Home

Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap

Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 113,

Gelet op de verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten en de verordeningen op grond van artikel 235 van het Verdrag inzake door verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen, in het bijzonder op de bepalingen van deze verordeningen die de mogelijkheid bieden af te wijken van het algemene beginsel dat beschermende maatregelen aan de grenzen uitsluitend door de bij deze verordeningen vastgestelde maatregelen kunnen worden vervangen,

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Europees Parlement(2),

  1. Overwegende dat de Raad bij Verordening (EEG) nr. 2423/88(3) gemeenschappelijke regels heeft vastgesteld betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap;

  2. Overwegende dat deze regels werden vastgesteld overeenkomstig de bestaande internationale verplichtingen, in het bijzonder die welke voortvloeien uit artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel (GATT), de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de GATT (anti-dumpingcode van 1979) en de Overeenkomst inzake de uitlegging en de toepassing van de artikelen VI, XVI en XXIII van de GATT (Code inzake subsidies en compenserende rechten);

  3. Overwegende dat de in 1994 voltooide multilaterale handelsbesprekingen tot nieuwe overeenkomsten inzake de toepassing van artikel VI van de GATT hebben geleid en het derhalve dienstig is de Gemeenschapswetgeving aan deze nieuwe overeenkomsten aan te passen; dat het bovendien wenselijk is, gezien de verschillen tussen de bepalingen inzake dumping en die inzake subsidiëring, afzonderlijke communautaire voorschriften op deze twee gebieden vast te stellen; dat de nieuwe bepalingen inzake bescherming tegen subsidiëring en compenserende rechten derhalve in een afzonderlijke verordening zijn opgenomen;

  4. Overwegende dat het bij de toepassing van deze bepalingen van wezenlijk belang is, ter handhaving van het evenwicht tussen rechten en verplichtingen waarin de GATT voorziet, dat de Gemeenschap rekening houdt met de interpretatie van de desbetreffende bepalingen door haar belangrijkste handelspartners;

  5. Overwegende dat de nieuwe overeenkomst inzake dumping, namelijk de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994 (hierna anti-dumpingovereenkomst van 1994 genoemd), nieuwe en gedetailleerde bepalingen bevat, meer bepaald met betrekking tot de berekening van de dumping, de procedures voor de opening en de verrichting van een onderzoek, met inbegrip van de vaststelling van de feiten en de behandeling van de gegevens, de instelling van voorlopige maatregelen, de instelling en de inning van anti-dumpingrechten, de duur en de herziening van anti-dumpingmaatregelen en de openbaarmaking van informatie betreffende het anti-dumpingonderzoek; dat het, gezien de omvang van de wijzigingen en ter verzekering van een correcte en doorzichtige uitvoering van de nieuwe regels, aanbeveling verdient, de nieuwe overeenkomsten voor zover mogelijk in Gemeenschapsrecht om te zetten;

  6. Overwegende dat het dienstig is, duidelijke en gedetailleerde bepalingen betreffende de berekening van de normale waarde vast te stellen en in het bijzonder voor te schrijven dat deze steeds op de representatieve verkoop in het kader van normale handelstransacties in het land van uitvoer gebaseerd dient te zijn; dat het wenselijk is, nader aan te geven onder welke omstandigheden de verkoop op de binnenlandse markt wordt geacht met verlies te hebben plaatsgevonden en derhalve buiten beschouwing kan worden gelaten en onder welke omstandigheden van de resterende verkopen, van de door berekening vastgestelde normale waarde of de verkoop aan een derde land kan worden uitgegaan; dat het eveneens wenselijk is, in een correcte kostenallocatie te voorzien, onder meer voor de startfase van een bepaalde produktie; dat het eveneens dienstig is, een nadere omschrijving te geven van het begrip „startfase” en de omvang en wijze van kostenallocatie; dat het, bij het door berekening vaststellen van de normale waarde, tevens noodzakelijk is aan te geven, op welke wijze de bedragen voor verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten worden vastgesteld en welke winstmarge in een dergelijke waarde wordt ingecalculeerd;

  7. Overwegende dat het voor de vaststelling van de normale waarde voor landen zonder markteconomie aanbeveling verdient, in regels te voorzien voor de keuze van een geschikt derde land met markteconomie dat te dien einde dient te worden gebruikt, en te bepalen dat, wanneer geen geschikt derde land kan worden gevonden, de normale waarde op elke andere redelijke grondslag kan worden vastgesteld;

  8. Overwegende dat het wenselijk is, een nadere omschrijving te geven van het begrip „uitvoerprijs” en aan te geven welke correcties dienen te worden toegepast wanneer het noodzakelijk wordt geacht deze prijs samen te stellen op basis van de eerste prijs op de vrije markt;

  9. Overwegende dat het aanbeveling verdient, om tot een billijke vergelijking tussen de uitvoerprijs en de normale waarde te komen, melding te maken van alle factoren die van invloed kunnen zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen en nauwkeurig aan te geven wanneer en hoe correcties moeten worden toegepast, rekening houdend met het feit dat dubbele correcties moeten worden vermeden; dat het voorts noodzakelijk is te bepalen, dat voor deze vergelijking gemiddelde prijzen mogen worden gebruikt, hoewel individuele uitvoerprijzen met een gemiddelde normale waarde mogen worden vergeleken indien de eerstgenoemde prijzen per afnemer, gebied of periode verschillen;

  10. Overwegende dat het wenselijk is, duidelijk en gedetailleerd aan te geven welke factoren relevant kunnen zijn ter bepaling, of de invoer met dumping aanmerkelijke schade heeft veroorzaakt dan wel dreigt te veroorzaken; dat, bij het aantonen van het oorzakelijk verband tussen de omvang en de prijzen van de betrokken invoer en de schade die de bedrijfstak van de Gemeenschap lijdt, aandacht dient te worden geschonken aan de gevolgen van andere factoren en in het bijzonder aan de marktomstandigheden in de Gemeenschap;

