Home

Richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten

Richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten

Artikel 1

1.

Deze richtlijn is van toepassing:

  1. op de afmetingen van de motorvoertuigen van de categorieën M2 en M3 en hun aanhangwagens van de categorie 0, alsmede van de motorvoertuigen van de categorieën N2 en N3 en hun aanhangwagens van de categorieën 03 en 04, zoals gedefinieerd in bijlage II van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad(1);

  2. op de gewichten en sommige andere kenmerken van de onder a) gedefinieerde voertuigen die in bijlage I, punt 2, van deze richtlijn zijn omschreven.

2.

Alle in bijlage I vermelde gewichten gelden als verkeersnormen en betreffen derhalve de laadvoorwaarden en niet de produktienormen, die in een volgende richtlijn zullen worden vastgesteld.

3.

Deze richtlijn is niet van toepassing op gelede bussen met meer dan één geleed gedeelte.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

  • „motorvoertuig”: een gemotoriseerd voertuig dat zich op eigen kracht over de weg voortbeweegt;

  • „aanhangwagen”: een voertuig dat is bestemd om aan een motorvoertuig te worden gekoppeld, met uitzondering van opleggers, en dat op grond van constructie en inrichting voor goederenvervoer wordt gebezigd;

  • „oplegger”: een voertuig dat is bestemd om aan een motorvoertuig te worden gekoppeld op zodanige wijze dat een deel ervan op het motorvoertuig rust en dat een aanzienlijk deel van het gewicht van de oplegger en van zijn lading door het motorvoertuig wordt gedragen, en dat op grond van constructie en inrichting voor goederenvervoer wordt gebezigd;

  • „combinatie”:

    • een samenstel bestaande uit een motorvoertuig en een aanhangwagen, of

    • een geleed voertuig bestaande uit een motorvoertuig waaraan een oplegger is gekoppeld;

  • „geconditioneerd voertuig”: elke voertuig waarvan de vaste of mobiele bovenbouw speciaal is ingericht voor het vervoer van goederen bij een gecontroleerde temperatuur, en waarvan elk van de zijwanden, met inbegrip van de isolatie, ten minste 45 mm dik is;

  • „bus”: een voertuig met meer dan negen zitplaatsen, die van de bestuurder inbegrepen, dat op grond van constructie en inrichting is bestemd voor het vervoer van personen en hun bagage. Het kan een of twee verdiepingen hebben en kan ook een aanhangwagen slepen;

  • „gelede bus”: een bus die is samengesteld uit twee vaste delen welke met elkaar zijn verbonden door een geleed gedeelte. Bij dit soort voertuig is er een interne verbinding tussen de beide vaste delen. Door het gelede gedeelte kunnen de reizigers vrij van het ene naar het andere vaste deel lopen. De twee vaste delen kunnen alleen in een werkplaats met elkaar worden verbonden of van elkaar worden losgemaakt;

  • „maximaal toegestane afmetingen”: de maximumafmetingen voor het gebruik van een voertuig zoals bedoeld in bijlage I;

  • „maximaal toegestaan gewicht”: het maximumgewicht voor het gebruik van een voertuig in beladen toestand in het internationaal verkeer;

  • „maximaal toegestane druk per as”: het maximumgewicht voor het gebruik van een as of een assenstel in beladen toestand in het internationaal verkeer;

  • „ondeelbare lading”: lading die ten behoeve van het vervoer over de weg niet in twee of meer ladingen kan worden gesplitst zonder dat zulks overmatige kosten of risico van schade meebrengt en die wegens haar afmetingen of massa niet kan worden vervoerd door een motorvoertuig, aanhangwagen, samenstel of geleed voertuig dat in alle opzichten aan het bepaalde in deze richtlijn voldoet;

  • de eenheid „ton”: het met de massa van een ton corresponderende gewicht overeenkomende met 9,8 kilonewton (kN);

  • „alternatieve brandstoffen”: brandstoffen of energiebronnen die, op zijn minst gedeeltelijk, dienen als vervanging van fossiele oliebronnen in de energievoorziening voor vervoer en ertoe kunnen bijdragen dat de energievoorziening koolstofvrij wordt en de milieuprestaties van de wegvervoersector beter worden. Deze omvatten:

    1. elektriciteit die wordt verbruikt in alle soorten elektrische voertuigen;

    2. waterstof;

    3. aardgas, met inbegrip van biomethaan, in gasvorm (Compressed Natural Gas — CNG) en in vloeibare vorm (Liquefied Natural Gas — LNG);

    4. vloeibaar petroleumgas (Liquefied Petroleum Gas — LPG);

