Home

Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001

Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 36, artikel 37 en artikel 299, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement(1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(3),

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Er dienen gemeenschappelijke voorwaarden te worden vastgesteld voor rechtstreekse betalingen op grond van de verschillende regelingen inzake inkomenssteun in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

  2. De volledige betaling van de rechtstreekse steun dient te zijn gekoppeld aan de naleving van regels met betrekking tot de landbouwgrond en de landbouwproductie en -activiteit. Die regels dienen erop te zijn gericht basisnormen op het gebied van milieu, voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn en goede landbouw- en milieuconditie op te nemen in de gemeenschappelijke marktordeningen. Worden deze basisnormen niet nageleefd, dan moeten de lidstaten de rechtstreekse steun volledig of gedeeltelijk intrekken op basis van criteria die proportioneel, objectief en gradueel zijn. Een dergelijke intrekking moet de sancties die nu of in de toekomst gelden op grond van andere bepalingen van communautair of nationaal recht, onverlet laten.

  3. Om te vermijden dat landbouwgrond wordt opgegeven en te waarborgen dat de grond in goede landbouw- en milieuconditie wordt gehouden, moeten normen worden vastgesteld, die al dan niet op bepalingen van de lidstaten kunnen berusten. Daarom is het dienstig een communautair kader te bepalen waarbinnen de lidstaten normen kunnen stellen met inachtneming van de specifieke kenmerken van de betrokken gebieden, inclusief de bodem- en klimaatgesteldheid en de bestaande landbouwsystemen (grondgebruik, vruchtwisseling, landbouwmethoden) en landbouwstructuren.

  4. Aangezien blijvend grasland een positief milieueffect heeft, is het dienstig maatregelen ter bevordering van de instandhouding van bestaand blijvend grasland vast te stellen om een massale omzetting in bouwland te voorkomen.

  5. Voor een beter evenwicht tussen de beleidsinstrumenten die op bevordering van duurzame landbouw zijn gericht, en die welke bevordering van de plattelandsontwikkeling tot doel hebben, dient voor de hele Gemeenschap op verplichte basis een systeem te worden ingevoerd waarbij de rechtstreekse betalingen in de jaren 2005 tot en met 2012 geleidelijk worden verlaagd. Alle rechtstreekse betalingen boven bepaalde bedragen dienen elk jaar met een bepaald percentage te worden verlaagd. De gerealiseerde besparingen moeten worden gebruikt voor de financiering van maatregelen in het kader van de plattelandsontwikkeling en over de lidstaten worden verdeeld volgens nader te omschrijven criteria. Het is evenwel dienstig te bepalen dat een zeker percentage van de bedragen in de lidstaat blijft waar de besparingen werden gerealiseerd. Tot 2005 kunnen de lidstaten de huidige facultatieve modulatie („differentiatie”) op grond van Verordening (EG) nr. 1259/1999 van de Raad van 17 mei 1999 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid(4) verder toepassen.

  6. Om ervoor te zorgen dat de bedragen ter financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (subrubriek 1a), de jaarlijkse maxima van de financiële vooruitzichten niet overschrijden, is het dienstig een mechanisme in te stellen om de rechtstreekse betalingen zo nodig aan te passen. Tot aanpassing van de rechtstreekse steun dient te worden besloten wanneer volgens de vooruitzichten het bedrag van subrubriek 1a, met een veiligheidsmarge van 300 miljoen euro, in een bepaald begrotingsjaar zal worden overschreden.

  7. Met het oog op de structurele aanpassingen ten gevolge van de afschaffing van de interventie voor rogge is het dienstig om voor bepaalde roggeproducerende regio's te voorzien in overgangsmaatregelen die met een deel van de door de modulatie gegenereerde bedragen worden gefinancierd.

  8. Om de landbouwers te helpen zich te voegen naar de normen die voor een moderne, kwalitatief hoogwaardige landbouw gelden, is het noodzakelijk dat de lidstaten een uitgebreid systeem van advisering ten behoeve van commerciële landbouwbedrijven opzetten. Het bedrijfsadviseringssysteem moet de landbouwers helpen zich bewuster te worden van de materiaalstromen en bedrijfsprocessen in relatie tot de normen op het gebied van milieu, voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn, zonder dat op enigerlei wijze iets wordt afgedaan aan hun verplichting en verantwoordelijkheid om die normen in acht te nemen.

  9. Om de invoering van het bedrijfsadviseringssysteem te vergemakkelijken is het dienstig een termijn vast te stellen waarbinnen de lidstaten het systeem kunnen invoeren. Toetreding tot het systeem dient op vrijwillige basis plaats te vinden voor landbouwers, met voorrang voor diegenen die meer dan een bepaald bedrag per jaar aan rechtstreekse betalingen ontvangen. Aangezien het om de advisering van landbouwers gaat, moet de tijdens de adviseringsactiviteit verkregen informatie als vertrouwelijk worden behandeld tenzij ernstige inbreuken op het communautaire of nationale recht worden geconstateerd.

  10. Overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad van 17 mei 1999 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid(5) moeten de lidstaten de nodige maatregelen treffen om zich ervan te vergewissen dat de door de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) gefinancierde maatregelen daadwerkelijk en op regelmatige wijze worden uitgevoerd, en om onregelmatigheden te voorkomen en te vervolgen.