  11. Overwegende dat het dienstig is, het begrip „bedrijfstak van de Gemeenschap” te omschrijven en te bepalen dat met exporteurs verbonden partijen hiervan kunnen worden uitgesloten en dat ook het begrip „verbonden” dient te worden gedefinieerd; dat het eveneens noodzakelijk is te bepalen dat anti-dumpingmaatregelen ten behoeve van producenten in een gebied van de Gemeenschap kunnen worden genomen, en aan te geven wat onder een dergelijk gebied wordt verstaan;

  12. Overwegende dat het noodzakelijk is aan te geven wie een klacht wegens dumping mag indienen en in welke mate deze door de bedrijfstak van de Gemeenschap dient te worden gesteund en te bepalen welke gegevens over dumping, schade en het verband daartussen in de klacht moeten zijn opgenomen; dat het tevens wenselijk is de procedures voor de afwijzing van klachten of de inleiding van procedures te omschrijven;

  13. Overwegende dat dient te worden bepaald hoe de belanghebbenden ervan in kennis worden gesteld welke informatie de autoriteiten nodig hebben; dat de belanghebbenden voldoende tijd moeten hebben om het nodige bewijsmateriaal over te leggen en in de gelegenheid moeten worden gesteld hun belangen te verdedigen; dat het bovendien wenselijk is de bij het onderzoek te volgen regels en procedures duidelijk aan te geven en in het bijzonder te bepalen dat de belanghebbende zich binnen de gestelde termijn kenbaar dienen te maken, hun standpunt naar voren dienen te brengen en informatie dienen te verstrekken; dat dergelijke standpunten en informatie slechts in aanmerking worden genomen indien zij binnen de gestelde termijn worden voorgelegd; dat het bovendien wenselijk is te bepalen op welke voorwaarden een belanghebbende toegang heeft tot en opmerkingen kan maken over op de door andere belanghebbenden verschafte informatie; dat de Lid-Staten met de Commissie dienen samen te werken bij het verzamelen van deze informatie;

  14. Overwegende dat het noodzakelijk is te bepalen onder welke omstandigheden voorlopige rechten kunnen worden ingesteld en dat deze niet eerder dan 60 dagen en niet later dan negen maanden na de inleiding van de procedure mogen worden ingesteld; dat het om administratieve redenen tevens noodzakelijk is te bepalen dat dergelijke rechten in alle gevallen door de Commissie kunnen worden ingesteld, hetzij onmiddellijk voor een periode van negen maanden, hetzij in twee fasen van respectievelijk zes en drie maanden;

  15. Overwegende dat het noodzakelijk is procedures vast te stellen voor de aanvaarding van verbintenissen die een einde maken aan dumping en schade in plaats van de instelling van voorlopige of definitieve rechten; dat het tevens wenselijk is aan te geven, welke consequenties aan de schending of de opzegging van een verbintenis zijn verbonden en te bepalen dat voorlopige rechten kunnen worden ingesteld wanneer het vermoeden bestaat dat een verbintenis wordt geschonden of wanneer nader onderzoek noodzakelijk is om aanvullende gegevens te verzamelen; dat bij de aanvaarding van verbintenissen erop moet worden toegezien dat de voorgestelde verbintenissen en de naleving daarvan niet in strijd met de mededinging zijn;

  16. Overwegende dat het noodzakelijk is voor te schrijven dat anti-dumpingzaken, hetzij zonder dat maatregelen worden ingesteld, hetzij door de instelling van definitieve maatregelen, normaal binnen twaalf maanden en in ieder geval binnen 15 maanden na de opening van het onderzoek worden beëindigd; dat een onderzoek of procedure dient te worden beëindigd wanneer de dumping minimaal is of de schade te verwaarlozen en dat deze begrippen nader dienen te worden omschreven; dat, wanneer maatregelen noodzakelijk zijn, bepalingen betreffende de beëindiging van het onderzoek dienen te worden vastgesteld en dient te worden voorgeschreven dat de maatregelen lager moeten zijn dan de dumpingmarge indien een dergelijk lager bedrag de schade zou wegnemen en dat, bovendien, de wijze van berekening van de hoogte van de maatregelen in het geval van een steekproefonderzoek dient te worden vastgesteld;

  17. Overwegende dat het noodzakelijk is te voorzien in de inning van voorlopige rechten met terugwerkende kracht, indien nodig, en de omstandigheden te bepalen die aanleiding geven tot de toepassing van rechten met terugwerkende kracht, teneinde de ondermijning van de definitief te nemen maatregelen te vermijden; dat het bovendien noodzakelijk is te bepalen dat in geval van schending of intrekking van verbintenissen eveneens rechten met terugwerkende kracht kunnen worden toegepast;

  18. Overwegende dat het noodzakelijk is te bepalen dat maatregelen na vijf jaar vervallen, tenzij bij een nieuw onderzoek blijkt dat zij moeten worden gehandhaafd; dat in gevallen waarin voldoende bewijsmateriaal in verband met gewijzigde omstandigheden wordt overgelegd, tevens dient te worden voorzien in tussentijdse nieuwe onderzoeken of onderzoeken om te bepalen of terugbetaling van anti-dumpingrechten gerechtvaardigd is; dat het tevens dienstig is te bepalen dat bij de herberekening van dumping die een samenstelling van de uitvoerprijzen noodzakelijk maakt, de rechten niet worden behandeld als tussen de invoer en de wederverkoop gemaakte kosten indien het betrokken recht tot uitdrukking is gebracht in de prijzen van de produkten die in de Gemeenschap aan maatregelen zijn onderworpen;

  19. Overwegende dat uitdrukkelijk moet worden voorzien in de mogelijkheid van een herwaardering van de uitvoerprijzen en de dumpingmarges wanneer de exporteur door middel van een compenserende regeling het recht voor eigen rekening neemt en de maatregelen niet worden weerspiegeld in de prijzen van de produkten die in de Gemeenschap aan maatregelen zijn onderworpen;

  20. Overwegende dat de anti-dumpingovereenkomst van 1994 geen bepalingen bevat met betrekking tot de ontwijking van anti-dumpingmaatregelen, hoewel een afzonderlijk ministerieel besluit in het kader van de GATT ontwijking als probleem onderkent en dit ter behandeling naar de anti-dumpingcommissie van de GATT heeft doorverwezen; dat, aangezien bij de multilaterale handelsbesprekingen nog geen oplossing voor dit probleem is gevonden en in afwachting van het resultaat van de doorverwijzing naar de anti-dumpingcommissie van de GATT, in de communautaire wetgeving nieuwe bepalingen dienen te worden opgenomen om bepaalde praktijken, zoals de loutere assemblage van produkten in de Gemeenschap of in een derde land, tegen te gaan die hoofdzakelijk de ontwijking van anti-dumpingmaatregelen ten doel hebben;

