor een dergelijk lidmaatschap worden vastgelegd in een overeenkomst tussen de overeenkomstsluitende partijen en de Staat die de aanvraag doet. Bedoelde overeenkomst behoeft bekrachtiging of goedkeuring door alle overeenkomstsluitende partijen overeenkomstig hun eigen procedures.

Artikel 129

1. Deze Overeenkomst wordt opgesteld in één exemplaar, in de Deense, de Duitse, de Engelse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Italiaanse, de IJslandse, de Nederlandse, de Noorse, de Portugese, de Spaanse en de Zweedse taal, zijnde elk van deze teksten gelijkelijk authentiek.

▼M268

Naar aanleiding van de uitbreidingen van de Europese Economische Ruimte zijn eveneens de versies van deze overeenkomst in de Bulgaarse, de Estse, de Hongaarse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Poolse, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse en de Tsjechische taal gelijkelijk authentiek.

De teksten van de in de bijlagen genoemde besluiten zijn gelijkelijk authentiek in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische en de Zweedse taal, zoals zij in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn verschenen, en worden met het oog op hun echtverklaring in de IJslandse en Noorse taal opgemaakt en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.

▼B

2. Deze Overeenkomst zal door de overeenkomstsluitende partijen worden bekrachtigd of goedgekeurd overeenkomstig hun onderscheidene grondwettelijke bepalingen.

Zij zal worden neergelegd bij het Secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen dat voor eensluidend gewaarmerkte afschriften daarvan toezendt aan alle andere overeenkomstsluitende partijen.

De akten van bekrachtiging of goedkeuring zullen worden nedergelegd bij het Secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Gemeenschappen dat alle andere overeenkomstsluitende partijen hiervan in kennis stelt.

▼M1

3. Deze Overeenkomst treedt in werking op de datum en op de voorwaarden als bepaald in het Protocol tot aanpassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

▼B

En fe de lo cual, los plenipotenciarios abajo firmantes suscriben el presente acuerdo.

Til bekræftelse heraf har undertegnede befuldmægtigede underskrevet denne aftale.

Zu Urkund dessen haben die unterzeichneten Bevollmächtigten ihre Unterschriften unter dieses Abkommen gesetzt.

Εις πίστωση των ανωτέρω, οι υπογεγραμμένοι πληρεξούσιοι έθεσαν τις υπογραφές τους στην παρούσα συμφωνία.

In witness whereof the undersigned Plenipotentiaries have signed this Agreement.

En foi de quoi, les plénipotentiaires soussignés ont apposé leurs signatures au bas du présent accord.

þEssu til staðfestingar hafa undirritaðir fulltrúar, sem til þess hafa fullt umboð, undirritað samning þennan.

In fede di che, i plenipotenziari sottoscritti hanno apposto le loro firme in calce al presente accordo.

Ten blijke waarvan de ondergetekende gevolmachtigden hun handtekening onder deze Overeenkomst hebben gesteld.

Som bevitnelse på dette har de undertegnede befullmäktigade undertegnet denne avtal.

Em fé do que, os plenipotenciários abaixo assinados apuseram as suas assinaturas no final do presente acordo.

Tämän vakuudeksi alla mainitut täysivaltaiset edustajat ovat allekirjoittaneet tämän sopimuksen.

Till bestyrkande härav har undertecknade befullmäktigade ombud undertecknat detta avtal.

Hecho en Oporto, el dos de mayo de mil novecientos noventa y dos.

Udfærdiget i Porto, den anden maj nitten hundrede og tooghalvfems.

Geschehen zu Porto am zweiten Mai neunzehnhundertzweiundneunzig.

'Εγινε στο Πόρτο, στις δύο Μαΐου χίλια εννιακόσια ενενήντα δύο.

Done at Oporto on the second day of May in the year one thousand nine hundred and ninety-two.

Fait à Porto, le deux mai mil neuf cent quatre-vingt-douze.

Gjört í Oporto annan dag maímánaðar árið nítján hundruð níutíu og tvö.

Fatto a Porto, addì due maggio millenovecentonovantadue.

Gedaan te Oporto, de tweede mei negentienhonderd tweeënnegentig.

Gitt i Oporte på den annen dag i mai i året nittenhundre og nitti to.

Feito no Porto, em dois de Maio de mil novecentos e noventa e dois.

Tehty portossa toisena päivänä toukokuuta tuhat yhdeksänsataayhdeksänkymmentäkaksi.

Undertecknat i Oporto de 2 maj 1992.

Por el Consejo y la Comisión de las Comunidades Europeas

For Rådet og Kommissionen for De Europæiske Fællesskaber

Für den Rat und die Kommission der Europäischen Gemeinschaften

Για το Συμβούλιο και την Επιτροπή των Ευρωπαϊκών Κοινοτήτων

For the Council and the Commission of the European Communities

Pour le Conseil et la Commission des Communautés européennes

Per il Consiglio e la Commissione delle Comunità europee

Voor de Raad en de Commissie van de Europese Gemeenschappen

Pelo Conselho e pela Comissão das Comunidades Europeias

Pour le royaume de Belgique

Voor het Koninkrijk België

På Kongeriget Danmarks vegne

Für die Bundesrepublik Deutschland

Για την Ελληνική Δημοκρατία

Por el Reino de España

Pour la République française

Thar cheann Na hÉireann

For Ireland

Per la Repubblica italiana

Pour le grand-duché de Luxembourg

Voor het Koninkrijk der Nederlanden

Pela República Portuguesa

For the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland

Für die Republik Österreich

Suomen tasavallan puolesta

Fyrir Lýðveldið Ísland

Für das Fürstentum Liechtenstein

For Kongeriket Norge

För Konungariket Sverige

Für die Schweizerische Eidgenossenschaft

Pour la Confédération suisse

Per la Confederazione svizzera

PROTOCOLLEN



PROTOCOL 1

betreffende horizontale aanpassingen



De bepalingen van de besluiten die in de bijlagen bij de Overeenkomst worden vermeld, zijn overeenkomstig de Overeenkomst en dit Protocol van toepassing, tenzij in de desbetreffende bijlage anders wordt bepaald. De specifieke aanpassingen die voor afzonderlijke besluiten noodzakelijk zijn, worden uiteengezet in de bijlage waarin het desbetreffende besluit is opgenomen.

1. INLEIDENDE GEDEELTEN VAN DE BESLUITEN

De preambules van de bovenbedoelde besluiten worden niet aangepast met het oog op deze Overeenkomst. Zij zijn van belang voor zover noodzakelijk in verband met de correcte interpretatie en toepassing, binnen het kader van de Overeenkomst, van de bepalingen van dergelijke besluiten.

2. BEPALINGEN BETREFFENDE DE COMITÉS VAN DEEG

De artikelen 81, 111 en 112 van de Overeenkomst en Protocol 31 zijn van toepassing op de procedures, de institutionele regelingen of andere bepalingen in verband met de comités van de EG die in de bovenbedoelde besluiten zijn opgenomen.

3. BEPALINGEN BETREFFENDE HET VASTSTELLEN VAN PROCEDURES VOOR DE AANPASSING/WIJZIGING VAN COMMUNAUTAIRE BESLUITEN

Wanneer een besluit dat wordt vermeld, voorziet in EG-procedures voor de aanpassing, uitbreiding of wijziging ervan of in het uitwerken van nieuwe communautaire beleidsvoornemens, initiatieven of besluiten, zijn de desbetreffende, in de Overeenkomst vastgestelde besluitvormingsprocedures van toepassing.

4. UITWISSELING VAN INFORMATIE EN KENNIS GEVINGSPROCEDURES

▼M2

a)Wanneer een Lid-Staat van de EG de Commissie van de EG informatie moet verstrekken, dient een EVA-Staat soortgelijke informatie voor te leggen aan de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, die de informatie doorgeeft aan het Permanent Comité van de EVA-Staten. Hetzelfde geldt wanneer de informatie door de bevoegde autoriteiten moet worden verstrekt. De Commissie van de EG en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA wisselen onderling de informatie uit die zij van de Lid-Staten van de EG of van de EVA-Staten of van de bevoegde autoriteiten hebben gekregen.

▼B

b)Wanneer een Lid-Staat van de EG informatie moet verstrekken aan een of meer andere Lid-Staten van de EG, dient hij die informatie ook te verstrekken aan de Commissie van de EG, die deze weer doorgeeft aan het permanent comité voor de verspreiding ervan in de EVA-Staten.

Een EVA-Staat verstrekt overeenkomstige informatie aan een of meer andere EVA-Staten en aan het permanent comité dat de informatie aan de Commissie van de EG doorgeeft voor de verspreiding ervan in de Lid-Staten van de EG. Hetzelfde geldt wanneer de informatie door de bevoegde autoriteiten moet worden verstrekt.

c)Op terreinen waarop dringend een snelle overdracht van informatie is geboden, zal naar passende sectoriële oplossingen worden gezocht om rechtstreekse informatie-uitwisseling tot stand te brengen.

d)De taken van de Commissie van de EG in samenhang met controle-, goedkeurings-, informatie-, kennisgevings- of overlegprocedures en soortgelijke aangelegenheden worden voor de EVA-Staten uitgevoerd overeenkomstig de door hen onderling vastgestelde procedures, onverminderd het bepaalde in de punten 2, 3 en 7. De Commissie van de EG en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA of het permanent comité wisselen, al naar het geval, alle informatie met betrekking tot deze zaken uit. Ieder probleem dat zich in dit verband voordoet, kan aan het Gemengd Comité van de EER voorgelegd worden.

5. EVALUATIE EN RAPPORTAGE

Wanneer de Commissie van de EG of een ander orgaan van de EG, overeenkomstig een desbetreffend besluit, een rapport, een evaluatie, enzovoort moet opstellen, dient de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA of het permanent comité, al naar het geval, tenzij anders bepaald, gelijktijdig een overeenkomstig rapport, evaluatie, enzovoort met betrekking tot de EVA-Staten op te stellen. Al naar gelang het geval plegen de Commissie van de EG en de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA of het permanent comité overleg met elkaar en wisselen onderling informatie uit gedurende de voorbereiding van hun respectieve rapporten, waarvan afschriften aan het Gemengd Comité van de EER worden toegezonden.

6. PUBLIKATIE VAN INFORMATIE

a)Wanneer een Lid-Staat van de EG, overeenkomstig een desbetreffend besluit, bepaalde informatie over feiten, procedures, enzovoort moet publiceren, dienen ook de EVA-Staten, krachtens de Overeenkomst, de desbetreffende informatie op een overeenkomstige manier te publiceren.

b)Wanneer feiten, procedures, rapporten, enzovoort overeenkomstig een desbetreffend besluit, in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt moeten worden, wordt de overeenkomstige informatie betreffende de EVA-Staten in een afzonderlijk deel daarvan betreffende de EER (3) bekendgemaakt.

7. RECHTEN EN VERPLICHTINGEN

De rechten en verplichtingen van de Lid-Staten van de EG of hun overheidslichamen, ondernemingen of onderdanen ten opzichte van elkaar, worden geacht voor de overeenkomstsluitende partijen te gelden, waaronder, al naar het geval, ook de bevoegde autoriteiten, overheidslichamen, ondernemingen of personen van die partijen worden verstaan.

8. VERWIJZINGEN NAAR GRONDGEBIEDEN

Wanneer de desbetreffende besluiten verwijzingen bevatten naar het grondgebied van de „Gemeenschap” of van de „gemeenschappelijke markt”, worden deze verwijzingen voor de toepassing van de Overeenkomst beschouwd als verwijzingen naar de grondgebieden van de overeenkomstsluitende partijen, zoals bepaald in artikel 126 van de Overeenkomst.

9. VERWIJZINGEN NAAR ONDERDANEN VAN DE LID-STATEN VAN DE EG

Wanneer de desbetreffende besluiten verwijzingen bevatten naar onderdanen van de Lid-Staten van de EG, worden deze verwijzingen voor de toepassing van de Overeenkomst ook geacht te gelden voor de onderdanen van de EVA-Staten.

10. VERWIJZINGEN NAAR TALEN

Wanneer de Lid-Staten van de EG of hun overheidslichamen, ondernemingen of onderdanen, overeenkomstig een desbetreffend besluit bepaalde rechten of verplichtingen hebben betreffende het gebruik van één van de officiële talen van de Europese Gemeenschappen, worden de overeenkomstige rechten en verplichtingen betreffende het gebruik van een van de officiële talen van alle overeenkomstsluitende partijen geacht te gelden voor de overeenkomstsluitende partijen, hun bevoegde autoriteiten, overheidslichamen, ondernemingen of personen.

11. INWERKINGTREDING EN UITVOERING VAN DE BESLUITEN

De bepalingen betreffende de inwerkingtreding of de uitvoering van de in de bijlagen van de Overeenkomst genoemde besluiten gelden niet voor de toepassing van de Overeenkomst. De termijnen en data die gelden voor de inwerkingtreding en de uitvoering van de bedoelde besluiten in de EVA-Staten vloeien voort uit ►M1 de datum van inwerkingtreding, van de Overeenkomst, en uit bepalingen betreffende overgangsregelingen.

12. ADRESSATEN VAN DE COMMUNAUTAIRE BESLUITEN

De bepalingen die aangeven dat een communautair besluit tot de Lid-Staten van de Gemeenschap is gericht, gelden niet voor de toepassing van de Overeenkomst.

▼M108

PROTOCOL 2

betreffende producten die overeenkomstig artikel 8, lid 3, onder a), van het toepassingsgebied van de overeenkomst zijn uitgesloten



GS-post

Omschrijving

3502

Albuminen, albuminaten en andere derivaten van albuminen:

– ovoalbumine:

ex 11

– – gedroogd, andere dan ongeschikt of ongeschikt gemaakt voor menselijke consumptie

ex 19

– – andere ovoalbumine, andere dan ongeschikt of ongeschikt gemaakt voor menselijke consumptie

ex 20

– lactoalbumine, concentraten van twee of meer weiproteïnen daaronder begrepen, andere dan ongeschikt of ongeschikt gemaakt voor menselijke consumptie

3823

Industriële eenwaardige vetzuren; bij raffinage verkregen acid-oils; industriële vetalcoholen:

– industriële eenwaardige vetzuren; bij raffinage verkregen acid-oils:

ex 11

– – stearinezuur voor veevoeder

ex 12

– – oliezuur voor veevoeder

ex 13

– – tallvetzuren voor veevoeder

ex 19

– – andere voor veevoeder

ex 70

– industriële vetalcoholen voor veevoeder

PROTOCOL 3

betreffende de producten bedoeld in artikel 8, lid 3, onder b), van de overeenkomst





Artikel 1

1. Onverminderd de bepalingen van dit Protocol zijn de bepalingen van de Overeenkomst van toepassing op de in de tabellen I en II genoemde producten.

2. De bepalingen van dit Protocol zijn ►M153 ————— niet van toepassing op Liechtenstein.

Artikel 2

1. Voor de in tabel I genoemde producten gelden de in de bijlagen bij die tabel opgenomen douanerechten.

2. Deze douanerechten wordt jaarlijks herzien. Het Gemengd Comité kan ze aanpassen in verband met de ontwikkeling van de kosten van de landbouwgrondstoffen in de overeenkomstsluitende partijen en/of wederzijdse concessies.

Artikel 3

1. Dit protocol staat er niet aan in de weg dat iedere overeenkomstsluitende partij zijn systeem van uitvoerrestituties kan toepassen op de in tabel I genoemde producten, waarbij rekening wordt gehouden met de prijsverschillen voor landbouwgrondstoffen tussen de wereldmarkt en de markten van de overeenkomstsluitende partijen.

2. Wanneer voor de bij de productie van de uitgevoerde producten gebruikte landbouwgrondstoffen productierestituties of directe subsidies worden toegekend, worden de uitvoerrestituties dienovereenkomstig verlaagd.

Artikel 4

De overeenkomstsluitende partijen stellen elkaar periodiek in kennis van de hoogte van de voor landbouwgrondstoffen toegekende restituties waarvoor de in tabel I vermelde producten in aanmerking kunnen komen en van de hiermee in verband staande wijzigingen in het landbouwbeleid, met inbegrip van de institutionele prijzen.

Artikel 5

1. De overeenkomstsluitende partijen mogen voor de in tabel II genoemde producten geen douanerechten of heffingen van gelijke werking op de invoer heffen, noch uitvoerrestituties verlenen.

2. De bepalingen van artikel 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de in tabel II genoemde producten.

Artikel 6

Op verzoek van een overeenkomstsluitende partij kan dit protocol door het Gemengd Comité van de EER worden herzien. Deze herziening kan zich ook uitstrekken tot wijzigingen in de tabellen I en II betreffende het toepassingsgebied en de van toepassing zijnde rechten.

Artikel 7

1. De overeenkomstsluitende partijen stellen het Gemengd Comité van de EER in kennis van de gedetailleerde uitvoeringsvoorschriften die voor de toepassing van dit protocol worden vastgesteld.

2. Iedere overeenkomstsluitende partij kan te allen tijde verzoeken om een discussie in het Gemengd Comité van de EER over de werking van dit protocol.



TABEL I

GS-post

Omschrijving

0403

Karnemelk, gestremde melk en room, yoghurt, kefir en andere gegiste of aangezuurde melk en room, ook indien ingedikt, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao:

10

– yoghurt:

ex 10

– – gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao

90

– andere:

ex 90

– – gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao

0501

Mensenhaar, onbewerkt, ook indien gewassen of ontvet; afval van mensenhaar

0502

Haar van varkens of van wilde zwijnen; dassenhaar en ander dierlijk haar, voor borstelwerk; afval van dit haar

0503

Paardenhaar (crin) en afval van paardenhaar, ook indien in vliezen, al dan niet op een onderlaag

0505

Vogelhuiden en andere delen van vogels, met veren of dons bezet, veren en delen van veren (ook indien bijgesneden) en dons, ruw, gereinigd, ontsmet of op andere wijze behandeld ter voorkoming van bederf, doch niet verder bewerkt; poeder en afval, van veren of van delen van veren

0507

Ivoor, schildpad, walvisbaarden (walvisbaardhaar daaronder begrepen), horens, geweien, hoeven, nagels, klauwen en snavels, ruw of eenvoudig voorbehandeld, doch niet in vorm gesneden; poeder en afval van deze stoffen

0508

Koraal en dergelijke stoffen, ruw of eenvoudig voorbehandeld, doch niet verder bewerkt; schelpen en schalen, van schaaldieren, van weekdieren of van stekelhuidigen, alsmede rugplaten van inktvissen, ruw of eenvoudig voorbehandeld, doch niet in vorm gesneden, alsmede poeder en afval van deze stoffen

0509

Echte sponzen

0510

Grijze amber, bevergeil, civet en muskus; Spaanse vlieg; gal, ook indien gedroogd; klieren en andere stoffen van dierlijke oorsprong, die worden gebruikt voor het bereiden van farmaceutische producten, vers, gekoeld, bevroren of anderszins voorlopig geconserveerd

0710

Groenten, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren:

40

– suikermaïs ( Zea mays var. saccharata)

0711

Groenten, voorlopig verduurzaamd (bijvoorbeeld door middel van zwaveldioxide of in water waaraan, voor het voorlopig verduurzamen, zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd), doch als zodanig niet geschikt voor dadelijke consumptie:

90

– andere groenten; mengsels van groenten:

ex 90

– – suikermaïs ( Zea mays var. saccharata)

1302

Plantensappen en plantenextracten; pectinestoffen, pectinaten en pectaten; agar-agar en andere uit plantaardige producten verkregen plantenslijmen en bindmiddelen, ook indien gewijzigd:

– plantensappen en plantenextracten:

14

– – van pyretrum of van wortels van rotenon bevattende planten

19

– – andere:

ex 19

– – – plantenextracten, onderling vermengd, voor de vervaardiging van dranken of van producten voor menselijke consumptie

ex 19

– – – andere dan vanille-oleohars en plantenextracten, onderling vermengd, voor de vervaardiging van dranken of van producten voor menselijke consumptie, voor geneeskundig gebruik

20

– pectinestoffen, pectinaten en pectaten:

ex 20

– – met een gehalte aan toegevoegde suiker van 5 of meer gewichtspercenten

1401

Plantaardige stoffen van de soort hoofdzakelijk gebruikt in de mandenmakerij of voor vlechtwerk (bijvoorbeeld bamboe, rotting, riet, bies, teen, raffia, lindebast, alsmede gezuiverd, gebleekt of geverfd stro van graangewassen)

1402

Plantaardige stoffen van de soort hoofdzakelijk gebruikt als opvulmateriaal (bijvoorbeeld kapok, plantenhaar („crin végétal” ), zeegras), ook indien in vliezen, al dan niet bevestigd op een onderlaag of tussen twee lagen, van andere stof

1403

Plantaardige stoffen van de soort hoofdzakelijk gebruikt voor het vervaardigen van bezems en van borstels (bijvoorbeeld sorghopluimen en -stro, piassava, hondsgras, istle), ook indien in wrongen of in bosjes

1404

Plantaardige producten, elders genoemd noch elders onder begrepen:

10

– ruw plantaardig materiaal van de soort hoofdzakelijk gebruikt als verf- of looistof

90

– andere

1517

Margarine; mengsels en bereidingen, voor menselijke consumptie, van dierlijke of plantaardige vetten of oliën of van fracties van verschillende vetten en oliën bedoeld bij dit hoofdstuk, andere dan de vetten en oliën of fracties daarvan, bedoeld bij post 1516:

10

– margarine, andere dan vloeibare margarine:

ex 10

– – met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van meer dan 10 doch niet meer dan 15 gewichtspercenten

90

– andere:

ex 90

– – met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van meer dan 10 doch niet meer dan 15 gewichtspercenten

ex 90

– – mengsels en bereidingen voor menselijke consumptie van de soorten gebruikt als preparaten voor het insmeren van bakvormen

1520

Ruwe glycerol; glycerolwater en glycerollogen:

ex 00

voor voederdoeleinden (1)

1522

Dégras; afvallen, afkomstig van de behandeling van vetstoffen of van dierlijke of plantaardige was:

ex 00

dégras voor voederdoeleinden (1)

1702

Andere suiker, chemisch zuivere lactose, maltose, glucose en fructose (levulose) daaronder begrepen, in vaste vorm; suikerstroop, niet gearomatiseerd en zonder toegevoegde kleurstoffen; kunsthoning, ook indien met natuurhoning vermengd; karamel:

50

– chemisch zuivere fructose

90

– andere, invertsuiker daaronder begrepen:

ex 90

– – chemisch zuivere maltose

1704

Suikerwerk zonder cacao (witte chocolade daaronder begrepen)

1806

Chocolade en andere bereidingen voor menselijke consumptie die cacao bevatten

1901

Moutextract; bereidingen voor menselijke consumptie van meel, gries, griesmeel, zetmeel of moutextract, geen of minder dan 40 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis, elders genoemd noch elders onder begrepen; bereidingen voor menselijke consumptie van producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404, geen of minder dan 5 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis, elders genoemd noch elders onder begrepen

1902

Deegwaren, ook indien gekookt of gevuld (met vlees of andere zelfstandigheden) dan wel op andere wijze bereid, zoals spaghetti, macaroni, noedels, lasagne, gnocchi, ravioli en cannelloni; koeskoes, ook indien bereid:

– deegwaren, niet gekookt, noch gevuld of op andere wijze bereid:

11

– – waarin ei is verwerkt

19

– – andere

20

– gevulde deegwaren (ook indien gekookt of op andere wijze bereid):

ex 20

– – andere dan producten bevattende meer dan 20 gewichtspercenten worst, vlees, slachtafvallen of bloed, dan wel combinaties daarvan

30

– andere deegwaren

40

– koeskoes

1903

Tapioca en soortgelijke producten bereid uit zetmeel, in de vorm van vlokken, korrels, parels en dergelijke

