Home

Verordening (EG) nr. 1973/2004 van de Commissie van 29 oktober 2004 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad met betrekking tot de bij de titels IV en IV bis van die verordening ingestelde steunregelingen en het gebruik van braakgelegde grond voor de productie van grondstoffen

Verordening (EG) nr. 1973/2004 van de Commissie van 29 oktober 2004 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad met betrekking tot de bij de titels IV en IV bis van die verordening ingestelde steunregelingen en het gebruik van braakgelegde grond voor de productie van grondstoffen

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op de Akte van Toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije, en met name op artikel 41, eerste alinea,

Gelet op Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001(1), en met name op artikel 110 en artikel 145, onder c), d), e) en f),

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Bij de titels IV en IV bis van Verordening (EG) nr. 1782/2003 zijn bepaalde steunregelingen voor landbouwers ingesteld. Uitvoeringsbepalingen voor sommige van die regelingen zijn reeds vastgesteld bij de volgende verordeningen: Verordening (EEG) nr. 1686/72 van de Commissie van 2 augustus 1972 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de steun in de sector zaaizaad(2), Verordening (EEG) nr. 1445/76 van de Commissie van 22 juni 1976 houdende vaststelling van de lijst van de verschillende rassen van Lolium perenne L.(3), Verordening (EG) nr. 1644/96 van de Commissie van 30 juli 1996 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen inzake de steun voor bepaalde zaaddragende leguminosen(4), Verordening (EG) nr. 609/1999 van de Commissie van 19 maart 1999 houdende nadere bepalingen betreffende de steunverlening aan hoptelers(5), Verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie van 22 oktober 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen(6), Verordening (EG) nr. 2342/1999 van de Commissie van 28 oktober 1999 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees met betrekking tot de premieregelingen(7), Verordening (EG) nr. 2461/1999 van de Commissie van 19 november 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad wat het gebruik betreft van uit productie genomen grond voor de productie van grondstoffen voor de vervaardiging, in de Gemeenschap, van niet specifiek voor voeding of voor vervoedering bestemde producten(8), Verordening (EG) nr. 2550/2001 van de Commissie van 21 december 2001 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 2529/2001 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schapen- en geitenvlees en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2419/2001(9), Verordening (EG) nr. 2199/2003 van de Commissie van 16 december 2003 tot vaststelling van overgangsmaatregelen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1259/1999 van de Raad in het jaar 2004 wat de regeling inzake een enkele areaalbetaling voor Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije betreft(10) en Verordening (EG) nr. 2237/2003 van de Commissie van 23 december 2003 houdende uitvoeringsbepalingen voor bepaalde steunregelingen die zijn ingesteld bij titel IV van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers(11). Voor de duidelijkheid van de communautaire regelgeving dienen deze verordeningen te worden ingetrokken en te worden vervangen door één verordening houdende de uitvoeringsbepalingen voor al die regelingen, welke verordening van toepassing moet zijn met ingang van 1 januari 2005.

  2. Met het oog op een doelmatig beheer van die regelingen is het nodig de areaalbetalingen tot bepaalde oppervlakten te beperken en er nader aan te geven voorwaarden aan te verbinden.

  3. Malta heeft zeer veel kleine landbouwbedrijven die minder dan 0,3 ha groot zijn. Om te voorkomen dat veel landbouwers in Malta worden uitgesloten van de op de oppervlakte gebaseerde rechtstreekse betalingen, dient de minimumomvang waarop een aanvraag voor op de oppervlakte gebaseerde rechtstreekse betalingen in Malta betrekking moet hebben, te worden vastgesteld op 0,1 ha en dient Malta te worden toegestaan om voor de jaren 2005 en 2006 af te wijken van het bepaalde in artikel 107, lid 9, van Verordening (EG) nr. 1782/2003.

  4. Voorkomen moet worden dat land wordt ingezaaid uitsluitend om in aanmerking te komen voor areaalbetalingen. Er moeten bepaalde voorwaarden betreffende de inzaai en de teelt van gewassen worden gesteld, vooral voor durumtarwe, eiwithoudende gewassen en rijst. Wegens de verscheidenheid van de landbouwmethoden in de Gemeenschap moet worden voldaan aan plaatselijke normen.

  5. Voor een perceel dat in een bepaald jaar wordt beteeld, dient slechts één aanvraag voor een areaalbetaling te worden toegestaan behalve in de gevallen waarin de areaalbetaling wordt verleend als een toeslag voor hetzelfde gewas of de steun betrekking heeft op de productie van zaaizaad. Areaalbetalingen kunnen worden toegekend voor gewassen die worden gesubsidieerd op grond van een regeling in het kader van het structuur- of milieubeleid van de Gemeenschap.

  6. In de op areaalsteun gebaseerde steunregelingen is bepaald dat, indien de oppervlakte waarvoor de steun wordt aangevraagd, groter is dan het gegarandeerde maximumareaal, het basisareaal of het subbasisareaal, de oppervlakte per landbouwer waarvoor de steun is aangevraagd, in het betrokken jaar proportioneel wordt verlaagd. Daarom moet worden bepaald op welke wijze en tegen welke datum de lidstaten de Commissie de gegevens moeten verstrekken die worden gebruikt voor de vaststelling van de verlagingscoëfficient, en de Commissie moeten informeren over de oppervlakten waarvoor de steun is betaald. Dezelfde bepalingen dienen te gelden voor de verlaging van het totaal van de individuele referentiehoeveelheden in geval van toepassing van artikel 95, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1782/2003.

  7. Volgens artikel 73 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 is de verlening van de specifieke kwaliteitspremie voor durumtarwe afhankelijk van het gebruik van bepaalde hoeveelheden gecertificeerd zaad van rassen die in het productiegebied worden erkend als van hoge kwaliteit voor de productie van griesmeel of pasta. Om ervoor te zorgen dat aan die eisen wordt voldaan, moeten de criteria voor de methode om in elke lidstaat de rassen te onderzoeken, de procedure voor de vaststelling van de lijst van de in aanmerking komende rassen en de te gebruiken minimumhoeveelheid gecertificeerd zaad worden vastgesteld.

  8. Door de korte tijd die is verstreken sinds de vaststelling van Verordening (EG) nr. 1782/2003, is het onmogelijk om voor de toekenning van de specifieke kwaliteitspremie voor durumtarwe in het jaar 2005 een lijst van de in aanmerking komende rassen vast te stellen volgens de beoogde onderzoeksmethode. Daarom moeten de lidstaten een overgangslijst vaststellen op basis van een selectie uit de huidige rassen.

  9. In sommige regio's worden eiwithoudende gewassen om landbouwkundige redenen van oudsher gemengd met granen ingezaaid. Het verkregen product bestaat hoofdzakelijk uit eiwithoudende gewassen. De aldus ingezaaide oppervlakten dienen daarom voor de toekenning van de premie voor eiwithoudende gewassen als oppervlakten met eiwithoudende gewassen te worden beschouwd.

  10. De normen voor niet-bittere lupinen en de tests om uit te maken of een monster uit niet-bittere dan wel uit bittere lupinen bestaat, moeten worden vastgesteld.

  11. Met het oog op een doelmatige steunverlening voor noten en een goed beheer van de betrokken steunregeling mag de toegekende areaalsteun niet worden gebruikt om marginale aanplantingen of geïsoleerde bomen te financieren. Daarom moet het om een gespecialiseerde boomgaard gaan, waarbij de minimale perceelsgrootte en de minimale boomdichtheid dienen te worden vastgesteld. Om de overgang van de nog lopende verbeteringsprogramma's naar de nieuwe steunregeling te vergemakkelijken dienen overgangsmaatregelen te worden vastgesteld.

