Home

Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie van 9 juni 2000 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten

Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie van 9 juni 2000 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG) nr. 1766/92 van de Raad van 30 juni 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen(1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1253/1999(2), en met name op artikel 9, lid 2, artikel 12, lid 4, artikel 13, lid 11, en artikel 23, alsmede op de overeenkomstige bepalingen van de andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Bij Verordening (EEG) nr. 3719/88 van de Commissie(3), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1127/1999(4), die in de plaats was gekomen van Verordening (EEG) nr. 3183/80(5), die op haar beurt in de plaats was gekomen van Verordening (EEG) nr. 193/75(6), die op haar beurt in de plaats was gekomen van Verordening (EEG) nr. 1373/70(7), zijn de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten vastgesteld. Verordening (EEG) nr. 3719/88 is herhaaldelijk en soms ingrijpend gewijzigd. Ter wille van de duidelijkheid en de administratieve doeltreffendheid verdient het derhalve aanbeveling de betrokken regelgeving te herformuleren en er daarbij enkele wijzigingen in aan te brengen die blijkens de ervaring wenselijk zijn.

  2. In de communautaire verordeningen waarbij de invoer- en uitvoercertificaten zijn ingesteld, is bepaald dat dergelijke certificaten moeten worden overgelegd bij elke invoer in of elke uitvoer uit de Gemeenschap van landbouwproducten. Bijgevolg dient het toepassingsgebied van deze certificaten nader te worden omschreven door er die transacties van uit te sluiten die geen in- of uitvoer in strikte zin zijn.

  3. In bepaalde gevallen kunnen de bevoegde autoriteiten toestaan dat producten die onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst, in ongewijzigde staat of na verwerking in het vrije verkeer worden gebracht. Voor een goed marktbeheer dient in een dergelijk geval te worden geëist dat een invoercertificaat wordt overgelegd voor het product dat daadwerkelijk in het vrije verkeer wordt gebracht. Is het daadwerkelijk in het vrije verkeer gebrachte product echter verkregen uit basisproducten die gedeeltelijk uit derde landen en gedeeltelijk van de communautaire markt afkomstig zijn, dan dienen alleen die basisproducten in aanmerking te worden genomen die uit derde landen afkomstig zijn of zijn verkregen door verwerking van uit derde landen afkomstige basisproducten.

  4. Met de invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten wordt beoogd een goed beheer van de gemeenschappelijke marktordening te waarborgen. Sommige transacties hebben betrekking op kleine hoeveelheden en ter vereenvoudiging van de administratieve procedures lijkt het wenselijk niet te eisen dat voor dergelijke transacties invoer-, uitvoer- of voorfixatiecertificaten worden overgelegd.

  5. Voor de proviandering van zeeschepen en luchtvaartuigen in de Gemeenschap wordt geen uitvoercertificaat geëist. Dit dient, aangezien dezelfde argumenten kunnen worden aagevoerd, ook te gelden voor leveranties die bestemd zijn voor platforms en marineschepen, en voor leveranties voor proviandering in derde landen. Om dezelfde redenen is het wenselijk niet te eisen dat certificaten worden overgelegd voor transacties als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen(8), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 355/94(9).

  6. Gezien de gebruiken bij de internationale handel in de betrokken producten of goederen, dient voor de in- of uitgevoerde hoeveelheid een bepaalde tolerantie ten opzichte van de in het certificaat vermelde hoeveelheid te worden aanvaard.

  7. Om de gelijktijdige uitvoering van verscheidene transacties op basis van eenzelfde certificaat mogelijk te maken, dient te worden voorzien in de afgifte van uittreksels van certificaten die dezelfde rechtsgevolgen hebben als de certificaten waaraan zij zijn ontleend.

  8. Volgens de communautaire regeling voor de verschillende sectoren waarop de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten betrekking heeft, zijn de invoer-, uitvoer- of voorfixatiecertificaten geldig voor een transactie in de Gemeenschap. Daarom moeten gemeenschappelijke bepalingen worden vastgesteld met betrekking tot de opstelling en het gebruik van deze certificaten, de invoering van communautaire formulieren en de totstandbrenging van methoden voor administratieve samenwerking tussen lidstaten.