  11. Om de beheers- en controlemechanismen doeltreffender en nuttiger te maken is het noodzakelijk het bij Verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad van 27 november 1992 tot instelling van een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen(6) ingestelde systeem aan te passen teneinde de bedrijfstoeslagregeling en de steunregelingen voor durumtarwe, eiwithoudende gewassen, energiegewassen, rijst, aardappelzetmeel, noten, melk, zaaizaad en zaaddragende leguminozen, alsmede specifieke regionale steun erin op te nemen en ook teneinde controle uit te oefenen op de toepassing van de regels inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het bedrijfsadviseringssysteem. Voorzien dient te worden in de mogelijkheid om in een latere fase ook andere steunregelingen in het systeem op te nemen.

  12. Om doeltreffend te kunnen controleren en te voorkomen dat meerdere steunaanvragen worden ingediend bij verschillende betaalorganen binnen één lidstaat, dient elke lidstaat te zorgen voor één enkel systeem om de identiteit te registreren van de landbouwers die onder het geïntegreerd systeem vallende steunaanvragen indienen.

  13. De verschillende onderdelen van het geïntegreerd systeem zijn gericht op een doeltreffender beheer en controle. Daarom dienen de lidstaten in het geval van niet onder deze verordening vallende communautaire regelingen te worden gemachtigd om gebruik van het systeem te maken op voorwaarde dat zij in geen enkel opzicht in strijd met de betrokken bepalingen handelen.

  14. Gezien de complexiteit van het systeem en het grote aantal steunaanvragen dat moet worden verwerkt, is het van essentieel belang om adequate technische middelen en beheers- en controlemethoden te gebruiken. Daarom moet het geïntegreerd systeem in elke lidstaat bestaan uit een geautomatiseerde databank, een systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond, steunaanvragen van de landbouwers, een geharmoniseerd controlesysteem en, wat de bedrijfstoeslagregeling betreft, een systeem voor de identificatie en de registratie van de toeslagrechten.

  15. Om het mogelijk te maken dat de verzamelde gegevens worden verwerkt en gebruikt voor de verificatie van de steunaanvragen, moeten krachtige geautomatiseerde databanken worden opgezet die met name de uitvoering van kruiscontroles mogelijk maken.

  16. De identificatie van de percelen landbouwgrond is een essentieel element voor de correcte toepassing van aan de oppervlakte gekoppelde regelingen. De ervaring heeft uitgewezen dat de bestaande methoden bepaalde tekortkomingen vertonen. Daarom dient te worden voorzien in een identificatiesysteem dat waar nodig met behulp van teledetectie moet worden opgezet.

  17. Met het oog op vereenvoudiging dienen de lidstaten te worden gemachtigd om te bepalen dat slechts één enkele aanvraag voor verscheidene steunregelingen hoeft te worden ingediend en om de jaarlijkse aanvraag te vervangen door een permanente aanvraag die alleen jaarlijks hoeft te worden bevestigd.

  18. De lidstaten dienen in staat te worden gesteld om bedragen die beschikbaar komen door verlagingen van betalingen in het kader van de modulatie, te gebruiken voor bepaalde extra maatregelen in het kader van de steun voor plattelandsontwikkeling waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL)(7).

  19. Aangezien de bedragen die door het stellen van randvoorwaarden beschikbaar zullen komen, niet lang genoeg van tevoren kunnen worden voorzien om ze voor extra maatregelen in het kader van de steun voor plattelandsontwikkeling te kunnen gebruiken, moeten deze bedragen in het credit van de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw worden geboekt behalve een bepaald percentage dat de lidstaten mogen behouden.

  20. De bevoegde nationale autoriteiten dienen de betalingen waarin de communautaire steunregelingen voorzien, binnen een voorgeschreven termijn volledig aan de begunstigden uit te keren onder voorbehoud van de verlagingen waarin deze verordening voorziet.

  21. De rechtstreekse inkomenssteun waarin de steunregelingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voorzien, heeft vooral tot doel de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren. Dit doel hangt nauw samen met de instandhouding van plattelandsgebieden. Om een verkeerde besteding van communautaire middelen te voorkomen, mogen geen steunbetalingen worden gedaan aan landbouwers die de voorwaarden voor het verkrijgen van die betalingen kunstmatig hebben gecreëerd.

  22. De gemeenschappelijke steunregelingen moeten worden aangepast aan de ontwikkelingen, indien nodig op korte termijn. De begunstigden kunnen er bijgevolg niet op vertrouwen dat de steunvoorwaarden ongewijzigd blijven, en dienen voorbereid te zijn op een mogelijke herziening van de regelingen in het licht van de marktontwikkelingen.

  23. Gezien de belangrijke budgettaire gevolgen van de steun in de vorm van rechtstreekse betalingen en met het oog op een betere beoordeling van het effect ervan, dienen de communautaire regelingen aan een behoorlijke evaluatie te worden onderworpen.

  24. Het concurrerender maken van de communautaire landbouw en het bevorderen van de toepassing van voedselkwaliteit- en milieunormen gaan noodzakelijkerwijs gepaard met een verlaging van de institutionele prijzen voor landbouwproducten en een stijging van de productiekosten voor de communautaire landbouwbedrijven. Voor het bereiken van deze doelstellingen en het bevorderen van een marktgerichtere en duurzame landbouw moet de verschuiving van productiesteun naar steun aan de producent worden voltooid door de invoering van een systeem met ontkoppelde inkomenssteun voor elk bedrijf. Terwijl de ontkoppeling de feitelijk aan de landbouwers betaalde bedragen ongewijzigd zal laten, zal dankzij de ontkoppeling sprake zijn van een veel doeltreffender inkomenssteun. Het is daarom dienstig de ene bedrijfstoeslag afhankelijk te stellen van de naleving van randvoorwaarden op het gebied van milieu, voedselveiligheid, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede de handhaving van het landbouwbedrijf in goede landbouw- en milieuconditie.

