Tenzij anders is bepaald, zijn de bepalingen van deze titel van toepassing op alle invoer in de Gemeenschap van de in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1255/1999 bedoelde producten, hierna „zuivelproducten” genoemd, met inbegrip van de invoer zonder kwantitatieve beperkingen of maatregelen van gelijke werking, noch douanerechten of heffingen van gelijke werking in het kader van de uitzonderlijke handelsmaatregelen ten behoeve van bepaalde landen en gebieden.
Verordening (EG) n r. 2535/2001 van de Commissie van 14 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad voor de invoerregeling voor melk en zuivelproducten en houdende opening van tariefcontingenten
Verordening (EG) n r. 2535/2001 van de Commissie van 14 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad voor de invoerregeling voor melk en zuivelproducten en houdende opening van tariefcontingenten
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1255/1999 van de Raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelproducten(1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1670/2000(2), en met name op artikel 26, lid 3, en artikel 29, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
Verordening (EG) nr. 1374/98 van de Commissie van 30 juni 1995 houdende uitvoeringsbepalingen voor de invoerregeling en houdende opening van tariefcontingenten in de sector melk en zuivelproducten(3), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 594/2001(4), is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. Nu deze verordening opnieuw wordt gewijzigd, dient ter wille van een duidelijke en rationele regelgeving te worden overgegaan tot de algehele omwerking ervan en dienen in de verordening de bepalingen te worden opgenomen van Verordening (EEG) nr. 2967/79 van de Commissie van 18 december 1979 tot vaststelling van de voorwaarden voor de verwerking van bepaalde in het kader van een preferentiële regeling ingevoerde kaassoorten(5), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1599/95(6); van Verordening (EG) nr. 2508/97 van de Commissie van 15 december 1997 houdende bepalingen voor de uitvoering, in de sector melk en zuivelproducten, van de regelingen waarin is voorzien bij de Europaovereenkomsten tussen, enerzijds, de Gemeenschap en, anderzijds, Hongarije, de Republiek Polen, de Tsjechische Republiek, de Slowaakse Republiek, Bulgarije, Roemenië en Slovenië, en van de regeling waarin is voorzien bij de overeenkomsten betreffende vrijhandel en met handel verband houdende zaken tussen de Gemeenschap en de Baltische staten(7), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2856/2000(8); en van Verordening (EG) nr. 2414/98 van de Commissie van 9 november 1998 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van de regeling voor producten van de sector melk en zuivelproducten van oorsprong uit de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (ACS) en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1150/90(9).
Op grond van de artikelen 26 en 29 van Verordening (EG) nr. 1255/1999 moeten invoercertificaten worden afgegeven aan elke belanghebbende die daarom verzoekt, ongeacht zijn plaats van vestiging in de Gemeenschap, en moet, met inachtneming van alle relevante bepalingen, elke vorm van discriminatie tussen importeurs worden voorkomen.
Om rekening te houden met bepaalde specifieke kenmerken van de invoer van zuivelproducten, moeten bepalingen worden vastgesteld die een aanvulling vormen op, en in voorkomend geval afwijken van Verordening (EG) nr. 1291/2000 van de Commissie van 9 juni 2000 houdende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen inzake het stelsel van invoer-, uitvoer- en voorfixatiecertificaten voor landbouwproducten(10), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2299/2001(11).
