Bij dit besluit wordt een communautair actieprogramma ter ondersteuning en aanvulling van de acties van de lidstaten en de bestaande of toekomstige programma's met het oog op de bescherming van de euro tegen valsemunterij vastgesteld.
Besluit van de Raad van 17 december 2001 tot vaststelling van een actieprogramma inzake uitwisselingen, bijstand en opleiding voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij (programma Pericles ) (2001/923/EG)
Besluit van de Raad van 17 december 2001 tot vaststelling van een actieprogramma inzake uitwisselingen, bijstand en opleiding voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij (programma Pericles ) (2001/923/EG)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 123, lid 4, derde volzin,
Gezien het voorstel van de Commissie(1),
Gezien het advies van het Europees Parlement(2),
Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(3),
Overwegende hetgeen volgt:
Het Verdrag verleent de Gemeenschap de verantwoordelijkheid maatregelen te nemen die nodig zijn voor de snelle invoering van de euro als enige munteenheid.
De Europese Centrale Bank (ECB) heeft, in haar aanbeveling van 7 juli 1998 betreffende de vaststelling van bepaalde maatregelen ter vergroting van de rechtsbescherming van eurobankbiljetten en -munten(4), de Commissie verzocht een samenwerking in te stellen op het gebied van de bestrijding van vervalsing van eurobankbiljetten en -munten en heeft voorgesteld dat de Raad, de Commissie en de lidstaten bezien hoe zij eventuele andere maatregelen voor een betere bestrijding van valsemunterij kunnen uitvoeren.
De Commissie heeft in haar mededeling van 22 juli 1998 aan de Raad, het Europees Parlement en de Centrale Bank over de bescherming van de euro verklaard dat zij de mogelijkheid zal onderzoeken om een actie te organiseren ten behoeve van alle personen die betrokken zijn bij het systeem van preventie, opsporing en bestrijding van valsemunterij, welke zou moeten leiden tot de bepaling van de krachtlijnen van een toekomstig beleid.
De Raad heeft op 28 juni 2001 Verordening (EG) nr. 1338/2001 tot vaststelling van maatregelen die noodzakelijk zijn voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij(5) vastgesteld, die betrekking heeft op de uitwisseling van informatie, de samenwerking en de wederzijdse bijstand, inclusief de externe aspecten van de bescherming van de euro, en die de financiële instellingen de verplichting oplegt om vervalsingen uit omloop te nemen. De verordening beoogt een algemeen samenwerkingskader op te zetten dat kan worden toegepast vóór de invoering van eurobankbiljetten en -munten in 2002. De Raad heeft voorts Verordening (EG) nr. 1339/2001 houdende uitbreiding van de werking van Verordening (EG) nr. 1338/2001 tot de lidstaten die de euro niet als munteenheid hebben aangenomen(6), vastgesteld.
Uit het overleg en de ervaring komt naar voren dat de op nationaal vlak ondernomen acties baat kunnen vinden bij een specifiek, multidisciplinair, aanvullend programma op communautair niveau dat een zekere periode bestrijkt. De twee bovengenoemde verordeningen dienen dan ook te worden aangevuld met een actieprogramma dat erop gericht is alle personen wie de bescherming van de euro tegen valsemunterij aangaat, voor het probleem gevoelig te maken door middel van maatregelen zoals met name uitwisseling van informatie en personeel, alsook maatregelen van technische en wetenschappelijke bijstand en opleiding. Dit programma dient ter ondersteuning en aanvulling van de acties van de lidstaten, onder naleving van het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 van het Verdrag.
Er dient voor te worden gezorgd dat dit specifieke communautaire actieprogramma ter bescherming van de euro tegen valsemunterij en andere bestaande of op te zetten programma's en acties onderling samenhangend en complementair zijn.
Onverminderd de aan de ECB toegewezen rol bij de bescherming van de euro tegen valsemunterij, pleegt de Commissie, in het bijzonder inzake uitwisselingen, bijstand en opleiding, in het kader van het passende bij Verordening (EG) nr. 1338/2001 ingestelde raadgevend comité, ten behoeve van de uitvoering van dit programma overleg met de belangrijkste betrokken actoren (met name de door de lidstaten aangewezen bevoegde nationale autoriteiten, de ECB, en Europol) over de evaluatie van de behoeften voor de bescherming van de euro.
Het is van belang dat de Gemeenschap de samenwerking met derde landen inzake de bescherming van de euro tegen valsmunterij bevordert.
Er wordt voor de gehele duur van het programma een financiële referentie ingevoegd in dit besluit in de zin van punt 34 van het interinstitutioneel akkoord van 6 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure(7), hetgeen de bevoegdheden van de begrotingsautoriteiten zoals die zijn omschreven in het Verdrag onverlet laat.
Met dit besluit wordt niet vooruitgelopen op initiatieven die op basis van het Verdrag betreffende de Europese Unie met het oog op de opstelling van programma's met betrekking tot strafrechtelijke aspecten kunnen worden genomen,
BESLUIT:
Artikel 1 Vaststelling van het programma
De naam van dit programma is Pericles. Het programma geldt voor de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2013.
Het programma wordt uitgevoerd en geëvalueerd overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5 tot en met 13.
Artikel 2 Doelstellingen van het programma
Het communautaire actieprogramma beoogt door de verschillende in artikel 3 vastgestelde maatregelen de euro tegen valsemunterij te beschermen. Er is rekening gehouden met de grensoverschrijdende en multidisciplinaire aspecten. In de eerste plaats wordt gestreefd naar convergentie van de inhoud van de acties teneinde, op basis van een beraad over de beste praktijken, te zorgen voor een gelijkwaardige graad van bescherming, uitgaande van de bijzondere tradities van elke lidstaat.