  9. Bij administratieve werkzaamheden van uiteenlopende aard wordt het met de hand vastleggen van gegevens geleidelijk vervangen door het gebruik van geautomatiseerde systemen. Het is derhalve wenselijk dat ook bij de afgifte en het gebruik van de certificaten geautomatiseerde en elektronische systemen kunnen worden toegepast.

  10. In de communautaire verordeningen waarbij de bovengenoemde certificaten zijn ingesteld, is bepaald dat deze certificaten slechts worden afgegeven indien een zekerheid wordt gesteld als garantie dat de verplichting tot in- of uitvoer tijdens de geldigheidsduur van het certificaat zal worden nagekomen. Bepaald dient te worden op welk tijdstip de verplichting tot in- of uitvoer is nagekomen.

  11. De tariefindeling van het product is bepalend voor het certificaat met vaststelling vooraf van de restitutie dat moet worden gebruikt. Voor sommige mengsels is de bepaling van het eenheidsbedrag van de restitutie niet gebaseerd op de tariefindeling van het product, maar op de specifieke regels die daartoe zijn vastgesteld. Bijgevolg dient te worden bepaald dat in het geval dat de tariefindeling van het bestanddeel op basis waarvan de restitutie voor het mengsel wordt berekend, niet met die van het mengsel overeenkomt, voor het uitgevoerde mengsel niet het vooraf vastgestelde eenheidsbedrag kan worden toegepast.

  12. Invoercertificaten worden soms gebruikt voor het beheer van kwantitatieve invoerregelingen. Dat beheer is slechts mogelijk indien binnen een betrekkelijk korte termijn bekend is welke invoer op basis van de afgegeven certificaten heeft plaatsgevonden. Het bewijs van het gebruik van de certificaten wordt dan niet in het kader van een goed administratief beheer gevraagd, maar speelt een essentiële rol in het beheer van deze kwantitatieve regelingen. Dit bewijs wordt geleverd door overlegging van exemplaar nr. 1 van het certificaat en, in voorkomend geval, door overlegging van de uittreksels. Het is mogelijk dit bewijs binnen een betrekkelijk korte termijn te leveren. Bijgevolg dient te worden voorzien in een dergelijke termijn, die van toepassing is in de gevallen waarin de communautaire voorschriften betreffende voor het beheer van kwantitatieve invoerregelingen gebruikte certificaten ernaar verwijzen.

  13. Het bedrag van de zekerheid die bij het aanvragen van een certificaat moet worden gesteld, kan in sommige gevallen zeer gering zijn. Om overbelasting van de bevoegde diensten te voorkomen, dient in dergelijke gevallen geen zekerheid te worden verlangd.

  14. Omdat in de praktijk de gebruiker van het certificaat kan verschillen van de titularis of de cessionaris ervan, dient terwille van de rechtszekerheid en een doeltreffend beheer te worden gepreciseerd welke personen gemachtigd zijn het certificaat te gebruiken. Daartoe dient dus te worden bepaald welke band er moet bestaan tussen de titularis van het document en de persoon die de douaneaangifte doet.

  15. Het invoer- of uitvoercertificaat geeft het recht in- of uit te voeren. Daarom moet het worden overgelegd bij de aanvaarding van de aangifte ten in- of uitvoer.

  16. Bij vereenvoudigde invoer- of uitvoerprocedures kan vrijstelling van de overlegging van het certificaat aan de douanedienst worden verleend of kan deze overlegging achteraf plaatsvinden. De importeur of exporteur moet echter in het bezit van het certificaat zijn op de datum die als datum van aanvaarding van de aangifte ten in- of uitvoer geldt.

  17. Het is mogelijk om ter vereenvoudiging de bestaande regeling te versoepelen en de lidstaten toe te staan een vereenvoudigde procedure betreffende de door de certificaten af te leggen administratieve weg in te stellen die erin bestaat dat het certificaat wordt bewaard door de instantie van afgifte of, eventueel, het betaalorgaan indien het een uitvoercertificaat met vaststelling vooraf van de restitutie betreft.