  12. De betalingsvoorwaarden voor en de berekening van de gewasspecifieke betaling voor rijst hangen niet alleen af van het basisareaal dat of de basisarealen die bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 voor elke producerende lidstaat is of zijn vastgesteld, maar ook van de eventuele onderverdeling van een basisareaal in subbasisarealen en van de objectieve criteria die de betrokken lidstaat voor die onderverdeling heeft gekozen, van de teeltvoorwaarden die gelden voor de beteelde percelen, en van de minimumgrootte van deze laatste. Daarom zijn uitvoeringsbepalingen nodig met betrekking tot de wijze waarop de subbasisarealen worden vastgesteld en de basisarealen en subbasisarealen worden beheerd en beteeld.

  13. Overeenkomstig artikel 82 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 moet bij een overschrijding van het basisareaal de gewasspecifieke betaling voor rijst worden verlaagd. De bij de berekening van die verlaging te hanteren criteria en coëfficiënten moeten worden vastgesteld.

  14. Voor het toezicht op de gewasspecifieke betalingen voor rijst heeft de Commissie bepaalde gegevens nodig over het gebruik van de basisarealen en subbasisarealen. Daartoe dient te worden bepaald welke gegevens de lidstaten de Commissie moeten verstrekken en wanneer zij dat moeten doen.

  15. De artikelen 93 en 94 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 voorzien in steun aan landbouwers die voor de zetmeelproductie bestemde aardappelen produceren, op voorwaarde dat een teeltcontract is gesloten, en binnen de contingenten zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1868/94 van de Raad van 27 juli 1994 tot vaststelling van een contingenteringsregeling voor de productie van aardappelzetmeel(12). Daarom moeten de voorwaarden voor de toekenning van deze steun worden vastgesteld en moet waar nodig worden verwezen naar de bestaande bepalingen met betrekking tot de bij Verordening (EG) nr. 1868/94 ingestelde contingenteringsregeling.

  16. In de artikelen 95 en 96 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 is bepaald dat een melkpremie en een extra betaling worden uitgekeerd aan melkproducenten. Verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten(13) bevat specifieke bepalingen inzake inactiviteit. Het is daarom dienstig te bepalen dat een natuurlijke of rechtspersoon met een individuele referentiehoeveelheid die gedurende het tijdvak van twaalf maanden tot 31 maart van het betrokken jaar niet langer aan de in artikel 5, onder c), van Verordening (EG) nr. 1788/2003 vastgestelde voorwaarden voldoet, van de premie en de extra betaling wordt uitgesloten.

  17. Bij de artikelen 88 tot en met 92 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 is een nieuwe regeling ingesteld voor de toekenning van steun voor energiegewassen aan landbouwers. Ter wille van de coherentie met Verordening (EG) nr. 2461/1999, die suikerbieten van de steun uitsluit, dient de suikerbietenteelt uit de steunregeling voor energiegewassen te worden uitgesloten.

  18. De voorwaarden om voor die steun in aanmerking te komen dienen te worden vastgesteld. Daarbij dient de voorwaarde dat voor de betrokken landbouwgrondstoffen een contract moet worden gesloten tussen de landbouwer en de eerste verwerker, nader te worden gepreciseerd. Ook moeten de voorwaarden worden bepaald die gelden in het geval dat de landbouwer de verwerking uitvoert op zijn bedrijf.

  19. Om te garanderen dat de grondstof tot het beoogde energieproduct wordt verwerkt, moet een zekerheid worden gesteld door de eerste verwerker, ook al wordt de steun niet aan hem maar aan de landbouwer toegekend. Het bedrag van de zekerheid moet hoog genoeg zijn om elk risico af te wenden dat de grondstoffen uiteindelijk aan hun bestemming worden onttrokken. Voorts dient, om het controlesysteem voor de regeling doeltreffend te maken, het aantal verkopen van de grondstoffen en de halffabrikaten tot de eindverwerking te worden beperkt tot twee.

  20. Er moet uitdrukkelijk onderscheid worden gemaakt tussen de verplichtingen van de aanvrager, die eindigen bij de aflevering van de totale hoeveelheid geoogste grondstof, en de verplichtingen van de eerste verwerker, die aanvangen bij de aflevering en eindigen bij de eindverwerking van de grondstoffen tot energieproducten.

  21. Sommige transporten van grondstoffen en daaruit verkregen producten op het grondgebied van de Gemeenschap dienen onder controleregelingen te vallen waarbij gebruik wordt gemaakt van controle-exemplaren T5 die worden afgegeven overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek(14). Voorzien dient te worden in alternatieve bewijzen voor het geval dat het controle-exemplaar T5 door omstandigheden buiten de wil en het toedoen van de eerste verwerker verloren gaat.

  22. In artikel 98 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 is bepaald dat de specifieke regionale steun voor akkerbouwgewassen wordt verlaagd wanneer het totaalbedrag van de gevraagde steun het vastgestelde maximum overschrijdt. Daarom moet de wijze van berekening van de verlagingscoëfficiënt worden vastgesteld.

  23. In artikel 99 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 is bepaald dat rechtstreekse steun kan worden toegekend voor de productie van zaaizaad van een of meer soorten.

  24. Die steun mag alleen worden toegekend voor de productie van basiszaad of gecertificeerd zaad en deze producten moeten duidelijk worden omschreven door verwijzing naar de richtlijnen betreffende de goedkeuring en het in de handel brengen van zaaizaad: Richtlijn 66/401/EEG van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van groenvoedergewassen(15), Richtlijn 66/402/EEG van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaigranen(16) en Richtlijn 2002/57/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen(17).

  25. Om controles mogelijk te maken moeten het basiszaad en het gecertificeerd zaad worden geproduceerd in het kader van vermeerderingscontracten of –aangiften, waarvan een kopie bij de verzamelaanvraag moet worden gevoegd, en moeten de zaadhandelaren en de kwekers officieel zijn erkend of geregistreerd. De nodige maatregelen moeten worden vastgesteld voor het geval dat een zaadhandelaar of een kweker uit een bepaalde lidstaat zaad vermeerdert of laat vermeerderen in een andere lidstaat.

  26. Om administratieve redenen dient de steun in elke lidstaat uitsluitend te worden toegekend voor producten die op het grondgebied van die lidstaat zijn geoogst.

  27. Op grond van bijlage XI bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 mag in het geval van Cannabis sativa L. de productiesteun alleen worden betaald voor basiszaad en gecertificeerd zaad van rassen met een tetrahydrocannabinolgehalte van ten hoogste 0,2 %. Daartoe dient, met het oog op een uniforme toepassing in de hele Gemeenschap van de regels voor de steunverlening, de lijst van de voor steun in aanmerking komende rassen van Cannabis sativa L. te worden gebruikt die is vastgesteld in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers(18).

  28. In artikel 108 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 is bepaald welke grond subsidiabel is voor areaalbetalingen voor akkerbouwgewassen. Volgens dat artikel zijn onder controle van de lidstaat bepaalde afwijkingen mogelijk mits deze geen afbreuk doen aan de doeltreffendheid van de bij die verordening vastgestelde regeling. Om elk risico daarop af te wenden dienen passende maatregelen te worden vastgesteld om de totale oppervlakte subsidiabele grond op het bestaande niveau te houden en elke aanzienlijke toeneming daarvan te voorkomen. Die maatregelen kunnen in bepaalde gevallen inhouden dat oppervlakten die eerder subsidiabel waren, ter compensatie als niet-subsidiabel worden beschouwd.

  29. Lidstaten waar maïs geen traditioneel gewas is, kunnen kuilgras in aanmerking laten komen voor areaalbetalingen voor akkerbouwgewassen. Bijgevolg moet worden bepaald wat onder „kuilgras” wordt verstaan.

