Home

Richtlijn 2005/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 september 2005 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking (Voor de EER relevante tekst)

Richtlijn 2005/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 september 2005 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking (Voor de EER relevante tekst)

2005L0055 — NL — 08.08.2008 — 003.001


Dit document vormt slechts een documentatiehulpmiddel en verschijnt buiten de verantwoordelijkheid van de instellingen

►B

RICHTLIJN 2005/55/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 28 september 2005

inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking

(Voor de EER relevante tekst)

(PB L 275, 20.10.2005, p.1)

Gewijzigd bij:




▼B

RICHTLIJN 2005/55/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 28 september 2005

inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking

(Voor de EER relevante tekst)



HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 88/77/EEG van de Raad van 3 december 1987 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking (3) is een van de bijzondere richtlijnen van de typegoedkeuringsprocedure die is vastgesteld bij Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (4). Richtlijn 88/77/EEG is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd om telkens strengere grenswaarden voor verontreinigende emissies vast te stellen. Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van deze richtlijn te worden overgegaan.

(2)

Bij Richtlijn 91/542/EEG van de Raad (5) tot wijziging van Richtlijn 88/77/EEG, bij Richtlijn 1999/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking en tot wijziging van Richtlijn 88/77/EEG van de Raad (6) en bij Richtlijn 2001/27/EG van de Commissie (7) houdende aanpassing aan de technische vooruitgang van Richtlijn 88/77/EEG zijn bepalingen ingevoerd die, ofschoon zij zelfstandige bepalingen zijn, nauw verbonden zijn met de regeling die is vastgesteld bij Richtlijn 88/77/EEG. Omwille van de duidelijkheid en de rechtszekerheid dienen die bepalingen volledig in de herschikking van Richtlijn 88/77/EEG te worden opgenomen.

(3)

Het is noodzakelijk dat alle lidstaten dezelfde voorschriften vaststellen zodat met name voor elk type voertuig de EG-typegoedkeuringsprocedure van Richtlijn 70/156/EEG kan worden toegepast.

(4)

Het programma van de Commissie inzake de luchtkwaliteit, emissies van het wegvervoer, brandstoffen en technieken ter bestrijding van emissies, hierna „het eerste auto-olieprogramma” genoemd, heeft uitgewezen dat verdere verlaging van de verontreinigende emissies van zware bedrijfsvoertuigen noodzakelijk is om te voldoen aan toekomstige luchtkwaliteitsnormen.

(5)

In het eerste auto-olieprogramma werd de verlaging van de emissiegrenswaarden, die vanaf 2000 van toepassing zijn, namelijk een vermindering van de uitstoot van koolmonoxide, totale koolwaterstoffen, stikstofoxiden en deeltjes met 30 %, aangewezen als de belangrijkste maatregel om op middellange termijn een bevredigende luchtkwaliteit te bereiken. Een vermindering van de opaciteit van het uitlaatgas met 30 % moet bovendien bijdragen tot het terugdringen van de deeltjesuitstoot. Extra verlagingen van de emissiegrenswaarden die vanaf 2005 van toepassing zijn, namelijk een bijkomende vermindering van de uitstoot van koolmonoxide, totale koolwaterstoffen en stikstofoxiden met 30 % en van de uitstoot van deeltjes met 80 %, moeten in hoge mate bijdragen tot betere luchtkwaliteit op middellange tot lange termijn. De extra stikstofoxidegrenswaarde die in 2008 van toepassing wordt, moet voor deze verontreinigende stof een extra verlaging van de emissiegrenswaarde met 43 % opleveren.

(6)

Er zijn typegoedkeuringstests betreffende verontreinigende gassen en deeltjes en de rookopaciteit van toepassing die een meer representatieve beoordeling van de emissieprestaties van motoren mogelijk maken onder testomstandigheden die beter met de omstandigheden van de voertuigen tijdens het gebruik ervan overeenkomen. Sinds 2000 worden conventionele motoren met compressieontsteking en motoren met compressieontsteking die van bepaalde soorten emissiebeheersingsapparatuur zijn voorzien, getest volgens een testcyclus in statische toestand en volgens een nieuwe belastingresponsietest voor de opaciteit van de rook. Motoren met compressieontsteking die van geavanceerde emissiebeheersingssystemen zijn voorzien, worden bovendien getest volgens een nieuwe transiënte testcyclus. Vanaf 2005 worden alle motoren met compressieontsteking volgens al deze testcycli getest. Op gas lopende motoren worden uitsluitend volgens de nieuwe transiënte testcyclus getest.

(7)

In alle willekeurig gekozen belastingtoestanden die binnen een bepaald werkingsgebied voorkomen, mogen de grenswaarden niet met meer dan met een passend percentage worden overschreden.

(8)

Bij de vaststelling van nieuwe normen en testprocedures moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de toekomstige groei van het verkeer in de Gemeenschap voor de luchtkwaliteit. De werkzaamheden van de Commissie op dit gebied hebben uitgewezen dat de motorindustrie in de Gemeenschap grote vooruitgang heeft geboekt bij de vervolmaking van de technologie, en zo een aanzienlijke beperking van de emissies van verontreinigende gassen en deeltjes mogelijk heeft gemaakt. Het blijft echter nodig druk uit te oefenen om in het belang van de milieubescherming en de volksgezondheid de emissiegrenswaarden en de andere technische eisen te verbeteren. In het bijzonder moet bij toekomstige maatregelen rekening worden gehouden met de resultaten van lopend onderzoek naar de kenmerken van ultrafijne deeltjes.

(9)

De kwaliteit van motorbrandstoffen moet verder worden verbeterd om goed en duurzaam presterende emissiebeheersingssystemen tijdens het gebruik mogelijk te maken.

(10)

Vanaf 2005 moeten nieuwe bepalingen voor boorddiagnosesystemen (OBD-systemen) worden ingevoerd om de onmiddellijke detectie van elke verslechtering of storing van de emissiebeheersingsapparatuur van de motor te vergemakkelijken. Daarmee moeten de diagnose- en reparatiemogelijkheden worden verbeterd, waarmee de duurzame emissieprestaties van zware bedrijfsvoertuigen tijdens het gebruik aanzienlijk worden verbeterd. Omdat OBD-systemen voor zware dieselmotoren wereldwijd nog in de kinderschoenen staan, moeten deze systemen, in twee fasen in de Gemeenschap worden geïntroduceerd, zodat de systemen verder kunnen worden ontwikkeld, waardoor valse foutmeldingen kunnen worden vermeden. Om de lidstaten te helpen bij het waarborgen dat de eigenaren en exploitanten van zware bedrijfsvoertuigen voldoen aan hun verplichting om door het OBD-systeem gemelde gebreken te repareren, moet de afstand die is afgelegd of de tijd die is verlopen nadat het OBD-systeem de foutmelding aan de chauffeur heeft gedaan, worden geregistreerd.

(11)

De duurzaamheid van motoren met compressieontsteking is van nature groot en gebleken is dat deze motoren bij een juist en effectief onderhoud goede emissieresultaten kunnen behouden wanneer zij zijn ingebouwd in zware bedrijfsvoertuigen die voor het handelsverkeer aanzienlijke afstanden afleggen. De toekomstige emissienormen zullen de invoering van na de motor te plaatsen emissiebeheersingssystemen, zoals NOx-verwijderende systemen, filters voor dieseldeeltjes en combinaties van deze systemen en wellicht andere nog nader te ontwikkelen systemen, echter bevorderen. Daarom moeten voorschriften voor de nuttige levensduur worden opgesteld die als basis kunnen dienen voor procedures om te waarborgen dat het emissiebeheersingssysteem van een motor gedurende de gehele referentieperiode aan de emissievoorschriften voldoet. Bij de vaststelling van die voorschriften moet voldoende rekening worden gehouden met de aanzienlijke afstanden die zware bedrijfsvoertuigen afleggen, met de noodzaak van juist en tijdig onderhoud en met de mogelijkheid om typegoedkeuring voor voertuigen van categorie N1 te verlenen op grond van deze richtlijn of Richtlijn 70/220/EEG van de Raad van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen (8).

(12)

De lidstaten moet worden toegestaan door middel van fiscale stimuleringsmaatregelen het in de handel brengen van voertuigen die voldoen aan de communautaire voorschriften te versnellen, mits dergelijke stimuleringsmaatregelen in overeenstemming zijn met de bepalingen van het Verdrag en aan bepaalde voorwaarden ter voorkoming van verstoringen van de interne markt voldoen. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om emissies van verontreinigende en andere stoffen op te nemen in de berekeningsgrondslag voor de motorrijtuigenbelasting.

(13)

Daar bepaalde van deze fiscale stimuleringsmaatregelen steunmaatregelen van de staten zijn in de zin van artikel 87, lid 1, van het Verdrag, moeten deze bij de Commissie worden aangemeld uit hoofde van artikel 88, lid 3, van het Verdrag, zodat zij de maatregelen kan toetsen aan de relevante verenigbaarheidscriteria. De kennisgeving van dergelijke maatregelen overeenkomstig deze richtlijn dient niet af te doen aan de verplichting tot aanmelding overeenkomstig artikel 88, lid 3, van het Verdrag.

(14)

Om de procedure te vereenvoudigen en te versnellen, moet de Commissie worden belast met de vaststelling van maatregelen ter uitvoering van de in deze richtlijn neergelegde fundamentele bepalingen en met de maatregelen om de bijlagen bij deze richtlijn aan te passen aan de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis.

(15)

De voor de uitvoering van deze richtlijn en de aanpassing ervan aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (9).

(16)

De Commissie moet erop toezien of het noodzakelijk is emissiegrenswaarden in te voeren voor verontreinigende stoffen waarvoor nog geen regelgeving bestaat en die vrijkomen als gevolg van het toenemende gebruik van nieuwe alternatieve brandstoffen en nieuwe emissiebeheersingssystemen voor uitlaten.

(17)

De Commissie dient zo spoedig mogelijk de voorstellen in te dienen die zij passend acht voor een volgende fase met grenswaarden voor de NOx- en de deeltjesemissie.

(18)

Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk de voltooiing van de interne markt door de invoering van gemeenschappelijke technische eisen betreffende verontreinigende gassen en deeltjes voor alle typen voertuigen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang van het optreden beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(19)

De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot die bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijnen materieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de vorige richtlijnen.

(20)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage IX, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:



▼M3

Artikel 1

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)„voertuig”: een motorvoertuig, zoals gedefinieerd in artikel 2 van Richtlijn 70/156/EEG, met een referentiemassa van meer dan 2 610 kg;

b)„motor”: de aandrijvingsbron van een voertuig waarvoor typegoedkeuring als technische eenheid, zoals gedefinieerd in artikel 2 van Richtlijn 70/156/EEG, kan worden verleend;

c)„milieuvriendelijker gemaakt voertuig (Enhanced Environment-friendly Vehicle, EEV)”: een voertuig aangedreven door een motor die voldoet aan de emissiegrenswaarden in rij C van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I.

▼B

Artikel 2

Verplichtingen van de lidstaten

1. Voor een type motor met compressieontsteking of gasmotor of een type door een motor met compressieontsteking of gasmotor aangedreven voertuig moeten de lidstaten, indien niet aan de vereisten van de bijlagen I tot en met VIII wordt voldaan en in het bijzonder indien de emissies van verontreinigende gassen en deeltjes en de opaciteit van de rook van de motor niet voldoen aan de grenswaarden in rij A van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I:

a)weigeren de EG-typegoedkeuring te verlenen overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Richtlijn 70/156/EEG, en

b)de nationale typegoedkeuring weigeren.

2. Met uitzondering van voertuigen en motoren die bestemd zijn voor uitvoer naar derde landen en van vervangingsmotoren voor in het verkeer zijnde voertuigen moeten de lidstaten, indien niet aan de vereisten van de bijlagen I tot en met VIII wordt voldaan en in het bijzonder indien de emissies van verontreinigende gassen en deeltjes en de opaciteit van de rook van de motor niet aan de grenswaarden in rij A van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I:

a)de certificaten van overeenstemming waarvan nieuwe voertuigen of nieuwe motoren overeenkomstig Richtlijn 70/156/EEG vergezeld gaan, als niet meer geldig in de zin van artikel 7, lid 1, van die richtlijn beschouwen, en

b)de registratie, de verkoop, het in het verkeer brengen of het gebruik van nieuwe door een motor met compressieontsteking of gasmotor aangedreven voertuigen en de verkoop en het gebruik van nieuwe motoren met compressieontsteking en gasmotoren verbieden.

3. Onverminderd de leden 1 en 2, moeten de lidstaten met ingang van 1 oktober 2003 en met uitzondering van voertuigen en motoren die bestemd zijn voor uitvoer naar derde landen en van vervangingsmotoren voor in het verkeer zijnde voertuigen, voor een type gasmotor en een door een gasmotor aangedreven type voertuig dat niet aan de vereisten van de bijlagen I tot en met VIII voldoet:

a)de certificaten van overeenstemming waarvan nieuwe voertuigen of nieuwe motoren overeenkomstig Richtlijn 70/156/EEG vergezeld gaan, als niet meer geldig in de zin van artikel 7, lid 1, van die richtlijn beschouwen, en

b)de registratie, de verkoop, het in het verkeer brengen of het gebruik van nieuwe voertuigen en de verkoop en het gebruik van nieuwe motoren verbieden.

4. Indien aan de vereisten van de bijlagen I tot en met VIII en de artikelen 3 en 4 is voldaan, met name indien de emissies van verontreinigende gassen en deeltjes en de opaciteit van de rook van de motor voldoen aan de grenswaarden in rij B1 of rij B2, of aan de grenswaarden in rij C van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I, mag geen enkele lidstaat, om redenen die verband houden met de emissies van verontreinigende gassen en deeltjes en de opaciteit van de rook van de motor:

a)weigeren de EG-typegoedkeuring te verlenen overeenkomstig artikel 4, lid 1 van Richtlijn 70/156/EEG of de nationale typegoedkeuring te verlenen voor een door een motor met compressieontsteking of een gasmotor aangedreven type voertuig,

b)de registratie, de verkoop, het in het verkeer brengen of het gebruik van nieuwe door een motor met compressieontsteking of een gasmotor aangedreven voertuigen verbieden,

c)weigeren de EG-typegoedkeuring voor een type motor met compressieontsteking of gasmotor te verlenen,

d)de verkoop of het gebruik van nieuwe motoren met compressieontsteking of gasmotoren verbieden.

5. Met ingang van 1 oktober 2005 moeten de lidstaten voor een type motor met compressieontsteking of gasmotor of een door een motor met compressieontsteking of een gasmotor aangedreven type voertuig dat niet aan de vereisten van de bijlagen I tot en met VIII en de artikelen 3 en 4 voldoet en in het bijzonder indien de emissies van verontreinigende gassen en deeltjes en de opaciteit van de rook van de motor niet voldoen aan de grenswaarden in rij B1 van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I:

a)weigeren de EG-typegoedkeuring te verlenen overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Richtlijn 70/156/EEG, en

b)de nationale typegoedkeuring weigeren.

6. Met ingang van 1 oktober 2006 en met uitzondering van voertuigen en motoren die bestemd zijn voor uitvoer naar derde landen en van vervangingsmotoren voor in het verkeer zijnde voertuigen moeten de lidstaten indien niet aan de vereisten van de bijlagen I tot en met VIII en de artikelen 3 en 4 wordt voldaan en in het bijzonder indien de emissies van verontreinigende gassen en deeltjes en de opaciteit van de rook van de motor niet voldoen aan de grenswaarden in rij B1 van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I:

a)de certificaten van overeenstemming waarvan nieuwe voertuigen of nieuwe motoren overeenkomstig Richtlijn 70/156/EEG vergezeld gaan als niet meer geldig in de zin van artikel 7, lid 1, van die richtlijn beschouwen, en

b)de registratie, de verkoop, het in het verkeer brengen en het gebruik van nieuwe door een motor met compressieontsteking of een gasmotor aangedreven voertuigen en de verkoop en het gebruik van nieuwe motoren met compressieontsteking en gasmotoren verbieden.

7. Met ingang van 1 oktober 2008 moeten de lidstaten voor een type motor met compressieontsteking of gasmotor of een door een motor met compressieontsteking of een gasmotor aangedreven type voertuig dat niet aan de vereisten van de bijlagen I tot en met VIII en de artikelen 3 en 4 voldoet, en in het bijzonder indien de emissies van verontreinigende gassen en deeltjes en de opaciteit van de rook van de motor niet voldoen aan de grenswaarden in rij B2 van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I:

a)weigeren de EG-typegoedkeuring te verlenen overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Richtlijn 70/156/EEG, en

b)de nationale typegoedkeuring weigeren.

8. Met ingang van 1 oktober 2009 en met uitzondering van voertuigen en motoren die bestemd zijn voor uitvoer naar derde landen en van vervangingsmotoren voor in het verkeer zijnde voertuigen moeten de lidstaten indien niet aan de vereisten van de bijlagen I tot en met VIII en de artikelen 3 en 4 wordt voldaan en in het bijzonder indien de emissies van verontreinigende gassen en deeltjes en de opaciteit van de rook van de motor niet voldoen aan de grenswaarden in rij B2 van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I:

a)de certificaten van overeenstemming waarvan nieuwe voertuigen en nieuwe motoren overeenkomstig Richtlijn 70/156/EEG vergezeld gaan als niet meer geldig in de zin van artikel 7, lid 1, van die richtlijn beschouwen, en

b)de registratie, de verkoop, het in het verkeer brengen en het gebruik van nieuwe door een motor met compressieontsteking of een gasmotor aangedreven voertuigen en de verkoop en het gebruik van nieuwe motoren met compressieontsteking en gasmotoren verbieden.

9. In overeenstemming met lid 4 wordt een motor die voldoet aan de vereisten van de bijlagen I tot en met VIII en in het bijzonder aan de grenswaarden in rij C van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I geacht te voldoen aan de vereisten van de leden 1 tot en met 3.

In overeenstemming met lid 4 wordt een motor die voldoet aan de vereisten van de bijlagen I tot en met VIII en de artikelen 3 en 4 en in het bijzonder aan de grenswaarden in rij C van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I geacht te voldoen aan de vereisten van de leden 1, 2 en 3 en 5 tot en met 8.

10. Voor motoren met compressieontsteking of gasmotoren die in het kader van de typegoedkeuring moeten voldoen aan de in punt 6.2.1 van bijlage I vermelde grenswaarden, geldt het volgende:

in alle willekeurig gekozen belastingtoestanden die tot een bepaald controlegebied behoren, met uitzondering van specifieke bedrijfsomstandigheden die niet aan een dergelijke bepaling zijn onderworpen, mogen de emissiewaarden, die gedurende een periode van slechts 30 seconden worden gemeten, de grenswaarden in rij B2 en rij C van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I niet met meer dan 100 % overschrijden. Het controlegebied waarvoor het niet te overschrijden percentage geldt, de daarvan uitgezonderde bedrijfsomstandigheden en andere relevante voorwaarden worden vastgesteld volgens de in artikel 7, lid 1, vermelde procedure.

Artikel 3

Duurzaamheid van emissiebeheersingssystemen

1. Met ingang van 1 oktober 2005, wat nieuwe typegoedkeuringen betreft, en met ingang van 1 oktober 2006, wat alle typegoedkeuringen betreft, moet de fabrikant aantonen dat een motor met compressieontsteking of een gasmotor waarvoor onder verwijzing naar de grenswaarden in rij B1, rij B2 of rij C van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I typegoedkeuring is verleend, aan die grenswaarden zal voldoen gedurende een nuttige levensduur van:

a)100 000 km of, indien dit eerder is, vijf jaar, voor motoren die in voertuigen van de categorieën N1 en M2 worden ingebouwd;

b)200 000 km of, indien dit eerder is, zes jaar, voor motoren die in voertuigen van de categorieën N2, N3 met een maximale technisch toelaatbare massa van ten hoogste 16 ton en M3 klasse I, klasse II en klasse A, alsmede klasse B met een maximale technisch toelaatbare massa van ten hoogste 7,5 ton worden ingebouwd;

c)500 000 km of, indien dit eerder is, zeven jaar, voor motoren die in voertuigen van de categorieën N3 met een maximale technisch toelaatbare massa van meer dan 16 ton en M3 klasse III en klasse B met een maximale technisch toelaatbare massa van meer dan 7,5 ton worden ingebouwd.

Met ingang van 1 oktober 2005, wat nieuwe typen betreft, en met ingang van 1 oktober 2006, wat alle typen betreft, wordt voor typegoedkeuring van voertuigen tevens een goede werking van de emissiebeheersingsvoorzieningen tijdens de normale levensduur van het voertuig onder normale bedrijfsomstandigheden geëist (conformiteit van goed onderhouden en op de juiste wijze gebruikte voertuigen die in het verkeer zijn).

2. De maatregelen ter uitvoering van lid 1 worden uiterlijk op 28 december 2005 vastgesteld.

Artikel 4

Boorddiagnosesystemen

1. Met ingang van 1 oktober 2005, wat nieuwe typegoedkeuringen van voertuigen betreft, en met ingang van 1 oktober 2006, wat alle typegoedkeuringen betreft, wordt een motor met compressieontsteking waarvoor onder verwijzing naar de emissiegrenswaarden in rij B1 of rij C van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I typegoedkeuring is verleend, of een door een dergelijke motor aangedreven voertuig, voorzien van een boorddiagnosesysteem (OBD-systeem) dat een foutmelding aan de bestuurder geeft indien de OBD-grenswaarden in rij B1 of rij C van de tabel in lid 3 worden overschreden.

Bij nabehandelingssystemen voor uitlaatgassen, kan het OBD-systeem controleren op ernstige storingen van:

a)een als afzonderlijke eenheid gemonteerde katalysator, die al dan niet deel uitmaakt van een NOx-verwijderend systeem of een filter voor dieseldeeltjes,

b)een NOx-verwijderend systeem, indien gemonteerd,

c)een filter voor dieseldeeltjes, indien gemonteerd, of

d)een systeem waarin een NOx-verwijderend systeem en een filter voor dieseldeeltjes zijn gecombineerd.

2. Met ingang van 1 oktober 2008, wat nieuwe typegoedkeuringen betreft, en met ingang van 1 oktober 2009, wat alle typegoedkeuringen betreft, wordt een motor met compressieontsteking of een gasmotor waarvoor onder verwijzing naar de emissiegrenswaarden in rij B2 of rij C van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I typegoedkeuring wordt verleend, of een door een dergelijke motor aangedreven voertuig, voorzien van een OBD-systeem dat een foutmelding aan de bestuurder geeft indien de OBD-grenswaarden in rij B2 of rij C van de tabel in lid 3 worden overschreden.

Het OBD-systeem moet tevens een interface bevatten tussen de elektronische regeleenheid voor de motor (EECU) en elk ander elektrisch of elektronisch systeem van de motor of het voertuig dat een input levert aan of een output ontvangt van de EECU en de goede werking van het emissiebeheersingssysteem beïnvloedt, zoals de interface tussen de EECU en een elektronische regeleenheid voor de transmissie.

3. De volgende OBD-grenswaarden zijn van kracht:



Rij

Motoren met compressieontsteking

Massa stikstofoxiden

(NOx) g/kWh

Massa deeltjes

(PT) g/kWh

B1 (2005)

7,0

0,1

B2 (2008)

7,0

0,1

C (EEV)

7,0

0,1

4. Een onbeperkte en uniforme toegang tot OBD-gegevens moet gewaarborgd zijn ten behoeve van het verrichten van proeven, de diagnose, het onderhoud en de reparatie overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van Richtlijn 70/220/EEG en de voorschriften inzake reserveonderdelen die moeten waarborgen dat zij compatibel met OBD-systemen zijn.

5. De maatregelen ter uitvoering van de leden 1 tot en met 3 worden uiterlijk op 28 december 2005 vastgesteld.

Artikel 5

Emissiebeheersingssystemen die gebruikmaken van verbruikbare reagentia

Bij de vaststelling van de maatregelen die nodig zijn ter uitvoering van artikel 4, zoals bepaald in artikel 7, lid 1, stelt de Commissie, waar van toepassing, ook technische maatregelen vast om het gevaar dat emissiebeheersingssystemen die gebruikmaken van verbruikbare reagentia ontoereikend onderhouden worden, tot een minimum te beperken. Daarnaast worden, waar van toepassing, maatregelen vastgesteld om te waarborgen dat de uitstoot van ammoniak als gevolg van het gebruik van verbruikbare reagentia tot een minimum wordt beperkt.

Artikel 6

Fiscale stimuleringsmaatregelen

1. De lidstaten mogen alleen voor voertuigen die voldoen aan deze richtlijn fiscale stimuleringsmaatregelen vaststellen. Dergelijke maatregelen moeten voldoen aan de bepalingen van het Verdrag en aan de bepalingen van lid 2 of lid 3 van dit artikel.

2. De stimuleringsmaatregelen zijn van toepassing op alle nieuwe voertuigen die op de markt van een lidstaat worden gebracht, welke eerder voldoen aan de grenswaarden in rij B1 of B2 van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I.

Zij eindigen op de datum waarop de emissiegrenswaarden van rij B1 zoals bedoeld in artikel 2, lid 6, van kracht worden, dan wel waarop de emissiegrenswaarden van rij B2 zoals bedoeld in artikel 2, lid 8 van kracht worden.

3. De stimuleringsmaatregelen zijn van toepassing op alle nieuwe voertuigen die op de markt van een lidstaat worden gebracht, welke voldoen aan de emissiegrenswaarden in rij C van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I.

4. Naast de in lid 1 vermelde voorwaarden, belopen de stimuleringsmaatregelen voor ieder type voertuig een bedrag dat lager ligt dan de extra kosten van de technische voorzieningen voor het voldoen aan de grenswaarden in rij B1 of B2, dan wel de grenswaarden in rij C van de tabellen in punt 6.2.1 van bijlage I en de montage daarvan op het voertuig.

5. De lidstaten stellen de Commissie tijdig op de hoogte van plannen tot fiscale stimuleringsmaatregelen zoals bedoeld in dit artikel, zodat zij daarover opmerkingen kan maken.