Er moeten specifieke bepalingen worden vastgesteld voor de invoer in de Gemeenschap van zuivelproducten met verlaagd recht in het kader van de concessies in de vorm van tariefcontingenten die zijn opgenomen in de volgende teksten:
-
de concessies in de lijst CXL die is opgesteld naar aanleiding van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde en van de onderhandelingen in het kader van artikel XXIV, lid 6, van de GATT na de toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden tot de Europese Unie (hierna „de lijst CXL”);
-
de tariefovereenkomst met Zwitserland betreffende bepaalde kaassoorten van post 04.04 van het gemeenschappelijk douanetarief, namens de Gemeenschap gesloten bij Besluit 69/352/EEG van de Raad(12), laatstelijk gewijzigd bij de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap enerzijds en de Zwitserse Bondsstaat anderzijds betreffende bepaalde landbouwproducten, goedgekeurd bij Besluit 95/582/EG van de Raad(13) (hierna „de overeenkomst met Zwitserland”);
-
de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap enerzijds en het Koninkrijk Noorwegen anderzijds betreffende bepaalde landbouwproducten, goedgekeurd bij Besluit 95/582/EG (hierna „de overeenkomst met Noorwegen”);
-
Besluit nr. 1/98 van de Associatieraad EG-Turkije van 25 februari 1998 betreffende de handelsregeling voor landbouwproducten(14);
-
Verordening (EG) nr. 1706/98 van de Raad van 20 juli 1998 tot vaststelling van de regeling voor landbouwproducten en door verwerking daarvan verkregen goederen, van oorsprong uit de staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (de ACS-staten) en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 715/90(15);
-
de overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, anderzijds, voorlopig toegepast middels een overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en Zuid-Afrika en goedgekeurd bij Besluit 1999/753/EG van de Raad(16) (hierna: „de overeenkomst met Zuid-Afrika”);
-
de Verordeningen (EG) nr. 1349/2000(17), gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2677/2000(18); (EG) nr. 1727/2000(19); (EG) nr. 2290/2000(20); (EG) nr. 2341/2000(21); (EG) nr. 2433/2000(22); (EG) nr. 2434/2000(23); (EG) nr. 2435/2000(24); (EG) nr. 2475/2000(25); (EG) nr. 2766/2000(26) en (EG) nr. 2851/2000(27) van de Raad houdende vaststelling van bepaalde concessies in de vorm van communautaire tariefcontingenten voor bepaalde landbouwproducten en van een autonome overgangsregeling tot aanpassing van bepaalde landbouwconcessies die zijn opgenomen in de Europaovereenkomsten met respectievelijk Estland, Hongarije, Bulgarije, Letland, de Tsjechische Republiek, de Slowaakse Republiek, Roemenië, Slovenië, Litouwen en Polen;
-
de op 19 december 1972 ondertekende overeenkomst waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Cyprus, namens de Gemeenschap gesloten bij Verordening (EEG) nr. 1246/73 van de Raad(28), en met name het op 21 december 1987 bij Besluit 87/607/EEG van de Raad(29) goedgekeurde protocol houdende vaststelling van de voorwaarden en procedures voor de tenuitvoerlegging van de tweede etappe van de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Cyprus (hierna „de overeenkomst met Cyprus”),
-
De lijst CXL voorziet in bepaalde tariefcontingenten in het kader van de zogeheten „vigerende markttoegang” en „minimummarkttoegang”. Deze contingenten moeten worden geopend en verder moet worden bepaald hoe deze contingenten moeten worden beheerd.
Voor een juist en billijk beheer van de niet naar land van oorsprong gespecificeerde tariefcontingenten van de lijst CXL en van de tariefcontingenten voor de invoer met verlaagd recht uit de landen van Midden- en Oost-Europa, de ACS-landen, Turkije en de Republiek Zuid-Afrika, dient enerzijds te worden bepaald dat bij de aanvraag van een invoercertificaat een hogere zekerheid moet worden gesteld dan die welke voor de gewone invoer geldt, en dienen anderzijds bepaalde voorwaarden voor de indiening van de certificaataanvragen te worden vastgesteld. Tevens dient te worden voorzien in een spreiding van de contingenten over het jaar en dienen de procedure voor de toewijzing van de certificaten en de geldigheidsduur ervan te worden vastgesteld.
