Home

Richtlijn 2001/77/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt

Richtlijn 2001/77/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt

HET EUROPEES PARLEMENT EN RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(3),

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(4),

Overwegende hetgeen volgt:

  1. In de Gemeenschap wordt thans onvoldoende van de mogelijkheden voor benutting van hernieuwbare energiebronnen gebruikgemaakt. De Europese Gemeenschap erkent dat het nodig is de bevordering van hernieuwbare energiebronnnen als prioritaire maatregel aan te merken, daar zulks bijdraagt tot bescherming van het milieu en duurzame ontwikkeling. Het kan bovendien plaatselijk tot meer werkgelegenheid leiden, een gunstig effect hebben op de sociale samenhang, bijdragen tot de continuïteit van de voorziening en het mogelijk maken om sneller de doelstellingen van Kyoto te bereiken. Daarom is het nodig dat dit potentieel in het kader van de interne elektriciteitsmarkt beter wordt benut.

  2. De Gemeenschap heeft, zoals aangegeven in het witboek over duurzame energiebronnen, hierna „witboek” te noemen, aan de bevordering van de elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen zowel omwille van de continuïteit en de diversificatie van de voorziening, als om milieubeschermingsredenen en met het oog op de sociale en economische samenhang, een hoge prioriteit toegekend. Dat is onderschreven door de Raad in zijn resolutie van 8 juni 1998 betreffende hernieuwbare energiebronnen(5) en door het Europees Parlement in zijn resolutie over het witboek(6).

  3. Een groter gebruik van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen is een belangrijk onderdeel van het pakket van maatregelen die moeten worden getroffen om aan het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering te voldoen, en van beleidsmaatregelen om latere verplichtingen na te komen.

  4. De Raad, in zijn conclusies van 11 mei 1999, en het Europees Parlement, in zijn resolutie van 17 juni 1998 over elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen(7), hebben de Commissie verzocht een concreet voorstel in te dienen voor een communautaire kaderregeling inzake de toegang van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen tot de interne markt. Voorts heeft het Europees Parlement in zijn resolutie van 30 maart 2000(8) inzake elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en de interne markt voor elektriciteit beklemtoond, dat ambitieuze en bindende streefcijfers op nationaal niveau essentieel zijn voor het behalen van resultaten en het bereiken van de streefcijfers van de Gemeenschap.

  5. Om het marktaandeel van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen op middellange termijn te doen groeien, moeten alle lidstaten worden verplicht nationale indicatieve streefcijfers, uitgedrukt in een percentage van het gebruik, vast te stellen voor het gebruik van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen.

  6. De nationale indicatieve streefcijfers moeten verenigbaar zijn met nationale verbintenissen uit hoofde van de verplichtingen die de Gemeenschap op het gebied van klimaatverandering is aangegaan in het kader van het Protocol van Kyoto.

  7. De Commissie beoordeelt in hoeverre de lidstaten vorderingen gemaakt hebben voor het bereiken van de nationale indicatieve streefcijfers en in hoeverre de nationale indicatieve streefcijfers stroken met het algemene indicatieve streefcijfer van 12 % van het bruto binnenlandse energieverbruik in 2010, ermee rekening houdend dat het in het witboek genoemde indicatieve streefcijfer van 12 % in 2010 voor de Gemeenschap in haar geheel een nuttig richtsnoer is voor inspanningen op Gemeenschapsniveau en in de lidstaten, waarbij het ook nodig is de uiteenlopende nationale omstandigheden in aanmerking te nemen. Indien dat voor het bereiken van de streefcijfers noodzakelijk is, dient de Commissie het Europees Parlement en de Raad voorstellen voor te leggen, die bindende streefcijfers kunnen bevatten.