Artikel 7

Uitvoeringsmaatregelen en wijzigingen

1. De maatregelen die noodzakelijk zijn ter uitvoering van artikel 2, lid 10, en de artikelen 3 en 4 van deze richtlijn worden door de Commissie, bijgestaan door het bij artikel 13, lid 1, van Richtlijn 70/156/EEG opgerichte comité, vastgesteld volgens de in artikel 13, lid 3, van die richtlijn bedoelde procedure.

2. Wijzigingen van deze richtlijn die noodzakelijk zijn om deze richtlijn aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang aan te passen, worden door de Commissie, bijgestaan door het bij artikel 13, lid 1, van Richtlijn 70/156/EEG opgerichte comité, vastgesteld volgens de in artikel 13, lid 3, van die richtlijn bedoelde procedure.

Artikel 8

Herziening en verslagen

1. De Commissie beziet of het noodzakelijk is nieuwe emissiegrenswaarden in te voeren met betrekking tot zware bedrijfsvoertuigen en motoren voor verontreinigende stoffen waarvoor nog geen regelgeving bestaat. De herziening wordt gebaseerd op het op grotere schaal in de handel brengen van nieuwe, alternatieve brandstoffen en op de invoering van nieuwe emissiebeheersingssystemen voor uitlaten op basis van toevoegingen om te voldoen aan de toekomstige normen die in deze richtlijn zijn vastgelegd. In voorkomend geval dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel in.

2. De Commissie dient wetgevingsvoorstellen voor de verdere beperking van de NOx- en de deeltjesemissie van zware bedrijfsvoertuigen aan het Europees Parlement en de Raad voor te leggen.

Zij gaat in voorkomend geval na of er een aanvullende grenswaarde voor het aantal en de grootte van de deeltjes moet worden vastgesteld, en, zo ja, neemt die in de voorstellen op.

3. De Commissie legt het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de vorderingen bij de onderhandelingen over een wereldwijd geharmoniseerde testcyclus (WHDC).

4. De Commissie legt het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de voorschriften voor de werking van een boordmeetsysteem (OBM-systeem). Op basis van dat verslag dient de Commissie, zo nodig , een voorstel in voor maatregelen, met inbegrip van de technische specificaties en de bijbehorende bijlagen, om te voorzien in de typegoedkeuring van OBM-systemen die ten minste een zelfde controleniveau bieden als OBD-systemen en daarmee compatibel zijn.

Artikel 9

Omzetting

1. De lidstaten dragen zorg voor vaststelling en bekendmaking voor 9 november 2006 van de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen om aan deze richtlijn te voldoen. Indien de vaststelling van de in artikel 7 bedoelde uitvoeringsmaatregelen wordt vertraagd tot na 28 december 2005 voldoen de lidstaten uiterlijk op de omzettingsdatum, als bepaald in de richtlijn die deze uitvoeringsmaatregelen bevat, aan deze verplichting. Zij delen de Commissie die bepalingen onverwijld mee, alsmede een transponeringstabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 9 november 2006 of, indien de vaststelling van de in artikel 7 bedoelde uitvoeringsmaatregelen wordt vertraagd tot na 28 december 2005, vanaf de omzettingsdatum, als bepaald in de richtlijn die deze uitvoeringsmaatregelen bevat.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in de bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn. De regels voor deze verwijzing en de formulering van deze vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 10

Intrekking

De in bijlage IX, deel A, vermelde richtlijnen worden met ingang van 9 november 2006 ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage IX, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage X.

Artikel 11

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 12

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.




BIJLAGE I

TOEPASSINGSGEBIED, DEFINITIES EN AFKORTINGEN, AANVRAAG VAN EG-TYPEGOEDKEURING, SPECIFICATIES EN TESTS EN OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUCTIE

▼M3

1. TOEPASSINGSGEBIED

Deze richtlijn is van toepassing op de beheersing van verontreinigende gassen en deeltjes, de nuttige levensduur van systemen voor emissiebeheersing, de overeenstemming van in gebruik zijnde voertuigen/motoren en boorddiagnosesystemen (OBD-systemen) van alle motorvoertuigen, en op motoren zoals gespecificeerd in artikel 1, met uitzondering van de voertuigen van de categorieën M1, N1, N2 en M2 waarvoor typegoedkeuring is verleend krachtens Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad (10).

Met ingang van 3 januari 2009 tot de data in artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 715/2007 voor nieuwe goedkeuringen en de data in artikel 10, lid 3, van die verordening voor uitbreidingen mogen krachtens deze richtlijn typegoedkeuringen worden verleend voor voertuigen van de categorieën N1, N2 en M2 met een referentiemassa van minder dan 2 610 kg.

▼M1

2. DEFINITIES

2.1.

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

goedkeuring van een motor (motorfamilie): de goedkeuring van een motortype (motorfamilie) met betrekking tot het emissieniveau van verontreinigende gassen en deeltjes;

„aanvullende emissiebeperkingsstrategie (AECS)”: een emissiebeperkingsstrategie die actief wordt of die de primaire emissiebeperkingsstrategie wijzigt om één of meer specifieke redenen en ingevolge een specifieke reeks omgevings- en/of bedrijfsomstandigheden, bijvoorbeeld. de snelheid van het voertuig, het toerental, de ingeschakelde versnelling, de temperatuur van de inlaatlucht of de inlaatdruk;

„primaire emissiebeperkingsstrategie (BECS)”: een emissiebeperkingsstrategie die over het hele snelheids- en belastingsbereik van de motor actief is, tenzij een aanvullende emissiebeperkingsstrategie wordt geactiveerd. Niet-uitputtende lijst van voorbeelden van BECS:

—diagram van de motortiming;

—EGR-diagram;

—diagram voor de reagensdosering van de SCR-katalysator;

„combinatie van NOx-verwijderingssysteem en deeltjesfilter”: een uitlaatgasnabehandelingssysteem dat ontworpen is om gelijktijdig de emissie van stikstofoxiden (NOx) en de emissie van verontreinigende deeltjes te verminderen;

„continue regeneratie”: het regeneratieproces van een uitlaatgasnabehandelingssysteem dat hetzij permanent, hetzij minstens één keer per ETC-test plaatsvindt. Voor een dergelijk regeneratieproces is geen speciale testprocedure vereist;

„meetgebied”: het gebied tussen de motortoerentallen A en C en tussen 25 en 100 % belasting;

„opgegeven maximumvermogen (Pmax)”: het maximumvermogen in kW (nettovermogen) (EG) als opgegeven door de fabrikant in de aanvraag om typegoedkeuring;

▼M2

„manipulatiestrategie” betekent:

—een AECS die de doelmatigheid van de emissiebeperking bij de BECS vermindert in omstandigheden waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht dat ze bij normaal voertuiggebruik optreden;

—een BECS die een onderscheid maakt tussen de werking bij een genormaliseerde typegoedkeuringstest en in andere omstandigheden en die een lager niveau van emissiebeperking oplevert in omstandigheden die niet in wezen in de toepasselijke testprocedures voor typegoedkeuring zijn opgenomen; of

—een OBD of een emissiebeperkingscontrolestrategie die een onderscheid maakt tussen de werking bij een genormaliseerde typegoedkeuringstest en in andere omstandigheden en die een lagere controlecapaciteit heeft (in termen van tijd en nauwkeurigheid) in omstandigheden die niet in wezen in de toepasselijke testprocedures voor typegoedkeuring zijn opgenomen;

▼M1

„NOx-verwijderingssysteem”: een uitlaatgasnabehandelingssysteem dat ontworpen is om de emissie van stikstofoxiden (NOx) te verminderen (er zijn tegenwoordig bijvoorbeeld passieve en actieve katalysatoren om het NOx-gehalte te verminderen, systemen voor NOx-absorptie en systemen voor selectieve katalytische reductie (SCR));

„reactietijd”: de tijd die verloopt tussen de verandering van het te meten bestanddeel aan het referentiepunt en een systeemresponsie van 10 % van de eindwaarde (t10). Voor de gasvormige bestanddelen komt dit neer op de overbrengingstijd van het gemeten bestanddeel van de bemonsteringssonde naar de detector. Voor de reactietijd is de bemonsteringssonde het referentiepunt;

„dieselmotor”: een motor die werkt volgens het principe van compressieontsteking;

„ELR-test”: een testcyclus, bestaande uit een opeenvolging van verschillende belastingen bij constant motortoerental overeenkomstig punt 6.2;

„ESC-test”: een testcyclus, bestaande uit 13 statische toestanden die tot stand moeten worden gebracht overeenkomstig punt 6.2;

„ETC-test”: een testcyclus, bestaande uit 1 800 per seconde verschillende overgangstoestanden overeenkomstig punt 6.2;

„constructieonderdeel” betekent in verband met een voertuig of motor:

—alle regelsystemen, inclusief computersoftware, elektronische regelsystemen en computerlogica;

—alle kalibraties van regelsystemen;

—het resultaat van de systeeminteractie,

—of

—alle hardwareonderdelen;

„emissiegerelateerd defect”: tekortkoming of afwijking van de normale productietoleranties in het ontwerp, de materialen of het maaksel van een voorziening, systeem of constructie die invloed heeft op een parameter, specificatie of onderdeel van het emissiebeperkingssysteem. Een ontbrekend onderdeel kan worden beschouwd als een „emissiegerelateerd defect”;

„emissiebeperkingsstrategie (ECS)”: een of meer constructieonderdelen die in het totaalontwerp van een motorsysteem of voertuig zijn opgenomen om de emissies van uitlaatgassen te controleren en bestaan uit één BECS en één reeks AECS;

„emissiebeperkingssysteem”: het uitlaatgasnabehandelingssysteem, de elektronische motorsturing en alle voor de emissie relevante onderdelen van de motor in de uitlaat die signalen geven aan of ontvangen van die motorsturing, en in voorkomend geval de communicatie-interface (apparatuur en berichten) tussen de elektronische regeleenheid van de motor (EECU) en elke andere regeleenheid van de aandrijflijn of het voertuig die een rol speelt in het emissiebeheer;

„familie van motornabehandelingssystemen”: in het kader van tests tijdens een accumulatief bedrijfsprogramma om overeenkomstig bijlage II bij Richtlijn 2005/78/EG van de Commissie van 14 november 2005 tot uitvoering van Richtlijn 2005/55/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot de maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking, en tot wijziging van de bijlagen I, II, III, IV en VI daarbij (11) verslechteringsfactoren vast te stellen en in het kader van de controle van de overeenstemming van in gebruik zijnde voertuigen/motoren overeenkomstig bijlage III bij Richtlijn 2005/78/EG, een door de fabrikant aangegeven groep motoren die aan de definitie van motorfamilie voldoen, maar verder worden ingedeeld in groepen motoren met een soortgelijk uitlaatgasnabehandelingssysteem;

„motorsysteem”: de motor, het emissiebeperkingssysteem en de communicatie-interface (apparatuur en berichten) tussen de elektronische regeleenheid van de motor (EECU) en elke andere regeleenheid van de aandrijflijn of het voertuig;

„motorfamilie”: een door de fabrikant aangegeven groep motoren die op grond van hun ontwerp, zoals gedefinieerd in bijlage II, aanhangsel 2, soortgelijke uitlaatgasemissie-eigenschappen hebben; alle motoren van de familie moeten aan de geldende emissiegrenswaarden voldoen;

„normaal toerentalgebied”: het motortoerentalgebied dat tijdens de werking van de motor in de praktijk het frequentst voorkomt en ligt tussen het lage en het hoge toerental overeenkomstig bijlage III;

„motortoerentallen A, B en C”: de testtoerentallen binnen het normale motortoerentalgebied die worden gebruikt voor de ESC-test en de ELR-test overeenkomstig bijlage III, aanhangsel 1;

„motorinstelling”: een specifieke motor/voertuigconfiguratie bestaande uit de emissiebeperkingsstrategie (ECS), één rating van de motorprestatie (vollastcurve waarvoor typegoedkeuring is verleend) en, indien van toepassing, één reeks koppelbegrenzers;

„motortype”: een categorie motoren waarvan de essentiële aspecten, zoals de motoreigenschappen zoals gedefinieerd in bijlage II, onderling niet verschillen;

„uitlaatgasnabehandelingssysteem”: een oxidatie- of driewegkatalysator, een deeltjesfilter, een NOx-verwijderingssysteem, een combinatie van NOx-verwijderingssysteem en deeltjesfilter of elke andere emissiebeperkende voorziening die voorbij de motor is geïnstalleerd. Uitlaatgasrecirculatie wordt als een integraal deel van het motorsysteem beschouwd en valt daarom niet onder deze definitie;

„gasmotor”: een motor met elektrische ontsteking die loopt op aardgas of vloeibaar petroleumgas (LPG);

„verontreinigende gassen”: koolmonoxide, koolwaterstoffen (uitgaande van een verhouding van CH1,85 voor diesel, CH2,525 voor LPG en CH2,93 voor aardgas (NMHC) en een hypothetisch molecuul CH3O0,5 voor ethanol gebruikt in dieselmotoren), methaan (uitgaande van een verhouding van CH4 voor aardgas) en stikstofoxiden, waarbij laatstgenoemde kunnen worden uitgedrukt in stikstofdioxide(NO2)-equivalent;

„hoog toerental (nhi)”: het hoogste motortoerental waarbij 70 % van het opgegeven maximumvermogen wordt ontwikkeld;

„laag toerental (nlo)”: het laagste motortoerental waarbij 50 % van het opgegeven maximumvermogen wordt ontwikkeld;

„ernstige storing” (12): een permanente of tijdelijke storing van een uitlaatgasnabehandelingssysteem waarvan wordt verwacht dat zij tot een al dan niet onmiddellijke verhoging van de gasvormige of deeltjesemissies van het motorsysteem zal leiden en die door het OBD-systeem niet juist kan worden ingeschat;

„storing” betekent:

—elke verslechtering of (al dan niet elektrische) storing van het emissiebeperkingssysteem die ertoe kan leiden dat emissies de OBD-grenswaarden overschrijden of, in voorkomend geval, dat het uitlaatgasnabehandelingssysteem ondermaats presteert wanneer de emissies van een aan voorschriften onderworpen verontreinigende stof de OBD-grenswaarden overschrijdt;

—elk geval waarbij het OBD-systeem er niet in slaagt aan de bewakingsvoorschriften van deze richtlijn te voldoen.

Een verslechtering of storing die leidt tot emissies die de OBD-grenswaarden niet overschrijden, mag door de fabrikant niettemin als een storing worden beschouwd;

„storingsindicator (malfunction indicator, MI)”: een visuele indicator die de bestuurder van het voertuig duidelijk op de hoogte brengt bij een storing in de zin van deze richtlijn;

„motor met meerdere instellingen”: een motor met meer dan één instelling;

„aardgasgroep”: een van de gasgroepen H en L zoals gedefinieerd in de Europese norm EN 437 van november 1993;

„nettovermogen”: het vermogen in kW (EG) dat op de testbank aan het eind van de krukas of aan een equivalent onderdeel wordt gemeten overeenkomstig de EG-methode om het vermogen te meten, die is beschreven in Richtlijn 80/1269/EEG van de Commissie (13);

„OBD-systeem”: een boorddiagnosesysteem voor emissiebeperking dat storingen kan detecteren en in dat geval door middel van in een computergeheugen opgeslagen foutcodes in staat is aan te geven waar de storing vermoedelijk is opgetreden;

„familie van OBD-motoren”: voor de typegoedkeuring van het OBD-systeem volgens de voorschriften van bijlage IV bij Richtlijn 2005/78/EG, een door de fabrikant aangegeven groep motorsystemen waarbij het OBD-systeem met gemeenschappelijke parameters is ontworpen overeenkomstig punt 8 van deze bijlage;

„opaciteitsmeter”: een instrument ontworpen om de dichtheid van rookdeeltjes te meten aan de lichtverzwakking;

„basismotor”: een motor die op een zodanige wijze uit een motorfamilie is gekozen dat de emissie-eigenschappen representatief zijn voor die motorfamilie;

„deeltjesnabehandelingsvoorziening”: een uitlaatgasnabehandelingssysteem ontworpen om de emissie van verontreinigende deeltjes te verminderen door mechanische scheiding, aërodynamische scheiding, scheiding door diffusie of scheiding door traagheid;

„verontreinigende deeltjes”: materiaal dat verzameld wordt op een gespecificeerd filtermedium na verdunning van het uitlaatgas met schone gefilterde lucht zodat de temperatuur niet meer dan 325 K (52 °C) bedraagt;

„procentuele belasting”: het deel van het beschikbare maximumkoppel bij een bepaald motortoerental;

„periodieke regeneratie”: het regeneratieproces van een emissiebeperkingsvoorziening, dat periodiek plaatsvindt nadat de motor ten hoogste 100 uur normaal heeft gewerkt. Tijdens cycli waarin de regeneratie plaatsvindt, kunnen de emissienormen worden overschreden;

►M2 emissiestandaardinstelling”: een AECS die wordt geactiveerd bij een door het OBD-systeem gedetecteerde storing in de emissiebeperkingsstrategie, waardoor de storingsindicator wordt geactiveerd en waarvoor geen input van het defecte onderdeel of systeem nodig is;

„krachtafneeminrichting”: een door de motor aangedreven voorziening waarmee in het voertuig gemonteerde hulpapparatuur van energie wordt voorzien;

„reagens”: elk medium dat aan boord van het voertuig in een tank is opgeslagen en indien nodig ten behoeve van het emissiebeperkingssysteem aan het uitlaatgasnabehandelingssysteem wordt verstrekt;

„herkalibratie”: een fijnafstelling van een aardgasmotor om te zorgen voor dezelfde prestaties (vermogen, brandstofverbruik) bij een aardgas uit een andere groep;

„referentietoerental (nref)”: 100 % van het toerental dat wordt gebruikt om de relatieve toerentalwaarden bij de ETC-test te denormaliseren overeenkomstig bijlage III, aanhangsel 2;

„responsietijd”: het tijdverschil tussen een snelle verandering van het te meten bestanddeel op het referentiepunt en de juiste verandering in de responsie van het meetsysteem waarbij de verandering van het gemeten bestanddeel minstens 60 % FS bedraagt en in minder dan 0,1 sec. plaatsvindt. De responsietijd van het systeem (t90) bestaat uit de reactietijd en de stijgtijd van het systeem (zie ook ISO 16183);

„stijgtijd”: de tijd tussen de 10 %- en de 90 %-responsie van de eindwaarde (t90t10). Dit is de instrumentresponsie nadat het te meten bestanddeel het instrument heeft bereikt. Voor de stijgtijd is de bemonsteringssonde het referentiepunt;

„zelfaanpassend vermogen”: elk motoronderdeel waarmee de luchtbrandstofverhouding constant kan worden gehouden;

„rook”: in de uitlaatgasstroom van een dieselmotor zwevende deeltjes die licht absorberen, weerkaatsen of breken;

„testcyclus”: een opeenvolging van testpunten, elk met een bepaald toerental en koppel, die de motor in statische toestand (ESC-test) of veranderende bedrijfsomstandigheden (ETC- en ELR-test) moet volgen;

„koppelbegrenzer”: een voorziening die het maximumkoppel van de motor tijdelijk begrenst;

„omzettingstijd”: de tijd die verloopt tussen de verandering van het te meten bestanddeel aan de bemonsteringssonde en een systeemresponsie van 50 % van de eindwaarde (t50). De omzettingstijd wordt gebruikt voor de afregeling van de signalen van verschillende meetinstrumenten;

„nuttige levensduur”: voor voertuigen en motoren waaraan typegoedkeuring is verleend op basis van rij B1, B2 of C van de tabel in punt 6.2.1, de in artikel 3 (duurzaamheid van emissiebeperkingssystemen) vastgestelde afstand en/of tijd waarvoor aan de relevante emissiegrenswaarden voor gassen, deeltjes en rook moet worden voldaan in het kader van de typegoedkeuring;

„Wobbe-index (onderste Wl of bovenste Wu)”: de verhouding tussen de overeenkomstige calorische waarde van een gas per volume-eenheid en de vierkantswortel van de relatieve dichtheid onder dezelfde referentieomstandigheden:

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0001.xml.jpg

„λ-verschuivingsfactor (Sλ)”: een uitdrukking die de vereiste flexibiliteit van het motorregelsysteem beschrijft voor wat betreft een verandering van de verhouding λ (overmaat lucht) indien de motor op een gas met een andere samenstelling dan puur methaan loopt (zie bijlage VII voor de berekening van Sλ);

▼M2

„emissiebeperkingscontrolesysteem”: het systeem dat instaat voor de goede werking van de NOx-beperkende voorzieningen in het motorsysteem overeenkomstig de voorschriften van punt 6.5 van bijlage I;

▼M3

„referentiemassa”: de massa van het voertuig in rijklare toestand, verminderd met een massa van 75 kg voor de bestuurder en vermeerderd met een massa van 100 kg;

„massa van het voertuig in rijklare toestand”: de massa zoals gedefinieerd in punt 2.6 van bijlage I bij Richtlijn 2007/46/EG.

▼M1

2.2.

Symbolen, afkortingen en internationale normen

2.2.1. Symbolen voor testparameters



Symbool

Eenheid

Term

Ap

m2

Oppervlakte van de dwarsdoorsnede van de isokinetische bemonsteringssonde

Ae

m2

Oppervlakte van de dwarsdoorsnede van de uitlaatpijp

C

ppm/vol. %

Concentratie

Cd

Afvoercoëfficiënt van SSV-CVS

C1

Koolstof-1-equivalent koolwaterstof

D

m

Diameter

D0

m3/s

Afsnijpunt van de PDP-kalibratiefunctie

D

Verdunningsfactor

D

Bessel-functieconstante

E

Bessel-functieconstante

EE

Ethaanrendement

EM

Methaanrendement

EZ

g/kWh

Geïnterpoleerde NOx-emissie op het controlepunt

f

1/s

Frequentie

fa

Atmosferische factor van het laboratorium

fc

s–1

Grensfrequentie van het Bessel-filter

Fs

Stoichiometrische factor

H

MJ/m3

Calorische waarde

Ha

g/kg

Absolute vochtigheid van de inlaatlucht

Hd

g/kg

Absolute vochtigheid van de verdunningslucht

i

Index die een individuele modus of momentane meting aangeeft

K

Bessel-constante

k

m–1

Lichtabsorptiecoëfficiënt

kf

Brandstofspecifieke factor voor droog/natcorrectie

kh,D

Vochtigheidscorrectiefactor voor NOx bij dieselmotoren

kh,G

Vochtigheidscorrectiefactor voor NOx bij gasmotoren

KV

CFV-kalibratiefunctie

kW,a

Droog/natcorrectiefactor voor de inlaatlucht

kW,d

Droog/natcorrectiefactor voor de verdunningslucht

kW,e

Droog/natcorrectiefactor voor het verdunde uitlaatgas

kW,r

Droog/natcorrectiefactor voor het ruwe uitlaatgas

L

%

Percentage van het koppel ten opzichte van het maximumkoppel voor de testmotor

La

m

Effectieve optische weglengte

Mra

g/mol

Moleculaire massa van de inlaatlucht

Mre

g/mol

Moleculaire massa van het uitlaatgas

md

kg

Massa van het verdunningsluchtmonster dat door de deeltjesbemonsteringsfilters wordt gevoerd

med

kg

Totale massa van het verdunde uitlaatgas gedurende de cyclus

medf

kg

Massa van equivalent verdund uitlaatgas gedurende de cyclus

mew

kg

Totale massa van het uitlaatgas gedurende de cyclus

mf

mg

Massa van het verzamelde deeltjesmonster

mf,d

mg

Massa van het deeltjesmonster van de verdunningslucht

mgas

g/h or g

Massadebiet van gasvormige emissies

mse

kg

Monstermassa gedurende de cyclus

msep

kg

Massa van het verdunde uitlaatgasmonster dat door de deeltjesbemonsteringsfilters wordt gevoerd

mset

kg

Massa van het dubbel verdunde uitlaatgasmonster dat door de deeltjesbemonsteringsfilters wordt gevoerd

mssd

kg

Massa van de secundaire verdunningslucht

N

%

Opaciteit

NP

Totaal aantal omwentelingen van de PDP gedurende de cyclus

NP,i

Omwentelingen van de PDP gedurende een tijdsinterval

n

min–1

Motortoerental

np

s–1

PDP-toerental

nhi

min–1

Hoog motortoerental

nlo

min–1

Laag motortoerental

nref

min–1

Referentiemotortoerental voor de ETC-test

pa

kPa

Verzadigde dampdruk van de motorinlaatlucht

pb

kPa

Totale luchtdruk

pd

kPa

Verzadigde dampdruk van de verdunningslucht

pp

kPa

Absolute druk

pr

kPa

Waterdampdruk na koelbad

ps

kPa

Droge luchtdruk

p1

kPa

Drukval bij de pompinlaat

P(a)

kW

Door de voor de test aangebrachte hulpapparatuur geabsorbeerd vermogen

P(b)

kW

Door de voor de test te verwijderen hulpapparatuur geabsorbeerd vermogen

P(n)

kW

Niet-gecorrigeerd nettovermogen

P(m)

kW

Op de testbank gemeten vermogen

qmaw

kg/h or kg/s

Massadebiet inlaatlucht op natte basis

qmad

kg/h or kg/s

Massadebiet inlaatlucht op droge basis

qmdw

kg/h or kg/s

Massadebiet verdunningslucht op natte basis

qmdew

kg/h or kg/s

Massadebiet verdund uitlaatgas op natte basis

qmdew,i

kg/s

Momentaan CVS-massadebiet op natte basis

qmedf

kg/h or kg/s

Massadebiet equivalent verdund uitlaatgas op natte basis

qmew

kg/h or kg/s

Uitlaatgasmassadebiet op natte basis

qmf

kg/h or kg/s

Brandstofmassadebiet

qmp

kg/h or kg/s

Deeltjesmonstermassadebiet

qvs

dm3/min

Monsterdebiet in analyseopstelling

qvt

cm3/min

Indicatorgasdebiet

Ω

Bessel-constante

Qs

m3/s

PDP/CFV-CVS-volumedebiet

QSSV

m3/s

SSV-CVS-volumedebiet

ra

Verhouding tussen de dwarsdoorsnede van de isokinetische sonde en de uitlaatpijp

rd

Verdunningsverhouding

rD

Diameterverhouding van SSV-CVS

rp

Drukverhouding van SSV-CVS

rs

Bemonsteringsverhouding

Rf

FID-responsiefactor

ρ

kg/m3

Dichtheid

S

kW

Dynamometerinstelling

S i

m–1

Momentane rookwaarde

Sλ

λ-verschuivingsfactor

T

K

Absolute temperatuur

Ta

K

Absolute temperatuur van de inlaatlucht

t

s

Meettijd

te

s

Elektrische responsietijd

tf

s

Filterresponsietijd voor de Bessel-functie

tp

s

Fysische responsietijd

Δt

s

Tijdsinterval tussen opeenvolgende rookgegevens (= 1/bemonsteringssnelheid)

Δti

s

Tijdsinterval voor momentaan CVS-debiet

τ

%

Rooktransmissie

u

-

Verhouding tussen dichtheid van gasbestanddeel en uitlaatgas

V0

m3/rev

PDP-gasvolume dat per omwenteling wordt gepompt

Vs

l

Systeemvolume van analyseopstelling

W

Wobbe-index

Wact

kWh

Werkelijke cyclusarbeid van de ETC

Wref

kWh

Referentiecyclusarbeid van de ETC

WF

Wegingsfactor

WFE

Effectieve wegingsfactor

X0

m3/omw.

