Home

Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering

Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende levensverzekering

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2, en artikel 55,

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(2),

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3),

Overwegende hetgeen volgt:

  1. De Eerste Richtlijn 79/267/EEG van de Raad van 5 maart 1979 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe levensverzekeringsbedrijf, en de uitoefening daarvan(4), de Tweede Richtlijn 90/619/EEG van de Raad van 8 november 1990 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf, tot vaststelling van de bepalingen ter bevordering van de daadwerkelijke uitoefening van het vrij verrichten van diensten en houdende wijziging van Richtlijn 79/267/EEG(5) en Richtlijn 92/96/EEG van de Raad van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de Richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG (derde richtlijn levensverzekering)(6) zijn herhaaldelijk op belangrijke punten gewijzigd. Nu deze richtlijnen opnieuw worden gewijzigd, dient voor de duidelijkheid tot een omwerking van genoemde richtlijnen te worden overgegaan.

  2. Ter vergemakkelijking van de toegang tot en de uitoefening van het levensverzekeringsbedrijf dienen bepaaldeverschillen die op het gebied van het toezicht bestaan tussen de nationale wetgevingen, te worden afgeschaft. Ter verwezenlijking van dit doel dienen, onder waarborging van een passende bescherming van verzekerden en begunstigden in alle lidstaten, met name de bepalingen te worden gecoördineerd die betrekking hebben op de financiële garanties die van de levensverzekeringsondernemingen worden geëist.

  3. De interne markt in de sector van het directe levensverzekeringsbedrijf dient zowel uit het oogpunt van de vrijheid van vestiging in de lidstaten als uit dat van het aldaar vrij verrichten van diensten te worden voltooid, opdat het voor verzekeringsondernemingen die hun hoofdkantoor in de Gemeenschap hebben, gemakkelijker wordt gemaakt in de Gemeenschap verbintenissen aan te gaan en aan de verzekeringnemers de mogelijkheid wordt geboden om niet alleen op in hun land gevestigde verzekeraars een beroep te doen, maar ook op verzekeraars die hun hoofdkantoor in de Gemeenschap hebben en in andere lidstaten zijn gevestigd.

  4. Overeenkomstig het Verdrag is iedere discriminatoire behandeling inzake het verrichten van diensten, gebaseerd op de omstandigheid dat een onderneming niet is gevestigd in de lidstaat waar de dienst wordt verricht, verboden. Dit verbod geldt voor het verrichten van diensten door iedere vestiging van een onderneming in de Gemeenschap: hoofdkantoor, agentschap of bijkantoor.

  5. Met deze richtlijn is derhalve een belangrijke stap gezet op de weg naar het samenbrengen van de nationale markten in één geïntegreerde markt en die fase moet worden aangevuld met andere communautaire instrumenten teneinde onder waarborging van een adequate bescherming voor de verzekeringnemer, alle verzekeringnemers de mogelijkheid te geven een beroep te doen op elke verzekeraar die zijn hoofdkantoor in de Gemeenschap heeft en die daar zijn bedrijf uitoefent op grond van het recht van vestiging of in het kader van het vrij verrichten van diensten.

  6. Deze richtlijn sluit aan op de communautaire wetgeving op het gebied van levensverzekering die tevens Richtlijn 91/674/EEG van de Raad van 19 december 1991 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen(7) omvat.

  7. De gekozen aanpak behelst een wezenlijke, noodzakelijke en voldoende harmonisatie tot stand te brengen om te komen tot een wederzijdse erkenning van de vergunningen en van de stelsels van bedrijfseconomisch toezicht, waardoor één en dezelfde vergunning voor de gehele Gemeenschap geldig is en waarbij het beginsel geldt dat het toezicht wordt uitgeoefend door de lidstaat van herkomst.

  8. Voor de toegang tot en de uitoefening van het verzekeringsbedrijf is derhalve één enkele administratieve vergunning vereist, die wordt afgegeven door de autoriteiten van de lidstaat waar de verzekeringsonderneming haar hoofdkantoor heeft. Deze vergunning geeft de onderneming het recht overal in de Gemeenschap haar werkzaamheden uit te oefenen, hetzij op grond van het recht van vestiging, hetzij in het kader van het vrij verrichten van diensten. De lidstaat van het bijkantoor of van de vrije dienstverrichting mag van verzekeringsondernemingen die op zijn grondgebied het verzekeringsbedrijf wensen uit te oefenen en waaraan reeds in de lidstaat van herkomst vergunning is verleend, geen nieuwe vergunning verlangen.

  9. De bevoegde autoriteiten dienen geen vergunning aan een verzekeringsonderneming te verlenen of te handhaven, wanneer de nauwe banden die tussen deze onderneming en andere natuurlijke of rechtspersonen bestaan, van dien aard zijn dat zij een belemmering vormen voor de juiste uitoefening van hun toezichthoudende taken. Verzekeringsondernemingen waaraan reeds vergunning is verleend, moeten bij de bevoegde autoriteiten eveneens aantonen dat zulks niet het geval is.

  10. De in deze richtlijn gegeven definitie van „nauwe banden” berust op minimumcriteria en belet de lidstaten niet ook bepalingen vast te stellen voor andere situaties dan die welke door genoemde definitie worden bestreken.

  11. De loutere verwerving van een aanzienlijk percentage van het kapitaal van een vennootschap vormt geen deelneming, in die zin dat er sprake is van nauwe banden, indien deze verwerving slechts als een tijdelijke belegging is bedoeld, die het niet mogelijk maakt invloed uit te oefenen op de structuur en het financieel beleid van de onderneming.

  12. De beginselen van wederzijdse erkenning en van toezicht door de lidstaat van herkomst vereisen dat de bevoegde autoriteiten van elke lidstaat een vergunning weigeren of intrekken, wanneer uit bepaalde gegevens, zoals de inhoud van het programma van werkzaamheden, de plaats van vestiging of de werkelijk uitgeoefende werkzaamheden, op ondubbelzinnige wijze blijkt dat de verzekeringsonderneming het rechtsstelsel van een lidstaat heeft gekozen om zich te onttrekken aan de strengere voorschriften van een andere lidstaat, waar zij het grootste deel van haar werkzaamheden uitoefent of voornemens is uit te oefenen. Aan een verzekeringsonderneming moet vergunning worden verleend in de lidstaat waar haar statutaire zetel is gelegen. De lidstaten moeten tevens eisen dat het hoofdbestuur van een verzekeringsonderneming zich steeds bevindt in haar lidstaat van herkomst en dat die onderneming daar feitelijk werkzaam is.

