Home

Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag

Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 94,

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Europees Parlement(2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(3),

  1. (1) Overwegende dat deze verordening, onverminderd bijzondere procedurele voorschriften vervat in verordeningen voor bepaalde sectoren, van toepassing is op steun in alle sectoren; dat met het oog op de toepassing van de artikelen 77 en 92 van het Verdrag de Commissie op grond van artikel 93 van het Verdrag specifiek bevoegd is om te beslissen of staatssteun verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt, wanneer zij bestaande steunregelingen onderzoekt, zich over nieuwe of gewijzigde steunmaatregelen uitspreekt en optreedt wegens niet-nakoming van haar beschikkingen of van de aanmeldingsplicht;

  2. Overwegende dat de Commissie, in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, voor de toepassing van artikel 93 van het Verdrag een consistente praktijk heeft ontwikkeld en vastgesteld en in een aantal mededelingen bepaalde procedurele regels en beginselen heeft vastgelegd; dat het passend is deze praktijk bij verordening te codificeren en te versterken, teneinde doeltreffende en efficiënte procedures overeenkomstig artikel 93 van het Verdrag te waarborgen;

  3. Overwegende dat een procedureverordening betreffende de toepassing van artikel 93 van het Verdrag de transparantie en rechtszekerheid ten goede zal komen;

  4. Overwegende dat met het oog op de rechtszekerheid moet worden omschreven onder welke omstandigheden steun moet worden beschouwd als bestaande steun; dat de voltooiing en versterking van de interne markt een geleidelijk proces is, wat tot uitdrukking komt in de voortdurende ontwikkeling van het beleid inzake overheidssteun; dat ingevolge deze ontwikkelingen bepaalde maatregelen die op het moment van hun inwerkingtreding geen overheidssteun vormden, steun kunnen zijn geworden;

  5. Overwegende dat overeenkomstig artikel 93, lid 3, van het Verdrag geplande nieuwe steunmaatregelen steeds ter kennis van de Commissie moeten worden gebracht en alleen met haar toestemming tot uitvoering kunnen worden gebracht;

  6. Overwegende dat de lidstaten op grond van artikel 5 van het Verdrag gehouden zijn om met de Commissie samen te werken en haar alle inlichtingen te verschaffen die zij behoeft om haar taken uit hoofde van deze verordening te kunnen vervullen;

  7. Overwegende dat de termijn waarbinnen de Commissie het eerste onderzoek van aangemelde steunmaatregelen dient te beeindigen, dient te worden gesteld op twee maanden vanaf de ontvangst van een volledige aanmelding of van een behoorlijk gemotiveerde verklaring waarin de betrokken lidstaat meedeelt dat hij de aanmelding als volledig beschouwt omdat de door de Commissie gevraagde aanvullende informatie niet beschikbaar is of reeds is verstrekt; dat dit onderzoek om redenen van rechtszekerheid met een beschikking moet worden afgesloten;

  8. Overwegende dat in de gevallen waarin de uitkomst van het eerste onderzoek de Commissie niet tot de slotsom kan brengen dat een steunmaatregel met de gemeenschappelijke markt verenigbaar is, de formele onderzoeksprocedure dient te worden ingeleid, zodat de Commissie alle inlichtingen kan verzamelen die zij nodig heeft om de verenigbaarheid van de steunmaatregel te beoordelen en om de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun opmerkingen kenbaar te maken; dat de rechten van de belanghebbenden het beste binnen het raam van de formele onderzoeksprocedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag, kunnen worden gewaarborgd;

  9. Overwegende dat de Commissie, na onderzoek van de door de belanghebbenden ingediende opmerkingen, haar onderzoek met een eindbeslissing dient af te sluiten zodra elke twijfel is weggenomen; dat, mocht het onderzoek niet binnen 18 maanden na het begin van de procedure zijn afgesloten de betrokken lidstaat in voorkomend geval om een beschikking moet kunnen verzoeken, die de Commissie dan binnen twee maanden moet geven;