Kalibratiefunctie van de PDP-volumedebiet

Yi

m–1

Gemiddelde Bessel-rookwaarde over 1 sec.

▼B

►M1 2.2.2.

Symbolen voor chemische bestanddelen



CH4

Methaan

C2H6

Ethaan

C2H5OH

Ethanol

C3H8

Propaan

CO

Koolstofmonoxide

DOP

Dioctylftalaat

CO2

Koolstofdioxide

HC

Koolwaterstoffen

NMHC

Niet-methaanhoudende koolwaterstoffen

NOx

Stikstofoxiden

NO

Stikstofmonoxide

NO2

Stikstofdioxide

PT

Deeltjes

►M1 2.2.3.

Afkortingen



CFV

Venturibuis met kritische stroming

CLD

Chemiluminescentiedetector

ELR

Europese belastingresponsiecyclus

ESC

Europese statische-toestandcyclus

ETC

Europese transiënte cyclus

FID

Vlamionisatiedetector

GC

Gaschromatograaf

HCLD

Verwarmde chemiluminescentiedetector

HFID

Verwarmde vlamionisatiedetector

LPG

Vloeibaar petroleumgas

NDIR

Niet-dispersieve infrarood-analysator

NMC

Niet-methaancutter

▼M1

2.2.4.

Symbolen voor de brandstofsamenstelling



wALF

Waterstofgehalte van brandstof, % massa

wBET

Koolstofgehalte van brandstof, % massa

wGAM

Zwavelgehalte van brandstof, % massa

wDEL

Stikstofgehalte van brandstof, % massa

wEPS

Zuurstofgehalte van brandstof, % massa

α

Molaire waterstofverhouding (H/C)

β

Molaire koolstofverhouding (C/C)

γ

Molaire zwavelverhouding (S/C)

δ

Molaire stikstofverhouding (N/C)

ε

Molaire zuurstofverhouding (O/C)

in het geval van een brandstof CβHαOεNδSγ

β = 1 voor brandstoffen op basis van koolstof, β = 0 voor brandstof op basis van waterstof.

2.2.5.

Normen waarnaar in deze richtlijn wordt verwezen



ISO 15031-1

ISO 15031-1: 2001 Road vehicles - Communication between vehicle and external equipment for emissions related diagnostics - Part 1: General information.

ISO 15031-2

ISO/PRF TR 15031-2: 2004 Road vehicles - Communication between vehicle and external equipment for emissions related diagnostics – Part 2: Terms, definitions, abbreviations and acronyms.

ISO 15031-3

ISO 15031-3: 2004 Road vehicles - Communication between vehicle and external equipment for emissions related diagnostics - Part 3: Diagnostic connector and related electrical circuits, specification and use.

SAE J1939-13

SAE J1939-13: Off-Board Diagnostic Connector.

ISO 15031-4

ISO DIS 15031-4.3: 2004 Road vehicles - Communication between vehicle and external equipment for emissions related diagnostics - Part 4: External test equipment.

SAE J1939-73

SAE J1939-73: Application Layer – Diagnostics.

ISO 15031-5

ISO DIS 15031-5.4: 2004 Road vehicles - Communication between vehicle and external equipment for emissions related diagnostics – Part 5: Emissions-related diagnostic services.

ISO 15031-6

ISO DIS 15031-6.4: 2004 Road vehicles - Communication between vehicle and external equipment for emissions related diagnostics – Part 6: Diagnostic trouble code definitions.

SAE J2012

SAE J2012: Diagnostic Trouble Code Definitions Equivalent to ISO/DIS 15031-6, April 30, 2002.

ISO 15031-7

ISO 15031-7: 2001 Road vehicles - Communication between vehicle and external equipment for emissions related diagnostics - Part 7: Data link security.

SAE J2186

SAE J2186: E/E Data Link Security, dated October 1996.

ISO 15765-4

ISO 15765-4: 2001 Road vehicles - Diagnostics on Controller Area Network (CAN) - Part 4: Requirements for emissions-related systems.

SAE J1939

SAE J1939: Recommended Practice for a Serial Control and Communications Vehicle Network.

ISO 16185

ISO 16185: 2000 Road vehicles – engine family for homologation.

ISO 2575

ISO 2575: 2000 Road vehicles – Symbols for controls, indicators and tell-tales.

ISO 16183

ISO 16183: 2002 Heavy duty engines - Measurement of gaseous emissions from raw exhaust gas and of particulate emissions using partial flow dilution systems under transient test conditions.

▼B

3. AANVRAAG VAN EG-GOEDKEURING

3.1. Aanvraag van EG-goedkeuring voor een type motor of motorfamilie als technische eenheid

▼M1

3.1.1.

De aanvraag om goedkeuring voor een motortype of motorfamilie met betrekking tot het emissieniveau van verontreinigende gassen en deeltjes bij dieselmotoren en met betrekking tot het emissieniveau van verontreinigende gassen bij gasmotoren, de nuttige levensduur en het boorddiagnosesysteem (OBD) wordt ingediend door de motorfabrikant of zijn naar behoren gemachtigde vertegenwoordiger.

Als de aanvraag betrekking heeft op een motor met een boorddiagnosesysteem (OBD), moet aan de voorschriften van punt 3.4 worden voldaan.

▼B

3.1.2.

De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens in drievoud:

3.1.2.1.

een beschrijving van het motortype of motorfamilie, indien van toepassing, met de inlichtingen, als bedoeld in bijlage II van deze richtlijn, overeenkomstig de voorschriften van de artikelen 3 en 4 van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (14).

3.1.3.

Een motor met de in bijlage II beschreven kenmerken van het „motortype”of de „basismotor” wordt verstrekt aan de technische dienst die belast is met de uitvoering van de in punt 6 beschreven goedkeuringsproeven.

3.2. Aanvraag om EG-goedkeuring voor een voertuigtype wat de motor betreft

▼M1

3.2.1.

De aanvraag om goedkeuring van een voertuig met betrekking tot de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door een dieselmotor of dieselmotorfamilie en met betrekking tot de emissie van verontreinigende gassen door een gasmotor of gasmotorfamilie, de nuttige levensduur en het boorddiagnosesysteem (OBD) wordt ingediend door de voertuigfabrikant of zijn naar behoren gemachtigde vertegenwoordiger.

Als de aanvraag betrekking heeft op een motor met een boorddiagnosesysteem (OBD), moet aan de voorschriften van punt 3.4 worden voldaan.

▼B

3.2.2.

Zij gaat vergezeld van de volgende gegevens in drievoud:

3.2.2.1.

een beschrijving van het voertuigtype, de met de motor verband houdende voertuigonderdelen en het motortype of de motorfamilie, indien van toepassing, met de inlichtingen, bedoeld in bijlage II, tezamen met de documentatie die vereist is op grond van artikel 3 van Richtlijn 70/156/EEG.

▼M1

3.2.3.

De fabrikant geeft een beschrijving van de storingsindicator (MI) die door het OBD-systeem wordt gebruikt om de bestuurder van het voertuig op een storing te attenderen.

De fabrikant geeft een beschrijving van de indicator en de waarschuwing waarmee een tekort aan reagens aan de bestuurder van het voertuig wordt gemeld.

▼B

3.3. Aanvraag om EG-goedkeuring voor een voertuigtype met een goedgekeurde motor

▼M1

3.3.1.

De aanvraag om goedkeuring van een voertuig met betrekking tot de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door een goedgekeurde dieselmotor of dieselmotorfamilie en met betrekking tot de emissie van verontreinigende gassen door de goedgekeurde gasmotor of gasmotorfamilie, de nuttige levensduur en het boorddiagnosesysteem (OBD) wordt ingediend door de voertuigfabrikant of zijn naar behoren gemachtigde vertegenwoordiger.

▼B

3.3.2.

Zij gaat vergezeld van de volgende gegevens in drievoud:

3.3.2.1.

een beschrijving van het voertuigtype en de met de motor verband houdende voertuigonderdelen met de gegevens, bedoeld in bijlage II, indien van toepassing, en eventueel een kopie van het EG-goedkeuringsformulier (bijlage VI) voor de motor of motorfamilie als technische eenheid die in het voertuigtype is gemonteerd, tezamen met de documentatie die vereist is op grond van artikel 3 van Richtlijn 70/156/EEG.

▼M1

3.3.3.

De fabrikant geeft een beschrijving van de storingsindicator (MI) die door het OBD-systeem wordt gebruikt om de bestuurder van het voertuig op een storing te attenderen.

De fabrikant geeft een beschrijving van de indicator en de waarschuwing waarmee een tekort aan reagens aan de bestuurder van het voertuig wordt gemeld.

3.4. Boorddiagnosesystemen

3.4.1.

De goedkeuringsaanvraag voor een motor met een OBD-systeem moet vergezeld gaan van de informatie die wordt gevraagd in punt 9 van aanhangsel 1 van bijlage II (beschrijving van de basismotor) en/of punt 6 van aanhangsel 3 van bijlage II (beschrijving van een motortype binnen de familie), en:

3.4.1.1.

gedetailleerde schriftelijke informatie met een volledige beschrijving van de functionele eigenschappen van het OBD-systeem, inclusief een lijst van alle relevante delen van het emissiebeperkingssysteem van de motor, dat wil zeggen sensors, actuators en onderdelen, die door het OBD-systeem worden bewaakt;

3.4.1.2.

eventueel een verklaring van de fabrikant met betrekking tot de parameters die zijn gebruikt om ernstige storingen te controleren.

3.4.1.2.1.

De fabrikant verstrekt de technische dienst bovendien een beschrijving van mogelijke storingen in het emissiebeperkingssysteem die de emissies kunnen beïnvloeden. De technische dienst en de voertuigfabrikant plegen overleg over deze informatie en bepalen welke gegevens moeten worden verstrekt;

3.4.1.3.

eventueel een beschrijving van de communicatie-interface (apparatuur en berichten) tussen de elektronische regeleenheid van de motor (EECU) en elke andere regeleenheid van de aandrijflijn of het voertuig wanneer de uitgewisselde informatie invloed heeft op de correcte werking van het emissiebeperkingssysteem;

3.4.1.4.

indien van toepassing, kopieën van andere typegoedkeuringen met de relevante gegevens die een uitbreiding van de goedkeuring mogelijk maken;

3.4.1.5.

indien van toepassing, de kenmerken van de motorfamilie zoals bedoeld in punt 8 van deze bijlage.

3.4.1.6.

de fabrikant moet aangeven welke maatregelen zijn genomen om manipulatie of wijziging van de EECU of een van de in punt 3.4.1.3 genoemde interfaceparameters tegen te gaan.

▼B

4. EG-TYPEGOEDKEURING

4.1. Verlening van multibrandstof-EG-typegoedkeuring

Een multibrandstof-EG-typegoedkeuring wordt verleend onder de volgende voorwaarden:

4.1.1.

Bij dieselbrandstof moet de basismotor voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn betreffende de referentiebrandstof in bijlage IV.

4.1.2.

Bij aardgas moet worden aangetoond dat de basismotor zich kan aanpassen aan alle brandstofsamenstellingen die in de handel kunnen zijn. Bij aardgas zijn er over het algemeen twee typen brandstof: brandstof met een hoge verbrandingswaarde (H-gas) en brandstof met een lage verbrandingswaarde (L-gas). Binnen die twee gasgroepen bestaat echter veel variatie; er zijn sterke verschillen in de energie-inhoud, uitgedrukt door de Wobbe-index, en in de λ-verschuivingsfactor (Sλ). De formules voor de berekening van de Wobbe-index en Sλ zijn vermeld in de punten 2.27 en 2.28. Aardgas met een λ-verschuivingsfactor tussen 0,89 en 1,08 (0,89 ≤ Sλ ≤ 1,08) wordt geacht tot de H-groep te behoren, terwijl aardgas met een λ-verschuivingsfactor tussen 1,08 en 1,19 (1,08 ≤ Sλ ≤ 1,19) wordt geacht tot de L-groep te behoren. In de samenstelling van de referentiebrandstoffen is rekening gehouden met de extreme variaties van Sλ. De basismotor moet voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn voor de referentiebrandstoffen GR (brandstof 1) en G25 ((brandstof 2), als vermeld in bijlage IV, zonder dat de brandstoftoevoer tussen de twee proeven opnieuw wordt afgesteld. De motor mag zich echter gedurende één ETC-cyclus zonder meting aanpassen nadat de brandstof is gewijzigd. Voor de proef moet de basismotor zijn ingelopen volgens de procedure van punt 3 van aanhangsel 2 van bijlage III.

4.1.2.1.

Op verzoek van de fabrikant mag de motor getest worden met een derde brandstof (brandstof 3) indien de λ-verschuivingsfactor (Sλ) tussen 0,89 (d.w.z. de ondergrens van GR) en 1,19 (d.w.z. de bovengrens van G25) ligt, bijvoorbeeld wanneer brandstof 3 een in de handel verkrijgbare brandstof is. De resultaten van deze test mogen worden gebruikt als basis voor de beoordeling van de overeenstemming van de productie.

4.1.3.

Bij een motor die op aardgas loopt en die zichzelf aanpast aan H-gassen enerzijds en L-gassen anderzijds, waarbij met behulp van een schakelaar van gasgroep H op gasgroep L kan worden overgeschakeld, moet de basismotor in elke stand van de schakelaar worden beproefd met de twee relevante referentiebrandstoffen als aangegeven in bijlage IV voor elke gasgroep. De brandstoffen zijn GR (brandstof 1) en G23 (brandstof 3) voor gasgroep H en G25 (brandstof 2) en G23 (brandstof 3) voor gasgroep L. De basismotor moet in beide standen van de schakelaar aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen, zonder tussentijdse afstelling van het brandstofsysteem tussen beide tests bij elke stand van de schakelaar. De motor mag zich echter gedurende één ETC-cyclus zonder meting aanpassen nadat de brandstof is gewijzigd. Voor de proef moet de basismotor zijn ingelopen volgens de procedure van punt 3 van aanhangsel 2 van bijlage III.

4.1.3.1.

Op verzoek van de fabrikant mag de motor getest worden met een derde brandstof in plaats van G23 (brandstof 3) indien de λ-verschuivingsfactor Sλ tussen 0,89 (d.w.z. de ondergrens van GR) en 1,19 (d.w.z. de bovengrens van G25) ligt, bijvoorbeeld wanneer brandstof 3 een op de markt verkrijgbare brandstof is. De resultaten van deze test mogen worden gebruikt als basis voor de beoordeling van de overeenstemming van de productie.

4.1.4.

Indien de motorbrandstof aardgas is, wordt de verhouding van de emissieresultaten „r” voor elke verontreinigende stof als volgt bepaald:

image

of

image

en

image

4.1.5.

Bij LPG moet worden aangetoond dat de basismotor zich kan aanpassen aan alle brandstofsamenstellingen die in de handel kunnen zijn. Bij LPG zijn er variaties in de samenstelling C3/C4. In de referentiebrandstoffen is rekening gehouden met deze variaties. De basismotor moet voldoen aan de emissievoorschriften voor de referentiebrandstoffen A en B, als vermeld in bijlage IV, zonder dat de brandstoftoevoer tussen de twee proeven opnieuw wordt afgesteld. De motor mag zich echter gedurende één ETC-cyclus zonder meting aanpassen nadat de brandstof is gewijzigd. Voor de proef moet de basismotor zijn ingelopen volgens de procedure van punt 3 van aanhangsel 2 van bijlage III.

4.1.5.1.

De verhouding van de emissieresultaten „r” wordt voor elke verontreinigende stof als volgt bepaald:

image

4.2. Verlening van EG-typegoedkeuring voor een beperkt aantal brandstoffen

EG-typegoedkeuring voor een beperkt aantal brandstoffen wordt verleend onder de volgende voorwaarden:

4.2.1.

Goedkeuring wat betreft de uitlaatemissies van een motor die op aardgas loopt en bestemd is voor gasgroep H of gasgroep L.

De basismotor moet worden getest met de relevante referentiebrandstof als aangegeven in bijlage IV voor de betrokken gasgroep. De brandstoffen zijn GR (brandstof 1) en G23 (brandstof 3) voor gasgroep H en G25 (brandstof 2) en G23 (brandstof 3) voor gasgroep L. De basismotor moet aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen zonder tussentijdse afstelling van het brandstofsysteem tussen beide tests. De motor mag zich echter gedurende één ETC-cyclus zonder meting aanpassen nadat de brandstof is gewijzigd. Voor de proef moet de basismotor zijn ingelopen volgens de procedure van punt 3 van aanhangsel 2 van bijlage III.

4.2.1.1.

Op verzoek van de fabrikant mag de motor getest worden met een derde brandstof in plaats van G23 (brandstof 3) indien de λ-verschuivingsfactor Sλ tussen 0,89 (d.w.z. de ondergrens van GR) en 1,19 (d.w.z. de bovengrens van G25) ligt, bijvoorbeeld wanneer brandstof 3 een op de markt verkrijgbare brandstof is. De resultaten van deze test mogen worden gebruikt als basis voor de beoordeling van de overeenstemming van de productie.

4.2.1.2.

De verhouding van de emissieresultaten „r” wordt voor elke verontreinigende stof als volgt bepaald:

image

of

image

en

image

4.2.1.3.

Bij aflevering aan de afnemer moet de motor zijn voorzien van een plaatje (zie punt 5.1.5) waarop is vermeld voor welke gasgroep de motor is goedgekeurd.

4.2.2.

Goedkeuring wat betreft de uitlaatemissies van een motor die op aardgas of LPG loopt en bestemd is voor brandstof van één bepaalde samenstelling

4.2.2.1.

De basismotor moet voldoen aan de emissievoorschriften voor de referentiebrandstoffen GR en G25 in het geval van aardgas of de referentiebrandstoffen A en B in het geval van LPG, als vermeld in bijlage IV. Tussen de proeven mag het brandstofsysteem worden bijgesteld. Deze bijstelling bestaat uit herkalibratie van het brandstofgegevensbestand, onder wijziging van het basisregelsysteem of de basisopzet van het gegevensbestand. Indien nodig mogen onderdelen die rechtstreeks verband houden met de brandstofstroom (zoals inspuitkoppen) worden vervangen.

4.2.2.2.

Op verzoek van de fabrikant mag de motor worden getest met de referentiebrandstoffen GR en G23 of met de referentiebrandstoffen G25 en G23 in welk geval de typegoedkeuring slechts geldig is voor respectievelijk gasgroep H of gasgroep L.

4.2.2.3.

Bij aflevering aan de afnemer moet de motor zijn voorzien van een plaatje (zie punt 5.1.5) waarop is vermeld voor welke brandstofsamenstelling de motor is gekalibreerd.

4.3. Goedkeuring van de uitlaatemissies van een lid van een motorfamilie

4.3.1.

Behalve in het in punt 4.3.2 genoemde geval wordt de goedkeuring van een basismotor zonder verdere beproeving uitgebreid tot alle motoren van een familie voor alle brandstofsamenstellingen binnen de gasgroep waarvoor de basismotor is goedgekeurd (in het geval van de in punt 4.2.2 beschreven motoren) of voor dezelfde brandstoffen respectievelijk dezelfde gasgroep waarvoor de basismotor is goedgekeurd (in het geval van de in punt 4.1 of 4.2 beschreven motoren).

4.3.2.

Secundaire proefmotor

Indien de technische dienst in het geval van een aanvraag om typegoedkeuring van een motor of een voertuig, wat betreft de tot een motorfamilie behorende motor, constateert dat de ingediende aanvraag met betrekking tot de gekozen basismotor niet geheel representatief is voor de in aanhangsel 1 van bijlage I beschreven motorfamilie, kan hij een andere en zo nodig een extra referentietestmotor selecteren en testen.

4.4. Typegoedkeuringsformulier

Bij goedkeuring overeenkomstig de punten 3.1, 3.2 en 3.3 wordt een formulier volgens het model van bijlage VI afgegeven.

▼M3

4.5.

Op verzoek van de fabrikant wordt de typegoedkeuring van een compleet voertuig die krachtens deze richtlijn is verleend, uitgebreid tot het incomplete voertuig met een referentiemassa van minder dan 2 610 kg. Typegoedkeuringen worden uitgebreid als de fabrikant kan aantonen dat alle carrosseriecombinaties die naar verwachting op het incomplete voertuig zullen worden gemonteerd, de referentiemassa van het voertuig tot boven 2 610 kg doen stijgen.

▼B

5. MERKTEKENS OP DE MOTOR

5.1. De als technische eenheid goedgekeurde motor moet zijn voorzien van:

5.1.1.

handelsmerk of firmanaam van de fabrikant van de motor;

5.1.2.

handelsbenaming van de fabrikant;

5.1.3.

het EG-typegoedkeuringsnummer, voorafgegaan door de kenletter(s) van het land dat de EG-typegoedkeuring heeft verleend►M1 (15).

5.1.4.

In geval van een aardgasmotor moet een van de volgende merktekens na het EG-typegoedkeuringsnummer worden geplaatst:

—H bij een motor, goedgekeurd en gekalibreerd voor gasgroep H;

—L bij een motor, goedgekeurd en gekalibreerd voor gasgroep L;

—HL bij een motor, goedgekeurd en gekalibreerd voor zowel gasgroep H als gasgroep L;

—Ht bij een motor, goedgekeurd en gekalibreerd voor een specifieke gassamenstelling van gasgroep H, die door fijnafstelling van het brandstofsysteem van de motor ingesteld kan worden op een ander specifiek gas van gasgroep H;

—Lt bij een motor, goedgekeurd en gekalibreerd voor een specifieke gassamenstelling van gasgroep L, die door fijnafstelling van het brandstofsysteem van de motor ingesteld kan worden op een ander specifiek gas van gasgroep L;

—HLt bij een motor, goedgekeurd en gekalibreerd voor een specifieke gassamenstelling van hetzij gasgroep H, hetzij gasgroep L, die door fijnafstelling van het brandstofsysteem van de motor ingesteld kan worden op een ander specifiek gas van hetzij gasgroep H, hetzij gasgroep L.

5.1.5.

Plaatjes

In geval van aardgas- en LPG-motoren met een goedkeuring voor een beperkt aantal brandstoffen zijn de volgende plaatjes van toepassing:

5.1.5.1 Inhoud

De volgende gegevens moeten worden verstrekt:

In geval van punt 4.2.1.3 staat op het plaatje

„ALLEEN VOOR GEBRUIK MET AARDGAS VAN GASGROEP H”. „H” wordt eventueel vervangen door „L”.

In geval van punt 4.2.2.3 staat op het plaatje

„ALLEEN VOOR GEBRUIK MET AARDGAS, SPECIFICATIE …” of „ALLEEN VOOR GEBRUIK MET LPG, SPECIFICATIE …”. Alle gegevens in de desbetreffende tabel(len) in bijlage VI worden vermeld met de afzonderlijke bestanddelen en grenswaarden die zijn opgegeven door de motorfabrikant.

De letters en cijfers moeten minstens 4 mm hoog zijn.

Noot:

Indien er niet voldoende plaats is voor die gegevens, mag een vereenvoudigde code worden gebruikt. In dat geval moet nadere uitleg met alle voornoemde informatie gemakkelijk toegankelijk zijn voor wie de brandstoftank vult of onderhoud of reparaties van de motor en de bijbehorende onderdelen verricht, alsmede de betrokken autoriteiten. De plaats waar die nadere uitleg zich bevindt en de inhoud ervan worden in overleg bepaald door de fabrikant en de goedkeuringsinstantie.

5.1.5.2. Eigenschappen

De plaatjes moeten een even grote levensduur als de motor hebben en duidelijk leesbaar zijn. De letters en cijfers moeten onuitwisbaar zijn. Bovendien moet de wijze van bevestiging van de plaatjes afgestemd zijn op de nuttige levensduur van de motor en mogen zij niet kunnen worden verwijderd zonder vernietigd of onherkenbaar beschadigd te worden.

5.1.5.3. Plaatsing

De plaatjes moeten worden bevestigd aan een motoronderdeel dat noodzakelijk is voor de normale werking van de motor en normaliter niet behoeft te worden vervangen gedurende de levensduur van de motor. Bovendien moeten zij zodanig worden geplaatst dat ze gemakkelijk leesbaar zijn voor de gemiddelde waarnemer nadat alle voor de werking van de motor noodzakelijke toebehoren op de motor zijn gemonteerd.

5.2.

In geval van aanvraag om EG-goedkeuring van een voertuigtype wat betreft de motor moeten de in punt 5.1.5 vermelde opschriften tevens dicht bij het vulgat van de brandstoftank worden aangebracht.

5.3.

In geval van een aanvraag om EG-goedkeuring van een voertuigtype met een goedgekeurde motor moeten de in punt 5.1.5 genoemde opschriften tevens dicht bij het vulgat van de brandstoftank worden aangebracht.

6. SPECIFICATIES EN PROEVEN

▼M1

6.1. Algemeen

6.1.1. Emissiebeperkingsapparatuur

6.1.1.1.

