Home

Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van wegeninfrastructuur aan voertuigen

Richtlijn 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van wegeninfrastructuur aan voertuigen

HOOFDSTUK I Algemene bepalingen

Artikel 1

1.

Deze richtlijn is van toepassing op:

  1. belastingen op zware vrachtvoertuigen;

  2. tolgelden en gebruiksrechten op voertuigen.

2.

Deze richtlijn is niet van toepassing op voertuigen die uitsluitend worden gebruikt op de niet-Europese grondgebieden van de lidstaten.

3.

De richtlijn is evenmin van toepassing op voertuigen die zijn ingeschreven op de Canarische Eilanden, in Ceuta en Melilla en op de Azoren en Madeira, en uitsluitend vervoer verrichten binnen die grondgebieden of tussen die grondgebieden en het vasteland van Spanje, respectievelijk Portugal.

Artikel 2

1.

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

  1. „trans-Europees wegennet”: de infrastructuur voor het wegvervoer als bedoeld in hoofdstuk II, afdeling 3, van Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad(1), als aangeduid op de kaarten in bijlage I bij die verordening;

  2. „trans-Europees kernnetwerk voor vervoer”: de overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening (EU) nr. 1315/2013 geïdentificeerde vervoersinfrastructuur;

  3. „aanlegkosten”: de kosten in verband met de aanleg, inclusief, waar passend, de financieringskosten, van:

    1. nieuwe infrastructuurvoorzieningen of nieuwe infrastructuurverbeteringen (inclusief significante structurele reparaties);

    2. infrastructuur of infrastructuurverbeteringen (inclusief significante structurele reparaties) die voltooid waren uiterlijk 30 jaar vóór 10 juni 2008, indien de tolregelingen reeds waren ingesteld op 10 juni 2008, of die voltooid waren uiterlijk 30 jaar vóór de vaststelling van nieuwe tolregelingen die na 10 juni 2008 zijn ingevoerd, of

    3. infrastructuur of infrastructuurverbeteringen die voltooid waren vóór de in punt b) bedoelde termijnen, indien:

      1. een lidstaat een tolsysteem heeft ingesteld dat voorziet in het terugbetalen van die kosten door middel van een overeenkomst met een exploitant van een tolsysteem of andere rechtshandelingen van gelijke werking die van kracht zijn geworden vóór 10 juni 2008, of

      2. een lidstaat kan aantonen dat de aanleg van de betrokken infrastructuur slechts gerechtvaardigd was als de geplande levensduur meer dan 30 jaar bedraagt;

  4. „financieringskosten”: rente over leningen en rendement op eventueel door aandeelhouders beschikbaar gesteld aandelenkapitaal;

  5. „significante structurele reparaties”: structurele reparaties, met uitzondering van reparaties die tegenwoordig geen nut meer hebben voor de weggebruiker, met name indien verdere vernieuwing van het wegdek of andere aanlegwerkzaamheden in de plaats zijn gekomen van het reparatiewerk;

  6. „autosnelweg”: een weg die speciaal is ontworpen en aangelegd voor verkeer met motorvoertuigen waarop aanliggende percelen geen uitweg hebben en die:

    1. behalve op bepaalde plaatsen of tijdelijk, is voorzien van gescheiden rijbanen voor beide verkeersrichtingen, welke rijbanen van elkaar gescheiden zijn hetzij door een scheidende strook die niet voor het verkeer is bestemd hetzij, bij uitzondering, op andere wijze;

    2. geen andere weg, spoorweg of trambaan, fietspad of voetpad gelijkvloers kruist, en

    3. specifiek als autosnelweg is aanduid;

  7. „tolgeld”: een vastgesteld bedrag dat betaald moet worden met betrekking tot een voertuig en dat gebaseerd is op de afstand die een bepaald type voertuig op een infrastructuurvoorziening heeft afgelegd, waarvan de betaling het recht geeft om met dat voertuig de infrastructuurvoorziening te gebruiken, en dat bestaat uit een of meer van de volgende heffingen:

    1. een infrastructuurheffing,

    2. een congestieheffing, of

    3. een externekostenheffing;

  8. „infrastructuurheffing”: een heffing ter dekking van door een lidstaat gemaakte aanleg-, onderhouds-, exploitatie- en ontwikkelingskosten in verband met de infrastructuur;

  9. „externekostenheffing”: een heffing ter dekking van de kosten in verband met een of meer van de volgende heffingen:

    1. door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging;

    2. door het verkeer veroorzaakte geluidshinder, of

    3. door het verkeer veroorzaakte CO2-emissies;