  10. Overwegende dat de Commissie, om de correcte en doeltreffende toepassing van de regels inzake staatssteun te waarborgen, de mogelijkheid moet hebben om een beschikking die op onjuiste informatie berust, te herroepen;

  11. Overwegende dat de Commissie, teneinde de naleving te waarborgen van artikel 93 van het Verdrag, met name van de aanmeldingsplicht en de „standstill”-bepaling in lid 3 van dat artikel, alle gevallen van onrechtmatige steun dient te onderzoeken; dat met het oog op de transparantie en de rechtszekerheid de procedures voor dergelijke gevallen moeten worden vastgesteld; dat de Commissie bij niet-naleving door een lidstaat van de aanmeldingsplicht of van de „standstill”-bepaling niet gebonden mag zijn aan termijnen;

  12. Overwegende dat de Commissie in gevallen van onrechtmatige steun het recht dient te hebben om alle nodige informatie te vergaren om een beschikking te kunnen geven en, waar nodig, onverwijld niet-vervalste mededinging te herstellen; dat het derhalve wenselijk is dat de Commissie jegens de betrokken lidstaat voorlopige maatregelen kan nemen; dat die voorlopige maatregelen kunnen bestaan in een bevel tot informatieverstrekking, tot opschorting of tot terugvordering; dat de Commissie bij niet-nakoming van een bevel tot informatieverstrekking in staat moet worden gesteld om op grond van de beschikbare inlichtingen te beslissen, en zich bij niet-nakoming van een opschortings- of terugvorderingsbevel rechtstreeks tot het Hof van Justitie te wenden overeenkomstig artikel 93, lid 2, tweede alinea, van het Verdrag;

  13. Overwegende dat in gevallen van niet met de gemeenschappelijke markt verenigbare onrechtmatige steun, de daadwerkelijke mededinging dient te worden hersteld; dat het hiertoe noodzakelijk is dat de steun, met inbegrip van de rente, onverwijld wordt teruggevorderd; dat het passend is de terugvordering overeenkomstig de procedures van nationaal recht te doen geschieden; dat de toepassing van die procedures niet, door verhindering van de onverwijlde en daadwerkelijke uitvoering van de beschikking van de Commissie, het herstel van daadwerkelijke mededinging mag beletten; dat de lidstaten daartoe dan ook alle nodige maatregelen moeten treffen om de effectiviteit van die beschikking te verzekeren;

  14. Overwegende dat ter wille van de rechtszekerheid een termijn van tien jaar dient te worden vastgesteld, na het verstrijken waarvan geen terugvordering van onrechtmatige steun meer kan worden bevolen;

  15. Overwegende dat misbruik van steun de werking van de interne markt op soortgelijke wijze kan beïnvloeden als onrechtmatige steun en dus volgens soortgelijke procedures moet worden behandeld; dat, anders dan onrechtmatige steun, mogelijk misbruikte steun al eerder door de Commissie is goedgekeurd; dat de Commissie derhalve geen terugvordering mag kunnen gelasten;

  16. Overwegende dat in de verordening alle mogelijkheden moeten worden omschreven waarover derden beschikken om hun belangen in procedures betreffende overheidssteun te verdedigen;

  17. Overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 93, lid l, van het Verdrag verplicht is om in samenwerking met de lidstaten alle bestaande steunregelingen aan een voortdurend onderzoek te onderwerpen; dat het in het belang van de transparantie en de rechtszekerheid passend is de werkingssfeer van de samenwerking uit hoofde van dat artikel nader te omschrijven;

  18. Overwegende dat, teneinde te waarborgen dat de bestaande steunregelingen verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt, de Commissie overeenkomstig artikel 93, lid 1, van het Verdrag dienstige maatregelen moet voorstellen indien een bestaande steunregeling niet of niet langer met de gemeenschappelijke markt verenigbaar is, en zij de in artikel 93, lid 2, van het Verdrag vastgestelde procedure moet inleiden indien de betrokken lidstaat weigert de voorgestelde maatregelen uit te voeren;