  8. Wanneer lidstaten afval als energiebron gebruiken, moeten zij de communautaire wetgeving inzake afvalbeheer in acht nemen. De toepassing van deze richtlijn laat de definitie van de bijlagen II A en II B van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen(9) onverlet. Steun voor hernieuwbare energiebronnen dient in overeenstemming te zijn met andere communautaire doelstellingen, in het bijzonder met de hiërarchie van de afvalbehandeling. Daarom mag verbranding van niet-gescheiden stedelijk afval in toekomstige steunregelingen voor hernieuwbare energiebronnen niet worden bevorderd indien de hiërarchie door die bevordering zou worden ontredderd.

  9. De in deze richtlijn gegeven definitie van biomassa doet geen afbreuk aan het gebruik van een andere definitie in nationale wetgeving voor andere doeleinden dan die van deze richtlijn.

  10. Deze richtlijn verlangt niet van de lidstaten dat zij de verwerving van een garantie van oorsprong van andere lidstaten of de overeenkomstige aankoop van elektriciteit erkennen als bijdrage tot de vervulling van een nationale quotumverplichting. Voor de bevordering van de handel in elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en de vergroting van de transparantie voor de keuze van de verbruiker tussen elektriciteit uit niet-hernieuwbare en elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen is een garantie van de oorsprong van die elektriciteit evenwel noodzakelijk. Regelingen voor het bewijs van oorsprong houden op zich niet het recht in om van de in verschillende lidstaten bestaande nationale steunregelingen gebruik te maken. Het is van belang dat alle vormen van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen onder een dergelijke garantie van oorsprong vallen.

  11. Er moet een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen garanties van oorsprong en verhandelbare groenestroomcertificaten.

  12. De noodzaak van overheidssteun voor hernieuwbare energiebronnen is erkend in de communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu(10), die onder meer rekening dient te houden met de noodzaak de externe kosten van de elektriciteitsproductie door te berekenen. De bepalingen van het EG-Verdrag, in het bijzonder de artikelen 87 en 88, blijven echter op dergelijke staatssteun van toepassing.

  13. Er dient een wetgevingskader te worden geschapen voor de markt van hernieuwbare energiebronnen.

  14. De lidstaten hanteren verschillende vormen van steunverlening voor hernieuwbare energiebronnen op nationaal niveau, waaronder groenestroomcertificaten, investeringssteun, belastingvrijstelling of -verlaging, terugbetaling van belasting en directe prijssteun. Een belangrijk middel om het doel van deze richtlijn te verwezenlijken is het garanderen van de goede werking van deze regelingen zolang er geen communautair raamwerk is, teneinde het vertrouwen van de investeerders te behouden.

  15. De tijd is nog niet rijp voor een Gemeenschapskader voor steunregelingen vanwege de beperkte ervaring met nationale regelingen en het momenteel relatief geringe aandeel van prijsondersteunde elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in de Gemeenschap.

  16. De regelingen voor prijssteun moeten echter na een toereikende overgangsperiode aan de zich ontwikkelende interne markt voor elektriciteit worden aangepast. Daarom dient de Commissie de situatie te volgen en een verslag voor te leggen over de met de toepassing van de nationale regelingen opgedane ervaring. In het licht van de conclusies van dat verslag zou de Commissie zo nodig een voorstel moeten doen voor een Gemeenschapskader betreffende steunregelingen voor elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen. Dat voorstel moet bijdragen tot het bereiken van de nationale indicatieve streefcijfers, verenigbaar zijn met de beginselen van de interne markt voor elektriciteit en rekening houden met de kenmerken van de verschillende hernieuwbare energiebronnen en met de verschillende technieken en de geografische verschillen. Het moet ook het doelmatige gebruik van hernieuwbare energiebronnen bevorderen, eenvoudig en tegelijkertijd zo efficiënt mogelijk zijn, vooral wat de kostprijs betreft, en toereikende overgangsperioden van ten minste zeven jaar bevatten, het vertrouwen van de investeerders in stand houden en gestrande kosten vermijden. In dat kader zou de elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen kunnen concurreren met elektriciteit uit niet-hernieuwbare energiebronnen en zouden de kosten voor de consument beperkt blijven terwijl de behoefte aan overheidssteun op middellange termijn zou verminderen.