  30. Artikel 106 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 stelt de areaalbetaling voor vezelvlas en –hennep afhankelijk van een contract of een verbintenis zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1673/2000 van de Raad van 27 juli 2000 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector vezelvlas en –hennep(19). Bepaald dient te worden dat een kopie van het contract of de verbintenis moet worden toegezonden aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die zijn belast met het beheer van de betalingsaanvragen. Ook dient ervoor te worden gezorgd dat het bij de rassen van vezelvlas en -hennep gaat om de rassen die in de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen zijn opgenomen als rassen voor vezelwinning, wat meer in het bijzonder in het geval van vlas betekent dat het rassen van vezelvlas moet betreffen. Bovendien mag in het geval van hennep het tetrahydrocannabinolgehalte van de toegestane rassen niet meer dan 0,2 % bedragen. Bijgevolg moet een lijst van de in aanmerking komende rassen van vlas worden opgesteld, terwijl de in aanmerking komende rassen van hennep reeds zijn opgenomen in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 796/2004. Voor hennep moet bovendien, om sterkere garanties te bieden, het gebruik van gecertificeerd zaad worden voorgeschreven.

  31. In artikel 109 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 is bepaald dat de producenten van granen, oliehoudende zaden en eiwithoudende gewassen de inzaai uiterlijk op 31 mei moeten voltooien. In sommige gevallen kan in verband met de klimaatgesteldheid de inzaai tot na 31 mei worden uitgesteld. Voor bepaalde gewassen in bepaalde regio's moeten de termijnen voor de inzaai en voor de indiening van de aanvragen worden verlengd. Die verlengingen mogen echter geen afbreuk doen aan de doeltreffendheid van de steunregeling en mogen evenmin de bij titel II, hoofdstuk 4, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 ingestelde controleregeling uithollen.

  32. Om ervoor te zorgen dat de verwerkende industrie gedurende het hele verkoopseizoen een regelmatige aanvoer van suikermaïs krijgt, moeten de landbouwers de inzaai van dit gewas over een langere periode kunnen spreiden. De uiterste datum voor de inzaai van suikermaïs moet daarom worden verschoven naar 15 juni.

  33. Het is dienstig te bepalen dat, om de toeslag of de specifieke steun voor durumtarwe te ontvangen, een minimumhoeveelheid gecertificeerd zaad van durumtarwe moet worden gebruikt. Gezien de verscheidenheid van de landbouwmethoden binnen de lidstaten en hun regio's, dient de vaststelling van de minimumhoeveelheid te worden overgelaten aan de betrokken lidstaten.

  34. Voor de toepassing van artikel 103 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 moet worden bepaald wat onder „bevloeiing” wordt verstaan.

  35. Bepaald dient te worden welke oppervlakten moeten worden meegerekend bij de beoordeling of het basisareaal is overschreden, en welke regels moeten worden toegepast om de omvang van een dergelijke overschrijding vast te stellen. Voor het geval dat een afzonderlijk basisareaal is vastgesteld voor maïs, bevloeide oppervlakten of kuilgras, dienen bijzondere bepalingen te worden vastgesteld met betrekking tot de oppervlakten die in aanmerking moeten worden genomen om een eventuele overschrijding van het betrokken basisareaal te berekenen. De regels voor de vaststelling van een eventuele overschrijding van het basisareaal moeten garanderen dat het basisareaal in alle gevallen in acht wordt genomen. Tevens dient te worden bepaald op welke wijze een eventuele overschrijding van de maximumarealen voor durumtarwe moet worden berekend. De procedure voor de vaststelling van een eventuele overschrijding van het in artikel 102, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde maximum voor de betalingen moet eveneens worden bepaald.

  36. In geval van toepassing van artikel 71 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 geldt als voorwaarde om voor areaalbetalingen voor akkerbouwgewassen in aanmerking te komen dat de betrokken landbouwers een deel van de oppervlakte van hun bedrijf braak moeten leggen. Het is nodig uitvoeringsbepalingen vast te stellen die kunnen garanderen dat de regeling doeltreffend genoeg is. Daartoe dient ervoor te worden gezorgd dat de voor braaklegging in aanmerking komende oppervlakten vergelijkbaar zijn met de tot het regionale basisareaal gerekende oppervlakten. De in artikel 107, lid 3, tweede streepje, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde „leguminosen” moeten worden gedefinieerd.

  37. Voor het geval dat artikel 66 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 wordt toegepast, moeten uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld voor vrijwillige braaklegging zoals bedoeld in artikel 107, lid 6, van die verordening. Deze uitvoeringsbepalingen moeten passen bij de algehele regeling die bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 is ingesteld.

  38. De criteria waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor de in titel IV, hoofdstuk 11, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde ooien- en geitenpremies, en met name de gestelde voorwaarden, dienen te worden vastgesteld.

  39. In artikel 113, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 is bepaald dat in specifieke gebieden van de Gemeenschap een premie kan worden verleend aan producenten van geitenvlees. Bijgevolg moet aan de hand van de in dat lid vastgestelde criteria worden bepaald om welke gebieden het gaat.

  40. Op grond van artikel 114, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 kunnen landbouwers met een bedrijf waarvan de voor landbouw gebruikte oppervlakte voor ten minste 50 % in probleemgebieden ligt, in aanmerking komen voor een aanvullende premie. In artikel 113, lid 2, is sprake van de specifieke geografische gebieden waar de producenten van geitenvlees voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de geitenpremie. Bepaald dient te worden dat de landbouwers die aan de bovenbedoelde criteria voldoen, een aangifte moeten indienen waaruit blijkt dat ten minste de helft van de oppervlakte die zij voor landbouwproductie gebruiken, is gelegen in probleemgebieden of in gebieden waar de geitenpremie kan worden toegekend.

  41. Ten behoeve van de controle of de aanvragen voor de ooienpremie correct zijn wat het gevraagde premieniveau betreft, dienen de lidstaten een inventaris op te stellen van de landbouwers die schapenmelk of zuivelproducten op basis van schapenmelk verkopen.

  42. Voor de uitvoering van het bij de artikelen 116, 117 en 118 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 ingevoerde stelsel van individuele maxima kunnen, op terreinen zoals met name het gebruik van om niet toegekende rechten, het gebruik van normale rechten inclusief een minimumgebruik, de tijdelijke verhuur en de overdracht van rechten, de mededeling van wijzigingen van het individuele maximum en de overdracht van rechten via de nationale reserve, de bestaande administratieve regels verder worden toegepast. Sommige van die regels zijn specifieke bepalingen voor naar behoren gerechtvaardigde uitzonderingsgevallen zoals, wat het gebruik van rechten betreft, het geval van kleine landbouwers en van landbouwers die deelnemen aan een extensiveringsprogramma of aan een programma voor vervroegde uittreding, en, wat overdrachten betreft, het erven van premierechten en het geval van landbouwers die uitsluitend weidegrond in overheids- of collectief bezit gebruiken.

  43. De Commissie moet de uitvoering van de nieuwe regelingen op de voet volgen en daarom dienen de lidstaten de essentiële gegevens over de toepassing van de premievoorschriften naar behoren aan haar mee te delen.

  44. In voorkomend geval dient aan de Commissie gedetailleerde informatie te worden verstrekt over de nationale voorschriften betreffende de extra betalingen en over de tenuitvoerlegging van die betalingen.

  45. Titel IV, hoofdstuk 12, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 voorziet in rundvleesbetalingen. De criteria om voor die betalingen in aanmerking te komen, en in het bijzonder de daarvoor gestelde voorwaarden, moeten worden vastgesteld.

  46. Uit de met het regionale maximum en het veebezettingsgetal beoogde doelstellingen vloeit noodzakelijkerwijs voort dat voor de dieren waarvoor de toepassing van die twee maatregelen tot gevolg heeft dat zij niet in aanmerking komen, geen speciale premie meer kan worden aangevraagd voor dezelfde leeftijdstranche. Voor de toepassing van de seizoencorrectiepremie moeten die dieren worden geacht voor de speciale premie in aanmerking te zijn gekomen.

  47. Bepaald dient te worden dat het in artikel 123, lid 3, onder b), van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde administratieve document op nationaal niveau wordt ontworpen en opgemaakt. In verband met de specifieke omstandigheden op het gebied van het beheer en de controle in de lidstaten dienen verschillende vormen van administratieve documenten te worden toegestaan.