  21. Overwegende dat het dienstig is te voorzien in de mogelijkheid tot schorsing van anti-dumpingmaatregelen in geval van tijdelijke wijzigingen in de marktomstandigheden die de toepassing van dergelijke maatregelen tijdelijk inopportuun maken;

  22. Overwegende dat het noodzakelijk is te voorzien in de mogelijkheid tot registratie bij invoer van goederen die aan onderzoek zijn onderworpen, zodat achteraf maatregelen ten aanzien van deze invoer kunnen worden toegepast;

  23. Overwegende dat de Lid-Staten toezicht dienen te houden op de invoer van de aan een onderzoek en maatregelen onderworpen goederen om de naleving van de maatregelen te waarborgen en dat zij hun bevindingen hieromtrent evenals de uit hoofde van deze verordening geïnde bedragen aan rechten aan de Commissie dienen mede te delen;

  24. Overwegende dat moet worden voorgeschreven dat op regelmatige tijdstippen en in bepaalde stadia van het onderzoek een raadgevend comité dient te worden geraadpleegd; dat dit comité is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en dat het voorzitterschap door een vertegenwoordiger van de Commissie wordt waargenomen;

  25. Overwegende dat het dienstig is te bepalen dat controlebezoeken dienen plaats te vinden ter verificatie van de toegezonden informatie betreffende dumping en schade, met dien verstande dat dergelijke bezoeken afhankelijk worden gesteld van de wijze waarop de vragenlijsten zijn ingevuld;

  26. Overwegende dat, teneinde ervoor te zorgen dat onderzoeken binnen de gestelde termijnen worden voltooid, het van wezenlijk belang is te bepalen dat, wanneer het aantal partijen of transacties groot is, een onderzoek steekproefsgewijze mag worden uitgevoerd;

  27. Overwegende dat het noodzakelijk is te bepalen dat voor belanghebbenden die niet voldoende medewerking aan het onderzoek verlenen, andere informatie kan worden gebruikt en dat dergelijke informatie voor de betrokken belanghebbenden minder gunstig kan zijn dan in het geval waarin zij wel medewerking aan het onderzoek hadden verleend;

  28. Overwegende dat bepalingen betreffende de vertrouwelijke behandeling van informatie dienen te worden vastgesteld om de openbaarmaking van zakengeheimen te voorkomen;

  29. Overwegende dat het van wezenlijk belang is te voorzien in de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen aan de partijen die voor een dergelijke behandeling in aanmerking komen en dat deze mededeling, met inachtneming van het in de Gemeenschap geldende besluitvormingsproces, tijdig dient plaats te vinden, zodat de belanghebbenden hun belangen kunnen verdedigen;

  30. Overwegende dat het aanbeveling verdient te voorzien in een administratieve regeling waarbij argumenten naar voren kunnen worden gebracht met betrekking tot de vraag of maatregelen in het belang van de Gemeenschap en van de consument zijn, termijnen vast te stellen waarbinnen dergelijke gegevens dienen te worden verstrekt en nadere bepalingen op te nemen betreffende de rechten van de belanghebbenden ten aanzien van de openbaarmaking van gegevens;

  31. Overwegende dat de Raad bij Verordening (EG) nr. 3283/94 van 22 december 1994 inzake beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap(4) Verordening (EEG) nr. 2423/88 heeft ingetrokken en een nieuw gemeenschappelijk stelsel van bescherming heeft ingevoerd tegen de invoer met dumping uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn;

  32. Overwegende dat bij publikatie in de tekst van Verordening (EG) nr. 3283/94 belangrijke fouten bleken voor te komen;

  33. Overwegende dat Verordening (EG) nr. 3283/94 voorts reeds twee keer is gewijzigd;

  34. Overwegende dat Verordening (EG) nr. 3283/94 derhalve in het belang van de duidelijkheid, de doorzichtigheid en de rechtszekerheid moet worden ingetrokken en worden vervangen, zonder dat dit afbreuk doet aan de krachtens genoemde verordening of krachtens Verordening (EEG) nr. 2423/88 reeds ingeleide procedures,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1 Beginselen

1.

Een anti-dumpingrecht kan worden toegepast op ieder produkt ten aanzien waarvan dumping plaatsvindt, wanneer het in de Gemeenschap in het vrije verkeer brengen daarvan schade veroorzaakt.

2.

Ten aanzien van een produkt wordt geacht dumping plaats te vinden indien de prijs van dit produkt bij uitvoer naar de Gemeenschap lager is dan een vergelijkbare prijs die in het kader van normale handelstransacties voor het soortgelijke produkt voor het land van uitvoer is vastgesteld.

3.

Het land van uitvoer is normaal het land van oorsprong. Het kan ook een tussenland zijn, behalve wanneer, bij voorbeeld, de betrokken produkten enkel door dat land worden doorgevoerd, zij niet in dat land worden vervaardigd of in dat land voor deze produkten geen vergelijkbare prijs voorhanden is.

4.

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „soortgelijk produkt” verstaan een produkt dat identiek is, dat wil zeggen in ieder opzicht gelijk aan het betrokken produkt of, bij gebrek aan een dergelijk produkt, een ander produkt dat, hoewel het niet in ieder opzicht gelijk is, kenmerken bezit die grote overeenkomst vertonen met die van het betrokken produkt.

Artikel 2 Vaststelling van dumping

A. NORMALE WAARDE

1.

De normale waarde is normaal gebaseerd op de prijzen die door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald.

Wanneer de exporteur in het land van uitvoer het soortgelijke produkt niet vervaardigt of niet verkoopt, kan de normale waarde op basis van de prijzen van andere verkopers of producenten worden vastgesteld.