  13. Om praktische redenen moet bij het omschrijven van dienstverrichting rekening worden gehouden met enerzijds de vestiging van de verzekeraar en anderzijds de plaats van verbintenis. Derhalve moet eveneens een omschrijving worden gegeven van verbintenis. Bovendien moeten de werkzaamheden door middel van vestiging worden onderscheiden van de werkzaamheden in het kader van het vrij verrichten van diensten.

  14. Een indeling naar branche is noodzakelijk, in het bijzonder om de werkzaamheden waarvoor een vergunning verplicht is gesteld, vast te stellen.

  15. Van het toepassingsgebied van deze richtlijn dienen te worden uitgesloten sommige onderlinge waarborgmaatschappijen, respectievelijk onderlinge verzekeringsmaatschappijen die op grond van de regeling die rechtens op die maatschappijen van toepassing is, aan specifieke voorwaarden inzake zekerheid voldoen en eigen financiële waarborgen bieden. Voorts dienen sommige instellingen wier werkzaamheden zich slechts uitstrekken tot een zeer beperkte sector en statutair beperkt zijn, te worden uitgesloten.

  16. In iedere lidstaat is voor de uitoefening van het levensverzekeringsbedrijf een overheidsvergunning en overheidstoezicht voorgeschreven, doch de voorwaarden voor de verlening of intrekking van deze vergunning dienen nader te worden vastgesteld. Er moet worden voorzien in de mogelijkheid van beroep op een rechterlijke instantie tegen een besluit tot afwijzing of intrekking.

  17. De controlebevoegdheden en -middelen van de bevoegde autoriteiten dienen nader te worden omschreven. Bovendien dienen specifieke bepalingen te worden vastgesteld betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het toezicht op de werkzaamheden in het kader van het vrij verrichten van diensten.

  18. De verantwoordelijkheid inzake het toezicht op de financiële soliditeit van de verzekeringsondernemingen, met name op de solvabiliteit, de vorming van toereikende technische voorzieningen en de dekking van deze voorzieningen met congruente activa dient bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst te berusten.

  19. Het is dienstig te voorzien in de mogelijkheid van uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten en autoriteiten of organen die uit hoofde van hun functie bijdragen tot de versterking van de stabiliteit van het financieel stelsel. Teneinde het vertrouwelijk karakter van de doorgegeven informatie te bewaren, moet de lijst van geadresseerden daarvan strikt beperkt blijven.

  20. Bepaalde praktijken, zoals fraude en misbruik van voorkennis, kunnen, ook al hebben zij betrekking op andere dan verzekeringsondernemingen, toch de stabiliteit van het financieel stelsel alsmede de integriteit ervan aantasten.

  21. Bepaald moet worden onder welke voorwaarden de genoemde uitwisseling van informatie is toegestaan.

  22. Wanneer bepaald is dat informatie alleen met de uitdrukkelijke instemming van de bevoegde autoriteiten mag worden doorgegeven, mogen deze autoriteiten aan hun instemming eventueel strikte voorwaarden verbinden.

  23. De lidstaten kunnen met derde landen overeenkomsten over informatie-uitwisseling sluiten, mits met betrekking tot de meegedeelde gegevens passende waarborgen inzake het beroepsgeheim gelden.

  24. Ter versterking van het bedrijfseconomisch toezicht op verzekeringsondernemingen en ter bescherming van de cliënten van die ondernemingen dient te worden voorgeschreven dat een met de wettelijke controle van de jaarrekening belast persoon de bevoegde autoriteiten snel in kennis moet stellen wanneer hij, in de in deze richtlijn bedoelde gevallen, in de uitvoering van zijn taken kennis krijgt van bepaalde feiten die van dien aard zijn dat zij de financiële positie of de administratieve en boekhoudkundige organisatie van een verzekeringsonderneming ernstig kunnen aantasten.

  25. Gelet op het beoogde doel is het wenselijk dat de lidstaten bepalen dat deze verplichting in alle gevallen geldt wanneer dergelijke feiten door een met de wettelijke controle van de jaarrekening belast persoon worden geconstateerd in de uitvoering van zijn taken bij een onderneming die met een verzekeringsonderneming nauwe banden heeft.

  26. De aan de met de wettelijke controle van de jaarrekening belaste personen opgelegde verplichting om in voorkomend geval aan de bevoegde autoriteiten mededeling te doen van bepaalde feiten of besluiten met betrekking tot een verzekeringsonderneming, welke zij in de uitvoering van hun taken bij een niet-verzekeringsonderneming constateren, houdt op zich geen wijziging in van de aard van hun taken bij deze onderneming, noch van de wijze waarop zij zich van hun taken bij die onderneming dienen te kwijten.

  27. De uitvoering van de verrichtingen voor het beheer van collectieve pensioenfondsen mag in geen geval afbreuk doen aan de bevoegdheden van de autoriteiten ten aanzien van de lichamen die houder zijn van de activa waarop dat beheer betrekking heeft.

  28. Een aantal bepalingen van de onderhavige richtlijn stellen minimumnormen vast. De lidstaat van herkomst kan strengere regels opleggen aan verzekeringsondernemingen waaraan door zijn eigen bevoegde autoriteiten vergunning is verleend.

  29. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten over de nodige controlemiddelen beschikken om te garanderen dat de verzekeringsonderneming overal in de Gemeenschap haar werkzaamheden op regelmatige wijze uitoefent, ongeacht of dit op grond van het recht van vestiging dan wel in het kader van het vrij verrichten van diensten geschiedt. Zij moeten met name passende vrijwaringsmaatregelen kunnen treffen of sancties kunnen opleggen om onregelmatigheden en inbreuken op de bepalingen inzake het toezicht op het verzekeringswezen te voorkomen.

  30. De bepalingen betreffende portefeuilleoverdracht dienen bepalingen te behelzen die specifiek van toepassing zijn op de overdracht naar een andere onderneming van de portefeuille van contracten die gesloten zijn in het kader van de vrijheid van dienstverlening.

  31. De bepalingen betreffende portefeuilleoverdracht dienen overeen te stemmen met de regeling inzake een enkele vergunning waarin deze richtlijn voorziet.