  48. Artikel 123, lid 3, onder a), en artikel 130, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 stellen de toekenning van de speciale premie en van de slachtpremie afhankelijk van de inachtneming van een aanhoudperiode. Bijgevolg moet die periode nader worden omschreven en moet de duur ervan worden vastgesteld.

  49. Het is wenselijk dat de toekenningsregeling voor de bij het slachten verleende speciale premie de nodige samenhang vertoont met die voor de slachtpremie. Gepreciseerd dient te worden welke soorten documenten het dier moeten volgen totdat het wordt geslacht, verzonden of uitgevoerd. Met het oog op de specifieke omstandigheden in het geval van toekenning van de speciale premie bij het slachten, moet worden aangegeven welke leeftijdsvoorwaarden voor ossen gelden en van welke aanbiedingsvorm van geslachte volwassen runderen wordt uitgegaan.

  50. De voorwaarden voor de toekenning van de seizoencorrectiepremie moeten worden vastgesteld en deze moeten aansluiten bij de voorschriften voor de toekenning van de slachtpremie. De Commissie dient op basis van de beschikbare gegevens te bepalen welke lidstaten voldoen aan de voorwaarden voor de toepassing van de regeling inzake de seizoencorrectiepremie.

  51. Het in artikel 125 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 omschreven begrip „zoogkoe” dient nader te worden gepreciseerd. Het is dienstig daartoe met dezelfde rassen te werken als in Verordening (EG) nr. 2342/1999 van de Commissie. Bovendien kunnen de belangrijkste bestaande voorschriften verder worden toegepast, vooral wat de gemiddelde melkopbrengst en de aanvullende nationale premie betreft.

  52. De bestaande administratieve bepalingen kunnen verder worden toegepast, vooral op het gebied van de individuele maxima, de kennisgevingen met betrekking tot de individuele maxima en de nationale reserve, de om niet verkregen rechten, het gebruik van de rechten, de overdracht en de tijdelijke verhuur van rechten en de overdrachten via de nationale reserve.

  53. De Commissie dient op basis van de beschikbare gegevens te bepalen welke lidstaten voldoen aan de voorwaarden voor de toepassing van de bij artikel 129 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde specifieke regeling. De bijzondere voorschriften voor de toekenning van de premie moeten worden vastgesteld.

  54. De wijze van berekening van de veebezetting moet worden bepaald. Een datum dient te worden vastgesteld waarop de beschikbare referentiehoeveelheid melk in aanmerking wordt genomen.

  55. Bij de berekening van de veebezetting in het kader van de regeling inzake het extensiveringsbedrag moeten alle runderen van ten minste zes maanden die op het bedrijf aanwezig zijn, worden meegerekend. Daarom zijn specifieke regels nodig met betrekking tot de telling van de dieren en de verklaring van de landbouwer dat hij aan die regeling deelneemt. De mogelijkheid dient te worden geopend om gebruik te maken van het gecomputeriseerde gegevensbestand zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad(20).

  56. Maatregelen moeten worden genomen om te voorkomen dat het extensiveringsbedrag wordt toegekend aan landbouwers die op kunstmatige wijze voldoen aan de gemiddelde veebezetting die voor die toekenning niet mag worden overschreden.

  57. De procedure om op basis van de beschikbare gegevens te bepalen welke lidstaten voldoen aan de in artikel 132, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 gestelde voorwaarden voor de toekenning van het extensiveringsbedrag voor melkkoeien, dienen te worden vastgesteld. De specifieke regels voor die toekenning moeten worden bepaald. Een minimale aanhoudperiode dient te worden vastgesteld.

  58. Specifieke bepalingen dienen te worden vastgesteld met betrekking tot de toepassing van de regels inzake termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden op de aanhoudperioden.

  59. Ter vereenvoudiging dient de steunaanvraag voor dieren in het kader van het geïntegreerd systeem als aanvraag voor de slachtpremie te gelden mits daarin alle ter rechtvaardiging van de betaling van die premie benodigde gegevens zijn opgenomen en mits het dier in dezelfde of een andere lidstaat wordt geslacht of wordt uitgevoerd.

  60. Het dient mogelijk te worden gemaakt het gecomputeriseerde gegevensbestand zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1760/2000 te gebruiken om het beheer van de slachtpremie te vergemakkelijken, op voorwaarde dat de betrokken lidstaat van oordeel is dat dit gegevensbestand voldoende waarborgen biedt ten aanzien van de juistheid van de erin opgenomen gegevens die nodig zijn voor de betaling van die premie.

  61. Voor kalveren kan de slachtpremie slechts worden toegekend als deze dieren een bepaald gewicht niet overschrijden. Daarom moet worden bepaald op welke standaardaanbiedingsvorm van geslachte kalveren dit maximumgewicht betrekking heeft.

  62. Aan de Commissie dient uitvoerige informatie te worden verstrekt over de nationale voorschriften voor de extra betalingen en over de toepassing van die betalingen.

  63. Om ervoor te zorgen dat de landbouwers de betalingen zo snel mogelijk ontvangen, dient te worden voorzien in de verstrekking van voorschotten. Voorkomen moet echter worden dat het voorschot hoger is dan de definitieve betaling na toepassing van het nationale of regionale maximum. Daarom dient de lidstaten te worden toegestaan het voor te schieten percentage te verlagen waar het gaat om de premieregelingen waarvoor een dergelijk maximum geldt.

  64. Verordening (EG) nr. 1782/2003 voorziet in sancties voor degenen die stoffen of producten welke krachtens de desbetreffende veterinaire regelgeving niet zijn toegestaan, op illegale wijze gebruiken of voorhanden hebben. De bepaling van de duur van die sancties in geval van recidive dient te worden overgelaten aan de lidstaten, die de werkelijke ernst van de betrokken overtreding beter kunnen beoordelen.

  65. Aangegeven moet worden welke datum bepalend is voor de elementen waarmee bij de toepassing van de regelingen inzake de speciale premie en de zoogkoeienpremie rekening moet worden gehouden. Ter wille van een doeltreffend en samenhangend beheer dient dat in de regel de datum te zijn waarop de aanvraag wordt ingediend. Voor de speciale premie die bij het slachten wordt toegekend, dient evenwel een specifieke regeling te worden getroffen om overdracht naar het volgende jaar ter verkrijging van een hogere premie te voorkomen. Bij de slachtpremie is de datum waarop het dier wordt geslacht of uitgevoerd, representatiever voor de werkelijkheid.

  66. Voor de rundvleesbetalingen dient de wisselkoers op de datum van het ontstaansfeit zo te worden vastgesteld dat in beginsel wordt gegarandeerd dat deze betalingen bij omrekening in een nationale valuta niet een grote verandering ondergaan die is toe te schrijven aan de wisselkoers op een enkele dag.

  67. Van de lidstaten moet worden verlangd dat zij bepaalde gegevens meedelen. Om de indiening en de analyse van die gegevens te vergemakkelijken, dient een geharmoniseerd formaat voor de opstelling ervan te worden voorgeschreven.

  68. Om de overgang naar de nieuwe regeling te vergemakkelijken zijn overgangsbepalingen nodig met betrekking tot de verplichting de dieren te merken en te identificeren.

  69. Op grond van artikel 143 ter van Verordening (EG) nr. 1782/2003 mogen Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije (de nieuwe lidstaten) de rechtstreekse betalingen vervangen door een enkele betaling („regeling inzake een enkele areaalbetaling”). Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen en Slowakije hebben daarvoor gekozen. Bijgevolg dienen uitvoeringsbepalingen voor de regeling inzake een enkele areaalbetaling te worden vastgesteld.

  70. Om te voorkomen dat een groot aantal aanvragen zou moeten worden beheerd waarmee een betaling van minder dan 50 euro per bedrijf is gemoeid, hebben Tsjechië, Estland, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen en Slowakije overeenkomstig artikel 143 ter, lid 5, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 verzocht de minimumgrootte van het in aanmerking komende areaal per bedrijf te mogen vaststellen op een grotere oppervlakte dan 0,3 ha.