De prijzen die worden toegepast tussen belanghebbenden die kennelijk geassocieerd zijn of met elkaar een compensatieregeling hebben getroffen, mogen niet worden beschouwd als in het kader van normale handelstransacties te zijn toegepast en mogen niet voor de berekening van de normale waarde worden gebruikt, tenzij wordt vastgesteld dat de relatie tussen deze belanghebbenden de prijzen niet heeft beïnvloed.

Om te bepalen of twee partijen geassocieerd zijn kan rekening worden gehouden met de definitie van verbonden partijen in artikel 143 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek(5).

2.

De normale waarde wordt normaal vastgesteld op basis van de verkoop van het voor gebruik in het binnenland bestemde soortgelijke produkt indien de op de binnenlandse markt verkochte hoeveelheid ten minste 5% bedraagt van de naar de Gemeenschap verkochte hoeveelheid van het betrokken produkt, met dien verstande dat een lager percentage mag worden gebruikt, bij voorbeeld wanneer de toegepaste prijzen representatief voor de betrokken markt worden geacht.

3.

Wanneer het soortgelijke produkt niet of niet in voldoende hoeveelheden in het kader van normale handelstransacties is verkocht of indien, wegens de bijzondere marktsituatie, deze verkoop geen deugdelijke vergelijking mogelijk maakt, wordt de normale waarde van het soortgelijke produkt berekend aan de hand van de produktiekosten in het land van oorsprong, vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoopkosten, algemene kosten, administratiekosten en winst, of aan de hand van de prijzen bij uitvoer naar een geschikt derde land in het kader van normale handelstransacties, mits deze prijzen representatief zijn.Een bijzondere marktsituatie voor het betrokken product in de zin van de voorgaande zin wordt onder meer geacht aanwezig te zijn wanneer de prijzen kunstmatig laag zijn, wanneer er een aanzienlijke ruilhandel is of wanneer er niet-commerciële regelingen zijn voor de be- of verwerking van goederen.

4.

De verkoop van het soortgelijke produkt op de binnenlandse markt van het land van uitvoer of de verkoop bij uitvoer naar een derde land tegen prijzen die lager zijn dan de (vaste en variabele) produktiekosten per eenheid, vermeerderd met verkoopkosten, administratiekosten en algemene kosten, mag uitsluitend worden beschouwd als verkoop die, wegens de prijs, niet in het kader van normale handelstransacties heeft plaatsgevonden en bij de vaststelling van de normale waarde buiten beschouwing wordt gelaten, indien wordt vastgesteld dat een dergelijke verkoop over een langere periode en in aanzienlijke hoeveelheden plaatsvindt tegen prijzen die het niet mogelijk maken binnen een redelijke termijn alle kosten terug te verdienen.

Prijzen die op het tijdstip van de verkoop beneden de kostprijs liggen, doch hoger zijn dan de gewogen gemiddelde kostprijs in het onderzoektijdvak, worden geacht toereikend te zijn om de betrokken producenten in staat te stellen hun kosten binnen een redelijke termijn terug te verdienen.

De langere periode bedraagt normaal één jaar, doch in geen geval minder dan zes maanden; de verkoop beneden de kostprijs per eenheid wordt geacht in aanzienlijke hoeveelheden binnen deze periode te hebben plaatsgevonden, wanneer wordt vastgesteld dat de gewogen gemiddelde verkoopprijs lager is dan de gewogen gemiddelde kostprijs per eenheid of dat de hoeveelheid die beneden de kostprijs per eenheid is verkocht, niet minder dan 20% bedraagt van de hoeveelheid die voor de vaststelling van de normale waarde in aanmerking wordt genomen.

5.

De kosten worden normaal berekend aan de hand van de administratie van diegene waarop het onderzoek betrekking heeft, mits deze wordt gevoerd overeenkomstig de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen van het betrokken land en wordt aangetoond, dat deze een redelijk beeld geeft van de aan de vervaardiging en de verkoop van het betrokken produkt verbonden kosten.Indien de administratie van de betrokkene geen redelijk beeld geeft van de kosten in verband met de productie en de verkoop van het onderzochte product, worden deze gecorrigeerd of vastgesteld aan de hand van de kosten van producenten of exporteurs in hetzelfde land of, wanneer dergelijke gegevens niet beschikbaar zijn of niet kunnen worden gebruikt, op een andere redelijke basis, zoals aan de hand van gegevens over andere representatieve markten.

Al het voorgelegde bewijsmateriaal betreffende de correcte kostenallocatie wordt in aanmerking genomen, op voorwaarde dat wordt aangetoond dat deze methode van kostenallocatie ook in het verleden is gebruikt. Bij gebreke van een geschiktere methode, wordt de voorkeur gegeven aan kostenallocatie op basis van de omzet. Tenzij bij de in deze alinea bedoelde kostenallocatie hiermede reeds rekening is gehouden, worden de kosten op passende wijze gecorrigeerd voor eenmalige kostenelementen die aan de toekomstige en/of de huidige produktie worden toegerekend.

Wanneer de kosten voor een gedeelte van de terugverdientijd zijn beïnvloed door het gebruik van nieuwe produktievoorzieningen die aanzienlijke nieuwe investeringen vereisen en door een lage bezettingsgraad ten gevolge van het starten, geheel of ten dele binnen het onderzoektijdvak, van nieuwe produktieprocessen, zijn de gemiddelde kosten voor de startfase de kosten die overeenkomstig de bovenstaande allocatiemethoden aan het einde van deze fase van toepassing zijn en worden zij op dat niveau, voor de betrokken periode, in de in lid 4, tweede alinea, bedoelde gewogen gemiddelde kosten opgenomen. Bij de bepaling van de duur van een startfase wordt rekening gehouden met de situatie waarin de betrokken producent of exporteur zich bevindt, met dien verstande dat deze fase niet langer mag zijn dan een passend gedeelte van het begin van de terugverdientijd. Bij deze aanpassing voor de gedurende het onderzoektijdvak gemaakte kosten wordt rekening gehouden met informatie betreffende de startfase die zich verder uitstrekt dan dit tijdvak, op voorwaarde dat zij vóór de controlebezoeken en binnen drie maanden na de opening van het onderzoek wordt verstrekt.

6.