  32. Aan ondernemingen opgericht na de datums waarnaar wordt verwezen in artikel 18, lid 3, dient de gelijktijdige beoefening van het levensverzekerings- en het schadeverzekeringsbedrijf niet te worden toegestaan. Wat betreft de bestaande ondernemingen die deze werkzaamheden op de op hen toepasselijke datums waarnaar in artikel 18, lid 3, wordt verwezen, gelijktijdig uitoefenen, moet de lidstaten de mogelijkheid worden geboden deze te machtigen daarmee voort te gaan, mits zij voor elk van hun bedrijvigheden een gescheiden beheer voeren, zulks ter bescherming van de belangen van, onderscheidenlijk, hen die een levensverzekering en hen die een schadeverzekering hebben afgesloten en opdat de minimale financiële verplichtingen ten laste van de ene werkzaamheid niet worden gedragen door de andere werkzaamheid. Wat betreft deze bestaande ondernemingen die deze werkzaamheden gelijktijdig uitoefenen, moet de lidstaten ook de mogelijkheid worden geboden om van die op hun grondgebied gevestigde ondernemingen te eisen dat zij aan deze cumulatie van werkzaamheden een einde maken. Voorts dienen de gespecialiseerde ondernemingen aan een bijzonder toezicht te worden onderworpen wanneer een schadeverzekeringsonderneming tot dezelfde financiële groep behoort als een levensverzekeringsonderneming.

  33. Niets in deze richtlijn verhindert dat een samengestelde onderneming zich opdeelt in twee ondernemingen, waarvan één zich bezighoudt met levensverzekeringen en de andere met schadeverzekeringen en het is wenselijk om de lidstaten in staat te stellen om, met inachtneming van de gemeenschappelijke regels inzake het mededingingsrecht, daartoe het geëigende fiscale regime te scheppen, met name ten aanzien van de meerwaarde die een dergelijke deling met zich zou kunnen brengen, opdat die deling onder zo goed mogelijke voorwaarden zal kunnen plaatsvinden.

  34. De lidstaten zouden desgewenst aan een en dezelfde onderneming vergunningen moeten kunnen verlenen voor de in bijlage I bedoelde branches en voor de verzekeringsverrichtingen van de branches 1 en 2 van de bijlage bij Eerste Richtlijn 73/239/EEG van de Raad van 24 juli 1973 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot het directe verzekeringsbedrijf, met uitzondering van de levensverzekeringsbranche en de uitoefening daarvan(8). Die mogelijkheid kan evenwel worden onderworpen aan bepaalde voorwaarden inzake de naleving van de boekhoudkundige voorschriften en de voorschriften inzake liquidatie.

  35. Het is voor de bescherming van de verzekerden noodzakelijk dat iedere verzekeringsonderneming toereikende technische voorzieningen vormt. Bij de berekening van deze voorzieningen wordt in hoofdzaak van actuariële beginselen uitgegaan. Het is gewenst deze beginselen te coördineren, teneinde de onderlinge erkenning van de in de onderscheiden lidstaten toepasselijke prudentiële voorschriften te vergemakkelijken.

  36. Het is voorzichtigheidshalve wenselijk om een minimale coördinatie tot stand te brengen van de voorschriften inzake beperking van het voor de berekening van de technische voorzieningen toegepaste rentepercentage. Aangezien de thans voor die beperking bestaande methodes alle in gelijke mate juist, prudentieel en gelijkwaardig zijn, lijkt het passend de lidstaten vrij te laten in de keuze van de te gebruiken methode.

  37. De regels betreffende de berekening van technische voorzieningen en betreffende de diversificatie, de lokalisatie en de congruentie van de tegenover de technische voorzieningen staande activa moeten worden gecoördineerd teneinde de wederzijdse erkenning van de voorschriften van de lidstaten te vergemakkelijken. Bij deze coördinatie moet rekening worden gehouden met de liberalisatie van het kapitaalverkeer als bedoeld in artikel 56 van het Verdrag en met de vooruitgang die de Gemeenschap heeft geboekt op de weg naar de Economische en Monetaire Unie.

  38. De lidstaat van herkomst mag van verzekeringsondernemingen niet verlangen dat zij de activa die tegenover hun technische voorzieningen staan, in bepaalde categorieën activa beleggen aangezien dergelijke vereisten onverenigbaar zijn met de liberalisatie van het kapitaalverkeer als bedoeld in artikel 56 van het Verdrag.

  39. De verzekeringsondernemingen moeten niet alleen over voldoende technische voorzieningen, met inbegrip van wiskundige voorzieningen, beschikken om aan de aangegane verplichtingen te voldoen, doch ook over een aanvullende reserve, solvabiliteitsmarge genaamd, gevormd door het vrije vermogen en, met toestemming van de bevoegde autoriteit, door impliciete vermogensbestanddelen, welke fungeert als buffer om ongunstige ontwikkelingen in het bedrijfsklimaat op te vangen. Dit vereiste is een wezenlijk aspect van het stelsel van bedrijfseconomisch toezicht ter bescherming van de verzekerden en verzekeringnemers. Voorgeschreven dient te worden dat deze marge in verhouding dient te staan tot de omvang van de verplichtingen en tot de aard en grootte van de risico's die verbonden zijn aan de verschillende werkzaamheden welke onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen teneinde te verzekeren dat de daartoe opgelegde vereisten worden bepaald aan de hand van objectieve criteria, waardoor voor ondernemingen van overeenkomstige omvang gelijke mededingingsvoorwaarden worden geschapen. Deze marge dient derhalve te verschillen naargelang het beleggingsrisico's, overlijdensrisico's of uitsluitend beheersrisico's betreft. Zij dient zodoende soms te worden bepaald aan de hand van de wiskundige voorzieningen en het risicokapitaal ten laste van de onderneming, aan de hand van de geïnde premies of bijdragen, dan wel alleen aan de hand van de wiskundige voorzieningen en soms aan de hand van het vermogen van de tontinedeelgenootschappen.

  40. Richtlijn 92/96/EEG voorzag in een voorlopige definitie van een gereglementeerde markt in afwachting van de vaststelling van een richtlijn betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten, die dat begrip binnen de Gemeenschap zou harmoniseren. Richtlijn 93/22/EEG van de Raad van 10 mei 1993 betreffende het verrichten van diensten op het gebied van beleggingen in effecten(9) voorziet in een definitie van gereglementeerde markt, alhoewel het levensverzekeringbedrijf van zijn toepassingsgebied wordt uitgesloten. Het is aangewezen het begrip van „gereglementeerde markt” eveneens op het levensverzekeringsbedrijf toe te passen.