  19. Overwegende dat het noodzakelijk is voor alle bestaande steunregelingen een algemene rapportageverplichting in te voeren, zodat de Commissie op doeltreffende wijze de nakoming van haar beschikkingen kan volgen en de Commissie en de lidstaten gemakkelijker kunnen samenwerken met het oog op het voortdurend onderzoek van alle bestaande steunregelingen in de lidstaten overeenkomstig artikel 93, lid 1, van het Verdrag;

  20. Overwegende dat wanneer de Commissie ernstige twijfel koestert omtrent de nakoming van haar beschikkingen, zij over bijkomende instrumenten moet beschikken om zich ervan to kunnen vergewissen dat aan haar beschikkingen gevolg wordt gegeven; dat in dit verband controles ter plaatse een passend en nuttig instrument vormen, met name wanneer er sprake zou kunnen zijn van misbruik van steun; dat de Commissie daarom de bevoegdheid moet hebben controles ter plaatse te verrichten en zij, indien een onderneming zich tegen een dergelijke controle verzet, moet kunnen rekenen op de medewerking van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten;

  21. Overwegende dat het in het belang van de transparantie en de rechtszekerheid dienstig is publieke informatie te verstrekken over de beschikkingen van de Commissie, terwijl terzelfder tijd het beginsel behouden dient te blijven dat beschikkingen in zaken van overheidssteun tot de betrokken lidstaat worden gericht; dat het derhalve passend is om alle beschikkingen die de belangen van de belanghebbenden zouden kunnen treffen, integraal of in de vorm van een samenvatting te publiceren of om van niet of niet integraal gepubliceerde beschikkingen exemplaren voor de belanghebbenden beschikbaar te stellen; dat de Commissie in de publieke informatie over haar beschikkingen overeenkomstig artikel 214 van het Verdrag de regels inzake de geheimhoudingsplicht dient na te leven;

  22. Overwegende dat de Commissie in nauw contact met de lidstaten de mogelijkheid dient te hebben om uitvoeringsbepalingen vast te stellen die nadere regels behelzen inzake de procedures krachtens deze verordening; dat het dienstig is om, met het oog op de samenwerking tussen de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, een Raadgevend Comité inzake overheidssteun in te stellen dat dient te worden geraadpleegd alvorens de Commissie op basis van de onderhavige verordening uitvoeringsbepalingen vaststelt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I ALGEMEEN

Artikel 1 Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

  1. „steun”, elke maatregel die aan alle in artikel 92, lid 1, van het Verdrag vervatte criteria voldoet;

  2. „bestaande steun”,

    1. onverminderd de artikelen 144 en 172 van de Akte van Toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden, Bijlage IV, punt 3, en het Aanhangsel bij de genoemde Bijlage bij de Akte van Toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, en onverminderd Bijlage V, punt 2 en punt 3, onder b), en het Aanhangsel bij de genoemde Bijlage bij de Akte van Toetreding van Bulgarije en Roemenië, alle steun die voor de inwerkingtreding van het Verdrag in de respectieve lidstaat bestond, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag tot uitvoering zijn gebracht en die na de inwerkingtreding nog steeds van toepassing zijn;

    2. goedgekeurde steun, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun die door de Commissie of de Raad zijn goedgekeurd;

    3. steun die geacht wordt te zijn goedgekeurd overeenkomstig artikel 4, lid 6, van deze verordening, dan wel vóór deze verordening maar in overeenstemming met de onderhavige procedure;

    4. steun die overeenkomstig artikel 15 als bestaande steun wordt beschouwd;

    5. steun die als bestaande steun wordt beschouwd, omdat kan worden vastgesteld dat hij op het moment van inwerkingtreding geen steun vormde, maar vervolgens steun is geworden vanwege de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt, zonder dat de betrokken lidstaat er wijzigingen in heeft aangebracht; maatregelen die vanwege de liberalisering van een activiteit door het Gemeenschapsrecht steun zijn geworden, worden na de voor de liberalisering voorgeschreven datum niet als bestaande steun beschouwd;

  3. „nieuwe steun”, alle steun, dat wil zeggen steunregelingen en individuele steun die geen bestaande steun is, met inbegrip van wijzigingen in bestaande steun;