  25. Bij een dergelijk systeem moet een aantal bestaande rechtstreekse betalingen die een landbouwer op grond van diverse regelingen ontvangt, worden gecombineerd tot één toeslag, welke laatste wordt bepaald op basis van eerdere rechten in een referentieperiode, aangepast om rekening te houden met de volledige uitvoering van de in het kader van Agenda 2000 ingevoerde maatregelen en met de bij deze verordening doorgevoerde wijzigingen van de steunbedragen.

  26. Aangezien de voordelen uit het oogpunt van administratieve vereenvoudiging groter zullen zijn als vele sectoren in de regeling worden opgenomen, dient de regeling in een eerste fase betrekking te hebben op alle onder de regeling voor akkerbouwgewassen vallende producten, alsmede op zaaddragende leguminosen, zaaizaad en rund- en schapenvlees. Zodra de hervorming volledig doorgevoerd is, dienen de herziene betalingen voor rijst en durumtarwe en de betalingen in de zuivelsector eveneens in de regeling te worden geïntegreerd. Ook de betalingen voor zetmeelaardappelen en gedroogde voedergewassen moeten in de regeling worden opgenomen, waarbij afzonderlijke betalingen voor de verwerkende industrie dienen te worden gehandhaafd.

  27. Voor hennep dienen specifieke maatregelen te worden vastgesteld om te voorkomen dat als onderdeel van de voor de bedrijfstoeslag in aanmerking komende gewassen illegale hennep wordt verbouwd, wat de gemeenschappelijke marktordening voor hennep nadelig zou beïnvloeden. Derhalve moet worden bepaald dat areaalbetalingen slechts worden verleend voor oppervlakten met henneprassen die bepaalde garanties bieden ten aanzien van het gehalte aan psychotrope stoffen. De verwijzingen naar die specifieke maatregelen in Verordening (EG) nr. 1673/2000 van de Raad van 27 juli 2000 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector vezelvlas en -hennep(8) moeten dienovereenkomstig worden aangepast.

  28. Om de landbouwers vrij te laten bij de keuze van de productie op hun grond, met inbegrip van de mogelijkheid om te kiezen voor producten waarvoor nog steeds gekoppelde steun wordt verleend, en zo de marktgerichtheid te vergroten, mag de toekenning van de bedrijfstoeslag niet afhankelijk zijn van de productie van welk specifiek product dan ook. Om concurrentieverstoringen te voorkomen dient echter de teelt van sommige producten op subsidiabele grond te worden uitgesloten.

  29. Voor de bepaling van het bedrag waarop de landbouwer in het kader van de nieuwe regeling recht dient te hebben, is het dienstig te refereren aan de bedragen die hem in een referentieperiode zijn verleend. Om rekening te kunnen houden met specifieke situaties dient een nationale reserve te worden gevormd. Deze reserve kan ook worden gebruikt om de deelneming aan de regeling door nieuwe landbouwers te vergemakkelijken. De bedrijfstoeslag moet worden vastgesteld op het niveau van het landbouwbedrijf.

  30. Het totaalbedrag waarop een landbouwbedrijf recht heeft, dient in delen (toeslagrechten) te worden gesplitst en aan een vast te stellen aantal subsidiabele hectaren te worden gekoppeld om overdracht van de premierechten te vergemakkelijken. Ter voorkoming van speculatieve overdrachten die leiden tot een cumulatie van toeslagrechten zonder overeenkomstige agrarische basis, dient voor het verlenen van de steun te worden gewerkt met een koppeling tussen toeslagrechten en een bepaald aantal subsidiabele hectaren en dient ook te worden voorzien in de mogelijkheid om de overdracht van toeslagrechten tot een bepaalde regio te beperken. Er moeten specifieke bepalingen worden vastgesteld voor steunbedragen die niet rechtstreeks aan een oppervlakte zijn gekoppeld, rekening houdend met de bijzondere situatie van de schapen- en geitenhouderij.

  31. Om ervoor te zorgen dat het totaal van de steun en de toeslagrechten op communautair, nationaal en in voorkomend geval regionaal niveau niet hoger is dan de huidige beperkte begrotingsmiddelen, is het dienstig te voorzien in nationale maxima, berekend als de som van alle financiële middelen die in elke lidstaat gedurende de referentieperiode en rekening houdend met latere aanpassingen voor de betaling van steunbedragen in het kader van de desbetreffende steunregelingen zijn/worden verleend. Bij overschrijding van het maximum dienen proportionele verlagingen te worden toegepast.

  32. Om de aan braaklegging verbonden voordelen op het punt van aanbodbeheersing te behouden en tegelijk in het kader van het nieuwe steunsysteem de milieuvoordelen van braaklegging te vergroten, dienen de voorwaarden voor de braaklegging van bouwland te worden gehandhaafd.

  33. Om flexibel te kunnen inspelen op specifieke situaties, dienen de lidstaten de mogelijkheid te hebben om een zekere evenwichtige verhouding tussen individuele toeslagrechten en regionale of nationale gemiddelden en tussen bestaande betalingen en de bedrijfstoeslag te definiëren. Er moet worden voorzien in een specifieke afwijking op het verbod op groente- en fruitteelt, met inbegrip van aardappelen, om te voorkomen dat dit bij regionalisering leidt tot productieverstoring en tegelijk concurrentieverstoring zoveel mogelijk te voorkomen. Bovendien is het dienstig dat een lidstaat, om rekening te kunnen houden met zijn specifieke landbouwomstandigheden, een overgangsperiode voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling kan vragen mits hij de voor de bedrijfstoeslag geldende begrotingsmaxima in acht blijft nemen. Voor het geval dat er tijdens de overgangsperiode ernstige concurrentieverstoringen optreden en met het oog op de nakoming van de internationale verplichtingen van de Gemeenschap is het dienstig dat de Commissie de nodige maatregelen kan treffen om dergelijke situaties het hoofd te kunnen bieden.