  71. Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen en Slowakije hebben geschat welk deel van hun oppervlakte cultuurgrond op 30 juni 2003 in een goede landbouwconditie verkeerde, en hebben voorgesteld het aan te passen op basis van de minimumgrootte van het in aanmerking komende areaal per bedrijf.

  72. Op grond van artikel 143 quater van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bestaat in de nieuwe lidstaten de mogelijkheid om, na goedkeuring door de Commissie, aan landbouwers betaalde rechtstreekse steun aan te vullen. De algemene voorschriften voor de toepassing van deze mogelijkheid dienen te worden vastgesteld.

  73. Krachtens artikel 55, onder b), en artikel 107, lid 3, eerste streepje, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 mag braak te leggen grond worden gebruikt voor de productie van grondstoffen voor de vervaardiging, in de Gemeenschap, van niet rechtstreeks voor voeding of vervoedering bestemde producten, op voorwaarde dat doeltreffende controlesystemen worden toegepast.

  74. Het is wenselijk om onder bepaalde voorwaarden de teelt van suikerbieten, aardperen of chicoreiwortels op braak te leggen grond niet uit te sluiten. Voor deze teelten mag geen betaling worden toegekend wegens het gevaar van beïnvloeding van de suikermarkt. Niettemin moet ervoor worden gezorgd dat bij deze teelten de regels voor het gebruik van braakgelegde grond worden nageleefd.

  75. Bepaald moet worden onder welke voorwaarden van deze regeling gebruik kan worden gemaakt. In dit verband dient als voorwaarde te worden gesteld dat voor de betrokken landbouwgrondstoffen een contract wordt gesloten tussen de landbouwer en de inzamelaar of de eerste verwerker. Ook moeten de voorwaarden worden vastgesteld waaronder de landbouwer de verwerking op het eigen bedrijf kan verrichten.

  76. Om de naleving te garanderen van punt 7 van het memorandum van overeenstemming betreffende oliehoudende zaden tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika in het kader van de GATT, dat is goedgekeurd bij Besluit 93/355/EG van de Raad(21), moeten uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld ter beperking van de geproduceerde hoeveelheden bijproducten die voor voeding of vervoedering mogen worden bestemd in het geval dat de totale hoeveelheid daarvan op jaarbasis groter zou zijn dan 1 miljoen metrieke ton, uitgedrukt in sojameelequivalent.

  77. Om te garanderen dat de grondstof tot het beoogde eindproduct wordt verwerkt, moet een zekerheid worden gesteld door de inzamelaar of door de eerste verwerker ondanks het feit dat de steun wordt toegekend aan de landbouwer. Voorts dient, om het controlesysteem voor de regeling doeltreffend te maken, het aantal verwerkers tot de verkrijging van het beoogde eindproduct te worden beperkt.

  78. Er moet uitdrukkelijk onderscheid worden gemaakt tussen de verplichtingen van de aanvrager, die eindigen bij de aflevering van de totale hoeveelheid geoogste grondstof, en de met het stellen van een zekerheid gepaard gaande verplichtingen van de inzamelaar of de eerste verwerker, die aanvangen bij de aflevering en eindigen bij de eindverwerking van de grondstoffen tot de eindproducten.

  79. Voor sommige transporten van grondstoffen en daaruit verkregen producten op het grondgebied van de Gemeenschap moeten controlesystemen worden toegepast waarbij gebruik wordt gemaakt van aangiften en overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2454/93 afgegeven controle-exemplaren T5. Voorzien moet worden in alternatieve bewijzen voor het geval dat het controle-exemplaar T5 niet bij de bevoegde autoriteit van de inzamelaar of van de eerste verwerker terugkeert door omstandigheden buiten de wil en het toedoen van de laatstgenoemde. Om de doeltreffendheid en een goed beheer van de steunregeling te garanderen dienen controlebepalingen te worden vastgesteld.

  80. Wat de areaalsteun voor hop betreft, dienen naast de bij artikel 110 sexdecies van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vastgestelde subsidiabiliteitscriteria enige aanvullende criteria te worden bepaald om ervoor te zorgen dat de steun wordt toegekend voor oppervlakten waarop hop onder normale teeltomstandigheden wordt geteeld. Het begrip „met hop beplante oppervlakte” dient op communautair niveau te worden gedefinieerd om ervoor te zorgen dat de oppervlakten waarvoor de extra betaling wordt verricht, op dezelfde wijze worden berekend. Bepaald moet worden op welke wijze het totale bedrag dat per lidstaat voor de extra betalingen beschikbaar is, over de subsidiabele oppervlakten wordt verdeeld.

  81. Een termijn dient te worden vastgesteld waarbinnen de erkende hopproducentengroeperingen op basis van de betaling verplichtingen moeten aangaan voor de maatregelen zoals bedoeld in artikel 7, lid 1, onder a) tot en met d), van Verordening (EEG) nr. 1696/71 van de Raad van 26 juli 1971 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector hop(22), en de Commissie dient te worden geïnformeerd over de wijze waarop de betaling is gebruikt. Elk bedrag dat niet binnen die termijn aldus is vastgelegd, moet worden terugbetaald. Bepaald moet worden op welke wijze het totale bedrag dat per lidstaat beschikbaar is voor de betalingen aan erkende hopproducentengroeperingen, wordt verdeeld.

  82. De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemmig met het advies van het Comité van beheer voor rechtstreekse betalingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1 TOEPASSINGSGEBIED EN ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Voorwerp en toepassingsgebied

1.

Bij de onderhavige verordening worden uitvoeringsbepalingen vastgesteld voor de volgende bij de titels IV en IV bis van Verordening (EG) nr. 1782/2003 ingestelde steunregelingen:

  1. de specifieke kwaliteitspremie voor durumtarwe zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 1, van die verordening;

  2. de premie voor eiwithoudende gewassen zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 2, van die verordening;

  3. de gewasspecifieke betaling voor rijst zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 3, van die verordening;

  4. de areaalbetaling voor noten zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 4, van die verordening;

  5. de steun voor energiegewassen zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 5, van die verordening;

  6. de steun voor zetmeelaardappelen zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 6, van die verordening;

  7. de melkpremie en de extra betalingen zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 7, van die verordening;

  8. de specifieke regionale steun voor akkerbouwgewassen zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 8, van die verordening;

  9. de steun voor zaaizaad zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 9, van die verordening;

  10. de areaalbetalingen voor akkerbouwgewassen zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 10, van die verordening;

  11. de ooien- en geitenpremies zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 11, van die verordening;

  12. de rundvleesbetalingen zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 12, van die verordening;

  13. de steun voor zaaddragende leguminosen zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 13, van die verordening;

  14. de regeling inzake een enkele areaalbetaling zoals bedoeld in artikel 143 ter van die verordening;

  15. de aanvullende nationale rechtstreekse betalingen zoals bedoeld in artikel 143 quater van die verordening;

  16. de areaalsteun voor hop zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 10 quinquies, van die verordening;

  17. de gewasspecifieke betaling voor katoen zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 10 bis, van die verordening;

  18. de steun voor olijfgaarden zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 10 ter, van die verordening;

  19. de steun voor tabak zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 10 quater, van die verordening.

2.

Bij de onderhavige verordening worden uitvoeringsbepalingen vastgesteld met betrekking tot het gebruik van braakgelegde grond voor de productie van grondstoffen in het kader van de bedrijfstoeslagregeling zoals bedoeld in titel III van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en in het kader van de areaalbetalingen voor akkerbouwgewassen zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 10, van die verordening.

Artikel 2 Betalingsvoorwaarden

1.

De in artikel 1, onder a), b), c), e), h), i), j), m) en p), bedoelde rechtstreekse betalingen worden slechts toegekend voor de oppervlakten per gewastype waarvoor een aanvraag voor ten minste 0,3 ha is ingediend, waarbij elk beteeld perceel niet kleiner is dan de minimumomvang die de lidstaat binnen de in artikel 14, lid 4, van Verordening (EG) nr. 796/2004 aangegeven grenzen heeft vastgesteld.