De componenten die de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door dieselmotoren en gasmotoren kunnen verminderen, moeten op een zodanige wijze worden ontworpen, gebouwd, geassembleerd en geïnstalleerd dat de motor bij normaal gebruik aan de bepalingen van deze richtlijn kan voldoen.

6.1.2.

Het gebruik van manipulatiestrategieën is verboden.

6.1.2.1.

Het gebruik van motoren met meerdere instellingen is verboden totdat in deze richtlijn deugdelijke bepalingen voor dergelijke motoren zijn vastgesteld (16).

6.1.3.

Emissiebeperkingsstrategie

6.1.3.1.

Constructieonderdelen en delen van de emissiebeperkingsstrategie die de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door dieselmotoren en de emissie van verontreinigende gassen door gasmotoren beïnvloeden, moeten op een zodanige wijze worden ontworpen, gebouwd, geassembleerd en geïnstalleerd dat de motor bij normaal gebruik aan de bepalingen van deze richtlijn kan voldoen. Een emissiebeperkingsstrategie (ECS) bestaat uit een primaire emissiebeperkingsstrategie (BECS) en gewoonlijk één of meer aanvullende emissiebeperkingsstrategieën (AECS).

6.1.4.

Voorschriften voor de primaire emissiebeperkingsstrategie

6.1.4.1.

De primaire emissiebeperkingsstrategie (BECS) moet zodanig zijn ontworpen dat de motor bij normaal gebruik aan de bepalingen van deze richtlijn kan voldoen. Normaal gebruik is niet beperkt tot de in punt 6.1.5.4 genoemde gebruiksomstandigheden.

6.1.5.

Voorschriften voor de aanvullende emissiebeperkingsstrategie

6.1.5.1.

Een aanvullende emissiebeperkingsstrategie (AECS) mag op een motor of een voertuig worden geïnstalleerd op voorwaarde dat de AECS:

—alleen buiten de in punt 6.1.5.4 genoemde gebruiksomstandigheden werkt voor de in de punt 6.1.5.5 genoemde doeleinden,

—of

—alleen uitzonderlijk in de in punt 6.1.5.4 genoemde gebruiksomstandigheden wordt geactiveerd voor de in punt 6.1.5.6 genoemde doeleinden en niet langer dan nodig.

6.1.5.2.

Een aanvullende emissiebeperkingsstrategie (AECS) die in de in punt 6.1.5.4 genoemde gebruiksomstandigheden werkt en tot gevolg heeft dat een andere of gewijzigde emissiebeperkingsstrategie (ECS) wordt gebruikt dan die welke normaliter tijdens de toepasselijke emissietestcycli wordt toegepast, is toegestaan indien overeenkomstig de voorschriften van punt 6.1.7 volledig wordt aangetoond dat de maatregel de doelmatigheid van het emissiebeperkingssysteem niet blijvend vermindert. In alle andere gevallen worden dergelijke strategieën als manipulatiestrategieën beschouwd.

6.1.5.3.

Een aanvullende emissiebeperkingsstrategie (AECS) die buiten de in punt 6.1.5.4 genoemde gebruiksomstandigheden werkt, is toegestaan indien overeenkomstig de voorschriften van punt 6.1.7 volledig wordt aangetoond dat de maatregel de minimumstrategie is voor het bereiken van de doeleinden van punt 6.1.5.6 inzake milieubescherming en andere technische aspecten. In alle andere gevallen worden dergelijke strategieën als manipulatiestrategieën beschouwd.

6.1.5.4.

Zoals bepaald in punt 6.1.5.1 zijn de volgende gebruiksomstandigheden van toepassing bij statische en transiënte werking van de motor:

—een hoogte van maximaal 1 000 m (of een gelijkwaardige atmosferische druk van 90 kPa),

—een omgevingstemperatuur tussen 275 en 303 K (2-30 °C) (17) (18),

—motorkoelmiddeltemperatuur tussen 343 en 373 K (70-100 °C).

6.1.5.5.

Een aanvullende emissiebeperkingsstrategie (AECS) mag op een motor of een voertuig worden geïnstalleerd op voorwaarde dat de werking van de AECS in de toepasselijke typegoedkeuringstest is opgenomen en wordt geactiveerd overeenkomstig punt 6.1.5.6.

6.1.5.6.

De AECS wordt geactiveerd:

—alleen door signalen die van het voertuig zelf uitgaan, om beschadiging van het motorsysteem (inclusief bescherming van de luchtbehandelingsvoorziening) en/of het voertuig te voorkomen,

—of

—met het oog op bedrijfsveiligheid, ►M2 emissiestandaardinstellingen en noodstrategieën,

—of

—met het oog op het voorkomen van excessieve emissies, het koud starten of het opwarmen,

—of

—als zij wordt gebruikt om de beperking van één aan voorschriften onderworpen verontreinigende stof onder specifieke omgevings- of bedrijfsomstandigheden op te geven voor de beperking van alle andere aan voorschriften onderworpen verontreinigende stoffen binnen de emissiegrenswaarden die voor de desbetreffende motor geschikt zijn. Een dergelijke AECS compenseert van nature voorkomende fenomenen en maakt een aanvaardbare beperking van alle bestanddelen van emissies mogelijk.

6.1.6.

Voorschriften voor koppelbegrenzers

6.1.6.1.

Een koppelbegrenzer is toegestaan indien hij aan de voorschriften van punt 6.1.6.2 of 6.5.5 voldoet. In alle andere gevallen worden koppelbegrenzers als een manipulatiestrategie beschouwd.

6.1.6.2.

Een koppelbegrenzer mag op een motor of een voertuig worden geïnstalleerd op voorwaarde dat:

—de koppelbegrenzer alleen door signalen die van het voertuig zelf uitgaan, wordt geactiveerd om te voorkomen dat de aandrijflijn of de voertuigconstructie beschadigd raakt en/of met het oog op de bedrijfsveiligheid, of voor krachtafneming wanneer het voertuig stilstaat, of voor maatregelen om de correcte werking van het NOx-verwijderingssysteem te garanderen,

—en

—de koppelbegrenzer alleen tijdelijk werkt,

—en

—de koppelbegrenzer de emissiebeperkingsstrategie (ECS) niet wijzigt,

—en

—het koppel bij krachtafneming of bescherming van de aandrijflijn wordt beperkt tot een constante waarde, die onafhankelijk is van het motortoerental, en nooit het koppel bij vollast overschrijdt,

—en

—de koppelbegrenzer op dezelfde manier wordt geactiveerd om de prestaties van een voertuig te verminderen, zodat de bestuurder wordt aangemoedigd de nodige maatregelen te treffen om te garanderen dat de NOx-beperkingsvoorzieningen in het motorsysteem naar behoren werken.

6.1.7.

Bijzondere voorschriften voor elektronische emissiebeperkingssystemen

6.1.7.1. Documentatievoorschriften

De fabrikant verstrekt een documentatiepakket met informatie over alle constructieonderdelen, de emissiebeperkingsstrategie (ECS), de koppelbegrenzer van het motorsysteem en de middelen waarmee het de uitgangsvariabelen regelt, ongeacht of die regeling direct of indirect gebeurt. De documentatie wordt in twee delen beschikbaar gesteld:

a)het formele documentatiepakket, dat bij de indiening van de typegoedkeuringsaanvraag aan de technische dienst wordt verstrekt, bevat een complete beschrijving van het ECS en, indien van toepassing, de koppelbegrenzer. Deze documentatie mag beknopt zijn mits wordt aangetoond dat alle uitgangswaarden die zijn toegestaan volgens een matrix die wordt verkregen uit het regelbereik van de ingangswaarden van de individuele eenheid, zijn geïdentificeerd. Deze informatie wordt bij de in punt 3 voorgeschreven documentatie gevoegd;

b)aanvullend materiaal waarin de parameters worden weergegeven die door een aanvullende emissiebeperkingsstrategie (AECS) worden gewijzigd, alsmede de grensomstandigheden waaronder de AECS werkt. Het aanvullende materiaal bevat een beschrijving van de besturingslogica van het brandstofsysteem, de tijdafstellingsstrategieën en de schakelpunten in alle werkingstoestanden. Het omvat ook een beschrijving van de in punt 6.5.5 beschreven koppelbegrenzer.

Dit aanvullende materiaal bevat ook een rechtvaardiging voor het gebruik van een AECS en materiaal en testgegevens om het effect van een op de motor of het voertuig geïnstalleerde AECS op de uitlaatemissies aan te tonen. De rechtvaardiging voor het gebruik van een AECS mag zijn gebaseerd op testgegevens en/of geluidstechnische analyse.

Dit aanvullende materiaal blijft strikt vertrouwelijk en wordt op verzoek aan de typegoedkeuringsinstantie verstrekt. Het wordt door de typegoedkeuringsinstantie vertrouwelijk behandeld.

6.1.8.

Specifiek voor de typegoedkeuring van motoren overeenkomstig rij A van de tabellen in punt 6.2.1 (motoren die normaliter niet op ETC worden getest)

6.1.8.1.

Om na te gaan of een strategie of maatregel moet worden beschouwd als een manipulatiestrategie volgens de definities van punt 2, kan de typegoedkeuringsinstantie en/of de technische dienst aanvullend om een NOx-screeningtest met toepassing van de ETC verzoeken die in combinatie met de typegoedkeuringstest of de procedures voor het controleren van de overeenstemming van de productie kan worden uitgevoerd.

6.1.8.2.

Wanneer wordt nagegaan of een strategie of maatregel moet worden beschouwd als een manipulatiestrategie volgens de definities van punt 2, wordt een extra marge van 10 % ten opzichte van de desbetreffende NOx-grenswaarde aanvaard.

6.1.9.

De overgangsbepalingen voor uitbreiding van de typegoedkeuring staan in punt 6.1.5 van bijlage I bij Richtlijn 2001/27/EG.

Het bestaande goedkeuringscertificaatnummer blijft geldig tot 8 november 2006. In het geval van uitbreiding verandert alleen het volgnummer van het basisgoedkeuringsnummer:

Voorbeeld voor de tweede uitbreiding van de vierde goedkeuring overeenkomstig toepassingsdatum A, afgegeven door Duitsland:

e1*88/77*2001/27A*0004*02.

6.1.10.

Bepalingen inzake de veiligheid van het elektronische systeem

6.1.10.1.

Voertuigen met een emissiebeperkingssysteem moeten zijn uitgerust met voorzieningen die niet door de fabrikant toegestane wijzigingen van het systeem moeten tegengaan. De fabrikant moet wijzigingen toestaan wanneer deze noodzakelijk zijn voor de diagnose, het onderhoud, de keuring, de latere aanpassing of de reparatie van het voertuig. Herprogrammeerbare computercodes of bedrijfsparameters moeten bestand zijn tegen manipulatie en een beschermingsniveau bieden dat minstens even hoog is als de bepalingen in ISO 15031-7 (SAE J2186), op voorwaarde dat de beveiligingsuitwisseling geschiedt met behulp van de protocollen en de diagnoseconnector zoals voorgeschreven in punt 6 van bijlage IV bij Richtlijn 2005/78/EG. Verwisselbare geheugenchips met kalibratiegegevens moeten zijn ingekapseld, in een verzegelde behuizing zijn ondergebracht of met elektronische algoritmen zijn beschermd en zij mogen alleen met behulp van speciale gereedschappen en procedures kunnen worden vervangen.

6.1.10.2.

Elektronische bedrijfsparameters van de motor mogen alleen kunnen worden veranderd met behulp van speciale gereedschappen en procedures (bijvoorbeeld gesoldeerde of ingegoten computeronderdelen of verzegelde dan wel dichtgesoldeerde computerbehuizingen).

6.1.10.3.

Fabrikanten moeten de nodige maatregelen nemen om te verhinderen dat bij in gebruik zijnde voertuigen de instelling van de maximale brandstoftoevoer wordt gemanipuleerd.

6.1.10.4.

Fabrikanten mogen bij de keuringsinstantie een vrijstelling van een van deze bepalingen aanvragen voor voertuigen waarbij beveiliging overbodig wordt geacht. De criteria die de keuringsinstantie hanteert bij de beoordeling van een dergelijke aanvraag zijn onder meer de beschikbaarheid van prestatiechips, de hoge prestatiemogelijkheden van het voertuig en de verwachte verkoopcijfers voor het voertuig.

6.1.10.5.

Fabrikanten die gebruikmaken van programmeerbare computerbouwstenen (bijvoorbeeld EEPROM - Electrically Erasable Programmable Read-Only Memory) moeten ongeoorloofde herprogrammering tegengaan. Fabrikanten moeten verbeterde manipulatiebestrijdingsstrategieën toepassen en schrijfbeveiliging waarbij elektronische toegang tot een elders geplaatste computer van de fabrikant noodzakelijk is. Alternatieve methoden die een gelijkwaardige manipulatiebeveiliging bieden, kunnen door de keuringsinstantie worden goedgekeurd.

6.2. Specificaties betreffende de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes en rook

Voor typegoedkeuring volgens rij A van de tabellen in punt 6.2.1 worden de emissies gemeten in ESC- en ELR-tests met conventionele dieselmotoren, met inbegrip van die welke zijn uitgerust met elektronische brandstofinspuiting, uitlaatgasrecirculatie (EGR) en/of oxidatiekatalysator. Dieselmotoren met moderne uitlaatgasnabehandelingssystemen, bijvoorbeeld NOx-katalysatoren en/of deeltjesvangers, moeten bovendien een ETC-test ondergaan.

Voor typegoedkeuring volgens rij B1 of B2 of rij C van de tabellen in punt 6.2.1 worden de emissies gemeten met de ESC-test, de ELR-test en de ETC-test.

Voor gasmotoren worden de gasvormige emissies bepaald met behulp van de ETC-test.

De ESC- en ELR-testprocedures zijn beschreven in aanhangsel 1 van bijlage III, de ETC-testprocedure in de aanhangsels 2 en 3 van bijlage III.

▼M3

Voor benzinemotoren zijn de testprocedures van bijlage VII bij Richtlijn 2005/78/EG van toepassing.

Voor dieselmotoren is de testprocedure voor rookopaciteit van bijlage VI bij Richtlijn 2005/78/EG van toepassing.

▼M1

De emissie van verontreinigende gassen en deeltjes (indien van toepassing) en van rook (indien van toepassing) door de motor die voor de keuring ter beschikking is gesteld, wordt gemeten volgens de in aanhangsel 4 van bijlage III beschreven methoden. In bijlage V worden de aanbevolen analysesystemen voor de verontreinigende gassen, de aanbevolen deeltjesbemonsteringssystemen en de aanbevolen rookmeetsystemen beschreven.

Andere systemen of analyseapparatuur kunnen door de technische dienst worden goedgekeurd indien wordt aangetoond dat daarmee voor de desbetreffende testcyclus gelijkwaardige resultaten worden verkregen. De systeemgelijkwaardigheid moet worden vastgesteld aan de hand van een correlatiestudie met zeven (of meer) monsterparen tussen het onderzochte systeem en een van de referentiesystemen uit deze richtlijn. Voor deeltjesemissies wordt alleen een volledige-stroomverdunningssysteem of een partiële-stroomverdunningssysteem dat aan de vereisten van ISO 16183 voldoet, als gelijkwaardig referentiesysteem erkend. De „resultaten” hebben betrekking op de emissiewaarden bij een specifieke cyclus. De correlatietest moet worden uitgevoerd in hetzelfde laboratorium, in dezelfde meetcel en op dezelfde motor en bij voorkeur gelijktijdig. De gelijkwaardigheid van de gemiddelden van de monsterparen wordt vastgesteld aan de hand van F-test- ent-teststatistieken zoals beschreven in aanhangsel 4 van deze bijlage en verkregen in hetzelfde laboratorium, in dezelfde meetcel en op dezelfde motor. Uitschieters worden vastgesteld overeenkomstig ISO 5725 en worden niet in het gegevensbestand opgenomen. Voor de opneming van een nieuw systeem in de richtlijn moet de gelijkwaardigheid zijn bepaald op basis van een berekening van de herhaalbaarheid en de reproduceerbaarheid volgens ISO 5725.

▼B

6.2.1. Grenswaarden

De specifieke massa van het koolmonoxide, het totaal aan koolwaterstoffen, de stikstofoxiden en de deeltjes, die is bepaald met de ESC-test, en de opaciteit van de rook, die is bepaald met de ELR-test, mogen niet meer bedragen dan de in tabel 1 aangegeven waarden.



Tabel 1

Grenswaarden — ESC- en ELR-test

Rij

Massa koolmonoxide

(CO) g/kWh

Massa koolwaterstoffen

(HC) g/kWh

Massa stikstofoxiden

(NOx) g/kWh

Massa deeltjes

(PT) g/kWh

Rook

m–1

A (2000)

2,1

0,66

5,0

0,10

0,13 (1)

0,8

B 1 (2005)

1,5

0,46

3,5

0,02

0,5

B 2 (2008)

1,5

0,46

2,0

0,02

0,5

C (EEV)

1,5

0,25

2,0

0,02

0,15

(1)Bij motoren met een slagvolume van minder dan 0,75 dm3 per cilinder en een nominaal toerental van meer dan 3 000 min–1.

Bij dieselmotoren die ook worden beproefd volgens de ETC-test en met name bij gasmotoren mag de specifieke massa van koolmonoxide, andere koolwaterstoffen dan methaan, methaan (indien van toepassing), stikstofoxiden en deeltjes (indien van toepassing) niet meer bedragen dan de in tabel 2 aangegeven waarden.



Tabel 2

Grenswaarden — ETC-test

Rij

Massa koolmonoxide

(CO) g/kWh

Massa non-methaankool-waterstoffen

(NMHC) g/kWh

Massa methaan

(CH4) (1) g/kWh

Massa stikstofoxiden

(NOx) g/kWh

Massa deeltjes

(PT) (2) g/kWh

A (2000)

5,45

0,78

1,6

5,0

0,16

0,21 (3)

B 1 (2005)

4,0

0,55

1,1

3,5

0,03

B 2 (2008)

4,0

0,55

1,1

2,0

0,03

C (EEV)

3,0

0,40

0,65

2,0

0,02

(1)Alleen bij aardgasmotoren.

(2)Niet van toepassing op gasmotoren in fase A (2000) en fase B1 en B2.

(3)Voor motoren met een slagvolume van minder dan 0,75 dm3 per cilinder en een nominaal toerental van meer dan 3 000 min–1.

6.2.2. Meting van koolwaterstoffen bij diesel- en gasmotoren

6.2.2.1

Een fabrikant kan naar keuze de massa van het totaal aan koolwaterstoffen (THC) volgens de ETC-test meten in plaats van de massa van andere koolwaterstoffen dan methaan. In dat geval is de grenswaarde voor de massa van het totaal aan koolwaterstoffen dezelfde als die welke is vermeld in tabel 2 voor de massa van andere koolwaterstoffen dan methaan.

6.2.3. Speciale voorschriften voor dieselmotoren

6.2.3.1.

De specifieke massa stikstofoxiden, gemeten op willekeurige controlepunten binnen het controlegebied van de ESC-test, mag niet meer dan 10 % boven de geïnterpoleerde waarden van de aangrenzende testfasen liggen (zie bijlage III, aanhangsel 1, de punten 4.6.2 en 4.6.3).

6.2.3.2.

De rookwaarde bij een willekeurig ELR-testtoerental mag niet meer dan 20 % boven de hoogste rookwaarde bij de twee aangrenzende testtoerentallen of — indien deze hoger is — meer dan 5 % boven de grenswaarde liggen.

▼M1

6.3. Duurzaamheid en verslechteringsfactoren

6.3.1.

Voor de toepassing van deze richtlijn stelt de fabrikant verslechteringsfactoren vast waarmee zal worden aangetoond dat de gasvormige of deeltjesemissies van een motorfamilie of familie van motornabehandelingssystemen gedurende de in artikel 3 vastgestelde duurzaamheidsperiode aan de grenswaarden in de tabellen in punt 6.2.1 blijven voldoen.

6.3.2.

De procedures om aan te tonen dat een motorfamilie of familie van motornabehandelingssystemen gedurende die duurzaamheidsperiode aan de desbetreffende emissiegrenswaarden voldoet, zijn vermeld in bijlage II bij Richtlijn 2005/78/EG.

6.4. OBD-systeem

6.4.1.

Zoals bepaald in artikel 4, leden 1 en 2, van deze richtlijn moeten dieselmotoren en voertuigen met een dieselmotor zijn uitgerust met een boorddiagnosesysteem (OBD) voor emissiebeperking overeenkomstig de voorschriften van bijlage IV bij Richtlijn 2005/78/EG.

Zoals bepaald in artikel 4, lid 2, van deze richtlijn moeten gasmotoren en voertuigen met een gasmotor zijn uitgerust met een boorddiagnosesysteem (OBD) voor emissiebeperking overeenkomstig de voorschriften van bijlage IV bij Richtlijn 2005/78/EG.

6.4.2.

Productie van motoren in kleine series

Als alternatief kunnen motorfabrikanten waarvan de wereldwijde jaarlijkse productie van een motortype dat tot een OBD-motorfamilie behoort

—minder dan 500 stuks bedraagt, EG-typegoedkeuring krijgen op basis van de voorschriften van de huidige richtlijn, waarbij de motor alleen voor het aspect circuitonderbreking wordt gecontroleerd en het nabehandelingssysteem op ernstige storingen wordt gecheckt;

—minder dan 50 stuks bedraagt, EG-typegoedkeuring krijgen op basis van de voorschriften van de huidige richtlijn, waarbij het complete emissiebeperkingssysteem (d.w.z. de motor en het nabehandelingssysteem) alleen voor het aspect circuitonderbreking wordt gecontroleerd.

De typegoedkeuringsinstantie moet de Commissie in kennis stellen van de omstandigheden van elke typegoedkeuring die uit hoofde van deze bepaling is verleend.

▼M2

6.5. Voorschriften om de juiste werking van NOx-beperkende voorzieningen te garanderen

6.5.1. Algemeen

6.5.1.1.

Dit punt is van toepassing op motorsystemen met compressieontsteking, ongeacht de toegepaste technologie om aan de emissiegrenswaarden in de tabellen in punt 6.2.1 te voldoen.

6.5.1.2.

Toepassingsdata

De voorschriften van de punten 6.5.3, 6.5.4 en 6.5.5 gelden vanaf 9 november 2006 voor nieuwe typegoedkeuringen en vanaf 1 oktober 2007 voor alle registraties van nieuwe voertuigen.

6.5.1.3.

Alle onder dit punt vallende motorsystemen moeten zodanig zijn ontworpen, gebouwd en geïnstalleerd dat ze gedurende de nuttige levensduur van de motor aan deze voorschriften kunnen voldoen.

6.5.1.4.

In bijlage II geeft de fabrikant een volledige beschrijving van de functionele bedrijfseigenschappen van een onder dit punt vallend motorsysteem.

6.5.1.5.

Indien het motorsysteem een reagens nodig heeft, specificeert de fabrikant in zijn typegoedkeuringsaanvraag de eigenschappen van alle reagentia die door het uitlaatgasnabehandelingssysteem worden verbruikt, bijvoorbeeld type en concentraties, bedrijfstemperatuur, verwijzing naar internationale normen enz.

6.5.1.6.

Afhankelijk van de voorschriften van punt 6.1 moet elk onder dit punt vallend motorsysteem zijn emissiebeperkingsfunctie behouden in alle omstandigheden die op het grondgebied van de Gemeenschap geregeld voorkomen, met name bij lage omgevingstemperaturen.

6.5.1.7.

Met het oog op de typegoedkeuring moet de fabrikant tegenover de technische dienst aantonen dat de emissie van ammoniak door motorsystemen die een reagens nodig hebben, tijdens de toepasselijke emissietestcyclus het gemiddelde van 25 ppm niet overschrijdt.

6.5.1.8.

Bij motorsystemen die een reagens nodig hebben, moet elke afzonderlijk in een voertuig aangebrachte reagenstank voorzien zijn van een systeem om een monster van de daarin opgeslagen vloeistof te kunnen nemen. Het bemonsteringspunt moet gemakkelijk toegankelijk zijn zonder gebruik van speciale gereedschappen of voorzieningen.

6.5.2. Onderhoudsvoorschriften

6.5.2.1.

Alle eigenaars van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen of nieuwe zware motoren krijgen van de fabrikant direct of indirect schriftelijke instructies waarin staat dat wanneer het emissiebeperkingssysteem van het voertuig niet naar behoren functioneert, dit door de storingsindicator (MI) aan de bestuurder wordt gemeld en dat het prestatieniveau van de motor vervolgens vermindert.

6.5.2.2.

De instructies omvatten voorschriften voor het correcte gebruik en onderhoud van voertuigen, eventueel met inbegrip van het gebruik van verbruiksreagentia.

6.5.2.3.

De instructies zijn in duidelijke en niet-technische bewoordingen gesteld in de taal van het land waarin het nieuwe zware bedrijfsvoertuig of de nieuwe zware motor wordt verkocht of geregistreerd.

6.5.2.4.

In de instructies wordt vermeld of verbruiksreagentia tussen de normale onderhoudsintervallen door de gebruiker van het voertuig moeten worden bijgevuld en wordt een indicatie gegeven van het waarschijnlijke reagensverbruik voor het desbetreffende voertuigtype.

6.5.2.5.

In de instructies wordt vermeld dat het gebruik en het tijdig bijvullen van een vereist reagens met de juiste specificaties verplicht is om het voertuig te laten voldoen aan het certificaat van overeenstemming dat voor dat voertuig- of motortype is afgegeven.

6.5.2.6.

In de instructies wordt vermeld dat het gebruik van een voertuig dat geen reagens verbruikt dat nodig is om verontreinigende emissies te verminderen, mogelijk een strafbaar feit is en dat alle gunstige voorwaarden voor de aankoop of het gebruik van het voertuig die in het land van registratie of het land van gebruik zijn verkregen, ongeldig kunnen worden.

6.5.3. NOx-beperking van het motorsysteem

6.5.3.1.

