Home

Verordening (EG) n r. 1702/2003 van de Commissie van 24 september 2003 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (Voor de EER relevante tekst)

Verordening (EG) n r. 1702/2003 van de Commissie van 24 september 2003 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1592/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2002 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart(1), (hierna de „basisverordening” genoemd), zoals aangepast door Verordening (EG) nr. 1701/2003(2), en met name de artikelen 5 en 6,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. De „basisverordening” stelt gemeenschappelijke essentiële eisen vast voor een hoog en uniform niveau van veiligheid in de burgerluchtvaart en de daarmee verband houdende milieubescherming; de Commissie dient de voor een uniforme toepassing noodzakelijke uitvoeringsvoorschriften vast te stellen; de verordening voorziet in de oprichting van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (hierna het „Agentschap” genoemd) dat de Commissie bijstand moet verlenen bij de ontwikkeling van dergelijke uitvoeringsvoorschriften.

  2. De bestaande luchtvaartvoorschriften op het gebied van luchtwaardigheid, zoals vermeld in bijlage II bij Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad(3), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2871/2000(4), komen met ingang van 28 september 2003 te vervallen.

  3. Het is noodzakelijk gemeenschappelijke technische voorschriften aan te nemen en administratieve procedures in te stellen om de luchtwaardigheid en de verenigbaarheid met het milieu van luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken die vallen onder de basisverordening, te waarborgen. Deze voorschriften en procedures dienen de voorwaarden te specificeren voor het afgeven, handhaven, wijzigen, opschorten of intrekken van de passende certificaten.

  4. De organisaties, belast met het ontwerp en de productie van producten, onderdelen en uitrustingsstukken moeten zich conformeren aan bepaalde technische voorschriften teneinde aan te tonen dat zij beschikken over de bekwaamheid en middelen om zich te kwijten van de verantwoordelijkheden die aan hun rechten verbonden zijn; de Commissie dient maatregelen te treffen voor het specificeren van de voorwaarden voor het afgeven, behouden, wijzigen, opschorten of intrekken van certificaten die getuigen van een dergelijke conformiteit.

  5. Bij het aannemen van maatregelen voor de tenuitvoerlegging van gemeenschappelijke essentiële voorschriften op het gebied van luchtwaardigheid, dient de Commissie er zorg voor te dragen dat deze de stand van de techniek en de beste praktijken weergeven, rekening houden met wereldwijde ervaringen op het gebied van luchtvaartuigen en wetenschappelijke en technische vooruitgang, alsmede voor vastgestelde oorzaken van ongevallen en ernstige incidenten een onmiddellijke respons mogelijk maken.

  6. De behoefte aan uniformiteit in de toepassing van gemeenschappelijke luchtwaardigheids- en milieuvoorschriften voor luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken vereist een gemeenschappelijke benadering en maatregelen die opgevolgd dienen te worden door de bevoegde instanties in de lidstaten en, voorzover van toepassing, door het Agentschap, teneinde naleving van deze voorschriften te beoordelen. Het Agentschap dient derhalve specificaties voor certificering te ontwikkelen, met inbegrip van gedragslijnen voor luchtwaardigheid, aanvaardbare wijzen van naleving en richtsnoeren teneinde de noodzakelijke uniformiteit in de regelgeving te bevorderen.

  7. Voor dit doel is het noodzakelijk een soepele overgang naar het nieuwe juridische kader van het Agentschap mogelijk te maken, teneinde handhaving van een hoog en uniform niveau van veiligheid in de burgerluchtvaart binnen de Gemeenschap te waarborgen. Het is van belang de luchtvaartindustrie en de autoriteiten in de lidstaten voldoende tijd te geven om zich aan dit nieuwe kader aan te passen en de blijvende geldigheid van certificaten te erkennen die vóór de inwerkingtreding van deze verordening zijn afgegeven, in overeenstemming met artikel 57 van de basisverordening.