In het geval van Malta worden de in artikel 1, onder a), b), c), e), h), i), j), m) en p), bedoelde rechtstreekse betalingen slechts toegekend voor de oppervlakten per gewastype waarvoor een aanvraag voor ten minste 0,1 ha is ingediend, waarbij elk beteeld perceel niet kleiner is dan de minimumomvang die de lidstaat binnen de in artikel 14, lid 4, van Verordening (EG) nr. 796/2004 aangegeven grenzen heeft vastgesteld.

2.

De in artikel 1, onder a), b), c), h) en j), bedoelde rechtstreekse betalingen worden slechts toegekend voor volledig ingezaaide oppervlakten waarop alle normale teeltwerkzaamheden in overeenstemming met de plaatselijke normen zijn uitgevoerd.

In het geval van de specifieke kwaliteitspremie voor durumtarwe zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 1, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en van de areaalbetalingen voor akkerbouwgewassen zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 10, van die verordening blijven gewassen die volgens de plaatselijke normen op volledig ingezaaide oppervlakten worden geteeld, maar het bloeistadium niet bereiken als gevolg van door de betrokken lidstaat erkende uitzonderlijke weersomstandigheden, echter voor de steun in aanmerking komen op voorwaarde dat de betrokken oppervlakten tot dit groeistadium niet voor enig ander doel worden gebruikt.

3.

In een bepaald jaar mag voor enig beteeld perceel niet meer dan één aanvraag voor een areaalbetaling in het kader van een overeenkomstig artikel 1, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 1258/1999 van de Raad(23) gefinancierde regeling worden ingediend.

Evenwel:

  1. mag voor hetzelfde jaar een beteeld perceel waarvoor een aanvraag wordt ingediend voor de specifieke kwaliteitspremie voor durumtarwe zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 1, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 of voor de premie voor eiwithoudende gewassen zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 2, van die verordening, ook het voorwerp zijn van een aanvraag voor de betalingen voor akkerbouwgewassen zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 10, van Verordening (EG) nr. 1782/2003;

  2. mag voor hetzelfde jaar een beteeld perceel waarvoor een aanvraag wordt ingediend voor de gewasspecifieke betaling voor rijst zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 3, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 of voor de premie voor eiwithoudende gewassen zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 2, van die verordening, ook het voorwerp zijn van een aanvraag voor de steun voor zaaizaad zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 9, van Verordening (EG) nr. 1782/2003;

  3. mag voor hetzelfde jaar een beteeld perceel waarvoor een aanvraag wordt ingediend voor de steun voor energiegewassen zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 5, van Verordening (EG) nr. 1782/2003, ook het voorwerp zijn van een aanvraag voor de betalingen voor akkerbouwgewassen zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 10, van Verordening (EG) nr. 1782/2003, onverminderd artikel 90, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1782/2003, of het voorwerp zijn van een aanvraag voor de gewasspecifieke betaling voor rijst zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 3, van Verordening (EG) nr. 1782/2003;

  4. mag voor hetzelfde jaar een beteeld perceel waarvoor een aanvraag wordt ingediend voor de betalingen voor akkerbouwgewassen zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 10, van Verordening (EG) nr. 1782/2003, ook het voorwerp zijn van een aanvraag voor de steun voor zaaizaad zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 9, van Verordening (EG) nr. 1782/2003.

4.

Grond die wordt gebruikt voor de productie van grondstoffen zoals bedoeld in artikel 55, onder b), en artikel 107, lid 3, eerste streepje, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 of voor de productie van grondstoffen in het kader van de bij titel IV, hoofdstuk 5, van die verordening ingestelde steunregeling voor energiegewassen, komt niet in aanmerking voor de communautaire steun zoals bedoeld in titel II, hoofdstuk VIII, van Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad(24), met uitzondering van de in artikel 31, lid 3, tweede alinea, van die verordening bedoelde steun ter dekking van de aanplantkosten voor snelgroeiende soorten.

De op braakgelegde grond geteelde grondstoffen zoals bedoeld in artikel 55, onder b), en artikel 107, lid 3, eerste streepje, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en de daaruit verkregen tussenproducten, eindproducten, nevenproducten en bijproducten komen niet in aanmerking voor enige financiering door de afdeling Garantie van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw op grond van artikel 1, lid 2, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 1258/1999.

5.

Voor de premie voor eiwithoudende gewassen zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en voor de areaalbetalingen voor akkerbouwgewassen zoals bedoeld in titel IV, hoofdstuk 10, van die verordening wordt onder „niet-bittere lupinen” verstaan die lupinerassen die zaad opleveren dat niet meer dan 5 % bittere zaden bevat. Het gehalte aan bittere zaden wordt berekend volgens de in bijlage I bij de onderhavige verordening vermelde test.

Artikel 3 Mededelingen

De lidstaten delen de Commissie door elektronische verzending de volgende gegevens mee:

  1. uiterlijk op 15 september van het betrokken jaar: de beschikbare gegevens over de oppervlakten, of de hoeveelheden in het geval van de melkpremie, de extra betalingen, de steun voor zaaizaad en de steun voor tabak zoals bedoeld in de artikelen 95, 96, 99 en 110 duodecies van Verordening (EG) nr. 1782/2003, waarvoor de steun voor dat kalenderjaar is aangevraagd, in voorkomend geval onderverdeeld naar subbasisareaal;

  2. uiterlijk op 31 oktober van het betrokken jaar: de definitieve gegevens over de onder a) bedoelde oppervlakten of hoeveelheden, bepaald met inachtneming van de reeds verrichte controles;

  3. uiterlijk op 31 juli van het volgende jaar: de uiteindelijke gegevens over de oppervlakten of hoeveelheden waarvoor de steun voor het betrokken jaar daadwerkelijk is betaald, in voorkomend geval na aftrek van de verlagingen van de oppervlakte overeenkomstig deel II, titel IV, hoofdstuk 1, van Verordening (EG) nr. 796/2004.

De oppervlakten worden uitgedrukt in hectaren tot twee cijfers achter de komma. De hoeveelheden worden uitgedrukt in tonnen tot drie cijfers achter de komma.

Artikel 4 Verlagingscoëfficiënt

HOOFDSTUK 2 SPECIFIEKE KWALITEITSPREMIE VOOR DURUMTARWE

Artikel 5 Onderzoek van de rassen

Artikel 6 Analysemethoden

Artikel 7 Hoeveelheid gecertificeerd zaad

Artikel 8 Bekendmakingen en mededelingen

Artikel 9 Geldigheidsduur

Artikel 10 Overgangsmaatregelen

HOOFDSTUK 3 PREMIE VOOR EIWITHOUDENDE GEWASSEN

Artikel 11 Mengsels van granen en eiwithoudende gewassen

HOOFDSTUK 4 GEWASSPECIFIEKE BETALING VOOR RIJST

Artikel 12 Uiterste data voor de inzaai

Artikel 13 Verlagingscoëfficiënt

Artikel 14 Mededelingen

HOOFDSTUK 5 AREAALBETALING VOOR NOTEN

Artikel 15 Voorwaarden voor de betaling voor de communautaire steun

Artikel 16 Voorwaarden om in aanmerking te komen voor de nationale steun

Artikel 17 Mededelingen

Artikel 18 Overgangsmaatregelen

HOOFDSTUK 6 STEUN VOOR ZETMEELAARDAPPELEN

Artikel 19 Voor de steun in aanmerking komende aardappelen

Artikel 20 Minimumprijs

Artikel 21 Uitbetaling

HOOFDSTUK 7 MELKPREMIE EN EXTRA BETALINGEN

Artikel 22 Gevallen van inactiviteit

HOOFDSTUK 8 STEUN VOOR ENERGIEGEWASSEN

AFDELING 1 Begripsomschrijvingen

Artikel 23 Begripsomschrijvingen

AFDELING 2 Contract

Artikel 24 Gebruik van de grondstof

Artikel 25 Afwijkingen

Artikel 26 Contract

AFDELING 3 Wijziging of opzegging van het contract

Artikel 27 Wijziging of opzegging van het contract

Artikel 28 Uitzonderlijke omstandigheden

Artikel 29 Wijzigingen van de eindbestemmingen

AFDELING 4 Representatieve opbrengsten en te leveren hoeveelheden

Artikel 30 Representatieve opbrengsten

Artikel 31 Te leveren hoeveelheden

AFDELING 5 Voorwaarden voor de betaling van de steun

Artikel 32 Betaling

AFDELING 6 Contract en verplichtingen van de aanvrager en van de eerste verwerker