  41. De lijst van bestanddelen die in aanmerking kunnen komen voor de vorming van de in deze richtlijn voorgeschreven solvabiliteitsmarge houdt rekening met de nieuwe financiële instrumenten en met de mogelijkheden waarover andere financiële instellingen beschikken met betrekking tot de samenstelling van hun vermogen. Gelet op de marktontwikkelingen op het gebied van de herverzekeringsdekking van de primaire verzekeraars, dienen de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid te hebben de verlaging van het solvabiliteitsmargevereiste onder bepaalde omstandigheden te beperken. Om de kwaliteit van de solvabiliteitsmarge te verbeteren, dient de mogelijkheid van opname van toekomstige winsten in de beschikbare solvabiliteitsmarge te worden beperkt en aan voorwaarden te worden gebonden en in ieder geval na 2009 te worden beëindigd.

  42. Het is noodzakelijk een garantiefonds verplicht te stellen van een zodanige omvang en samenstelling dat het waarborgt dat de ondernemingen reeds bij hun oprichting over voldoende middelen beschikken en de solvabiliteitsmarge tijdens de bedrijfsuitoefening in geen geval beneden een minimumveiligheidsmarge daalt. Dit garantiefonds moet geheel of voor een bepaald gedeelte uit expliciete vermogensbestanddelen bestaan.

  43. Teneinde in de toekomst aanzienlijke verhogingen van het bedrag van het minimumgarantiefonds te vermijden, dient een mechanisme te worden ingesteld dat ervoor zorgt dat dit bedrag automatisch in hetzelfde tempo stijgt als het Europese indexcijfer van de consumentenprijzen in de Gemeenschap. Deze richtlijn stelt minimumnormen voor de solvabiliteitsmargevereisten vast; de lidstaat van herkomst mag strengere regels opleggen aan verzekeringsondernemingen waaraan door zijn eigen bevoegde autoriteiten vergunning is verleend.

  44. De in de lidstaten vigerende bepalingen inzake het op de overeenkomsten met betrekking tot de in deze richtlijn bedoelde werkzaamheden toepasselijk recht lopen uiteen. De harmonisatie van het recht op het gebied van verzekeringsovereenkomsten is geen prealabele voorwaarde voor de totstandbrenging van de interne markt voor verzekeringen. Derhalve biedt de aan de lidstaten gelaten mogelijkheid om verzekeringsovereenkomsten die op hun grondgebied aangegane verbintenissen behelzen, onder toepassing van hun recht te doen vallen, voldoende waarborgen voor verzekeringnemers. De vrijheid om als op de overeenkomst toepasselijk recht een ander recht te kiezen dan dat van de lidstaat van de verbintenis, kan in bepaalde gevallen worden verleend op grond van regels die rekening houden met de specifieke omstandigheden.

  45. Wanneer het om een levensverzekeringsovereenkomst gaat, is het dienstig de verzekeringnemer de mogelijkheid te geven de overeenkomst op te zeggen binnen een termijn van 14 tot 30 dagen.

  46. Het is in het kader van de interne markt in het belang van de verzekeringnemer dat hij toegang heeft tot een zo breed mogelijk gamma van in de Gemeenschap aangeboden verzekeringsproducten, waaruit hij de keuze kan maken die het best aan zijn behoeften voldoet. De lidstaat waar de verbintenis is aangegaan, moet derhalve erop toezien dat alle in de Gemeenschap aangeboden verzekeringsproducten zonder enige belemmering op zijn grondgebied op de markt kunnen worden gebracht, voorzover zij niet in strijd zijn met de wettelijke bepalingen van algemeen belang die in deze lidstaat gelden en voorzover dit algemeen belang niet door de voorschriften van de lidstaat van herkomst wordt gevrijwaard, mits deze wettelijke bepalingen zonder discriminatie van toepassing zijn op alle in deze lidstaat werkzame verzekeringsondernemingen, en mits zij objectief nodig zijn en op het beoogde doel zijn toegesneden.

  47. De lidstaten moeten erop kunnen toezien dat de verzekeringsproducten en de contractuele documenten die worden gebruikt voor de dekking van op hun grondgebied aangegane verbintenissen op grond van het recht van vestiging of in het kader van het vrij verrichten van diensten, in overeenstemming zijn met de toepasselijke specifieke wettelijke bepalingen van algemeen belang. De toe te passen toezichtstelsels moeten worden aangepast aan de eisen van de interne markt, zonder dat zij een voorwaarde mogen zijn voor de uitoefening van het verzekeringsbedrijf. Stelsels van voorafgaande goedkeuring van de verzekeringsvoorwaarden lijken in dit verband niet gerechtvaardigd. Bijgevolg moet worden voorzien in stelsels die beter op de eisen van de interne markt zijn afgestemd en die het de lidstaten mogelijk maken de verzekeringnemers een wezenlijke bescherming te bieden.

  48. Er dient een samenwerking te worden ingesteld tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten onderling en tussen deze autoriteiten en de Commissie.

  49. Sancties moeten kunnen worden opgelegd wanneer de verzekeringsonderneming zich in de lidstaat waar de verbintenis is aangegaan, niet voegt naar de bepalingen van algemeen belang die op haar van toepassing zijn.

  50. Het is noodzakelijk maatregelen te treffen voor het geval dat een onderneming in een zodanige financiële situatie komt te verkeren dat het haar moeilijk wordt haar verplichtingen na te komen. In specifieke gevallen waarin de rechten van de verzekeringnemers in het geding komen, dienen de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid te hebben om in een voldoende vroeg stadium in te grijpen; doch in dat geval dienen zij, conform de beginselen van behoorlijk bestuur en eerbiediging van de procedurevoorschriften, de verzekeringsondernemingen in kennis te stellen van de redenen die aan hun optreden ten grondslag liggen. Zolang een dergelijke situatie aanhoudt, dient te worden belet dat de bevoegde autoriteiten officieel verklaren dat de verzekeringsonderneming over een toereikende solvabiliteitsmarge beschikt.

  51. De lidstaat van herkomst mag, voor de toepassing van de actuariële beginselen overeenkomstig de onderhavige richtlijn, de systematische mededeling eisen van de voor de berekening van de contracttarieven en de technische voorzieningen gehanteerde technische grondslagen, waarbij deze mededeling van de technische grondslagen de kennisgeving van de algemene en bijzondere polisvoorwaarden en van de commerciële tarieven van de onderneming uitsluit.