  18. Ter wille van een goed administratief beheer mogen de certificaten en de uittreksels van certificaten na afgifte ervan niet worden gewijzigd. Voor de gevallen waarin twijfel rijst in verband met een aan de instantie van afgifte toe te schrijven fout of klaarblijkelijke onjuistheden in de vermeldingen op het certificaat of het uittreksel, dient te worden voorzien in een procedure die ertoe kan leiden dat de foutieve certificaten of uittreksels worden ingetrokken en er verbeterde documenten worden afgegeven.

  19. Indien een product wordt geplaatst onder een van de vereenvoudigde procedures als bedoeld in deel II, titel II, hoofdstuk 7, afdeling 3, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek(10), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1662/1999(11), of in titel X, hoofdstuk I, van aanhangsel I van de Overeenkomst van 20 mei 1987 betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer, behoeft bij het douanekantoor waaronder het grensstation ressorteert, geen enkele formaliteit te worden vervuld wanneer de vervoersbeweging binnen de Gemeenschap begint en daarbuiten dient te eindigen. Met het oog op administratieve vereenvoudiging is het wenselijk om voor de gevallen waarin gebruik van een van deze procedures wordt gemaakt, bijzondere bepalingen inzake het vrijgeven van de zekerheid vast te stellen.

  20. Het kan gebeuren dat door omstandigheden buiten de wil van de belanghebbende het document dat het verlaten van het douanegebied van de Gemeenschap bewijst, niet kan worden overgelegd hoewel het product het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten of, in de gevallen als bedoeld in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 800/1999 van de Commissie(12), zijn bestemming heeft bereikt. Een dergelijke situatie kan een belemmering voor de handel vormen. In dergelijke gevallen dienen andere documenten als gelijkwaardig te worden erkend.

  21. In de communautaire verordeningen waarbij de betrokken certificaten zijn ingesteld, is bepaald dat de zekerheid volledig of gedeeltelijk wordt verbeurd indien tijdens de geldigheidsduur van het certificaat de in- of uitvoer niet of slechts gedeeltelijk plaatsvindt. De desbetreffende bepalingen moeten worden gepreciseerd, met name voor de gevallen waarin de aangegane verplichtingen door overmacht niet worden nagekomen. In dergelijke gevallen kan de verplichting tot in- of uitvoer als geannuleerd worden beschouwd of kan de geldigheidsduur van het certificaat worden verlengd. Om een mogelijke verstoring van het marktbeheer te voorkomen, dient deze verlenging echter hoe dan ook beperkt te blijven tot een periode van niet meer dan zes maanden gerekend vanaf het einde van de oorspronkelijke geldigheidsduur.

  22. Met het oog op administratieve vereenvoudiging is het wenselijk te bepalen dat de zekerheid volledig kan worden vrijgegeven indien het totale bedrag dat voor een certificaat zou worden verbeurd, te verwaarlozen is.

  23. De zekerheid die bij de afgifte van het certificaat is gesteld, wordt slechts vrijgegeven wanneer aan de bevoegde instanties het bewijs wordt geleverd dat de betrokken goederen het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten binnen een termijn van 60 dagen te rekenen vanaf de datum van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer.

  24. Door diverse oorzaken kan het gebeuren dat de zekerheid wordt vrijgegeven zonder dat de verplichting tot in- of uitvoer werkelijk is nagekomen. In dat geval dient de ten onrechte vrijgegeven zekerheid opnieuw te worden gesteld.

  25. Met het oog op een volledige benutting van de mogelijkheden tot uitvoer van voor restituties in aanmerking komende landbouwproducten, moet een mechanisme worden ingesteld dat de marktdeelnemers ertoe aanspoort de certificaten die zij niet zullen gebruiken, snel aan de instantie van afgifte terug te bezorgen. Ook moet een mechanisme worden ingesteld dat de marktdeelnemers ertoe aanspoort de certificaten na de datum waarop deze zijn verstreken, snel aan de instantie van afgifte terug te bezorgen, zodat de niet-gebruikte hoeveelheden zo spoedig mogelijk opnieuw kunnen worden gebruikt.

