Besluit van de Raad van 14 april 1997 tot verlening van een garantie van de Gemeenschap voor verliezen van de Europese Investeringsbank op leningen voor projecten buiten de Gemeenschap (landen in Midden- en Oost-Europa, mediterrane landen, landen in Azië en Latijns-Amerika, Zuid-Afrika, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Bosnië-Herzegovina) (97/256/EG)
Besluit van de Raad van 14 april 1997 tot verlening van een garantie van de Gemeenschap voor verliezen van de Europese Investeringsbank op leningen voor projecten buiten de Gemeenschap (landen in Midden- en Oost-Europa, mediterrane landen, landen in Azië en Latijns-Amerika, Zuid-Afrika, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Bosnië-Herzegovina) (97/256/EG)
[Tekst geldig vanaf 07-12-2000]
BESLUIT VAN DE RAAD
van 14 april 1997
tot verlening van een garantie van de Gemeenschap voor verliezen van de Europese Investeringsbank op leningen voor projecten buiten de Gemeenschap (landen in Midden- en Oost-Europa, mediterrane landen, landen in Azië en Latijns-Amerika, Zuid-Afrika, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië ◄ , Bosnië-Herzegovina ◄ )
(97/256/EG)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 235,
Gezien het voorstel van de Commissie ( 1 ),
Gezien het advies van het Europees Parlement ( 2 ),
|
(1) |
Overwegende dat de Europese Raad te Essen op 9 en 10 december 1994 de strategie ter voorbereiding van de toetreding van de geassocieerde landen in Midden- en Oost-Europa vastgesteld heeft; |
|
(2) |
Overwegende dat de Europese Raad te Cannes op 26 en 27 juni 1995 ermee ingestemd heeft de begrotingssteun die de mediterrane landen verleend wordt, aan te vullen met een verhoging van de kredietverlening van de Europese Investeringsbank (EIB) om bij te dragen tot het scheppen van een vrijhandelszone en tot het Europees-mediterrane partnerschap; |
|
(3) |
Overwegende dat de Europese Raad te Madrid op 15 en 16 december 1995 de Raad en de Commissie verzocht heeft de verklaring over het Europees-mediterrane partnerschap en het werkprogramma dat tijdens de Conferentie van Barcelona met de mediterrane landen (Algerije, Cyprus, Egypte, Israël, Jordanië, Libanon, Malta, Marokko, Syrië, Tunesië, Turkije en de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever) opgesteld is, ten uitvoer te leggen; dat de Europese Raad van Madrid tevens het belang van de rol van de EIB als instrument voor de samenwerking tussen de Gemeenschap en Latijns-Amerika onderstreept heeft en de EIB verzocht heeft haar activiteiten in de betrokken regio te intensiveren; dat de Europese Raad voorts ten aanzien van de uitbreiding opgemerkt heeft dat voortzetting van de activiteiten van de EIB een algehele verhoging van de inzet voor de voorbereiding op de toetreding mogelijk zal maken; |
|
(4) |
Overwegende dat de Europese Raad te Florence op 21 en 22 juni 1996 zijn voldoening uitgesproken heeft met de resultaten van de Aziatisch-Europese topontmoeting, die een keerpunt in de betrekkingen tussen de twee werelddelen vormt; |
|
(5) |
Overwegende dat de landen in Midden- en Oost-Europa (Albanië, Bulgarije, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië, Slowakije, Slovenië en Tsjechië) ingrijpende politieke en sociale hervormingen doorvoeren en een fundamentele herstructurering van hun economieën ter hand hebben genomen; |
|
(6) |
Overwegende dat de EIB bezig is met de voltooiing van haar huidige programma's voor leningen in Midden- en Oost-Europa op grond van Besluit 93/696/EG ( 3 ) en de kredietverlening op grond van de vierde generatie protocollen en de horizontale financiële samenwerking Verordening (EEG) nr. 1763/92 ( 4 ) met de mediterrane derde landen; |
