Home

Verordening (EG) nr. 2058/96 van de Commissie van 28 oktober 1996 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van een tariefcontingent voor breukrijst van GN-code 10064000, voor de produktie van voor voeding bestemde bereidingen van GN-code 190110

Verordening (EG) nr. 2058/96 van de Commissie van 28 oktober 1996 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van een tariefcontingent voor breukrijst van GN-code 10064000, voor de produktie van voor voeding bestemde bereidingen van GN-code 190110

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1095/96 van de Raad van 18 juni 1996 betreffende de tenuitvoerlegging van de concessies in de lijst CXL die is opgesteld naar aanleiding van de voltooiing van de onderhandelingen in het kader van artikel XXIV, lid 6, van de GATT(1), en met name op artikel 1,

  1. Overwegende dat de bovenbedoelde concessies met name betrekking hebben op een tariefcontingent van 1 000 ton breukrijst van GN-code 1006 40 00, voor de produktie van voor voeding bestemde bereidingen van GN-code 1901 10, dat jaarlijks mag worden ingevoerd met nulrecht;

  2. Overwegende dat met het oog op een deugdelijk administratief beheer van de hierboven genoemde invoerregeling bijzondere bepalingen inzake de indiening van de aanvragen en de afgifte van de certificaten moeten worden vastgesteld; dat die bepalingen een aanvulling vormen op of afwijken van het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 3719/88 van de Commissie(2), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2137/95(3);

  3. Overwegende dat bijzondere bepalingen moeten worden vastgesteld om te garanderen dat de ingevoerde breukrijst niet voor andere dan de vastgestelde doeleinden wordt gebruikt; dat daartoe moet worden bepaald dat de vrijstelling van douanerechten slechts wordt verleend als de importeur een verbintenis aangaat waarin de geplande bestemming van het produkt wordt bevestigd en als een zekerheid wordt gesteld die even hoog is als het niet geïnde douanerecht; dat, met het oog op een zorgvuldig beheer van de betrokken regeling, een redelijke termijn voor de verwerking dient te worden vastgesteld; dat, bij verzending van een produkt, in de Lid-Staat waar het produkt in het vrije verkeer is gebracht, een controleexemplaar T 5 moet worden opgesteld overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautaire douanewetboek(4), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1676/96(5), dat het meest adequate bewijs van verwerking vormt; dat, wanneer de verwerking plaatsvindt in de Lid-Staat waar het produkt in het vrije verkeer is gebracht, het bewijs van verwerking kan worden geleverd aan de hand van een gelijkwaardig nationaal document;

  4. Overwegende dat, hoewel de zekerheid wordt gesteld als garantie voor de betaling van een douaneschuld die kan ontstaan bij de invoer van goederen, bij het vrijgeven van deze zekerheid enige flexibiliteit mogelijk moet zijn;

  5. Overwegende dat moet worden bepaald dat Verordening (EG) nr. 1162/95 van de Commissie van 23 mei 1995 houdende bijzondere uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer- en uitvoercertificaten in de sector granen en rijst(6), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1527/96(7), van toepassing is in het kader van deze verordening;

  6. Overwegende dat, om een efficiënt beheer van de vastgestelde regeling te garanderen, moet worden bepaald dat de zekerheid voor de invoercertificaten in het kader van bovengenoemde regeling wordt vastgesteld op 25 ecu per ton;

  7. Overwegende dat de in deze verordening vervatte maatregelen in overeenstemming zijn met het advies van het Comité van beheer voor granen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Overeenkomstig deze verordening wordt een jaarlijks tariefcontingent geopend van 1 000 ton breukrijst van GN-code 1006 40 00, voor de produktie van voor voeding bestemde bereidingen van GN-code 1901 10, met nulrecht.

Het contingent draagt het volgnummer 09.4079.

Behoudens andersluidende bepalingen in deze verordening is het bepaalde in de Verordeningen (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie(8), (EG) nr. 1342/2003 van de Commissie(9) en (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie(10) van toepassing.

Artikel 2

1.