  26. In artikel 3, lid 4, van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden(13) is bepaald dat, als de laatste dag van een termijn een feestdag, een zondag of een zaterdag is, deze termijn aan het einde van de daaropvolgende werkdag afloopt. In sommige gevallen wordt hierdoor de termijn voor het gebruik van de certificaten verlengd. Een dergelijke maatregel, die tot doel heeft de handel te vergemakkelijken, mag de economische voorwaarden voor de in- of uitvoertransactie niet wijzigen.

  27. In sommige sectoren waarop de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten betrekking heeft, worden de uitvoercertificaten pas na een bedenktijd afgegeven. Deze bedenktijd moet het mogelijk maken de marktsituatie te beoordelen en in voorkomend geval, met name bij moeilijkheden, de in behandeling zijnde aanvragen te schorsen, wat ertoe leidt dat deze aanvragen worden afgewezen. Gepreciseerd dient te worden dat deze schorsingsmogelijkheid ook de in het kader van artikel 49 van deze verordening aangevraagde certificaten betreft en dat voor een dergelijke certificaataanvraag na afloop van deze bedenktijd geen nieuwe schorsingsmaatregel meer kan worden toegepast.

  28. In artikel 844, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 is bepaald dat landbouwproducten die onder geleide van een uitvoer- of voorfixatiecertificaat zijn uitgevoerd, slechts voor toepassing van de regeling voor terugkerende goederen in aanmerking kunnen komen indien de communautaire bepalingen betreffende certificaten zijn nageleefd. Er moeten bijzondere uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van certificaten worden vastgesteld voor de producten waarvoor toepassing van de genoemde regeling voor terugkerende goederen wordt beoogd.

  29. In artikel 896 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 is bepaald dat de goederen die onder dekking van een invoer- of voorfixatiecertificaat in het vrije verkeer zijn gebracht, slechts voor toepassing van de regeling inzake terugbetaling of kwijtschelding van de invoerrechten in aanmerking komen wanneer wordt vastgesteld dat de bevoegde autoriteiten de noodzakelijke maatregelen hebben genomen om de gevolgen van het in het vrije verkeer brengen teniet te doen voor wat het certificaat betreft.

  30. In artikel 880 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 zijn enige algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 896 van dezelfde verordening opgenomen, waaronder met name de bepaling dat een verklaring moet worden verstrekt door de met de afgifte van de certificaten belaste autoriteiten.

  31. In de onderhavige verordening dienen alle noodzakelijke uitvoeringsbepalingen van artikel 896 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 te worden vastgesteld. Het blijkt mogelijk om in sommige gevallen aan het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 2454/93 te voldoen zonder gebruik te maken van de in artikel 880 van die verordening bedoelde verklaring.

  32. Wanneer een voor een landbouwproduct geldend invoercertificaat tevens wordt gebruikt voor het beheer van een tariefcontingent waarvoor een preferentiële regeling is vastgesteld, wordt het recht op toepassing van deze preferentiële regeling aan de importeurs toegekend door middel van het certificaat, dat in sommige gevallen vergezeld moet gaan van een document van een derde land. Om overschrijding van het contingent te voorkomen moet de preferentiële regeling worden toegepast binnen de grenzen van de hoeveelheid waarvoor het certificaat is afgegeven. Ter vergemakkelijking van de invoertransactie dient evenwel toepassing van de in artikel 8, lid 4, bedoelde overschrijdingstolerantie te worden toegestaan, waarbij echter tegelijk moet worden gepreciseerd dat het gedeelte van de hoeveelheid dat op basis van de tolerantie de in het certificaat vermelde hoeveelheid overschrijdt, niet voor toepassing van de preferentiële regeling in aanmerking komt en tegen het volledige recht moet worden ingevoerd.