Artikel 33 Aantal verwerkers

Artikel 34 Contract en verplichtingen van de aanvrager en van de eerste verwerker

AFDELING 7 Zekerheden

Artikel 35 Zekerheid van de eerste verwerker

Artikel 36 Primaire en ondergeschikte eisen

AFDELING 8 Documenten voor de verkoop, het weggeven of de levering in een andere lidstaat of voor uitvoer

Artikel 37 Controle-exemplaar T5

Artikel 38 Bewijzen ter vervanging van het controle-exemplaar T5

AFDELING 9 Controles

Artikel 39 Bijhouden van registers

Artikel 40 Controles bij de verwerkers

Artikel 41 Productie van hennep

Artikel 42 Aanvullende maatregelen en wederzijdse bijstand

AFDELING 10 Uitsluiting uit de regeling inzake steun voor energiegewassen en evaluatie

Artikel 43 Uitsluiting van grondstoffen uit de regeling inzake steun voor energiegewassen en minimaal te betelen oppervlakte

Artikel 44 Evaluatie

HOOFDSTUK 9 SPECIFIEKE REGIONALE STEUN VOOR AKKERBOUWGEWASSEN

Artikel 45 Uiterste inzaaidatum

HOOFDSTUK 10 STEUN VOOR ZAAIZAAD

Artikel 46 Goedgekeurd zaaizaad

Artikel 47 Productie van het zaaizaad

Artikel 48 Territoriale steunvoorwaarden

Artikel 49 In de handel brengen van het zaaizaad

Artikel 49 bis Voorschotbetalingen

Artikel 50 Rassen van Cannabis sativa L.

HOOFDSTUK 11 AREAALBETALINGEN VOOR AKKERBOUWGEWASSEN

AFDELING 1 Algemene bepalingen inzake de voorwaarden om voor de areaalbetalingen voor akkerbouwgewassen in aanmerking te komen

Artikel 51 In aanmerking komende grond

Artikel 52 Betalingsvoorwaarden

Artikel 53 Regionaal bedrag

AFDELING 2 Specifieke bepalingen voor bepaalde akkerbouwgewassen

Artikel 54 Kuilgras

Artikel 55 Durumtarwe

Artikel 56 Vezelvlas en -hennep

Artikel 57 Uiterste inzaaidatum

AFDELING 3 Basisarealen, referentieopbrengsten en maxima

Artikel 58 Bevloeide en niet-bevloeide oppervlakten

Artikel 59 Overschrijding van het basisareaal

Artikel 60 Overschrijding van het maximumareaal voor durumtarwe

Artikel 61 Definitief percentage van areaaloverschrijding en verlagingscoëfficiënt

Artikel 62 Subbasisarealen

Artikel 63 Maximum voor de som van de betalingen

AFDELING 4 Braaklegging

Artikel 64 Definitie

Artikel 65 Voorwaarden

Artikel 66 Uitsplitsing naar regio

Artikel 67 Leguminosen

Artikel 68 Betalingen voor vrijwillig braakgelegde grond

AFDELING 5 Mededelingen

Artikel 69 Mededelingen

HOOFDSTUK 12 OOIEN- EN GEITENPREMIES

AFDELING 1 Rechtstreekse betalingen

Artikel 70 Aanvragen en aanhoudperiode

Artikel 71 Gebieden die in aanmerking komen voor de geitenpremie

Artikel 72 Aanvraag voor de aanvullende premie en voor de geitenpremie

Artikel 73 Verweidende landbouwers

Artikel 74 Subsidiabiliteit

Artikel 75 Inventaris van de landbouwers die schapenmelk of zuivelproducten op basis van schapenmelk verkopen

Artikel 76 Mededelingen

AFDELING 2 Maxima, reserves en overdrachten

Artikel 77 Om niet verkregen premierechten

Artikel 78 Gebruik van de premierechten

Artikel 79 Overdracht en tijdelijke verhuur van rechten

Artikel 80 Wijziging van het individuele maximum

Artikel 81 Landbouwers die geen eigenaar zijn van de door hen geëxploiteerde grond

Artikel 82 Overdracht via de nationale reserve

Artikel 83 Berekening van de individuele maxima

Artikel 84 Mededelingen

AFDELING 3 Extra betalingen

Artikel 85 Extra betalingen

AFDELING 4 Algemene bepalingen

HOOFDSTUK 13 RUNDVLEESBETALINGEN

AFDELING 1 Speciale premie(Artikel 123 van Verordening (EG) nr. 1782/2003)

Artikel 87 Aanvraag

Artikel 88 Toekenning van de premie

Artikel 89 Paspoorten en administratieve documenten

Artikel 90 Aanhoudperiode

Artikel 91 Regionaal maximum

Artikel 92 Begrenzing van het aantal dieren per bedrijf

Artikel 93 Toekenning bij het slachten

Artikel 94 Bijzonderheden van de toekenningsregeling

Artikel 95 Mededeling

AFDELING 2 Seizoencorrectiepremie(Artikel 124 van Verordening (EG) nr. 1782/2003)

Artikel 96 Toepassing van de premie

Artikel 97 Recht op de premie

Artikel 98 Aanvraag

AFDELING 3 Zoogkoeienpremie(Artikelen 125 tot en met 129 van Verordening (EG) nr. 1782/2003)

Artikel 99 Koeien van een vleesras

Artikel 100 Maximale individuele referentiehoeveelheid

Artikel 101 Aanhoudperiode

Artikel 102 Aanvraag

Artikel 103 Gemiddelde melkopbrengst

Artikel 104 Aanvullende nationale premie

Artikel 105 Individueel maximum

Artikel 106 Mededelingen

Artikel 107 Om niet verkregen rechten

Artikel 108 Gebruik van de premierechten

Artikel 109 Overdracht en tijdelijke verhuur van rechten

Artikel 110 Wijziging van het individuele maximum

Artikel 111 Landbouwers die geen eigenaar zijn van de door hen geëxploiteerde grond

Artikel 112 Overdracht via de nationale reserve

Artikel 113 Rechten op gedeeltelijke premies

Artikel 114 Specifieke regeling voor vaarzen

Artikel 115 Afronding van het aantal dieren

AFDELING 4 Gemeenschappelijke bepalingen inzake de speciale premie en de zoogkoeienpremie

Onderafdeling 1 Algemene bepalingen

Artikel 116 Aanvragen voor de speciale premie en de zoogkoeienpremie
Artikel 117 Veebezetting

Onderafdeling 2 Regeling inzake het extensiveringsbedrag(Artikel 132 van verordening (EG) Nr. 1782/2003)

Artikel 118 Deelneming aan de regeling inzake het extensiveringsbedrag
Artikel 118 bis Bepaling van de veebezetting door telling
Artikel 118 ter Vereenvoudigde bepaling van de veebezetting
Artikel 118 quater Landbouwers in berggebieden
Artikel 118 quinquies Maximumaantal voor het extensiveringsbedrag in aanmerking komende melkkoeien
Artikel 119 Algemene bepalingen

AFDELING 5 Slachtpremie(Artikel 130 van Verordening (EG) nr. 1782/2003)

Artikel 120

Artikel 121 Aanvraag

Artikel 122 Gewicht en aanbiedingsvorm van de geslachte dieren

Artikel 123 Begunstigde van de premie

Artikel 124 Nationale maxima

AFDELING 6 Extra betalingen(Artikelen 133 tot en met 136 van Verordening (EG) nr. 1782/2003)