Een slechte werking van het motorsysteem op het gebied van NOx-emissiebeperking (bijvoorbeeld door een tekort aan de noodzakelijke reagentia, onjuiste stroom van de uitlaatgasrecirculatie of deactivering ervan), wordt vastgesteld door meting van het NOx-niveau door sensoren in de uitlaatgasstroom.

6.5.3.2.

Afwijkingen van meer dan 1,5 g/kWh boven de toepasselijke grenswaarde van tabel 1 in punt 6.2.1 van bijlage I worden door de storingsindicator aan de bestuurder gemeld, zoals bedoeld in punt 3.6.5 van bijlage IV bij Richtlijn 2005/78/EG.

6.5.3.3.

Bovendien moet een niet-wisbare foutcode waaruit de oorzaak van de overschrijding van de in punt 6.5.3.2 vermelde NOx-niveaus blijkt, minstens 400 dagen of 9 600 bedrijfsuren worden opgeslagen overeenkomstig punt 3.9.2 van bijlage IV bij Richtlijn 2005/78/EG.

De oorzaken van een te hoge NOx-waarde worden ten minste en in voorkomend geval geïdentificeerd bij een lege reagenstank, een onderbreking van de reagensdosering, een te lage reagenskwaliteit, een te laag reagensverbruik, een onjuiste stroom van de uitlaatgasrecirculatie of een deactivering van de uitlaatgasrecirculatie. In alle andere gevallen mag de fabrikant verwijzen naar een niet-wisbare foutcode „hoog NOx-niveau — oorzaak onbekend”.

6.5.3.4.

Indien het NOx-niveau de OBD-grenswaarden in de tabel in artikel 4, lid 3, overschrijdt, vermindert een koppelbegrenzer het prestatieniveau van de motor overeenkomstig de voorschriften van punt 6.5.5 op een voor de bestuurder van het voertuig duidelijk voelbare wijze. Wanneer de koppelbegrenzer in werking treedt, wordt de melding aan de bestuurder voortgezet overeenkomstig punt 6.5.3.2 en wordt een niet-wisbare foutcode opgeslagen overeenkomstig punt 6.5.3.3.

6.5.3.5.

Bij motorsystemen die alleen uitlaatgasrecirculatie (EGR) en geen ander nabehandelingssysteem voor NOx-emissiebeperking hebben, mag de fabrikant voor de vaststelling van het NOx-niveau een andere methode dan die van punt 6.5.3.1 gebruiken. Op het moment van de typegoedkeuring moet de fabrikant aantonen dat de alternatieve methode het NOx-niveau even tijdig en nauwkeurig vaststelt als bij de toepassing van de voorschriften van punt 6.5.3.1 het geval zou zijn en tot de in de punten 6.5.3.2, 6.5.3.3 en 6.5.3.4 genoemde consequenties leidt.

6.5.4. Controle van de reagentia

6.5.4.1.

In voertuigen die een reagens nodig hebben om aan de vereisten van dit punt te voldoen, wordt de bestuurder op de hoogte gehouden van het reagensniveau in de tank aan boord van het voertuig door middel van een specifieke mechanische of elektronische indicator op het dashboard. Het systeem geeft ook een waarschuwing als het reagensniveau:

—onder 10 % van de tank zakt of een hoger percentage naar keuze van de fabrikant, of

—onder het niveau zakt dat overeenkomt met de rijafstand die mogelijk is met de door de fabrikant opgegeven brandstofreserve.

De reagenspeilindicator wordt vlak bij de brandstofpeilindicator geplaatst.

6.5.4.2.

De bestuurder wordt overeenkomstig de voorschriften van punt 3.6.5 van bijlage IV bij Richtlijn 2005/78/EG gewaarschuwd als de reagenstank leeg raakt.

6.5.4.3.

Zodra de reagenstank leeg raakt, zijn naast de voorschriften van punt 6.5.4.2 de voorschriften van punt 6.5.5 van toepassing.

6.5.4.4.

De fabrikant mag desgewenst in plaats van de voorschriften van punt 6.5.3 de voorschriften van de punten 6.5.4.5 tot en met 6.5.4.12 opvolgen.

6.5.4.5.

Elk motorsysteem is voorzien van een systeem dat kan bepalen of een vloeistof met de door de fabrikant aangegeven en in bijlage II bij deze richtlijn vermelde reagenseigenschappen in het voertuig aanwezig is.

6.5.4.6.

Indien de vloeistof in de reagenstank niet voldoet aan de minimumvoorschriften die de fabrikant heeft opgegeven zoals bepaald in bijlage II bij deze richtlijn, zijn de aanvullende voorschriften van punt 6.5.4.12 van toepassing.

6.5.4.7.

Elk motorsysteem is voorzien van een systeem om het reagensverbruik te meten; die verbruiksinformatie moet buiten het voertuig toegankelijk zijn.

6.5.4.8.

Het gemiddelde reagensverbruik en het gemiddelde vereiste reagensverbruik van het motorsysteem, hetzij gedurende de voorbije werkingsperiode van 48 uur, hetzij gedurende de periode die nodig is om minstens 15 liter reagens te verbruiken (de langste duur is van toepassing), moeten beschikbaar zijn via de seriële poort van de standaarddiagnoseconnector, zoals bedoeld in punt 6.8.3 van bijlage IV bij Richtlijn 2005/78/EG.

6.5.4.9.

Om het reagensverbruik te volgen, worden minstens de volgende parameters in de motor gemeten:

—het reagensniveau in de tank aan boord van het voertuig;

—de reagensstroom of -inspuiting, zo dicht als technisch mogelijk is bij het punt van inspuiting in het uitlaatgasnabehandelingssysteem.

6.5.4.10.

Indien het verschil tussen het gemiddelde reagensverbruik en het gemiddelde vereiste reagensverbruik van het motorsysteem tijdens de in punt 6.5.4.8 bepaalde periode meer dan 50 % bedraagt, treden de maatregelen van punt 6.5.4.12 in werking.

6.5.4.11.

Bij een onderbreking van de reagensdosering treden de maatregelen van punt 6.5.4.12 in werking. Dit is niet nodig indien die onderbreking gebeurt op verzoek van de motorsturingseenheid omdat de bedrijfsomstandigheden van de motor zodanig zijn dat voor de emissiebeperking van de motor geen reagens nodig is, op voorwaarde dat de fabrikant de goedkeuringsinstantie duidelijk heeft aangegeven wanneer dergelijke omstandigheden zich voordoen.

6.5.4.12.

Elke storing met betrekking tot punt 6.5.4.6, 6.5.4.10 of 6.5.4.11 leidt tot de in punt 6.5.3.2, 6.5.3.3 of 6.5.3.4 genoemde volgorde van consequenties.

6.5.5. Maatregelen om manipulatie van uitlaatgasnabehandelingssystemen te ontmoedigen

6.5.5.1.

Alle onder dit punt vallende motorsystemen zijn voorzien van een koppelbegrenzer die de bestuurder waarschuwt wanneer het motorsysteem niet goed werkt of wanneer het voertuig op een verkeerde manier wordt gebruikt, en die de bestuurder ertoe aanzet eventuele storingen meteen te corrigeren.

6.5.5.2.

De koppelbegrenzer treedt in werking zodra het voertuig stationair draait nadat de omstandigheden genoemd in punt 6.5.3.4, 6.5.4.3, 6.5.4.6, 6.5.4.10 of 6.5.4.11 zijn opgetreden.

6.5.5.3.

Wanneer de koppelbegrenzer in werking treedt, mag het motorkoppel in geen geval meer bedragen dan een constante waarde van:

—60 % van het maximumkoppel bij voertuigen van categorie N3 > 16 t, M1 > 7,5 t, M3/III en M3/B > 7,5 t;

—75 % van het maximumkoppel bij voertuigen van categorie N1, N2, N3 ≤ 16 t, 3,5 < M1 ≤7,5 t, M2, M3/I, M3/II, M3/A en M3/B ≤ 7,5 t.

6.5.5.4.

Zie de punten 6.5.5.5 tot en met 6.5.5.8 voor de documentatievoorschriften en de voorschriften betreffende de koppelbegrenzer.

6.5.5.5.

Overeenkomstig de documentatievoorschriften van punt 6.1.7.1, onder b), wordt een gedetailleerde beschrijving van de functionele eigenschappen van het emissiebeperkingscontrolesysteem en de koppelbegrenzer verstrekt. De fabrikant verstrekt met name informatie over de algoritmen die de motorsturingseenheid gebruikt om de NOx-concentratie te relateren aan de specifieke NOx-emissie (in g/kWh) tijdens de ETC-testcyclus, overeenkomstig punt 6.5.6.5.

6.5.5.6.

De koppelbegrenzer wordt gedeactiveerd wanneer de motor stationair draait, indien de redenen voor activering niet langer bestaan. De koppelbegrenzer wordt pas automatisch gedeactiveerd als de oorzaak van de activering is weggenomen.

6.5.5.7.

De koppelbegrenzer kan niet worden gedeactiveerd door middel van een schakelaar of met behulp van onderhoudsgereedschap.

6.5.5.8.

De koppelbegrenzer is niet van toepassing op motoren of voertuigen die door het leger, de brandweer en de hulpdiensten worden gebruikt, noch op ambulances. De permanente deactivering van de koppelbegrenzer mag alleen door de fabrikant van de motor of het voertuig gebeuren; een speciaal motortype binnen de motorenfamilie wordt aangewezen voor de identificatie.

6.5.6. Bedrijfsomstandigheden van het emissiebeperkingscontrolesysteem

6.5.6.1.

Het emissiebeperkingscontrolesysteem is operationeel

—bij elke omgevingstemperatuur tussen 266 K en 308 K (– 7 °C en 35 °C);

—bij elke hoogte onder 1 600 m;

—bij elke temperatuur van de koelvloeistof van de motor boven 343 K (70 °C).

Dit punt geldt niet wanneer het reagensniveau in de tank wordt gemeten: deze meting vindt in alle gebruiksomstandigheden plaats.

6.5.6.2.

Het emissiebeperkingscontrolesysteem mag worden gedeactiveerd wanneer een „limp home”-strategie actief is die het koppel vermindert tot onder het niveau dat in punt 6.5.5.3 voor de desbetreffende voertuigcategorie is aangegeven.

6.5.6.3.

Indien een emissiestandaardinstelling actief is, blijft het emissiebeperkingscontrolesysteem operationeel en blijft het aan de bepalingen van punt 6.5 voldoen.

6.5.6.4.

De slechte werking van NOx-beperkende maatregelen wordt gedetecteerd tijdens vier OBD-testcycli (zie de definitie in punt 6.1 van aanhangsel 1 van bijlage IV bij Richtlijn 2005/78/EG).

6.5.6.5.

De algoritmen die de motorsturingseenheid gebruikt om de werkelijke NOx-concentratie te relateren aan de specifieke NOx-emissie (in g/kWh) tijdens de ETC-testcyclus, worden niet als een manipulatiestrategie beschouwd.

6.5.6.6.

Indien een AECS die door de typegoedkeuringsinstantie overeenkomstig punt 6.1.5 is goedgekeurd, operationeel wordt, mag een eventuele NOx-toename door de werking van de AECS worden toegepast op het desbetreffende NOx-niveau, zoals bedoeld in punt 6.5.3.2. In alle dergelijke gevallen wordt de invloed van de AECS op de NOx-drempel beschreven overeenkomstig punt 6.5.5.5.

6.5.7. Storing van het emissiebeperkingscontrolesysteem

6.5.7.1.

Het emissiebeperkingscontrolesysteem wordt gecontroleerd op elektrische storingen en de verwijdering of deactivering van sensoren waardoor het systeem geen verhoging van de emissie meer kan opsporen zoals voorgeschreven in de punten 6.5.3.2 en 6.5.3.4.

Voorbeelden van sensoren die de diagnosecapaciteit beïnvloeden zijn: de sensoren die de NOx-concentratie meten, de sensoren die de ureumkwaliteit meten en de sensoren die de reagensdosering, het reagensniveau, het reagensverbruik of de EGR-frequentie controleren.

6.5.7.2.

Indien een storing van het emissiebeperkingscontrolesysteem wordt bevestigd, wordt de bestuurder onmiddellijk gewaarschuwd door de activering van het waarschuwingssignaal overeenkomstig punt 3.6.5 van bijlage IV bij Richtlijn 2005/78/EG.

6.5.7.3.

Indien de storing niet binnen 50 bedrijfsuren van de motor wordt opgelost, treedt de koppelbegrenzer in werking overeenkomstig punt 6.5.5.

Vanaf de in artikel 2, leden 7 en 8, vermelde data wordt de in de bovenstaande alinea vastgestelde periode beperkt tot 36 uur.

6.5.7.4.

Wanneer het emissiebeperkingscontrolesysteem heeft vastgesteld dat de storing voorbij is, mogen de bij die storing horende foutcodes uit het systeemgeheugen worden gewist, behalve in de in punt 6.5.7.5 bedoelde gevallen, en wordt de koppelbegrenzer in voorkomend geval gedeactiveerd overeenkomstig punt 6.5.5.6.

Foutcodes die bij een storing van het emissiebeperkingscontrolesysteem horen, mogen door geen enkele scanner uit het systeemgeheugen kunnen worden gewist.

6.5.7.5.

In het geval van verwijdering of deactivering van elementen van het emissiebeperkingscontrolesysteem overeenkomstig punt 6.5.7.1 wordt een niet-wisbare foutcode minstens 400 dagen of 9 600 bedrijfsuren opgeslagen overeenkomstig punt 3.9.2 van bijlage IV bij Richtlijn 2005/78/EG.

6.5.8. Demonstratie van het emissiebeperkingscontrolesysteem

6.5.8.1.

In het kader van de typegoedkeuringsaanvraag van punt 3 toont de fabrikant aan de hand van tests op een motordynamometer de overeenstemming van de bepalingen van dit punt aan overeenkomstig de punten 6.5.8.2 tot en met 6.5.8.7.

6.5.8.2.

De overeenstemming van een motorenfamilie of een OBD-motorenfamilie met de voorschriften van dit punt kan worden aangetoond door het emissiebeperkingscontrolesysteem van een van de leden van de familie (de basismotor) te testen, op voorwaarde dat de fabrikant tegenover de typegoedkeuringsinstantie aantoont dat de emissiebeperkingscontrolesystemen binnen de familie gelijk zijn.

Dat kan door de typegoedkeuringsinstanties elementen zoals algoritmen, functionele analyses enz. voor te leggen.

De basismotor wordt door de fabrikant geselecteerd in overeenstemming met de typegoedkeuringsinstantie.

6.5.8.3.

De test van het emissiebeperkingscontrolesysteem bestaat uit de volgende drie stappen:

Selectie:

uit een door de fabrikant verstrekte lijst van voorbeelden van een slechte werking kiest de instantie een slechte werking van de NOx-beperkende voorzieningen of een storing van het emissiebeperkingscontrolesysteem.

Kwalificatie:

de invloed van de slechte werking wordt gevalideerd door het NOx-niveau tijdens de ETC-cyclus te meten op een motortestopstelling.

Demonstratie:

de reactie van het systeem (vermindering van het koppel, waarschuwingssignaal enz.) wordt aangetoond door de motor vier OBD-testcycli te laten doorlopen.

6.5.8.3.1.

Voor de selectiefase verstrekt de fabrikant de typegoedkeuringsinstantie een beschrijving van de monitoringstrategieën die worden gebruikt om een potentiële slechte werking van een NOx-beperkende voorziening en potentiële storingen van het emissiebeperkingscontrolesysteem vast te stellen, die hetzij tot de activering van de koppelbegrenzer, hetzij tot de activering van alleen het waarschuwingssignaal zouden leiden.

Typische voorbeelden van een slechte werking voor deze lijst zijn: een lege reagenstank, een slechte werking die een onderbreking van de reagensdosering tot gevolg heeft, een te lage reagenskwaliteit, een slechte werking die een laag reagensverbruik tot gevolg heeft, een onjuiste stroom van de uitlaatgasrecirculatie of de deactivering van de uitlaatgasrecirculatie.

De typegoedkeuringsinstantie kiest uit de lijst minstens twee en hoogstens drie voorbeelden van een slechte werking van het NOx-beperkende systeem of een storing van het emissiebeperkingscontrolesysteem.

6.5.8.3.2.

Voor de kwalificatiefase worden de NOx-emissies tijdens de ETC-testcyclus gemeten overeenkomstig aanhangsel 2 van bijlage III. Het resultaat van de ETC-test wordt gebruikt om te bepalen hoe het NOx-beperkingscontrolesysteem tijdens de demonstratiefase moet reageren (vermindering van het koppel en/of waarschuwingssignaal). Bij de simulatie van de storing mag het NOx-niveau geen enkele drempelwaarde van punt 6.5.3.2 of 6.5.3.4 met meer dan 1 g/kWh overschrijden.

De kwalificatie van de emissies is niet vereist in het geval van een lege reagenstank of om een storing van het emissiebeperkingscontrolesysteem aan te tonen.

Tijdens de kwalificatiefase is de koppelbegrenzer gedeactiveerd.

6.5.8.3.3.

Voor de demonstratiefase laat men de motor hoogstens vier OBD-testcycli doorlopen.

Behalve voor demonstratiedoeleinden mogen er geen storingen optreden.

6.5.8.3.4.

Vooraleer de testsequentie van punt 6.5.8.3.3 wordt gestart, wordt het emissiebeperkingscontrolesysteem in de stand „storingvrij” gezet.

6.5.8.3.5.

Afhankelijk van het gekozen NOx-niveau activeert het systeem een waarschuwingssignaal en in voorkomend geval ook de koppelbegrenzer vóór het einde van de detectiesequentie. De detectiesequentie mag worden gestopt zodra het NOx-beperkingscontrolesysteem naar behoren heeft gereageerd.

6.5.8.4.

In het geval van een emissiebeperkingscontrolesysteem waarbij het NOx-niveau door sensoren in de uitlaatgasstroom wordt gemeten, mag de fabrikant bepaalde systeemfunctionaliteiten (bv. onderbreking van de dosering, gesloten EGR-klep) rechtstreeks controleren om de overeenstemming vast te stellen. In dat geval wordt de geselecteerde systeemfunctionaliteit gedemonstreerd.

6.5.8.5.

De goedkeuring van de in punt 6.5.5.3 vereiste vermindering van het koppel door de koppelbegrenzer gebeurt samen met de goedkeuring van de algemene motorprestaties overeenkomstig Richtlijn 80/1269/EEG. Voor het demonstratieproces toont de fabrikant tegenover de typegoedkeuringsinstantie aan dat de juiste koppelbegrenzer in de motorsturingseenheid is aangebracht. Een afzonderlijke koppelmeting tijdens de demonstratie is niet vereist.

6.5.8.6.

Als alternatief voor de punten 6.5.8.3.3 tot en met 6.5.8.3.5 mogen het emissiebeperkingscontrolesysteem en de koppelbegrenzer worden gedemonstreerd tijdens een voertuigtest. Men rijdt met het voertuig op de weg of op een testbaan met de geselecteerde voorbeelden van een slechte werking of storing van het emissiebeperkingscontrolesysteem om aan te tonen dat het waarschuwingssignaal en de koppelbegrenzer werken zoals voorgeschreven in punt 6.5 en in het bijzonder in de punten 6.5.5.2 en 6.5.5.3.

6.5.8.7.

Indien een niet-wisbare foutcode in het computergeheugen moet worden opgeslagen om aan de voorschriften van punt 6.5 te voldoen, moet op het einde van de demonstratiesequentie aan de volgende drie voorwaarden zijn voldaan:

—het is mogelijk om via de OBD-scanner te bevestigen dat de in punt 6.5.3.3 beschreven passende niet-wisbare foutcode in het OBD-computergeheugen is opgeslagen en tot tevredenheid van de typegoedkeuringsinstantie kan worden aangetoond dat de scanner die foutcode niet kan wissen; en

—door de in punt 3.9.2 van bijlage IV bij Richtlijn 2005/78/EG bedoelde niet-wisbare teller af te lezen, kan worden bevestigd hoe lang het waarschuwingssignaal tijdens de detectiesequentie geactiveerd was en het is mogelijk om tot tevredenheid van de typegoedkeuringsinstantie aan te tonen dat de scanner de gegevens niet kan wissen; en

—de typegoedkeuringsinstantie heeft de constructieonderdelen goedgekeurd die aantonen dat deze niet-wisbare informatie minstens 400 dagen of 9 600 bedrijfsuren wordt opgeslagen overeenkomstig punt 3.9.2 van bijlage IV bij Richtlijn 2005/78/EG.

▼B

7. MONTAGE IN HET VOERTUIG

7.1.

De montage van de motor in het voertuig moet voldoen aan de volgende eigenschappen voor wat betreft de typegoedkeuring van de motor:

7.1.1.

de inlaatonderdruk mag niet meer bedragen dan de in bijlage VI voor de typegoedkeuring aangegeven waarde;

7.1.2.

de uitlaatgastegendruk mag niet meer bedragen dan de in bijlage VI voor de goedgekeurde motor aangegeven waarde;

7.1.3.

de inhoud van het uitlaatsysteem mag niet meer dan 40 % afwijken van de in bijlage VI voor de goedgekeurde motor aangegeven waarde;

7.1.4.

het door de hulpapparatuur die noodzakelijk is voor de werking van de motor geabsorbeerde vermogen mag niet meer bedragen dan de in bijlage VI voor de goedgekeurde motor aangegeven waarde.

8. MOTORFAMILIE

▼M1

8.1. Parameters die de motorfamilie bepalen

De motorfamilie, zoals bepaald door de motorfabrikant, moet voldoen aan de bepalingen van ISO 16185.

▼B

8.2. Keuze van de basismotor

8.2.1. Dieselmotoren

Het hoofdcriterium bij de keuze van de basismotor van de familie moet de hoogste brandstoftoevoer per slag bij het opgegeven toerental voor het maximumkoppel zijn. Indien twee of meer motoren volgens dat hoofdcriterium overeenstemmen, wordt de basismotor gekozen aan de hand van een tweede criterium, namelijk de hoogste brandstoftoevoer per slag bij het nominaal vermogen. Onder bepaalde omstandigheden kan de keuringsinstantie tot de slotsom komen dat de slechtste emissiewaarde van de familie het best kan worden bepaald door een tweede motor te beproeven. De goedkeuringsinstantie kan derhalve een extra motor ter beproeving kiezen aan de hand van kenmerken die erop wijzen dat die motor het hoogste emissieniveau van de motoren van die familie heeft.

Indien de motoren binnen de familie andere variabele kenmerken hebben die geacht worden van invloed te zijn op de uitlaatemissies, moeten die kenmerken eveneens worden bepaald en bij de keuze van de basismotor in aanmerking worden genomen.

8.2.2. Gasmotoren

Het hoofdcriterium voor de keuze van de basismotor van de familie moet de grootste verplaatsing zijn. Indien twee of meer motoren volgens dat hoofdcriterium overeenstemmen, wordt de basismotor gekozen aan de hand van secundaire criteria in de volgende volgorde:

—de hoogste brandstoftoevoer per slag bij het toerental voor het opgegeven nominaal vermogen;

—het vroegste ontstekingstijdstip;

—de laagste EGR-graad;

—geen luchtpomp of pomp met de laagste werkelijke luchtstroom.

Onder bepaalde omstandigheden kan de keuringsinstantie tot de slotsom komen dat de slechtste emissiewaarde van de familie het best kan worden bepaald door een tweede motor te beproeven. Daarom kan de keuringsinstantie een extra motor ter beproeving kiezen aan de hand van kenmerken die erop wijzen dat die motor het hoogste emissieniveau van de motoren van die familie heeft.

▼M1

8.3. Parameters om een OBD-motorfamilie te definiëren

De OBD-motorfamilie kan worden gedefinieerd aan de hand van basisontwerpparameters die gemeenschappelijk zijn voor de motorsystemen binnen die familie.

Motorsystemen worden tot dezelfde OBD-motorfamilie gerekend indien zij de volgende lijst van basisparameters gemeen hebben:

—de werkwijze van het OBD-systeem;

—de manier waarop storingen worden gedetecteerd,

tenzij de fabrikant de gelijkwaardigheid hiervan heeft aangetoond aan de hand van een relevante technische demonstratie of een andere geschikte procedure.

Opmerking: Motoren die niet tot dezelfde motorfamilie behoren, kunnen wel tot dezelfde OBD-motorfamilie behoren op voorwaarde dat aan bovenstaande criteria is voldaan.

▼B

9. OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUCTIE

9.1.

▼M1

Overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 70/156/EEG moeten maatregelen worden genomen om de overeenstemming van de productie te garanderen. De overeenstemming van de productie wordt gecontroleerd aan de hand van de gegevens in de typegoedkeuringscertificaten in bijlage VI bij deze richtlijn. Bij de toepassing van aanhangsel 1, 2 of 3 moeten op de gemeten emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door motoren waarvan de overeenstemming van de productie moet worden gecontroleerd, de desbetreffende verslechteringsfactoren voor die motor worden toegepast, zoals vastgesteld in punt 1.5 van het aanhangsel van bijlage VI.

De punten 2.4.2 en 2.4.3 van bijlage X bij Richtlijn 70/156/EEG zijn van toepassing indien de bevoegde instanties de berekeningsmethode van de fabrikant ontoereikend achten.

▼B

9.1.1.

Indien de emissies van verontreinigende stoffen gemeten moeten worden bij een motortype waarvan de typegoedkeuring een of meer keren is uitgebreid, worden de proeven uitgevoerd op de motor(en), beschreven in het informatiepakket betreffende de betrokken uitbreiding.

9.1.1.1.

Overeenstemming van de motor die aan een emissieproef wordt onderworpen:

Na het verstrekken van de motor aan de instantie stelt de fabrikant de gekozen motoren niet meer bij.

9.1.1.1.1.

Er worden drie willekeurige motoren uit de serie genomen. Motoren die alleen met de ESC-test en de ELR-test of alleen met de ETC-test worden gekeurd voor typegoedkeuring volgens rij A van de tabellen in punt 6.2.1 moeten de tests ondergaan die van toepassing zijn voor het nagaan van de overeenstemming van de productie. Met goedkeuring van de bevoegde instantie worden alle andere motortypen die zijn goedgekeurd volgens rij A, rij B1 of B2 of rij C van de tabellen in punt 6.2.1 hetzij met de ESC-cyclus en de ELR-cyclus, hetzij met de ETC-cyclus gekeurd voor het nagaan van de overeenstemming van de productie. De grenswaarden staan vermeld in punt 6.2.1 van deze bijlage.