|
(7) |
Overwegende dat de EIB haar driejarenprogramma voor leningen in Azië en Latijns-Amerika op grond van Besluit 93/115/EEG ( 5 ) reeds heeft afgerond; dat een tussentijds programma op grond van Besluit 96/723/EG ( 6 ) de EIB in staat zal stellen haar leningsactiviteiten in deze landen voort te zetten; |
|
(8) |
Overwegende dat de Raad op 4 oktober 1994 zijn goedkeuring heeft gehecht aan een samenwerkingsovereenkomst tussen de Gemeenschap en de Republiek Zuid-Afrika, die beoogt een harmonieuze, evenwichtige en duurzame sociale en economische ontwikkeling te bevorderen; dat de EIB in juni 1997 haar tweejarenprogramma voor leningen in Zuid-Afrika op grond van Besluit 95/207/EG ( 7 ) afrondt; |
|
(9) |
Overwegende dat de Raad de EIB verzoekt haar kredietverlening ten behoeve van investeringsprojecten in landen in Midden- en Oost-Europa, mediterrane derde landen, landen in Azië en Latijns-Amerika en in Zuid-Afrika voort te zetten; |
|
(9.a) |
Overwegende dat de garantie van de Gemeenschap voor verliezen van de EIB op leningen voor projecten in Bosnië-Herzegovina een uitzonderlijke en bijzondere maatregel is en geen precedent vormt voor eventuele garanties in de toekomst; |
|
(10) |
Overwegende dat het passend is om in de leningsprogramma's een aantal verbeteringen aan te brengen met betrekking tot de duur, de gebruikte instrumenten en de geografische werkingssfeer; |
|
(11) |
Overwegende dat de bij dit besluit vastgestelde garantie aan de EIB verleend moet worden; |
|
(12) |
Overwegende dat voor deze garantie de voorwaarden gelden die in Verordening (EG, Euratom) nr. 2728/94 ( 8 ) bepaald zijn; |
|
(13) |
Overwegende dat de Commissie in overleg met de EIB in juni 1996 een voorstel bij de Raad ingediend heeft voor een nieuwe garantieregeling voor de kredietverlening van de EIB in derde landen; |
|
(14) |
Overwegende dat de Raad op 2 december 1996 inzake nieuwe garantieregelingen voor EIB-leningen aan derde landen conclusies heeft goedgekeurd, waarin het volgende is bepaald: „De omvang van de kredietverlening aan derde landen moet in overeenstemming zijn met de financiële vooruitzichten, met de communautaire begrotingsdiscipline en met de interne EIB-richtsnoeren inzake kredietverlening aan derde landen. In dit verband moet tevens rekening worden gehouden met de conclusies van de Europese Raden van Essen, Cannes en Madrid. De op een alomvattende garantie gebaseerde aanpak, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen regio's en projecten, wordt goedgekeurd. De door de Commissie en de EIB voorgestelde scheiding van de risico's wordt goedgekeurd. De EIB wordt derhalve verzocht om er, waar mogelijk, voor een aanzienlijk deel van de verleende kredieten voor te zorgen dat de derde partijen afdoende garanties bieden voor de commerciële risico's. De begrotingsautoriteit zou in een dergelijk geval alleen bepaalde politieke risico's voor haar rekening nemen, namelijk de risico's in verband met de overmaking van valuta, onteigening, oorlog en oproer. De EIB wordt verzocht 25 % van haar totale kredietverlening in het kader van de mandaten te hanteren als streefcijfer voor het gebruik van niet-soevereine garanties, welk percentage, waar mogelijk en voor zover de marktomstandigheden zulks mogelijk maken, moet worden uitgebreid op basis van individuele mandaten. De toepassing van dit streefcijfer op de individuele mandaten moet op het ogenblik van de onderhandelingen over deze mandaten worden gespecificeerd.”; |
|
(15) |
Overwegende dat dit besluit in overeenstemming moet zijn met bovenstaande conclusies; |
|
(16) |