1904

Graanpreparaten verkregen door poffen of door roosteren (bijvoorbeeld cornflakes); granen (andere dan maïs), in de vorm van korrels of in de vorm van vlokken of van andere bewerkte korrels (met uitzondering van meel en gries), voorgekookt of op andere wijze bereid, elders genoemd noch elders onder begrepen

1905

Brood, gebak, biscuits en andere bakkerswaren, ook indien deze producten cacao bevatten; ouwel in bladen, hosties, ouwels voor geneesmiddelen, plakouwels en dergelijke producten van meel of van zetmeel

2001

Groenten, vruchten en andere eetbare plantendelen, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur:

90

– andere:

ex 90

– – suikermaïs (Zea mays var. saccharata); palmharten; broodwortelen, bataten (zoete aardappelen) en dergelijke eetbare plantendelen met een zetmeelgehalte van 5 of meer gewichtspercenten

2004

Andere groenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006:

10

– aardappelen:

ex 10

– – in de vorm van meel, gries, griesmeel of vlokken

90

– andere groenten en mengsels van groenten:

ex 90

– – suikermaïs ( Zea mays var. saccharata)

2005

Andere groenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, niet bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006:

20

– aardappelen:

ex 20

– – in de vorm van meel, gries, griesmeel of vlokken

80

– suikermaïs ( Zea mays var. saccharata)

2006

Groenten, vruchten, vruchtenschillen en andere plantendelen, gekonfijt met suiker (uitgedropen, geglaceerd of uitgekristalliseerd)

ex 2006

– suikermaïs ( Zea mays var. saccharata)

2007

Jam, vruchtengelei, marmelade, vruchtenmoes en vruchtenpasta, door koken of stoven verkregen, met of zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen

2008

Vruchten en andere eetbare plantendelen, op andere wijze bereid of verduurzaamd, ook indien met toegevoegde suiker, andere zoetstoffen of alcohol, elders genoemd noch elders onder begrepen:

– noten, grondnoten en andere zaden, ook indien onderling vermengd:

11

– – grondnoten:

ex 11

– – – pindakaas

ex 11

– – – grondnoten, gebrand

– andere, mengsels, andere dan die bedoeld bij onderverdeling 2008 19 , daaronder begrepen:

ex 91

– – palmharten voor voederdoeleinden (1)

99

– – andere:

ex 99

– – – maïs, andere dan suikermaïs (Zea mays var. saccharata)

2101

Extracten, essences en concentraten, van koffie, van thee of van maté en preparaten op basis van deze producten of op basis van koffie, van thee of van maté; gebrande cichorei en andere gebrande koffiesurrogaten, alsmede extracten, essences en concentraten daarvan:

– extracten, essences en concentraten, van koffie en preparaten op basis van deze producten of op basis van koffie:

12

– – preparaten op basis van extracten, essences of concentraten of op basis van koffie:

ex 12

– – – bevattende 1,5 of meer gewichtspercenten van melk afkomstige vetstoffen, 2,5 of meer gewichtspercenten melkproteïnen, 5 of meer gewichtspercenten suiker of 5 of meer gewichtspercenten zetmeel

20

– extracten, essences en concentraten, van thee of van maté en preparaten op basis van deze producten of op basis van thee of van maté:

ex 20

– – bevattende 1,5 of meer gewichtspercenten van melk afkomstige vetstoffen, 2,5 of meer gewichtspercenten melkproteïnen, 5 of meer gewichtspercenten suiker of 5 of meer gewichtspercenten zetmeel

30

– gebrande cichorei en andere gebrande koffiesurrogaten, alsmede extracten, essences en concentraten daarvan:

ex 30

– – gebrande koffiesurrogaten, andere dan gebrande cichorei; extracten, essences en concentraten van gebrande koffiesurrogaten, andere dan van gebrande cichorei

2102

Gist, ook indien inactief; andere eencellige micro-organismen, dood (andere dan de vaccins bedoeld bij post 3002); samengesteld bakpoeder

2103

Sausen en preparaten voor sausen; samengestelde kruiderijen en dergelijke producten; mosterdmeel en bereide mosterd:

20

– tomatenketchup en andere tomatensausen

30

– mosterdmeel en bereide mosterd:

ex 30

– – bereide mosterd met een gehalte aan toegevoegde suiker van 5 of meer gewichtspercenten

90

– andere:

ex 90

– – andere dan mangochutney, vloeibaar

2104

Preparaten voor soep of voor bouillon; bereide soep en bouillon; samengestelde gehomogeniseerde producten voor menselijke consumptie

2105

Consumptie-ijs, ook indien cacao bevattend (2)

2106

Producten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen (3):

ex 2106

– suikerstroop, andere dan gearomatiseerd of met toegevoegde kleurstoffen

2202

Water, mineraalwater en spuitwater daaronder begrepen, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, dan wel gearomatiseerd, alsmede andere alcoholvrije dranken, andere dan de vruchten- en groentesappen bedoeld bij post 2009

2203

Bier van mout

2205

Vermout en andere wijn van verse druiven, bereid met aromatische planten of met aromatische stoffen

2207

Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcohol-volumegehalte van 80 % vol of meer; ethylalcohol en gedistilleerde dranken, gedenatureerd, ongeacht het gehalte:

20

– ethylalcohol en gedistilleerde dranken, gedenatureerd, ongeacht het gehalte

2208

Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcohol-volumegehalte van minder dan 80 % vol; gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten:

40

– rum en tafia

50

– gin en jenever

60

– wodka

70

– likeuren:

ex 70

– – likeuren met een gehalte aan toegevoegde suiker van meer dan 5 gewichtspercenten

90

– andere:

ex 90

– – aquavit

2209

Tafelazijn, natuurlijke of verkregen uit azijnzuur

2402

Sigaren, cigarillo's en sigaretten, van tabak of van tabakssurrogaten

2403

Andere tabak en tabakssurrogaten, tot verbruik bereid; „gehomogeniseerde” en „gereconstitueerde” tabak; tabaksextracten en tabakssausen

2905

Acyclische alcoholen, alsmede halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten daarvan:

– andere meerwaardige alcoholen:

43

– – mannitol

44

– – D-glucitol (sorbitol)

3302

Mengsels van reukstoffen en mengsels (oplossingen in alcohol daaronder begrepen) op basis van een of meer van deze zelfstandigheden met andere stoffen, van de soort gebruikt als grondstof voor de industrie; andere bereidingen op basis van reukstoffen van de soort gebruikt voor de vervaardiging van dranken:

10

– van de soort gebruikt in de voedingsmiddelen- en drankenindustrie

3501

Caseïne, caseïnaten en andere derivaten van caseïne; lijm van caseïne

3505

Dextrine en ander gewijzigd zetmeel (bijvoorbeeld voorgegelatineerd of veresterd zetmeel); lijm op basis van zetmeel, van dextrine of van ander gewijzigd zetmeel

3809

Appreteermiddelen, middelen voor het versnellen van het verfproces of van het fixeren van kleurstoffen, alsmede andere producten en preparaten (bijvoorbeeld preparaten voor het beitsen), van de soort gebruikt in de textielindustrie, in de papierindustrie, in de lederindustrie of in dergelijke industrieën, elders genoemd noch elders onder begrepen:

10

– op basis van zetmeel of van zetmeelhoudende stoffen

3824

Bereide bindmiddelen voor gietvormen of voor gietkernen; chemische producten en preparaten van de chemische of van aanverwante industrieën (mengsels van natuurlijke producten daaronder begrepen), elders genoemd noch elders onder begrepen; residuen van de chemische of van aanverwante industrieën, elders genoemd noch elders onder begrepen:

60

– sorbitol, andere dan die bedoeld bij onderverdeling 2905 44

(1)Deze uitsplitsing geldt alleen voor Noorwegen.

(2)Voor IJsland zijn de bepalingen van Protocol 3 niet van toepassing op producten die onder post 2105 vallen.

(3)Voor IJsland zijn de bepalingen van Protocol 3 niet van toepassing op producten hoofdzakelijk bestaande uit vet en water, die meer dan 15 gewichtspercenten boter of andere van melk afkomstige vetstoffen bevatten en onder post 2106 90 vallen.

BIJLAGE I BIJ TABEL I

Communautaire invoerregeling

1.Voor de berekening van de agrarische elementen en de aanvullende invoerrechten worden de volgende basisbedragen gebruikt:

—granen (zachte en harde tarwe, rogge, gerst en maïs): 7,583 EUR/100 kg

—langkorrelige gedopte rijst: 25,610 EUR/100 kg

—volle-melkpoeder: 126,488 EUR/100 kg

—magere-melkpoeder: 115,236 EUR/100 kg

—boter: 183,912 EUR/100 kg

—suiker: 40,640 EUR/100 kg

—melasse: 0,34 EUR/100 kg.

2.De „de minimis”-hoeveelheid waaronder geen invoerrecht wordt geheven voor zetmeel/glucose en saccharose/invertsuiker/isoglucose, bedraagt 5 %.

3.De tranches van de theoretische en de overeengekomen hoeveelheden agrarische grondstoffen, die in aanmerking moeten worden genomen, en de voor de berekening van de douanerechten gebruikte standaardsamenstellingen zijn opgenomen in het aanhangsel.

▼M142

4.De douanerechten voor de in onderstaande tabel opgenomen producten luiden als aangegeven.



GN-code

Toegepast recht

Toelichting

0501 00 00

Nul

0502 10 00

Nul

0502 90 00

Nul

0503 00 00

Nul

0505 10 10

Nul

0505 10 90

Nul

0505 90 00

Nul

0507 10 00

Nul

0507 90 00

Nul

0508 00 00

Nul

0509 00 10

Nul

0509 00 90

Nul

0510 00 00

Nul

1302 14 00

Nul

1302 19 30

Nul

1302 19 91

Nul

ex 1302 20 10

18,6 %

Met een gehalte aan toegevoegde suiker van 5 of meer gewichtspercenten

ex 1302 20 90

10,9 %

Met een gehalte aan toegevoegde suiker van 5 of meer gewichtspercenten

1401 10 00

Nul

1401 20 00

Nul

1401 90 00

Nul

1402 00 00

Nul

1403 00 00

Nul

1404 10 00

Nul

1404 90 00

Nul

1517 10 10

0 % + 26,1 EUR/100 kg

1517 90 10

0 % + 26,1 EUR/100 kg

1517 90 93

Nul

1702 50 00

Nul

1702 90 10

Nul

1704 90 10

Nul

1806 10 15

Nul

1901 90 91

Nul

1902 20 10

8,2 %

2001 90 60

Nul

ex 2006 00 38

9,12 EUR/100 kg

Suikermaïs (Zea mays var. saccharata)

ex 2006 00 99

9,12 EUR/100 kg

Suikermaïs (Zea mays var. saccharata)

2007 10 10

13,98 % + 4,07 EUR/100 kg

2007 10 91

13,14 %

2007 10 99

15,15 %

2007 91 10

11,64 % + 22,31 EUR/100 kg

2007 91 30

11,64 % + 4,07 EUR/100 kg

2007 91 90

18,90 %

2007 99 10

19,53 %

2007 99 20

13,98 % + 19,11 EUR/100 kg

2007 99 31

13,98 % + 22,31 EUR/100 kg

2007 99 33

13,98 % + 22,31 EUR/100 kg

2007 99 35

13,98 % + 22,31 EUR/100 kg

2007 99 39

7 % + 22,31 EUR/100 kg

2007 99 55

13,98 % + 4,07 EUR/100 kg

ex 2007 99 57

13,98 % + 4,07 EUR/100 kg

Kastanjepuree en -pasta

ex 2007 99 57

7 % + 4,07 EUR/100 kg

Andere dan kastanjepuree en -pasta

2007 99 91

20,97 %

2007 99 93

13,14 %

2007 99 98

16,31 %

2008 11 10

Nul

2008 11 92

Nul

2008 11 96

Nul

2102 10 10

Nul

2102 10 90

Nul

2102 20 11

Nul

2102 20 19

Nul

2102 20 90

Nul

2102 30 00

Nul

2103 20 00

Nul

ex 2103 30 90

Nul

Met een gehalte aan toegevoegde suiker van 5 of meer gewichtspercenten

2103 90 30

Nul

2103 90 90

Nul

2104 10 10

Nul

2104 10 90

Nul

2104 20 00

Nul

2106 10 20

12,4 %

2106 90 10

24,25 EUR/100 kg

2106 90 20

16,8 % min 0,97 EUR/% vol/hl

2106 90 92

Nul

2202 10 00

Nul (1)

2202 90 10

Nul (1)

2203 00 01

Nul

2203 00 09

Nul

2203 00 10

Nul

2205 10 10

Nul

2205 10 90

Nul

2205 90 10

Nul

2205 90 90

Nul

2207 20 00

9,9 EUR/hl

2208 40 11

Nul

2208 40 31

Nul

2208 40 39

Nul

2208 40 51

Nul

2208 40 91

Nul

2208 40 99

Nul

2208 50 11

Nul

2208 50 19

Nul

2208 50 91

Nul

2208 50 99

Nul

2208 60 11

Nul

2208 60 19

Nul

2208 60 91

Nul

2208 60 99

Nul

2208701011

Nul

Met een gehalte aan toegevoegde suiker van meer dan 5 gewichtspercenten

2208709011

Nul

Met een gehalte aan toegevoegde suiker van meer dan 5 gewichtspercenten

2208905610

Nul

Aquavit

2208907710

Nul

Aquavit

2209 00 11

3,10 EUR/hl

2209 00 19

2,33 EUR/hl

2209 00 91

2,49 EUR/hl

2209 00 99

1,50 EUR/hl

2402 10 00

12,60 %

2402 20 10

Nul

2402 20 90

27,95 %

2402 90 00

27,95 %

2403 10 10

36,35 %

2403 10 90

36,35 %

2403 91 00

8,05 %

2403 99 10

20,2 %

2403 99 90

Nul

3302 10 21

5,8 %

3501 10 10

Nul

3501105010

Nul

Meer dan 50 gewichtspercenten water bevattende

3501105090

2,9 %

Niet meer dan 50 gewichtspercenten water bevattende

3501 10 90

8,7 %

3501 90 10

8,1 %

3501 90 90

6,2 %

3505 10 50

7,5 %

(1)Het nultarief is tijdelijk geschorst. Voor IJsland geldt de preferentiële regeling van Protocol nr. 2 bij de bilaterale vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en IJsland (nultarief). Voor Noorwegen wordt Protocol nr. 2 bij de bilaterale vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen aangepast om hierin een rechtenvrij contingent voor de invoer in de Gemeenschap van deze goederen van oorsprong uit Noorwegen op te nemen.

5.Voor de volgende producten bedraagt het ad-valoremgedeelte van de douanerechten 0 %:

0403 10 51 t/m 0403 10 59

0403 10 91 t/m 0403 10 99

0403 90 71 t/m 0403 90 79

0403 90 91 t/m 0403 90 99

0710 40 00

0711 90 30

1704 10

1704 90 30 t/m 1704 90 99

1806 10 20 t/m 1806 10 90

1806 20 10 t/m 1806 20 50

1806 20 70

1806 20 80

1806 20 95

1806 31 00

1806 32

1806 90 11 t/m 1806 90 50

1806 90 60 10

1806 90 60 90

1806 90 70 10

1806 90 70 90

1806 90 90 11

1806 90 90 19

1806 90 90 91

1806 90 90 99

1901 10 00

1901 20 00

1901 90 11

1901 90 19

1901 90 99

1902 11 00

1902 19

1902 20 91

1902 20 99

1902 30

1902 40

1903 00 00

1904

1905

2001 90 30

2001 90 40

2004 10 91

2004 90 10

2005 20 10

2005 80 00

2008 99 85

2008 99 91

2101 12 98 91

2101 20 98 90

2101 30 19

2101 30 99

2105 00

2106 10 80

2106 90 98

2202 90 91 t/m 2202 90 99

3302 10 29

3505 10 10

3505 10 90

3505 20

3809 10 .

6.Voor de volgende producten bedraagt het ad-valoremgedeelte van de douanerechten 5,8 %:

2905 44

3824 60 .

▼M108

7.Voor de volgende producten bedraagt het ad valorem-gedeelte van de douanerechten 7,8 %:

2905 43 00 .

▼M142

8.De tariefcodes in deze bijlage zijn die welke op 1 januari 2004 in de Gemeenschap van toepassing zijn. Naderhand in de tariefnomenclatuur aangebrachte veranderingen zijn niet van invloed op de inhoud van deze bijlage.

▼M108

Aanhangsel

In punt 3 bedoelde hoeveelheden en samenstellingen



(per 100 kg van de goederen)

Binnen de verschillende tranches in aanmerking te nemen hoeveelheden — melk en zuivelproducten

Melkvet

(gewichtspercenten)

Melkproteïne

(gewichtspercenten)

Magere-melkpoeder

(kg)

Volle-melkpoeder

(kg)

Boter

(kg)

0–1,5

0–2,5

0

0

0

2,5–6

14

0

0

6–18

42

0

0

18–30

75

0

0

30–60

146

0

0

60->

208

0

0

1,5–3

0–2,5

0

0

3

2,5–6

14

0

3

6–18

42

0

3

18–30

75

0

3

30–60

146

0

3

60->

208

0

3

3–6

0–2,5

0

0

6

2,5–12

12

20

0

12->

71

0

6

6–9

0–4

0

0

10

4–15

10

32

0

15->

71

0

10

9–12

0–6

0

0

14

6–18

9

43

0

18->

70

0

14

12–18

0–6

0

0

20

6–18

0

56

2

18->

65

0

20

18–26

0–6

0

0

29

6->

50

0

29

26–40

0–6

0

0

45

6->

38

0

45

40–55

0

0

0

63

55–70

0

0

0

81

70–85

0

0

0

99

85->

0

0

0

117



(per 100 kg van de goederen)

Binnen de verschillende tranches in aanmerking te nemen hoeveelheden — andere dan zuivelproducten

Toe te passen

Witte suiker (kg)

Zachte tarwe (kg)

Maïs (kg)

Sacharose, invertsuiker en/of isoglucose

0–5

0

5–30

24

30–50

45

50–70

65

70->

93

Zetmeel/glucose

0–5

0

0

5–25

22

22

25–70

47

47

50–75

74

74

75->

101

101



Standaardsamenstellingen die worden gebruikt voor de berekening van de douanerechten bij invoer in de Gemeenschap

GN-code

Zachte tarwe

Harde tarwe

Rogge

Gerst

Maïs

Rijst

Witte suiker

Melasse

Magere-melkpoeder

Volle-melkpoeder

Boter

kg

kg

kg

kg

kg

kg

kg

kg

kg

kg

kg

0403 10 51

100

0403 10 53

100

0403 10 59

42

68

0403 10 91

9

2

0403 10 93

8

5

0403 10 99

8

10

0403 90 71

100

0403 90 73

100

0403 90 79

42

68

0403 90 91

9

2

0403 90 93

8

5

0403 90 99

8

10

0710 40 00

100 (1)

0711 90 30

100 (1)

1704 10 11

30

58

1704 10 19

30

58

1704 10 91

16

70

1704 10 99

16

70

1704 90 30

15

20

1806 10 20

60

1806 10 30

75

1806 10 90

100

1806 32 90 (2)

50

20

1901 90 11

195

1901 90 19

159

1902 11 00

167

1902 19 10 (3)

167

1902 19 90 (4)

67

100

1902 20 91

41

1902 20 99

116

1902 30 10

167

1902 30 90

66

1902 40 10

167

1902 40 90

66

1903 00 00

161

1904 10 10

213

1904 10 30

174

1904 10 90

53

53

53

53

1904 20 91

213

1904 20 95

174

1904 20 99

53

53

53

53

1904 90 10

174

►M142 19049080

174

1905 10 00

140

1905 20 10

44

40

25

1905 20 30

33

30

45

1905 20 90

22

20

65

1905 90 10

168

1905 90 20

644

2001 90 30

100 (1)

2001 90 40

40 (1)

2001 90 10

100 (1)

2005 80 00

100 (1)

2008 99 85

100 (1)

2008 99 91

40 (1)

2101 30 19

137

2101 30 99

245

2102 10 31

425

2102 10 39

125

2105 00 10

25

10

2105 00 91

20

23

2105 00 99

20

35

2202 90 91

10

8

2202 90 95

10

6

2202 90 99

10

13

2905 43 00

300

2905 44 11

172

2905 44 19

90

2905 44 91

245

2905 44 99

128

3505 10 10

189

3505 10 90

189

3505 20 10

48

3505 20 30

95

3505 20 50

151

3505 20 90

189

3809 10 10

95

3809 10 30

132

3809 10 50

161

3809 10 90

189

3824 60 11

172

3824 60 19

90

3824 60 91

245

3824 60 99

128

(1)Voor 100 kg uitgelekte zoete aardappelen (bataten) of maïs.

(2)Voor goederen die 3 of meer doch minder dan 6 gewichtspercenten van melk afkomstige vetstoffen bevatten, is de aanvullende code 6920 van toepassing.

(3)Voor deegwaren van harde tarwe die geen of niet meer dan 3 % andere granen bevatten is de aanvullende code 6921 van toepassing.

(4)Voor andere onder deze onderverdeling vallende goederen dan deegwaren van harde tarwe die geen of niet meer dan 3 gewichtspercenten andere granen bevatten, is de aanvullende code 6922 van toepassing.

BIJLAGE II BIJ TABEL I

IJslandse invoerregeling

1.



IJslandse tariefcode

Omschrijving

Toegepast tarief

(ISK/kg)

0403

Karnemelk, gestremde melk en room, yoghurt, kefir en andere gegiste of aangezuurde melk en room, ook indien ingedikt, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao:

0403.1011

– yoghurt met cacao

53

0403.1012

– yoghurt met vruchten

53

0403.1013

– yoghurt, gearomatiseerd, n.e.g.

53

0403.1021

– drinkyoghurt met cacao

51

0403.1022

– drinkyoghurt met vruchten

51

ex 0403.1029

– drinkyoghurt, gearomatiseerd, n.e.g.

51

0403.9011

– andere met cacao

45

0403.9012

– andere met vruchten

45

0403.9013

– andere, gearomatiseerd, n.e.g.

45

0403.9021

– andere, als drank, met cacao

45

0403.9022

– andere, als drank, met vruchten

45

ex 0403.9029

– andere, als drank, gearomatiseerd, n.e.g.