9.1.1.1.2.

De proeven worden uitgevoerd overeenkomstig aanhangsel 1 van deze bijlage, indien de bevoegde instantie genoegen neemt met de door de fabrikant opgegeven standaarddeviatie van de productie overeenkomstig bijlage X van Richtlijn 70/156/EEG voor motorvoertuigen en de aanhangwagens daarvan.

De proeven worden uitgevoerd overeenkomstig aanhangsel 2 van deze bijlage indien de bevoegde instantie geen genoegen neemt met de door de fabrikant opgegeven standaarddeviatie van de productie overeenkomstig bijlage X van Richtlijn 70/156/EEG voor motorvoertuigen en de aanhangwagens daarvan.

Op verzoek van de fabrikant kunnen de proeven worden uitgevoerd overeenkomstig aanhangsel 3 van deze bijlage.

9.1.1.1.3.

De serieproductie wordt op grond van een proef met willekeurig gekozen motoren geacht conform respectievelijk niet-conform te zijn, wanneer volgens de testcriteria van het toepasselijke aanhangsel een positief oordeel voor alle verontreinigende stoffen, respectievelijk een negatief oordeel aangaande één verontreinigende stof is bereikt.

Indien voor een verontreinigende stof een positief oordeel is bereikt, mag daarvan niet worden afgeweken op grond van aanvullende proeven die worden uitgevoerd om tot een oordeel te komen over andere verontreinigende stoffen.

Indien er geen positief oordeel voor alle verontreinigende stoffen er geen negatief oordeel voor één verontreinigende stof wordt geveld, wordt er een proef met een andere motor uitgevoerd (zie figuur 2).

Indien er geen oordeel wordt geveld, mag de fabrikant te allen tijde besluiten de keuring te beëindigen. In dat geval wordt een negatief oordeel in het rapport opgenomen.

9.1.1.2.

De proeven worden uitgevoerd op nieuwe motoren. Men laat de gasmotoren inlopen volgens de methode van punt 3 van aanhangsel 2 bij bijlage III.

9.1.1.2.1.

Op verzoek van de fabrikant kunnen de proeven echter worden uitgevoerd op diesel- of gasmotoren die langer dan de in punt 9.1.1.2 aangegeven duur, maar ten hoogste 100 uur zijn ingereden. In dat geval laat de fabrikant de motoren inlopen. Hij verbindt zich ertoe, die motoren niet meer te zullen afstellen.

9.1.1.2.2.

Wanneer de fabrikant verzoekt om inlopen van de motor overeenkomstig punt 9.1.1.2.1, mag dat plaatsvinden met:

—alle motoren die worden getest,

—of

—de eerste motor die wordt getest, waarbij een als volgt bepaalde evolutiecoëfficiënt op die motor wordt toegepast:

—de emissies van verontreinigende stoffen worden bij de eerste testmotor op nul en „x” uur gemeten;

—de evolutiecoëfficiënt van de emissies tussen nul en „x” verontreinigende stof als volgt berekend:

emissies „x” uur/emissies nul uur.

De evolutiecoëfficiënt kan minder dan één zijn.

De andere testmotoren laat men niet inlopen, maar de emissies op nul uur worden aangepast met behulp van de evolutiecoëfficiënt.

In dat geval worden de volgende waarden gemeten:

—de waarden op „x” uur voor de eerste motor,

—de waarde bij nul uur, vermenigvuldigd met de evolutiecoëfficiënt, voor de andere motoren.

9.1.1.2.3.

Voor dieselmotoren en LPG-gasmotoren kunnen alle proeven worden uitgevoerd met in de handel zijnde brandstoffen. Op verzoek van de fabrikant kunnen echter de in bijlage IV beschreven referentiebrandstoffen worden gebruikt. Dit betekent dat proeven, zoals beschreven in punt 4 van deze bijlage, met ten minste twee referentiebrandstoffen voor elke gasmotor moeten worden verricht.

9.1.1.2.4.

Voor aardgasmotoren kunnen al deze proeven worden verricht met de volgende in de handel zijnde brandstoffen:

—voor met H gemerkte motoren een in de handel zijnde brandstof van gasgroep H (0,89 ≤ Sλ ≤ 1,00);

—voor met L gemerkte motoren een in de handel zijnde brandstof van gasgroep L (1,00 ≤ Sλ ≤ 1,19);

—voor met HL gemerkte motoren een in de handel zijnde brandstof binnen de uiterste waarden van de λ-verschuivingsfactor (0,89 ≤ Sλ ≤ 1,19).

Op verzoek van de fabrikant mogen de in bijlage IV beschreven referentiebrandstoffen worden gebruikt. Dit betekent dat de proeven, zoals beschreven in punt 4 van deze bijlage, met ten minste twee referentiebrandstoffen voor elke gasmotor moeten worden verricht.

9.1.1.2.5.

In geval van een geschil wanneer, bij gebruik van een in de handel zijnde brandstof, een gasmotor niet aan de grenswaarden voldoet, worden de proeven uitgevoerd met een referentiebrandstof waarmee de basismotor is getest, of eventueel met de extra brandstof 3, als bedoeld in de punten 4.1.3.1 en 4.2.1.1 waarmee de basismotor eventueel getest is. Vervolgens wordt de uitkomst omgerekend met behulp van de toepasselijke factor(en) „r”, „ra” en „rb”, als beschreven in de punten 4.1.4, 4.1.5.1 en 4.2.1.2. Indien „r”, „ra” of „rb” kleiner zijn dan 1, vindt geen correctie plaats. De meetresultaten en de berekende uitkomsten moeten aantonen dat de motor aan de grenswaarden voldoet met alle relevante brandstoffen (brandstof 1, 2 en eventueel brandstof 3 bij aardgasmotoren en brandstof A en B bij LPG-motoren).

9.1.1.2.6.

Proeven voor onderzoek naar de overeenstemming van de productie van gasmotoren die berekend zijn op een brandstof van een bepaalde samenstelling moeten verricht worden met de brandstof, waarvoor de motor gekalibreerd is.

Test met drie motorenBerekening van de statistische proefresultatenBeantwoorden de statistische proefresultaten volgens het toepasselijke aanhangsel aan de criteria voor een negatief oordeel over de serie voor ten minste één verontreinigingsproef?JASerie afgekeurdNEENBeantwoorden de statistische proefresultaten volgens het toepasselijke aanhangsel aan de criteria voor een positief oordeel over de serie voor ten minste één verontreinigingsproef?NEENJAEr wordt voor één of meerdere verontreinigende stoffen een positief oordeel geveldWordt voor alle verontreinigende stoffen een positief oordeel geveld?JASerie afgekeurdNEENProef met een andere motor

Figuur 2

Schematische voorstelling van beproeving van de overeenstemming van de productie

▼M1

9.1.2.

OBD-systemen

9.1.2.1.

Een eventuele controle van de overeenstemming van de productie van het OBD-systeem moet als volgt worden uitgevoerd.

9.1.2.2.

Wanneer de goedkeuringsinstantie constateert dat de productiekwaliteit onvoldoende lijkt, wordt een willekeurige motor uit de serie genomen en aan de in bijlage IV, aanhangsel 1, bij Richtlijn 2005/78/EG beschreven tests onderworpen. De tests mogen worden uitgevoerd op een motor die maximaal 100 uur is ingereden.

9.1.2.3.

De productie wordt geacht in overeenstemming te zijn indien deze motor voldoet aan de voorschriften van de in bijlage IV, aanhangsel 1, bij Richtlijn 2005/78/EG beschreven tests.

9.1.2.4

Indien de uit de serie genomen motor niet voldoet aan de voorschriften van punt 9.1.2.2, worden nog eens vier willekeurige motoren uit de serie genomen en aan de in bijlage IV, aanhangsel 1, bij Richtlijn 2005/78/EG beschreven tests onderworpen. De tests mogen worden uitgevoerd op motoren die maximaal 100 uur zijn ingereden.

9.1.2.5.

De productie wordt geacht in overeenstemming te zijn indien minstens drie van de vier willekeurige motoren voldoen aan de voorschriften van de in bijlage IV, aanhangsel 1, bij Richtlijn 2005/78/EG beschreven tests.

10. OVEREENSTEMMING VAN IN GEBRUIK ZIJNDE VOERTUIGEN/MOTOREN

10.1.

Voor deze richtlijn moet de overeenstemming van in gebruik zijnde voertuigen/motoren periodiek worden gecontroleerd tijdens de nuttige levensduur van een motor die in een voertuig is geïnstalleerd.

10.2.

Wat typegoedkeuringen voor emissies betreft, zijn bijkomende metingen aangewezen om te bevestigen dat de emissiebeperkingssystemen tijdens de nuttige levensduur van een motor in een voertuig onder normale gebruiksomstandigheden functioneel zijn.

10.3.

Zie bijlage III bij Richtlijn 2005/78/EG voor de procedures die moeten worden gevolgd in verband met de overeenstemming van in gebruik zijnde voertuigen/motoren.

▼B




Aanhangsel 1

PROCEDURE VOOR CONTROLE VAN DE OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUCTIE WANNEER DE STANDAARDDEVIATIE AANVAARDBAAR IS

1.In dit aanhangsel wordt de procedure beschreven om de overeenstemming van de productie te controleren wat betreft de emissies van verontreinigende stoffen wanneer de standaarddeviatie van de productie van de fabrikant aanvaardbaar is.

2.Met een minimummonstergrootte van drie motoren wordt de bemonsteringsprocedure zodanig gekozen, dat de kans dat een partij motoren waarvan 40 % niet geheel aan de eisen voldoet een proef doorstaat 0,95 is (risico van de producent = 5 %), terwijl de kans dat een partij motoren waarvan 65 % niet geheel aan de eisen voldoet wordt aanvaard 0,10 is (risico van de consument = 10 %).

▼M1

3.De volgende procedure wordt toegepast voor elke van de in punt 6.2.1. van bijlage I aangegeven verontreinigende stoffen (zie figuur 2):

Stel:

L

=

de natuurlijke logaritme van de grenswaarde voor de verontreinigende stof;

xi

=

de natuurlijke logaritme van de meting (na toepassing van de desbetreffende verslechteringsfactor) van motor i in het monster;

s

=

een raming van de standaarddeviatie van de productie (na toepassing van de natuurlijke logaritme van de meetwaarden);

n

=

het monsteraantal.

▼B

4.De statistische waarde van het monster wordt bepaald door de som van de standaarddeviaties van de grenswaarde te berekenen met de volgende formule:

image

5.Vervolgens geldt:

—indien het statistische proefresultaat boven de bij de monstergrootte passende drempelwaarde voor een positief oordeel ligt (zie tabel 3), wordt een positief oordeel geveld voor die verontreinigende stof;

—indien het statistische proefresultaat onder de bij de monstergrootte passende drempelwaarde voor een negatief oordeel ligt (zie tabel 3), wordt een negatief oordeel geveld voor die verontreinigende stof;

—in alle overige gevallen wordt een andere motor beproefd overeenkomstig punt 9.1.1.1 van bijlage I en wordt de berekeningsmethode toegepast op de monstergrootte, verhoogd met één.



Tabel 3

Drempelwaarden voor een positief en een negatief oordeel bij het bemonsteringsschema van aanhangsel 1

Minimummonstergrootte: 3

Cumulatief aantal geteste motoren (monstergrootte)

Drempelwaarde voor een positief oordeel An

Drempelwaarde voor een negatief oordeel Bn

3

3,327

– 4,724

4

3,261

– 4,790

5

3,195

– 4,856

6

3,129

– 4,922

7

3,063

– 4,988

8

2,997

– 5,054

9

2,931

– 5,120

10

2,865

– 5,185

11

2,799

– 5,251

12

2,733

– 5,317

13

2,667

– 5,383

14

2,601

– 5,449

15

2,535

– 5,515

16

2,469

– 5,581

17

2,403

– 5,647

18

2,337

– 5,713

19

2,271

– 5,779

20

2,205

– 5,845

21

2,139

€“ 5,911

22

2,073

– 5,977

23

2,007

– 6,043

24

1,941

– 6,109

25

1,875

– 6,175

26

1,809

– 6,241

27

1,743

– 6,307

28

1,677

– 6,373

29

1,611

– 6,439

30

1,545

– 6,505

31

1,479

– 6,571

32

– 2,112

– 2,112




Aanhangsel 2

PROCEDURE VOOR CONTROLE VAN DE OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUCTIE WANNEER DE STANDAARDDEVIATIE NIET AANVAARDBAAR IS OF NIET BESCHIKBAAR IS

1.In dit aanhangsel wordt de procedure beschreven om de overeenstemming van de productie te controleren wat betreft de emissies van verontreinigende stoffen wanneer de standaarddeviatie van de productie van de fabrikant niet aanvaardbaar of beschikbaar is.

2.Met een minimummonstergrootte van drie motoren wordt de bemonsteringsprocedure zodanig gekozen, dat de kans dat een partij motoren waarvan 40 % niet geheel aan de eisen voldoet een proef doorstaat 0,95 is (risico van de producent = 5 %), terwijl de kans dat een partij motoren waarvan 65 % niet geheel aan de eisen voldoet wordt aanvaard 0,10 is (risico van de consument = 10 %).

▼M1

3.De in punt 6.2.1 van bijlage I vermelde waarden van de verontreinigende stoffen worden, na toepassing van de desbetreffende verslechteringsfactor, geacht logaritmisch normaal te zijn verdeeld en moeten worden omgezet door de natuurlijke logaritme te nemen. Stel m0 = minimummonstergrootte, m = maximummonstergrootte (m0 = 3 en m = 32), n = monsteraantal.

4.Indien de natuurlijke logaritmen van de meetwaarden (na toepassing van de desbetreffende verslechteringsfactor) in de series x1, x2, … xi zijn en L is de natuurlijke logaritme van de grenswaarde voor de verontreinigende stof, dan geldt:

image

en

image

image

5.Tabel 4 geeft de drempelwaarden voor en positief (An) en een negatief oordeel (Bn) bij het gegeven monsteraantal. Het statistische proefresultaat is de verhouding

image

, die wordt gebruikt om vast te stellen of de serie goedgekeurd of afgekeurd is, en wel op de volgende wijze:

Voor m0 ≤ n ≤ m:

—wordt de serie goedgekeurd indien

image

—wordt de serie afgekeurd indien

image

—wordt een andere meting verricht indien

image

6.Opmerkingen

De volgende recursieve formules zijn nuttig voor de berekening van de opeenvolgende waarden van de proefstatistiek:

image

image

image



Tabel 4

Drempelwaarden voor een positief en een negatief oordeel bij het bemonsteringsschema van aanhangsel 2

Minimummonstergrootte: 3

Cumulatief aantal geteste motoren (monstergrootte)

Drempelwaarde voor een positief oordeel An

Drempelwaarde voor een negatief oordeel Bn

3

- 0,80381

16,64743

4

- 0,76339

7,68627

5

- 0,72982

4,67136

6

- 0,69962

3,25573

7

- 0,67129

2,45431

8

- 0,64406

1,94369

9

- 0,61750

1,59105

10

- 0,59135

1,33295

11

- 0,56542

1,13566

12

- 0,53960

0,97970

13

- 0,51379

0,85307

14

- 0,48791

0,74801

15

- 0,46191

0,65928

16

- 0,43573

0,58321

17

- 0,40933

0,51718

18

- 0,38266

0,45922

19

- 0,35570

0,40788

20

- 0,32840

0,36203

21

- 0,30072

0,32078

22

- 0,27263

0,28343

23

- 0,24410

0,24943

24

- 0,21509

0,21831

25

- 0,18557

0,18970

26

- 0,15550

0,16328

27

- 0,12483

0,13880

28

- 0,09354

0,11603

29

- 0,06159

0,09480

30

- 0,02892

0,07493

31

- 0,00449

0,05629

32

- 0,03876

0,03876




Aanhangsel 3

PROCEDURE VOOR CONTROLE VAN DE OVEREENSTEMMING VAN DE PRODUCTIE OP VERZOEK VAN DE FABRIKANT

1.In dit aanhangsel wordt de procedure beschreven om de overeenstemming van de productie wat betreft de emissies van verontreinigende stoffen op verzoek van de fabrikant te controleren.

2.Met een minimummonstergrootte van drie motoren wordt de bemonsteringsprocedure zodanig gekozen, dat de kans dat een partij motoren waarvan 30 % niet geheel aan de eisen voldoet een proef doorstaat 0,90 is (risico van de producent = 10 %) terwijl de kans dat een partij motoren waarvan 65 % niet geheel aan de eisen voldoet wordt aanvaard 0,10 is (risico van de consument = 10 %).

▼M1

3.De volgende procedure wordt toegepast voor elke van de in punt 6.2.1. van bijlage I aangegeven verontreinigende stoffen (zie figuur 2):

Stel:

L

=

de natuurlijke logaritme van de grenswaarde voor de verontreinigende stof;

xi

=

de natuurlijke logaritme van de meting (na toepassing van de desbetreffende verslechteringsfactor) van motor i in het monster;

s

=

een raming van de standaarddeviatie van de productie (na toepassing van de natuurlijke logaritme van de meetwaarden);

n

=

het monsteraantal.

▼B

4.Bereken voor het monster het statistische proefresultaat dat het aantal niet-overeenstemmende motoren weergeeft, d.w.z. xi ≥ L.

5.Vervolgens geldt:

—indien het statistische proefresultaat onder de bij de monstergrootte passende drempelwaarde voor een positief oordeel ligt of gelijk daaraan is (zie tabel 5), wordt een positief oordeel geveld voor die verontreinigende stof;

—indien het statistische proefresultaat boven de bij de monstergrootte passende drempelwaarde voor een negatief oordeel ligt of gelijk daaraan is (zie tabel 5), wordt een negatief oordeel geveld voor die verontreinigende stof;

—in alle overige gevallen wordt een andere motor overeenkomstig punt 9.1.1.1 van bijlage I getest en de berekeningsmethode wordt toegepast op de monstergrootte, plus één.

In tabel 5 zijn de aantallen voor een positief en een negatief oordeel berekend met behulp van de internationale norm ISO 8422/1991.



Tabel 5

Drempelwaarden voor een positief en een negatief oordeel bij het bemonsteringsschema van aanhangsel 3

Minimummonstergrootte: 3

Cumulatief aantal geteste motoren (monstergrootte)

Drempelwaarde voor een positief oordeel

Drempelwaarde voor een negatief oordeel

3

3

4

0

4

5

0

4

6

1

5

7

1

5

8

2

6

9

2

6

10

3

7

11

3

7

12

4

8

13

4

8

14

5

9

15

5

9

16

6

10

17

6

10

18

7

11

19

8

9

▼M1




Aanhangsel 4

BEPALING VAN DE SYSTEEMGELIJKWAARDIGHEID

De systeemgelijkwaardigheid overeenkomstig punt 6.2 moet met behulp van de passende testcycli worden vastgesteld aan de hand van een correlatiestudie met zeven (of meer) monsterparen tussen het kandidaat-systeem en een van de geaccepteerde referentiesystemen uit deze richtlijn. De gelijkwaardigheid wordt bepaald aan de hand van de F-test en de tweezijdige Student t-test.

Met deze statistische methode wordt de hypothese onderzocht dat de populatiestandaarddeviatie en het gemiddelde voor een emissie gemeten met het kandidaat-systeem niet verschillen van de standaarddeviatie en het populatiegemiddelde voor die emissie gemeten met het referentiesysteem. De hypothese wordt getest op basis van een 5 %-significantieniveau van de F- en t-waarden. Zie onderstaande tabel voor de kritieke F- en t-waarden voor zeven tot tien monsterparen. Als de F- en t-waarden die volgens onderstaande formules zijn berekend, groter zijn dan de kritieke F- en t-waarden, dan is het kandidaat-systeem niet gelijkwaardig.

De procedure is de volgende: De indices R en C verwijzen respectievelijk naar het referentie- en het kandidaat-systeem.

a)Voer ten minste zeven tests met het kandidaat- en het referentiesysteem uit, bij voorkeur parallel. nR en nC staan voor het aantal tests.

b)Bereken de gemiddelden xR en xC en de standaarddeviaties sR en sC.

c)Bereken de F-waarde als volgt:

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0020.xml.jpg

(van de twee standaarddeviaties SR en SC moet de grootste in de teller staan).

d)Bereken de t-waarde als volgt:

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0021.xml.jpg

e)Vergelijk de berekende F- en t-waarden met de kritieke F- en t-waarden op basis van het aantal tests (zie navolgende tabel). Raadpleeg bij een grotere steekproefomvang statistische tabellen voor 5 %-significantieniveau (95 %-betrouwbaarheidsniveau).

f)Bepaal de vrijheidsgraad (df) als volgt:

voor de F-test

:

df = nR – 1 / nC – 1

voor de t-test

:

df = nC + nR – 2



F- en t-waarden op basis van steekproefomvang

Steekproefomvang

F-test

t-test

df

Fcrit

df

tcrit

7

6/6

4,284

12

2,179

8

7/7

3,787

14

2,145

9

8/8

3,438

16

2,120

10

9/9

3,179

18

2,101

g)Bepaal de gelijkwaardigheid als volgt:

—als F < Fcriten t < tcrit, dan is het kandidaat-systeem gelijkwaardig aan het referentiesysteem van deze richtlijn;

—als F ≥ Fcriten t ≥ tcrit, dan verschilt het kandidaat-systeem van het referentiesysteem van deze richtlijn.

▼B




BIJLAGE II

INLICHTINGENFORMULIER Nr. …OVEREENKOMSTIG BIJLAGE I VAN RICHTLIJN 70/156/EEG VAN DE RAAD BETREFFENDE DE EG-TYPEGOEDKEURINGen met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes van motoren met compressieontsteking voor de aandrijving van voertuigen en de emissie van verontreinigende gassen van aardgas- en LPG-motoren met elektrische ontsteking voor de aandrijving van voertuigen(Richtlijn 2005/55/EEG)Voertuigtype/basis/motortypeDoorhalen wat niet van toepassing is.Bij niet-conventionele motoren en systemen dient de fabrikant gelijkaardige kenmerken dan dewelke hier bedoeld te vermelden.Indien niet van toepassing, vul nvt in.In te dienen voor elke motor van de familie.ESC-test.Doorhalen wat niet van toepassing is.:0. ALGEMENE GEGEVENS0.1. Merk (firmanaam):0.2. Type en handelsbenaming (eventuele versies vermelden):0.3. Middel tot identificatie van het type indien dit op het voertuig is aangegeven:0.4. Categorie waartoe het voertuig behoort (indien van toepassing):0.5. Motorcategorie: diesel/op aardgas/op LPG/op ethanol (1):0.6. Naam en adres van de fabrikant:0.7. Plaats en wijze van aanbrenging van de voorgeschreven platen en vermeldingen:0.8. In het geval van onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het EG-goedkeuringsmerk:0.9. Adres(sen) van de assemblagefabriek(en):Bijlagen1. Essentiële eigenschappen van de (basis)motor en gegevens over de uitvoering van de proef (aanhangsel 1).2. Essentiële eigenschappen van de motorfamilie (aanhangsel 2)3. Essentiële eigenschappen van de motortypen binnen de familie (aanhangsel 3)4. Eigenschappen van de met de motor verband houdende voertuigonderdelen (indien van toepassing) (aanhangsel 4)5. Foto's en/of tekeningen van de basismotor / het motortype en indien van toepassing het motorcompartiment.6. Lijst van eventuele verdere aanhangsels.Datum, dossier

►(5) M1

►(5) M1

►(5) M1

►(5) M1

►(5) M1




Aanhangsel 1

ESSENTIËLE EIGENSCHAPPEN VAN DE (OUDER) MOTOR EN GEGEVENS OVER DE UITVOERING VAN DE PROEFBij niet-conventionele motoren en systemen dient de fabrikant gelijkaardige kenmerken dan dewelke hier bedoeld te vermelden.1. Beschrijving van de motor1.1. Fabrikant:1.2. Motornummer van de fabrikant:1.3. Cyclus: viertakt/tweetaktDoorhalen wat niet van toepassing is.1.4. Aantal en opstelling van de cilinders:1.4.1. Boring: mm1.4.2. Slag: mm1.4.3. Ontstekingsvolgorde:1.5. Motorinhoud: cm31.6. Volumetrische compressieverhoudingTolerantie specificeren.:1.7. Tekening(en) van de verbrandingskamer en de zuigerkop:1.8. Minimumoppervlakte van de doorsnede van de in- en uitlaatpoorten: cm21.9. Stationair toerental: min-11.10. Netto-maximumvermogen: kW bij min-11.11. Maximaal toegestaan motortoerental: min-11.12. Netto-maximumkoppel: Nm bij min-11.13. Verbrandingssysteem: compressieontsteking/elektrische ontsteking (2)1.14. Brandstof: diesel/LPG/aardgas-H/aardgas-L/aardgas-HL/ethanol (2)1.15. Koelsysteem1.15.1. Vloeistof1.15.1.1. Aard van de vloeistof:1.15.1.2. Circulatiepomp(en): ja/neen (2)1.15.1.3. Eigenschappen of merk(en) en type(n) (indien van toepassing):1.15.1.4. Overbrengingsverhouding(en) (indien van toepassing):1.15.2. Lucht1.15.2.1. Aanjager: ja/neen (2)1.15.2.2. Eigenschappen of merk(en) en type(n) (indien van toepassing):1.15.2.3. Overbrengingsverhouding(en) (indien van toepassing):1.16. Door de fabrikant toegestane temperatuur1.16.1. Vloeistofkoeling: maximumtemperatuur bij de uitlaat: K1.16.2. Luchtkoeling: Referentiepunt:Maximumtemperatuur bij het referentiepunt: K