Om te garanderen dat alleen serieuze certificaataanvragen worden ingediend, speculaties te voorkomen en een optimaal gebruik van de geopende contingenten te waarborgen, mogen per aanvraag slechts invoercertificaten voor maximaal 10 % van het contingent worden afgegeven, mag niet langer de mogelijkheid worden geboden de certificaataanvraag in te trekken indien de toewijzingscoëfficiënt kleiner is dan 0,80, mogen de contingenten alleen openstaan voor marktdeelnemers die reeds eerder onder het contingent vallende producten hebben uitgevoerd en/of ingevoerd, moeten criteria worden vastgesteld om te bepalen welke marktdeelnemers certificaten mogen aanvragen door te verlangen dat zij met documenten aantonen dat zij handelaar zijn en een regelmatige handelspraktijk hebben, en moet worden bepaald dat iedere marktdeelnemer slechts één aanvraag per contingent mag indienen. Om de procedure voor de selectie en toewijzing van de in aanmerking komende aanvragers door de nationale regeringen te vergemakkelijken, moet een procedure voor de erkenning van in aanmerking komende aanvragers worden vastgesteld en moet een lijst van erkende aanvragers met een geldigheidsduur van een jaar worden opgesteld. Om ervoor te zorgen dat de bepalingen inzake het aantal aanvragen doeltreffend worden toegepast, moet een sanctie worden bepaald bij overtreding van de maxima.
Producten die onder de regeling actieve of passieve veredeling vallen, worden noch ingevoerd om vervolgens in het vrije verkeer te worden gebracht, noch uitgevoerd, en zijn derhalve nooit meegerekend om te bepalen of aanvragers in aanmerking komen voor de regeling van Verordening (EG) nr. 1374/98. Omwille van de duidelijkheid moet derhalve worden bepaald dat deze producten niet mogen worden meegerekend voor de berekening van de in deze verordening bedoelde referentiehoeveelheid.
Voor het beheer van de naar land van oorsprong gespecificeerde tariefcontingenten van de lijst CXL en van de contingenten van de overeenkomst met Noorwegen, met name om te kunnen controleren of de ingevoerde producten aan de omschrijving van de betrokken goederen beantwoorden en het tariefcontingent in acht wordt genomen, dient gebruik te worden gemaakt van het stelsel van invoercertificaten die na overlegging van een certificaat IMA 1 („inward monitoring arrangements certificate”) in een voorgeschreven vorm onder verantwoordelijkheid van het land van uitvoer worden afgegeven. Dit stelsel, in het kader waarvan het land van uitvoer de garantie geeft dat het uitgevoerde product aan de omschrijving van de betrokken goederen beantwoordt, vereenvoudigt de invoerprocedure aanzienlijk. Dit stelsel wordt ook door derde landen gebruikt om de inachtneming van tariefcontingenten te monitoren.
Om de financiële belangen van de Gemeenschap te beschermen, moeten in het kader van het stelsel van certificaten IMA 1 de aangiften echter worden gecontroleerd op communautair niveau op basis van aselecte steekproeftrekking uit de partijen en met gebruik van internationaal erkende test- en statistische methoden.
Voor de tenuitvoerlegging van het stelsel van certificaten IMA 1 zijn preciseringen nodig, in het bijzonder met betrekking tot het invullen, afgeven, annuleren, wijzigen en vervangen van certificaten IMA 1 door de met de afgifte ervan belaste instelling, de geldigheidsduur van deze certificaten en de voorwaarden voor het gebruik ervan samen met een corresponderend invoercertificaat. Ook moeten bepalingen worden vastgesteld betreffende situaties die zich aan het einde van het jaar in samenhang met de normale verzendingstermijnen kunnen voordoen, voor het in het vrije verkeer brengen van door een certificaat IMA 1 gedekte producten die bestemd zijn voor invoer in het volgende jaar. Ten slotte moet worden voorzien in de monitoring van de invoeraangiften en in een audit aan het einde van het jaar om de inachtneming van het contingent te waarborgen.
Nieuw-Zeelandse boter die in het kader van het invoercontingent onder de zogeheten „vigerende markttoegang” wordt ingevoerd, moet worden geïdentificeerd om te voorkomen dat een volledige uitvoerrestitutie wordt toegekend en dat bepaalde steunbedragen worden betaald. Hiertoe moeten bepaalde begrippen worden gedefinieerd en moet worden gespecificeerd hoe het certificaat IMA 1 moet worden ingevuld, hoe de controles op het gewicht en het vetgehalte moeten worden verricht, en welke procedure moet worden gevolgd in geval van betwisting over de samenstelling van de boter.