45

1517

Margarine; mengsels en bereidingen, voor menselijke consumptie, van dierlijke of plantaardige vetten of oliën of van fracties van verschillende vetten en oliën bedoeld bij dit hoofdstuk, andere dan de vetten en oliën of fracties daarvan, bedoeld bij post 1516:

1517.1001

– margarine, andere dan vloeibare margarine, met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van meer dan 10 doch niet meer dan 15 gewichtspercenten

88

1517.1001

– andere dan margarine, andere dan vloeibare margarine, met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van meer dan 10 doch niet meer dan 15 gewichtspercenten

88

1806

Chocolade en andere bereidingen voor menselijke consumptie die cacao bevatten:

– andere bereidingen, hetzij in blokken of in staven, met een gewicht van meer dan 2 kg, hetzij in vloeibare toestand of in de vorm van pasta, poeder, korrels of dergelijke, in recipiënten of in andere verpakkingen, met een inhoud per onmiddellijke verpakking van meer dan 2 kg:

1806.2003

– – cacaopoeder, met uitzondering van de producten bedoeld bij post 1901, met een gehalte aan volle-melkpoeder en/of magere-melkpoeder van 30 of meer gewichtspercenten, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, maar niet gemengd met andere stoffen

109

1806.2004

– – cacaopoeder, met uitzondering van de producten bedoeld bij post 1901, met een gehalte aan volle-melkpoeder en/of magere-melkpoeder van minder dan 30 gewichtspercenten, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, maar niet gemengd met andere stoffen

39

1806.2005

– – andere bereidingen, met uitzondering van de producten bedoeld bij post 1901, met een gehalte aan volle-melkpoeder en/of magere-melkpoeder van 30 of meer gewichtspercenten

109

1806.2006

– – andere bereidingen, met uitzondering van de producten bedoeld bij post 1901, met een gehalte aan volle-melkpoeder en/of magere-melkpoeder van minder dan 30 gewichtspercenten

39

– andere, in de vorm van tabletten, staven of repen:

1806.3101

– – gevulde chocolade, in de vorm van staven of repen

51

1806.3109

– – andere, gevuld, in de vorm van tabletten, staven of repen

51

1806.3202

– – niet-gevulde chocolade bevattende cacaopasta, suiker, cacaoboter en melkpoeder, in de vorm van staven of repen

47

1806.3203

– – niet-gevulde imitatiechocolade, in de vorm van staven of repen

39

1806.3209

– – andere, niet gevuld, in de vorm van tabletten, staven of repen

21

– andere:

– – stoffen voor de vervaardiging van dranken:

1806.9011

– – – bereidingen voor dranken op basis van goederen bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404, bevattende 5 of meer gewichtspercenten cacaopoeder, berekend op een geheel ontvette basis, n.e.g., suiker of andere zoetstoffen, naast andere ingrediënten in kleine hoeveelheden en smaakstoffen

22

– – andere dan stoffen voor de vervaardiging van dranken:

1806.9022

– – – bereidingen voor de voeding van kinderen of voor dieetdoeleinden

18

1806.9023

– – – paaseieren

48

1806.9024

– – – sausen en dipsausen voor consumptie-ijs

39

1806.9025

– – – bedekt, zoals rozijnen, noten,

„gepofte”

granen, drop, karamel en geleiproducten

53

1806.9026

– – – bonbons en pralines

48

1806.9028

– – – cacaopoeder, met uitzondering van de producten bedoeld bij post 1901, 30 of meer gewichtspercenten volle-melkpoeder en/of magere-melkpoeder bevattend, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, maar niet gemengd met andere stoffen

118

1806.9029

– – – cacaopoeder, met uitzondering van de producten bedoeld bij post 1901, minder dan 30 gewichtspercenten volle-melkpoeder en/of magere-melkpoeder bevattend, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, maar niet gemengd met andere stoffen

43

1806.9039

– – – andere

47

1901

Moutextract; bereidingen voor menselijke consumptie van meel, gries, griesmeel, zetmeel of moutextract, geen of minder dan 40 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis, elders genoemd noch elders onder begrepen; bereidingen voor menselijke consumptie van producten bedoeld bij de posten 0401 tot en met 0404, geen of minder dan 5 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis, elders genoemd noch elders onder begrepen:

– mengsels en deeg, voor de bereiding van bakkerswaren bedoeld bij post 1905, in totaal 3 of meer gewichtspercenten volle-melkpoeder, magere-melkpoeder, eieren, van melk afkomstige vetstoffen (zoals boter), kaas of vlees bevattend:

1901.2012

– – voor de bereiding van ontbijtkoek bedoeld bij post 1905.2000

25

1901.2013

– – voor de bereiding van koekjes en biscuits, gezoet, bedoeld bij post 1905.3011 en 1905.3029

17

1901.2014

– – voor de bereiding van gemberkoekjes bedoeld bij post 1905.3021

29

1901.2015

– – voor de bereiding van wafels en wafeltjes, bedoeld bij post 1905.3030

10

1901.2016

– – voor de bereiding van beschuit, geroosterd brood en dergelijke geroosterde producten, bedoeld bij post 1905.4000

15

1901.2017

– – voor de bereiding van brood bedoeld bij post 1905.9011 met een vulling op basis van boter of andere zuivelproducten

39

1901.2018

– – voor de bereiding van brood bedoeld bij post 1905.9019

5

1901.2019

– – voor de bereiding van koekjes en biscuits, ongezoet, bedoeld bij post 1905.9020

5

1901.2022

– – voor de bereiding van banketbakkerswerk en gebak, bedoeld bij post 1905.9040

33

1901.2023

– – mengsels en deeg, vlees bevattende, voor de bereiding van pasteien, met inbegrip van pizza's, bedoeld bij post 1905.9051

97

1901.2024

– – mengsels en deeg, andere ingrediënten dan vlees bevattende, voor de bereiding van pizza's en dergelijke, bedoeld bij post 1905.9059

53

1901.2029

– – voor de bereiding van producten bedoeld bij post 1905.9090

43

1902

Deegwaren, ook indien gekookt of gevuld (met vlees of andere zelfstandigheden) dan wel op andere wijze bereid, zoals spaghetti, macaroni, noedels, lasagne, gnocchi, ravioli en cannelloni; koeskoes, ook indien bereid:

1902.1100

– deegwaren, niet gekookt, noch gevuld of op andere wijze bereid, waarin ei is verwerkt

8

– gevulde deegwaren (ook indien gekookt of op andere wijze bereid):

1902.2022

– – gevuld met bereidingen van worst, vlees, slachtafvallen of bloed, dan wel mengsels daarvan, bevattende 3 of meer doch niet meer dan 20 gewichtspercenten worst, vlees, slachtafvallen of bloed, dan wel mengsels daarvan

41

1902.2031

– – gevuld met kaas, bevattende meer dan 3 gewichtspercenten kaas

35

1902.2041

– – gevuld met vlees en kaas, bevattende meer dan 20 gewichtspercenten vlees en kaas

142

1902.2042

– – gevuld met vlees en kaas, bevattende meer dan 3 doch niet meer dan 20 gewichtspercenten vlees en kaas

41

– andere deegwaren

1902.3021

– – met worst, vlees, slachtafvallen of bloed, dan wel mengsels daarvan, bevattende meer dan 3 doch niet meer dan 20 gewichtspercenten worst, vlees, slachtafvallen of bloed, dan wel mengsels daarvan

41

1902.3031

– – met kaas, bevattende meer dan 3 gewichtspercenten kaas

35

1902.3041

– – met vlees en kaas, bevattende meer dan 3 doch niet meer dan 20 gewichtspercenten vlees en kaas

41

1902.4021

– koeskoes met worst, vlees, slachtafvallen of bloed, dan wel mengsels daarvan, bevattende meer dan 3 doch niet meer dan 20 gewichtspercenten worst, vlees, slachtafvallen of bloed, dan wel mengsels daarvan

41

1903

Tapioca en soortgelijke producten bereid uit zetmeel, in de vorm van vlokken, korrels, parels en dergelijke:

1903.0001

– in detailhandelsverpakking van 5 kg of minder

nul

1903.0009

– andere dan in detailhandelsverpakking van 5 kg of minder

nul

1904

Graanpreparaten verkregen door poffen of door roosteren (bijvoorbeeld cornflakes); granen (andere dan maïs) in de vorm van korrels of in de vorm van vlokken of van andere bewerkte korrels (met uitzondering van meel en gries), voorgekookt of op andere wijze bereid, elders genoemd noch elders onder begrepen:

– andere:

1904.9001

– – meer dan 3 doch niet meer dan 20 gewichtspercenten vlees bevattend

42

1905

Brood, gebak, biscuits en andere bakkerswaren, ook indien deze producten cacao bevatten; ouwel in bladen, hosties, ouwels voor geneesmiddelen, plakouwels en dergelijke producten van meel of van zetmeel:

1905.2000

– ontbijtkoek

83

– koekjes en biscuits, gezoet, en wafels en wafeltjes, bedekt met chocolade of met cacao bevattend glazuur:

1905.3011

– – koekjes en biscuits, gezoet

17

1905.3019

– – andere dan koekjes en biscuits, gezoet

16

– koekjes en biscuits, gezoet, en wafels en wafeltjes, niet bedekt met chocolade of met cacao bevattend glazuur:

– – koekjes en biscuits, gezoet:

1905.3021

– – – gemberkoekjes

31

1905.3022

– – – koekjes en biscuits, gezoet, met een suikergehalte van minder dan 20 gewichtspercenten

23

1905.3029

– – – andere dan koekjes en biscuits, gezoet

19

1905.3030

– – andere

11

1905.4000

– beschuit, geroosterd brood en dergelijke geroosterde producten

16

– andere:

– – brood:

1905.9011

– – – met een vulling op basis van boter of andere zuivelproducten (bv. knoflookboter)

39

1905.9019

– – – andere

5

1905.9020

– – koekjes en biscuits, ongezoet

5

1905.9040

– – banketbakkerswerk en gebak

35

– – pasteien, met inbegrip van pizza's:

1905.9051

– – – vlees bevattend

97

1905.9059

– – – andere

53

1905.9090

– – andere

45

2103

Sausen en preparaten voor sausen; samengestelde kruiderijen en dergelijke producten; mosterdmeel en bereide mosterd:

– andere dan sojasaus, tomatenketchup en andere tomatensausen, mosterdmeel en bereide mosterd:

2103.9020

– – mayonaise

19

2103.9030

– – sausen op basis van olie n.e.g. (bijvoorbeeld remouladesaus)

19

2103.9051

– – bevattende meer dan 20 gewichtspercenten vlees

97

2103.9052

– – bevattende 3 of meer doch minder dan 20 gewichtspercenten vlees

52

2104

Preparaten voor soep of voor bouillon; bereide soep en bouillon; samengestelde gehomogeniseerde producten voor menselijke consumptie:

– preparaten voor soep of voor bouillon; bereide soep en bouillon

2104.1001

– – preparaten voor groentesoep op basis van meel, zetmeel of moutextract

3

2104.1002

– – andere soep in poedervorm, in verpakkingen van 5 kg of meer

31

2104.1003

– – vissoep in blik

27

– – andere soep:

2104.1011

– – – meer dan 20 gewichtspercenten vlees bevattend

78

2104.1012

– – – 3 of meer doch minder dan 20 gewichtspercenten vlees bevattend

44

2104.1019

– – – andere

21

– – andere:

2104.1021

– – – meer dan 20 gewichtspercenten vlees bevattend

78

2104.1022

– – – 3 of meer doch minder dan 20 gewichtspercenten vlees bevattend

44

2104.1029

– – – andere

21

– samengestelde gehomogeniseerde producten voor menselijke consumptie:

2104.2001

– – meer dan 20 gewichtspercenten vlees bevattend

97

2104.2002

– – 3 of meer doch minder dan 20 gewichtspercenten vlees bevattend

51

2104.2003

– – vis, schaaldieren, weekdieren of andere ongewervelde waterdieren bevattend

24

2104.2009

– – andere

24

2106

Producten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen:

– andere:

– – puddingpoeder:

2106.9041

– – – in detailhandelsverpakking van 5 kg of minder, melkpoeder, eiwit of eigeel bevattend

67

2106.9048

– – – andere, melkpoeder, eiwit of eigeel bevattend

80

2106.9049

– – – andere, geen melkpoeder, eiwit of eigeel bevattend

67

2106.9064

– – 3 of meer doch minder dan 20 gewichtspercenten vlees bevattend

41

2202

Water, mineraalwater en spuitwater daaronder begrepen, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, dan wel gearomatiseerd, alsmede andere alcoholvrije dranken, andere dan de vruchtenen groentesappen bedoeld bij post 2009:

– andere:

– – van zuivelproducten met andere ingrediënten, mits de zuivelproducten 75 of meer gewichtspercenten, exclusief de verpakking, uitmaken:

2202.9011

– – – in verpakkingen van karton

41

2202.9012

– – – in wegwerpverpakkingen van staal

41

2202.9013

– – – in wegwerpverpakkingen van aluminium

41

2202.9014

– – – in wegwerpverpakkingen van glas met een inhoud van meer dan 500 ml

41

2202.9015

– – – in wegwerpverpakkingen van glas met een inhoud van niet meer dan 500 ml

41

2202.9016

– – – in wegwerpverpakkingen van kunststof, gekleurd

41

2202.9017

– – – in wegwerpverpakkingen van kunststof, niet gekleurd

41

2202.9019

– – – andere

41

2.De tariefcodes in deze bijlage zijn die welke op 1 juli 2001 in IJsland van toepassing zijn. Naderhand in de tariefnomenclatuur aangebrachte veranderingen zijn niet van invloed op de inhoud van deze bijlage.

3.



GS-code

Omschrijving

2105

Consumptie-ijs, ook indien cacao bevattend

2106

Producten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen:

.90

– andere:

ex .90

– – producten hoofdzakelijk bestaande uit vet en water, meer dan 15 gewichtspercenten boter of andere van melk afkomstige vetten bevattend

4.De onder punt 3 genoemde tijdelijke regeling zal voor eind 2007 door de overeenkomstsluitende partijen worden herzien.

BIJLAGE III BIJ TABEL I

Noorse invoerregeling

1.

Onderstaande referentietarieven (NOK/kg) voor de agrarische grondstoffen worden voor de berekening van de voor de verwerkte landbouwproducten geldende rechten gebruikt, tenzij onder punt 6 anders wordt bepaald:



Matrix ()

Standaardsamenstelling

Werkelijk gehalte

Volle-melkpoeder (*)

11,43

11,43

11,43

Magere-melkpoeder (*)

12,16

12,16

12,16

Boter (*)

12,74

12,74

12,74

Melk voor de yoghurtbereiding

()

3,01

3,01

Melk voor de bereiding van dranken

()

2,23

2,23

Vloeibare volle melk

()

1,43

Vloeibare magere melk

()

1,07

Gecondenseerde melk, vet

()

4,98

Gecondenseerde melk, mager

()

4,72

Melkpoeder, 20 % vet

()

11,41

Karnemelkpoeder

()

11,93

Room

()

4,48

Roommengsel

()

5,33

Dikke zure room

()

6,69

Room in poedervorm

()

10,77

Weipoeder

()

3,00

Caseïnaten

()

33,47

Melkalbumine

()

33,47

Tarwemeel (*)

1,96

1,96

1,96

Roggemeel

1,96

2,16

1,96

Meel van harde tarwe

1,96

1,32

1,96

Gerstmeel

1,96

1,96

Meel van mengkoren

1,96

1,96

Maïsmeel

0

0

Rijstmeel

0

0

Meel van andere granen

0

0

Zachte tarwe

1,52

1,52

Harde tarwe

0,98

0,98

Gerst

1,37

1,37

Haver

1,17

1,17

Rogge

1,46

1,46

Mengkoren

1,46

1,46

Maïs

0

0

Andere granen

0

0

Tarwezemelen

1,96

1,96

Haverzemelen

1,96

1,96

Geplette haver

1,96

1,96

Tarwemout

0

0

Gerstmout

0

0

Tarwegluten

0

0

Rijst

0

0

Aardappelzetmeel (*)

4,41

4,41

4,41

Ander zetmeel (*)

4,41

4,41

Gemodificeerd zetmeel

4,41

4,41

Glucose en glucosestroop

4,41

4,41

4,41

Suiker

0

0

Maltodextrine

0

0

Aardappelen

0,81

0,81

Aardappelmeel, aardappelvlokken

3,75

12,01

12,01

Rundvlees, zonder been (14 % vet) (*)

25,89

25,89

25,89

Varkensvlees (23 % vet)

19,23

19,23

19,23

Schapenvlees

8,63

8,63

Vlees van pluimvee

3,02

3,02

Andere vetten dan boter

0

0

Bevroren frambozen (*)

4,29 ()

4,29 ()

Frambozenconcentraat

22,22 ()

22,22 ()

Bevroren zwarte aalbessen

0 ()

0 ()

Zwarte-aalbessenconcentraat

0 ()

0 ()

Bevroren aardbeien

4,45 ()

4,45 ()

4,45 ()

Aardbeienconcentraat

23,05 ()

23,05 ()

Appelpulp

0

0

Appelconcentraat

0

0

Kaas (*)

20,08

20,08

20,08

Kaas in poedervorm

12,45

12,45

Heeleipoeder (*)

45,37

45,37

45,37

Eieren in de schaal

9,48

9,48

Verduurzaamd eigeel (vloeibaar eigeel)

26,90

26,90

26,90

Eigeel in poedervorm

56,81

56,81

Heeleipasta (hele eieren uit de schaal)

9,32

9,32

9,32

Vloeibare albumine

0

0

Albumine in poedervorm

0

0

(1)De met een asterisk (*) aangegeven referentietarieven voor agrarische grondstoffen dienen als grondslag voor de berekening van de rechten voor verwerkte landbouwproducten volgens het matrixsysteem; de andere referentietarieven voor de in deze rubriek aan te geven grondstoffen zijn verkregen door toepassing van de omrekeningscoëfficiënten.

(2)De matrixreferentietarieven voor deze grondstoffen hangen af van het werkelijke gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen en melkproteïnen in combinatie met de omrekeningscoëfficiënt.

(3)De referentietarieven voor deze grondstoffen worden jaarlijks gezamenlijk vóór 15 juni herzien. Bij deze gezamenlijke herzieningen wordt rekening gehouden met de marktprijzen, de marktsituatie, de Noorse productie en de invoer in Noorwegen.

▼M142

2.

De tariefcodes in deze bijlage zijn die welke op 1 januari 2004 in Noorwegen van toepassing zijn. Naderhand in de tariefnomenclatuur aangebrachte veranderingen zijn niet van invloed op de inhoud van deze bijlage.

▼M108

3.

De „de minimis”-hoeveelheid waaronder geen invoerrecht wordt geheven voor meel, zetmeel en/of glucose, bedraagt 5 procent.

4.

De „de minimis”-hoeveelheid waaronder geen invoerrecht wordt geheven voor bijkomende grondstoffen (vlees, kaas, eieren en zacht fruit (bevroren frambozen, zwarte aalbessen en aardbeien)) bedraagt 3 procent. Bij de berekening van het recht wordt vers fruit gelijkgesteld met dezelfde hoeveelheid bevroren fruit.

5.

De tranches van de theoretische en de overeengekomen hoeveelheden agrarische grondstoffen, die in aanmerking moeten worden genomen, en de voor de berekening van de douanerechten gebruikte standaardsamenstellingen zijn opgenomen in het aanhangsel.

6.



Noorse tariefcode

Omschrijving

19.04

Graanpreparaten verkregen door poffen of door roosteren (bijvoorbeeld cornflakes); ►M142 Granen (andere dan maïs) in de vorm van korrels of in de vorm van vlokken of van andere bewerkte korrels (met uitzondering van meel, gries en griesmeel), voorgekookt of op andere wijze bereid, elders genoemd noch elders onder begrepen:

– Bereidingen voor menselijke consumptie verkregen uit ongeroosterde graanvlokken of uit mengsels van ongeroosterde graanvlokken en geroosterde graanvlokken of gepofte granen:

.2010

– – bereidingen van de soort „Müsli”, op basis van niet-geroosterde graanvlokken

21.04

Preparaten voor soep of voor bouillon; bereide soep en bouillon; samengestelde gehomogeniseerde producten voor menselijke consumptie:

– preparaten voor soep of voor bouillon; bereide soep en bouillon:

– – in luchtdichte verpakkingen:

.1020

– – – groentesoep, ook indien voorgekookt, geen vlees of vleesextracten bevattend

.1030

– – – vissoep bevattende 25 of meer gewichtspercenten vis

.1040

– – – andere

– – andere:

.1050

– – – vlees of vleesextracten bevattend

.1060

– – – vissoep bevattende 25 of meer gewichtspercenten vis

.1090

– – – andere

▼M142

7.

De douanerechten voor de in onderstaande tabel opgenomen producten luiden als aangegeven.



Noorse tariefcode

Omschrijving

Toegepast recht (NOK/kg)

05.01

Mensenhaar, onbewerkt, ook indien gewassen of ontvet; afval van mensenhaar

Nul

05.02

Haar van varkens of van wilde zwijnen; dassenhaar en ander dierlijk haar, voor borstelwerk; afval van dit haar

Nul

05.03

Paardenhaar (crin) en afval van paardenhaar, ook indien in vliezen, al dan niet op een onderlaag

Nul

05.05

Vogelhuiden en andere delen van vogels, met veren of dons bezet, veren en delen van veren (ook indien bijgesneden) en dons, ruw, gereinigd, ontsmet of op andere wijze behandeld ter voorkoming van bederf, doch niet verder bewerkt; poeder en afval, van veren of van delen van veren

Nul

05.07

Ivoor, schildpad, walvisbaarden (walvisbaardhaar daaronder begrepen), horens, geweien, hoeven, nagels, klauwen en snavels, ruw of eenvoudig voorbehandeld, doch niet in vorm gesneden; poeder en afval van deze stoffen

Nul

05.08

Koraal en dergelijke stoffen, ruw of eenvoudig voorbehandeld, doch niet verder bewerkt; schelpen en schalen, van schaaldieren, van weekdieren of van stekelhuidigen, alsmede rugplaten van inktvissen, ruw of eenvoudig voorbehandeld, doch niet in vorm gesneden, alsmede poeder en afval van deze stoffen

Nul

05.09

Echte sponsen

Nul

05.10

Grijze amber, bevergeil, civet en muskus; Spaanse vlieg; gal, ook indien gedroogd; klieren en andere stoffen van dierlijke oorsprong, die worden gebruikt voor het bereiden van farmaceutische producten, vers, gekoeld, bevroren of anderszins voorlopig geconserveerd

Nul

07.10

Groenten, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren:

– suikermaïs:

.4010

– – voor voederdoeleinden

1,73

.4090

– – andere

Nul

07.11

Groenten, voorlopig verduurzaamd (bijvoorbeeld door middel van zwaveldioxide of in water waaraan, voor het voorlopig verduurzamen, zout, zwavel of andere stoffen zijn toegevoegd), doch als zodanig niet geschikt voor dadelijke consumptie:

– andere groenten; mengsels van groenten:

– – suikermaïs:

.9011

– – – voor voederdoeleinden

1,73

.9020

– – – andere

Nul

13.02

Plantensappen en plantenextracten; pectinestoffen, pectinaten en pectaten; agar-agar en andere uit plantaardige producten verkregen plantenslijmen en bindmiddelen, ook indien gewijzigd:

– plantensappen en plantenextracten:

.1400

– – van pyretrum of van wortels van rotenon bevattende planten

– – andere:

Nul

.1903

– – – plantenextracten, onderling vermengd, voor de vervaardiging van dranken of van producten voor menselijke consumptie

Nul

.1904

– – – voor therapeutisch en profylactisch (geneeskundig) gebruik

– pectinestoffen, pectinaten en pectaten:

Nul

ex .2000

– – met een gehalte aan toegevoegde suiker van 5 of meer gewichtspercenten

Nul

14.01

Plantaardige stoffen van de soort hoofdzakelijk gebruikt in de mandenmakerij of voor vlechtwerk (bijvoorbeeld bamboe, rotting, riet, bies, teen, raffia, lindebast, alsmede gezuiverd, gebleekt of geverfd stro van graangewassen)

Nul

14.02

Plantaardige stoffen van de soort hoofdzakelijk gebruikt als opvulmateriaal (bijvoorbeeld kapok, plantenhaar („crin végétal”), zeegras), ook indien in vliezen, al dan niet bevestigd op een onderlaag of tussen twee lagen, van andere stof

Nul

14.03

Plantaardige stoffen van de soort hoofdzakelijk gebruikt voor het vervaardigen van bezems en van borstels (bijvoorbeeld sorghopluimen en -stro, piassava, hondsgras, istle), ook indien in wrongen of in bosjes

Nul

14.04

Plantaardige producten, elders genoemd noch elders onder begrepen:

.1000

– ruw plantaardig materiaal van de soort hoofdzakelijk gebruikt als verf of looistof

Nul

.9000

– andere

Nul

15.17

Margarine; mengsels en bereidingen, voor menselijke consumptie, van dierlijke of plantaardige vetten of oliën of van fracties van verschillende vetten en oliën bedoeld bij dit hoofdstuk, andere dan de vetten en oliën of fracties daarvan, bedoeld bij post 15.16 :

– margarine, andere dan vloeibare margarine:

– – - andere:

– – – dierlijke:

.1021

– – – – met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van meer dan 10 doch niet meer dan 15 gewichtspercenten

– – – plantaardige:

14,5 %

.1031

– – – – - met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van meer dan 10 doch niet meer dan 15 gewichtspercenten

– andere:

– – andere:

– – – vloeibare margarine:

14,5 %

.9032

– – – – met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van meer dan 10 doch niet meer dan 15 gewichtspercenten

– – – vloeibare mengsels, voor menselijke consumptie, van dierlijke en plantaardige oliën, hoofdzakelijk bestaande uit plantaardige oliën:

14,5 %

.9041

– – – – met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van meer dan 10 doch niet meer dan 15 gewichtspercenten

– – – andere:

10,2 %

.9091

– – – – met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van meer dan 10 doch niet meer dan 15 gewichtspercenten

Nul

ex .9098

– – – – - mengsels en bereidingen voor menselijke consumptie van de soorten gebruikt als preparaten voor het insmeren van bakvormen

Nul

15.20

Ruwe glycerol; glycerolwater en glycerollogen:

.0010

– voor voederdoeleinden

3,79

15.22

Dégras; afvallen, afkomstig van de behandeling van vetstoffen of van dierlijke of plantaardige was:

.0011

– voor voederdoeleinden

3,79

17.02

Andere suiker, chemisch zuivere lactose, maltose, glucose en fructose (levulose) daaronder begrepen, in vaste vorm; suikerstroop, niet gearomatiseerd en zonder toegevoegde kleurstoffen; kunsthonig, ook indien met natuurhonig vermengd; karamel:

– chemisch zuivere fructose:

.5010

– – voor voederdoeleinden

1,37

.5090

– – andere

– andere, daaronder begrepen invertsuiker en andere suiker en suikerstropen die in droge toestand 50 gewichtspercenten fructose bevatten:

Nul

ex .9022

– – chemisch zuivere maltose voor voederdoeleinden

1,37

ex .9022

– – chemisch zuivere maltose, niet voor voederdoeleinden

Nul

18.06

Chocolade en andere bereidingen voor menselijke consumptie die cacao bevatten:

.1000

– cacaopoeder, waaraan suiker of andere zoetstoffen zijn toegevoegd

Nul

19.01

Moutextract; bereidingen voor menselijke consumptie van meel, gries, griesmeel, zetmeel of moutextract, geen of minder dan 40 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis, elders genoemd noch elders onder begrepen; bereidingen voor menselijke consumptie van producten bedoeld bij de posten 04.01 tot en met 04.04 , geen of minder dan 5 gewichtspercenten cacao bevattend, berekend op een geheel ontvette basis, elders genoemd noch elders onder begrepen:

– bereidingen voor de voeding van kinderen, opgemaakt voor de verkoop in het klein:

.1010

– – van producten bedoeld bij de posten 04.01 tot en met 04.04

– andere:

5,10 (1)

.9010

– – moutextract

Nul

19.04

Graanpreparaten verkregen door poffen of door roosteren (bijvoorbeeld cornflakes); granen (andere dan maïs) in de vorm van korrels of in de vorm van vlokken of van andere bewerkte korrels (met uitzondering van meel, gries en griesmeel), voorgekookt of op andere wijze bereid, elders genoemd noch elders onder begrepen:

– graanpreparaten verkregen door poffen of door roosteren:

.1010

– – „cornflakes”

– – andere:

Nul

.1091

– – – popcorn

Nul

.1099

– – – andere

– andere:

– – voorgekookte rijst zonder toegevoegde ingrediënten:

Nul

.9010

– – – voor voederdoeleinden

1,11

.9020

– – – andere

Nul

19.05

Brood, gebak, biscuits en andere bakkerswaren, ook indien deze producten cacao bevatten; ouwel in bladen, hosties, ouwels voor geneesmiddelen, plakouwels en dergelijke producten van meel of van zetmeel:

.2000

– ontbijtkoek

0,75

20.01

Groenten, vruchten en andere eetbare plantendelen, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur:

– andere:

– – groenten:

– – – suikermaïs (Zea mays var. saccharata):

.9031

– – – – voor voederdoeleinden

1,73

.9041

– – – – andere

– – – andere:

Nul

.9062

– – – – palmharten

2,22

.9063

– – – – broodwortelen, bataten (zoete aardappelen) en dergelijke eetbare plantendelen met een zetmeelgehalte van 5 of meer gewichtspercenten

2,22

20.04

Andere groenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 20.06 :

– andere groenten en mengsels van groenten:

– – suikermaïs (Zea mays var. saccharata):

.9011

– – – voor voederdoeleinden

1,73

.9020

– – – andere

Nul

20.05

Andere groenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, niet bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 20.06 :

– suikermaïs (Zea mays var. saccharata):

.8010

– – voor voederdoeleinden

1,73

.8090

– – andere

Nul

20.06

Groenten, vruchten, vruchtenschillen en andere plantendelen, gekonfijt met suiker (uitgedropen, geglaceerd of uitgekristalliseerd):

– andere:

ex .0031

– – suikermaïs (Zea mays var. saccharata) met een suikergehalte van meer dan 13 gewichtspercenten, voor voederdoeleinden

1,94

ex .0031

– – suikermaïs (Zea mays var. Saccharata) met een suikergehalte van meer dan 13 gewichtspercenten, niet voor voederdoeleinden

Nul

ex .0091

– – suikermaïs (Zea mays var. Saccharata) met een suikergehalte van niet meer dan 13 gewichtspercenten, voor voederdoeleinden

1,94

ex .0091

– – suikermaïs (Zea mays var. Saccharata) met een suikergehalte van niet meer dan 13 gewichtspercenten, niet voor voederdoeleinden

Nul

20.07

Jam, vruchtengelei, marmelade, vruchtenmoes en vruchtenpasta, door koken of stoven verkregen, met of zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen:

– gehomogeniseerde bereidingen:

.1001

– – met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen

5,30

ex .1009

– – andere, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, van andere grondstoffen dan aardbeien, zwarte bessen en frambozen

3,28

ex .1009

– – andere

– andere:

– – citrusvruchten:

4,55

.9110

– – – met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen

Nul

.9190

– – – andere

– – andere:

– – – met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen:

Nul

.9902

– – – – van abrikozen, mango's, kiwi's, perziken of mengsels daarvan

Nul

ex .9903

– – – – van rode bosbessen (Vaccinium vitis-idaea), blauwe bosbessen (Vaccinium myrtillus), andere bessen van het geslacht Vaccinium of bergbraambessen (Noorse tariefcode 0810.9010 ), of mengsels van deze bessen

1,76

ex .9903

– – – – andere

– – – andere:

5,30

.9907

– – – – van abrikozen, mango's, kiwi's, perziken of mengsels daarvan

Nul

ex .9908

– – – – van andere grondstoffen dan aardbeien, zwarte bessen en frambozen

1,76

ex .9908

– – – – andere

5,30

20.08

Vruchten en andere eetbare plantendelen, op andere wijze bereid of verduurzaamd, ook indien met toegevoegde suiker, andere zoetstoffen of alcohol, elders genoemd noch elders onder begrepen:

– noten, grondnoten en andere zaden, ook indien onderling vermengd:

– – grondnoten:

.1110

– – – pindakaas

– – – andere:

Nul

.1180

– – – – voor voederdoeleinden

1,69

.1191

– – – – andere

– andere mengsels, andere dan die bedoeld bij onderverdeling 2008.19 , daaronder begrepen:

– – palmharten:

Nul

.9110

– – – voor voederdoeleinden

– – andere:

4,67

ex .9903

– – – maïs, andere dan suikermaïs (Zea mays var. saccharata), voor voederdoeleinden

2,67

21.01

Extracten, essences en concentraten, van koffie, van thee of van maté en preparaten op basis van deze producten of op basis van koffie, van thee of van maté; gebrande cichorei en andere gebrande koffiesurrogaten, alsmede extracten, essences en concentraten daarvan:

– extracten, essences en concentraten, van koffie en preparaten op basis van deze producten of op basis van koffie:

– – preparaten op basis van extracten, essences of concentraten of op basis van koffie:

ex .1202

– – – preparaten op basis van koffie, bevattende 1,5 of meer gewichtspercenten van melk afkomstige vetstoffen, 2,5 of meer gewichtspercenten van melk afkomstige proteïnen, 5 of meer gewichtspercenten suiker of 5 of meer gewichtspercenten zetmeel

Nul

ex .1209

– – – andere, bevattende 1,5 of meer gewichtspercenten van melk afkomstige vetstoffen, 2,5 of meer gewichtspercenten van melk afkomstige proteïnen, 5 of meer gewichtspercenten suiker of 5 of meer gewichtspercenten zetmeel

– extracten, essences en concentraten, van thee of van maté en preparaten op basis van deze producten of op basis van thee of van maté:

Nul

ex .2010

– – extracten, essences en concentraten, van thee, bevattende 1,5 of meer gewichtspercenten van melk afkomstige vetstoffen, 2,5 of meer gewichtspercenten van melk afkomstige proteïnen, 5 of meer gewichtspercenten suiker of 5 of meer gewichtspercenten zetmeel

– – andere:

Nul

ex .2091

– – – preparaten op basis van thee of van maté, bevattende 1,5 of meer gewichtspercenten van melk afkomstige vetstoffen, 2,5 of meer gewichtspercenten van melk afkomstige proteïnen, 5 of meer gewichtspercenten suiker of 5 of meer gewichtspercenten zetmeel

Nul

ex .2099

– – – andere, bevattende 1,5 of meer gewichtspercenten van melk afkomstige vetstoffen, 2,5 of meer gewichtspercenten van melk afkomstige proteïnen, 5 of meer gewichtspercenten suiker of 5 of meer gewichtspercenten zetmeel

Nul

ex .3000

– gebrande koffiesurrogaten, andere dan gebrande cichorei; extracten, essences en concentraten van gebrande koffiesurrogaten, andere dan van gebrande cichorei

Nul

21.02

Gist, ook indien inactief; andere eencellige micro-organismen, dood (andere dan de vaccins bedoeld bij post 30.02 ); samengesteld bakpoeder:

– levende gist:

.1010

– – wijngist

Nul

.1020

– – bakkersgist, vloeibaar, geperst of gedroogd

Nul (2)

.1090

– – andere

– inactieve gist; andere eencellige micro-organismen, dood:

Nul

.2010

– – gist voor voederdoeleinden

2,58

.2020

– – andere inactieve gist

Nul

.2031

– – andere eencellige micro-organismen, dood, voor voederdoeleinden

2,58

.2040

– – andere eencellige micro-organismen, dood, niet voor voederdoeleinden

Nul

.3000

– samengesteld bakpoeder

Nul

21.03

Sausen en preparaten voor sausen; samengestelde kruiderijen en dergelijke producten; mosterdmeel en bereide mosterd:

– tomatenketchup en andere tomatensausen:

.2010

– – tomatenketchup

– mosterdmeel en bereide mosterd:

– – bereide mosterd:

Nul

.3009

– – – bereide mosterd, bevattende 5 of meer gewichtspercenten toegevoegde suiker

Nul

21.04

Preparaten voor soep of voor bouillon; bereide soep en bouillon; samengestelde gehomogeniseerde producten voor menselijke consumptie:

– preparaten voor soep of voor bouillon; bereide soep en bouillon:

– – in luchtdichte verpakking:

– – – vleesbouillon:

.1011

– – – gedroogd

Nul

21.05

Consumptie-ijs, ook indien cacao bevattend:

– ander:

.0090

– – ander

Nul

21.06

Producten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen:

– andere:

.9010

– – samengestelde alcoholvrije preparaten (zogenaamde „geconcentreerde extracten”) op basis van producten bedoeld bij post 13.02 , voor de vervaardiging van dranken

Nul

.9020

– – preparaten op basis van appelsap of zwartebessensap, voor de vervaardiging van dranken

– – andere preparaten van een soort gebruikt voor de vervaardiging van dranken:

8,73 %

.9039

– – – andere dan siropen met smaak- of kleurstoffen

– – zuurtjes en kauwgom, geen suiker bevattend:

Nul

.9041

– – – zuurtjes

– – – kauwgom:

Nul

.9043

– – – – kauwgom, nicotine bevattend

Nul

.9044

– – – – andere

– – andere:

– – – roomvervangers:

Nul

.9051

– – – – in droge vorm

5,83

.9052

– – – – vloeibaar

2,92

22.02

Water, mineraalwater en spuitwater daaronder begrepen, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, dan wel gearomatiseerd, alsmede andere alcoholvrije dranken, andere dan de vruchten- en groentesappen bedoeld bij post 20.09 :

.1000

– water, mineraalwater en spuitwater daaronder begrepen, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, dan wel gearomatiseerd

– andere:

Nul

.9010

– – alcoholvrije wijn

Nul

.9020

– – alcoholvrij bier (bier met een alcohol-volumegehalte van niet meer dan 0,5 % vol)

Nul

.9090

– – ander

Nul

22.03

Bier van mout

Nul

22.05

Vermout en andere wijn van verse druiven, bereid met aromatische planten of met aromatische stoffen

Nul

22.07

Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcohol-volumegehalte van 80 % vol of meer; ethylalcohol en gedistilleerde dranken, gedenatureerd, ongeacht het gehalte:

.2000

– ethylalcohol en gedistilleerde dranken, gedenatureerd, ongeacht het gehalte

Nul

22.08

Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcohol-volumegehalte van minder dan 80 % vol; gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten:

.4000

– rum en tafia

Nul

.5000

– gin en jenever

Nul

.6000

– wodka

– likeuren:

Nul

ex .7000

– – likeuren die meer dan 5 gewichtspercenten suiker bevatten

– andere:

Nul

.9003

– – aquavit (gedistilleerde drank met komijnzaad)

Nul

22.09

Tafelazijn, natuurlijke of verkregen uit azijnzuur

Nul

24.02

Sigaren, cigarillo's en sigaretten, van tabak of van tabakssurrogaten:

– sigaren en cigarillo's, tabak bevattend:

.1001

– – sigaren

Nul

.1009

– – andere

Nul

.2000

– sigaretten, tabak bevattend

Nul

.9000

– andere

Nul

24.03

Andere tabak en tabakssurrogaten, tot verbruik bereid; „gehomogeniseerde” en „gereconstitueerde” tabak; tabaksextracten en tabakssausen:

.1000

– rooktabak, ook indien tabakssurrogaten bevattend, ongeacht in welke verhouding

– andere:

Nul

.9100

– – „gehomogeniseerde” en „gereconstitueerde” tabak

– – andere:

Nul

.9910

– – – tabaksextracten en tabakssausen

Nul

.9990

– – – andere

Nul

29.05

Acyclische alcoholen, alsmede halogeen-, sulfo-, nitro- en nitrosoderivaten daarvan:

– andere meerwaardige alcoholen:

.4300

– – mannitol

Nul

.4400

– – D-glucitol (sorbitol)

Nul

33.02

Mengsels van reukstoffen en mengsels (oplossingen in alcohol daaronder begrepen) op basis van een of meer van deze zelfstandigheden met andere stoffen, van de soort gebruikt als grondstof voor de industrie; andere bereidingen op basis van reukstoffen, van de soort gebruikt voor de vervaardiging van dranken:

.1000

– van de soort gebruikt in de voedingsmiddelen- en drankenindustrie

Nul

35.05

Dextrine en ander gewijzigd zetmeel (bijvoorbeeld voorgegelatineerd of veresterd zetmeel); lijm op basis van zetmeel, van dextrine of van ander gewijzigd zetmeel:

– dextrine en ander gewijzigd zetmeel:

.1001

– – door ethervorming of door verestering gewijzigd

7,40 (3)

.1009

– – andere

7,40 (3)

.2000

– lijm

Nul

38.09

Appreteermiddelen, middelen voor het versnellen van het verfproces of van het fixeren van kleurstoffen, alsmede andere producten en preparaten (bijvoorbeeld preparaten voor het beitsen), van de soort gebruikt in de textielindustrie, in de papierindustrie, in de lederindustrie of in dergelijke industrieën, elders genoemd noch elders onder begrepen:

.1000

– op basis van zetmeel of van zetmeelhoudende stoffen

Nul

38.24

Bereide bindmiddelen voor gietvormen of voor gietkernen; chemische producten en preparaten van de chemische of van aanverwante industrieën (mengsels van natuurlijke producten daaronder begrepen), elders genoemd noch elders onder begrepen:

.6000

– sorbitol, andere dan die bedoeld bij onderverdeling 2905.44

Nul

(1)Het agrarische element is gebaseerd op de standaardsamenstelling in Protocol nr. 2 bij de vrijhandelsovereenkomst.

(2)De vrijstelling van rechten geldt vanaf 1 januari 2005.

(3)Voor technisch gebruik bedraagt het douanerecht nul.

▼M108

8.



Noorse tariefcode

Omschrijving

1806.2012

Puddingpoeder in recipiënten of in andere verpakkingen, met een inhoud per onmiddellijke verpakking van meer dan 2 kg

1806.2090

Andere (andere dan consumptie-ijs- of puddingpoeder) in de vorm van tabletten, staven of repen, met een gewicht van meer dan 2 kg, hetzij in vloeibare toestand of in de vorm van pasta, poeder, korrels of dergelijke, in recipiënten of in andere verpakkingen, met een inhoud per onmiddellijke verpakking van meer dan 2 kg

1806.3100

Andere, in de vorm van tabletten, staven of repen, gevuld

1806.3200

Andere, in de vorm van tabletten, staven of repen, niet gevuld

1806.9010

Andere chocolade, inclusief suikerwerk, cacao bevattend (andere dan in de vorm van tabletten, staven of repen, met een gewicht van meer dan 2 kg, of in vloeibare toestand of in de vorm van pasta, poeder, korrels of dergelijke, in recipiënten of in andere verpakkingen, met een inhoud per onmiddellijke verpakking van meer dan 2 kg

1806.9022

Puddingpoeder

1806.9090

Andere bereidingen voor menselijke consumptie

2103.9099

Andere sausen en bereidingen daarvoor; samengestelde kruiderijen en dergelijke producten (andere dan tomatenketchup en andere tomatensausen, mosterdmeel en bereide mosterd, mayonaise en remouladesaus en vloeibare mangochutney)

▼M142

9.

Het douanerecht voor glutenvrij verklaarde producten voor coeliakiepatiënten, die zijn ingedeeld onder de Noorse codes 1901.2097 en 1901.2098 (mengsels voor de bereiding van bakkerswaren bedoeld bij post 1905 ) bedraagt 0,37 NOK/kg.

10.

Het douanerecht voor producten die zijn ingedeeld onder de Noorse code ex 2008.9903 (maïs, andere dan suikermaïs (Zea mays var. saccharata), niet voor voederdoeleinden), wordt berekend volgens het matrixsysteem. Het maximale douanerecht bedraagt echter niet meer dan 12 NOK/kg.

11.

Het douanerecht voor producten die zijn ingedeeld onder de Noorse code 2106.9060 (geëmulgeerde vetten en dergelijke producten, bevattende meer dan 15 gewichtspercenten van melk afkomstige vetstoffen, voor menselijke consumptie), wordt berekend volgens het matrixsysteem. Het maximale douanerecht bedraagt echter niet meer dan 7 NOK/kg.

▼M108

AANHANGSEL

In punt 5 bedoelde hoeveelheden en samenstellingen



(per 100 kg van de goederen)

Binnen de verschillende tranches in aanmerking te nemen hoeveelheden — melk en zuivelproducten

Melkvet

(gewichtspercenten)

Melkproteïne

(gewichtspercenten)

Magere-melkpoeder

(kg)

Volle-melkpoeder

(kg)

Boter

(kg)

0–1,5

0–2,5

0

0

0

2,5–6

14

0

0

6–18

42

0

0

18–30

75

0

0

30–60

146

0

0

60->

208

0

0

1,5–3

0–2,5

0

0

3

2,5–6

14

0

3

6–18

42

0

3

18–30

75

0

3

30–60

146

0

3

60->

208

0

3

3–6

0–2,5

0

0

6

2,5–12

12

20

0

12->

71

0

6

6–9

0–4

0

0

10

4–15

10

32

0

15->

71

0

10

9–12

0–6

0

0

14

6–18

9

43

0

18->

70

0

14

12–18

0–6

0

0

20

6–18

0

56

2

18->

65

0

20

18–26

0–6

0

0

29

6->

50

0

29

26–40

0–6

0

0

45

6->

38

0

45

40–55

0

0

0

63

55–70

0

0

0

81

70–85

0

0

0

99

85->

0

0

0

117



(per 100 kg van de goederen)

Binnen de verschillende tranches in aanmerking te nemen hoeveelheden — andere producten dan melk en zuivelproducten

Tranches

Toe te passen

Zetmeel/glucose

0–5

0

5–15

12,5

(3,13 NOS + 9,38 PS)

15–25

22,5

(5,63 NOS + 16,88 PS)

25–50

43,75

(10,94 NOS + 32,81 PS)

50–75

68,75

(17,19 NOS + 51,56 PS)

75->

100

(25 NOS + 75 PS)

Meel van granen

0–5

0

5–15

12,5

15–25

22,5

25–35

32,5

35–45

42,5

45–55

52,5

55–65

62,5

65–75

72,5

75->

115

Vlees

0–3

0

3–6

5,25

6–10

7,5

10–15

12,5

15–20

17,5

20->

50

Kaas

0–3

0

3–5

4,5

5–10

8,75

10–15

13,75

15–20

18,75

20–30

27,5

30–50

45

50->

60

Eieren

0–3

0

3–5

4,5

5–10

8,75

10–15

13,75

15–20

18,75

20–30

27,5

30–50

45

50->

60

Zacht fruit

0–3

0

3–5

4,5

5–10

8,75

10–15

13,75

15–20

18,75

20–30

27,5

30–50

45

50->

60



Standaardsamenstellingen gebruikt voor de berekening van de douanerechten bij invoer in Noorwegen

NO-code

Melk voor yoghurt

Aardbeien

Glucose

Boter

Magere-melkpoeder

Volle-melkpoeder

Tarwemeel

Aardappelzetmeel

Heeleipoeder

Meel van harde tarwe

Heeleipasta

Roggemeel

Rundvlees 14%

Varkensvlees 23%

Kaas

Aardappelmeel/vlokken

Verduurzaamd eigeel

Melk voor dranken

%

%

%

%

%

%

%

%

%

%

%

%

%

%

%

%

%

%

0403 10 20

381

30

0403 10 30

103

8

0403 10 91

103

0403 90 01

103

0403 90 02

103

8

1704 10 00

18

1704 90 10

8

1704 90 91

35

5

1806 20 11

95

1806 90 21

95

1901 20 10

35

5

3

1901 20 91

35

5

3

1901 20 92

2

35

6

1902 11 00

2

108

1902 19 00

105

1902 40 00

105

1903 00 00

100

1905 10 00

22

88

►M142 1905 32 00

3

70

1905 40 00

2

85

1905 90 10

25

5

5

15

1905 90 22

1

65

1905 90 32

30

100

1905 90 33

2

35

6

2004 10 10

95

2004 10 20

46

2005 20 10

95

2005 20 20

46

2103 20 21

8

2103 20 29

8

2103 90 10

2

7

ex 2104 10 10

15 (1)

2105 00 10

35

2105 00 20

6

35

2202 90 30

95

3501 10 00

300

3501 90 10

300

(1)De standaardsamenstelling is niet van toepassing op gedroogde vleesbouillon



TABEL II

GS-post

Omschrijving

0901

Koffie, cafeïnevrije koffie daaronder begrepen, ook indien gebrand; bolsters en schillen, van koffie; koffiesurrogaten die koffie bevatten, ongeacht de mengverhouding

0902

Thee

1302

Plantensappen en plantenextracten; pectinestoffen, pectinaten en pectaten; agar-agar en andere uit plantaardige producten verkregen plantenslijmen en bindmiddelen, ook indien gewijzigd:

– plantensappen en plantenextracten:

.12

– – van zoethout

.13

– – van hop

.20

– pectinestoffen, pectinaten en pectaten:

ex .20

– – met een gehalte aan toegevoegde suiker van minder dan 5 gewichtspercenten

– plantenslijmen en bindmiddelen, ook indien gewijzigd, verkregen uit plantaardige producten:

.31

– – agar-agar

.32

– – plantenslijmen en bindmiddelen, ook indien gewijzigd, uit sint-jansbrood, uit sint-jansbroodpitten of uit guarzaden

.39

– – andere

1404

Plantaardige producten, elders genoemd noch elders onder begrepen:

.20

– katoenlinters

1516

Dierlijke en plantaardige vetten en oliën, alsmede fracties daarvan, geheel of gedeeltelijk gehydrogeneerd, veresterd, opnieuw veresterd of geëlaïdiniseerd, ook indien geraffineerd, doch niet verder bereid:

.20

– plantaardige vetten en oliën, alsmede fracties daarvan:

ex .20

– – gehydrogeneerde ricinusolie, zogeheten „opal wax”

1518

Standolie en andere dierlijke of plantaardige oliën, alsmede fracties daarvan, gekookt, geoxideerd, gedehydreerd, gezwaveld, geblazen of op andere wijze chemisch gewijzigd, andere dan die bedoeld bij post 1516; mengsels en bereidingen van dierlijke of plantaardige vetten of oliën of van fracties van verschillende vetten en oliën bedoeld bij dit hoofdstuk, elders genoemd noch elders onder begrepen:

ex 1518

– linoxyne

1520

Ruwe glycerol; glycerolwater en glycerollogen (1)

1521

Plantaardige was (andere dan triglyceriden), bijenwas, was van andere insecten, alsmede walschot (spermaceti), ook indien geraffineerd of gekleurd

1522

Dégras; afvallen, afkomstig van de behandeling van vetstoffen of van dierlijke of plantaardige was (2)

1803

Cacaopasta, ook indien ontvet

1804

Cacaoboter, cacaovet en cacao-olie

1805

Cacaopoeder, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen

2002

Tomaten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur:

.90

– andere

2008

Vruchten en andere eetbare plantendelen, op andere wijze bereid of verduurzaamd, ook indien met toegevoegde suiker, andere zoetstoffen of alcohol, elders genoemd noch elders onder begrepen:

– andere, mengsels, andere dan die bedoeld bij onderverdeling 2008 19 , daaronder begrepen:

.91

– – palmharten (3)

2101

Extracten, essences en concentraten, van koffie, van thee of van maté en preparaten op basis van deze producten of op basis van koffie, van thee of van maté; gebrande cichorei en andere gebrande koffiesurrogaten, alsmede extracten, essences en concentraten daarvan:

– extracten, essences en concentraten, van koffie en preparaten op basis van deze producten of op basis van koffie:

.11

– – extracten, essences en concentraten

.12

– – preparaten op basis van extracten, essences of concentraten of op basis van koffie:

ex .12

– – – geen of minder dan 1,5 gewichtspercenten van melk afkomstige vetstoffen, geen of minder dan 2,5 gewichtspercenten melkproteïnen, geen of minder dan 5 gewichtspercenten suiker of geen of minder dan 5 gewichtspercenten zetmeel bevattend

.20

– extracten, essences en concentraten, van thee of van maté en preparaten op basis van deze producten of op basis van thee of van maté:

ex .20

– – geen of minder dan 1,5 gewichtspercenten van melk afkomstige vetstoffen, geen of minder dan 2,5 gewichtspercenten melkproteïnen, geen of minder dan 5 gewichtspercenten suiker of geen of minder dan 5 gewichtspercenten zetmeel bevattend

.30

– gebrande cichorei en andere gebrande koffiesurrogaten, alsmede extracten, essences en concentraten daarvan:

ex .30

– – gebrande cichorei; extracten, essences en concentraten van gebrande cichorei

2103

Sausen en preparaten voor sausen; samengestelde kruiderijen en dergelijke producten; mosterdmeel en bereide mosterd:

.10

– sojasaus

.30

– mosterdmeel en bereide mosterd:

ex .30

– – mosterdmeel; bereide mosterd met een gehalte aan toegevoegde suiker van minder dan 5 gewichtspercenten

.90

– andere:

ex .90

– – mangochutney, vloeibaar

2201

Water, natuurlijk of kunstmatig mineraalwater en spuitwater daaronder begrepen, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, noch gearomatiseerd; ijs en sneeuw

2208

Ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een alcohol-volumegehalte van minder dan 80 % vol; gedistilleerde dranken, likeuren en andere dranken die gedistilleerde alcohol bevatten:

.20

– dranken, gedistilleerd uit wijn of druivenmoer

.30

– whisky

.70

– likeuren:

ex .70

– – likeuren, andere dan die met een gehalte aan toegevoegde suiker van minder dan 5 gewichtspercenten

.90

– andere:

ex .90

– – andere dan aquavit

(1)Voor Noorwegen is op producten voor voederdoeleinden die bij deze post worden ingedeeld, tabel I van toepassing.

(2)Voor Noorwegen is op dégras voor voederdoeleinden die bij deze post worden ingedeeld, tabel I van toepassing.

(3)Voor Noorwegen is op palmharten voor voederdoeleinden die bij deze post worden ingedeeld, tabel I van toepassing.

▼M169

PROTOCOL Nr. 4

betreffende de oorsprongsregels

INHOUD

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

TITEL II

DEFINITIE VAN HET BEGRIP „PRODUCTEN VAN OORSPRONG”

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

TITEL III

TERRITORIALE VOORWAARDEN

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 13

TITEL IV

TERUGGAVE EN VRIJSTELLING VAN RECHTEN

Artikel 14

TITEL V

BEWIJS VAN OORSPRONG

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 19

Artikel 20

Artikel 21

Artikel 22

Artikel 23

Artikel 24

Artikel 25

Artikel 26

Artikel 27

Artikel 28

Artikel 29

Artikel 30

Artikel 31

TITEL VI

REGELINGEN VOOR ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 32

Artikel 33

Artikel 34

Artikel 35

Artikel 36

Artikel 37

TITEL VII

CEUTA EN MELILLA

Artikel 38

Artikel 39

TITEL VIII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 40

LIJST VAN BIJLAGEN

Bijlage I:

Bijlage II:

Bijlage IIIa:

Bijlage IIIb:

Bijlage IVa:

Bijlage IVb:

Bijlage V:

Bijlage VI:

GEMEENSCHAPPELIJKE VERKLARINGEN

Gemeenschappelijke verklaring betreffende de aanvaarding van bewijzen van oorsprong die in het kader van de in artikel 3 van Protocol nr. 4 bedoelde overeenkomsten werden afgegeven voor producten van oorsprong uit de Gemeenschap, IJsland of Noorwegen

Gemeenschappelijke verklaring betreffende het Prinsdom Andorra

Gemeenschappelijke verklaring betreffende de Republiek San Marino

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van dit protocol wordt verstaan onder:

a)„vervaardiging”: elke soort be- of verwerking, met inbegrip van assemblage of speciale behandelingen;

b)„materiaal”: alle ingrediënten, grondstoffen, componenten, delen, enz., die bij de vervaardiging van het product worden gebruikt;

c)„product”: het verkregen product, zelfs indien het bestemd is om later bij de vervaardiging van een ander product te worden gebruikt;

d)„goederen”: zowel materialen als producten;

e)„douanewaarde”: de waarde zoals bepaald bij de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel van 1994 (Overeenkomst inzake de douanewaarde van de WTO);

f)„prijs af fabriek”: de prijs die voor het product af fabriek is betaald aan de fabrikant in de EER in wiens bedrijf de laatste be- of verwerking is verricht, voorzover in die prijs de waarde is begrepen van alle gebruikte materialen, verminderd met alle binnenlandse belastingen die worden of kunnen worden terugbetaald wanneer het verkregen product wordt uitgevoerd;

g)„waarde van de materialen”: de douanewaarde ten tijde van de invoer van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn, of, indien deze niet bekend is en niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die voor de materialen in de EER is betaald;

h)„waarde van de materialen van oorsprong”: de waarde van deze materialen als omschreven onder g), welke omschrijving van dienovereenkomstige toepassing is;

i)„toegevoegde waarde”: de prijs af fabriek verminderd met de douanewaarde van alle gebruikte materialen die van oorsprong zijn uit de andere in artikel 3 genoemde landen waar cumulatie van toepassing is of, indien de douanewaarde niet bekend is of niet kan worden vastgesteld, de eerste controleerbare prijs die in de EER voor deze materialen is betaald;

j)„hoofdstukken” en „posten”: de hoofdstukken en posten (viercijfercodes) van de nomenclatuur die het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en codering van goederen vormt, in dit protocol „het geharmoniseerde systeem” of „GS” genoemd;

k)„ingedeeld”: de indeling van een product of materiaal onder een bepaalde post;

l)„zending”: producten die gelijktijdig van een exporteur naar een geadresseerde worden verzonden of vergezeld gaan van een enkel vervoersdocument dat de verzending van de exporteur naar de geadresseerde dekt, of bij gebreke daarvan, een enkele factuur;

m)„gebieden”: omvatten ook de territoriale wateren.



TITEL II

DEFINITIE VAN HET BEGRIP „PRODUCTEN VAN OORSPRONG”

Artikel 2

Algemene voorwaarden

1. Voor de toepassing van de overeenkomst worden de volgende producten beschouwd van oorsprong te zijn uit de EER:

a)geheel en al in de EER verkregen producten in de zin van artikel 4;

b)in de EER verkregen producten, waarin materialen zijn verwerkt die daar niet geheel en al zijn verkregen, mits deze materialen in de EER een be- of verwerking hebben ondergaan die toereikend is in de zin van artikel 5;

In dit verband worden de gebieden van de overeenkomstsluitende partijen waarop deze overeenkomst van toepassing is, als een enkel grondgebied beschouwd.

2. In afwijking van lid 1 wordt het grondgebied van het Vorstendom Liechtenstein voor de vaststelling van de oorsprong van de in de tabellen I en II van Protocol nr. 3 genoemde producten, geacht geen deel uit te maken van de EER. Deze producten worden uitsluitend geacht van oorsprong te zijn uit de EER indien ze geheel en al verkregen zijn op het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partijen of indien ze aldaar een toereikende be- of verwerking hebben ondergaan.

Artikel 3

Diagonale cumulatie

1. Onverminderd artikel 2 worden producten als van oorsprong uit de EER beschouwd indien zij daar zijn verkregen door be- of verwerking van materialen van oorsprong uit ►M187 ————— Zwitserland (met inbegrip van Liechtenstein) (4), IJsland, Noorwegen, ►M187 —————Turkije of de Gemeenschap, op voorwaarde dat deze materialen in de EER be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer inhouden dan die welke in artikel 6 zijn genoemd. Het is niet noodzakelijk dat deze materialen toereikende be- of verwerkingen hebben ondergaan.

2. Onverminderd artikel 2 worden producten als van oorsprong uit de EER beschouwd indien zij daar zijn verkregen door be- of verwerking van materialen van oorsprong uit de Faeröer of een land dat deelneemt aan het Euro-mediterrane partnerschap, gebaseerd op de Verklaring van Barcelona die werd vastgesteld tijdens de Euro-mediterrane conferentie van 27 en 28 november 1995, met uitzondering van Turkije (5), op voorwaarde dat deze materialen in de EER be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer inhouden dan die welke in artikel 6 zijn genoemd. Het is niet noodzakelijk dat deze materialen toereikende be- of verwerkingen hebben ondergaan.

3. Indien de in de EER verrichte be- of verwerkingen niet ingrijpender zijn dan de in artikel 6 bedoelde be- of verwerkingen, wordt het verkregen product enkel als van oorsprong uit de EER beschouwd indien de aldaar toegevoegde waarde groter is dan die van de gebruikte materialen van oorsprong uit een van de in de leden 1 en 2 bedoelde landen. Is dit niet het geval, dan wordt het verkregen product beschouwd als van oorsprong uit het land dat de hoogste waarde vertegenwoordigt van de bij de vervaardiging in de EER gebruikte materialen van oorsprong.

4. De producten van oorsprong uit een van de in de leden 1 en 2 genoemde landen die in de EER geen enkele be- of verwerking ondergaan, behouden hun oorsprong wanneer zij naar een van deze landen worden uitgevoerd.

5. De cumulatie waarin dit artikel voorziet, kan uitsluitend worden toegepast op voorwaarde dat:

a)Een preferentiële handelsovereenkomst overeenkomstig artikel XXIV van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) van toepassing is tussen de landen die betrokken zijn bij het verwerven van de oorsprong en het land van bestemming;

b)materialen en producten de oorsprong hebben verkregen door toepassing van oorsprongsregels die gelijk zijn aan die van dit protocol;

en

c)kennisgevingen zijn gepubliceerd waaruit blijkt dat is voldaan aan de vereisten voor de toepassing van cumulatie in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie en in de andere overeenkomstsluitende partijen volgens hun eigen procedures.

De cumulatie waarin dit artikel voorziet, is van toepassing met ingang van de datum die is aangegeven in de kennisgeving in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie.

De Gemeenschap zal de andere overeenkomstsluitende partijen door tussenkomst van de Commissie van de Europese Gemeenschappen nadere gegevens verstrekken over de overeenkomsten, met inbegrip van de datums van inwerkingtreding, en de daarin opgenomen oorsprongsregels, die met de andere in de leden 1 en 2 genoemde landen worden toegepast.

Artikel 4

Geheel en al verkregen producten

1. Als geheel en al in de EER verkregen worden beschouwd:

a)aldaar uit de bodem of zeebodem gewonnen minerale producten;

b)aldaar geoogste producten van het plantenrijk;

c)aldaar geboren en gefokte levende dieren;

d)producten afkomstig van aldaar gefokte levende dieren;

e)voortbrengselen van de aldaar bedreven jacht en visserij;

f)producten van de zeevisserij en andere door hun schepen buiten de territoriale wateren van de overeenkomstsluitende partijen uit de zee gewonnen producten;

g)producten uitsluitend uit de onder f) bedoelde producten aan boord van hun fabrieksschepen vervaardigd;

h)aldaar verzamelde gebruikte artikelen die slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen, met inbegrip van gebruikte banden die uitsluitend geschikt zijn om van een nieuw loopvlak te worden voorzien of slechts als afval kunnen worden gebruikt;

i)afval en schroot afkomstig van aldaar verrichte fabrieksbewerkingen;

j)producten, gewonnen uit de zeebodem of -ondergrond buiten de territoriale wateren, mits zij alleen het recht hebben op ontginning van deze bodem of ondergrond;

k)goederen die aldaar uitsluitend uit de onder a) tot en met j) bedoelde producten zijn vervaardigd.

2. De termen „hun schepen” en „hun fabrieksschepen” in lid 1, onder f) en g), zijn slechts van toepassing op schepen en fabrieksschepen:

a)die in een lidstaat van de Gemeenschap of een EVA-land zijn ingeschreven of geregistreerd;

b)die de vlag van een lidstaat van de Gemeenschap of van een EVA-land voeren;

c)die voor ten minste 50 procent toebehoren aan onderdanen van lidstaten van de Gemeenschap of van een EVA-land of aan een onderneming die haar hoofdkantoor in een van deze staten heeft en waarvan de bedrijfsvoerder(s), de voorzitter van de raad van bestuur of van toezicht en de meerderheid van de leden van deze raden onderdanen zijn van een lidstaat van de Gemeenschap of van een EVA-land, en waarvan bovendien, in het geval van personenvennootschappen of vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, ten minste de helft van het kapitaal toebehoort aan deze staten of aan openbare lichamen of onderdanen daarvan;

d)waarvan de kapitein en de officieren onderdanen zijn van lidstaten van de Gemeenschap of van een EVA-land;

en

e)waarvan de bemanning voor ten minste 75 % bestaat uit onderdanen van lidstaten of van een EVA-land.

Artikel 5

Toereikende bewerking of verwerking

1. Niet geheel en al verkregen producten worden geacht een toereikende bewerking of verwerking te hebben ondergaan in de zin van artikel 2, indien aan de voorwaarden van de lijst in bijlage II is voldaan.

In deze lijst is voor alle onder deze overeenkomst vallende producten aangegeven welke be- of verwerkingen niet van oorsprong zijnde materialen moeten ondergaan om de oorsprong te verkrijgen en zijn slechts op deze materialen van toepassing. Dit betekent dat indien een product dat de oorsprong heeft verkregen doordat het aan de voorwaarden in die lijst voor dat product heeft voldaan, als materiaal gebruikt wordt bij de vervaardiging van een ander product, de voorwaarden die van toepassing zijn op het product waarin het wordt verwerkt daarvoor niet gelden. Er wordt dan geen rekening gehouden met niet van oorsprong zijnde materialen die bij de vervaardiging ervan zijn gebruikt.

2. In afwijking van lid 1 kunnen niet van oorsprong zijnde materialen die volgens de voorwaarden in de lijst in bijlage II bij de vervaardiging van een bepaald product niet mogen worden gebruikt, in de volgende gevallen toch worden gebruikt:

a)wanneer de totale waarde ervan niet meer dan 10 % bedraagt van de prijs af fabriek van het product;

b)wanneer een in de lijst vermelde maximumwaarde voor niet van oorsprong zijnde materialen door de toepassing van dit lid niet wordt overschreden.

Dit lid is niet van toepassing op producten die onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerd systeem zijn ingedeeld.

3. De leden 1 en 2 zijn van toepassing onder voorbehoud van artikel 6.

Artikel 6

Ontoereikende bewerking of verwerking

1. Behoudens lid 2 worden de volgende be- of verwerkingen beschouwd als ontoereikend om de oorsprong te verlenen, ongeacht of aan de voorwaarden van artikel 5 is voldaan:

a)behandelingen om de producten tijdens vervoer en opslag in goede staat te bewaren;

b)het splitsen en samenvoegen van colli;

c)het wassen, schoonmaken; het stofvrij maken, verwijderen van roest, olie, verf of dergelijke;

d)het strijken of persen van textiel;

e)het eenvoudig schilderen of polijsten;

f)het doppen, het geheel of gedeeltelijk bleken, het polijsten of glanzen van granen en rijst;

g)het kleuren van suiker of het vormen van suikerklonten;

h)het pellen, ontpitten of schillen van noten, vruchten of groenten;

i)het aanscherpen, eenvoudig vermalen of eenvoudig versnijden;

j)het zeven, sorteren, classificeren, assorteren (daaronder begrepen het samenstellen van sets van artikelen);

k)het eenvoudig plaatsen in flessen, flacons, blikken, zakken, kratten of dozen, het bevestigen op kaarten of platen en alle andere eenvoudige handelingen in verband met de opmaak;

l)het aanbrengen of opdrukken van merken, etiketten, beeldmerken of andere soortgelijke onderscheidingstekens op de producten zelf of op de verpakking;

m)het eenvoudig mengen van producten, ook van verschillende soorten;

n)het eenvoudig samenvoegen van delen van artikelen tot een volledig artikel dan wel het uit elkaar nemen van artikelen in onderdelen;

o)twee of meer van de onder a) tot en met n) vermelde behandelingen tezamen;

p)het slachten van dieren.

2. Om te bepalen of de be- of verwerkingen die een bepaald product heeft ondergaan ontoereikend zijn in de zin van lid 1 worden alle be- of verwerkingen die dit product in de EER heeft ondergaan tezamen genomen.

Artikel 7

Determinerende eenheid

1. De determinerende eenheid voor de toepassing van de bepalingen van dit protocol is het product dat bij de bepaling van de indeling volgens het geharmoniseerd systeem als de basiseenheid wordt beschouwd.

Hieruit volgt:

a)wanneer een product, bestaande uit een groep of verzameling van artikelen, onder één enkele post van het geharmoniseerd systeem wordt ingedeeld, het geheel de in aanmerking te nemen eenheid vormt;

b)wanneer een zending bestaat uit een aantal identieke producten die onder dezelfde post van het geharmoniseerd systeem worden ingedeeld, elk product voor de toepassing van de bepalingen van dit protocol afzonderlijk moet worden genomen.

2. Wanneer volgens algemene regel 5 voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem de verpakking meetelt voor het vaststellen van de indeling, telt deze ook mee voor het vaststellen van de oorsprong.

Artikel 8

Accessoires, vervangingsonderdelen en gereedschappen

Accessoires, vervangingsonderdelen en gereedschappen die samen met materieel, machines, apparaten of voertuigen worden geleverd en deel uitmaken van de normale uitrusting daarvan en in de prijs daarvan zijn inbegrepen of niet afzonderlijk in rekening worden gebracht, worden geacht één geheel te vormen met het materieel en de machines, apparaten of voertuigen in kwestie.

Artikel 9

Stellen of assortimenten

Stellen of assortimenten in de zin van algemene regel 3 voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem, worden als van oorsprong beschouwd indien alle samenstellende delen van oorsprong zijn. Een stel of assortiment bestaande uit producten van oorsprong en producten die niet van oorsprong zijn, wordt evenwel als van oorsprong beschouwd indien de waarde van de producten die niet van oorsprong zijn niet meer dan 15 % van de prijs af fabriek van het stel of assortiment bedraagt.

Artikel 10

Neutrale elementen

Om te bepalen of een product een product van oorsprong is, behoeft niet te worden nagegaan wat de oorsprong is van bij de vervaardiging van dat product gebruikte:

a)energie en brandstof;

b)fabrieksuitrusting;

c)machines en werktuigen;

d)goederen die in de uiteindelijke samenstelling van het product niet voorkomen en ook niet bedoeld waren daarin voor te komen; die bij de vervaardiging gebruikt kunnen zijn.



TITEL III

TERRITORIALE VOORWAARDEN

Artikel 11

Territorialiteitsbeginsel

1. Behoudens artikel 3 en lid 3 van dit artikel moet aan de voorwaarden in titel II voor het verkrijgen van de oorsprong zonder onderbreking in de EER zijn voldaan.

2. Behoudens artikel 3 worden producten van oorsprong die uit de EER naar een ander land worden uitgevoerd en vervolgens opnieuw worden ingevoerd, als niet van oorsprong beschouwd, tenzij ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:

a)de terugkerende goederen dezelfde zijn als de eerder uitgevoerde goederen;

en

b)de goederen tijdens de periode dat ze waren uitgevoerd geen andere be- of verwerkingen hebben ondergaan dan die welke noodzakelijk waren om ze in goede staat te bewaren.

3. Het verkrijgen van de oorsprong overeenkomstig de voorwaarden van titel II wordt niet beïnvloed door be- of verwerkingen buiten de EER van uit de EER uitgevoerde en later wederingevoerde materialen, indien:

a)deze materialen geheel en al in de EER zijn verkregen dan wel, voorafgaand aan de uitvoer, aldaar be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer inhouden dan die welke in artikel 6 zijn genoemd;

en

b)ten genoegen van de douaneautoriteiten kan worden aangetoond dat:

i)de wederingevoerde goederen het resultaat zijn van de be- of verwerking van de uitgevoerde materialen;

en

ii)de totale buiten de EER toegevoegde waarde niet meer dan 10 % bedraagt van de prijs af fabriek van het als product van oorsprong aangemerkte eindproduct.

4. Voor de toepassing van lid 3 is titel II betreffende het verkrijgen van de oorsprong niet van toepassing op buiten de EER verrichte be- of verwerkingen. Wanneer evenwel de lijst in bijlage II de regel bevat volgens welke de gebruikte niet van oorsprong zijnde materialen een bepaalde waarde niet mogen overschrijden, mogen de totale waarde van de niet van oorsprong zijnde materialen die in het gebied van de betrokken partij zijn be- of verwerkt, tezamen met de totale, door de toepassing van dit artikel buiten de EER toegevoegde waarde, het vermelde percentage niet overschrijden.

5. Voor de toepassing van de leden 3 en 4 wordt onder „totale toegevoegde waarde” verstaan alle buiten de EER gemaakte kosten, met inbegrip van de waarde van de aldaar toegevoegde materialen.

6. De leden 3 en 4 zijn niet van toepassing op producten die niet aan de voorwaarden van de lijst in bijlage II voldoen of die slechts kunnen worden aangemerkt als toereikend te zijn be- of verwerkt door toepassing van de algemene tolerantieregel van artikel 5, lid 2.