Overwegende dat een garantieniveau van 70 % volstaat voor het totale bedrag van de nieuwe mandaten voor kredietverlening en van andere behoeften op het terrein van kredietverlening voor de looptijd van dit besluit; |
|
(17) |
Overwegende dat de nieuwe garantieregeling geen afbreuk zal doen aan de uitstekende kredietwaardigheid van de EIB; |
|
(18) |
Overwegende dat overeenkomstig de conclusies van de Raad van 2 december 1996 „de voorzieningspercentages van het Garantiefonds (…) tot 1999 op het huidige niveau blijven”; dat overeenkomstig de conclusies van de Raad van 27 januari 1997 „elke betaling aan het Garantiefonds zal gebaseerd worden op het percentage dat op het tijdstip van betaling vereist is, te weten 15 % thans en 14 % zodra dat mogelijk is”; |
|
(19) |
Overwegende dat de Commissie en de EIB vanuit hun respectieve bevoegdheden moeten zorgen voor adequate coördinatie van de kredietverlening van de EIB in de begunstigde derde landen en de implementatie van de overige financiële instrumenten van de Gemeenschap; |
|
(20) |
Overwegende dat de Commissie en de EIB dienen te overleggen om ervoor te zorgen dat bij de bepaling van het tempo waarin de mandaten zullen worden benut, rekening gehouden wordt met de jaarlijkse variaties in het tempo waarin de Europese Unie van derde landen verzoeken tot betalingsbalanssteun ontvangt; |
|
(21) |
Overwegende dat de Raad het onderhavige besluit en met name de bedragen van de mandaten heeft goedgekeurd, rekening houdend met zijn conclusies van 27 januari 1997, volgens welke de lidstaten en de Commissie unaniem verklaren te „zullen instemmen met de instelling van een aanzienlijke pre-toetredingssteunfaciliteit. Zij verzoeken de Europese Investeringsbank om later dit jaar een voorstel voor zo'n faciliteit aan de raad van gouverneurs voor te leggen. De faciliteit zal zo spoedig mogelijk in werking treden zodra dat in het licht van de toekomstige toetreding mogelijk is. De faciliteit zal goedgekeurd worden krachtens artikel 18 van de EIB-statuten en geniet geen garanties uit de Gemeenschapsbegroting of van de lidstaten. De door een Gemeenschapsgarantie gedekte EIB-leningen kunnen worden geacht overeen te komen met een bedrag van 1 050 miljoen ecu voor macrofinanciële bijstand, ervan uitgaande dat voor Euratom-leningen 750 miljoen ecu nodig is; dat het maximumbedrag voor macrofinanciële bijstand tot 1 200 miljoen ecu zal worden verhoogd, indien de Euratom-leningen in de looptijd van dit besluit niet meer dan 600 miljoen ecu bedragen”; |
|
(22) |
Overwegende dat alleen in artikel 235 van het Verdrag bevoegdheden voor de vaststelling van dit besluit bepaald zijn, |
BESLUIT:
Artikel 1
1. De Gemeenschap verleent de Europese Investeringsbank (EIB) een algemene garantie voor gevallen waarin betaling uitblijft van bedragen die aan de EIB verschuldigd zijn uit hoofde van leningen welke overeenkomstig de gebruikelijke criteria van de EIB zijn verstrekt voor investeringsprojecten in landen in Midden- en Oost-Europa, in mediterrane landen, in Azië en in Latijns-Amerika, in de Republiek Zuid-Afrika, in de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en in Bosnië-Herzegovina.
Deze garantie is beperkt tot 70 % van het totaalbedrag van de uitstaande kredieten, plus alle daarmee verband houdende bedragen. Voor het totaal van de uitstaande kredieten geldt een maximum van 7 355 miljoen ECU, dat als volgt is onderverdeeld:
— Midden- en Oost-Europa:
— 3 520 miljoen ECU;
— mediterrane landen:
— 2 310 miljoen ECU;
— Azië en Latijns-Amerika:
— 900 miljoen ECU;
— Republiek Zuid-Afrika:
— 375 miljoen ECU;
— Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië:
— 150 miljoen ECU;
— Bosnië-Herzegovina:
— 100 miljoen ECU.