  34. Ter bescherming van het gewettigd vertrouwen van de landbouwers is het dienstig om in het geval van facultatieve of overgangsregelingen de uiterste datum vast te stellen waarop de lidstaten hun beslissing tot toepassing van de bedrijfstoeslagregeling moeten nemen. De continuïteit van de bestaande regelingen vergt voorts dat er bepaalde, volgens door de Commissie vast te stellen uitvoeringsbepalingen, voorwaarden aan het recht op steun worden verbonden.

  35. Om de rol van de productie van durumtarwe in de traditionele productiegebieden te handhaven en tegelijk de steunverlening te intensiveren voor durumtarwe die aan bepaalde minimale kwaliteitseisen voldoet, is het dienstig om de huidige specifieke toeslag voor durumtarwe in de traditionele productiegebieden in de loop van een overgangsperiode te verlagen en de specifieke steun in de gebieden met een goed ingeburgerde productie af te schaffen. Alleen de teelt van durumtarwe die geschikt is om te worden gebruikt voor de vervaardiging van griesmeel- en pastaproducten zou voor die steun in aanmerking mogen komen.

  36. Om de rol van eiwitrijke gewassen te versterken en een stimulans tot verhoging van de productie van deze gewassen te geven, is het dienstig te voorzien in een aanvullende betaling aan de landbouwers die deze gewassen produceren. De correcte toepassing van de nieuwe regeling vergt dat er bepaalde voorwaarden aan het recht op de steun worden verbonden. Er moet een gegarandeerd maximumareaal gelden en bij overschrijding van dit gegarandeerde maximumareaal dienen proportionele verlagingen te worden toegepast.

  37. Om de rol van de rijstproductie in de traditionele productiegebieden te handhaven is het dienstig te voorzien in een aanvullende betaling aan de rijstproducenten. De correcte toepassing van de nieuwe regeling vergt dat er bepaalde voorwaarden aan het recht op de steun worden verbonden. Er moeten nationale basisarealen gelden en bij overschrijding van deze arealen dienen verlagingen te worden toegepast.

  38. Om de mogelijke verdwijning van de productie van noten in de traditionele gebieden en de daaruit voortvloeiende negatieve gevolgen voor milieu en platteland en op sociaal en economisch gebied te voorkomen, dient er een nieuwe steunregeling voor noten te worden ingesteld. De correcte toepassing van de nieuwe regeling vergt dat er bepaalde voorwaarden aan het recht op de steun worden verbonden, inclusief een minimale boomdichtheid en perceelsgrootte. Om in specifieke behoeften te kunnen voorzien dienen de lidstaten te worden gemachtigd om extra steun te verlenen.

  39. Om een overschrijding van de begroting te voorkomen moet er een gegarandeerd maximumareaal gelden en dienen bij overschrijding van dit gegarandeerde maximumareaal proportionele verlagingen te worden toegepast, die moeten worden geconcentreerd in de lidstaten die hun areaal hebben overschreden. Voor een evenwichtige toepassing in de hele Gemeenschap dient het maximumareaal te worden verdeeld naar verhouding van de in de lidstaten voor de productie van noten gebruikte oppervlakten. De lidstaten moeten verantwoordelijk zijn voor de verdeling van de arealen binnen hun grondgebied. Onder een verbeteringsprogramma vallende arealen dienen pas voor steun in het kader van de nieuwe regeling in aanmerking te komen als dat programma is afgelopen.

  40. Om te profiteren van het succes dat met de verbeteringsprogramma's is behaald wat de groepering van het aanbod betreft, kunnen de lidstaten het recht op communautaire steun en nationale steun afhankelijk stellen van het lidmaatschap van een telersvereniging. Met het oog op continuïteit moet voor een soepele overgang naar de nieuwe regeling worden gezorgd.

  41. Momenteel bestaat de steun voor energiegewassen in de mogelijkheid om industriële gewassen te verbouwen op braakland. Energiegewassen nemen het grootste deel voor hun rekening van de niet voor voeding of vervoedering bestemde productie op braakland. Er dient in specifieke steun voor energiegewassen te worden voorzien met het oog op een toenemende vervanging van brandstoffen die extra koolstofdioxide in de atmosfeer brengen. Er dient een gegarandeerd maximumareaal te worden vastgesteld, en indien het gegarandeerd maximumareaal wordt overschreden, dienen proportionele verlagingen te worden toegepast. De regeling dient na een bepaalde tijd opnieuw te worden bezien en daarbij dient rekening te worden gehouden met de uitvoering van het communautaire initiatief inzake biobrandstoffen.

  42. Om de productie van aardappelzetmeel in de traditionele productiegebieden te behouden en de rol te erkennen die de productie van aardappelen in de landbouwcyclus speelt, is het dienstig te voorzien in een aanvullende betaling aan de producenten van zetmeelaardappelen. Aangezien het systeem van betalingen aan de producenten van zetmeelaardappelen gedeeltelijk in de bedrijfstoeslagregeling wordt opgenomen, moet bovendien Verordening (EG) nr. 1868/94 van de Raad van 27 juli 1994 tot vaststelling van een contingenteringsregeling voor de productie van aardappelzetmeel(9) worden gewijzigd.

