In deze richtlijn wordt verstaan onder:
-
„verzekeringsonderneming”: iedere onderneming waaraan overeenkomstig artikel 4 vergunning is verleend;
-
„bijkantoor”: ieder agentschap of bijkantoor van een verzekeringsonderneming;
Met een agentschap of bijkantoor wordt gelijkgesteld, elke duurzame aanwezigheid van een onderneming op het grondgebied van een lidstaat, ook indien die aanwezigheid niet de vorm heeft van een bijkantoor of een agentschap, maar enkel bestaat uit een bureau, beheerd door eigen personeel van de onderneming of door een zelfstandig persoon die echter gemachtigd is duurzaam voor die onderneming op te treden zoals een agentschap zou doen;
-
„vestiging”: hoofdkantoor, agentschap of bijkantoor van een onderneming;
-
„verbintenis”: een verbintenis die wordt geconcretiseerd in de vorm van een verzekering of verrichting als bedoeld in artikel 2;
-
„lidstaat van herkomst”: de lidstaat waar het hoofdkantoor is gevestigd van de verzekeringsonderneming die de verbintenis aangaat;
-
„lidstaat van het bijkantoor”: de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd dat de verbintenis aangaat;
-
„lidstaat van de verbintenis”: de lidstaat waar de verzekeringnemer zijn gewone verblijfplaats heeft of, indien de verzekeringnemer een rechtspersoon is, de lidstaat waar zich de vestiging van deze rechtspersoon bevindt waarop de overeenkomst betrekking heeft;
-
„lidstaat van dienstverrichting”: de lidstaat van de verbintenis wanneer de verbintenis wordt aangegaan door een in een andere lidstaat gevestigde verzekeringsonderneming of bijkantoor;
-
„zeggenschap”: de band die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, zoals bepaald in artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG van de Raad(12), of een gelijkaardige band tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming;
-
„gekwalificeerde deelneming”: het in een onderneming, rechtstreeks of middellijk, bezitten van ten minste 10 % van het kapitaal of van de stemrechten, dan wel elke andere mogelijkheid om invloed van betekenis uit te oefenen op de bedrijfsvoering van de onderneming waarin men een deelneming heeft.
Voor de toepassing van deze definitie in de artikelen 8 en 15, en voor de andere in artikel 15 genoemde deelnemingspercentages, worden de in artikel 92 van Richtlijn 2001/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 mei 2001 betreffende de toelating van effecten tot de officiële notering aan een effectenbeurs en de informatie die over deze effecten moet worden gepubliceerd(13) bedoelde stemrechten in aanmerking genomen;
-
„moederonderneming”: een moederonderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG;
-
„dochteronderneming”: een dochteronderneming in de zin van de artikelen 1 en 2 van Richtlijn 83/349/EEG; elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat;
-
„gereglementeerde markt”:
-
in het geval van een zich in een lidstaat bevindende markt, een gereglementeerde markt zoals omschreven in artikel 1, punt 13, van Richtlijn 93/22/EEG, en
-
in het geval van een zich in een derde land bevindende markt, een door de lidstaat van herkomst van de verzekeringsonderneming erkende financiële markt die aan vergelijkbare vereisten beantwoordt. De financiële instrumenten die op die markt worden verhandeld, moeten van een kwaliteit zijn die vergelijkbaar is met die van de instrumenten welke op de gereglementeerde markt(en) van de betrokken lidstaat worden verhandeld;
-
-
„bevoegde autoriteiten”: de nationale autoriteiten die krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen toezicht uitoefenen op de verzekeringsondernemingen;
-
„congruentie”: het feit dat opeisbare verplichtingen in een muntsoort staan tegenover activa die in dezelfde muntsoort uitgedrukt of realiseerbaar zijn;
-
„lokalisatie van de activa”: aanwezigheid van roerende of onroerende activa binnen een lidstaat zonder dat de roerende activa gedeponeerd behoeven te zijn en zonder dat ten aanzien van onroerende activa beperkende maatregelen zoals vermelding in de openbare registers van toepassing behoeven te zijn; de activa, bestaande uit schuldvorderingen, worden geacht zich te bevinden in de lidstaat waar zij realiseerbaar zijn;
-
„risicodragend kapitaal”: het bedrag dat gelijk is aan het overlijdenskapitaal verminderd met de wiskundige voorziening van het hoofdrisico;
-
„nauwe banden”: een situatie waarbij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen verbonden zijn door:
-
een „deelneming”, dit wil zeggen het rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband in bezit hebben van ten minste 20 % van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming, of
-
een „zeggenschapsband”, dat wil zeggen de band die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, in alle gevallen zoals bedoeld in artikel 1, leden 1 en 2, van Richtlijn 83/349/EEG, of een band van dezelfde aard tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming; elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt eveneens beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat.
Als een nauwe band tussen twee of meer natuurlijke of rechtspersonen wordt tevens beschouwd een situatie waarin deze personen via een zeggenschapsband duurzaam verbonden zijn met eenzelfde persoon.
-