1.16.3. Maximumluchttemperatuur bij de uitlaat van de inlaattussenkoeler (indien van toepassing):K1.16.4. Maximumtemperatuur van de uitlaatgassen op het punt in de uitlaatpijp(en) ter hoogte van de buitenflens (-flenzen) van het (de) uitlaatspruitstuk(ken) of drukvuller(s):K1.16.5. Brandstoftemperatuur: min. K, max. Kbij dieselmotoren bij de inlaat van de inspuitpomp, bij aardgasmotoren bij de eindtrap van de drukregelaar1.16.6. Brandstofdruk: min. kPa, max. kPabij de eindtrap van de drukregelaar, alleen bij aardgasmotoren1.16.7. Smeermiddeltemperatuur: min. K, max. K1.17. Drukvulling: ja/neenDoorhalen wat niet van toepassing is.1.17.1. Merk:1.17.2. Type:1.17.3. Beschrijving van het systeem (bv. maximum-vuldruk, afvoerklep indien van toepassing):1.17.4. Tussenkoeler: ja/neen (1)1.18. InlaatsysteemMaximaal toelaatbare inlaatonderdruk bij het nominaal motortoerental en vollast, als aangegeven in en onder de werkingsomstandigheden van Richtlijn 80/1269/EEG van de Raad van 16 december 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake het motorvermogen van motorvoertuigenPB L 375 van 31.12.1980, blz. 46. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 1999/99/EG van de Commissie (PB L 334 van 28.12.1999, blz. 32).kPa1.19. UitlaatsysteemMaximaal toelaatbare uitlaattegendruk bij het nominaal motortoerental en vollast, als aangegeven in en overeenkomstig de bedrijfsomstandigheden van Richtlijn 80/1269/EEG:kPaInhoud van het uitlaatsysteem: dm3

►(1) M1

2. Voorzieningen tegen luchtverontreiniging2.1. Inrichting voor het recycleren van cartergassen (beschrijving en tekeningen):2.2. Extra voorzieningen tegen luchtverontreiniging (voorzover aanwezig en niet elders vermeld):2.2.1. Katalysator: ja/neen (1)2.2.1.1. Merk(en):2.2.1.2. Type(n):2.2.1.3. Aantal katalysatoren en elementen:2.2.1.4. Afmetingen, vorm en inhoud van de katalysator(en):2.2.1.5. Soort katalytische werking:2.2.1.6. Totale hoeveelheid edelmetalen:2.2.1.7. Relatieve concentratie:2.2.1.8. Ondergrond (structuur en materiaal):2.2.1.9. Celdichtheid:2.2.1.10. Type katalysatorhuis:2.2.1.11. Plaats van de katalysator(en) (plaats en de referentieafstand in de uitlaatpijp):2.2.2. Zuurstofsensor: ja/neenDoorhalen wat niet van toepassing is.2.2.2.1. Merk(en):2.2.2.2.Type:2.2.2.3.Plaats:2.2.3. Luchtinjectie: ja/neen (1)2.2.3.1. Type (pulse air, luchtpomp, enz.):

►(1) M1

2.2.4. Uitlaatgasrecirculatie: ja/neen (1)2.2.4.1. Kenmerken (debiet, enz.):2.2.5. Deeltjesvanger: ja/neen (1)2.2.5.1. Afmetingen, vorm en inhoud van de deeltjesvanger:2.2.5.2. Type deeltjesvanger en ontwerp:2.2.5.3. Plaats (referentieafstand in de uitlaatpijp):2.2.5.4. Regeneratiemethode of -systeem, beschrijving en/of tekening:2.2.6. Andere systemen: ja/neen (1)2.2.6.1. Beschrijving en werking:3. Brandstoftoevoer3.1. Dieselmotoren3.1.1. BrandstofpompDrukTolerantie specificeren.: kPa of karakteristiek diagram (1):3.1.2. Inspuitsysteem3.1.2.1. Pomp3.1.2.1.1. Merk(en):3.1.2.1.2. Type(n):3.1.2.1.3. Opbrengst: mm3 (2) per slag bij een motortoerental van min-1 en maximale inspuiting, of karakteristiek diagram (1) (2):Vermeld de gebruikte methode: op een motor/op een proefbank (1)Indien aanjaagdrukregeling wordt toegepast, de karakteristieke brandstofopbrengst vermelden alsmede de aanjaagdruk met bijbehorend motortoerental.3.1.2.1.4. Inspuitvervroeging3.1.2.1.4.1. Inspuitvervroegingscurve (2):3.1.2.1.4.2. Statisch inspuittijdstip (2):3.1.2.2. Inspuitleidingen3.1.2.2.1. Lengte: mm3.1.2.2.2. Binnendiameter: mm3.1.2.3. Verstuiver(s)

►(3) M1

►(3) M1

►(3) M1

3.1.2.3.1. Merk(en):3.1.2.3.2. Type(n):3.1.2.3.3. Openingsdruk: kPa (2)of karakteristiek diagramDoorhalen wat niet van toepassing is.Tolerantie specificeren.:3.1.2.4. Regulateur3.1.2.4.1. Merk(en):3.1.2.4.2. Type(n):3.1.2.4.3. Uitschakelpunt bij vollast: min-13.1.2.4.4. Maximumtoerental in onbelaste toestand: min-13.1.2.4.5. Stationair toerental: min-13.1.3. Koudstartsysteem3.1.3.1. Merk(en):3.1.3.2. Type(n):3.1.3.3. Beschrijving:3.1.3.4. Hulpstartsysteem:3.1.3.4.1. Merk:3.1.3.4.2. Type:3.2. GasmotorenIn geval van anders verklaarde systemen, vergelijkbare informatie geven (voor paragraaf 3.2).3.2.1. Brandstof: aardgas/LPG (1)3.2.2. Drukregelaar(s) of verdamper/drukregelaar(s) (2)3.2.2.1. Merk(en):3.2.2.2. Type(n):3.2.2.3. Aantal drukreduceerfasen:3.2.2.4. Druk in de eindfase: min. KPa, max. kPa3.2.2.5. Aantal voornaamste afstelpunten:3.2.2.6. Aantal stationair-afstelpunten:3.2.2.7. Goedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn 1999/96/EGRichtlijn 1999/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voertuigmotoren met compressieontsteking en de emissie van verontreinigende gassen door op aardgas of vloeibaar petroleumgas lopende voertuigmotoren met elektrische ontsteking (PB L 44 van 16.2.2000, blz. 1).:3.2.3. Brandstofsysteem: mengeenheid/gasinspuiting/vloeistofinspuiting/directe inspuiting (1)3.2.3.1. Mengverhoudingregeling:3.2.3.2. Systeembeschrijving en/of -diagram en tekeningen:3.2.3.3. Goedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn 1999/96/EG:3.2.4. Mengeenheid3.2.4.1. Aantal:3.2.4.2. Merk(en):3.2.4.3. Type(n):3.2.4.4. Plaats:3.2.4.5. Afstelmogelijkheden:

3.2.4.6. Goedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn 1999/96/EG:3.2.5. Inspuiting in het inlaatspruitstuk3.2.5.1. Inspuiting: enkelpunts/meerpuntsDoorhalen wat niet van toepassing is.3.2.5.2. Inspuiting: continu/gelijktijdig/achtereenvolgens (1)3.2.5.3. Inspuitapparatuur3.2.5.3.1. Merk(en):3.2.5.3.2. Type(n):3.2.5.3.3. Afstelmogelijkheden:3.2.5.3.4. Goedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn 1999/96/EG:3.2.5.4. Voedingspomp (indien aanwezig)3.2.5.4.1. Merk(en):3.2.5.4.2. Type(n):3.2.5.4.3. Goedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn 1999/96/EG:3.2.5.5. Verstuiver(s):3.2.5.5.1. Merk(en):3.2.5.5.2. Type(n):3.2.5.5.3. Goedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn 1999/96/EG:3.2.6. Directe inspuiting3.2.6.1. Inspuitpomp/drukregelaar (1)3.2.6.1.1. Merk(en):3.2.6.1.2. Type(n):3.2.6.1.3. Inspuitingstijd:3.2.6.1.4. Goedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn 1999/96/EG:3.2.6.2. Verstuiver(s)3.2.6.2.1. Merk(en):3.2.6.2.2. Type(n):3.2.6.2.3. Openingsdruk of karakteristiek diagramTolerantie specificeren.:3.2.6.2.4. Goedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn 1999/96/EG:3.2.7. Elektronische regeleenheid (ECU)3.2.7.1. Merk(en):3.2.7.2. Type(n):3.2.7.3. Afstelmogelijkheden:3.2.8. Specifieke aardgasapparatuur3.2.8.1. Variant 1(alleen in geval van goedkeuring van motoren voor diverse specifieke brandstofsamenstellingen)

3.2.8.1.1. Brandstofsamenstelling:3.2.8.1.2. Inspuiter(s)3.2.8.1.2.1. Merk(en):3.2.8.1.2.2. Type(n):3.2.8.1.3. Overige (indien van toepassing)3.2.8.2. Variant 2(alleen in geval van goedkeuringen voor verscheidene specifieke brandstofsamenstellingen)4. Klepafstelling4.1. Maximale lichthoogte, openings- en sluitingshoeken ten opzichte van de dode punten of equivalente gegevens:4.2. Referentie en/of afstelbereikDoorhalen wat niet van toepassing is.:5. Ontstekingssysteem (alleen motoren met elektrische ontsteking)5.1. Type ontstekingssysteem: gemeenschappelijke bobine en bougies/afzonderlijke bobine en bougies/bobine op bougie/overige (specificeren) (1)5.2. Ontstekingsregeleenheid5.2.1. Merk(en):5.2.2. Type(n):5.3. Vervroegingscurve van de ontsteking/vervroegingsdiagram (1)Tolerantie specificeren.:5.4. Ontstekingstijdstip (2): graden voor het BDP bij een toerental van min-1 en een MAP van kPa5.5. Bougies5.5.1. Merk(en):5.5.2. Type(n):5.5.3. Spleetinstelling: mm5.6. Bobine(s)5.6.1. Merk(en):5.6.2. Type(n):

6. Met de motor aangedreven hulpapparatuurDe motor wordt voor de beproeving ter beschikking gesteld met de hulpapparatuur die nodig is voor de werking van de motor (bv. ventilator, waterpomp enz.), als aangegeven in en onder de werkingsomstandigheden van Richtlijn 80/1269/EEG, laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 97/21/EG , bijlage I, punt 5.1.1.6.1. De voor de proef te monteren hulpapparatuurIndien het onmogelijk of niet geschikt is om de hulpapparatuur op de proefbank te monteren, moet het door deze apparatuur opgenomen vermogen worden bepaald en van het gemeten motorvermogen over het gehele werkingsgebied van de testcyclus (cycli) afgetrokken worden.6.2. Voor de test te verwijderen hulpapparatuurHulpapparatuur die slechts nodig is voor de werking van het voertuig (bv. luchtcompressor, airconditioningsysteem) moet voor de test worden verwijderd. Indien de hulpapparatuur niet kan worden verwijderd, kan het door die apparatuur opgenomen vermogen worden bepaald en bij het gemeten motorvermogen over het gehele werkingsgebied van de testcyclus (cycli) opgeteld worden.7. Aanvullende gegevens over testvoorwaarden7.1. Smeermiddelen7.1.1. Merk:7.1.2. Type:Het percentage olie in een mengsel vermelden indien smeermiddel en brandstof gemengd zijn):7.2. Door de motor aangedreven apparatuur (indien van toepassing)Het door de hulpapparatuur opgenomen vermogen behoeft alleen te worden bepaald:indien de voor de werking van de motor benodigde hulpapparatuur niet op de motor gemonteerd is en/ofindien niet voor de werking van de motor benodigde hulpapparatuur is gemonteerd op de motor.7.2.1. Lijst en omschrijving van bijzonderheden:7.2.2. Bij verschillende aangegeven motortoerentallen opgenomen vermogen:

8. Motorprestaties8.1. MotortoerentallenTolerantie specificeren; moet binnen de 3 % zijn van de waarden aangegeven door de fabrikant.Laag toerental (nlo): min-1Hoog toerental (nhi): min-1Bij de ESC- en ELR-cyclusStationair: min-1Toerental A: min-1Toerental B: min-1Toerental C: min-1Bij ECT-cyclusReferentietoerental: min-18.2. Motorvermogen (gemeten overeenkomstig Richtlijn 80/1269/EEG, in kW)

8.3. Dynamometerafstelling (kW)De dynamometerafstelling bij de ESC-test en de ELR-test en bij de referentiecyclus van de ETC-test moet worden gebaseerd op het netto-motorvermogen (P(n)) van punt 8.2. Aanbevolen wordt de motor op de proefbank te monteren onder de netto-omstandigheden. In dat geval zijn (P(m) en P(n) identiek. Indien het niet mogelijk of doelmatig is de motor onder netto-omstandigheden te laten draaien, moet de dynamometer worden gecorrigeerd naar de netto-omstandigheden met behulp van bovenstaande formule.8.3.1. ESC- en ELR-testDe dynamometerafstelling moet worden berekend met behulp van de formule van punt 1.2 in aanhangsel 1 van bijlage III.8.3.2. ETC-testIndien de motor niet wordt beproefd onder de netto-omstandigheden, moet de fabrikant de correctieformule verstrekken waarmee het gemeten vermogen of de gemeten arbeid per cyclus, als vastgesteld overeenkomstig punt 2 van aanhangsel 2 bij bijlage III, kan worden omgezet in nettovermogen of netto-arbeid per cyclus voor het gehele werkingsgebied van de cyclus, welke moet worden goedgekeurd door de technische dienst.

►(3) M1

►(3) M1

►(3) M3




Aanhangsel 2

ESSENTIËLE EIGENSCHAPPEN VAN DE MOTORFAMILIE

1. Gemeenschappelijke parameters1.1. Verbrandingscyclus:1.2. Koelmedium:1.3. Aantal cilindersIndien niet van toepassing, vul nvt in.:1.4. Zuigerverplaatsing per cilinder:1.5. Luchtaanzuiging:1.6. Type/ontwerp van de verbrandingskamer:1.7. Klep- en poortconfiguratie, grootte en aantal:1.8. Brandstofsysteem:1.9. Ontstekingssysteem (gasmotoren):1.10. Overige kenmerken:tussenkoelsysteemIndien niet van toepassing, vul nvt in.:uitlaatgasrecirculatieIndien niet van toepassing, vul nvt in.:waterinjectie/emulsieIndien niet van toepassing, vul nvt in.:luchtinjectieIndien niet van toepassing, vul nvt in.:1.11. UitlaatgasnabehandelingIndien niet van toepassing, vul nvt in.:Bewijs van identieke (of laagste voor de basismotor) verhouding: systeemcapaciteit/brandstofopbrengst per slag, overeenkomstig diagram nr(s):2. Gegevens van de motorfamilie2.1. Aanduiding van de dieselmotorfamilie:2.1.1. Specificaties van de motoren binnen deze familie:

►(1) M1

2.2. Aanduiding van de gasmotorfamilie:2.2.1. Specificaties van de motoren binnen deze familie:




Aanhangsel 3

ESSENTIËLE EIGENSCHAPPEN VAN HET MOTORTYPE BINNEN DE FAMILIEIn te dienen voor elke motor van de familie.1. Beschrijving van de motor1.1. Fabrikant:1.2. Motornummer van de fabrikant:1.3. Cyclus: viertakt/tweetaktDoorhalen wat niet van toepassing is.1.4. Aantal en opstelling van de cilinders:1.4.1. Boring: mm1.4.2. Slag: mm1.4.3. Ontstekingsvolgorde:1.5. Motorinhoud: cm31.6. Volumetrische compressieverhoudingTolerantie specificeren.:1.7. Tekening(en) van de verbrandingskamer en de zuigerkop:1.8. Minimumoppervlakte van de doorsnede van de in- en uitlaatpoorten: cm21.9. Stationair toerental: min-11.10. Netto-maximumvermogen: kW bij min-11.11. Maximaal toegestaan motortoerental: min-11.12. Netto-maximumkoppel: Nm bij min-11.13.Verbrandingssysteem: compressieontsteking/elektrische ontstekingDoorhalen wat niet van toepassing is.1.14. Brandstof: diesel/LPG/aardgas-H/aardgas-L/aardgas-HL/ethanolDoorhalen wat niet van toepassing is.1.15. Koelsysteem1.15.1. Vloeistof1.15.1.1. Aard van de vloeistof:1.15.1.2. Circulatiepomp(en): ja/neenDoorhalen wat niet van toepassing is.1.15.1.3. Eigenschappen of merk(en) en type(n) (indien van toepassing):1.15.1.4. Overbrengingsverhouding(en) (indien van toepassing):1.15.2. Lucht1.15.2.1. Aanjager: ja/neenDoorhalen wat niet van toepassing is.1.15.2.2. Eigenschappen of merk(en) en type(n) (indien van toepassing):1.15.2.3. Overbrengingsverhouding(en) (indien van toepassing):1.16. Door de fabrikant toegestane temperatuur1.16.1. Vloeistofkoeling: maximumtemperatuur bij de uitlaat: K1.16.2. Luchtkoeling:Referentiepunt:

Maximumtemperatuur bij het referentiepunt: K1.16.3. Maximumluchttemperatuur bij de uitlaat van de inlaattussenkoeler (indien van toepassing): K1.16.4. Maximumtemperatuur van de uitlaatgassen op het punt in de uitlaatpijp(en) ter hoogte van de buitenflens (-flenzen) van het (de) uitlaatspruitstuk(ken) of drukvuller(s): K1.16.5. Brandstoftemperatuur: min. K, max.Kbij dieselmotoren bij de inlaat van de inspuitpomp, bij aardgasmotoren bij de eindtrap van de drukregelaar1.16.6. Brandstofdruk: min. kPa, max. kPabij de eindtrap van de drukregelaar, alleen bij aardgasmotoren1.16.7. Smeermiddeltemperatuur: min. K, max. K1.17. Drukvulling: ja/neenDoorhalen wat niet van toepassing is.1.17.1. Merk:1.17.2. Type:1.17.3. Beschrijving van het systeem (bv. maximum-vuldruk, afvoerklep indien van toepassing):1.17.4. Tussenkoeler: ja/neenDoorhalen wat niet van toepassing is.1.18. InlaatsysteemMaximaal toelaatbare inlaatonderdruk bij het nominaal motortoerental en vollast, als aangegeven in en onder de werkingsomstandigheden van Richtlijn80/1269/EEG :kPa1.19. UitlaatsysteemMaximaal toelaatbare uitlaattegendruk bij het nominaal motortoerental en vollast, als aangegeven in en onder de werkingsomstandigheden vanRichtlijn 80/1269/EEG:kPaInhoud van het uitlaatsysteem: cm3

►(1) M1

2. Voorzieningen tegen luchtverontreiniging2.1. Inrichting voor het recycleren van cartergassen (beschrijving en tekeningen):2.2. Extra voorzieningen tegen luchtverontreiniging (voorzover aanwezig en niet elders vermeld):2.2.1. Katalysator: ja/neenDoorhalen wat niet van toepassing is.2.2.1.1. Merk(en):2.2.1.2. Type(n):2.2.1.3. Aantal katalysatoren en elementen:2.2.1.4. Afmetingen, vorm en inhoud van de katalysator(en):2.2.1.5. Soort katalytische werking:2.2.1.6. Totale hoeveelheid edelmetalen:2.2.1.7. Relatieve concentratie:2.2.1.8. Ondergrond (structuur en materiaal):2.2.1.9. Celdichtheid:2.2.1.10. Type katalysatorhuis:2.2.1.11. Plaats van de katalysator(en) (plaats en de referentieafstand in de uitlaatpijp):2.2.2. Zuurstofsensor: ja/neenDoorhalen wat niet van toepassing is.2.2.2.1. Merk(en)2.2.2.2. Type(n):2.2.2.3. Plaats2.2.3. Luchtinjectie: ja/neenDoorhalen wat niet van toepassing is.2.2.3.1. Type (pulse air, luchtpomp, enz.):

►(1) M1

2.2.4. Uitlaatgasrecirculatie: ja/neenDoorhalen wat niet van toepassing is.2.2.4.1. Kenmerken (debiet, enz.):2.2.5. Deeltjesvanger: ja/neenDoorhalen wat niet van toepassing is.2.2.5.1. Afmetingen, vorm en inhoud van de deeltjesvanger:2.2.5.2. Type deeltjesvanger en ontwerp:2.2.5.3. Plaats (referentieafstand in de uitlaatpijp):2.2.5.4. Regeneratiemethode of -systeem, beschrijving en/of tekening:2.2.6. Andere systemen: ja/neenDoorhalen wat niet van toepassing is.2.2.6.1. Beschrijving en werking:3. Brandstoftoevoer3.1. Dieselmotoren3.1.1. BrandstofpompDrukTolerantie specificeren.: kPa of karakteristiek diagramDoorhalen wat niet van toepassing is.:3.1.2. Inspuitsysteem3.1.2.1. Pomp3.1.2.1.1. Merk(en):3.1.2.1.2. Type(n):3.1.2.1.3. Opbrengst: mm3Tolerantie specificeren. per slag bij een motortoerental van min-1 en maximale inspuiting, of karakteristiek diagramDoorhalen wat niet van toepassing is.Tolerantie specificeren.:Vermeld de gebruikte methode: op een motor/op een proefbankDoorhalen wat niet van toepassing is.Indien aanjaagdrukregeling wordt toegepast, de karakteristieke brandstofopbrengst vermelden alsmede de aanjaagdruk met bijbehorend motortoerental.3.1.2.1.4. Inspuitvervroeging3.1.2.1.4.1. InspuitvervroegingscurveTolerantie specificeren.:3.1.2.1.4.2. Statisch inspuittijdstipTolerantie specificeren.:3.1.2.2. Inspuitleidingen3.1.2.2.1. Lengte: mm3.1.2.2.2. Binnendiameter: mm3.1.2.3. Verstuiver(s)3.1.2.3.1. Merk(en):3.1.2.3.2. Type(n):3.1.2.3.3. Openingsdruk: kPATolerantie specificeren. of karakteristiek diagramDoorhalen wat niet van toepassing is.Tolerantie specificeren.:

►(3) M1

►(3) M1

►(3) M1

3.1.2.4. Regulateur3.1.2.4.1. Merk(en):3.1.2.4.2. Type(n):3.1.2.4.3. Uitschakelpunt bij vollast: min-13.1.2.4.4. Maximumtoerental in onbelaste toestand: min-13.1.2.4.5. Stationair toerental: min-13.1.3. Koudstartsysteem3.1.3.1. Merk(en):3.1.3.2. Type(n):3.1.3.3. Beschrijving:3.1.3.4. Hulpstartsysteem:3.1.3.4.1. Merk:3.1.3.4.2. Type:3.2. GasmotorenIn geval van anders verklaarde systemen, vergelijkbare informatie geven (voor paragraaf 3.2).3.2.1. Brandstof: aardgas/LPGDoorhalen wat niet van toepassing is.3.2.2. Drukregelaar(s) of verdamper/drukregelaar(s)Tolerantie specificeren.3.2.2.1. Merk(en):3.2.2.2. Type(n):3.2.2.3. Aantal drukreduceerfasen:3.2.2.4. Druk in de eindfase: min. KPa, max. kPa3.2.2.5. Aantal voornaamste afstelpunten:3.2.2.6. Aantal stationair-afstelpunten:3.2.2.7. Goedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn 1999/96/EG:3.2.3. Brandstofsysteem: mengeenheid/gasinspuiting/vloeistofinspuiting/directe inspuitingDoorhalen wat niet van toepassing is.3.2.3.1. Mengverhoudingregeling:3.2.3.2. Systeembeschrijving en/of -diagram en tekeningen:3.2.3.3. Goedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn 1999/96/EG:3.2.4. Mengeenheid3.2.4.1. Aantal:3.2.4.2. Merk(en):3.2.4.3. Type(n):3.2.4.4. Plaats:3.2.4.5. Afstelmogelijkheden:3.2.4.6. Goedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn 1999/96/EG:3.2.5. Inspuiting in het inlaatspruitstuk3.2.5.1. Inspuiting: enkelpunts/meerpuntsDoorhalen wat niet van toepassing is.3.2.5.2. Inspuiting: continu/gelijktijdig/achtereenvolgensDoorhalen wat niet van toepassing is.3.2.5.3. Inspuitapparatuur

3.2.5.3.1. Merk(en):3.2.5.3.2. Type(n):3.2.5.3.3. Afstelmogelijkheden:3.2.5.3.4. Goedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn 1999/96/EG:3.2.5.4. Voedingspomp (indien aanwezig):3.2.5.4.1. Merk(en):3.2.5.4.2. Type(n):3.2.5.4.3. Goedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn 1999/96/EG:3.2.5.5. Verstuiver(s):3.2.5.5.1. Merk(en):3.2.5.5.2. Type(n):3.2.5.5.3. Goedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn 1999/96/EG:3.2.6. Directe inspuiting3.2.6.1. Inspuitpomp/drukregelaarDoorhalen wat niet van toepassing is.3.2.6.1.1. Merk(en):3.2.6.1.2. Type(n):3.2.6.1.3. Inspuitingstijd:3.2.6.1.4. Goedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn 1999/96/EG:3.2.6.2. Verstuiver(s)3.2.6.2.1. Merk(en):3.2.6.2.2. Type(n):3.2.6.2.3. Openingsdruk of karakteristiek diagramTolerantie specificeren.:3.2.6.2.4. Goedkeuringsnummer overeenkomstig Richtlijn 1999/96/EG:3.2.7. Elektronische regeleenheid (ECU)3.2.7.1. Merk(en):3.2.7.2. Type(n):3.2.7.3. Afstelmogelijkheden:3.2.8. Specifieke aardgasapparatuur3.2.8.1. Variant 1(alleen in geval van goedkeuring van motoren voor diverse specifieke brandstofsamenstellingen)3.2.8.1.1. Brandstofsamenstelling:

3.2.8.1.2. Inspuiter(s)3.2.8.1.2.1. Merk(en):3.2.8.1.2.2. Type(n):3.2.8.1.3. Overige (indien van toepassing)3.2.8.2. Variant 2(alleen in geval van goedkeuringen voor verscheidene specifieke brandstofsamenstellingen)4. Klepafstelling4.1. Maximale lichthoogte, openings- en sluitingshoeken ten opzichte van de dode punten of equivalente gegevens:4.2. Referentie en/of afstelbereikDoorhalen wat niet van toepassing is.:5. Ontstekingssysteem (alleen motoren met elektrische ontsteking)5.1. Type ontstekingssysteem: gemeenschappelijke bobine en bougies/afzonderlijke bobine en bougies/bobine op bougie/overige (specificeren)Doorhalen wat niet van toepassing is.5.2. Ontstekingsregeleenheid5.2.1. Merk(en):5.2.2. Type(n):5.3. Vervroegingscurve van de ontsteking/vervroegingsdiagramDoorhalen wat niet van toepassing is.Tolerantie specificeren.:5.4. OntstekingstijdstipDoorhalen wat niet van toepassing is. graden voor het BDP bij een toerental van min-1 en een MAP van kPa5.5. Bougies5.5.1. Merk(en):5.5.2. Type(n):5.5.3. Spleetinstelling: mm5.6. Bobine(s)5.6.1. Merk(en):5.6.2. Type(n):

►(1) M1




Aanhangsel 4

EIGENSCHAPPEN VAN DE MET DE MOTOR SAMENHANGENDE VOERTUIGONDERDELEN

1.Onderdruk in het inlaatsysteem bij het nominale motortoerental en vollast: kPa2.Tegendruk van het uitlaatsysteem bij het nominale motortoerental en vollast: kPa3.Inhoud van het uitlaatsysteem: cm34.Het door de voor de werking van de motor benodigde hulpapparatuur opgenomen vermogen, als aangegeven in en onder de bedrijfsomstandigheden van Richtlijn 80/1269/EEG, bijlage I, punt 5.1.1.