Een invoercertificaataanvraag heeft betrekking op een hoeveelheid van ten minste 5 en ten hoogste 500 ton.

In elke certificaataanvraag wordt een hoeveelheid in kilogram, zonder decimalen, vermeld.

De aanvragen voor een invoercertificaat worden elke week uiterlijk op vrijdag om 13.00 uur Brusselse tijd bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaten ingediend.

2.

In afwijking van artikel 6, lid 1 van (EG) nr. 1301/2006 kan de aanvrager meer dan een certificaataanvraag per contingentperiode indienen. De aanvrager kan echter slechts een certificaataanvraag per week indienen.

3.

In vak 7 van de certificaataanvraag en van het invoercertificaat wordt het land van herkomst vermeld en wordt de vermelding „ja” aangekruist.

4.

De certifaataanvraag en het invoercertificaat bevatten:

  1. in vak 20 één van de in bijlage I opgenomen vermeldingen;

  2. in vak 24 één van de in bijlage II opgenomen vermeldingen.

5.

In afwijking van artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1162/95 wordt het bedrag van de zekerheid voor de in deze verordening bedoelde invoercertificaten vastgesteld op 25 ecu per ton.

Artikel 3

1.

Als de in een week aangevraagde hoeveelheden ertoe leiden dat de in het kader van het contingent beschikbare hoeveelheid wordt overschreden, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1301/2006 uiterlijk op de vierde werkdag volgende op de in artikel 2, lid 1, derde alinea, van de onderhavige verordening bedoelde uiterste datum voor de indiening van aanvragen de toewijzingscoëfficiënt voor de in de afgelopen week aangevraagde hoeveelheden vast en schorst zij de indiening van nieuwe invoercertificaataanvragen tot het einde van de contingentperiode.

De in de lopende week ingediende aanvragen worden als onontvankelijk beschouwd.

De lidstaten accepteren dat aanvragen waarbij de hoeveelheid waarvoor het certificaat moet worden afgegeven, kleiner is dan 20 ton, door de marktdeelnemers worden ingetrokken binnen twee werkdagen na de datum van bekendmaking van de verordening waarin de toewijzingscoëfficiënt is vastgesteld.

2.

Het invoercertificaat wordt afgegeven op de achtste werkdag volgende op de uiterste datum voor de indiening van de aanvragen.

Artikel 4

De lidstaten delen de Commissie elektronisch de volgende gegevens mee:

  1. uiterlijk op de eerste maandag volgende op de week waarin de certificaataanvragen zijn ingediend, vóór 18.00 uur Brusselse tijd: de in artikel 11, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1301/2006 bedoelde gegevens betreffende de invoercertificaataanvragen, met vermelding van de totale hoeveelheden waarop deze aanvragen betrekking hebben;

  2. uiterlijk op de tweede werkdag volgende op de afgifte van de invoercertificaten: de in artikel 11, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1301/2006 bedoelde gegevens betreffende de afgegeven certificaten, met vermelding van de totale hoeveelheden waarvoor invoercertificaten zijn afgegeven, alsmede de hoeveelheden waarvoor de certificaataanvragen zijn ingetrokken overeenkomstig artikel 3, lid 1, derde alinea, van de onderhavige verordening;

  3. uiterlijk op de laatste dag van elke maand: de totale hoeveelheden die in het kader van dat contingent in de loop van de tweede daaraan voorafgaande maand daadwerkelijk in het vrije verkeer zijn gebracht. Indien in een van deze maanden geen goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, wordt een mededeling met de vermelding „geen” toegezonden. In de derde maand die volgt op de uiterste geldigheidsdatum van de certificaten, is deze mededeling evenwel niet langer vereist.

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

BIJLAGE IIn artikel 2, lid 4, onder a), bedoelde vermeldingen

BIJLAGE IIIn artikel 2, lid 4, onder b), bedoelde vermeldingen

BIJLAGE IIIIn artikel 5, lid 3, onder a), bedoelde vermeldingen

BIJLAGE IVIn artikel 5, lid 3, onder b), bedoelde vermeldingen