De bedragen voor verkoopkosten, algemene kosten, administratiekosten en winst worden gebaseerd op feitelijke gegevens over de produktie en de verkoop van het soortgelijke produkt, in het kader van normale handelstransacties, door de exporteur of de producent op wie het onderzoek betrekking heeft. Wanneer deze bedragen niet op de bovenomschreven grondslag kunnen worden vastgesteld, mogen zij worden vastgesteld op basis van:

  1. het gewogen gemiddelde van de werkelijke bedragen die voor andere bij het onderzoek betrokken exporteurs of producenten zijn vastgesteld in verband met de vervaardiging en de verkoop van het soortgelijke produkt op de binnenlandse markt van het land van oorsprong;

  2. de werkelijke bedragen die in het kader van normale handelstransacties voor de betrokken exporteur of producent op de binnenlandse markt van het land van oorsprong van toepassing zijn bij de produktie en de verkoop van dezelfde algemene categorie van produkten;

  3. elke andere redelijke methode, mits het aldus vastgestelde bedrag voor winst niet hoger is dan de winst die andere exporteurs of producenten gewoonlijk maken bij de verkoop van produkten van dezelfde algemene categorie op de binnenlandse markt van het land van oorsprong.

7.

  1. Bij invoer uit landen zonder markteconomie(6) wordt de normale waarde vastgesteld aan de hand van de prijs of de berekende waarde in een land met markteconomie of aan de hand van de prijs bij uitvoer uit een dergelijk derde land naar andere landen, waaronder de Gemeenschap of, indien dit niet mogelijk is, op een andere redelijke grondslag zoals de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het soortgelijke product in de Gemeenschap, indien nodig verhoogd met een redelijke winstmarge.

    Een geschikt derde land met een markteconomie wordt op redelijke wijze geselecteerd, met inachtneming van alle betrouwbare gegevens die op het tijdstip van de selectie beschikbaar zijn. Voorts wordt rekening gehouden met termijnen; in voorkomend geval wordt gebruik gemaakt van een derde land met markteconomie dat bij hetzelfde onderzoek betrokken is.

    De naam van het voorziene derde land met een markteconomie wordt de bij het onderzoek betrokken partijen, kort na de inleiding van de procedure medegedeeld. Zij hebben tien dagen de tijd om opmerkingen te maken.

  2. Bij antidumpingonderzoeken betreffende producten uit de Russische Federatie, de Volksrepubliek China, Oekraïne, Vietnam en Kazachstan en landen met staatshandel die op het tijdstip van de opening van het onderzoek lid zijn van de WTO, wordt de normale waarde vastgesteld overeenkomstig de leden 1 tot en met 6, indien naar aanleiding van met bewijsmateriaal gestaafde verzoeken van een of meer producenten bij wie een onderzoek moet worden ingesteld, overeenkomstig de onder c) vermelde criteria en procedures wordt aangetoond dat deze producent of producenten het betrokken soortgelijke product op marktvoorwaarden vervaardigen en verkopen. Indien dit niet het geval is, is het bepaalde onder a) van toepassing.

  3. De onder b) bedoelde verzoeken moeten schriftelijk worden ingediend en voldoende bewijs bevatten van het feit dat de producenten op marktvoorwaarden opereren, dat wil zeggen, wanneer:

    • besluiten van bedrijven inzake prijzen, kosten en productiemiddelen, met inbegrip van bijvoorbeeld grondstoffen, kosten van technologie en arbeid, productie, verkoop en investeringen worden genomen als reactie op marktsignalen van vraag en aanbod, en zonder staatsinmenging van betekenis op dat punt, en kosten en belangrijkste productiemiddelen hoofdzakelijk marktvoorwaarden weergeven;

    • bedrijven beschikken over een duidelijke basisboekhouding die onder controle staat van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de hiervoor internationaal geldende normen en die alle terreinen bestrijkt;

    • de productiekosten en financiële situatie van bedrijven niet onderhevig zijn aan verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie, in het bijzonder met betrekking tot depreciatie van activa, andere afschrijvingen, ruilhandel en betaling middels schuldvergelijking;

    • de betrokken bedrijven onderworpen zijn aan faillissements- en eigendomswetten die juridische zekerheid en stabiliteit verschaffen voor het voeren van een bedrijf;

    • omrekening van munteenheden geschiedt tegen de marktkoers.

    Binnen drie maanden na de inleiding van de procedure, wordt, na specifieke raadpleging van het Raadgevend Comité en nadat de industrie van de Gemeenschap in de gelegenheid is gesteld opmerkingen te maken, vastgesteld of de producent voldoet aan de bovengenoemde criteria. Deze vaststelling blijft gedurende de hele procedure van kracht.

B. UITVOERPRIJS

8.

De uitvoerprijs is de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het produkt dat vanuit het land van uitvoer met het oog op uitvoer naar de Gemeenschap wordt verkocht.

9.

Wanneer geen uitvoerprijs voorhanden is of deze onbetrouwbaar blijkt wegens het bestaan van een associatie of een compensatieregeling tussen de exporteur en de importeur of een derde partij, mag de uitvoerprijs worden samengesteld op basis van de prijs waartegen de ingevoerde produkten voor het eerst aan een onafhankelijke afnemer worden doorverkocht of, indien de produkten niet aan een onafhankelijke afnemer worden doorverkocht of niet worden doorverkocht in de staat waarin zij zijn ingevoerd, op elke redelijke grondslag.

In dergelijke gevallen wordt voor alle tussen invoer en wederverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van rechten en heffingen, en voor winst een correctie toegepast, teneinde een betrouwbare uitvoerprijs franco grens Gemeenschap vast te stellen.

De elementen waarvoor een correctie wordt toegepast, omvatten die welke gewoonlijk door een importeur worden gedragen, doch worden betaald door een partij binnen of buiten de Gemeenschap die kennelijk met de importeur of de exporteur is geassocieerd of met deze een compensatieregeling heeft. Zij omvatten met name de gebruikelijke kosten van vervoer, verzekering, lading, overlading, lossing, en bijkomende kosten, evenals de douanerechten, alle anti-dumpingrechten en andere belastingen die in het land van invoer verschuldigd zijn uit hoofde van de invoer of de verkoop van de goederen, alsmede een redelijke marge voor verkoopkosten, algemene kosten, administratiekosten en winst.