  33. De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van alle betrokken comités van beheer,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I WERKINGSSFEER VAN DE VERORDENING

Artikel 1

Onverminderd afwijkende bepalingen in de communautaire regelgeving die specifiek voor bepaalde producten geldt, worden bij deze verordening de gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen vastgesteld voor de regeling inzake invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten, hierna „certificaten” genoemd, die is ingesteld of waarin is voorzien bij:

  • artikel 2 van Verordening nr. 136/66/EEG van de Raad(14) (oliën en vetten),

  • artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 234/68 van de Raad(15) (levende planten en producten van de bloementeelt),

  • artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 2358/71 van de Raad(16) (zaaizaad),

  • artikel 8 van Verordening (EEG) nr. 2759/75 van de Raad(17) (varkensvlees),

  • artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 2771/75 van de Raad(18) (eieren),

  • artikel 3 van Verordening (EEG) nr. 2777/75 van de Raad(19) (slachtpluimvee),

  • artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 2783/75 van de Raad(20) (ovoalbumine en lactoalbumine),

  • artikel 9 van Verordening (EEG) nr. 1766/92 (granen),

  • artikel 17 van Verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad(21) (bananen),

  • artikel 9 van Verordening (EG) nr. 3072/95 van de Raad(22) (rijst),

  • artikel 31 van Verordening (EG) nr. 2200/96 van de Raad(23) (groenten en fruit),

  • artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2201/96 van de Raad(24) (verwerkte producten op basis van groenten en fruit),

  • artikel 29 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad(25) (rundvlees),

  • artikel 26 van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad(26) (melk en zuivelproducten),

  • artikel 59 van Verordening (EG) nr. 1493/1999 van de Raad(27) (wijn),

  • artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1520/2000 van de Commissie(28) (landbouwproducten die worden uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage I van het Verdrag vallen),

  • artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1260/2001 van de Raad(29) (suiker, isoglucose en insulinestroop),

  • artikel 13 van Verordening (EG) nr. 2529/2001 van de Raad(30) (schapen- en geitenvlees),

  • artikel 4 van Verordening (EG) nr. 670/2003 van de Raad(31) (alcohol).

TITEL II TOEPASSINGSGEBIED VAN DE CERTIFICATEN

Artikel 2

Geen certificaat wordt geëist en evenmin mag een certificaat worden overgelegd voor producten die:

  1. niet in de Gemeenschap in het vrije verkeer worden gebracht, of

  2. worden uitgevoerd in het kader van

    • een douaneregeling waarbij de invoer wordt toegestaan met schorsing van de douanerechten en van heffingen van gelijke werking, of

    • de bijzondere regeling waarbij de uitvoer wordt toegestaan zonder inning van de uitvoerrechten, als bedoeld in artikel 129 van Verordening (EEG) nr. 2913/92.

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

TITEL III ALGEMENE BEPALINGEN

Afdeling 1 Werkingssfeer van certificaten en uittreksels van certificaten

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 12

Afdeling 2 Aanvraag en afgifte van certificaten

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 19

Artikel 20

Artikel 21

Artikel 22

Artikel 23

Afdeling 3 Gebruik van de certificaten

Artikel 24

Artikel 25

Artikel 26

Artikel 27

Artikel 28

Artikel 29

Artikel 30

Afdeling 4 Vrijgave van de zekerheid

Artikel 31

Artikel 32

Artikel 33

Artikel 34

Artikel 35

Afdeling 5 Verlies van certificaten

Artikel 36

Artikel 37

Artikel 38

Artikel 39

Afdeling 6 Overmacht

Artikel 40

Artikel 41

Artikel 42

TITEL IV BIJZONDERE BEPALINGEN

Artikel 43

Artikel 44

Artikel 45

Artikel 46

Artikel 47

Artikel 48

Artikel 49

Artikel 50

TITEL V SLOTBEPALINGEN

Artikel 51

Artikel 52

BIJLAGE IINVOERCERTIFICAATUITVOER- OF VOORFIXATIECERTIFICAAT

BIJLAGE IICONCORDANTIETABEL

BIJLAGE III