  52. De consument zal in het kader van een interne markt voor verzekeringen een grotere en meer gediversifieerde keuze uit overeenkomsten hebben. Hij moet om ten volle van deze diversiteit en van een toegenomen concurrentie te kunnen profiteren, over de nodige inlichtingen beschikken om de overeenkomst te kunnen kiezen die het beste bij zijn behoeften past. Deze behoefte aan inlichtingen is nog sterker omdat de looptijd van de verbintenissen zeer lang kan zijn. Het is dientengevolge wenselijk de minimumvoorschriften te coördineren opdat de consument een duidelijke en nauwkeurige informatie ontvangt over de wezenlijke kenmerken van de hem aangeboden producten en over de gegevens betreffende de organismen die bevoegd zijn om kennis te nemen van de klachten van verzekeringnemers, verzekerden of begunstigden van de overeenkomst.

  53. De reclame voor verzekeringsproducten is van wezenlijke betekenis voor de vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van verzekeringswerkzaamheden in de Gemeenschap. Het is van belang de verzekeringsondernemingen de mogelijkheid te bieden van alle gebruikelijke middelen voor het maken van reclame in de lidstaat van het bijkantoor of de dienstverrichting gebruik te maken. De lidstaten kunnen niettemin de naleving vereisen van hun voorschriften betreffende de vorm en de inhoud van deze reclame, die voortvloeien uit communautaire regelingen die op het gebied van reclame zijn vastgesteld, dan wel uit bepalingen die door de lidstaten zijn vastgesteld om redenen van algemeen belang.

  54. In het kader van de interne markt mag een lidstaat niet langer verbieden dat het verzekeringsbedrijf op zijn grondgebied tegelijkertijd op grond van het recht van vestiging en in het kader van het vrij verrichten van diensten haar activiteiten uitoefent.

  55. De verzekeringsverrichtingen zijn in sommige lidstaten niet onderworpen aan enige vorm van indirecte belasting, terwijl in de meeste lidstaten bijzondere heffingen en andere vormen van belasting van toepassing zijn. Deze heffingen en belastingen in de lidstaten waar zij gelden, verschillen qua structuur en tarieven aanzienlijk. Voorkomen moet worden dat de bestaande verschillen ernstige concurrentiedistorsies tussen de lidstaten met zich brengen op het gebied van verzekeringdiensten. Onder voorbehoud van een latere harmonisatie kan de toepassing van de belastingregeling en van de andere heffingen van de lidstaat waar de verbintenis is aangegaan, een dergelijk bezwaar ondervangen en het is de taak van de lidstaten de nadere regels voor het innen van deze heffingen en belastingen vast te stellen.

  56. Het is van belang een communautaire coördinatie inzake de liquidatie van verzekeringsondernemingen tot stand te brengen. In afwachting hiervan is het van fundamenteel belang ervoor te zorgen dat bij liquidatie van een verzekeringsonderneming het in elke lidstaat opgezette garantiestelsel de gelijke behandeling waarborgt van alle schuldeisers uit hoofde van verzekeringen, zonder onderscheid naar de nationaliteit van deze schuldeisers en ongeacht de wijze waarop de verbintenis is aangegaan.

  57. De gecoördineerde voorschriften betreffende de uitoefening van het directe verzekeringsbedrijf binnen de Gemeenschap dienen in beginsel eveneens van toepassing te zijn op alle ondernemingen die op de markt werkzaam zijn en derhalve ook op de agentschappen en bijkantoren van de ondernemingen waarvan het hoofdkantoor buiten de Gemeenschap is gelegen. Bij deze richtlijn worden ten aanzien van deze agentschappen en bijkantoren bijzondere bepalingen inzake de vorm van het toezicht vastgesteld omdat het vermogen van de ondernemingen waarvan zij afhankelijk zijn, zich buiten de Gemeenschap bevindt.

  58. Overeenkomsten op basis van wederkerigheid dienen met één of meer derde landen te worden gesloten teneinde een soepeler toepassing van deze bijzondere voorwaarden mogelijk te maken, zulks onder eerbiediging van het beginsel dat de agentschappen en bijkantoren van deze ondernemingen geen gunstiger behandeling mogen krijgen dan de ondernemingen uit de Gemeenschap.

  59. Er moet worden voorzien in een soepele procedure aan de hand waarvan de wederkerigheid met derde landen op een communautaire grondslag kan worden beoordeeld. Deze procedure heeft niet ten doel de financiële markten van de Gemeenschap af te sluiten, maar — aangezien de Gemeenschap voornemens is haar financiële markten voor de rest van de wereld open te houden — de liberalisatie van de globale financiële markten in andere derde landen te verbeteren. Deze richtlijn voorziet daartoe in procedures voor onderhandelingen met derde landen. In laatste instantie dient te worden voorzien in de mogelijkheid maatregelen te nemen die opschorting van nieuwe vergunningaanvragen of beperking van het aantal nieuwe vergunningen meebrengen, met gebruikmaking van de regelgevingsprocedure van artikel 5 van Besluit 1999/468/EG van de Raad(10).

  60. Deze richtlijn dient te voorzien in bepalingen betreffende het bewijs van betrouwbaarheid en het bewijs dat geen faillissement heeft plaatsgevonden.

  61. Teneinde duidelijkheid te brengen in het wettelijk regime dat van toepassing is op het door deze richtlijn bestreken levensverzekeringsbedrijf, dienen bepaalde voorzieningen van de Richtlijnen 79/267/EEG, 90/619/EEG en 92/96/EEG te worden aangepast. Ten dien einde dienen sommige voorzieningen betreffende de vaststelling van een solvabiliteitsmarge en betreffende de rechten verkregen door vóór 1 juli 1994 opgerichte bijkantoren van verzekeringsondernemingen te worden gewijzigd. Tevens dient het programma van werkzaamheden van in de Gemeenschap te vestigen bijkantoren van ondernemingen uit derde landen te worden bepaald.

  62. Technische wijzigingen van de gedetailleerde voorschriften van deze richtlijn kunnen op gezette tijden noodzakelijk zijn teneinde rekening te houden met de toekomstige ontwikkelingen in de verzekeringssector. De Commissie zal, zo nodig, deze wijzigingen aanbrengen in het kader van de haar door het Verdrag verleende uitvoeringsbevoegdheid, na raadpleging van het bij Richtlijn 91/675/EEG van de Raad(11) ingestelde Comité voor het verzekeringswezen. Aangezien deze maatregelen maatregelen van algemene strekking vormen in de zin van artikel 2 van Besluit 1999/468/EG, dienen zij te worden vastgesteld met gebruikmaking van de regelgevingsprocedure van artikel 5 van dat besluit.

