Verordening (EG) nr. 1217/2003 van de Commissie van 4 juli 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke specificaties voor nationale programma's voor de kwaliteitscontrole van de beveiliging van de burgerluchtvaart (Voor de EER relevante tekst)
Verordening (EG) nr. 1217/2003 van de Commissie van 4 juli 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke specificaties voor nationale programma's voor de kwaliteitscontrole van de beveiliging van de burgerluchtvaart (Voor de EER relevante tekst)
VERORDENING (EG) Nr. 1217/2003 VAN DE COMMISSIE
van 4 juli 2003
tot vaststelling van gemeenschappelijke specificaties voor nationale programma's voor de kwaliteitscontrole van de beveiliging van de burgerluchtvaart
(Voor de EER relevante tekst)
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 2320/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart ( 1 ), en met name op artikel 7, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:|
(1) |
De opstelling en uitvoering van een nationaal programma voor de kwaliteitscontrole van de beveiliging van de burgerluchtvaart door elke lidstaat is essentieel om de doeltreffendheid van zijn nationaal programma voor beveiliging van de burgerluchtvaart te waarborgen overeenkomstig artikel 5, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2320/2002. |
|
(2) |
Door de lidstaten toe te passen specificaties voor nationale programma's voor de kwaliteitscontrole van de beveiliging van de burgerluchtvaart zouden in dit verband voor een geharmoniseerde aanpak moeten zorgen. Een verordening is bijgevolg het meest geschikte instrument voor dit doel. |
|
(3) |
Het toezicht op communautair niveau op de nationale programma's voor de kwaliteitscontrole van de beveiliging van de burgerluchtvaart vereist een geharmoniseerde aanpak van de evaluatie van de naleving op nationaal niveau. |
|
(4) |
Onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit uit te voeren audits kunnen alleen doeltreffend zijn indien zij regelmatig plaatsvinden. Zij zouden geen beperkingen mogen kennen qua onderwerp, stadium waarin of tijdstip waarop zij worden uitgevoerd. Zij zouden in een op maximale doeltreffendheid gerichte vorm moeten worden verricht. |
|
(5) |
Prioriteit zou gegeven moeten worden aan de ontwikkeling van een gedetailleerde gemeenschappelijke methodologie voor audits. |
|
(6) |
Er moet een geharmoniseerde procedure worden ontwikkeld voor de rapportage over de maatregelen die worden getroffen om de verplichtingen waarin deze verordening voorziet na te komen, alsook over de beveiligingssituatie op de luchthavens op het grondgebied van de lidstaten. |
|
(7) |
Nationale programma's voor de kwaliteitscontrole van de beveiliging van de burgerluchtvaart zouden gebaseerd moeten zijn op de beste praktijken. Zulke beste praktijken zouden door de lidstaten met elkaar moeten worden gedeeld. |
|
(8) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de beveiliging van de burgerluchtvaart, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
DOEL EN DEFINITIES
Artikel 1
Doel
In deze verordening worden gemeenschappelijke specificaties vastgesteld voor de door elke lidstaat uit te voeren nationale programma's voor de kwaliteitscontrole van de beveiliging van de burgerluchtvaart. Daartoe behoort ook de vaststelling van gemeenschappelijke eisen voor kwaliteitscontroleprogramma's, een gemeenschappelijke methodologie voor de uit te voeren audits en gemeenschappelijke voorschriften voor auditors.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1. „bevoegde autoriteit”: de door een lidstaat overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2320/2002 aangewezen nationale autoriteit die verantwoordelijk is voor de coördinatie van en het toezicht op de uitvoering van het nationale programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart;
2. „audit”: elke procedure of proces waarvan op nationaal niveau gebruik wordt gemaakt voor het toezicht op de naleving. Daaronder vallen beveiligingsaudits, inspecties, beoordelingen, testen en onderzoeken;
3. „auditor”: eenieder die op nationaal niveau audits uitvoert;
4. „tekortkoming”: het niet nakomen van de voorschriften inzake beveiliging van de luchtvaart;
5. „inspectie”: het nagaan van de implementatie van een of meer aspecten van beveiligingsmaatregelen en -procedures om te bepalen in hoeverre deze op effectieve wijze worden uitgevoerd;
6. „onderzoek”: het nagaan van een beveiligingsincident en het bepalen van de oorzaak daarvan om herhaling te voorkomen en met het oog op het eventueel ondernemen van juridische actie;
7. „kwaliteitscontroleprogramma”: het nationale programma voor de kwaliteitscontrole van de beveiliging van de burgerluchtvaart;
8. „beveiligingsaudit”: het grondig nagaan van alle aspecten van beveiligingsmaatregelen en -procedures om te bepalen of deze op continue basis en met voortdurende inachtneming van de normen worden uitgevoerd;
9. „beveiligingsincident”: een voorval met negatieve implicaties voor de beveiliging en veiligheid van personen en goederen;
10. „beoordeling”: een evaluatie van activiteiten om de beveiligingsbehoeften in kaart te brengen. Deze omvat de inventarisatie van zwakke plekken waarvan gebruik kan worden gemaakt voor het plegen van illegale daden, ondanks de getroffen beveiligingsmaatregelen en -procedures, alsook het doen van aanbevelingen voor in verhouding tot de dreiging staande compenserende beschermende maatregelen om alle vastgestelde risico's af te dekken;
11. „test”: een beproeving van maatregelen ter beveiliging van de luchtvaart, waarbij de bevoegde autoriteit de indruk wekt of voorwendt een illegale daad te beramen met het doel de doeltreffendheid en correcte toepassing van de bestaande beveiligingsmaatregelen te testen.