  43. De opneming van akkerbouwgewassen, rundvlees en schapenvlees in de bedrijfstoeslagregeling maakt het noodzakelijk in die regeling ook de premies op te nemen die in de ultraperifere regio's en op de eilanden in de Egeïsche Zee worden betaald, zulks met het oog op verdere vereenvoudiging en om te voorkomen dat er een juridisch en administratief kader in stand moet blijven voor een beperkt aantal landbouwers in de genoemde gebieden. Teneinde de rol die een bepaald type productie in deze regio's van de Gemeenschap speelt te bestendigen, is het echter dienstig te bepalen dat de lidstaten kunnen beslissen dat deze betalingen niet in de bedrijfstoeslagregeling behoeven te worden opgenomen. Diezelfde mogelijkheid dient te gelden voor de aanvullende betalingen in bepaalde regio's van Zweden en Finland, alsmede voor steun voor zaaizaad. In die gevallen vergt de continuïteit van de bestaande regelingen dat er, volgens door de Commissie vast te stellen uitvoeringsbepalingen, bepaalde voorwaarden aan het recht op steun worden verbonden.

  44. Om de overgang van de huidige regelingen voor akkerbouwgewassen en dierenpremies naar de bedrijfstoeslagregeling te vergemakkelijken is het dienstig dat de huidige rechtstreekse betalingen in die sectoren enigszins aangepast worden.

  45. De landbouw op de eilandengroep van de Azoren steunt zeer sterk op de zuivelproductie. Derhalve is het raadzaam om de in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 1453/2001 van 28 juni 2001 houdende specifieke maatregelen voor bepaalde landbouwproducten ten behoeve van de Azoren en Madeira(10) vervatte maatregelen te verlengen en, gelet op het ontwikkelingspeil en de omstandigheden van de lokale productie, toe te staan dat voor een periode van zes melkprijsjaren, te beginnen met 1999/2000, wordt afgeweken van sommige productiebeperkende bepalingen van de gemeenschappelijke marktordening voor melk en zuivelproducten. Deze maatregel moet het in de loop van zijn toepassing mogelijk maken de sector op de Azoren verder te herstructureren, zonder interferentie met de markt voor zuivelproducten en zonder ernstige gevolgen voor het functioneren van het heffingenstelsel op Portugees en op communautair niveau.

  46. De toepassing van de bedrijfstoeslagregeling zal de facto impliceren dat het Portugese programma voor de omschakeling van akkerbouwareaal op de extensieve veehouderij ingevolge Verordening (EG) nr. 1017/94(11) in feite niet langer van toepassing is. Derhalve dient Verordening (EG) nr. 1079/94 bij de inwerkingtreding van de bedrijfstoeslagregeling te worden ingetrokken.

  47. Als gevolg van de bovengenoemde wijzigingen en nieuwe bepalingen moeten de Verordeningen van de Raad (EEG) nr. 3508/9, (EG) nr. 1577/96 van 30 juli 1996 tot invoering van een bijzondere maatregel voor bepaalde zaaddragende leguminosen(12) en (EG) nr. 1251/1999 van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen(13) worden ingetrokken. Verordening (EG) nr. 1259/1999 moet eveneens worden ingetrokken met uitzondering van sommige bepalingen welke voorzien in specifieke tijdelijke en facultatieve regelingen.

  48. De specifieke bepalingen betreffende rechtstreekse betalingen in de Verordeningen van de Raad (EEG) nr. 2358/71 van 26 oktober 1971 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector zaaizaad(14), (EEG) nr. 2019/93 van 19 juli 1993 houdende specifieke maatregelen voor bepaalde landbouwproducten ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee(15), (EG) nr. 1254/1999 van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees(16), (EG) nr. 1452/2001 van 28 juni 2001 houdende specifieke maatregelen voor bepaalde landbouwproducten ten behoeve van de Franse overzeese departementen(17), (EG) nr. 1454/2001 van 28 juni 2001 houdende specifieke maatregelen voor bepaalde landbouwproducten ten behoeve van de Canarische Eilanden(18) en (EG) nr. 2529/2001 van 19 december 2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schapen- en geitenvlees(19) zijn in feite niet langer zinvol en moeten daarom worden geschrapt.

  49. Bij de inwerkingtreding van deze verordening telt de Gemeenschap 15 lidstaten. Rekening houdend met het feit dat overeenkomstig het Toetredingsverdrag van 2003, de toetreding van de nieuwe lidstaten plaatsvindt op 1 mei 2004, dient deze verordening vóór de toetredingsdatum volgens de procedures van het Toetredingsverdrag te worden aangepast, om de verordening in de nieuwe lidstaten toepasselijk te maken.

  50. De voor de uitvoering van deze verordening benodigde maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(20),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I REIKWIJDTE EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

Artikel 1 Reikwijdte

Bij deze verordening worden vastgesteld:

  • gemeenschappelijke voorschriften betreffende de rechtstreekse betalingen op grond van de inkomenssteunregelingen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid die worden gefinancierd door de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) opgesomd in bijlage I, met uitzondering van de betalingen waarin Verordening (EG) nr. 1257/1999 voorziet;

  • inkomenssteun voor landbouwers (hierna „bedrijfstoeslagregeling” genoemd);

  • als overgangsmaatregel toegekende vereenvoudigde inkomenssteun voor landbouwers in de nieuwe lidstaten (hierna de „regeling inzake een enkele areaalbetaling” genoemd);

  • steunregelingen voor landbouwers die durumtarwe, eiwithoudende gewassen, rijst, noten, energiegewassen, zetmeelaardappelen, melk, zaaizaad, akkerbouwgewassen, schapen- en geitenvlees, rundvlees, zaaddragende leguminosen, katoen, tabak en hop produceren en voor landbouwers die olijfgaarden onderhouden.