  10. „kosten van door het verkeer veroorzaakte luchtverontreiniging”: de kosten van de schade aan de menselijke gezondheid en aan het milieu die wordt veroorzaakt door de uitstoot, tijdens het gebruik van een voertuig, van fijn stof en van ozonprecursoren zoals NOx en vluchtige organische stoffen;

  11. „kosten van door het verkeer veroorzaakte geluidhinder”: de kosten van de schade aan de menselijke gezondheid en aan het milieu die wordt veroorzaakt door de geluidhinder voortgebracht door voertuigen of door het contact van voertuigen met het wegdek;

  12. „kosten van door het verkeer veroorzaakte CO2-emissies”: de kosten van de schade die wordt veroorzaakt door het vrijkomen van CO2 tijdens het gebruik van een voertuig;

  13. „congestie”: een situatie waarin het verkeersvolume in de buurt komt van of hoger is dan de wegcapaciteit;

  14. „congestieheffing”: een heffing op voertuigen ter dekking van de in een lidstaat veroorzaakte congestiekosten en tot terugdringing van de verkeerscongestie;

  15. „gewogen gemiddelde infrastructuurheffing”: de totale inkomsten van een infrastructuurheffing over een bepaalde periode, gedeeld door het aantal kilometers dat zware bedrijfsvoertuigen in die periode op de aan die heffing onderworpen trajecten hebben afgelegd;

  16. „gebruiksrecht”: een vastgesteld bedrag waarvan de betaling recht geeft om gedurende een bepaalde tijd met een voertuig gebruik te maken van de in artikel 7, leden 1 en 2, bedoelde infrastructuurvoorzieningen;

  17. „voertuig”: een motorvoertuig met minstens vier wielen of een samenstel van gelede voertuigen bedoeld of gebruikt voor het vervoer van personen of goederen over de weg;

  18. „zwaar bedrijfsvoertuig”: een voertuig met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van meer dan 3,5 ton;

  19. „zwaar vrachtvoertuig”: een zwaar bedrijfsvoertuig voor goederenvervoer;

  20. „touringcar” en „bus”: een zwaar bedrijfsvoertuig voor het vervoer van meer dan acht passagiers, de bestuurder niet meegerekend;

  21. „licht voertuig”: een voertuig met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van niet meer dan 3,5 ton;

  22. „personenauto”: een licht voertuig voor het vervoer van niet meer dan acht passagiers, de bestuurder niet meegerekend;

  23. „voertuig van historisch belang”: een voertuig van historisch belang in de zin van artikel 3, punt 7, van Richtlijn 2014/45/EU van het Europees Parlement en de Raad(2);

  24. „minibus”: een licht voertuig voor het vervoer van meer dan acht passagiers, de bestuurder niet meegerekend;

  25. „kampeerauto”: een voertuig uitgerust met een leefruimte die een tafel en zitplaatsen (die al dan niet kunnen worden omgevormd tot slaapplaatsen), eventueel afzonderlijke slaapplaatsen, en kook- en opslagfaciliteiten omvat;

  26. „licht bedrijfsvoertuig”: een licht voertuig voor goederenvervoer;

  27. „bestelwagen”: een licht voertuig als gedefinieerd in punt 4.2 van deel C van bijlage I bij Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad(3);

  28. „CO2-emissies” van een zwaar bedrijfsvoertuig: de specifieke CO2-emissies die zijn vermeld in punt 2.3 van het klanteninformatiedossier van het voertuig in de zin van deel II van bijlage IV bij Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie(4);

  29. „emissievrij voertuig”:

    1. een „emissievrij zwaar bedrijfsvoertuig” in de zin van artikel 3, punt 11, van Verordening (EU) 2019/1242 van het Europees Parlement en de Raad(5), of

    2. een personenauto, minibus of licht bedrijfsvoertuig zonder interne verbrandingsmotor;

  30. „emissiearm zwaar bedrijfsvoertuig”:

    1. een „emissiearm zwaar bedrijfsvoertuig” in de zin van artikel 3, punt 12, van Verordening (EU) 2019/1242, of

    2. een zwaar bedrijfsvoertuig dat niet onder artikel 2, lid 1, punten a) tot en met d), van die verordening valt en waarvan de CO2-emissies minder dan 50 % bedragen van de referentiewaarden van CO2-emissies van de groep voertuigen waartoe dat voertuig behoort, en dat geen emissievrij voertuig is;

  31. „vervoerder”: een onderneming die goederen of passagiers vervoert over de weg;

  32. „voertuig van emissieklasse Euro 0, Euro I, Euro II, Euro III, Euro IV, Euro V, EEV, Euro VI”: een zwaar bedrijfsvoertuig dat voldoet aan de emissiegrenswaarden in bijlage 0;