HOOFDSTUK II
GEMEENSCHAPPELIJKE EISEN VOOR KWALITEITSCONTROLEPROGRAMMA'S
Artikel 3
Competenties van de bevoegde autoriteit
Om de doeltreffendheid van de nationale programma's voor de beveiliging van de burgerluchtvaart te waarborgen verlenen de lidstaten hun bevoegde autoriteit de nodige competenties inzake handhaving.
Artikel 4
Inhoud van het kwaliteitscontroleprogramma
1. Het kwaliteitscontroleprogramma omvat alle maatregelen voor toezicht op de kwaliteitscontrole die nodig zijn om op regelmatige basis de uitvoering van het nationale programma voor beveiliging van de burgerluchtvaart alsook van de daaraan ten grondslag liggende beleidsmaatregelen te evalueren.
2. Het kwaliteitscontroleprogramma bevat en heeft betrekking op de volgende elementen:
a) organisatiestructuur, verantwoordelijkheden en middelen;
b) functieomschrijvingen en kwalificaties van alle met de uitvoering van het kwaliteitscontroleprogramma belaste auditors;
c) operationeel toezicht met betrekking tot types, doel, inhoud, frequentie en aandachtspunten van beveiligingsaudits, inspecties, beoordelingen en testen, alsook classificatie van de nalevingsgraad en de reikwijdte van en verantwoordelijkheden bij onderzoeken waar dit van toepassing is;
d) activiteiten ter correctie van tekortkomingen die voorzien in bijzonderheden over de rapportage van tekortkomingen, de follow-up en de correctie, met het doel de veiligheidsvoorschriften voor de luchtvaart effectief te doen naleven;
e) handhavingsmaatregelen; en
f) mededelingen en rapporten over de ondernomen activiteiten en de mate van naleving van de beveiligingsvoorschriften voor de luchtvaart.
Artikel 5
Toezicht op de naleving
1. Op de uitvoering van het nationale programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart wordt toezicht gehouden.
2. Het toezicht wordt uitgeoefend in overeenstemming met het kwaliteitscontroleprogramma, rekening houdend met het dreigingsniveau, het type en de aard van de activiteiten, de kwaliteit van de uitvoering alsook andere factoren en evaluatieresultaten die een frequenter toezicht noodzakelijk kunnen maken.
3. Het beheer van, de vaststelling van prioriteiten voor en de organisatie van het kwaliteitscontroleprogramma zijn taken die losstaan van de operationele uitvoering van de in het kader van het nationale programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart getroffen maatregelen, en worden dus onafhankelijk aangepakt.
Artikel 6
Rapportage
1. De lidstaten dienen jaarlijks bij de Commissie een rapport in over de maatregelen die zijn genomen om aan hun uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen te voldoen, alsook over de beveiligingssituatie op de luchthavens op hun grondgebied. Richtsnoeren voor deze rapportage zijn opgenomen in bijlage I.
2. Het rapport heeft betrekking op de periode 1 januari tot en met 31 december. Het rapport moet uiterlijk twee maanden na het verstrijken van de referentieperiode worden ingediend. Eenmalig moet uiterlijk eind februari 2004 een rapport over de periode van 19 juli 2003 tot en met 31 december 2003 worden ingediend.
HOOFDSTUK III
GEMEENSCHAPPELIJKE METHODOLOGIE VOOR AUDITS
Artikel 7
Uitvoering van audits
Het toezicht op de naleving omvat zowel aangekondigde als onaangekondigde activiteiten.