Artikel 2 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende begripsomschrijvingen:

  1. onder „landbouwer” wordt verstaan: een natuurlijke of rechtspersoon dan wel een groep natuurlijke of rechtspersonen, ongeacht de rechtspositie van de groep en haar leden volgens het nationale recht, waarvan het bedrijf zich bevindt op het grondgebied van de Gemeenschap als bedoeld in artikel 299 van het Verdrag en die een landbouwactiviteit uitoefent;

  2. onder „bedrijf” wordt verstaan: het geheel van de productie-eenheden dat door de landbouwer wordt beheerd en zich bevindt op het grondgebied van eenzelfde lidstaat;

  3. onder „landbouwactiviteit” wordt verstaan: landbouwproducten produceren, fokken of telen tot en met het oogsten, het melken, het fokken en het houden van dieren voor landbouwdoeleinden of de grond in goede landbouw- en milieuconditie als vastgesteld op grond van artikel 5 houden;

  4. onder „rechtstreekse betaling” wordt verstaan: een betaling die rechtstreeks aan landbouwers wordt verleend op grond van een in bijlage I vermelde inkomenssteunregeling;

  5. onder „betalingen in een bepaald kalenderjaar” of „betalingen tijdens de referentieperiode” wordt verstaan: de voor het/de betrokken jaar/jaren verleende of te verlenen betalingen met inbegrip van alle betalingen voor andere perioden die in dat/die kalenderjaar/jaren beginnen;

  6. onder „landbouwproducten” wordt verstaan: de in bijlage I van het Verdrag genoemde producten, inclusief katoen, maar exclusief visserijproducten;

  7. onder „nieuwe lidstaten” wordt verstaan: Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije.

TITEL II ALGEMENE BEPALINGEN

HOOFDSTUK 1 RANDVOORWAARDEN

Artikel 3 Belangrijkste eisen

Artikel 4 Uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen

Artikel 5 Goede landbouw- en milieuconditie

Artikel 6 Verlaging of uitsluiting van betalingen

Artikel 7 Uitvoeringsbepalingen betreffende de verlaging of uitsluiting

Artikel 8 Herziening

Artikel 9 Uit de toepassing van de randvoorwaarden voortvloeiende bedragen

HOOFDSTUK 2 MODULATIE EN FINANCIËLE DISCIPLINE

Artikel 10 Modulatie

Artikel 11 Financiële discipline

Artikel 12 Extra steunbedrag

Artikel 12 bis Toepassing voor de nieuwe lidstaten

HOOFDSTUK 3 BEDRIJFSADVISERINGSSYSTEEM

Artikel 13 Bedrijfsadviseringssysteem

Artikel 14 Voorwaarden

Artikel 15 Verplichtingen van de particuliere instanties en de aangewezen autoriteiten

Artikel 16 Herziening

HOOFDSTUK 4 GEÏNTEGREERD BEHEERS- EN CONTROLESYSTEEM

Artikel 17 Reikwijdte

Artikel 18 Onderdelen van het geïntegreerd systeem

Artikel 19 Geautomatiseerde databank

Artikel 20 Systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond

Artikel 21 Systeem voor de identificatie en de registratie van de toeslagrechten

Artikel 22 Steunaanvragen

Artikel 23 Verificatie van de voorwaarden voor subsidiabiliteit

Artikel 24 Verlagingen en uitsluitingen

Artikel 25 Controles op de naleving van de randvoorwaarden

Artikel 26 Compatibiliteit

Artikel 27 Informatieverstrekking en controles

HOOFDSTUK 5 ANDERE ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 28 Uitbetaling

Artikel 29 Beperking van de uitbetaling

Artikel 30 Herziening

Artikel 31 Evaluatie

Artikel 32 Interventies in de zin van Verordening (EG) nr. 1258/1999

TITEL III BEDRIJFSTOESLAGREGELING

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 33 Subsidiabiliteit

Artikel 34 Toepassing

Artikel 35 Dubbele aanvragen

Artikel 36 Uitbetaling

HOOFDSTUK 2 VASTSTELLING VAN HET BEDRAG

Artikel 37 Berekening van het referentiebedrag

Artikel 38 Referentieperiode

Artikel 39 Toepassing van modulatie (differentiatie) en randvoorwaarden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1259/1999

Artikel 40 Gevallen van onbillijkheid

Artikel 41 Maximum

Artikel 42 Nationale reserve

HOOFDSTUK 3 TOESLAGRECHTEN

Afdeling 1 Op oppervlakten gebaseerde toeslagrechten

Artikel 43 Bepaling van de toeslagrechten
Artikel 44 Gebruik van de toeslagrechten
Artikel 45 Niet-gebruikte toeslagrechten
Artikel 46 Overdracht van toeslagrechten

Afdeling 2 Toeslagrechten die aan speciale voorwaarden onderworpen zijn

Artikel 47 Betalingen die recht geven op toeslagrechten die aan speciale voorwaarden onderworpen zijn
Artikel 48 Bepaling van de toeslagrechten die zijn onderworpen aan speciale voorwaarden
Artikel 49 Voorwaarden
Artikel 50 Melkpremie en extra betalingen