  33. „type zwaar bedrijfsvoertuig”: een categorie waartoe een zwaar bedrijfsvoertuig behoort op basis van het aantal assen, de afmetingen of de massa van het voertuig, of op basis van een voertuigindeling volgens aan de weg toegebrachte schade, zoals het in bijlage IV opgenomen indelingssysteem op basis van de aan het wegdek toegebrachte schade, mits het indelingssysteem gebaseerd is op voertuigkenmerken die voorkomen in de voertuigdocumenten die in alle lidstaten worden gebruikt, of die duidelijk zichtbaar zijn;

  34. „subgroep voertuigen”: een „subgroep voertuigen” in de zin van artikel 3, punt 8, van Verordening (EU) 2019/1242;

  35. „groep voertuigen”: een groep voertuigen die is opgenomen in tabel 1 van bijlage I bij Verordening (EU) 2017/2400;

  36. „rapporteringsperiode van jaar Y”: een „rapporteringsperiode van jaar Y” in de zin van artikel 3, punt 3, van Verordening (EU) 2019/1242;

  37. „emissiereductietraject” voor de rapporteringsperiode van jaar Y en subgroep voertuigen (sg), namelijk ETY,sg: het product van de jaarlijkse CO2-emissiereductiefactor (R-ETY) maal de referentiewaarden van CO2-emissies (rCO2sg) van de subgroep (sg), namelijk ETY,sg = R-ETY × rCO2sg; voor de jaren Y ≤ 2030 zijn R-ETY en rCO2sg allebei bepaald in punt 5.1 van bijlage I bij Verordening (EU) 2019/1242; voor de jaren Y> 2030 is R-ETY gelijk aan 0,70; rCO2sg is van toepassing zoals aangepast door middel van de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2019/1242 voor de rapporteringsperioden vanaf de respectieve datums van toepassing van die gedelegeerde handelingen;

  38. „referentiewaarden van CO2-emissies van een groep voertuigen”:

    1. wat voertuigen betreft die onder Verordening (EU) 2019/1242 vallen, het volgens de formule in punt 3 van bijlage I bij die verordening berekende bedrag;

    2. wat voertuigen betreft die niet onder Verordening (EU) 2019/1242 vallen, het gemiddelde van alle CO2-emissies van voertuigen in die groep voertuigen, dat overeenkomstig Verordening (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad(6) voor de eerste rapporteringsperiode is gerapporteerd; die periode begint na de datum waarop de registratie, de verkoop of het in het verkeer brengen van voertuigen van die groep voertuigen, die niet voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 9 van Verordening (EU) 2017/2400, verboden is overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EU) 2017/2400;

  39. „concessieovereenkomst”: een „concessie voor werken” of een „concessie voor diensten” in de zin van artikel 5, punt 1, a) of b), van Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad(7);

  40. „concessietolgeld”: tolgeld geheven door een concessiehouder krachtens een concessieovereenkomst;

  41. „ingrijpend gewijzigde tol- of heffingsregeling”: een tol- of heffingsregeling waarbij de inkomsten door tariefwijziging naar verwachting zullen stijgen met meer dan 10 % ten opzichte van het voorgaande boekjaar, exclusief het effect van een verkeerstoename en na inflatiecorrectie, gemeten aan de hand van veranderingen in het EU-brede geharmoniseerde indexcijfer van de consumptieprijzen (GICP), met uitzondering van energie en onbewerkte voedingsmiddelen, zoals gepubliceerd door de Commissie (Eurostat).

2.

Voor de toepassing van lid 1, punt 2:

  1. mag het percentage van de aanlegkosten dat in aanmerking wordt genomen, in geen geval groter zijn dan het percentage van de huidige geplande levensduur van de infrastructuurcomponenten dat nog moest ingaan op 10 juni 2008 of, indien dat later is, op de invoeringsdatum van de nieuwe tolregelingen;

  2. kunnen infrastructuurkosten of infrastructuurverbeteringen ook specifieke uitgaven omvatten voor infrastructuurvoorzieningen om geluidshinder te beperken, innovatieve technologieën toe te passen of de verkeersveiligheid te verbeteren, alsook daadwerkelijk door de exploitant van de infrastructuur gemaakte kosten, op basis van objectieve milieuaspecten zoals bescherming tegen bodemverontreiniging.

3.

Onverminderd artikel 7 quinquies bis, lid 3, kunnen de lidstaten een kampeerauto ofwel als een touringcar of bus, ofwel als een personenauto behandelen.

HOOFDSTUK II Belastingen op voertuigen

Artikel 3

1.