  63. Volgens artikel 15 van het Verdrag dient rekening te worden gehouden met de inspanning die bepaalde volkshuishoudingen met verschillen in ontwikkeling zich moeten getroosten. Aan bepaalde lidstaten moet dan ook een overgangsregeling worden toegestaan waardoor deze richtlijn geleidelijk kan worden toegepast.

  64. De Richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG stonden een bijzondere afwijking toe wat sommige, ten tijde van de vaststelling van die richtlijnen bestaande ondernemingen betreft. Die hebben sindsdien hun structuur gewijzigd. Bijgevolg hebben zij een dergelijke bijzondere afwijking niet meer nodig.

  65. Deze richtlijn laat de verplichtingen van lidstaten inzake de termijnen voor omzetting en voor toepassing van de in bijlage V, deel B, vermelde richtlijnen onverlet,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

TITEL I DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 1 Definities

1.

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

  1. „verzekeringsonderneming”: iedere onderneming waaraan overeenkomstig artikel 4 vergunning is verleend;

  2. „bijkantoor”: ieder agentschap of bijkantoor van een verzekeringsonderneming;

    Met een agentschap of bijkantoor wordt gelijkgesteld, elke duurzame aanwezigheid van een onderneming op het grondgebied van een lidstaat, ook indien die aanwezigheid niet de vorm heeft van een bijkantoor of een agentschap, maar enkel bestaat uit een bureau, beheerd door eigen personeel van de onderneming of door een zelfstandig persoon die echter gemachtigd is duurzaam voor die onderneming op te treden zoals een agentschap zou doen;

  3. „vestiging”: hoofdkantoor, agentschap of bijkantoor van een onderneming;

  4. „verbintenis”: een verbintenis die wordt geconcretiseerd in de vorm van een verzekering of verrichting als bedoeld in artikel 2;

  5. „lidstaat van herkomst”: de lidstaat waar het hoofdkantoor is gevestigd van de verzekeringsonderneming die de verbintenis aangaat;

  6. „lidstaat van het bijkantoor”: de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd dat de verbintenis aangaat;

  7. „lidstaat van de verbintenis”: de lidstaat waar de verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats heeft of, indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is, de lidstaat waar zich de vestiging van deze rechtspersoon bevindt waarop de overeenkomst betrekking heeft;

  8. „lidstaat van dienstverrichting”: de lidstaat van de verbintenis wanneer de verbintenis wordt aangegaan door een in een andere lidstaat gevestigde verzekeringsonderneming of bijkantoor;

  9. „zeggenschap”: de band die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, zoals bepaald in artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG van de Raad(12), of een gelijkaardige band tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming;

  10. „gekwalificeerde deelneming”: het in een onderneming, rechtstreeks of middellijk, bezitten van ten minste 10 % van het kapitaal of van de stemrechten, dan wel elke andere mogelijkheid om invloed van betekenis uit te oefenen op de bedrijfsvoering van de onderneming waarin men een deelneming heeft.

    Voor de toepassing van deze definitie in de artikelen 8 en 15, en voor de andere in artikel 15 genoemde deelnemingspercentages, worden de in artikel 92 van Richtlijn 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2001 betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd(13) bedoelde stemrechten in aanmerking genomen;

  11. „moederonderneming”: een moederonderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG;

  12. „dochteronderneming”: een dochteronderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG; elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;

  13. „gereglementeerde markt”:

    • in het geval van een zich in een lidstaat bevindende markt, een gereglementeerde markt zoals omschreven in artikel 1, punt 13, van Richtlijn 93/22/EEG, en

    • in het geval van een zich in een derde land bevindende markt, een door de lidstaat van herkomst van de verzekeringsonderneming erkende financiële markt die aan vergelijkbare vereisten beantwoordt. De financiële instrumenten die op die markt worden verhandeld, moeten van een kwaliteit zijn die vergelijkbaar is met die van de instrumenten welke op de gereglementeerde markt(en) van de betrokken lidstaat worden verhandeld;

  14. „bevoegde autoriteiten”: de nationale autoriteiten die krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen toezicht uitoefenen op de verzekeringsondernemingen;

  15. „congruentie”: het feit dat opeisbare verplichtingen in een muntsoort staan tegenover activa die in dezelfde muntsoort uitgedrukt of realiseerbaar zijn;

  16. „lokalisatie van de activa”: aanwezigheid van roerende of onroerende activa binnen een lidstaat zonder dat de roerende activa gedeponeerd behoeven te zijn en zonder dat ten aanzien van onroerende activa beperkende maatregelen zoals vermelding in de openbare registers van toepassing behoeven te zijn; de activa, bestaande uit schuldvorderingen, worden geacht zich te bevinden in de lidstaat waar zij realiseerbaar zijn;

  17. „risicodragend kapitaal”: het bedrag dat gelijk is aan het overlijdenskapitaal verminderd met de wiskundige voorziening van het hoofdrisico;

  18. „nauwe banden”: een situatie waarbij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen verbonden zijn door:

    1. een „deelneming”, dit wil zeggen het rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband in bezit hebben van ten minste 20 % van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming, of

    2. een „zeggenschapsband”, dat wil zeggen de band die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, in alle gevallen zoals bedoeld in artikel 1, leden 1 en 2, van Richtlijn 83/349/EEG, of een band van dezelfde aard tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming; elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt eveneens beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat.

    Als een nauwe band tussen twee of meer natuurlijke of rechtspersonen wordt tevens beschouwd een situatie waarin deze personen via een zeggenschapsband duurzaam verbonden zijn met eenzelfde persoon.

2.

Wanneer in deze richtlijn wordt verwezen naar de euro, moet vanaf 31 december van elk jaar, als tegenwaarde ervan in nationale valuta in aanmerking worden genomen die welke gold op de laatste dag van de voorgaande maand oktober waarop de tegenwaarden van de euro in alle betrokken valuta's van de Gemeenschap beschikbaar zijn.