7. De leden 3 en 4 zijn niet van toepassing op producten van de hoofdstukken 50 tot en met 63 van het geharmoniseerd systeem.

8. De in dit artikel bedoelde be- of verwerkingen buiten de EER vinden plaats in het kader van de regeling passieve veredeling of een soortgelijke regeling.

Artikel 12

Rechtstreeks vervoer

1. De bij deze overeenkomst vastgestelde preferentiële regeling is uitsluitend van toepassing op producten die aan de voorwaarden van dit protocol voldoen en die rechtstreeks binnen de EER of over het grondgebied van een in artikel 3 genoemd land waarmee cumulatie van toepassing is, zijn vervoerd. Goederen die één enkele zending vormen, kunnen via een ander grondgebied worden vervoerd, eventueel met overslag of tijdelijke opslag op dit grondgebied, voorzover ze in het land van doorvoer of opslag onder toezicht van de douane blijven en aldaar geen andere behandelingen ondergaan dan lossen en opnieuw laden of behandelingen om ze in goede staat te bewaren.

Producten van oorsprong mogen per pijpleiding via een ander grondgebied dan dat van de EER worden vervoerd.

2. Het bewijs dat aan de in lid 1 bedoelde voorwaarden is voldaan, wordt geleverd door overlegging van de volgende stukken aan de douaneautoriteiten van het land van invoer:

a)een enkel vervoerdocument dat het vervoer dekt van het land van uitvoer door het land van doorvoer,

b)een door de douaneautoriteiten van het land van doorvoer afgegeven certificaat:

i)een nauwkeurige omschrijving van de goederen;

ii)de data waarop de producten gelost en opnieuw geladen zijn, in voorkomend geval onder vermelding van de gebruikte schepen of andere vervoermiddelen;

en

iii)dat een verklaring bevat over de voorwaarden waarop de goederen in het land van doorvoer verbleven;

c)hetzij, bij gebreke van bovengenoemde stukken, enig ander bewijsstuk.

Artikel 13

Tentoonstellingen

1. De overeenkomst is van toepassing op producten van oorsprong die naar een tentoonstelling in een ander dan een in artikel 3 genoemd land waarmee cumulatie van toepassing is, zijn verzonden en die na de tentoonstelling in de EER worden ingevoerd, mits ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat:

a)een exporteur deze producten vanuit een van de overeenkomstsluitende partijen naar het land van de tentoonstelling heeft verzonden en ze daar heeft tentoongesteld;

b)deze exporteur de producten heeft verkocht of op andere wijze afgestaan aan een geadresseerde in een andere overeenkomstsluitende partij;

c)de producten tijdens of onmiddellijk na de tentoonstelling in dezelfde staat als waarin zij naar de tentoonstelling zijn gegaan, zijn verzonden;

en

d)dat de goederen vanaf het moment dat zij naar de tentoonstelling werden verzonden, niet voor andere doeleinden zijn gebruikt dan om op die tentoonstelling te worden vertoond.

2. Een bewijs van de oorsprong wordt overeenkomstig de bepalingen van titel V afgegeven of opgesteld en op de normale wijze bij de douaneautoriteiten van het land van invoer ingediend. Op dit bewijs zijn de naam en het adres van de tentoonstelling vermeld. Zo nodig kunnen aanvullende bewijsstukken worden gevraagd betreffende de aard van de goederen en de omstandigheden waaronder zij zijn tentoongesteld.

3. Lid 1 is van toepassing op alle tentoonstellingen, beurzen of soortgelijke openbare evenementen met een commercieel, industrieel, agrarisch of ambachtelijk karakter die niet voor particuliere doeleinden in winkels of bedrijfsruimten met het oog op de verkoop van buitenlandse producten worden gehouden, en gedurende welke de producten onder douanetoezicht zijn gebleven.



TITEL IV

TERUGGAVE EN VRIJSTELLING VAN RECHTEN

Artikel 14

Verbod op de teruggave of vrijstelling van douanerechten

1. Niet van oorsprong zijnde materialen die gebruikt zijn bij de vervaardiging van producten van oorsprong uit de EER of een van de in artikel 3 genoemde landen waarvoor overeenkomstig de bepalingen van titel V een bewijs van oorsprong is afgegeven of opgesteld, komen in de overeenkomstsluitende partijen niet in aanmerking voor de teruggave of vrijstelling van douanerechten in welke vorm dan ook.

2. Het verbod in lid 1 is van toepassing op elke regeling voor de algehele of gedeeltelijke teruggave, kwijtschelding of vrijstelling van douanerechten of heffingen van gelijke werking die in een van de overeenkomstsluitende partijen van toepassing is op materialen die bij de vervaardiging zijn gebruikt, indien een dergelijke teruggave, kwijtschelding of vrijstelling uitdrukkelijk of feitelijk wordt toegekend indien de producten die uit deze materialen zijn verkregen worden uitgevoerd, doch niet indien deze producten voor binnenlands gebruik zijn bestemd.

3. De exporteur van producten die door een bewijs van oorsprong zijn gedekt, dient steeds bereid te zijn op verzoek van de douaneautoriteiten alle stukken over te leggen waaruit blijkt dat geen teruggave of vrijstelling van rechten is verkregen ten aanzien van de bij de vervaardiging van de betrokken producten gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn en dat alle douanerechten en heffingen van gelijke werking die op deze materialen van toepassing zijn, daadwerkelijk zijn betaald.

4. De leden 1, 2 en 3 zijn ook van toepassing op de verpakking in de zin van artikel 7, lid 2, op accessoires, vervangingsonderdelen en gereedschappen in de zin van artikel 8 en op artikelen die deel uitmaken van een stel of assortiment in de zin van artikel 9, wanneer dergelijke producten niet van oorsprong zijn.

5. De leden 1 tot en met 4 zijn uitsluitend van toepassing op materialen van de soort waarop de overeenkomst van toepassing is. Zij doen geen afbreuk aan het systeem van restituties bij de uitvoer van landbouwproducten overeenkomstig de bepalingen van de overeenkomst.



TITEL V

BEWIJS VAN OORSPRONG

Artikel 15

Algemene voorwaarden

1. Producten van oorsprong die in een van de overeenkomstsluitende partijen worden ingevoerd, vallen onder de toepassing van de overeenkomst op overlegging van een van de volgende bewijzen van oorsprong:

a)een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1, waarvan het model in bijlage IIIa is opgenomen;

b)een certificaat inzake goederenverkeer EUR-MED, waarvan het model in bijlage IIIb is opgenomen;

c)in de in artikel 21, lid 1, bedoelde gevallen, een verklaring van de exporteur (hierna „factuurverklaring” genoemd, of „factuurverklaring EUR-MED”) op een factuur, pakbon of een ander handelsdocument, waarin de producten duidelijk genoeg zijn omschreven om geïdentificeerd te kunnen worden; de teksten van de factuurverklaringen zijn opgenomen in bijlagen IVa en b.

2. In afwijking van lid 1 vallen producten van oorsprong in de zin van dit protocol in de in artikel 26 bedoelde gevallen onder de toepassing van de bepalingen van deze overeenkomst zonder dat een van de in lid 1 bedoelde bewijzen van oorsprong behoeft te worden overgelegd.

Artikel 16

Procedure voor de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED

1. Certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED worden afgegeven door de douaneautoriteiten van het land of gebied overzee van uitvoer op schriftelijke aanvraag van de exporteur of, onder diens verantwoordelijkheid, van zijn gemachtigde vertegenwoordiger.

2. Hiervoor vult de exporteur of diens gemachtigde vertegenwoordiger zowel het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED als het aanvraagformulier in. Modellen van beide formulieren zijn in de bijlagen IIIa en b opgenomen. De formulieren worden ingevuld in een van de talen waarin de overeenkomst is opgesteld, overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht van het land van uitvoer. Indien de formulieren met de hand worden ingevuld, dient dit met inkt en in blokletters te gebeuren. De producten moeten worden omschreven in het daartoe bestemde vak en er mogen geen regels worden opengelaten. Indien dit vak niet volledig is ingevuld, wordt onder de laatste regel een horizontale lijn getrokken en het niet-ingevulde gedeelte doorgekruist.

3. De exporteur die om de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED verzoekt, dient steeds in staat te zijn op verzoek van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer waar het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED wordt afgegeven, de nodige documenten te overleggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn en dat aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

4. Behoudens lid 5 wordt een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 afgegeven door de douaneautoriteiten van een overeenkomstsluitende partij in de volgende gevallen:

—indien de betrokken producten kunnen worden beschouwd als producten van oorsprong uit de EER of een van de andere in artikel 3, lid 1 genoemde landen waarmee cumulatie van toepassing is, zonder toepassing van cumulatie met materialen van oorsprong uit een van de andere in artikel 3, lid 2 genoemde landen, en voldoen aan de andere eisen van dit protocol;

—indien de betrokken producten kunnen worden beschouwd als producten van oorsprong uit een van de in artikel 3, lid 2, genoemde landen waarmee cumulatie van toepassing is, zonder toepassing van cumulatie met materialen van oorsprong uit een van de in artikel 3 genoemde landen, en voldoen aan de andere eisen van dit protocol, op voorwaarde dat een EUR-MED-certificaat of een factuurverklaring EUR-MED is afgegeven in het land van oorsprong.

5. Het certificaat inzake goederenverkeer EUR-MED wordt afgegeven door de douaneautoriteiten van een overeenkomstsluitende partij indien de betrokken producten kunnen worden beschouwd als producten van oorsprong uit de EER of uit een van de in artikel 3 genoemde landen waarmee cumulatie van toepassing is en indien aan de voorwaarden van dit protocol is voldaan, en:

—cumulatie werd toegepast met materialen van oorsprong uit een van de in de artikel 3, lid 2, genoemde landen, of

—de producten kunnen worden gebruikt als materialen in het kader van cumulatie voor de vervaardiging van producten voor uitvoer naar een van de in artikel 3, lid 2, genoemde landen, of

—de producten opnieuw kunnen worden uitgevoerd uit het land van bestemming naar een van de in artikel 3, lid 2, genoemde landen.

6. Een certificaat inzake het goederenverkeer EUR-MED bevat een van de volgende verklaringen in het Engels in vak 7:

—indien de oorsprong is verkregen door toepassing van cumulatie met materialen van oorsprong uit een of meer van de in artikel 3 genoemde landen:

—„CUMULATIE TOEGEPAST MET ………” (naam land(en));

—indien de oorsprong is verkregen zonder toepassing van cumulatie met materialen van oorsprong uit een of meer van de in artikel 3 genoemde landen:

—„GEEN CUMULATIE TOEGEPAST”.

7. De met de afgifte van certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED belaste douaneautoriteiten nemen alle nodige maatregelen om te controleren of de producten daadwerkelijk van oorsprong zijn, en gaan na of aan alle andere voorwaarden van dit protocol is voldaan. Met het oog hierop zijn zij gerechtigd bewijsstukken op te vragen, de administratie van de exporteur in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten. Zij zien er ook op toe dat de in lid 2 bedoelde formulieren correct zijn ingevuld. Met name wordt nagegaan of het voor de omschrijving van de goederen bestemde vak zodanig is ingevuld dat frauduleuze toevoegingen niet mogelijk zijn.

8. De datum van afgifte van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED wordt vermeld in vak 11 van het certificaat.

9. Een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED wordt door de douaneautoriteiten afgegeven en ter beschikking van de exporteur gesteld zodra de goederen daadwerkelijk worden uitgevoerd of wanneer het zeker is dat ze zullen worden uitgevoerd.

Artikel 17

Afgifte achteraf van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED

1. In afwijking van artikel 16, lid 9, kan een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED bij wijze van uitzondering worden afgegeven na de uitvoer van de goederen waarop het betrekking heeft, indien

a)dit door een vergissing, onopzettelijk verzuim of bijzondere omstandigheden niet bij de uitvoer is gebeurd;

of

b)ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond dat het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED wel was afgegeven, maar bij invoer om technische redenen niet is aanvaard.

2. In afwijking van artikel 16, lid 9, kan een certificaat inzake goederenverkeer EUR-MED worden afgegeven na de uitvoer van de goederen waarop het betrekking heeft en waarvoor ten tijde van de uitvoer een certificaat inzake goederenverkeer EUR-1 was afgegeven, indien ten genoegen van de douaneautoriteiten kan worden aangetoond dat aan de in artikel 16, lid 5, genoemde voorwaarden is voldaan.

3. Met het oog op de toepassing van de leden 1 en 2 dient de exporteur in zijn aanvraag de plaats en de datum van uitvoer te vermelden van de producten waarop het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED betrekking heeft, onder opgave van de redenen van zijn aanvraag.

4. Vóór de douaneautoriteiten tot afgifte achteraf van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED overgaan, dienen zij te hebben vastgesteld dat de gegevens in de aanvraag van de exporteur overeenstemmen met die in het desbetreffende dossier.

5. Op achteraf afgegeven certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED wordt de volgende Engelse zin aangebracht:

„ISSUED RETROSPECTIVELY”.

Op achteraf krachtens lid 2 afgegeven certificaten inzake goederenverkeer EUR-MED wordt de volgende Engelse zin aangebracht:

„ISSUED RETROSPECTIVELY (Original EUR.1 no ……… (datum en plaats van afgifte)”.

6. De in lid 5 bedoelde aantekening wordt aangebracht in vak 7 van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED.

Artikel 18

Afgifte van een duplicaat van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED

1. In geval van diefstal, verlies of vernietiging van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED, kan de exporteur de douaneautoriteiten die dit certificaat hadden afgegeven, verzoeken een duplicaat op te maken aan de hand van de uitvoerdocumenten die in hun bezit zijn.

2. Op het aldus afgegeven duplicaat wordt het volgende Engelse woord aangebracht:

„DUPLICATE”.

3. De in lid 2 bedoelde aantekening wordt aangebracht in vak 7 van het duplicaat-certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED.

4. Het duplicaat, dat dezelfde datum van afgifte draagt als het oorspronkelijke certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED, is vanaf die datum geldig.

Artikel 19

Afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED aan de hand van een eerder opgesteld of afgegeven bewijs van oorsprong

Voor producten van oorsprong die in de overeenkomstsluitende partijen onder toezicht van een douanekantoor zijn geplaatst, kan het oorspronkelijke bewijs van oorsprong door een of meer EUR.1- of EUR-MED-certificaten worden vervangen bij verzending van deze producten of een gedeelte daarvan naar een andere plaats in de EER. Dit certificaat of deze certificaten EUR.1 of EUR-MED worden afgegeven door het douanekantoor dat op de producten toezicht houdt.

Artikel 20

Gescheiden boekhouding

1. Wanneer het aanzienlijke kosten of materiële moeilijkheden met zich brengt om afzonderlijke voorraden aan te houden van identieke en onderling verwisselbare materialen die van oorsprong en die niet van oorsprong zijn, kunnen de douaneautoriteiten op schriftelijk verzoek van de betrokkene toestaan dat voor het beheer van deze voorraden de methode van gescheiden boekhouding (hierna: „de methode” genoemd) wordt gebruikt.

2. Met behulp van deze methode moet het mogelijk zijn dat in een bepaalde referentieperiode hetzelfde aantal producten „van oorsprong” wordt verkregen als verkregen zou zijn indien de voorraden fysiek waren gescheiden.

3. De douaneautoriteiten kunnen aan de verlening van de in lid 1 bedoelde vergunning voor het gebruik van deze methode de door hen passend geachte voorwaarden verbinden.

4. De methode wordt toegepast, en de toepassing ervan wordt vastgelegd overeenkomstig de algemeen aanvaarde boekhoudbeginselen die van toepassing zijn in het land waar het product is vervaardigd.

5. Het bedrijf dat de methode toepast, kan bewijzen van de oorsprong afgeven of aanvragen, al naar gelang van het geval, voor de hoeveelheid producten die als van oorsprong kunnen worden beschouwd. De vergunninghouder verstrekt op verzoek van de douaneautoriteiten een verklaring over de wijze waarop de hoeveelheden zijn beheerd.

6. De douaneautoriteiten houden toezicht op het gebruik van de vergunning en kunnen deze intrekken wanneer de vergunninghouder deze niet correct gebruikt of niet aan een van de andere in dit protocol omschreven voorwaarden voldoet.

Artikel 21

Voorwaarden voor het opstellen van een factuurverklaring of een factuurverklaring EUR-MED

1. Een factuurverklaring of een factuurverklaring EUR-MED als bedoeld in artikel 15, lid 1, onder c), kan worden opgesteld door:

a)een toegelaten exporteur in de zin van artikel 22, of

b)ongeacht welke exporteur, voor zendingen bestaande uit een of meer colli die producten van oorsprong bevatten waarvan de totale waarde niet meer dan 6 000 EUR bedraagt.

2. Behoudens lid 3 kan een factuurverklaring worden opgesteld in de volgende gevallen:

—indien de betrokken producten kunnen worden beschouwd als producten van oorsprong uit de EER of een van de andere in artikel 3, lid 1 genoemde landen waarmee cumulatie van toepassing is, zonder toepassing van cumulatie met materialen van oorsprong uit een van de andere in artikel 3, lid 2 genoemde landen, en voldoen aan de andere eisen van dit protocol;

—indien de betrokken producten kunnen worden beschouwd als producten van oorsprong uit een van de in artikel 3, lid 2, genoemde landen waarmee cumulatie van toepassing is, zonder toepassing van cumulatie met materialen van oorsprong uit een van de in artikel 3 genoemde landen, en voldoen aan de andere eisen van dit protocol, op voorwaarde dat een EUR-MED-certificaat of een factuurverklaring EUR-MED is afgegeven in het land van oorsprong.

3. Een factuurverklaring EUR-MED kan worden opgesteld indien de producten kunnen worden beschouwd als van oorsprong uit de EER, of uit een van de in artikel 3 genoemde landen waarmee cumulatie van toepassing is, en aan de voorwaarden van dit protocol voldoen, en:

—cumulatie werd toegepast met materialen van oorsprong uit een van de in de artikel 3, lid 2, genoemde landen, of

—de producten kunnen worden gebruikt als materialen in het kader van cumulatie voor de vervaardiging van producten voor uitvoer naar een van de in artikel 3, lid 2, genoemde landen, of

—de producten opnieuw kunnen worden uitgevoerd uit het land van bestemming naar een van de in artikel 3, lid 2, genoemde landen.

4. Een factuurverklaring EUR-MED bevat een van de volgende verklaringen in het Engels:

—indien de oorsprong is verkregen door toepassing van cumulatie met materialen van oorsprong uit een of meer van de in artikel 3 genoemde landen:

—„CUMULATIE TOEGEPAST MET ………” (naam land(en));

—indien de oorsprong is verkregen zonder toepassing van cumulatie met materialen van oorsprong uit een of meer van de in artikel 3 genoemde landen:

—„GEEN CUMULATIE TOEGEPAST”.

5. De exporteur die een factuurverklaring of een factuurverklaring EUR-MED opstelt moet op verzoek van de douaneautoriteiten van het land van uitvoer steeds de nodige documenten kunnen overleggen waaruit blijkt dat de betrokken producten van oorsprong zijn en dat aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

6. Een factuurverklaring of een factuurverklaring EUR-MED, waarvan de tekst in bijlagen IVa en b is opgenomen, wordt door de exporteur op de factuur, de pakbon of een ander handelsdocument getypt, gestempeld of gedrukt in een van de in deze bijlagen opgenomen talenversies, overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht van het land van uitvoer. De factuurverklaring mag ook met de hand, met inkt en in blokletters, worden geschreven.

7. De factuurverklaring en factuurverklaringen EUR-MED worden door de exporteur eigenhandig ondertekend. Een toegelaten exporteur in de zin van artikel 22 behoeft deze verklaring echter niet te ondertekenen, mits hij de douaneautoriteiten een schriftelijke verklaring doet toekomen waarin hij de volle verantwoordelijkheid op zich neemt voor alle factuurverklaringen waaruit zijn identiteit blijkt alsof hij deze eigenhandig had ondertekend.

8. Een factuurverklaring of een factuurverklaring EUR-MED kan door de exporteur worden opgesteld bij of na de uitvoer van de goederen waarop zij betrekking heeft, doch dient binnen twee jaar na de invoer van deze producten in het land van invoer te worden aangeboden.

Artikel 22

Toegelaten exporteurs

1. De douaneautoriteiten van het land van uitvoer kunnen een exporteur (hierna „toegelaten exporteur” genoemd) die veelvuldig producten verzendt waarop de overeenkomst van toepassing is vergunning verlenen factuurverklaringen of factuurverklaringen EUR-MED op te stellen ongeacht de waarde van de betrokken producten. Om voor een dergelijke vergunning in aanmerking te komen, moet de exporteur naar het oordeel van de douaneautoriteiten de nodige waarborgen bieden met betrekking tot de controle op de oorsprong van de producten en de naleving van alle andere voorwaarden van dit protocol.

2. De douaneautoriteiten kunnen het verlenen van de status van toegelaten exporteur afhankelijk stellen van door hen noodzakelijk geachte voorwaarden.

3. De douaneautoriteiten kennen de toegelaten exporteur een nummer toe, dat in de factuurverklaring of de factuurverklaring EUR-MED wordt vermeld.

4. De douaneautoriteiten houden toezicht op het gebruik van de vergunning door de toegelaten exporteur.

5. De douaneautoriteiten kunnen de vergunning te allen tijde intrekken. Zij zijn verplicht dit te doen wanneer de toegelaten exporteur niet meer de in lid 1 bedoelde garanties biedt, niet meer aan de in lid 2 bedoelde voorwaarden voldoet, of de vergunning oneigenlijk gebruikt.

Artikel 23

Geldigheid van bewijzen van oorsprong

1. Bewijzen van oorsprong zijn vier maanden geldig vanaf de datum van afgifte in het land van uitvoer en moeten binnen deze periode worden ingediend bij de douaneautoriteiten van het land van invoer.

2. Bewijzen van oorsprong die na het verstrijken van de in lid 1 genoemde termijn bij de douaneautoriteiten van het land van invoer worden ingediend, kunnen met het oog op de toepassing van de preferentiële behandeling worden aanvaard wanneer de verlate indiening het gevolg is van overmacht of buitengewone omstandigheden.

3. In andere gevallen van verlate indiening kunnen de douaneautoriteiten van het land van invoer de bewijzen van oorsprong aanvaarden indien de producten vóór het verstrijken van genoemde termijn bij hen zijn aangebracht.

Artikel 24

Overlegging van bewijzen van oorsprong

Bewijzen van oorsprong worden bij de douaneautoriteiten van het land van invoer ingediend overeenkomstig de aldaar geldende procedures. Deze autoriteiten kunnen om een vertaling van dit bewijs vragen. Zij kunnen voorts eisen dat de aangifte ten invoer vergezeld gaat van een verklaring van de importeur dat de producten aan de voorwaarden voor de toepassing van de overeenkomst voldoen.

Artikel 25

Invoer in deelzendingen

Wanneer, op verzoek van de importeur en op de door de douaneautoriteiten van het land van invoer vastgestelde voorwaarden, gedemonteerde of niet-gemonteerde producten in de zin van algemene regel 2 a), voor de interpretatie van het geharmoniseerd systeem, vallende onder de afdelingen XVI en XVII of de posten 7308 en 9406 van het geharmoniseerd systeem, in deelzendingen worden ingevoerd, wordt één enkel bewijs van oorsprong bij de douaneautoriteiten ingediend bij de invoer van de eerste deelzending.

Artikel 26

Vrijstelling van bewijs van oorsprong

1. Goederen die in kleine zendingen door particulieren aan particulieren worden verzonden of die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers worden als producten van oorsprong toegelaten zonder dat een bewijs van oorsprong behoeft te worden overgelegd, voorzover aan zulke goederen ieder handelskarakter vreemd is en verklaard wordt dat zij aan de voorwaarden voor de toepassing van dit protocol voldoen en er over de juistheid van deze verklaring geen twijfel bestaat. Voor postzendingen kan deze verklaring op het douaneaangifteformulier CN22/CN23 of op een daaraan gehecht blad worden gesteld.