De doelstellingen zijn met name:
-
bewustmaking van de betrokken personeelsleden van de communautaire dimensie van de nieuwe munt (zowel reservemunt als internationaal betaalmiddel);
-
als katalysator te werken om, door diverse adequate acties, zoals stages, workshops of deelname van bepaalde personen aan de nationale opleidingsacties en uitwisseling van personeel, de betrokken structuren en personeelsleden dichter bij elkaar te brengen, een klimaat van wederzijds vertrouwen te creëren en voldoende wederzijdse kennis in de hand te werken, met name van de actiemethoden en de moeilijkheden;
-
convergentie van de werkzaamheden van de opleiders op een hoog niveau, met inachtneming van de nationale operationele strategieën;
-
vulgarisatie, in het bijzonder van de relevante communautaire en internationale wetgeving en instrumenten;
-
verspreiding van de resultaten, als onderdeel van de uitwisseling van informatie, ervaring en goede praktijken.
Artikel 3 Maatregelen
De opleiding en de operationele ondersteuning, opgezet volgens een multidisciplinaire en grensoverschrijdende aanpak, behelzen, behalve de beveiligingsaspecten, de uitwisseling van informatie, met name van technische en strategische informatie, alsook de technische en wetenschappelijke bijstand.
De uitwisseling van informatie op communautair niveau betreft met name de controle- en analysemethodes voor het evalueren van:
-
de economische en financiële gevolgen van valsemunterij,
-
de werking van de databanken,
-
het gebruik van opsporingsinstrumenten, met name met behulp van computertoepassingen,
-
de onderzoeks- en opsporingsmethoden,
-
de wetenschappelijke bijstand (in het bijzonder wetenschappelijke databanken en technologische bewaking/follow-up van nieuwigheden),
-
de werking van de waarschuwingssystemen,
-
de daarmee verband houdende vraagstukken, zoals de draagwijdte van de mededelingsplicht,
-
de bescherming van persoonsgegevens,
-
de verschillende aspecten van de samenwerking,
-
de bescherming van de euro buiten de Unie,
-
de onderzoeksactiviteiten, of
-
de terbeschikkingstelling van gespecialiseerde operationele deskundigheid.
Deze uitwisseling van informatie kan uitvoering krijgen door middel van verschillende maatregelen zoals de organisatie van workshops, ontmoetingen en studiedagen, en een gericht beleid van stages en uitwisseling van personeel.
De technische, wetenschappelijke en operationele bijstand heeft in het bijzonder betrekking op:
-
alle maatregelen om op communautair niveau leermiddelen te creëren (verzameling van de wetgeving van de Europese Unie, informatiebulletin, praktische handleidingen, glossaria en lexicons, bibliotheken van gegevens, met name inzake wetenschappelijke bijstand, technologische bewaking) of ondersteunende computertoepassingen (zoals de software),
-
studies met een multidisciplinair en grensoverschrijdend karakter,
-
de ontwikkeling van nieuwe instrumenten en methoden voor de ondersteuning van de opsporingsactiviteiten op communautair niveau,
-
secundair, financiële bijstand voor samenwerking bij grensoverschrijdende acties, mits deze bijstand niet door andere Europese instellingen en organen wordt verstrekt.
Artikel 4 Doelgroep van de acties en bijdragen
De doelgroep van de acties bestaat uit:
-
de bevoegde diensten die betrokken zijn bij de opsporing en bestrijding van valsemunterij (in het bijzonder de politiediensten en de financiële autoriteiten, overeenkomstig hun nationale bevoegdheden);
-
het personeel van de inlichtingendiensten;
-
de vertegenwoordigers van de nationale centrale banken, de Munten en de andere bemiddelende financiële intermediairs (met name wat betreft de verplichtingen van de financiële entiteiten);
-
de vertegenwoordigers van de handelsbanken (met name wat betreft de verplichtingen van de financiële entiteiten);
-
de op dit gebied gespecialiseerde magistraten en juristen;
-
alle overige betrokken instanties of beroepsgroepen (zoals de kamers van koophandel of andere structuren die contact hebben met midden- en kleinbedrijf, handelaren en vervoerders).
Naast de Commissie zal de volgende instanties verzocht worden bij te dragen aan het bereiken van de doelstellingen van het communautaire actieprogramma, met hun respectieve deskundigheid:
-
de nationale centrale banken en de ECB, onder meer wat betreft het Volgsysteem voor Valsemunterij (VSV);
-
de nationale analysecentra (NAC) en de nationale centra voor de analyse van muntstukken (NCAM);
-
het Europees Technisch en Wetenschappelijk Centrum (ETWC) en de nationale Munten;
-
Europol en Interpol;
-
de nationale centra voor de bestrijding van valsemunterij waarin voorzien is bij artikel 12 van het Internationale Verdrag van Genève van 20 april 1929(8) ter bestrijding van de valsemunterij, alsmede andere diensten die gespecialiseerd zijn in de preventie, opsporing en bestrijding van valsemunterij;
-
de gespecialiseerde structuren, bijvoorbeeld inzake reprografie- en legaliseringstechniek, drukkers en graveurs;
-
alle andere organen met een bijzondere deskundigheid, eventueel ook in derde landen en met name in de kandidaat-lidstaten.