Artikel 2 Toepassingsgebied

Deze richtlijn heeft betrekking op de toegang tot en de uitoefening van het directe verzekeringsbedrijf anders dan in loondienst door ondernemingen welke in een lidstaat zijn gevestigd of zich daar wensen te vestigen, met betrekking tot de hierna omschreven werkzaamheden:

  1. de volgende verzekeringen voorzover zij uit een overeenkomst voortvloeien:

    1. de levensverzekeringsbranche, dat wil zeggen de branche die onder andere de verzekering bij leven, de verzekering bij overlijden, de gemengde verzekering, de levensverzekering met contraverzekering, de verzekeringen in verband met huwelijk en geboorte omvat;

    2. de lijfrenteverzekering;

    3. de aanvullende verzekeringen welke door de levensverzekeringsondernemingen worden gesloten, namelijk inzonderheid de verzekering tegen lichamelijk letsel, met inbegrip van arbeidsongeschiktheid, de verzekering bij overlijden ten gevolge van een ongeval, de verzekering tegen invaliditeit ten gevolge van ongeval of ziekte, voorzover deze verschillende verzekeringen een aanvulling vormen op een levensverzekering;

    4. de in Ierland en het Verenigd Koninkrijk bestaande verzekering genaamd „permanent health insurance” (niet-opzegbare ziekteverzekering van lange duur);

  2. de volgende verrichtingen voorzover zij voortvloeien uit een overeenkomst en voorzover zij gecontroleerd worden door de bevoegde overheidsinstanties voor het toezicht op particuliere verzekeringen:

    1. tontineverrichtingen waarbij deelgenootschappen worden gevormd waarin de deelgenoten zich aaneensluiten om gezamenlijk hun bijdragen te kapitaliseren en het aldus gevormde vermogen te verdelen tussen de overlevenden of tussen de rechthebbenden van de overledenen;

    2. kapitalisatieverrichtingen die zijn gebaseerd op een actuariële techniek, waarbij in ruil voor tevoren vastgestelde stortingen ineens of periodieke stortingen, verplichtingen worden aangegaan die voor wat betreft hun duur en hun bedrag bepaald zijn;

    3. het beheer van collectieve pensioenfondsen, dat wil zeggen verrichtingen waarbij de betrokken onderneming zich belast met het beheer van beleggingen en met name van de activa welke staan tegenover de voorzieningen van de organen die uitkeringen verstrekken bij overlijden, bij leven of bij beëindiging of vermindering van de werkzaamheid;

    4. verrichtingen als bedoeld onder c), wanneer deze vergezeld gaan van een verzekeringsgarantie die betrekking heeft hetzij op het behoud van het kapitaal, hetzij op de betaling van een minimuminterest;

    5. door verzekeringsondernemingen gedane verrichtingen zoals die welke zijn bedoeld in boek IV, titel 4, hoofdstuk 1, van de Franse „Code des assurances”;

  3. de in de wetgeving op de sociale verzekering omschreven of bedoelde verrichtingen in verband met de duur van het leven van de mens, voorzover deze in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat door verzekeringsondernemingen voor eigen risico worden verricht of beheerd.

Artikel 3 Uitgesloten werkzaamheden en instellingen

Deze richtlijn heeft geen betrekking op:

  1. de branches welke zijn omschreven in de bijlage bij Richtlijn 73/239/EEG, behoudens de toepassing van artikel 2, punt 1, onder c);

  2. de verrichtingen van instellingen op het gebied van voorzorg en bijstand, waarvan de prestaties verschillen naar gelang van de beschikbare middelen, en in het kader waarvan de bijdragen van de leden forfaitair worden vastgesteld;

  3. de verrichtingen van andere instellingen dan de in artikel 2 bedoelde ondernemingen die ten doel hebben aan al dan niet in loondienst werkzame personen, die in het kader van een onderneming of van een groep van ondernemingen of van een beroep of meerdere beroepen omvattende sector zijn gegroepeerd, uitkeringen te verstrekken bij overlijden, bij leven of bij beëindiging of vermindering van de werkzaamheid, ongeacht of de uit deze verrichtingen voortvloeiende verbintenissen al dan niet volledig en voortdurend door wiskundige voorzieningen zijn gedekt;

  4. verzekeringen die vallen binnen een wettelijke regeling van sociale zekerheid, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 2, punt 3;

  5. instellingen die uitsluitend uitkeringen bij overlijden waarborgen, wanneer het bedrag van deze uitkeringen niet groter is dan het gemiddelde bedrag van de begrafeniskosten voor een sterfgeval of wanneer deze uitkeringen in natura geschieden;

  6. onderlinge waarborgmaatschappijen en onderlinge verzekeringsmaatschappijen waarvan:

    • de statuten de mogelijkheid bieden hetzij over te gaan tot het heffen van suppletiebijdragen, hetzij tot vermindering van de uitkeringen, hetzij een beroep te doen op de medewerking van derden die tot dat doel een verbintenis hebben aangegaan; en

    • het jaarlijkse bedrag van de bijdragen, ontvangen uit hoofde van de door deze richtlijn bestreken werkzaamheden, niet meer dan 5 miljoen EUR beloopt gedurende drie achtereenvolgende jaren. Indien dit bedrag gedurende drie achtereenvolgende jaren wordt overschreden, is deze richtlijn vanaf het vierde jaar van toepassing.

    Het bepaalde in dit artikel belet evenwel niet dat een onderlinge maatschappij uit hoofde van deze richtlijn een vergunning aanvraagt of haar vergunning behoudt;

  7. het „Versorgungsverband deutscher Wirtschaftsorganisationen” in Duitsland, behoudens in geval van statutenwijziging ten aanzien van de bevoegdheid;

  8. pensioenactiviteiten van pensioenverzekeraars als voorgeschreven in de wet op de pensioenen voor werknemers (TEL) en aanverwante Finse wettelijke regelingen op voorwaarde dat:

    1. pensioenverzekeraars die reeds ingevolge de Finse wet verplicht zijn verschillende stelsels voor boekhouding en beheer van hun pensioenactiviteiten aan te houden, bovendien met ingang van de datum van toetreding voor het uitvoeren van deze activiteiten verschillende rechtspersonen in het leven zullen roepen;

    2. de Finse autoriteiten zonder enig onderscheid alle onderdanen en ondernemingen van de lidstaten zullen toestaan alle in artikel 2 genoemde activiteiten die met deze uitzondering in verband staan, uit te voeren, overeenkomstig de Finse wetgeving, zowel door middel van:

      • eigendom van of deelneming in een bestaande verzekeringsonderneming of groep verzekeraars;

      • oprichting van of deelneming in nieuwe verzekeringsondernemingen of groepen van verzekeraars, waaronder pensioenverzekeraars;

    3. de Finse autoriteiten binnen drie maanden na de datum van toetreding een rapport ter goedkeuring aan de Commissie voorleggen, waarin wordt aangegeven welke maatregelen zijn genomen om TEL-activiteiten te scheiden van normale verzekeringsactiviteiten van Finse verzekeringsondernemingen teneinde te voldoen aan alle vereisten van deze richtlijn.