De in artikel 1 bedoelde belastingen op voertuigen zijn:

  • België:

    • verkeersbelasting op de autovoertuigen/taxe de circulation sur les véhicules automobiles;

  • Bulgarije:

    • данък върху превозните средства;

  • Tsjechië:

    • silniční daň;

  • Denemarken:

    • vægtafgift af motorkøretøjer m.v.;

  • Duitsland:

    • Kraftfahrzeugsteuer;

  • Estland:

    • raskeveokimaks;

  • Griekenland:

    • Τέλη κυκλοφορίας;

  • Spanje:

    1. impuesto sobre vehículos de tracción mecánica,

    2. impuesto sobre actividades económicas (uitsluitend wat betreft het gedeelte van de belasting dat voor motorvoertuigen wordt geheven);

  • Frankrijk:

    1. taxe spéciale sur certains véhicules routiers,

    2. taxe différentielle sur les véhicules à moteur;

  • Kroatië:

    • godišnja naknada za uporabu javnih cesta koja se plaća pri registraciji motornih i priključnih vozila;

  • Ierland:

    • vehicle excise duty;

  • Italië:

    1. tassa automobilistica,

    2. addizionale del 5 % sulla tassa automobilistica;

  • Cyprus:

    • Τέλη Κυκλοφορίας Οχημάτων;

  • Letland:

    • transportlīdzekļa ikgadējā nodeva;

  • Litouwen:

    1. Transporto priemonių savininkų ar valdytojų naudotojo mokestis,

    2. Mokestis už Lietuvoje įregistruotas krovinines transporto priemones;

  • Luxemburg:

    • taxe sur les véhicules automoteurs;

  • Hongarije:

    • gépjárműadó;

  • Malta:

    • liċenzja tat-triq/road licence fee;

  • Nederland:

    • motorrijtuigenbelasting;

  • Oostenrijk:

    • Kraftfahrzeugsteuer;

  • Polen:

    • podatek od środków transportowych;

  • Portugal:

    1. imposto de camionagem,

    2. imposto de circulação;

  • Roemenië:

    • Taxa asupra mijloacelor de transport;

  • Slovenië:

    • letno povračilo za uporabo javnih cest za motorna in priklopna vozila;

  • Slowakije:

    • cestná daň;

  • Finland:

    • varsinainen ajoneuvoveroegentlig fordonsskatt;

  • Zweden:

    • fordonsskatt;

  • Verenigd Koninkrijk:

    1. vehicle excise duty,

    2. motor vehicles licence.

2.

Een lidstaat die een van de in lid 1 genoemde belastingen door een andere, soortgelijke belasting vervangt, stelt de Commissie daarvan in kennis opdat zij de nodige wijzigingen kan aanbrengen.

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

HOOFDSTUK III Tolgelden en gebruiksrechten

Artikel 7

Artikel 7 bis

Artikel 7 bis bis

Artikel 7 ter

Artikel 7 quater

Artikel 7 quater bis

Artikel 7 quater ter

Artikel 7 quinquies

Artikel 7 quinquies bis

Artikel 7 sexies

Artikel 7 septies

Artikel 7 octies

Artikel 7 octies bis

Artikel 7 octies ter

Artikel 7 nonies

Artikel 7 decies

Artikel 7 undecies

Artikel 7 duodecies

Artikel 8

Artikel 8 bis

Artikel 8 ter

HOOFDSTUK IV Slotbepalingen

Artikel 9

Artikel 9 bis

Artikel 9 ter

Artikel 9 quater

Artikel 9 quinquies

Artikel 9 sexies

Artikel 10

Artikel 10 bis

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 14

BIJLAGE 0EMISSIEGRENSWAARDEN

BIJLAGE I

BIJLAGE IIMAXIMUMBEDRAGEN VAN GEBRUIKSRECHTEN IN EURO, INCLUSIEF ADMINISTRATIEVE KOSTEN, BEDOELD IN ARTIKEL 7 BIS, LID 2

BIJLAGE IIIKERNBEGINSELEN VOOR DE TOEDELING VAN KOSTEN EN DE BEREKENING VAN TOLGELDEN

BIJLAGE III bisMINIMUMEISEN VOOR DE AANREKENING VAN EEN EXTERNEKOSTENHEFFING

BIJLAGE III terREFERENTIEWAARDEN VOOR EXTERNEKOSTENHEFFINGEN

BIJLAGE III quaterREFERENTIEWAARDEN VAN DE EXTERNEKOSTENHEFFING VOOR CO2-EMISSIES

BIJLAGE IVINDICATIEVE BEPALING VAN DE VOERTUIGKLASSE

BIJLAGE VMINIMUMEISEN VOOR DE AANREKENING VAN CONGESTIEHEFFINGEN

BIJLAGE VIREFERENTIEWAARDEN VAN DE CONGESTIEHEFFING

BIJLAGE VIIEMISSIEPRESTATIES