  8. De in deze verordening voorziene maatregelen zijn gebaseerd op het door het Agentschap afgegeven advies(5) in overeenstemming met de artikelen 12, lid 2, sub b) en 14, lid 1, van de basisverordening.

  9. De in deze verordening voorziene maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het comité van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, ingesteld bij artikel 54, lid 3 van de basisverordening,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1 Toepassingsgebied en definities

1.

In overeenstemming met de artikelen 5, lid 4, en 6, lid 3, van de basisverordening stelt de onderhavige verordening gemeenschappelijke technische voorschriften en administratieve procedures vast voor de luchtwaardigheid en milieucertificering van producten, onderdelen en uitrustingsstukken en specificeert:

  1. de afgifte van typecertificaten, beperkte typecertificaten, aanvullende typecertificaten en wijzigingen in die certificaten,

  2. de afgifte van luchtwaardigheidscertificaten en beperkte luchtwaardigheidscertificaten, vliegvergunningen en certificaten van geschiktheid voor gebruik,

  3. het afgeven van goedkeuringen voor reparatieontwerpen,

  4. het aantonen van naleving van eisen op het gebied van milieubescherming,

  5. de afgifte van geluidscertificaten,

  6. de identificatie van producten, onderdelen en uitrustingsstukken,

  7. de certificering van bepaalde onderdelen en uitrustingsstukken,

  8. de certificering van ontwerp- en productieorganisaties,

  9. de uitvaardiging van luchtwaardigheidsrichtlijnen.

2.

Voor deze verordening zijn de volgende definities van toepassing:

  1. „JAA” betekent „gezamenlijke luchtvaartautoriteiten”,

  2. „JAR” betekent „gezamenlijke luchtvaartvoorschriften”,

  3. „Deel 21” houdt in de vereisten en procedures voor de certificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken alsmede van ontwerp- en productieorganisaties, die bij deze verordening zijn gevoegd,

  4. „Deel M” houdt in de van toepassing zijnde voorschriften voor permanente luchtwaardigheid die conform de basisverordening zijn goedgekeurd.

Artikel 2 Certificering van producten, onderdelen en uitrustingsstukken

1.

Voor producten, onderdelen en uitrustingsstukken worden certificaten afgegeven, als omschreven in deel 21.

2.

In afwijking van het gestelde in lid 1, zijn luchtvaartuigen, met inbegrip van daarin geïnstalleerde producten, onderdelen en uitrustingsstukken die niet zijn geregistreerd in een lidstaat, vrijgesteld van de bepalingen van de subdelen H en I van deel 21. Zij zijn eveneens vrijgesteld van de bepalingen van subdeel P van deel 21 tenzij een lidstaat bepaalde identificatieaanduidingen oplegt.

3.

Wanneer in de bijlage (deel 21) wordt verwezen naar de toepassing of naleving van de bepalingen van bijlage I (deel M) bij Verordening (EG) nr. 2042/2003 en een lidstaat er overeenkomstig artikel 7, lid 3, onder a) en b), van die verordening, voor heeft geopteerd de toepassing van de betrokken regels uit te stellen tot 28 september 2008, blijft de betrokken nationale regelgeving tot die datum van kracht.

Artikel 2 bis Voortdurende geldigheid van typecertificaten en de daarmee verbonden luchtwaardigheidscertificaten

1.

Ten aanzien van een product dat een typecertificaat had, of een document dat afgifte van een luchtwaardigheidscertificaat toestond, die vóór 28 september 2003 door lidstaten zijn afgegeven, zijn de volgende bepalingen van toepassing:

  1. een dergelijk product zal beschouwd worden als een product met een typecertificaat dat in overeenstemming met de onderhavige verordening is afgegeven indien:

    1. de typecertificering is gebaseerd op:

      • de JAA-basis voor typecertificering, voor producten die zijn gecertificeerd volgens JAA-procedures, zoals gedefinieerd in het JAA-gegevensblad; of

      • voor andere producten, de basis voor typecertificering als gedefinieerd in het gegevensblad van het typecertificaat van het land van ontwerp, indien het betreffende land van ontwerp:

        • een lidstaat is, tenzij het Agentschap vaststelt, met name rekening houdend met de gebruikte luchtwaardigheidsvoorschriften en ervaring, dat een dergelijke basis voor typecertificering geen veiligheidsniveau verschaft dat equivalent is aan het door de basisverordening en deze verordening vereiste veiligheidsniveau, of

        • een land is waarmee een lidstaat een bilaterale luchtwaardigheidsovereenkomst of een vergelijkbare overeenkomst heeft gesloten, volgens welke genoemde producten zijn gecertificeerd op basis van de luchtwaardigheidsvoorschriften van het betreffende land van ontwerp, tenzij het Agentschap vaststelt dat dergelijke luchtwaardigheidsvoorschriften, of ervaring, of het veiligheidssysteem van het betreffende land van ontwerp niet het veiligheidsniveau verschaffen dat equivalent is aan het door de Verordening (EG) nr. 1592/2002 en deze verordening vereiste veiligheidsniveau.

      Teneinde advies te kunnen uitbrengen aan de Commissie, onder meer over eventuele wijzigingen van onderhavige verordening, zal het Agentschap een eerste evaluatie maken van de mogelijke consequenties van de bepalingen onder het tweede streepje;

    2. de eisen op het gebied van milieubescherming zijn gehanteerd zoals vastgelegd in bijlage 16 van het Verdrag van Chicago, voor zover van toepassing op het product;

    3. de van toepassing zijnde luchtwaardigheidsrichtlijnen zijn die van het betreffende land van ontwerp;

  2. een ontwerp van een luchtvaartuig dat vóór 28 september 2003 is ingeschreven in het register van een lidstaat wordt geacht te voldoen aan de bepalingen van deze verordening indien:

    1. het basistypeontwerp onderdeel is van een typecertificaat als vermeld in lid a);

    2. alle wijzigingen in dit basistypeontwerp, die niet vallen onder de verantwoordelijkheid van de houder van het typecertificaat, zijn goedgekeurd; en

    3. voldaan is aan de richtlijnen voor luchtwaardigheid die vóór 28 september 2003 door de lidstaat van registratie zijn uitgevaardigd of goedgekeurd, inclusief eventuele wijzigingen van de luchtwaardigheidsrichtlijnen van het betreffende land van ontwerp, goedgekeurd door de lidstaat van registratie;

  3. het Agentschap bepaalt vóór 28 maart 2007 het typecertificaat voor de producten die niet voldoen aan de eisen van punt a).

  4. het Agentschap stelt ten behoeve van alle producten waarop punt a) betrekking heeft vóór 28 maart 2007 het geluidsgegevensblad voor het typecertificaat vast. Zolang dit niet is gebeurd, mogen de lidstaten geluidscertificaten blijven afgeven op grond van de van toepassing zijnde nationale regelgeving.

2.

Ten aanzien van producten waarvoor het typecertificeringsproces op 28 september 2003, hetzij via de JAA, hetzij via een lidstaat, lopende was, geldt het volgende:

  1. indien een goedkeuringsproces door meerdere lidstaten wordt uitgevoerd, geldt het verst gevorderde project als referentie;

  2. 21A.15 a), b) en c), van deel 21 zijn niet van toepassing;

  3. in afwijking van 21A.17 a) van deel 21, zal de typecertificeringsbasis van toepassing zijn die door het JAA of, indien van toepassing, de lidstaat, op de aanvraagdatum voor de goedkeuring is vastgesteld;

  4. de bevindingen die tijdens procedures van het JAA of lidstaten zijn gedaan worden beschouwd als zijnde bevindingen die zijn gedaan door het Agentschap, in naleving van het bepaalde in 21A.20 a) en b), van deel 21.

3.