  17. Een groter marktaandeel van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen maakt schaalvoordelen mogelijk, waardoor de kosten dalen.

  18. Het is van belang gebruik te maken van de marktkrachten en de interne markt, en elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen concurrerend en aantrekkelijk voor de Europese burgers te maken.

  19. Bij de bevordering van de totstandbrenging van een markt voor hernieuwbare energie is het noodzakelijk rekening te houden met de positieve gevolgen daarvan voor de regionale en lokale ontwikkelingsmogelijkheden, de perspectieven voor de uitvoer, de sociale samenhang en de werkgelegenheidskansen, vooral voor de kleine en middelgrote ondernemingen en de onafhankelijke energieproducenten.

  20. Er dient rekening te worden gehouden met de specifieke structuur van de sector hernieuwbare energie, met name bij de toetsing van de administratieve procedures voor het verkrijgen van een vergunning voor de bouw van installaties voor elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen.

  21. In bepaalde omstandigheden is het niet mogelijk elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen te transporteren en te distribueren zonder dat de betrouwbaarheid en de veiligheid van het net aangetast worden en daarom kunnen garanties in dit verband financiële compensaties inhouden.

  22. De kosten van de aansluiting van nieuwe producenten van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen dienen op objectieve, transparante en niet-discriminerende wijze te worden vastgesteld, waarbij terdege rekening dient te worden gehouden met de voordelen van de aansluiting van nieuwe producenten voor het net.

  23. Daar de algemene doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. De gedetailleerde uitvoering moet evenwel aan de lidstaten worden overgelaten, zodat elke lidstaat de regeling kan kiezen die het best bij zijn specifieke situatie past. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1 Werkingssfeer

Deze richtlijn heeft ten doel een verhoging van het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de elektriciteitsproductie binnen de interne elektriciteitsmarkt te bevorderen en de grondslag te leggen voor een toekomstige kaderregeling van de Gemeenschap daarvoor.

Artikel 2 Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn zijn de volgende definities van toepassing:

  1. „hernieuwbare energiebronnen”: hernieuwbare niet-fossiele energiebronnen (wind, zonne-energie, aardwarmte, golfenergie, getijdenenergie, waterkracht, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas);

  2. „biomassa”: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval;

  3. „elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen”: elektriciteit, opgewekt in installaties die uitsluitend gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen, alsmede elektriciteit die is opgewekt met hernieuwbare energiebronnen in hybride installaties die ook met conventionele energiebronnen werken, met inbegrip van hernieuwbare elektriciteit voor accumulatiesystemen en met uitzondering van elektriciteit die afkomstig is van dergelijke systemen;

  4. „verbruik van elektriciteit”: de nationale productie van elektriciteit, met inbegrip van de zelfopgewekte elektriciteit, plus de invoer, verminderd met de uitvoer (bruto binnenlands elektriciteitsverbruik).

Daarenboven zijn de definities van Richtlijn 96/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 december 1996 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit(11) van toepassing.

Artikel 3 Nationale indicatieve streefcijfers

1.

De lidstaten nemen passende maatregelen om het verbruik van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen te stimuleren overeenkomstig de in lid 2 bedoelde nationale indicatieve streefcijfers. Die maatregelen moeten in verhouding staan tot het te bereiken doel.

2.

Uiterlijk op 27 oktober 2002 en daarna om de vijf jaar stellen de lidstaten een verslag vast, dat zij publiceren. Daarin worden voor de volgende tien jaar de nationale indicatieve streefcijfers voor het toekomstige binnenlandse verbruik van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen vastgesteld, uitgedrukt in een percentage van het elektriciteitsverbruik. In het verslag wordt ook een overzicht gegeven van de maatregelen die op nationaal niveau genomen of gepland zijn om die nationale streefcijfers te verwezenlijken. Voor de vaststelling van de streefcijfers tot het jaar 2010:

  • houden de lidstaten rekening met de referentiewaarden in de bijlage en

  • zien zij erop toe dat de streefcijfers verenigbaar zijn met eventuele nationale verbintenissen uit hoofde van de verplichtingen op het gebied van klimaatverandering die de Gemeenschap is aangegaan in het kader van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.