Dit maximum heeft betrekking op de periode van drie jaar die ingaat op 31 januari 1997 voor de landen in Midden- en Oost-Europa, de mediterrane landen en de landen in Azië en in Latijns-Amerika, op 1 juli 1997 voor de Republiek Zuid-Afrika en op 1 januari 1998 voor de Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië. Voor Bosnië-Herzegovina heeft het betrekking op een periode van twee jaar die ingaat op de datum van de bekendmaking van dit besluit. Indien bij het verstrijken van elk van deze perioden het bedrag van de door de EIB verstrekte leningen de bovengenoemde totaalbedragen heeft bereikt, wordt de betrokken periode automatisch met zes maanden verlengd.
2. Tot de bovengenoemde landen behoren:
— in Midden- en Oost-Europa: Albanië, Bulgarije, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië, Slowakije, Slovenië en Tsjechië;
— mediterrane derde landen: Algerije, Cyprus, Egypte, Israël, Jordanië, Libanon, Malta, Marokko, Syrië, Tunesië, Turkije en de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever;
— in Latijns-Amerika: Argentinië, Bolivia, Brazilië, Chili, Colombia, Costa Rica, El Salvador, Ecuador, Guatemala, Honduras, Mexico, Nicaragua, Panama, Paraguay, Peru, Uruguay en Venezuela;
— in Azië: Bangladesh, Brunei, China, de Filipijnen, India, Indonesië, Macao, Maleisië, Mongolië, Pakistan, Singapore, Sri Lanka, Thailand en Vietnam;
— de Republiek Zuid-Afrika;
— de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië;
— Bosnië-Herzegovina.
3. De Europese Investeringsbank wordt verzocht ernaar te streven om over 25 % van haar totale kredietverlening in het kader van haar leningen uit hoofde van dit besluit het commerciële risico te dekken met andere dan staatsgaranties, welk percentage, waar mogelijk en voor zover de marktomstandigheden dat toelaten, moet worden opgevoerd in het kader van individuele mandaten.
Artikel 1 bis
1. Dit artikel is van toepassing op de door de EIB in Bosnië-Herzegovina verstrekte leningen.
2. De garantie van de Gemeenschap wordt afhankelijk gesteld van de volledige betaling door Bosnië-Herzegovina van zijn uitstaande financiële verplichtingen aan de EIB en aan de Gemeenschap, en van de voorwaarde dat Bosnië-Herzegovina bij wijze van garantie de verantwoordelijkheid aanvaardt voor dergelijke financiële verplichtingen die nog niet zijn vervallen.
3. De door de EIB in Bosnië-Herzegovina te verstrekken leningen sporen met het beleid van de Gemeenschap in dat land. De EIB opereert in het kader van het in de verschillende donorconferenties overeengekomen wederopbouwprogramma en financiert projecten van wederzijds belang op het gebied van algemene infrastructuurvoorzieningen, waaronder begrepen vervoer, energie en milieu, met het accent op water-, afvalwater- en rioolwaterzuiveringsprojecten, teneinde het wederopbouwproces te bespoedigen.
4. De Commissie draagt zorg voor een adequate coördinatie en samenhang tussen acties in het kader van het onderhavige besluit en acties in het kader van Verordening (EG) nr. 1628/96 ( 9 ).
5. Schenkingen uit de Gemeenschapsbegroting voor projecten in Bosnië-Herzegovina op grond van dit besluit, hebben de vorm van rentesubsidies voor door de EIB verstrekte leningen. Het subsidiepercentage bedraagt 2 %.
De financieringsbesluiten betreffende dit besluit worden genomen overeenkomstig de in Verordening (EG) nr. 2666/2000 ( 10 ) vervatte procedures.
6. Artikel 1, lid 3, is niet van toepassing op leningen van de EIB in Bosnië-Herzegovina.
7. De Commissie en de EIB werken waar nodig samen met alle internationale financiële instellingen die in Bosnië-Herzegovina actief zijn.
Artikel 2
Om de zes maanden stelt de Commissie het Europees Parlement en de Raad op de hoogte van de situatie met betrekking tot de ondertekende leningovereenkomsten en de in artikel 1, lid 3, bedoelde risicodeling. Hiertoe doet de EIB regelmatig de dienstige informatie aan de Commissie toekomen.
