Bij deze richtlijn, die de zestiende bijzondere richtlijn is in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG, worden minimumvoorschriften vastgesteld voor de bescherming van werknemers tegen de risico's voor hun gezondheid en veiligheid die zich voordoen of kunnen voordoen door blootstelling aan mechanische trillingen.
Richtlijn 2002/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (trillingen) (zestiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)
Richtlijn 2002/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (trillingen) (zestiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 137, lid 2,
Gezien het gewijzigd voorstel van de Commissie(1), ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité voor de veiligheid, de hygiëne en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats,
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(2),
Na raadpleging van het Comité van de Regio's,
Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3), gezien de op 8 april 2002 door het bemiddelingscomité goedgekeurde ontwerp-tekst,
Overwegende hetgeen volgt:
Ingevolge het Verdrag kan de Raad door middel van richtlijnen minimumvoorschriften vaststellen om de verbetering van met name het arbeidsmilieu te bevorderen, teneinde een betere bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers te waarborgen. Volgens dit artikel wordt in deze richtlijnen vermeden zodanige administratieve, financiële en juridische verplichtingen op te leggen dat zij de oprichting en ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen zouden kunnen hinderen.
In de mededeling van de Commissie over haar actieprogramma tot uitvoering van het Gemeenschapshandvest van sociale grondrechten van werkenden met betrekking tot de blootstelling van werkenden aan de gevaren die verband houden met fysische agentia, worden minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid in het vooruitzicht gesteld; het Europees Parlement heeft in september 1990 een resolutie over dit actieprogramma(4) aangenomen, waarin de Commissie in het bijzonder wordt verzocht om voor met lawaai, trillingen en alle andere fysische agentia op de werkplek verbonden risico's een specifieke richtlijn op te stellen.
Als eerste stap wordt het noodzakelijk geacht maatregelen in te voeren ter bescherming van werknemers tegen de met trillingen verband houdende risico's vanwege de gevolgen daarvan voor de gezondheid en de veiligheid van werknemers, zoals met name aandoeningen van spieren en beendergestel, neurologische aandoeningen en vaataandoeningen. Met deze maatregelen wordt niet alleen beoogd de veiligheid en de gezondheid van elke werknemer afzonderlijk te waarborgen, maar ook om voor alle werknemers van de Gemeenschap een als minimum te beschouwen basisbescherming te bieden, waarmee eventuele concurrentievervalsing wordt vermeden.
Deze richtlijn stelt minimumvoorschriften vast en laat de lidstaten daarmee de keuze gunstiger bepalingen voor de bescherming van werknemers te handhaven of aan te nemen, met name waar het de vaststelling betreft van lagere waarden voor de dagelijkse actiewaarde of de dagelijkse maximumwaarde voor blootstelling aan trillingen; de uitvoering van deze richtlijn mag niet dienen als rechtvaardiging voor enigerlei achteruitgang ten opzichte van de in de lidstaten reeds bestaande situatie.
Een systeem ter bescherming tegen trillingen moet beperkt blijven tot een omschrijving, zonder overbodige details, van de te bereiken doeleinden, de in acht te nemen beginselen en de te gebruiken basisgrootheden, teneinde de lidstaten in staat te stellen de minimumvoorschriften op equivalente wijze toe te passen.
De blootstelling aan trillingen kan doeltreffender worden verminderd door reeds bij het ontwerpen van werkplekken en arbeidsplaatsen voor preventie te zorgen en arbeidsmiddelen, -procédés en -methoden zodanig te kiezen dat risico's bij voorrang aan de bron worden bestreden. Maatregelen met betrekking tot arbeidsmiddelen en -methoden leveren derhalve een bijdrage aan de bescherming van de daarvan gebruik makende werknemers.
Het is van belang dat werkgevers zich aanpassen aan de technische vooruitgang en de wetenschappelijke kennis inzake risico's in verband met blootstelling aan trillingen teneinde de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers te verbeteren.
Voor de sectoren zeevaart en luchtvaart is het bij de huidige stand van de techniek niet mogelijk in alle gevallen de grenswaarden voor blootstelling aan lichaamstrillingen na te leven; derhalve moet worden voorzien in naar behoren gerechtvaardigde afwijkingen.
De onderhavige richtlijn is een bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk(5). Deze richtlijn is derhalve onverminderd meer stringente en/of meer specifieke bepalingen in de onderhavige richtlijn onverkort van toepassing op het gebied van de blootstelling van werknemers aan trillingen.
Deze richtlijn vormt een concrete bijdrage tot de verwezenlijking van de sociale dimensie van de interne markt.
De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(6),
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
AFDELING I ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1 Doel en toepassingsgebied
De voorschriften van deze richtlijn gelden voor activiteiten waarbij werknemers vanwege hun werk worden of kunnen worden blootgesteld aan risico's verbonden aan mechanische trillingen.
Richtlijn 89/391/EEG is onverkort van toepassing op het gehele gebied bedoeld in lid 1, onverminderd meer stringente en/of meer specifieke bepalingen van de onderhavige richtlijn.
Artikel 2 Definities
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
-
„hand-armtrillingen”: mechanische trillingen die, wanneer zij op het hand-armsysteem van de mens worden overgebracht, risico's voor de gezondheid en veiligheid van de werknemers inhouden, met name vaat-, bot- of gewrichts-, zenuw- of spieraandoeningen;
-
„lichaamstrillingen”: mechanische trillingen die, wanneer zij op het lichaam in zijn geheel worden overgebracht, risico's voor de gezondheid en veiligheid van de werknemers inhouden, met name aandoeningen van de lage rug en beschadigingen van de wervelkolom.
Artikel 3 Grenswaarden en actiewaarden voor de blootstelling
Voor hand-armtrillingen
-
wordt de grenswaarde voor dagelijkse blootstelling, herleid tot een standaardreferentieperiode van acht uur, vastgesteld op 5 m/s2;
-
wordt de actiewaarde voor dagelijkse blootstelling, herleid tot een standaardreferentieperiode van acht uur, vastgesteld op 2,5 m/s2.
De blootstelling van een werknemer aan hand-armtrillingen wordt beoordeeld of gemeten volgens de bepalingen van deel A, punt 1, van de bijlage.
Voor lichaamstrillingen
-
wordt de grenswaarde voor dagelijkse blootstelling, herleid tot een standaardreferentieperiode van acht uur, vastgesteld op 1,15 m/s2, of, naar keuze van de lidstaat, tot een trillingsdosiswaarde (VDV) van 21 m/s1,75;
-
wordt de actiewaarde voor dagelijkse blootstelling, herleid tot een standaardreferentieperiode van acht uur, vastgesteld op 0,5 m/s2, of, naar keuze van de lidstaat, tot een trillingsdosiswaarde (VDV) van 9,1 m/s1,75.
De blootstelling van een werknemer aan lichaamstrillingen wordt beoordeeld of gemeten volgens de bepalingen van deel B, punt 1, van de bijlage.