    5. mechanische energie uit een opslagsysteem aan boord/bronnen aan boord, met inbegrip van afvalwarmte;

  • „door alternatieve brandstoffen aangedreven voertuig”: een motorvoertuig dat geheel of gedeeltelijk wordt aangedreven op basis van een alternatieve brandstof en dat is goedgekeurd in het kader van Richtlijn 2007/46/EG;

  • „intermodale vervoersverrichting”:

    1. gecombineerd vervoer als gedefinieerd in artikel 1 van Richtlijn 92/106/EEG van de Raad(2) voor het vervoer van een of meer containers of wissellaadbakken, met een totale lengte van ten hoogste 45 voet, of

    2. vervoer voor het vervoer van een of meer containers of wissellaadbakken, met een totale lengte van ten hoogste 45 voet, waarbij gebruik wordt gemaakt van vervoer over water, op voorwaarde dat de afstand van het begin- of het eindvervoer over de weg op het grondgebied van de Unie niet groter is dan 150 km. De bovenvermelde afstand van 150 km mag worden overschreden om de dichtstbij gelegen geschikte vervoersterminal voor de voorgenomen dienst te bereiken, indien het vervoer wordt verricht met:

      1. voertuigen die voldoen aan bijlage I, punt 2.2.2, onder a) of onder b), of

      2. voertuigen die voldoen aan bijlage I, punt 2.2.2, onder c) of onder d), indien dergelijke afstanden zijn toegelaten in de betrokken lidstaat.

      Voor intermodale vervoersverrichtingen kan de dichtstbij gelegen geschikte vervoersterminal die de dienst verleent, gelegen zijn in een andere lidstaat dan de lidstaat waarin de zending werd ingeladen of uitgeladen.

  • „verlader”: een juridische entiteit of een natuurlijke of rechtspersoon die op de vrachtbrief of op een gelijkwaardig vervoersdocument (zoals de „doorvoer”-vrachtbrief) als verlader wordt genoemd en/of in wiens naam of voor wiens rekening een vervoersovereenkomst is gesloten met de vervoersonderneming.

Alle in bijlage I vermelde maximaal toegestane afmetingen worden gemeten overeenkomstig bijlage I van Richtlijn 2007/46/EG, zonder positieve afwijking.

Artikel 3

1.

De Lid-Staten mogen het gebruik op hun grondgebied niet verbieden of weigeren,

  • in het internationaal verkeer, van voertuigen die in een Lid-Staat zijn ingeschreven of in het verkeer zijn gebracht, om redenen die verband houden met het gewicht en de afmetingen,

  • in het nationaal verkeer, van voertuigen die in een Lid-Staat zijn ingeschreven of in het verkeer zijn gebracht, om redenen die verband houden met de afmetingen,

indien deze voertuigen voldoen aan de in bijlage I aangegeven grenswaarden.

Deze bepaling is van toepassing niettegenstaande het feit dat:

  1. deze voertuigen niet voldoen aan de wettelijke voorschriften van deze Lid-Staat betreffende bepaalde kenmerken die verband houden met gewichten en afmetingen en die niet in bijlage I worden vermeld;

  2. de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat waar de voertuigen zijn ingeschreven of in het verkeer gebracht, grenswaarden heeft toegestaan die niet in artikel 4, lid 1, vermeld staan en die hoger liggen dan die welke in bijlage I zijn vastgesteld.

2.

Het bepaalde in lid 1, tweede alinea, onder a), doet echter geen afbreuk aan het recht van de Lid-Staten om, naar behoren rekening houdend met het Gemeenschapsrecht, te eisen dat voertuigen die op hun grondgebied zijn ingeschreven of in het verkeer gebracht, voldoen aan hun nationale voorschriften inzake niet in bijlage I vermelde kenmerken die verband houden met gewichten en afmetingen.

3.

De Lid-Staten kunnen eisen dat geconditioneerde voertuigen voorzien zijn van een ATP-keuringsdocument of -plaat (Overeenkomst van 1 september 1970 inzake het internationale vervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoermiddelen bij dit vervoer).

Artikel 4

1.

De lidstaten mogen op hun grondgebied niet toestaan:

  1. het normale verkeer van voertuigen of voertuigcombinaties voor nationaal goederenvervoer die niet in overeenstemming zijn met de in de punten 1.1, 1.2, 1.4, 1.5, 1.6, 1.7, 1.8, 4.2 en 4.4 van bijlage I vermelde kenmerken,

  2. het normale verkeer van voertuigen voor nationaal personenvervoer die niet in overeenstemming zijn met de in de punten 1.1, 1.2, 1.4 bis, 1.5 en 1.5 bis van bijlage I vermelde kenmerken.