TITEL II TOEGANG TOT HET LEVENSVERZEKERINGSBEDRIJF

Artikel 4 Vergunningbeginsel

Artikel 5 Reikwijdte van de vergunning

Artikel 6 Voorwaarden tot verkrijging van een vergunning

Artikel 7 Programma van werkzaamheden

Artikel 8 Aandeelhouders en vennoten met een gekwalificeerde deelneming

Artikel 9 Afwijzing van de vergunning

TITEL III UITOEFENINGSVOORWAARDEN VOOR HET VERZEKERINGSBEDRIJF

HOOFDSTUK 1 BEGINSELEN EN WERKWIJZEN VAN FINANCIEEL TOEZICHT

Artikel 10 Bevoegde autoriteiten en doel van toezicht

Artikel 11 Toezicht op in een andere lidstaat gevestigde bijkantoren

Artikel 12 Verbod op verplichte overdracht van een deel van de afgesloten verzekeringen

Artikel 13 Verslaglegging, prudentiële en statistische informatie; bevoegdheid tot toezicht

Artikel 14 Portefeuilleoverdracht

Artikel 15 Gekwalificeerde deelneming

Artikel 16 Beroepsgeheim

Artikel 17 Accountantstaken

Artikel 18 Gelijktijdige uitoefening van het levens- en het schadeverzekeringsbedrijf

Artikel 19 Scheiding van levens- en schadeverzekeringsbeheer

HOOFDSTUK 2 REGELS BETREFFENDE TECHNISCHE VOORZIENINGEN EN HUN BELICHAMING

Artikel 20 Vorming van technische voorzieningen

Artikel 21 Premies voor nieuwe zaken

Artikel 22 Tegenover technische voorzieningen staande activa

Artikel 23 Categorieën van toegestane activa

Artikel 24 Regels voor investeringsdiversificatie

Artikel 25 Aan icbe's of aan een aandelenindex gekoppelde overeenkomsten

Artikel 26 Congruentieregels

HOOFDSTUK 3 REGELS BETREFFENDE DE SOLVABILITEITSMARGE EN HET GARANTIEFONDS

Artikel 27 Beschikbare solvabiliteitsmarge

Artikel 28 Vereiste solvabiliteitsmarge

Artikel 29 Garantiefonds

Artikel 30 Aanpassing van het bedrag van het garantiefonds

Artikel 31 Activa die geen technische voorzieningen dekken

HOOFDSTUK 4 OVEREENKOMSTENRECHT EN VERZEKERINGSVOORWAARDEN

Artikel 32 Toepasselijk recht

Artikel 33 Algemeen belang

Artikel 34 Regels betreffende contractuele voorwaarden en tarifering

Artikel 35 Opzegtermijn

Artikel 36 Informatie aan verzekeringnemers

HOOFDSTUK 5 IN MOEILIJKHEDEN OF IN EEN ONREGELMATIGE SITUATIE VERKERENDE VERZEKERINGSONDERNEMINGEN

Artikel 37 Verzekeringsondernemingen in moeilijkheden

Artikel 38 Financieel saneringsplan

Artikel 39 Intrekking van de vergunning

TITEL IV BEPALINGEN TEN AANZIEN VAN HET RECHT TOT VRIJE VESTIGING EN TEN AANZIEN VAN DE VRIJHEID VAN DIENSTVERRICHTING

Artikel 40 Voorwaarden voor het vestigen van een bijkantoor

Artikel 41 Vrijheid van dienstverrichting: voorafgaande kennisgeving aan de lidstaat van herkomst

Artikel 42 Vrijheid van dienstverrichting: kennisgeving door de lidstaat van herkomst

Artikel 43 Vrijheid van dienstverrichting: wijzigingen van de aard van verbintenissen

Artikel 44 Taal

Artikel 45 Regels betreffende contractuele voorwaarden en tarifering

Artikel 46 Verzekeringsondernemingen die niet aan de wettelijke voorschriften voldoen

Artikel 47 Adverteren

Artikel 48 Liquidatie

Artikel 49 Statistische informatie betreffende grensoverschrijdende werkzaamheden

Artikel 50 Belastingen en heffingen op premies

TITEL V REGELS TOEPASSELIJK OP BINNEN DE GEMEENSCHAP GEVESTIGDE AGENTSCHAPPEN OF BIJKANTOREN VAN ONDERNEMINGEN WAARVAN HET HOOFDKANTOOR BUITEN DE GEMEENSCHAP IS GEVESTIGD

Artikel 51 Vergunningbeginselen en -voorwaarden

Artikel 52 Regels betreffende bijkantoren van ondernemingen van derde landen

Artikel 53 Portefeuilleoverdracht

Artikel 54 Technische voorzieningen

Artikel 55 Solvabiliteitsmarge en garantiefonds

Artikel 56 Voordelen voor ondernemingen met een vergunning in meer dan één lidstaat

Artikel 57 Overeenkomsten met derde landen

TITEL VI REGELS TOEPASSELIJK OP DOCHTERONDERNEMINGEN VAN MOEDERONDERNEMINGEN WAAROP HET RECHT VAN EEN DERDE LAND VAN TOEPASSING IS EN OP DE VERWERVING VAN DEELNEMINGEN DOOR ZULKE MOEDERONDERNEMINGEN

Artikel 58 Informatieverstrekking aan de Commissie door de lidstaten

Artikel 59 Behandeling van verzekeringsondernemingen van de Gemeenschap door derde landen

TITEL VII OVERGANGS- EN ANDERE BEPALINGEN

Artikel 60 Afwijkingen en afschaffing van beperkende maatregelen

Artikel 61 Bewijs van betrouwbaarheid

TITEL VIII SLOTBEPALINGEN

Artikel 62 Samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie

Artikel 63 Verslagen betreffende de ontwikkeling van de markt in het kader van het vrij verrichten van diensten

Artikel 64 Technische aanpassingen

Artikel 65 Comitéprocedure

Artikel 66 Door bestaande bijkantoren en verzekeringsondernemingen verkregen rechten

Artikel 67 Beroep op de rechter

Artikel 68 Herziening van in euro luidende bedragen

Artikel 69 Uitvoering van nieuwe bepalingen

Artikel 70 Informatie van de Commissie

Artikel 71 Overgangsperiode voor artikel 3, punt 6, en de artikelen 27, 28, 29, 30 en 38

Artikel 72 Ingetrokken richtlijnen en de concordantie ervan met de onderhavige richtlijn

Artikel 73 Inwerkingtreding

Artikel 74 Geadresseerden