In afwijking van Verordening (EG) nr. 1291/2000 is het dienstig aanvullende voorwaarden te stellen voor de invoer van boter uit Nieuw-Zeeland in het kader van het invoercontingent onder de zogeheten „vigerende markttoegang”, met name door de door een enkel certificaat IMA 1 gedekte hoeveelheid te koppelen aan die welke wordt gedekt door een enkel corresponderend invoercertificaat, en door voor te schrijven dat beide certificaten slechts eenmaal mogen worden gebruikt samen met één aangifte voor het vrije verkeer.
Canadese cheddar is nu het enige onder het stelsel van certificaten IMA 1 vallende product waarvoor een minimumwaarde franco grens in acht moet worden genomen. Daartoe dienen de koper en de lidstaat van bestemming in het certificaat IMA 1 te worden vermeld.
Naar aanleiding van inadequaat beheer door de met de afgifte van certificaten IMA 1 belaste instellingen in Noorwegen, waardoor de quota zijn overschreden, heeft Noorwegen verzocht de twee in bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 1374/98 vermelde instellingen te vervangen door een enkele, rechtstreeks aan het ministerie van Landbouw ondergeschikte instelling. Om aan dit verzoek te beantwoorden moeten de nodige wijzigingen plaatsvinden.
Marktdeelnemers die voornemens zijn bepaalde kaassoorten van oorsprong uit Zwitserland in te voeren, moeten zich tot de inachtneming van een minimumwaarde franco grens verbinden om van de preferentiële behandeling voor die kaassoorten te kunnen profiteren. In het verleden werd deze verbintenis vermeld in vak 17 van het verplichte certificaat IMA 1, wat niet langer het geval is. Het is dienstig om duidelijkheidshalve het begrip „waarde franco grens” en de voorwaarden die tot doel hebben de inachtneming daarvan te waarborgen, op een andere wijze te specificeren.
In het kader van de specifieke bepalingen betreffende de preferentiële invoer van producten die niet vallen onder de in Verordening (EG) nr. 1706/98 bedoelde contingenten, noch onder bijlage 1 van protocol nr. 1 bij Besluit nr. 1/98 van de Associatieraad EG-Turkije, of bijlage IV bij de overeenkomst met Zuid-Afrika, noch onder de overeenkomst met Zwitserland, is het dienstig dat het verlaagde minimumrecht slechts wordt toegepast na overlegging van het in de protocollen bij de betrokken overeenkomsten bedoelde bewijs van oorsprong.
Om de eigen middelen beter te beschermen en gelet op de opgedane ervaringen zijn nauwkeurige bepalingen met betrekking tot de invoercontroles nodig. Met name de procedure die moet worden gevolgd in bepaalde gevallen waarin de door een aangifte voor het vrije verkeer gedekte partij niet aan de aangifte beantwoordt, dient te worden gespecificeerd met het oog op een adequaat toezicht op de hoeveelheden die daadwerkelijk in het vrije verkeer worden gebracht, vergeleken met de contingenten.
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor melk en zuivelproducten,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
TITEL 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Artikel 2
In artikel 1, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 376/2008 is bepaald voor welke producten een certificaat moet worden overgelegd(30). De geldigheidsduur van het invoercertificaat en het bedrag van de zekerheid zijn vastgesteld in deel I van bijlage II bij die verordening, onverminderd artikel 24, leden 3 en 4, van de onderhavige verordening.
De Verordeningen (EG) nr. 376/2008 en (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie(31) zijn van toepassing, tenzij in de onderhavige verordening anders is bepaald.
Artikel 3
In de aanvraag om een certificaat en in het certificaat zelf wordt in vak 16 de in de gecombineerde nomenclatuur gebruikte productcode (hierna „GN-code”) van acht cijfers vermeld, in voorkomend geval voorafgegaan door „ex”. Het certificaat geldt slechts voor het aldus omschreven product.
Certificaten die worden afgegeven voor de in hoofdstuk I en in hoofdstuk III, afdeling 2, van titel 2, bedoelde invoertariefcontingenten, zijn geldig voor alle onder één contingentnummer vallende GN codes, op voorwaarde dat het betrokken invoerrecht hetzelfde is.
Het certificaat wordt uiterlijk op de werkdag na de dag van indiening van de aanvraag afgegeven.