3.

De lidstaten publiceren, voor het eerst uiterlijk op 27 oktober 2003 en vervolgens om de twee jaar, een verslag waarin wordt aangegeven in hoeverre de nationale indicatieve streefcijfers zijn verwezenlijkt, in het bijzonder rekening houdend met de klimatologische factoren die van invloed zijn, en in hoeverre de genomen maatregelen stroken met de nationale verbintenis op het gebied van klimaatverandering.

4.

Aan de hand van de in de leden 2 en 3 bedoelde verslagen van de lidstaten beoordeelt de Commissie in hoeverre:

  • de lidstaten vorderingen hebben gemaakt voor het bereiken van de nationale indicatieve streefcijfers;

  • de nationale indicatieve streefcijfers verenigbaar zijn met het algemene indicatieve streefcijfer van 12 % van het bruto binnenlandse energieverbruik in 2010 en in het bijzonder met een indicatieve aandeel van de elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen van 22,1 % in het totale elektriciteitsverbruik in de Gemeenschap in 2010.

De Commissie publiceert, voor het eerst uiterlijk op 27 oktober 2004 en vervolgens om de twee jaar, haar conclusies in een verslag. Dat verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van voorstellen aan het Europees Parlement en de Raad.

Komt de Commissie in het verslag tot de conclusie dat het waarschijnlijk om ongegronde redenen is, of om redenen die niet op wetenschappelijk onderzoek gebaseerd zijn, dat de nationale indicatieve streefcijfers niet met het algemene indicatieve streefcijfer verenigbaar zijn, dan geeft zij in deze voorstellen nationale, eventueel bindende, streefcijfers in de geëigende vorm.

Artikel 4 Steunregelingen

1.

Onverminderd de artikelen 87 en 88 van het Verdrag beoordeelt de Commissie de toepassing van in de lidstaat bestaande regelingen waarbij een elektriciteitsproducent op grond van voorschriften van de overheid directe of indirecte steun krijgt die tot gevolg zou kunnen hebben dat de handel belemmerd wordt, rekening houdend met het feit dat die regelingen bijdragen tot de doelstellingen van de artikelen 6 en 174 van het Verdrag.

2.

De Commissie dient uiterlijk op 27 oktober 2005 een goed gedocumenteerd verslag in over de ervaring die met de toepassing en het naast elkaar bestaan van de verschillende in lid 1 bedoelde regelingen is opgedaan. Het verslag bevat een evaluatie van het resultaat, met inbegrip van de kosteneffectiviteit, van de in lid 1 bedoelde steunregelingen voor het bevorderen van het verbruik van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen overeenkomstig de nationale indicatieve streefcijfers in de zin van artikel 3, lid 2. Dat verslag gaat zo nodig vergezeld van een voorstel voor een communautaire kaderregeling betreffende steunregelingen ten behoeve van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen.

Een voorstel voor een kaderregeling zou:

  1. moeten bijdragen tot het bereiken van de nationale indicatieve streefcijfers;

  2. verenigbaar moeten zijn met de beginselen van de interne markt voor elektriciteit;

  3. rekening moeten houden met het karakter van de verschillende hernieuwbare energiebronnen en met de verschillende technieken en de geografische verschillen;

  4. het doelmatige gebruik van hernieuwbare energiebronnen moeten bevorderen en tegelijkertijd eenvoudig en zo efficiënt mogelijk moeten zijn, vooral wat de kostprijs betreft;

  5. toereikende overgangsperioden van ten minste zeven jaar voor de nationale steunregelingen moeten bevatten en het vertrouwen van de investeerders moeten behouden.

Artikel 5 Garantie van de oorsprong van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen

Artikel 6 Administratieve procedures

Artikel 7 Aspecten van het net

Artikel 8 Samenvattend verslag

Artikel 9 Transpositie

Artikel 10 Inwerkingtreding

Artikel 11 Adressaten

BIJLAGE