2. Als invoer waaraan ieder handelskarakter vreemd is wordt beschouwd de invoer van incidentele aard van goederen die uitsluitend bestemd zijn voor persoonlijk gebruik door de geadresseerde, de reiziger of de leden van hun gezin, mits noch de aard, noch de hoeveelheid van de goederen op commerciële doeleinden wijzen.

3. Voorts mag de totale waarde van deze producten niet meer bedragen dan 500 EUR voor kleine zendingen of 1 200 EUR voor producten die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers.

Artikel 27

Leveranciersverklaring

1. Indien in een van de overeenkomstsluitende partijen een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 wordt afgegeven of een factuurverklaring opgesteld voor producten van oorsprong, bij de vervaardiging waarvan goederen uit andere overeenkomstsluitende partijen zijn gebruikt die in de EER een be- of verwerking hebben ondergaan zonder de preferentiële oorsprong te hebben verkregen, wordt rekening gehouden met de leveranciersverklaring die in overeenstemming met dit artikel voor die goederen is afgegeven.

2. De in lid 1 bedoelde leveranciersverklaring dient als bewijs van de be- of verwerking van de betrokken goederen in de EER wanneer moet worden vastgesteld of de producten, bij de vervaardiging waarvan deze goederen zijn gebruikt, als producten van oorsprong uit de EER kunnen worden beschouwd en aan de andere voorwaarden van het protocol voldoen.

3. Een afzonderlijke leveranciersverklaring wordt, behalve in de in lid 4 bedoelde gevallen, door de leverancier voor iedere zending goederen in de in bijlage V omschreven vorm opgesteld op een blad papier dat aan de factuur, de pakbon of een ander handelsdocument wordt gehecht. De goederen moeten in deze verklaring voldoende nauwkeurig zijn omschreven om geïdentificeerd te kunnen worden.

4. Indien een leverancier een bepaalde afnemer regelmatig goederen toezendt waarvan de be- of verwerking in de EER naar verwachting voor langere tijd constant zal blijven, mag hij een enkele leveranciersverklaring, hierna „langlopende leveranciersverklaring” genoemd (ook wel „leveranciersverklaring voor herhaald gebruik” genoemd), opstellen ter dekking van opeenvolgende zendingen van deze goederen.

Een langlopende leveranciersverklaring is gewoonlijk een jaar geldig vanaf de datum van opstelling. De douaneautoriteiten van het land waarin de verklaring wordt opgesteld, kunnen toestaan dat op door hen te stellen voorwaarden verklaringen met een langere geldigheidsduur worden opgesteld.

De langlopende leveranciersverklaring wordt door de leverancier in de in bijlage VI omschreven vorm opgesteld. De goederen dienen daarin voldoende nauwkeurig te zijn omschreven om geïdentificeerd te kunnen worden. De leverancier doet de afnemer deze verklaring toekomen voordat de eerste partij goederen waarop ze betrekking heeft, wordt verzonden of tegelijk met deze eerste zending.

Indien de langlopende leveranciersverklaring niet langer betrekking heeft op de geleverde goederen, stelt de leverancier zijn afnemer hiervan onmiddellijk in kennis.

5. De in de leden 3 en 4 bedoelde leveranciersverklaring wordt getypt of gedrukt in een van de talen waarin de overeenkomst is opgesteld, overeenkomstig het nationale recht van het land waar de verklaring wordt opgesteld en wordt door de leverancier met de hand ondertekend. De verklaring mag ook met de hand worden geschreven, indien dit met inkt en in blokletters gebeurt.

6. De leverancier die een verklaring opstelt dient op verzoek van de douaneautoriteiten van het land waar de verklaring is opgesteld, steeds bereid te zijn alle documenten voor te leggen waaruit blijkt dat de gegevens in zijn verklaring juist zijn.

Artikel 28

Bewijsstukken

De in artikel 16, lid 3, artikel 21, lid 5 en artikel 27, lid 6, bedoelde documenten aan de hand waarvan wordt aangetoond dat producten die door een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED of een factuurverklaring of een factuurverklaring EUR-MED worden gedekt producten van oorsprong zijn uit de EER of een van de in artikel 3 genoemde landen en aan de andere voorwaarden van dit protocol voldoen, en dat de in de leveranciersverklaring verstrekte informatie juist is, kunnen onder meer de volgende zijn:

a)een rechtstreeks bewijs, bijvoorbeeld aan de hand van de boekhouding of de interne administratie van de exporteur of leverancier, van de door deze uitgevoerde be- of verwerkingen om de goederen te verkrijgen;

b)in de overeenkomstsluitende partij afgegeven of opgestelde, en volgens het nationale recht van die partij gebruikte documenten waaruit de oorsprong van de gebruikte materialen blijkt;

c)in de overeenkomstsluitende partij afgegeven of opgestelde, en volgens het nationale recht van die partij gebruikte documenten waaruit de be- of verwerking in de EER blijkt;

d)certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED of factuurverklaringen of factuurverklaringen EUR-MED waaruit de oorsprong van de gebruikte materialen blijkt, die overeenkomstig dit protocol in de overeenkomstsluitende partijen zijn afgegeven of opgesteld, of die in een in artikel 3 genoemd land zijn opgesteld overeenkomstig oorsprongsregels die gelijk zijn aan de oorsprongsregels in dit protocol;

e)leveranciersverklaringen waaruit de in de EER verrichte be- of verwerking van de gebruikte materialen blijkt en die in de overeenkomstsluitende partijen overeenkomstig dit protocol zijn opgesteld;

f)passende bewijsstukken betreffende be- of verwerking buiten de EER in toepassing van artikel 11 waaruit blijkt dat aan de voorwaarden van dat artikel is voldaan.

Artikel 29

Bewaring van bewijzen van oorsprong, leveranciersverklaringen en andere bewijsstukken

1. De exporteur die om de afgifte van een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED verzoekt, bewaart de in artikel 16, lid 3, bedoelde bewijsstukken gedurende een periode van ten minste drie jaar.

2. Exporteurs die een factuurverklaring of een factuurverklaring EUR-MED opstellen, dienen een kopie van deze factuurverklaring en van de in artikel 21, lid 5, bedoelde documenten gedurende ten minste drie jaar te bewaren.

3. De leverancier die een leveranciersverklaring heeft opgesteld, bewaart kopieën van de verklaring en van de factuur, de pakbon of het andere handelsdocument waaraan zijn verklaring werd gehecht alsmede de in artikel 27, lid 6, bedoelde bewijsstukken gedurende een periode van ten minste drie jaar.

De leverancier die een langlopende leveranciersverklaring heeft opgesteld, bewaart kopieën van de verklaring en van de facturen, pakbonnen of andere handelsdocumenten betreffende de goederen waarop zijn aan de afnemer gezonden verklaring betrekking had, alsmede de in artikel 27, lid 6, bedoelde bewijsstukken gedurende een periode van ten minste drie jaar. Deze periode begint op de dag waarop deze langlopende leveranciersverklaring vervalt.

4. De douaneautoriteiten van het land van uitvoer die een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED afgeven, bewaren het in artikel 16, lid 2, bedoelde aanvraagformulier gedurende een periode van ten minste drie jaar.

5. De douaneautoriteiten van het land van invoer bewaren de certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED en de factuurverklaringen en factuurverklaringen EUR-MED die bij hen werden ingediend gedurende een periode van ten minste drie jaar.

Artikel 30

Verschillen en vormfouten

1. Geringe verschillen tussen de gegevens op het bewijs van oorsprong en de gegevens op de documenten die voor het vervullen van de invoerformaliteiten bij het douanekantoor worden ingediend, maken het EUR.1-certificaat of de factuurverklaring niet automatisch ongeldig, indien blijkt dat het document wel degelijk met de aangebrachte goederen overeenstemt.

2. Kennelijke vormfouten, zoals typefouten, op het bewijs van oorsprong leiden niet tot weigering van dit document indien deze fouten niet van dien aard zijn dat zij twijfel doen rijzen over de juistheid van de daarin vermelde gegevens.

Artikel 31

In euro uitgedrukte bedragen

1. Voor de toepassing van artikel 21, lid 1, onder b), en artikel 26, lid 3, worden, wanneer de producten gefactureerd zijn in een andere valuta dan de euro, de tegenwaarde van de in euro uitgedrukte bedragen in de nationale valuta van de lidstaten van de Gemeenschap en van de in artikel 3 genoemde landen, jaarlijks door elk van de betrokken landen vastgesteld.

2. Artikel 21, lid 1, onder b), en artikel 26, lid 3, zijn van toepassing op zendingen op basis van de valuta waarin de factuur is opgesteld, overeenkomstig het bedrag dat door het betrokken land is vastgesteld.

3. De in een bepaalde nationale valuta te gebruiken bedragen zijn gelijk aan de tegenwaarde in die valuta van de in euro uitgedrukte bedragen op de eerste werkdag van de maand oktober van elk jaar. De tegenwaarde wordt de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor 15 oktober medegedeeld en is van toepassing vanaf 1 januari van het daaropvolgende jaar. De Commissie van de Europese Gemeenschappen stelt alle betrokken landen in kennis van de desbetreffende tegenwaarden.

4. Een land mag het bedrag dat het resultaat is van de omrekening in zijn nationale valuta van een in euro uitgedrukt bedrag naar boven of beneden afronden. Het afgeronde bedrag mag niet meer dan 5 % afwijken van het bedrag dat het resultaat is van de omrekening. Een land kan de tegenwaarde in nationale valuta van een in euro uitgedrukt bedrag handhaven, indien de omrekening van dat bedrag, bij de in lid 3 bedoelde jaarlijkse aanpassing, vóór het afronden, leidt tot een stijging van minder dan 15 % procent van de tegenwaarde in nationale valuta. De tegenwaarde in nationale valuta kan ongewijzigd blijven, indien de omrekening tot een daling van de tegenwaarde leidt.

5. De in euro uitgedrukte bedragen worden op verzoek van de overeenkomstsluitende partijen door het Gemengd Comité EER herzien. Bij deze herziening onderzoekt het Gemengd Comité of het wenselijk is de betreffende limieten in reële termen te handhaven. Het kan te dien einde besluiten de in euro uitgedrukte bedragen te wijzigen.



TITEL VI

REGELINGEN VOOR ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 32

Wederzijdse bijstand

1. De douaneautoriteiten van de overeenkomstsluitende partijen doen elkaar via de Europese Commissie afdrukken toekomen van de stempels die in hun douanekantoren worden gebruikt bij de afgifte van certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED, alsmede de adressen van de douaneautoriteiten die belast zijn met de controle van deze certificaten en de factuurverklaringen en factuurverklaringen EUR-MED of leveranciersverklaringen.

2. Met het oog op de correcte toepassing van dit protocol verlenen de overeenkomstsluitende partijen elkaar, via de bevoegde douane-instanties, bijstand bij de controle op de echtheid van de EUR.1- en EUR-MED-certificaten en de factuurverklaringen en factuurverklaringen EUR-MED of leveranciersverklaringen en de juistheid van de daarin vermelde gegevens.

Artikel 33

Controle van de bewijzen van oorsprong

1. Bewijzen van oorsprong worden achteraf steekproefsgewijs gecontroleerd, alsmede wanneer de douaneautoriteiten van het land van invoer redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van deze documenten, de oorsprong van de betrokken producten of de naleving van de andere voorwaarden van dit protocol.

2. Met het oog op de toepassing van lid 1 zenden de douaneautoriteiten van het land van invoer het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED, de factuur, indien deze werd voorgelegd, de factuurverklaring of de factuurverklaring EUR-MED of een kopie van deze documenten, terug aan de douaneautoriteiten van het land van uitvoer, in voorkomend geval onder vermelding van de redenen waarom een controle wordt aangevraagd. Zij verstrekken bij deze aanvraag om controle alle documenten en gegevens die het vermoeden hebben doen rijzen dat de gegevens op het bewijs van oorsprong onjuist zijn.

3. De controle wordt verricht door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer. Met het oog hierop zijn zij gerechtigd bewijsstukken op te vragen, de administratie van de exporteur in te zien en alle andere controles te verrichten die zij dienstig achten.

4. Indien de douaneautoriteiten van het land van invoer besluiten de preferentiële behandeling niet toe te kennen zolang de uitslag van de controle niet bekend is, doen zij de importeur het voorstel de producten vrij te geven onder voorbehoud van de noodzakelijk geachte conservatoire maatregelen.

5. De resultaten van de controle worden zo spoedig mogelijk medegedeeld aan de douaneautoriteiten die deze hebben aangevraagd. In deze mededeling moet duidelijk worden aangegeven of de documenten echt zijn, of de betrokken producten als producten van oorsprong uit de EER of een in artikel 3 genoemd land beschouwd kunnen worden en of aan de andere voorwaarden van dit protocol is voldaan.

6. Indien bij gegronde twijfel binnen tien maanden na het verzoek om controle geen antwoord is ontvangen of indien het antwoord niet voldoende gegevens bevat om de echtheid van het betrokken document of de werkelijke oorsprong van de producten vast te stellen, kennen de aanvragende douaneautoriteiten de preferentiële behandeling niet toe, behoudens buitengewone omstandigheden.

Artikel 34

Controle van de leveranciersverklaring

1. Leveranciersverklaringen en langlopende leveranciersverklaringen worden achteraf door middel van steekproeven gecontroleerd en wanneer de douaneautoriteiten van het land waar zulke verklaringen zijn gebruikt om EUR.1- of EUR-MED-certificaten of factuurverklaringen of factuurverklaringen EUR-MED op te stellen, redenen hebben om te twijfelen aan de echtheid van de verklaring of de juistheid van de daarin vermelde gegevens.

2. Met het oog op de toepassing van lid 1 zenden de douaneautoriteiten van het land van invoer de leveranciersverklaring, de factuur, de pakbon of andere handelsdocumenten die betrekking hebben op de goederen die door de leveranciersverklaring werden gedekt terug aan de douaneautoriteiten van het land waar de verklaring werd opgesteld, onder vermelding van de materiële of formele redenen waarom een onderzoek wordt aangevraagd.

Zij verstrekken bij deze aanvraag om controle alle documenten en gegevens die het vermoeden hebben doen rijzen dat de gegevens in de leveranciersverklaring onjuist zijn.

3. De controle wordt verricht door de douaneautoriteiten van het land waar de leveranciersverklaring werd opgesteld. Deze zijn in dit verband gerechtigd bewijsmateriaal op te vragen, de administratie van de exporteur in te zien en elke andere controle te verrichten die zij dienstig achten.

4. De resultaten van de controle worden zo spoedig mogelijk medegedeeld aan de douaneautoriteiten die deze hebben aangevraagd. In deze mededeling moet duidelijk worden aangegeven of de gegevens in de leveranciersverklaring juist zijn en in hoeverre de verklaring in aanmerking kan worden genomen voor het opstellen van een EUR.1- of EUR-MED-certificaat of een factuurverklaring of een factuurverklaring EUR-MED.

Artikel 35

Regeling van geschillen

Geschillen ten aanzien van de in de artikelen 33 en 34 bedoelde controles die niet onderling geregeld kunnen worden door de douaneautoriteiten die de controle hebben aangevraagd en de douaneautoriteiten die deze hebben moeten uitvoeren, en problemen in verband met de interpretatie van dit protocol worden aan het Gemengd Comité EER voorgelegd.

In alle gevallen is de wetgeving van het land van invoer van toepassing op de regeling van geschillen tussen een importeur en de douaneautoriteiten van het land van invoer.

Artikel 36

Sancties

Sancties worden getroffen tegen ieder die een document met onjuiste gegevens opstelt of laat opstellen met het doel goederen onder de preferentiële regeling te doen vallen.

Artikel 37

Vrije zones

1. De overeenkomstsluitende partijen nemen alle nodige maatregelen om te voorkomen dat producten die onder geleide van een bewijs van de oorsprong worden verhandeld en die tijdens het vervoer in een op hun grondgebied gelegen vrije zone verblijven, door andere goederen worden vervangen of andere behandelingen ondergaan dan die welke gebruikelijk zijn om ze in goede staat te bewaren.

2. In afwijking van lid 1 dienen de bevoegde douaneautoriteiten, wanneer producten van oorsprong uit de EER die onder dekking van een bewijs van de oorsprong in een vrije zone zijn ingevoerd een be- of verwerking ondergaan, op verzoek van de exporteur een nieuw certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED af te geven mits deze be- of verwerking met de bepalingen van dit protocol overeenstemt.



TITEL VII

CEUTA EN MELILLA

Artikel 38

Toepassing van het protocol

1. De in dit protocol gebruikte term „EER” heeft geen betrekking op Ceuta en Melilla. Onder „producten van oorsprong uit de EER” worden geen producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla verstaan.

2. Voor de toepassing van Protocol nr. 49 betreffende producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla, is dit protocol van overeenkomstige toepassing met inachtneming van de bijzondere voorwaarden van artikel 39.

Artikel 39

Bijzondere voorwaarden

1. Mits zij rechtstreeks zijn vervoerd overeenkomstig artikel 12, worden beschouwd als:

1)producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla:

a)geheel en al in Ceuta en Melilla verkregen producten;

b)in Ceuta en Melilla verkregen producten bij de vervaardiging waarvan andere dan de onder a) bedoelde producten zijn gebruikt, mits:

i)deze producten be- of verwerkingen hebben ondergaan die toereikend zijn in de zin van artikel 5;

of

ii)deze producten van oorsprong zijn uit de EER en zij be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer inhouden dan de in artikel 6 genoemde be- of verwerkingen;

2)producten van oorsprong uit de EER:

a)geheel en al in de EER verkregen producten;

b)in de EER verkregen producten, bij de vervaardiging waarvan andere dan de onder a) bedoelde producten zijn gebruikt, voorzover:

i)deze producten be- of verwerkingen hebben ondergaan die toereikend zijn in de zin van artikel 5;

of

ii)deze producten van oorsprong zijn uit Ceuta en Melilla of de EER en zij be- of verwerkingen hebben ondergaan die meer inhouden dan de in artikel 6 genoemde be- of verwerkingen.

2. Ceuta en Melilla worden als één grondgebied beschouwd.

3. De exporteur of zijn gemachtigde vertegenwoordiger vermeldt „EER” en „Ceuta en Melilla” in vak 2 van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED of op de factuurverklaring of de factuurverklaring EUR-MED. Voor producten van oorsprong uit Ceuta en Melilla wordt de oorsprong bovendien vermeld in vak 4 van het certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of EUR-MED of op de factuurverklaring of de factuurverklaring EUR-MED.

4. De Spaanse douaneautoriteiten zijn belast met de toepassing van dit protocol in Ceuta en Melilla.



TITEL VIII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 40

Overgangsbepaling voor goederen in doorvoer of in opslag

Deze overeenkomst kan worden toegepast op goederen die aan de bepalingen van dit protocol voldoen en die op de datum van inwerkingtreding van dit protocol onderweg zijn of die in de EER tijdelijk zijn opgeslagen of zich daar in een douane-entrepot of vrije zone bevinden, mits binnen vier maanden na genoemde datum een EUR.1- of EUR-MED-certificaat bij de douaneautoriteiten van het land van invoer wordt ingediend dat achteraf door de douaneautoriteiten van het land van uitvoer is opgesteld, tezamen met de documenten waaruit blijkt dat de goederen rechtstreeks zijn vervoerd overeenkomstig artikel 12.

Bijlage I

Inleidende aantekeningen bij de lijst in bijlage II

Aantekening 1

In deze lijst zijn de be- en verwerkingen omschreven waardoor producten als voldoende be- of verwerkt worden beschouwd in de zin van artikel 6 van het protocol.

Aantekening 2

2.1.In de eerste twee kolommen van de lijst is het verkregen product omschreven. Kolom 1 bevat het nummer van de post of het hoofdstuk volgens het geharmoniseerde systeem en kolom 2 de omschrijving van de goederen die volgens dat systeem onder die post of dat hoofdstuk vallen. Voor iedere post of ieder hoofdstuk in de kolommen 1 en 2 wordt in kolom 3 of 4 een regel gegeven. Een nummer in kolom 1 voorafgegaan door „ex” betekent dat de regel in kolom 3 of 4 alleen geldt voor het gedeelte van die post of dat hoofdstuk dat in kolom 2 is omschreven.

2.2.Wanneer in kolom 1 verscheidene postnummers zijn gegroepeerd of wanneer een hoofdstuknummer is vermeld en de omschrijving van het product in kolom 2 derhalve in algemene bewoordingen is gesteld, dan is de regel daarnaast in kolom 3 of 4 van toepassing op alle producten die volgens het Geharmoniseerde Systeem onder de posten van het hoofdstuk of onder elk van de in kolom 1 gegroepeerde posten worden ingedeeld.

2.3.Wanneer de lijst verschillende regels geeft voor verschillende producten die onder één post zijn ingedeeld, is bij ieder gedachtestreepje dat gedeelte van de post omschreven waarop de daarnaast in kolom 3 of 4 vermelde regel van toepassing is.

2.4.Wanneer zowel in kolom 3 als in kolom 4 een regel is gegeven voor het in de kolommen 1 en 2 omschreven product, kan de exporteur kiezen welke regel — die in kolom 3 of die in kolom 4 — hij toepast. Indien in kolom 4 geen regel is gegeven, moet de regel in kolom 3 worden toegepast.

Aantekening 3

3.1.

Op producten die de oorsprong hebben verkregen en die bij de vervaardiging van andere producten worden gebruikt, is artikel 5 van het protocol van toepassing ongeacht het feit of de oorsprong verkregen werd in de fabriek waar deze producten worden gebruikt of in een andere fabriek in een overeenkomstsluitende partij.

Bijvoorbeeld:

Een motor van post 8407 waarvoor de regel geldt dat de waarde van de niet van oorsprong zijnde materialen die daarin worden verwerkt, niet meer bedraagt dan 40 % van de prijs af fabriek, is vervaardigd van „ander gelegeerd staal, enkel ruw voorgesmeed” van post ex 72 24 .

Indien dit smeedijzer in de Gemeenschap uit niet van oorsprong zijnde ingots werd vervaardigd, heeft het reeds de oorsprong verkregen krachtens de regel voor post ex 72 24 in de lijst. Bij de waardeberekening van de motor telt het smeedijzer dan als materiaal van oorsprong, of het nu in dezelfde fabriek werd vervaardigd of in een andere fabriek in de Gemeenschap. De waarde van de niet van oorsprong zijnde ingots wordt dus niet meegerekend bij het berekenen van de waarde van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn.

3.2.

De regel in de lijst geeft de minimumbewerking of -verwerking aan die vereist is; meer be- of verwerking verleent eveneens de oorsprong; omgekeerd kan minder be- of verwerking geen oorsprong verlenen. Mag een niet van oorsprong zijnd materiaal in een bepaald productiestadium worden gebruikt, dan kan hetzelfde materiaal in een vroeger productiestadium ook worden gebruikt. Hetzelfde materiaal mag evenwel niet worden gebruikt in een later productiestadium.

3.3.

Onverminderd aantekening 3.2 geldt dat, wanneer in een regel de uitdrukking „materialen van om het even welke post” wordt gebezigd, mogen materialen van alle posten (zelfs die welke onder dezelfde omschrijving en dezelfde post vallen als het product) worden gebruikt, onder voorbehoud van de specifieke beperkingen die in een regel kunnen zijn neergelegd.

Wanneer echter de uitdrukking „vervaardiging uit materialen van om het even welke post, met inbegrip van andere materialen van post …” of „vervaardiging uit materialen van om het even welke post, met inbegrip van andere materialen van dezelfde post als het product” wordt gebezigd, mogen materialen van alle posten worden gebruikt, met uitzondering van die welke onder dezelfde omschrijving in kolom 2 vallen als het product.

3.4.