HOOFDSTUK 4 GRONDGEBRUIK IN HET KADER VAN DE BEDRIJFSTOESLAGREGELING

Afdeling 1 Gebruik van de grond

Artikel 51 Gebruik van de grond voor landbouw
Artikel 52 Productie van hennep

Afdeling 2 Braakleggingstoeslagrechten

Artikel 53 Vaststelling van de braakleggingstoeslagrechten
Artikel 54 Gebruik van braakleggingstoeslagrechten
Artikel 55 Vrijstelling van braaklegging
Artikel 56 Gebruik van de braakgelegde grond
Artikel 57 Toepassing van andere bepalingen

HOOFDSTUK 5 REGIONALE EN FACULTATIEVE UITVOERING

Afdeling 1 Regionale uitvoering

Artikel 58 Regionale toewijzing van het in artikel 41 bedoelde maximum
Artikel 59 Regionalisering van de bedrijftoeslagregeling
Artikel 60 Gebruik van de grond
Artikel 61 Grasland
Artikel 62 Melkpremie en extra betalingen
Artikel 63 Voorwaarden voor de krachtens deze afdeling vastgestelde toeslagrechten

Afdeling 2 Gedeeltelijke uitvoering

Artikel 64 Algemene bepalingen
Artikel 65 Vaststelling van de toeslagrechten volgens deze afdeling
Artikel 66 Betalingen voor akkerbouwgewassen
Artikel 67 Betalingen voor schapen en geiten
Artikel 68 Rundvleesbetalingen
Artikel 68 bis Betalingen voor hop
Artikel 69 Facultatieve uitvoering voor specifieke soorten landbouw en kwaliteitsproductie

Afdeling 3 Facultatieve uitsluitingen

Artikel 70 Facultatieve uitsluiting van een aantal rechtstreekse betalingen

Afdeling 4 Facultatieve overgangsregelingen

Artikel 71 Facultatieve overgangsperiode

HOOFDSTUK 6 TENUITVOERLEGGING IN DE NIEUWE LIDSTATEN

Artikel 71 bis

Artikel 71 ter Steunaanvraag

Artikel 71 quater Maximum

Artikel 71 quinquies Nationale reserve

Artikel 71 sexies Regionale toewijzing van het in artikel 71 quater bedoelde maximum