Artikel 125 Nationale regelingen

AFDELING 7 Algemene bepalingen

Artikel 126 Betaling van voorschotten

Artikel 127 Jaar van toerekening

Artikel 129 Sancties op het illegale gebruik of het illegaal voorhanden hebben van bepaalde stoffen of producten

Artikel 130 Bepaling van de individuele referentiehoeveelheid melk

Artikel 130 bis Bepaling van de aanhoudperioden

Artikel 131 Mededelingen

AFDELING 8 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 132 Overgangsbepalingen

Artikel 133 Bepalingen die gelden in de overgangsperiode zoals bedoeld in artikel 71 van Verordening (EG) nr. 1782/2003

HOOFDSTUK 14 REGELING INZAKE EEN ENKELE AREAALBETALING(Artikel 143 ter van Verordening (EG) nr. 1782/2003)

Artikel 134 Minimumgrootte van het in aanmerking komende areaal per bedrijf

Artikel 135 Landbouwarealen

Artikel 136 Toepassing van Verordening (EG) nr. 796/2004

Artikel 137 Aanvraag voor de enkele areaalbetaling

Artikel 138 Kortingen en uitsluitingen in verband met de subsidiabiliteitsvoorwaarden

HOOFDSTUK 15 AANVULLENDE NATIONALE RECHTSTREEKSE BETALINGEN(Artikel 143 quater van Verordening (EG) nr. 1782/2003)

Artikel 139 Verlagingscoëfficiënt

Artikel 140 Controles en sancties

Artikel 141 Mededelingen

Artikel 142 Staatssteun

HOOFDSTUK 16 GEBRUIK VAN BRAAKGELEGDE GROND VOOR DE PRODUCTIE VAN GRONDSTOFFEN

AFDELING 1 Voorwerp en begripsomschrijvingen

Artikel 143 Voorwerp

Artikel 144 Begripsomschrijvingen

AFDELING 2 Contract

Artikel 145 Gebruik van de grondstof

Artikel 146 Afwijkingen

Artikel 147 Contract

Artikel 148 Grondstoffen waarvoor geen contract hoeft te worden gesloten

Artikel 149 Equivalentie van de bijproducten van oliehoudende zaden met sojameel

AFDELING 3 Wijziging of opzegging van het contract

Artikel 150 Wijziging of opzegging van het contract

Artikel 151 Uitzonderlijke omstandigheden

Artikel 152 Wijzigingen van de eindbestemmingen

AFDELING 4 Representatieve opbrengsten en te leveren hoeveelheden

Artikel 153 Representatieve opbrengsten

Artikel 154 Te leveren hoeveelheden

AFDELING 5 Voorwaarden voor de betaling van de steun

Artikel 155 Betaling

AFDELING 6 Verplichtingen van de inzamelaar en van de eerste verwerker

Artikel 156 Aantal verwerkers

Artikel 157 Verplichtingen

AFDELING 7 Zekerheden

Artikel 158 Zekerheid van de inzamelaar of de eerste verwerker

Artikel 159 Primaire en ondergeschikte eisen

AFDELING 8 Documenten voor de verkoop, het weggeven of de levering in een andere lidstaat of voor uitvoer

Artikel 160 Controle-exemplaar T5

Artikel 161 Controle-exemplaar T5 voor uitvoer

Artikel 162 Bewijzen ter vervanging van het controle-exemplaar T5

AFDELING 9 Controles

Artikel 163 Bijhouden van registers

Artikel 164 Controles bij de inzamelaars en de verwerkers

Artikel 165 Productie van hennep

Artikel 166 Aanvullende maatregelen en wederzijdse bijstand

AFDELING 10 Uitsluiting uit de regeling en mededelingen

Artikel 167 Uitsluiting van grondstoffen uit de regeling

Artikel 168 Minimumoppervlakte

Artikel 169 Mededelingen

HOOFDSTUK 17 AREAALSTEUN VOOR HOP

Artikel 170 Extra betaling aan hoptelers

Artikel 171 Betalingen aan erkende hopproducentengroeperingen

HOOFDSTUK 17 bis GEWASSPECIFIEKE BETALING VOOR KATOEN

Artikel 171 bis Verlening van een vergunning voor landbouwgrond met het oog op de productie van katoen

Artikel 171 bis bis Toelating van rassen voor inzaai

Artikel 171 bis ter Voorwaarden voor subsidiabiliteit

Artikel 171 bis quater Landbouwwerkzaamheden

Artikel 171 bis quinquies Berekening van het steunbedrag per subsidiabele hectare

Artikel 171 bis sexies Erkenning van de brancheorganisaties

Artikel 171 bis septies Verplichtingen van de producenten

Artikel 171 bis octies Differentiatie van de steun

Artikel 171 bis nonies Goedkeuring en wijzigingen van de schaal

Artikel 171 bis decies Mededelingen aan de producenten en aan de Commissie

HOOFDSTUK 17 ter STEUN VOOR OLIJFGAARDEN

Artikel 171 ter Categorieën van olijfgaarden

Artikel 171 ter bis Berekening van de oppervlakten

Artikel 171 ter ter Steunbedrag

Artikel 171 ter quater Bepaling van de basisgegevens

Artikel 171 ter quinquies Mededelingen

HOOFDSTUK 17 quater STEUN VOOR TABAK

Artikel 171 quater Begripsomschrijvingen

Artikel 171 quater bis Soortengroepen van ruwe tabak

Artikel 171 quater ter Bedrijven voor eerste bewerking

Artikel 171 quater quater Productiegebieden

Artikel 171 quater quinquies Teeltcontracten

Artikel 171 quater sexies Sluiting en registratie van de contracten

Artikel 171 quater septies Contracten met een producentenvereniging

Artikel 171 quater octies Minimumkwaliteitseisen

Artikel 171 quater nonies Geschillen

Artikel 171 quater decies Steunniveau

Artikel 171 quater undecies Berekening van de te betalen steun

Artikel 171 quater duodecies Levering

Artikel 171 quater terdecies Betaling

Artikel 171 quater quaterdecies Voorschotten

Artikel 171 quater quindecies Bewerking in een andere lidstaat

Artikel 171 quater sexdecies Mededelingen aan de Commissie

Artikel 171 quater septdecies Overgangsmaatregel

HOOFDSTUK 18 SLOTBEPALINGEN

Artikel 172 Intrekkingen

Artikel 173

BIJLAGE I

BIJLAGE II

BIJLAGE III

BIJLAGE IVzoals bedoeld in artikel 54, lid 3, en artikel 59, lid 1

BIJLAGE VIzoals bedoeld in artikel 59, lid 4, en artikel 69, lid 2

BIJLAGE VIIVoederleguminosen zoals bedoeld in artikel 67

BIJLAGE VIII

BIJLAGE IX

BIJLAGE X

BIJLAGE XIAANVRAGEN VOOR OOIEN- EN GEITENPREMIES

BIJLAGE XIIBETAALDE OOIEN- EN GEITENPREMIES

BIJLAGE XIIIBEHEER VAN DE NATIONALE RESERVE

BIJLAGE XIV

BIJLAGE XV

BIJLAGE XVI

BIJLAGE XVIIMET INGANG VAN 1 JANUARI 2005 GELDENDE NATIONALE MAXIMA VOOR DE SLACHTPREMIE ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 124, LID 1

BIJLAGE XVIII

BIJLAGE XIXIN ARTIKEL 131, LID 5, BEDOELDE TABEL

BIJLAGE XXMinimumgrootte van het in aanmerking komende areaal per bedrijf in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling

BIJLAGE XXILANDBOUWAREAAL IN HET KADER VAN DE REGELING INZAKE EEN ENKELE AREAALBETALING

BIJLAGE XXIIIN ARTIKEL 148 BEDOELDE GRONDSTOFFEN

BIJLAGE XXIII

BIJLAGE XXIV

BIJLAGE XXV

BIJLAGE XXVI

BIJLAGE XXVII

BIJLAGE XXVIII

BIJLAGE XXIX

BIJLAGE XXX