Ten aanzien van producten met een nationaal typecertificaat of een equivalent daarvan, waarvoor de goedkeuringsprocedure voor een door lidstaten uitgevoerde wijziging ten tijde van de vaststelling van het typecertificaat in overeenstemming met de onderhavige verordening nog niet was afgerond, geldt:

  1. indien een goedkeuringsproces wordt uitgevoerd door meerdere lidstaten, geldt het verst gevorderde project als referentie;

  2. 21A.93 van deel 21 is niet van toepassing;

  3. de typecertificeringsbasis die door het JAA of, indien van toepassing, de lidstaat op de aanvraagdatum voor de goedkeuring van wijziging is vastgesteld, is van toepassing;

  4. de bevindingen die tijdens procedures van het JAA of lidstaten zijn gedaan, worden beschouwd als zijnde bevindingen welke zijn gedaan door het Agentschap, in naleving van het bepaalde in 21A.103 a) en b), van deel 21.

4.

Ten aanzien van producten met een nationaal typecertificaat of een equivalent daarvan, waarvoor de goedkeuringsprocedure voor door lidstaten uitgevoerde grote reparatieontwerpen ten tijde van de vaststelling van het typecertificaat in overeenstemming met de onderhavige verordening nog niet is afgerond, geldt dat de bevindingen die tijdens procedures van het JAA of lidstaten zijn gedaan, worden beschouwd als zijnde bevindingen welke zijn gedaan door het Agentschap, in naleving van het bepaalde in 21A.433 a) van deel 21.

5.

Een door een lidstaat afgegeven luchtwaardigheidscertificaat dat de conformiteit bevestigt met een typecertificaat dat is vastgesteld in overeenstemming met lid 1 zal beschouwd worden als een certificaat dat voldoet aan de onderhavige verordening.

Artikel 2 ter Voortdurende geldigheid van aanvullende typecertificaten

1.

Ten aanzien van door een lidstaat volgens JAA-procedures of overeenkomstig de toepasselijke nationale procedures afgegeven aanvullende typecertificaten en ten aanzien van wijzigingen in producten die zijn voorgesteld door andere personen dan de houder van het typecertificaat van het product en welke zijn goedgekeurd door een lidstaat overeenkomstig de toepasselijke nationale procedures, waarbij het aanvullende typecertificaat of de wijziging geldig was op 28 september 2003, wordt het aanvullende typecertificaat of de wijziging geacht onder deze verordening afgegeven te zijn.

2.

Ten aanzien van aanvullende typecertificaten waarvoor op 28 september 2003 volgens de van toepassing zijnde JAA-procedures voor aanvullende typecertificaten een certificeringsprocedure wordt uitgevoerd door een lidstaat, en ten aanzien van grote wijzigingen in producten die zijn voorgesteld door andere personen dan de houder van het typecertificaat van het product, waarvoor volgens de op 28 september 2003 van toepassing zijnde nationale procedures een certificeringsprocedure wordt uitgevoerd door een lidstaat, geldt het volgende:

  1. indien een certificeringsproces wordt uitgevoerd door meerdere lidstaten, geldt het verst gevorderde project als referentie;

  2. 21A.113 a) en b), van deel 21 zijn niet van toepassing;

  3. van toepassing is de certificeringsbasis als vastgesteld door het JAA of, indien van toepassing, de lidstaat op de aanvraagdatum voor het aanvullende typecertificaat of goedkeuring van de grote wijziging;

  4. de bevindingen die tijdens procedures van het JAA of lidstaten zijn gedaan, worden beschouwd als zijnde bevindingen die zijn gedaan door het Agentschap, in naleving van het bepaalde in 21A.115 a) van deel 21.

Artikel 2 quater Voortgezet gebruik van bepaalde door lidstaten geregistreerde luchtvaartuigen

Artikel 2 quinquies Voortdurende geldigheid van certificaten voor onderdelen en uitrustingsstukken

Artikel 2 sexies Vliegvergunningen

Artikel 3 Ontwerporganisaties

Artikel 4 Productieorganisaties

Artikel 5 Inwerkingtreding

BIJLAGEDEEL 21

Aanhangsels