Artikel 71 septies Regionalisering van de bedrijfstoeslagregeling

Artikel 71 octies Gebruik van de grond

Artikel 71 nonies Grasland

Artikel 71 decies Melkpremie en extra betalingen

Artikel 71 undecies Braakleggingstoeslagrechten

Artikel 71 duodecies Voorwaarden voor de toeslagrechten

Artikel 71 terdecies Facultatieve uitvoering

TITEL IV ANDERE STEUNREGELINGEN

HOOFDSTUK 1 SPECIFIEKE KWALITEITSPREMIE VOOR DURUMTARWE

Artikel 72 Toepassingsgebied

Artikel 73 Bedrag en subsidiabiliteit

Artikel 74 Arealen

Artikel 75 Overschrijding van het areaal

HOOFDSTUK 2 PREMIE VOOR EIWITHOUDENDE GEWASSEN

Artikel 76 Toepassingsgebied

Artikel 77 Bedrag en subsidiabiliteit

Artikel 78 Areaal

HOOFDSTUK 3 GEWASSPECIFIEKE BETALING VOOR RIJST

Artikel 79 Toepassingsgebied

Artikel 80 Bedrag en subsidiabiliteit

Artikel 81 Arealen

Artikel 82 Overschrijding van de arealen

HOOFDSTUK 4 AREAALBETALING VOOR NOTEN

Artikel 83 Communautaire steun

Artikel 84 Arealen

Artikel 85 Overschrijding van de subarealen

Artikel 86 Voorwaarden voor subsidiabiliteit

Artikel 87 Nationale steun

HOOFDSTUK 5 STEUN VOOR ENERGIEGEWASSEN

Artikel 88 Steun

Artikel 89 Arealen

Artikel 90 Voorwaarden voor subsidiabiliteit

Artikel 91 Herziening van de lijst van energiegewassen

Artikel 92 Herziening van de regeling voor energiegewassen

HOOFDSTUK 6 STEUN VOOR ZETMEELAARDAPPELEN

Artikel 93 Steun

Artikel 94 Voorwaarden

HOOFDSTUK 7 MELKPREMIE EN EXTRA BETALINGEN

Artikel 95 Melkpremie

Artikel 96 Extra betalingen

Artikel 97 Definities

HOOFDSTUK 8 SPECIFIEKE REGIONALE STEUN VOOR AKKERBOUWGEWASSEN

Artikel 98 Steun

HOOFDSTUK 9 STEUN VOOR ZAAIZAAD

Artikel 99 Steun

HOOFDSTUK 10 AREAALBETALINGEN VOOR AKKERBOUWGEWASSEN

Artikel 100 Reikwijdte van de toepassing en de definities

Artikel 101 Basisarealen

Artikel 102 Overschrijding van basisarealen en maximum

Artikel 103 Regioplan

Artikel 104 Basisbedrag

Artikel 105 Toeslag voor durumtarwe

Artikel 106 Vlas en -hennep

Artikel 107 Braaklegging

Artikel 108 Subsidiabele grond

Artikel 109 Inzaai en aanvraag

Artikel 110 Uitvoeringsbepalingen

HOOFDSTUK 10 BIS GEWASSPECIFIEKE BETALING VOOR KATOEN

Artikel 110 bis Toepassingsgebied

Artikel 110 ter Subsidiabiliteit

Artikel 110 quater Basisarealen en bedragen

Artikel 110 quinquies Erkende brancheorganisaties

Artikel 110 sexies Differentiatie van de steun door erkende brancheorganisaties

Artikel 110 septies Betaling van de steun

HOOFDSTUK 10 TER STEUN VOOR OLIJFGAARDEN

Artikel 110 octies Toepassingsgebied

Artikel 110 nonies Subsidiabiliteit

Artikel 110 decies Bedrag

HOOFDSTUK 10 QUATER STEUN VOOR TABAK

Artikel 110 undecies Toepassingsgebied

Artikel 110 duodecies Subsidiabiliteit

Artikel 110 terdecies Bedrag

Artikel 110 quaterdecies Overdracht naar het communautaire fonds voor tabak

HOOFDSTUK 10 QUINQUIES AREAALSTEUN VOOR HOP

Artikel 110 quindecies Toepassingsgebied

Artikel 110 sexdecies Subsidiabiliteit

HOOFDSTUK 11 SCHAPEN- EN GEITENPREMIES

Artikel 111 Toepassingsgebied

Artikel 112 Definities

Artikel 113 Ooien- en geitenpremie

Artikel 114 Aanvullende premie

Artikel 115 Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 116 Individuele maxima

Artikel 117 Overdracht van premierechten

Artikel 118 Nationale reserve

Artikel 119 Extra betalingen

Artikel 120 Maxima

HOOFDSTUK 12 RUNDVLEESBETALINGEN

Artikel 121 Toepassingsgebied

Artikel 122 Definities

Artikel 123 Speciale premie

Artikel 124 Seizoencorrectiepremie

Artikel 125 Zoogkoeienpremie

Artikel 126 Individueel maximum voor zoogkoeien

Artikel 127 Overdracht van premierechten voor zoogkoeien

Artikel 128 Nationale reserve van premierechten voor zoogkoeien

Artikel 129 Vaarzen

Artikel 130 Slachtpremie

Artikel 131 Veebezetting

Artikel 132 Extensiveringsbedrag

Artikel 133 Extra betalingen

Artikel 134 Veebetalingen

Artikel 135 Voorwaarden voor veebetaling

Artikel 136 Areaalbetalingen

Artikel 136 bis Voorwaarden voor de toepassing in de nieuwe lidstaten

Artikel 137 Overdracht van informatie

Artikel 138 Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 139 Maxima

Artikel 140 Stoffen die krachtens Richtlijn 96/22/EG van de Raad verboden zijn

HOOFDSTUK 13 STEUN VOOR ZAADDRAGENDE LEGUMINOSEN

Artikel 141 Toepassingsgebied

Artikel 142 Steun

Artikel 143 Maximum

TITEL IV BISTENUITVOERLEGGING VAN DE STEUNREGELINGEN IN DE NIEUWE LIDSTATEN

Artikel 143 bis Invoering van de steunregelingen

Artikel 143 ter Regeling inzake een enkele areaalbetaling

Artikel 143 quater Aanvullende nationale rechtstreekse betalingen en rechtstreekse betalingen

TITEL IV TER FINANCIËLE OVERDRACHTEN

Artikel 143 quinquies Financiële overdracht voor herstructurering in de katoenproducerende regio's

Artikel 143 sexies Financiële overdracht voor herstructurering in de tabakproducerende regio's

TITEL V OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 144 Comité van beheer voor rechtstreekse betalingen

Artikel 145 Uitvoeringsbepalingen

Artikel 146 Informatieverstrekking aan de Commissie

Artikel 147 Wijzigingen in de Verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, nr. 1453/2001 en nr. 1454/2001

Artikel 148 Wijzigingen in Verordening (EG) nr. 1868/94

Artikel 149 Wijzigingen in Verordening (EG) nr. 1251/1999

Artikel 150 Wijzigingen van Verordening (EG) nr. 1254/1999

Artikel 151 Wijzigingen van Verordening (EG) nr. 1673/2000

Artikel 151 bis Wijziging van Verordening (EG) nr. 546/2002

Artikel 151 ter Wijziging van Verordening (EEG) nr. 2075/92

Artikel 152 Wijzigingen in andere verordeningen

Artikel 153 Intrekkingen

Artikel 154 Overgangsbepalingen voor de vereenvoudigde regeling

Artikel 154 bis Overgangsbepalingen voor de nieuwe lidstaten

Artikel 155 Andere overgangsbepalingen

Artikel 155 bis

Artikel 156 Inwerkingtreding en toepassing

BIJLAGE I

BIJLAGE IINationale maxima zoals bedoeld in artikel 12, lid 2

BIJLAGE IIIUit de regelgeving voorvloeiende beheerseisen als bedoeld in de artikelen 3 en 4

BIJLAGE IVGoede landbouw- en milieuconditie als bedoeld in artikel 5

BIJLAGE VCompatibele steunregelingen zoals bedoeld in artikel 26

BIJLAGE VI

BIJLAGE VIIBerekening van het in artikel 37 bedoelde bedrag

BIJLAGE VIIINationale maxima als bedoeld in artikel 41

BIJLAGE VIII bisNationale maxima zoals bedoeld in artikel 71 quater

BIJLAGE IXLijst van akkerbouwgewassen als bedoeld in artikel 66

BIJLAGE XTraditionele productiegebieden voor durumtarwe als bedoeld in artikel 74

BIJLAGE XILijst van de in artikel 99 bedoelde zaadsoorten

BIJLAGE XI BISMaxima voor de steun voor zaaizaad in de nieuwe lidstaten als bedoeld in artikel 99, lid 3

BIJLAGE XI TERNationale basisarealen voor akkerbouwgewassen en referentieopbrengsten in de nieuwe lidstaten als bedoeld in de artikelen 101 en 103

BIJLAGE XII

BIJLAGE XIII

BIJLAGE XIV