2.

De lidstaten mogen op hun grondgebied wel toestaan:

  1. het verkeer van voertuigen of voertuigcombinaties voor nationaal goederenvervoer die niet in overeenstemming zijn met de in de punten 1.3, 2, 3, 4.1 en 4.3 van bijlage I vermelde kenmerken,

  2. het verkeer van voertuigen voor nationaal personenvervoer die niet in overeenstemming zijn met de in de punten 1.3, 2, 3, 4.1 en 4.3 van bijlage I vermelde kenmerken.

3.

Voertuigen of voertuigcombinaties die de maximumafmetingen overschrijden, mogen slechts tot het verkeer worden toegelaten op basis van zonder discriminatie door de bevoegde instanties afgegeven speciale vergunningen of op basis van per geval met deze instanties overeengekomen niet discriminerende regelingen, wanneer deze voertuigen of voertuigcombinaties ondeelbare ladingen vervoeren of daarvoor bestemd zijn.

4.

De Lid-Staten kunnen toestaan dat voor vervoer gebruikte voertuigen of voertuigcombinaties die bepaald nationaal vervoer verrichten dat niet van noemenswaardige invloed is op de internationale concurrentie in de vervoersector, op hun grondgebied aan het verkeer deelnemen met afmetingen die afwijken van de in de punten 1.1, 1.2, 1.4 tot en met 1.8, 4.2 en 4.4 van bijlage I vermelde afmetingen.

Vervoer wordt geacht niet van noemenswaardige invloed te zijn op de internationale concurrentie in de vervoersector als een van de onder a) of b) genoemde voorwaarden vervuld is:

  1. het vervoer wordt op het grondgebied van een Lid-Staat verricht met speciale voertuigen of voertuigcombinaties in zodanige omstandigheden dat het normaal gesproken niet wordt verricht met voertuigen uit andere Lid-Staten, bij voorbeeld vervoer in de bosbouw en de bosbouwindustrie;

  2. de Lid-Staat die het vervoer op zijn grondgebied toestaat door voertuigen of voertuigcombinaties met andere dan de in bijlage I vermelde afmetingen, staat tevens het gebruik toe van motorvoertuigen, aanhangwagens en opleggers die aan de in bijlage I voorgeschreven afmetingen voldoen, en wel in zulke combinaties dat ten minste de in die Lid-Staat toegestane laadruimte kan worden bereikt zodat alle vervoerders dezelfde concurrentiemogelijkheden hebben (het moduleconcept).

5.

De Lid-Staten kunnen toestaan dat voertuigen of voertuigcombinaties waarin nieuwe technologieën of concepten zijn verwerkt, die het voldoen aan een of meer voorschriften van deze richtlijn onmogelijk maken, tijdens een proefperiode bepaald plaatselijk vervoer verrichten. De Lid-Staten stellen de Commissie daarvan in kennis.

7.

De lidstaten kunnen toestaan dat bussen die vóór de datum waarop deze richtlijn wordt uitgevoerd, zijn ingeschreven of in het verkeer zijn gebracht, tot en met 31 december 2020 op hun grondgebied aan het verkeer deelnemen met afmetingen die de in de punten 1.1, 1.2, 1.5 en 1.5 bis van bijlage I vermelde afmetingen overschrijden.

Artikel 5

Vóór 1 januari 1991 in het verkeer gebrachte gelede voertuigen die niet voldoen aan de in de punten 1.6 en 4.4 van bijlage I opgenomen voorschriften, worden voor de toepassing van artikel 3 geacht met die voorschriften in overeenstemming te zijn, indien zij een totale lengte van niet meer dan 15,50 m hebben.

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8 ter

Artikel 9 bis

Artikel 10

Artikel 10 ter

Artikel 10 quater

Artikel 10 quinquies

Artikel 10 sexies

Artikel 10 septies

Artikel 10 octies

Artikel 10 nonies

Artikel 10 decies

Artikel 10 undecies

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 13

BIJLAGE IMAXIMUMGEWICHTEN EN -AFMETINGEN EN AANVERWANTE KENMERKEN VAN VOERTUIGEN

BIJLAGE IIVOORWAARDEN BETREFFENDE DE GELIJKWAARDIGHEID AAN LUCHTVERING VAN BEPAALDE VERINGSSYSTEMEN VOOR DE AANGEDREVEN AS OF ASSEN VAN HET VOERTUIG

BIJLAGE IIIPLAAT MET BETREKKING TOT DE AFMETINGEN ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 6, LID 1, ONDER a)

BIJLAGE IV

BIJLAGE V