Artikel 8
Classificatie van de nalevingsgraad
De mate van uitvoering van het nationale programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart wordt met behulp van beveiligingsaudits, inspecties en testen geëvalueerd en aan de hand van het geharmoniseerde classificatiesysteem voor de nalevingsgraad in bijlage II ingedeeld.
HOOFDSTUK IV
GEMEENSCHAPPELIJKE VOORSCHRIFTEN VOOR AUDITORS
Artikel 9
Beschikbaarheid van auditors
Elke lidstaat neemt passende maatregelen om ervoor te zorgen dat een voldoende aantal auditors beschikbaar is voor de uitvoering van alle werkzaamheden in het kader van het toezicht op de naleving.
Artikel 10
Kwalificatiecriteria voor auditors
1. Elke lidstaat zorgt ervoor dat auditors die namens de bevoegde autoriteit functies uitoefenen over passende kwalificaties beschikken, waaronder voldoende theoretische en praktijkervaring op het betrokken gebied.
2. De auditors moeten beschikken over:
a) een goed begrip van het nationale programma voor beveiliging van de burgerluchtvaart alsook van de wijze waarop het wordt toegepast op de in beschouwing genomen activiteiten;
b) in voorkomend geval, kennis van de strengere maatregelen indien die van toepassing zijn in de betrokken lidstaat, alsook van de in beschouwing genomen locatie;
c) goede praktijkkennis van beveiligingstechnologieën en -technieken;
d) kennis van auditprincipes, -procedures en -technieken;
e) praktijkkennis van de in beschouwing genomen activiteiten.
HOOFDSTUK V
GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN
Artikel 11
Doorgeven van beste praktijken
De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de beste praktijken met betrekking tot kwaliteitscontroleprogramma's, auditmethodologieën en auditors. De Commissie deelt deze informatie met de lidstaten.
Artikel 12
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
BIJLAGE I
RICHTSNOEREN VOOR DE RAPPORTAGE AAN DE COMMISSIE
Organisatiestructuur, verantwoordelijkheden en middelen
— Nadere bepalingen inzake de organisatie van de kwaliteitscontrole, verantwoordelijkheden en middelen, inclusief geplande toekomstige wijzigingen (zie artikel 4, lid 2, onder a))
— Aantal auditors — huidig en gepland (zie artikel 9)
— Kwalificaties van auditors — gebruikte opleidingsfaciliteiten en middelen (zie de artikelen 4, lid 2, onder b), en 10)
— Toelichting indien het kwaliteitscontroleprogramma voor dit onderdeel niet volledig wordt toegepast
Operationeel toezicht
— Voortgang van de implementatie van de operationele activiteiten: types, doel, inhoud, frequentie en aandachtspunten van alle toezichtsactiviteiten (zie artikel 4, lid 2, onder c)), inclusief het aantal audits per luchthaven en per onderdeel van de eisen inzake beveiligingsmaatregelen (bijvoorbeeld toegangscontrole, bescherming van vliegtuigen, screening van ruimbagage) waar dit passend en mogelijk is
— Proportionaliteit van het operationele toezicht in relatie tot de activiteiten in het veld (zie artikel 5, lid 2)
— Nalevingsgraad per onderdeel van de beveiligingseisen voor de luchtvaart (bijvoorbeeld toegangscontrole, bescherming van vliegtuigen, screening van ruimbagage) (zie artikel 8)
— Toelichting indien de operationele activiteiten niet volledig worden toegepast
Activiteiten ter correctie van tekortkomingen
— Voortgang van de implementatie van de activiteiten ter correctie van tekortkomingen (zie artikel 4, lid 2, onder d))
— Belangrijkste aandachtsgebieden met betrekking tot de implementatie van beveiligingseisen voor de luchtvaart (bijvoorbeeld toegangscontrole, bescherming van vliegtuigen, screening van ruimbagage)
— Belangrijkste corrigerende activiteiten die zijn ondernomen of gepland (bijvoorbeeld beveiligingsbewustmakingstrainingen, workshops, stimuleringsprogramma's)
— Toegepaste handhavingsmaatregelen (zie artikel 4, lid 2, onder e))
Luchtvaartbeveiligingssituatie op luchthavens
— Algemene context van de luchtvaartbeveiligingssituatie op de luchthavens in de lidstaat
BIJLAGE II
GEHARMONISEERD CLASSIFICATIESYSTEEM VOOR DE NALEVINGSGRAAD
Het volgende classificatiesysteem voor de nalevingsgraad wordt toegepast voor de beoordeling van de implementatie van het nationale programma voor de beveiliging van de burgerluchtvaart.
( 1 ) PB L 355 van 30.12.2002, blz. 1.