De Commissie brengt het Europees Parlement en de Raad uiterlijk eind 1999 verslag uit over de tenuitvoerlegging van de bepalingen van dit besluit die Bosnië-Herzegovina betreffen. Het verslag bevat tevens een evaluatie van de gevolgen. In het verslag worden met name de ontwikkeling van de economische en financiële situatie in Bosnië-Herzegovina en het niveau van de door de EIB toegekende leningen in aanmerking genomen en worden passende aanbevelingen gedaan. Hiertoe verstrekt de EIB aan de Commissie de nodige informatie.
Artikel 3
Eenmaal per jaar stelt de Commissie het Europees Parlement en de Raad op de hoogte van de verstrekte leningen; tegelijkertijd legt zij een beoordeling over van de werking van de regeling en van de coördinatie tussen de financiële instellingen die in het betrokken gebied werkzaam zijn.
Artikel 4
De Raad evalueert de tenuitvoerlegging van dit besluit op basis van een in juni 1998 door de Commissie en de EIB in te dienen verslag.
Artikel 5
De nadere bepalingen voor de toepassing van dit besluit worden vastgesteld in een door de Commissie en de EIB te sluiten overeenkomst.
Artikel 6
Dit besluit treedt in werking op de dag van bekendmaking ervan in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
( 1 ) PB nr. C 13 van 14. 1. 1996, blz. 9.
( 2 ) PB nr. C 115 van 14. 4. 1997.
( 3 ) Besluit 93/696/EG van de Raad van 13 december 1993 tot toekenning van de garantie van de Gemeenschap aan de Europese Investeringsbank voor verliezen op leningen voor projecten in de Midden- en Oost-Europese landen (Polen, Hongarije, Tsjechische Republiek, Slowaakse Republiek, Roemenië, Bulgarije, Estland, Letland, Litouwen en Albanië) (PB nr. L 321 van 23. 12. 1993, blz. 27).
( 4 ) Verordening (EEG) nr. 1763/92 van de Raad van 29 juni 1992 betreffende de financiële samenwerking met de mediterrane derde landen (PB nr. L 181 van 1. 7. 1992, blz. 5), zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1735/94 (PB nr. L 182 van 16. 7. 1994, blz. 6).
( 5 ) Besluit 93/115/EEG van de Raad van 15 februari 1993 waarbij aan de Europese Investeringsbank een garantie van de Gemeenschap wordt verleend voor verliezen uit hoofde van leningen voor projecten van gemeenschappelijk belang in bepaalde derde landen (PB nr. L 45 van 23. 2. 1993, blz. 27).
( 6 ) Besluit 96/723/EG van de Raad van 12 december 1996 waarbij aan de Europese Investeringsbank een garantie van de Gemeenschap wordt verleend voor verliezen op leningen voor projecten van gemeenschappelijk belang in landen in Latijns-Amerika en Azië waarmee de Gemeenschap samenwerkingsovereenkomsten gesloten heeft (Argentinië, Bolivia, Brazilië, Chili, Colombia, Costa Rica, Ecuador, El Salvador, Guatemala, Honduras, Mexico, Nicaragua, Panama, Paraguay, Peru, Uruguay en Venezuela, Bangladesh, Brunei, China, de Filipijnen, India, Indonesië, Macao, Maleisië, Pakistan, Singapore, Sri Lanka, Thailand en Vietnam) (PB nr. L 329 van 19. 12. 1996, blz. 45).
( 7 ) Besluit 95/207/EG van de Raad van 1 juni 1995 tot toekenning van een garantie van de Gemeenschap aan de Europese Investeringsbank voor verliezen op leningen voor projecten in Zuid-Afrika (PB nr. L 131 van 15. 6. 1995, blz. 31).
( 8 ) Verordening (EG, Euratom) nr. 2728/94 van de Raad van 31 oktober 1994 tot instelling van een Garantiefonds (PB nr. L 293 van 12. 11. 1994, blz. 1).
( 9 ) PB L 204 van 14.8.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 851/98 (PB L 122 van 24.4.1998, blz. 1).
( 10 ) PB L 306 van 7.12.2000, blz. 1.