C. VERGELIJKING

10.

De uitvoerprijs wordt op billijke wijze met de normale waarde vergeleken. Deze vergelijking geschiedt in hetzelfde handelsstadium, voor verkopen op zo dicht mogelijk bij elkaar liggende data en met inachtneming van andere verschillen die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen. Wanneer de vastgestelde normale waarde en de uitvoerprijs niet op deze grondslag kunnen worden vergeleken, wordt door middel van correcties, naar gelang van de bijzondere kenmerken van elke zaak, rekening gehouden met verschillen tussen factoren waarvan wordt beweerd en aangetoond dat zij van invloed op de prijzen zijn en, dientengevolge, op de vergelijkbaarheid daarvan. Hierbij dienen dubbele correcties te worden vermeden, in het bijzonder wat de kortingen, rabatten, hoeveelheden en het handelsstadium betreft. Wanneer aan de gestelde voorwaarden is voldaan, kunnen correcties worden toegepast voor de hierna volgende factoren:

  1. Fysieke kenmerken

    Er wordt een correctie toegepast voor verschillen in fysieke kenmerken van het betrokken produkt. Het bedrag van de correctie komt overeen met een redelijke raming van de marktwaarde van het verschil.

  2. Invoerheffingen en indirecte belastingen

    De normale waarde wordt gecorrigeerd voor een bedrag dat overeenkomt met alle invoerheffingen of indirecte belastingen die op een soortgelijk produkt en de fysiek daarin verwerkte materialen worden geheven, wanneer dat bestemd is voor verbruik in het land van uitvoer, en die voor het naar de Gemeenschap uitgevoerde produkt niet worden geïnd of worden terugbetaald.

  3. Kortingen, rabatten en hoeveelheden

    Er wordt een correctie toegepast voor verschillen in kortingen en rabatten, met inbegrip van die welke worden toegekend voor verschillen in hoeveelheden, indien deze naar behoren zijn gekwantificeerd en rechtstreeks met de betrokken verkoop verband houden. Tevens kan een correctie voor uitgestelde kortingen en rabatten worden toegepast indien het verzoek daartoe gebaseerd is op een gevestigd gebruik in vroegere perioden, waaronder de inachtneming van de voorwaarden voor de toekenning van kortingen of rabatten.

  4. Handelsstadium

    1. Er wordt een correctie toegepast voor verschillen in handelsstadium, met inbegrip van de verschillen die voortvloeien uit OEM (original equipment manufacturers)-verkopen, wanneer, met betrekking tot de distributiekanalen van beide markten, wordt aangetoond, dat de uitvoerprijs, die een samengestelde uitvoerprijs kan zijn, in een ander handelsstadium dan de normale waarde wordt gehanteerd en het verschil tussen beide de vergelijkbaarheid van de prijzen heeft beïnvloed, hetgeen dient te blijken uit permanente en duidelijke verschillen tussen de functies die de verkoper vervult en de prijzen die hij hanteert in de onderscheiden handelsstadia op de binnenlandse markt van het land van uitvoer. De omvang van de correctie is op de marktwaarde van het verschil gebaseerd.

    2. Wanneer evenwel in niet onder i) genoemde gevallen een bestaand verschil in handelsstadium niet kan worden gekwantificeerd bij ontstentenis van de relevante stadia op de binnenlandse markt van de uitvoerende landen, of indien bepaalde functies klaarblijkelijk betrekking hebben op andere handelsstadia dan het in de vergelijking gebruikte stadium, kan een speciale correctie worden toegepast.

  5. Vervoer, verzekering, lading, overlading, lossing en aanverwante kosten

    Er wordt een correctie toegepast voor verschillen in kosten die rechtstreeks verband houden met de overbrenging van het produkt van de bedrijfsruimten van de exporteur naar een onafhankelijke afnemer wanneer dergelijke kosten in de prijzen zijn begrepen. Deze kosten omvatten de kosten van vervoer, verzekering, lading, overlading, lossing en aanverwante kosten.

  6. Verpakking

    Er wordt een correctie toegepast voor verschillen in de kosten die rechtstreeks verband houden met het verpakken van het betrokken produkt.

  7. Krediet

    Er wordt een correctie toegepast voor verschillen in de kosten van de kredieten die voor de verkoop van de betrokken produkten zijn verleend, voor zover deze factor bij de vaststelling van de prijzen in aanmerking wordt genomen.

  8. Kosten van dienstverlening na verkoop

    Er wordt een correctie toegepast voor verschillen in de directe kosten in verband met waarborgen, garanties, technische bijstand en dienstverlening waarin de wet en/of het verkoopcontract voorzien.

  9. Commissies

    Er wordt een correctie toegepast voor verschillen in de commissies die in verband met de verkoop van de betrokken produkten worden betaald.Onder „commissies” wordt ook verstaan de marge van een bedrijf die in het product of het soortgelijke product handelt indien de functies van deze handelaar vergelijkbaar zijn met die van een op commissiebasis werkende agent.

  10. Omrekening van valuta

    Wanneer ten behoeve van de prijsvergelijking valuta dienen te worden omgerekend, wordt daarvoor de wisselkoers op de datum van verkoop gebruikt. Wanneer echter de verkoop van vreemde valuta op de termijnmarkt rechtstreeks aan de betrokken verkoop voor uitvoer is gekoppeld, dient de bij de termijnverkoop gebruikte wisselkoers te worden toegepast. De datum van verkoop is normaal de factuurdatum. Indien evenwel de datum van het contract, van de kooporder of van de orderbevestiging meer in overeenstemming is met de verkoopvoorwaarden, mag één van deze data worden gebruikt. Met wisselkoersschommelingen wordt geen rekening gehouden en exporteurs hebben 60 dagen de tijd om met duurzame veranderingen van de wisselkoersen gedurende het onderzoektijdvak rekening te houden.

  11. Anderen factoren

    Er kunnen ook correcties worden toegepast voor verschillen voor andere factoren dan vermeld onder a) tot en met j), indien wordt aangetoond dat die van invloed zijn op de prijsvergelijking als bedoeld in dit lid, met name wanneer klanten bij voortduring verschillende prijzen op de binnenlandse markt betalen ten gevolge van deze factoren.