Wanneer volgens de regel in de lijst een product van meer dan een materiaal mag worden vervaardigd, betekent dit dat een of meer van deze materialen kunnen worden gebruikt. Het is niet noodzakelijk dat zij alle worden gebruikt.

Bijvoorbeeld:

Volgens de regel voor weefsels van de posten 5208 tot en met 5212 mogen natuurlijke vezels en andere materialen, waaronder chemische, worden gebruikt. Dit betekent niet dat beide moeten worden gebruikt; het ene of het andere materiaal of beide kunnen worden gebruikt.

3.5.

Wanneer volgens een regel in de lijst een product van een bepaald materiaal moet worden vervaardigd, betekent dit niet dat geen andere materialen mogen worden gebruikt die vanwege hun aard niet aan de regel kunnen voldoen (zie ook aantekening 6.2 met betrekking tot textielproducten).

Bijvoorbeeld:

De regel voor post 1904 sluit nadrukkelijk het gebruik uit van granen en graanderivaten. Minerale zouten, chemicaliën en andere additieven die niet van granen zijn vervaardigd mogen evenwel worden gebruikt.

Dit geldt evenwel niet voor producten die, hoewel zij niet kunnen worden vervaardigd van het in de lijst genoemde materiaal, wel vervaardigd kunnen worden van een materiaal van dezelfde aard in een vroeger productiestadium.

Bijvoorbeeld:

Indien voor een kledingstuk van ex hoofdstuk 62, van gebonden textielvlies, slechts het gebruik van garen dat niet van oorsprong is, is toegestaan, dan is het niet mogelijk uit te gaan van stof van gebonden textielvlies — zelfs al kan gebonden textielvlies normalerwijze niet van garen worden vervaardigd. In een dergelijk geval zou het uitgangsmateriaal zich in het stadium vóór garen moeten bevinden, dat wil zeggen in het vezelstadium.

3.6.

Indien een regel in de lijst twee of meer percentages geeft als maximumwaarde van de niet van oorsprong zijnde materialen die kunnen worden gebruikt, dan mogen deze percentages niet bij elkaar worden opgeteld. De maximumwaarde van alle gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn, mag het hoogste van de opgegeven percentages nooit overschrijden. Bovendien mogen de afzonderlijke percentages voor bepaalde materialen niet worden overschreden.

Aantekening 4

4.1.De term „natuurlijke vezels” in de lijst heeft betrekking op andere dan kunstmatige of synthetische vezels, met inbegrip van afval, in het stadium vóór het spinnen. Tenzij anders vermeld omvat de term „natuurlijke vezels” vezels die zijn gekaard, gekamd of anderszins bewerkt, doch niet gesponnen.

4.2.De term „natuurlijke vezels” omvat paardenhaar van post 0503 , zijde van de posten 5002 en 5003 en wol, fijn of grof haar van de posten 5101 tot en met 5105 , katoen van de posten 5201 tot en met 5203 en andere plantaardige vezels van de posten 5301 tot en met 5305 .

4.3.De termen „textielmassa”, „chemische materialen” en „materialen voor het vervaardigen van papier” in de lijst hebben betrekking op materialen die niet onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 vallen, maar die gebruikt kunnen worden bij de vervaardiging van kunstmatige, synthetische of papieren vezels of garens.

4.4.De term „synthetische en kunstmatige stapelvezels” in de lijst heeft betrekking op kabel van synthetische of kunstmatige filamenten, op synthetische of kunstmatige stapelvezels en op synthetisch of kunstmatig afval van de posten 5501 tot en met 5507 .

Aantekening 5

5.1.

Indien voor een bepaald product in de lijst naar deze aantekening wordt verwezen, zijn de in kolom 3 van de lijst genoemde voorwaarden niet van toepassing op basistextielmaterialen die bij de vervaardiging zijn gebruikt en die, samen genomen, ten hoogste 10 % van het totale gewicht van alle gebruikte basistextielmaterialen uitmaken (zie ook de aantekeningen 5.3 en 5.4).

5.2.

Deze in aantekening 5.1 genoemde afwijking is evenwel slechts van toepassing op gemengde producten die van twee of meer basistextielmaterialen zijn vervaardigd.

Basistextielmaterialen zijn:

—zijde,

—wol,

—grof haar,

—fijn haar,

—paardenhaar (crin),

—katoen,

—papier en materiaal voor het vervaardigen van papier,

—vlas,

—hennep,

—jute en andere bastvezels,

—sisal en andere textielvezels van het geslacht „Agave”,

—kokosvezels, abaca, ramee en andere plantaardige textielvezels,

—synthetische filamenten,

—kunstmatige filamenten,

—filamenten die elektriciteit geleiden,

—synthetische stapelvezels van polypropyleen,

—synthetische stapelvezels van polyester,

—synthetische stapelvezels van polyamide,

—synthetische stapelvezels van polyacrylonitryl,

—synthetische stapelvezels van polyimide,

—synthetische stapelvezels van polytetrafluorethyleen,

—synthetische stapelvezels van poly(fenyleensulfon),

—synthetische stapelvezels van poly(vinylchloride),

—andere synthetische stapelvezels,

—kunstmatige stapelvezels van viscose,

—andere kunstmatige stapelvezels,

—garens gemaakt van polyurethaan met soepele segmenten van polyether, al dan niet omwoeld,

—garens gemaakt van polyurethaan met soepele segmenten van polyester, al dan niet omwoeld,

—producten van post 5605 (metaalgaren) waarin strippen zijn verwerkt bestaande uit een kern van aluminiumfolie of van kunststoffolie, al dan niet met aluminiumpoeder bedekt, met een breedte van niet meer dan 5 mm, welke kern met behulp van een transparant of gekleurd kleefmiddel tussen twee strippen kunststof is aangebracht,

—andere producten van post 5605 .

Bijvoorbeeld:

Garen van post 5205 , vervaardigd van katoenvezels van post 5203 en van synthetische stapelvezels van post 5506 , is een gemengd garen. Derhalve mogen niet van oorsprong zijnde stapelvezels die niet voldoen aan de regels van oorsprong (volgens welke een vervaardiging uit chemische materialen of textielmassa is vereist) worden gebruikt tot 10 gewichtspercenten van het garen.

Bijvoorbeeld:

Een weefsel van wol van post 5112 , vervaardigd van garens van wol van post 5107 en van synthetische garens van stapelvezels van post 5509 , is een gemengd weefsel. Derhalve mogen synthetische garens die niet voldoen aan de regels van oorsprong (volgens welke een vervaardiging uit chemische materialen of textielmassa is vereist) of garens van wol, die niet voldoen aan de regels van oorsprong (volgens welke een vervaardiging is vereist uit natuurlijke vezels die niet gekaard zijn of gekamd, noch anderszins met het oog op het spinnen bewerkt) of een combinatie van deze twee soorten garens worden gebruikt tot 10 gewichtspercenten van het weefsel.

Bijvoorbeeld:

Getufte textielstoffen van post 5802 , vervaardigd van garens van katoen van post 5205 en van weefsels van katoen van post 5210 , is slechts een gemengd product wanneer het katoenweefsel zelf een gemengd product is, vervaardigd van onder twee verschillende posten ingedeelde garens, of wanneer de gebruikte katoengarens zelf gemengde garens zijn.

Bijvoorbeeld:

Indien de betrokken getufte textielstof is vervaardigd uit katoengarens van post 5205 en uit synthetisch weefsel van post 5407 , zijn de gebruikte garens uiteraard van twee verschillende soorten basistextielmateriaal gemaakt en is de getufte textielstof bijgevolg een gemengd product.

5.3.

Voor weefsels die garens bevatten, „gemaakt van polyurethaan, met soepele segmenten van polyether, ook indien omwoeld”, bedraagt de tolerantie voor dit garen ten hoogste 20 %.

5.4.

Voor weefsels die strippen bevatten bestaande uit een kern van aluminiumfolie of een kern van kunststoffolie, al dan niet bedekt met aluminiumpoeder, met een breedte van niet meer dan 5 mm, welke kern met behulp van een kleefmiddel is bevestigd tussen twee strippen kunststof, bedraagt de tolerantie voor de strippen 30 %.

Aantekening 6

6.1.

Wordt voor een bepaald textielproduct in de lijst in een voetnoot naar deze aantekening verwezen, dan mogen textielmaterialen, met uitzondering van voeringen en tussenvoeringen, die niet voldoen aan de regel in kolom 3 van de lijst voor de betreffende geconfectioneerde producten, worden gebruikt voorzover zij onder een andere post vallen dan het product en de waarde ervan niet meer bedraagt dan 8 % van de prijs af fabriek van het product.

6.2.

Onverminderd aantekening 6.3 mogen materialen die niet onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 zijn ingedeeld bij de vervaardiging van textielproducten vrij worden gebruikt, of zij nu textiel bevatten of niet.

Bijvoorbeeld:

Wanneer volgens een regel in de lijst voor een bepaald textielartikel, zoals een broek, garen moet worden gebruikt, dan sluit dit het gebruik van artikelen van metaal, zoals knopen, niet uit, omdat deze niet onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 zijn ingedeeld. Om dezelfde reden is het gebruik van bijvoorbeeld ritssluitingen toegelaten, al bevatten deze normalerwijze ook textiel.

6.3.

Wanneer een percentageregel van toepassing is, moet met de waarde van materialen die niet onder de hoofdstukken 50 tot en met 63 zijn ingedeeld, rekening worden gehouden bij de berekening van de waarde van de gebruikte materialen die niet van oorsprong zijn.

Aantekening 7

7.1.Wat de posten ex 27 07 , 2713 tot en met 2715 , ex 29 01 , ex 29 02 en ex 34 03 betreft, wordt onder „specifieke behandelingen” verstaan:

a)vacuümdistillatie;

b)herdistillatie volgens een proces van ver doorgevoerde splitsing;

c)kraken;

d)reforming;

e)extractie met behulp van selectieve oplosmiddelen;

f)een bewerking bestaande uit alle navolgende behandelingen: behandelen met geconcentreerd zwavelzuur, met rokend zwavelzuur of met zwavelzuuranhydride, neutraliseren met behulp van alkalische stoffen, ontkleuren en zuiveren met behulp van van nature actieve aarde, van geactiveerde aarde, van actieve koolstof of van bauxiet;

g)polymeriseren;

h)alkyleren;

i)isomeriseren.

7.2.Wat de posten 2710 tot en met 2712 betreft, wordt onder „specifieke behandelingen” verstaan:

a)vacuümdistillatie;

b)herdistillatie volgens een proces van ver doorgevoerde splitsing;

c)kraken;

d)reforming;

e)extractie met behulp van selectieve oplosmiddelen;

f)een bewerking bestaande uit alle navolgende behandelingen: behandelen met geconcentreerd zwavelzuur, met rokend zwavelzuur of met zwavelzuuranhydride, neutraliseren met behulp van alkalische stoffen, ontkleuren en zuiveren met behulp van van nature actieve aarde, van geactiveerde aarde, van actieve koolstof of van bauxiet;

g)polymeriseren;

h)alkyleren;

ij)isomeriseren;

k)uitsluitend voor de zware oliën van post ex 27 10 : ontzwavelen met gebruikmaking van waterstof, waardoor het zwavelgehalte van de behandelde producten met ten minste 85 % wordt verlaagd (methode ASTM D 1266-59 T);

l)uitsluitend voor de producten van post 2710 : ontparaffineren, anders dan door enkel filtreren;

m)uitsluitend voor de zware oliën van post ex 27 10 : behandelen met waterstof, uitgezonderd ontzwavelen, waarbij de waterstof actief deelneemt aan een scheikundige reactie die, met behulp van een katalysator, onder een druk van meer dan 20 bar en bij een temperatuur van meer dan 250 °C wordt teweeggebracht. Eindbehandeling met waterstof van smeeroliën van post ex 27 10 die in het bijzonder verbetering van de kleur of de stabiliteit ten doel heeft (bijvoorbeeld „hydrofinishing” of ontkleuren), wordt daarentegen niet als een specifieke behandeling aangemerkt;

n)uitsluitend voor stookolie van post ex 27 10 : atmosferische distillatie, mits deze producten, distillatieverliezen inbegrepen, voor minder dan 30 % van het volume ervan overdistilleren bij 300 °C, een en ander bepaald volgens de methode ASTM D 86;

o)uitsluitend voor andere zware oliën dan gasolie of stookolie van post ex 27 10 : behandelen met gebruikmaking van hoogfrequente glimontlading;

p)uitsluitend voor ruwe producten van post ex 27 12 (met uitzondering van vaseline, ozokeriet, montaanwas of turfwas, paraffine bevattende minder dan 0,75 gewichtspercenten olie): olieafscheiding door gefractioneerde kristallisatie.

7.3.Wat de posten ex 27 07 , 2713 tot en met 2715 , ex 29 01 , ex 29 02 en ex 34 03 betreft, wordt geen oorsprong verkregen door eenvoudige behandelingen zoals reinigen, decanteren, ontzouten, afsplitsen van water, filtreren, kleuren, merken, het verkrijgen van een bepaald zwavelgehalte door het mengen van producten met uiteenlopende zwavelgehalten, alle combinaties van die behandelingen of soortgelijke behandelingen.

▼M240

BIJLAGE II

Lijst van oorsprongverlenende be- of verwerkingen

Niet alle in de lijst genoemde producten vallen onder de overeenkomst. De lijst dient daarom samen met de andere delen van de overeenkomst te worden gelezen.



GS-post

Omschrijving

Oorsprongverlenende be- of verwerkingen

(1)

(2)

(3) of (4)

hoofdstuk 1

Levende dieren

Alle dieren van hoofdstuk 1 moeten geheel en al verkregen zijn

hoofdstuk 2

Vlees en eetbare slachtafvallen

Vervaardiging waarbij alle gebruikte materialen van de hoofdstukken 1 en 2 geheel en al verkregen zijn

hoofdstuk 3

Vis, schaaldieren, weekdieren en andere ongewervelde waterdieren

Vervaardiging waarbij alle gebruikte materialen van hoofdstuk 3 geheel en al verkregen zijn

ex hoofdstuk 4

Melk en zuivelproducten; vogeleieren; natuurhonig; eetbare producten van dierlijke oorsprong, elders genoemd noch elders onder begrepen, met uitzondering van:

Vervaardiging waarbij alle gebruikte materialen van hoofdstuk 4 geheel en al verkregen zijn

0403

Karnemelk, gestremde melk en room, yoghurt, kefir en andere gegiste of aangezuurde melk en room, ook indien ingedikt, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao

Vervaardiging waarbij:

— alle gebruikte materialen van hoofdstuk 4 geheel en al verkregen zijn,

— alle gebruikte vruchtensappen (met uitzondering van vruchtensappen van ananassen, lemmetjes, pompelmoezen of pomelo’s) bedoeld bij post 2009 van oorsprong zijn, en

— de waarde van alle gebruikte materialen van hoofdstuk 17 niet hoger is dan 30 % van de prijs af fabriek van het product

ex hoofdstuk 5

Andere producten van dierlijke oorsprong, elders genoemd noch elders onder begrepen; met uitzondering van:

Vervaardiging waarbij alle gebruikte materialen van hoofdstuk 5 geheel en al verkregen zijn

ex 0502

Bereid haar van varkens of van wilde zwijnen

Reinigen, ontsmetten, sorteren en rechtstrijken van haar

hoofdstuk 6

Levende planten en producten van de bloementeelt

Vervaardiging waarbij:

— alle gebruikte materialen van hoofdstuk 6 geheel en al verkregen zijn, en

— de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 50 % van de prijs af fabriek van het product

hoofdstuk 7

Groenten, planten, wortels en knollen, voor voedingsdoeleinden

Vervaardiging waarbij alle gebruikte materialen van hoofdstuk 7 geheel en al verkregen zijn

hoofdstuk 8

Fruit; schillen van citrusvruchten en van meloenen

Vervaardiging waarbij:

— alle gebruikte vruchten geheel en al verkregen zijn, en

— de waarde van alle gebruikte materialen van hoofdstuk 17 niet hoger is dan 30 % van de prijs af fabriek van het product

ex hoofdstuk 9

Koffie, thee, maté en specerijen, met uitzondering van:

Vervaardiging waarbij alle gebruikte materialen van hoofdstuk 9 geheel en al verkregen zijn

0901

Koffie, cafeïnevrije koffie daaronder begrepen, ook indien gebrand; bolsters en schillen, van koffie; koffiesurrogaten die koffie bevatten, ongeacht de mengverhouding

Vervaardiging uit materialen van om het even welke post

0902

Thee, ook indien gearomatiseerd

Vervaardiging uit materialen van om het even welke post

ex 0910

Kruidenmengsels

Vervaardiging uit materialen van om het even welke post

hoofdstuk 10

Granen

Vervaardiging waarbij alle gebruikte materialen van hoofdstuk 10 geheel en al verkregen zijn

ex hoofdstuk 11

Producten van de meelindustrie; mout; zetmeel; inuline; tarwegluten, met uitzondering van:

Vervaardiging waarbij alle gebruikte granen, groenten en planten voor voedingsdoeleinden, knollen en wortels van post 0714 of vruchten geheel en al verkregen zijn

ex 1106

Meel, gries en poeder van gedroogde zaden van peulgroenten bedoeld bij post 0713

Drogen en malen van peulgroenten van post 0708

hoofdstuk 12

Oliehoudende zaden en vruchten; allerlei zaden, zaaigoed en vruchten; planten voor industrieel en voor geneeskundig gebruik; stro en voeder

Vervaardiging waarbij alle gebruikte materialen van hoofdstuk 12 geheel en al verkregen zijn

1301

Gomlak (schellak); gommen, harsen, gomharsen en oleoharsen (bijvoorbeeld balsems) van natuurlijke oorsprong

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen van post 1301 niet hoger is 50 % van de prijs af fabriek van het product

1302

Plantensappen en plantenextracten; pectinestoffen, pectinaten en pectaten; agaragar en andere uit plantaardige producten verkregen plantenslijmen en bindmiddelen, ook indien gewijzigd:

— plantenslijmen en bindmiddelen, gewijzigd, verkregen uit plantaardige producten

Vervaardiging uit niet gewijzigde plantenslijmen en bindmiddelen

— andere

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen niet hoger is dan 50 % van de prijs af fabriek van het product

hoofdstuk 14

Plantaardige grondstoffen; plantaardige producten, elders genoemd noch elders onder begrepen

Vervaardiging waarbij alle gebruikte materialen van hoofdstuk 14 geheel en al verkregen zijn

ex hoofdstuk 15

Vetten en oliën (dierlijke en plantaardige) en dissociatieproducten daarvan; bewerkt spijsvet; was van dierlijke of van plantaardige oorsprong, met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van om het even welke post, met uitzondering van materialen van dezelfde post als het product

1501

Varkensvet (reuzel daaronder begrepen) en vet van gevogelte, ander dan dat bedoeld bij post 0209 of 1503 :

— beendervet of afvalvet

Vervaardiging uit materialen van om het even welke post, met uitzondering van materialen van post 0203 , 0206 of 0207 of van beenderen van post 0506

— andere

Vervaardiging uit vlees of eetbare slachtafvallen van varkens bedoeld bij post 0203 of 0206 of uit vlees en eetbare slachtafvallen van pluimvee van post 0207

1502

Rund-, schapen- of geitenvet, ander dan dat bedoeld bij post 1503

— beendervet of afvalvet

Vervaardiging uit materialen van om het even welke post, met uitzondering van materialen van post 0201 , 0202 , 0204 of 0206 of van beenderen van post 0506

— andere

Vervaardiging waarbij alle gebruikte materialen van hoofdstuk 2 geheel en al verkregen zijn

1504

Vetten en oliën, van vis of van zeezoogdieren, alsmede fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd:

— vaste fracties

Vervaardiging uit materialen van om het even welke post, met inbegrip van andere materialen van post 1504

— andere

Vervaardiging waarbij alle gebruikte materialen van de hoofdstukken 2 en 3 geheel en al verkregen zijn

ex 1505

Geraffineerde lanoline

Vervaardiging uit ruw wolvet van post 1505

1506

Andere dierlijke vetten en oliën, alsmede fracties daarvan, ook indien geraffineerd, doch niet chemisch gewijzigd:

— vaste fracties

Vervaardiging uit materialen van om het even welke post, met inbegrip van andere materialen van post 1506

— andere

Vervaardiging waarbij alle gebruikte materialen van hoofdstuk 2 geheel en al verkregen zijn

1507 t/m 1515

Plantaardige vette oliën en fracties daarvan:

— sojaolie, grondnotenolie, palmolie, kokosolie (kopraolie), palmpittenolie, babassunotenolie, tungolie, aleuritisolie, oiticicaolie, myricawas, japanwas, fracties van jojobaolie en oliën voor ander technisch of industrieel gebruik dan voor de vervaardiging van producten voor menselijke consumptie

Vervaardiging uit materialen van om het even welke post, met uitzondering van materialen van dezelfde post als het product

— vaste fracties, met uitzondering van die van jojobaolie

Vervaardiging uit andere materialen van de posten 1507 t/m 1515

— andere

Vervaardiging waarbij alle gebruikte plantaardige materialen geheel en al verkregen zijn

1516

Dierlijke en plantaardige vetten en oliën, alsmede fracties daarvan, geheel of gedeeltelijk gehydrogeneerd, veresterd, opnieuw veresterd of geëlaïdiniseerd, ook indien geraffineerd, doch niet verder bereid

Vervaardiging waarbij:

— alle gebruikte materialen van hoofdstuk 2 geheel en al verkregen zijn, en

— alle gebruikte plantaardige materialen geheel en al verkregen zijn. Wel mogen materialen van de posten 1507 , 1508 , 1511 en 1513 worden gebruikt.

1517

Margarine; mengsels en bereidingen, voor menselijke consumptie, van dierlijke of plantaardige vetten of oliën of van fracties van verschillende vetten en oliën bedoeld bij dit hoofdstuk, andere dan de vetten en oliën of fracties daarvan, bedoeld bij post 1516

Vervaardiging waarbij:

— alle gebruikte materialen van hoofdstukken 2 en 4 geheel en al verkregen zijn, en

— alle gebruikte plantaardige materialen geheel en al verkregen zijn. Wel mogen materialen van de posten 1507 , 1508 , 1511 en 1513 worden gebruikt.

hoofdstuk 16

Bereidingen van vlees, van vis, van schaaldieren, van weekdieren of van andere ongewervelde waterdieren

Vervaardiging:

— uit dieren van hoofdstuk 1, en/of

— waarbij alle gebruikte materialen van hoofdstuk 3 geheel en al verkregen zijn

ex hoofdstuk 17

Suiker en suikerwerk, met uitzondering van:

Vervaardiging uit materialen van om het even welke post, met uitzondering van materialen van dezelfde post als het product

ex 1701

Rietsuiker en beetwortelsuiker, alsmede chemisch zuivere sacharose, in vaste vorm, gearomatiseerd of met toegevoegde kleurstoffen

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen van hoofdstuk 17 niet hoger is dan 30 % van de prijs af fabriek van het product

1702

Andere suiker, chemisch zuivere lactose, maltose, glucose en fructose (levulose) daaronder begrepen, in vaste vorm; suikerstroop, niet gearomatiseerd en zonder toegevoegde kleurstoffen; kunsthoning, ook indien met natuurhoning vermengd; karamel:

— chemisch zuivere maltose en chemisch zuivere fructose

Vervaardiging uit materialen van om het even welke post, met inbegrip van andere materialen van post 1702

— andere suiker, in vaste vorm, gearomatiseerd of met toegevoegde kleurstoffen

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen van hoofdstuk 17 niet hoger is dan 30 % van de prijs af fabriek van het product

— andere

Vervaardiging waarbij alle gebruikte materialen van oorsprong zijn

ex 1703

Melasse verkregen bij de extractie of de raffinage van suiker, gearomatiseerd of met toegevoegde kleurstoffen

Vervaardiging waarbij de waarde van alle gebruikte materialen van hoofdstuk 17 niet hoger is dan 30 % van de prijs af fabriek van het product