  4. „steunregeling”, elke regeling op grond waarvan aan ondernemingen die in de regeling op algemene en abstracte wijze zijn omschreven, individuele steun kan worden toegekend zonder dat hiervoor nog uitvoeringsmaatregelen vereist zijn, alsmede elke regeling op grond waarvan steun die niet gebonden is aan een specifiek project voor onbepaalde tijd en/of voor een onbepaald bedrag aan een of meer ondernemingen kan worden toegekend;

  5. „individuele steun”, steun die niet wordt toegekend op grond van een steunregeling, alsook steun die op grond van een steunregeling wordt toegekend en moet worden aangemeld;

  6. „onrechtmatige steun”, nieuwe steun die in strijd met artikel 93, lid 3, van het Verdrag tot uitvoering wordt gebracht;

  7. „misbruik van steun”, steun die door de begunstigde wordt gebruikt in strijd met een beschikking die werd gegeven overeenkomstig artikel 4, lid 3, of artikel 7, leden 3 en 4, van deze verordening;

  8. „belanghebbende”, een lidstaat en een persoon, onderneming of ondernemersvereniging waarvan de belangen door de toekenning van steun kunnen worden getroffen, in het bijzonder de begunstigde van de steun, concurrerende ondernemingen en beroepsverenigingen.

HOOFDSTUK II PROCEDURE BETREFFENDE AANGEMELDE STEUN

Artikel 2 Aanmelding van nieuwe steun

1.

Tenzij anders is bepaald in verordeningen op grond van artikel 94 van het Verdrag of op grond van andere desbetreffende bepalingen, wordt elk voornemen om nieuwe steun te verlenen tijdig door de betrokken lidstaat bij de Commissie aangemeld. De Commissie stelt de betrokken lidstaat onverwijld van de ontvangst van een aanmelding in kennis.

2.

In de aanmelding verstrekt de betrokken lidstaat alle informatie die de Commissie nodig heeft om overeenkomstig de artikelen 4 en 7 een beschikking te geven („volledige aanmelding”).

Artikel 3 Standstill-bepaling

Artikel 4 Eerste onderzoek van de aanmelding en beschikkingen van de Commissie

Artikel 5 Verzoek om informatie

Artikel 6 Formele onderzoeksprocedure

Artikel 7 Beschikkingen van de Commissie tot beëindiging van de formele onderzoeksprocedure

Artikel 8 Intrekking van de aanmelding

Artikel 9 Herroeping van een beschikking

HOOFDSTUK III PROCEDURE BETREFFENDE ONRECHTMATIGE STEUN

Artikel 10 Onderzoek, verzoek om informatie en bevel tot het verstrekken van informatie

Artikel 11 Bevel tot opschorting van steun of tot voorlopige terugvordering van steun

Artikel 12 Niet-naleving van een bevelsbeschikking

Artikel 13 Beschikkingen van de Commissie

Artikel 14 Terugvordering van steun

Artikel 15 Verjaring

HOOFDSTUK IV PROCEDURE BETREFFENDE MISBRUIK VAN STEUN

Artikel 16 Misbruik van steun

HOOFDSTUK V PROCEDURE BETREFFENDE BESTAANDE STEUNREGELINGEN

Artikel 17 Samenwerking op grond van artikel 93, lid 1, van het Verdrag

Artikel 18 Voorstel voor dienstige maatregelen

Artikel 19 Rechtsgevolgen van een voorstel voor dienstige maatregelen

HOOFDSTUK VI BELANGHEBBENDEN

Artikel 20 Rechten van de belanghebbenden

HOOFDSTUK VII TOEZICHT

Artikel 21 Jaarverslagen

Artikel 22 Controle ter plaatse

Artikel 23 Niet-naleving van beschikkingen en arresten

HOOFDSTUK VIII GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 24 Geheimhoudingsplicht

Artikel 25 Adressaten van de beschikkingen

Artikel 26 Bekendmaking van beschikkingen

Artikel 27 Uitvoeringsbepalingen

Artikel 28 Raadgevend Comité inzake overheidssteun

Artikel 29 Raadpleging van het comité

Artikel 30 Inwerkingtreding