D. DUMPINGMARGE

11.

Onder voorbehoud van de relevante bepalingen betreffende de billijke vergelijking, wordt het bestaan van dumpingmarges in het onderzoektijdvak normaal vastgesteld door vergelijking van een gewogen gemiddelde normale waarde met een gewogen gemiddelde prijs van alle vergelijkbare exporttransacties naar de Gemeenschap of door vergelijking, per transactie, van de afzonderlijke normale waarden en de afzonderlijke prijzen bij uitvoer naar de Gemeenschap. Een op een gewogen gemiddelde gebaseerde normale waarde mag evenwel met de prijzen van alle afzonderlijke uitvoertransacties naar de Gemeenschap worden vergeleken indien de exportprijzen voor de verschillende afnemers, gebieden of tijdvakken sterk uiteenlopen en de in de voorgaande zin omschreven methoden ontoereikend zouden zijn om de dumping volledig tot uitdrukking te brengen. De bepalingen van dit lid vormen geen beletsel voor het gebruik van de steekproefmethode overeenkomstig artikel 17.

12.

De dumpingmarge is het bedrag waarmee de normale waarde de uitvoerprijs overschrijdt. Wanneer dumpingmarges variëren, kan een gewogen gemiddelde dumpingmarge worden vastgesteld.

Artikel 3 Vaststelling van schade

1.

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „schade”, tenzij anders bepaald, verstaan aanmerkelijke schade voor een bedrijfstak van de Gemeenschap, dreiging van aanmerkelijke schade voor een bedrijfstak van de Gemeenschap of aanmerkelijke vertraging van de vestiging van een dergelijke bedrijfstak en wordt dit begrip overeenkomstig de bepalingen van dit artikel uitgelegd.

2.

De vaststelling van schade is gebaseerd op positief bewijsmateriaal en houdt een objectief onderzoek in van a) de omvang van de invoer met dumping en de gevolgen daarvan voor de prijzen van soortgelijke produkten in de Gemeenschap en b) de gevolgen van deze invoer voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.

3.

Wat de omvang van de invoer met dumping betreft, wordt nagegaan of deze, in absolute cijfers dan wel in verhouding tot de produktie of het verbruik in de Gemeenschap, aanzienlijk is toegenomen. Wat de weerslag van de invoer met dumping op de prijzen betreft, wordt nagegaan of een aanzienlijke prijsonderbieding door het met dumping ingevoerde produkt ten opzichte van de prijzen van soortgelijke produkten van de bedrijfstak van de Gemeenschap heeft plaatsgevonden, dan wel of deze invoer de prijzen op enige andere wijze sterk drukt of een aanzienlijke belemmering vormt voor prijsverhogingen die zonder deze invoer hadden plaatsgevonden, met dien verstande dat geen van deze factoren op zich, noch verscheidene van deze factoren te zamen noodzakelijkerwijze doorslaggevend is of zijn.

4.

Wanneer de invoer van een produkt uit meer dan één land terzelfder tijd aan een anti-dumpingonderzoek wordt onderworpen, worden de gevolgen van deze invoer uitsluitend cumulatief beoordeeld indien wordt vastgesteld, dat a) de dumpingmarge voor het uit elk land ingevoerde produkt meer dan minimaal is in de zin van artikel 9, lid 3, van de uit elk land ingevoerde hoeveelheid niet te verwaarlozen is, en b) een cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de invoer gezien de concurrentieverhoudingen tussen de ingevoerde produkten onderling en tussen de ingevoerde produkten en het soortgelijke produkt uit de Gemeenschap, opportuun is.

5.

Het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de betrokken bedrijfstak van de Gemeenschap omvat een beoordeling van alle relevante economische factoren en indicatoren die op de situatie van die bedrijfstak van invloed zijn, zoals het feit dat een bedrijfstak nog steeds herstellende is van de gevolgen van invoer met dumping of subsidiëring die in het verleden heeft plaatsgevonden, de werkelijke hoogte van de dumpingmarge, de werkelijke en potentiële daling van de verkoop, de winst, de produktie, het marktaandeel, de produktiviteit, de rentabiliteit en de bezettingsgraad, alsmede de factoren die van invloed zijn op de prijzen in de Gemeenschap, de werkelijke en potentiële negatieve gevolgen voor de „cash flow”, de voorraden, de werkgelegenheid, de lonen, de groei en het vermogen om kapitaal of investeringen aan te trekken. Deze lijst is niet limitatief, noch zijn één of meer van deze factoren noodzakelijkerwijze doorslaggevend.

6.

Aan de hand van het overeenkomstig lid 2 voorgelegde relevante bewijsmateriaal moet worden aangetoond, dat de invoer met dumping schade in de zin van deze verordening veroorzaakt. Hierbij moet meer in het bijzonder worden aangetoond, dat de overeenkomstig lid 3 vastgestelde omvang en/of prijzen de in lid 5 omschreven gevolgen hebben voor de bedrijfstak van de Gemeenschap en dat deze gevolgen als aanmerkelijk kunnen worden aangemerkt.

7.

Andere gekende factoren dan de invoer met dumping die de bedrijfstak van de Gemeenschap terzelfder tijd schade toebrengen, worden ook onderzocht, om te voorkomen dat de door deze andere factoren veroorzaakte schade overeenkomstig het bepaalde in lid 6 aan de invoer met dumping wordt toegeschreven. Relevant in dit verband zijn onder andere de hoeveelheden en de prijzen van de niet tegen dumpingprijzen verkochte invoer, een inkrimping van de vraag of wijzigingen in het consumentengedrag, handelsbeperkende praktijken van en de concurrentie tussen buitenlandse producenten en producenten in de Gemeenschap, technologische ontwikkelingen en exportprestaties en produktiviteit van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

8.

De gevolgen van de invoer met dumping worden beoordeeld met betrekking tot de produktie van het soortgelijke produkt door de bedrijfstak van de Gemeenschap, mits de beschikbare gegevens een duidelijk onderscheid van deze produktie aan de hand van criteria zoals het produktieproces, de omzet en de winst van de producenten, mogelijk maken. Is deze produktie niet op bovenomschreven wijze te onderscheiden, dan worden de gevolgen van de invoer met dumping beoordeeld aan de hand van een onderzoek van de kleinste groep of het kleinste assortiment produkten waartoe het soortgelijke produkt behoort en waarover de nodige gegevens kunnen worden verkregen.

9.

De vaststelling dat aanmerkelijke schade dreigt, is op feiten gebaseerd en niet enkel op veronderstellingen, ramingen of vage mogelijkheden. De verandering van omstandigheden waardoor een situatie zou ontstaan waarin dumping schade veroorzaakt, moet duidelijk zijn te voorzien en op handen zijn.

Ten behoeve van de vaststelling van dreigende aanmerkelijke schade worden onder meer de volgende factoren in aanmerking genomen:

  1. een aanzienlijke toename van de invoer met dumping op de markt van de Gemeenschap waardoor de invoer waarschijnlijk nog aanzienlijk in omvang zal toenemen;

  2. voldoende vrij beschikbare produktiecapaciteit van de exporteur of een aanmerkelijke toename daarvan in de nabije toekomst, waardoor de uitvoer met dumping naar de Gemeenschap waarschijnlijk nog aanzienlijk zal toenemen waarbij evenwel rekening moet worden gehouden met de beschikbaarheid van andere exportmarkten die de extra voor uitvoer beschikbare hoeveelheden kunnen absorberen;

  3. het feit dat de produkten al dan niet worden ingevoerd tegen prijzen die een sterke druk op de binnenlandse prijzen zullen uitoefenen of een stijging van deze prijzen zullen verhinderen en de vraag naar importprodukten vermoedelijk nog zullen doen toenemen;

  4. de bestaande voorraad van het produkt waarop het onderzoek betrekking heeft.

Geen van deze factoren behoeft op zich doorslaggevend te zijn, maar alle in aanmerking genomen factoren te zamen moeten tot de conclusie leiden, dat de invoer met dumping op korte termijn zal toenemen en dat deze invoer, tenzij beschermende maatregelen worden genomen, aanmerkelijke schade zal veroorzaken.

Artikel 4 Omschrijving van het begrip bedrijfstak van de Gemeenschap

1.

In de zin van deze verordening wordt onder „bedrijfstak van de Gemeenschap” verstaan alle producenten in de Gemeenschap van soortgelijke produkten of diegenen van deze producenten wier gezamenlijke produktie van de betrokken produkten een groot deel van de totale communautaire produktie van deze produkten als omschreven in artikel 5, lid 4, uitmaakt, met dien verstande dat

  1. wanneer producenten met exporteurs of importeurs zijn verbonden of zelf importeur zijn van het produkt waarvan naar beweerd dumping plaatsvindt, onder „bedrijfstak van de Gemeenschap” de overige producenten kunnen worden verstaan;

  2. in uitzonderlijke omstandigheden het grondgebied van de Gemeenschap, wat de betrokken produktie betreft, in twee of meer concurrerende markten kan worden verdeeld en de producenten binnen elke markt als een afzonderlijke bedrijfstak kunnen worden beschouwd indien a) de producenten binnen die markt hun gehele of vrijwel hun gehele produktie van het betrokken produkt op die markt verkopen, en b) aan de vraag op die markt niet in aanzienlijke mate wordt voldaan door elders in de Gemeenschap gevestigde producenten van het betrokken produkt. In deze omstandigheden kan zelfs tot het bestaan van schade worden geconcludeerd indien een groot deel van de totale bedrijfstak van de Gemeenschap geen schade lijdt, mits de invoer met dumping op deze afzonderlijke markt is geconcentreerd en bovendien die invoer met dumping de producenten van de gehele of vrijwel de gehele produktie op die markt schade veroorzaakt.

2.

Voor de toepassing van lid 1 worden producenten uitsluitend geacht met exporteurs of importeurs te zijn verbonden indien a) één van hen rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap over de anderen heeft of indien b) een derde persoon rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap over hen beiden heeft, of indien c) zij te zamen rechtstreeks of onrechtstreeks zeggenschap over een derde persoon hebben, voor zover er redenen zijn om aan te nemen of te vermoeden, dat de betrokken producent zich door deze relatie anders gedraagt dan niet verbonden producenten. Voor de toepassing van dit lid wordt een persoon geacht zeggenschap over een andere persoon te hebben wanneer hij rechtens of feitelijk in een positie is, het handelen van de andere te beperken of te leiden.

3.

Wanneer onder „bedrijfstak van de Gemeenschap” de producenten in een bepaald gebied worden verstaan, wordt de exporteurs gelegenheid gegeven overeenkomstig artikel 8 verbintenissen voor het betrokken gebied aan te bieden. In dat geval wordt bij de beoordeling van het belang van de Gemeenschap in het bijzonder rekening gehouden met het belang van dat gebied. Indien niet onmiddellijk een passende verbintenis wordt aangeboden of indien de in artikel 8, leden 9 en 10, omschreven situatie zich voordoet, kan voor de Gemeenschap in haar geheel een voorlopig of definitief recht worden opgelegd. In dergelijke gevallen kunnen de rechten, indien zulks in de praktijk uitvoerbaar is, tot specifieke producenten of exporteurs worden beperkt.

4.

De bepalingen van artikel 3, lid 8, zijn op dit artikel van toepassing.

Artikel 5 Inleiding van de procedure

Artikel 6 Het onderzoek

Artikel 7 Voorlopige maatregelen

Artikel 8 Verbintenissen

Artikel 9 Beëindiging zonder maatregelen; instelling van definitieve rechten

Artikel 10 Terugwerkende kracht

Artikel 11 Duur, nieuw onderzoek en terugbetaling

Artikel 12

Artikel 13 Ontwijking

Artikel 14 Algemene bepalingen

Artikel 15 Overleg

Artikel 16 Controlebezoeken

Artikel 17 Steekproeven

Artikel 18 Niet-medewerking

Artikel 19 Vertrouwelijkheid

Artikel 20 Mededeling van feiten en overwegingen

Artikel 21 Belang van de Gemeenschap

Artikel 22 Slotbepalingen

Artikel 23 Intrekking van bestaande wetgeving en overgangsmaatregelen

Artikel 24 Inwerkingtreding