▼M1




Aanhangsel 5

OBD-GERELATEERDE INFORMATIE

1.

Overeenkomstig punt 5 van bijlage IV bij Richtlijn 2005/78/EG moet de voertuigfabrikant de volgende aanvullende informatie verstrekken om de fabricage van OBD-compatibele vervangings- of onderhoudsonderdelen en van diagnose- en testapparatuur mogelijk te maken, tenzij die informatie onder intellectuele-eigendomsrechten valt dan wel specifieke technische kennis van de voertuigfabrikant of de OEM-leverancier(s) vormt.

In voorkomend geval moet de in dit punt verstrekte informatie worden herhaald in aanhangsel 2 van het EG-typegoedkeuringscertificaat (bijlage VI bij deze richtlijn).

1.1.

Een beschrijving van het type en het aantal voorconditioneringscycli waaraan het voertuig bij de eerste typegoedkeuring is onderworpen.

1.2.

Een beschrijving van het type OBD-demonstratiecyclus waaraan het voertuig bij de eerste typegoedkeuring is onderworpen met betrekking tot het onderdeel dat door het OBD-systeem wordt bewaakt.

1.3.

Een uitvoerige beschrijving van alle onderdelen die met een sensor worden gemeten in het kader van de strategie voor foutopsporing en activering van de storingsindicator (vast aantal rijcycli of statistische methode), met inbegrip van een lijst van relevante secundaire parameters voor de sensormeting van elk door het OBD-systeem bewaakt onderdeel. Een lijst van alle OBD-uitvoercodes en -formaten (met telkens een verklaring) die worden gebruikt voor afzonderlijke onderdelen van de aandrijflijn die verband houden met de emissies en voor afzonderlijke onderdelen die geen verband houden met de emissies, voorzover de bewaking van het onderdeel wordt gebruikt om te bepalen wanneer de storingsindicator wordt geactiveerd.

1.3.1.

De in dit punt gevraagde informatie kan bijvoorbeeld worden verstrekt in de vorm van onderstaande tabel, die bij deze bijlage moet worden gevoegd:



Onderdeel

Foutcode

Monitoringstrategie

Criteria voor foutopsporing

Criteria voor activering storingsindicator

Secundaire parameters

Voorconditionering

Demonstratietest

SCR-katalysator

Pxxxx

Signalen NOx-sensor 1 en 2

Verschil tussen het signaal van sensor 1 en sensor 2

Derde cyclus

Motortoerental, motorbelasting, temperatuur katalysator, activiteit reagens

Drie OBD-testcycli (drie korte ESC-cycli)

OBD-testcyclus (korte ESC-cyclus)

1.3.2.

De informatie die volgens dit aanhangsel vereist is, kan beperkt blijven tot de volledige lijst van de door het OBD-systeem geregistreerde foutcodes waar punt 5.1.2.1 van bijlage IV bij Richtlijn 2005/78/EG niet van toepassing is, zoals in het geval van vervangings- of onderhoudsonderdelen. Deze informatie kan bijvoorbeeld worden vastgesteld door de eerste twee kolommen van de tabel in punt 1.3.1 in te vullen.

Het complete informatiepakket moet aan de typegoedkeuringsinstantie worden verstrekt als onderdeel van het aanvullende materiaal dat wordt gevraagd in punt 6.1.7.1 van bijlage I bij deze richtlijn, „documentatievoorschriften”.

1.3.3.

De in dit punt gevraagde informatie moet worden herhaald in aanhangsel 2 van het EG-typegoedkeuringscertificaat (bijlage VI bij deze richtlijn).

Wanneer punt 5.1.2.1 van bijlage IV bij Richtlijn 2005/78/EG niet van toepassing is in het geval van vervangings- of onderhoudsonderdelen, kan de informatie in aanhangsel 2 van het EG-typegoedkeuringscertificaat (bijlage VI bij deze richtlijn) beperkt blijven tot de informatie die in punt 1.3.2 wordt vermeld.

▼M3




Aanhangsel 6

Informatie die vereist is voor het testen van de verkeerswaardigheid

A. Meting van de koolmonoxide-emissies (55)

3.2.1.6.

Normaal stationair motortoerental (inclusief tolerantie): … min-1

3.2.1.6.1.

Hoog stationair motortoerental (inclusief tolerantie): … min-1

3.2.1.7.

Volumepercentage koolmonoxide in de uitlaatgassen bij stationair lopende motor (56) … volgens fabrieksopgave (alleen voor motoren met elektrische ontsteking): … %

B. Meting van de rookopaciteit

3.2.13.

Plaats van het absorptiecoëfficiëntsymbool (alleen voor motoren met compressieontsteking): …

4.TRANSMISSIE (v)

4.3.

Traagheidsmoment van het motorvliegwiel: …

4.3.1.

Extra traagheidsmoment in de vrijstand: …

▼B




BIJLAGE III

TESTPROCEDURE

1. INLEIDING

1.1.

In deze bijlage worden de methoden beschreven voor de vaststelling van de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes en rook door de te beproeven motoren. Er worden drie testcycli beschreven die worden toegepast overeenkomstig de bepalingen van punt 6.2 van bijlage I:

—de ESC-test die bestaat uit een cyclus van 13 verschillende statische toestanden,

—de ELR-test die bestaat uit transiënte belastingsstappen bij verschillende toerentallen, die integraal deel uitmaken van één testprocedure en tegelijkertijd worden uitgevoerd;

—de ETC-test die bestaat uit een serie transiënte toestanden per seconde.

1.2.

De test wordt uitgevoerd met de op een proefbank geplaatste motor die is aangesloten op een dynamometer.

1.3.

Meetbeginsel

De uitlaatemissies van de motor die gemeten moeten worden omvatten de gasvormige componenten (koolmonoxide, totaal koolwaterstoffen bij dieselmotoren alleen in de ESC-test; andere koolwaterstoffen dan methaan bij diesel- en gasmotoren alleen in de ETC-test; methaan bij gasmotoren alleen in de ETC-test en stikstofoxiden), de deeltjes (alleen bij dieselmotoren) en rook (alleen bij dieselmotoren in de ELR-test). Daarnaast wordt koolstofdioxide vaak als tracergas gebruikt om de verdunningsverhouding van partiële en volledige-stroomverdunningssystemen te bepalen. Op grond van goede technische praktijkgewoonten wordt aanbevolen de koolstofdioxide te meten, hetgeen een uitstekend middel is om meetproblemen tijdens de uitvoering van de proef vast te stellen.

▼M1

1.3.1. ESC-test

Gedurende een voorgeschreven opeenvolging van werkingstoestanden van een warmgelopen motor worden de hoeveelheden van de bovengenoemde uitlaatgasemissies continu onderzocht door bemonstering uit het ruwe of verdunde uitlaatgas. De testcyclus geschiedt bij een aantal toerentallen en vermogens die het normale werkingsgebied van dieselmotoren dekken. In elke toestand worden de concentratie van elk verontreinigend gas, de uitlaatgasstroom en het afgegeven vermogen bepaald en de gemeten waarden gewogen. Voor de deeltjesmeting wordt het uitlaatgas met voorbehandelde omgevingslucht verdund met behulp van hetzij een partiële- hetzij een volledige-stroomverdunningssysteem. De deeltjes worden in één geschikt filter verzameld in verhouding tot de wegingsfactoren van elke toestand. Het gewicht van elke verontreinigende stof die per kilowattuur wordt uitgestoten, wordt berekend overeenkomstig aanhangsel 1. Bovendien worden de NOx gemeten op drie testpunten binnen het door de technische dienst gekozen meetgebied en worden de gemeten waarden vergeleken met de waarden die berekend zijn in die toestanden van de testcyclus waarbij de geselecteerde meetpunten een rol speelden. De NOx-controle garandeert de effectiviteit van de emissiebeperking van de motor binnen het normale werkingsgebied van de motor.

▼B

1.3.2. ELR-test

Gedurende een voorgeschreven belastingresponsietest wordt de rook van een warm gelopen motor gemeten met behulp van een opaciteitmeter. De test bestaat uit het belasten van de motor bij een constant toerental van 10 tot 100 % belasting bij drie verschillende motortoerentallen. Bovendien laat men de motor draaien bij een vierde belasting die door de technische dienst wordt gekozen (57) en de waarde wordt vergeleken met de waarde van de voorgaande belastingstoestanden. De opaciteit wordt bepaald met behulp van het middelingsalgoritme dat is beschreven in aanhangsel 1 van deze bijlage.

▼M1

1.3.3. ETC-test

Gedurende een voorgeschreven transiënte cyclus werkingsomstandigheden van een warmgelopen motor, die nauwkeurig is afgestemd op voor het verkeer specifieke rijpatronen van vrachtwagens en bussen met een zware motor, worden de bovengenoemde verontreinigende stoffen onderzocht hetzij na verdunning van de totale uitlaatgasstroom met voorbehandelde omgevingslucht (CVS-systeem met dubbele verdunning voor deeltjes), hetzij door de gasvormige bestanddelen in het ruwe uitlaatgas en de deeltjes te bepalen met behulp van een partiële-stroomverdunningssysteem. Aan de hand van de door de motordynamometer afgegeven feedback-signalen van het motorkoppel en -toerental wordt het vermogen geïntegreerd naar de tijd van de cyclus, hetgeen de arbeid van de motor gedurende de cyclus oplevert. Voor een CVS-systeem wordt de concentratie van NOx en HC gedurende de cyclus bepaald door het signaal van de analysator te integreren, terwijl de concentratie van CO, CO2 en NMHC kan worden bepaald door het signaal van de analysator te integreren of door bemonstering met een bemonsteringszak. Bij meting in het ruwe uitlaatgas moeten alle gasvormige bestanddelen gedurende de cyclus worden bepaald door het signaal van de analysator te integreren. Voor deeltjes wordt een evenredig monster verzameld in een geschikt filter. Het debiet van het ruwe of verdunde uitlaatgas wordt gedurende de cyclus bepaald om de massa-emissiewaarden van de verontreinigende stoffen te berekenen. De massa-emissiewaarden worden op de in aanhangsel 2 beschreven wijze gerelateerd aan de motorarbeid, hetgeen de massa van elke verontreinigende stof oplevert die per kilowattuur wordt uitgestoten.

▼B

2. TESTVOORWAARDEN

▼M1

2.1. Motortestomstandigheden

2.1.1.

De absolute temperatuur (Ta) van de voor de motor bestemde lucht bij de inlaat van de motor, uitgedrukt in Kelvin, en de droge atmosferische druk (ps), uitgedrukt in kPa, moeten worden gemeten en de parameter fa wordt berekend op de volgende wijze. Bij motoren met meerdere cilinders die afzonderlijke inlaatspruitstukken hebben, zoals V-motoren, wordt de gemiddelde temperatuur van de afzonderlijke groepen gemeten.

a)Voor motoren met compressie-ontsteking:

Motoren met natuurlijke aanzuiging en mechanische drukvulling:

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0022.xml.jpg

Turbomotoren met of zonder koeling van de inlaatlucht:

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0023.xml.jpg

b)voor motoren met vonkontsteking:

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0024.xml.jpg

2.1.2.

Geldigheid van de test

Om een test als geldig te erkennen moet parameter fa zodanig zijn dat:

0,96 ≤ fa ≤ 1,06.

▼B

2.2. Motoren met tussenkoeler

De vulluchttemperatuur moet worden geregistreerd en bij het opgegeven maximumvermogen behorende toerental en vollast binnen ± 5 K van de maximumvulluchttemperatuur als aangegeven in punt 1.16.3 van aanhangsel 1 van bijlage II liggen. De temperatuur van het koelmiddel moet ten minste 293 K (20 °C) bedragen.

Indien een laboratoriumsysteem of externe aanjager wordt gebruikt moet de vulluchttemperatuur binnen ± 5 K van de maximumvulluchttemperatuur als aangegeven in punt 1.16.3 van aanhangsel 1 van bijlage II liggen bij het toerental van het opgegeven maximumvermogen en vollast. De instelling van de tussenkoeler om aan de bovengenoemde voorwaarden te voldoen wordt niet geregeld en blijft gedurende de gehele testcyclus dezelfde.

2.3. Luchtinlaatsysteem van de motor

Er dient gebruik te worden gemaakt van een luchtinlaatsysteem dat een luchtinlaatrestrictie heeft binnen ± 100 Pa van de bovenste grens van de motor die draait met het toerental dat hoort bij het opgegeven maximumvermogen en vollast.

2.4. Uitlaatsysteem van de motor

Er dient gebruik te worden gemaakt van een uitlaatsysteem dat een uitlaattegendruk heeft binnen ± 1 000 Pa van de bovenste grens van de motor die draait met het toerental dat hoort bij het opgegeven maximumvermogen en vollast en een inhoud die binnen ± 40 % van de door de fabrikant opgegeven inhoud ligt. Er mag gebruik worden gemaakt van een laboratoriumsysteem mits dit de werkelijke motorwerkingsomstandigheden simuleert. Het uitlaatsysteem dient te voldoen aan de voorschriften voor de uitlaatgasbemonstering overeenkomstig punt 3.4 van aanhangsel 4 van bijlage III en de punten 2.2.1, EP en 2.3.1, EP van bijlage V.

Indien de motor is uitgerust met een uitlaatgasnabehandelingsinrichting moet de uitlaatpijp dezelfde diameter hebben als de in de praktijk gebruikte over een lengte van ten minste 4 pijpdiameters vanaf het begin van het expansiegedeelte waarin de nabehandelingsinrichting is aangebracht in de richting van de motor. De afstand tussen de flens met uitlaatspruitstuk of de turbocompressoruitlaat en de uitlaatgasnabehandelingsinrichting moet dezelfde zijn als die bij de constructie in het voertuig of binnen de afstandspecificaties van de fabrikant liggen. De uitlaattegendruk of restrictie moet aan dezelfde criteria voldoen als hierboven en mag worden ingesteld met een klep. Het nabehandelingsgedeelte mag worden verwijderd gedurende een dummytest en gedurende het bepalen van de motorkarakteristiek en worden vervangen door een gelijkwaardig gedeelte met een niet-werkzame katalysatorconstructie.

2.5. Koelsysteem

Er dient gebruik te worden gemaakt van een motorkoelsysteem met voldoende capaciteit om de motor op de normale door de fabrikant voorgeschreven temperaturen te houden.

2.6. Smeerolie

De specificaties van de smeerolie die tijdens de test worden gebruikt moeten worden vastgelegd en tezamen met de resultaten van de proef worden vermeld overeenkomstig punt 7.1 van aanhangsel 1 van bijlage II.

2.7. Brandstof

Er dient gebruik te worden gemaakt van de in bijlage IV aangegeven referentiebrandstof.

De brandstoftemperatuur en het meetpunt dienen te worden aangegeven door de fabrikant binnen de grenzen van punt 1.16.5 van aanhangsel 1 van bijlage II. De brandstoftemperatuur mag niet lager liggen dan 306 K (33 °C) indien de waarde niet is aangegeven dient deze 311 K ± 5 K (38 °C ± 5 °C) bij de inlaat van de brandstofleiding te zijn.

Voor aardgas- en LPG-motoren moeten de brandstoftemperatuur en het meetpunt binnen de grenzen liggen die gegeven zijn in bijlage II, aanhangsel 1, punt 1.16.5 of, indien de motor niet een basismotor is, in bijlage II, aanhangsel 3, punt 1.16.5.

▼M1

2.8

Indien de motor is uitgerust met een uitlaatgasnabehandelingssysteem moeten de tijdens de testcyclus gemeten emissies representatief zijn voor de emissies in de praktijk. In het geval van een motor met een uitlaatgasnabehandelingssysteem op basis van een verbruiksreagens moet het voor alle tests gebruikte reagens voldoen aan punt 2.2.1.13 van aanhangsel 1 van bijlage II.

2.8.1.

In het geval van een uitlaatgasnabehandelingssysteem op basis van een continu regeneratieproces moeten de emissies worden gemeten bij een gestabiliseerd nabehandelingssysteem.

Het regeneratieproces moet ten minste één keer tijdens de ETC-test plaatsvinden en de fabrikant moet aangeven onder welke normale omstandigheden de regeneratie plaatsvindt (roetgehalte, temperatuur, uitlaattegendruk enz.).

Om het regeneratieproces te controleren, moeten ten minste vijf ETC-tests worden uitgevoerd. Tijdens de tests worden de uitlaattemperatuur en -druk geregistreerd (temperatuur voor en achter het nabehandelingssysteem, uitlaattegendruk enz.).

Het nabehandelingssysteem wordt bevredigend geacht indien de door de fabrikant aangegeven omstandigheden zich tijdens de test voldoende lang voordoen.

Het rekenkundige gemiddelde van de verschillende ETC-testresultaten is het definitieve testresultaat.

Indien het nabehandelingssysteem een veiligheidsstand heeft die op periodieke regeneratie overschakelt, moet het overeenkomstig punt 2.8.2 worden gecontroleerd. In dat specifieke geval kunnen de emissiegrenswaarden in tabel 2 van bijlage I worden overschreden en worden ze niet gewogen.

2.8.2.

In het geval van een uitlaatgasnabehandelingssysteem op basis van een periodiek regeneratieproces worden de emissies gemeten bij ten minste twee ETC-tests (één tijdens en één buiten het regeneratieproces) bij een gestabiliseerd nabehandelingssysteem; de resultaten worden gewogen.

Het regeneratieproces moet ten minste één keer tijdens de ETC-test plaatsvinden. De motor mag voorzien zijn van een schakelaar waarmee het regeneratieproces mogelijk of onmogelijk kan worden gemaakt, op voorwaarde dat deze operatie de oorspronkelijke motorkalibratie niet beïnvloedt.

De fabrikant geeft aan bij welke normale parameters het regeneratieproces plaatsvindt (roetgehalte, temperatuur, uitlaattegendruk enz.) en hoelang het duurt (n2). De fabrikant verstrekt ook alle gegevens om de tijd tussen twee regeneraties (n1) te bepalen. De technische dienst bepaalt op basis van een degelijke technische beoordeling welke procedure precies wordt gebruikt om deze tijd te bepalen.

De fabrikant zorgt voor een nabehandelingssysteem dat zodanig is belast dat tijdens een ETC-test een regeneratie plaatsvindt. De regeneratie mag niet plaatsvinden tijdens deze conditionering van de motor.

De gemiddelde emissies tussen de regeneratiefases worden bepaald aan de hand van het rekenkundig gemiddelde van verschillende ongeveer op gelijke afstand in de tijd gelegen ETC-tests. Aanbevolen wordt ten minste één ETC-test net vóór een regeneratietest te laten plaatsvinden en één ETC-test onmiddellijk erna. In plaats daarvan kan de fabrikant ook gegevens verstrekken waaruit blijkt dat de emissies tussen de regeneratiefases constant blijven (± 15 %). In dat geval mogen de emissies van slechts één ETC-test worden gebruikt.

Tijdens de regeneratietest worden alle gegevens geregistreerd die nodig zijn om de regeneratie waar te nemen (emissie van CO en NOx, temperatuur voor en achter het nabehandelingssysteem, uitlaattegendruk enz.).

Tijdens het regeneratieproces kunnen de emissiegrenswaarden in tabel 2 van bijlage I worden overschreden.

De gemeten emissies worden gewogen overeenkomstig de punten 5.5 en 6.3 van aanhangsel 2 van deze bijlage en het eindresultaat mag de grenswaarden in tabel 2 van bijlage I niet overschrijden.

▼B




Aanhangsel 1

ESC- EN ELR-TESTCYCLUSSEN

1. MOTOR- EN DYNAMOMETERAFSTELLING

1.1. Bepaling van de motortoerentallen A, B en C

De motortoerentallen A, B en C dienen door de fabrikant te worden opgegeven overeenkomstig de volgende voorwaarden:

Hetzelfde toerental nhi moet worden bepaald op basis van 70 % van het opgegeven netto maximumvermogen P(n) als bepaald overeenkomstig punt 8.2 van aanhangsel 1 van bijlage II. Het hoogste motortoerental waarbij deze waarde op de vermogenscurve voorkomt wordt gedefinieerd als nhi.

Het laagste toerental nlo wordt bepaald op basis van 50 % van het opgegeven netto maximumvermogen P(n), als vastgesteld overeenkomstig punt 8.2 van aanhangsel 1 van bijlage II. Het laagste motortoerental waarbij dit vermogen op de vermogenscurve voorkomt wordt gedefinieerd als nlo.

De motortoerentallen A, B en C worden als volgt berekend:

image

image

image

De toerentallen A, B en C worden gecontroleerd volgens een van de volgende methoden:

a)Er dienen extra meetpunten te worden gekozen gedurende de goedkeuringsproef voor het motorvermogen overeenkomstig Richtlijn 80/1269/EEG zodat nhi en nlo nauwkeurig worden bepaald. Het maximumvermogen, nhi en nlo wordt bepaald uit de vermogenscurve en de motortoerentallen A, B en C worden berekend overeenkomstig bovengenoemde bepalingen.

b)De vollastcurve van de motor dient te worden uitgezet vanaf het maximumtoerental in onbelaste toestand tot het stationaire toerental, waarbij gebruik wordt gemaakt van ten minste vijf meetpunten per interval van 1 000 omwentelingen per minuut en meetpunten binnen ± 50 min-1 van het toerental bij het opgegeven maximumvermogen. Het maximumvermogen, nhi en nlo moet worden afgeleid uit deze kromme en de motortoerentallen A, B en C worden berekend overeenkomstig de bovenstaande bepalingen.

Indien de gemeten motortoerentallen A, B en C binnen ± 3 % liggen van de door de fabrikant opgegeven motortoerentallen, worden de opgegeven motortoerentallen gebruikt voor de emissieproef. Indien de tolerantie voor een motortoerental wordt overschreden, worden de gemeten motortoerentallen bij de emissietest gebruikt.

1.2. Bepaling van de afstelling van de dynamometer

Het maximumkoppel bij vollast moet proefondervindelijk worden vastgesteld om de waarden voor het koppel in de aangegeven testtoestanden onder netto-omstandigheden, als aangegeven in punt 8.2 van aanhangsel 1 van bijlage II, te berekenen. Het vermogen dat wordt opgenomen door de door de motor aangedreven apparatuur moet eventueel worden doorberekend. De dynamometerafstelling voor elke testtoestand wordt berekend met behulp van de volgende formule:

image

indien beproefd onder netto-omstandigheden

image

indien niet beproefd onder netto-omstandigheden

waarin:

s

=

dynamometer-afstelling, kW

P(n)

=

netto-motorvermogen als aangegeven in punt 8.2 van aanhangsel 1 van bijlage II, kW

L

=

procentuele belasting als aangegeven in punt 2.7.1, %

P(a)

=

het door de te monteren hulpapparatuur afgenomen vermogen als aangegeven in punt 6.1 van aanhangsel 1 van bijlage II

P(b)

=

het door te verwijderen hulpapparatuur afgenomen vermogen als aangegeven in punt 6.2 van aanhangsel 1 van bijlage II.

2. UITVOERING VAN DE ESC-PROEF

Op verzoek van de fabrikant kan een dummytest worden uitgevoerd om de motor en het uitlaatsysteem voor de meetcyclus in de juiste toestand te brengen.

▼M1

2.1. Gereedmaken van de bemonsteringsfilters

Elk filter moet ten minste een uur voor de test in een deels afgedekt en tegen stof beschermd petrischaaltje worden geplaatst, waarna het geheel in een weegkamer wordt gezet om te stabiliseren. Aan het einde van de stabiliseringsperiode wordt elk filter gewogen en wordt het tarragewicht genoteerd. Het filter moet vervolgens in een gesloten petrischaaltje of filterhouder worden bewaard totdat het nodig is voor de test. Nadat het filter uit de weegkamer is gehaald, moet het binnen acht uur worden gebruikt. Het tarragewicht wordt genoteerd.

▼B

2.2. Installatie van de meetapparatuur

De instrumenten en de bemonsteringssondes moeten volgens de voorschriften worden aangebracht. Wanneer gebruik wordt gemaakt van een volledige-stroomverdunningssysteem voor de verdunning van het uitlaatgas moet het einde van de uitlaatpijp op het systeem worden aangesloten.

2.3. Starten van het verdunningssysteem en de motor

Het verdunningssysteem en de motor moeten in werking worden gesteld en zodanig warm worden dat alle temperaturen en drukken bij het maximumvermogen gestabiliseerd zijn overeenkomstig de aanbevelingen van de fabrikant en goede technische praktijkgewoonten.

2.4. Starten van het deeltjesbemonsteringssysteem

Het deeltjesbemonsteringssysteem wordt in werking gesteld; het functioneert via een omloopsysteem. Het achtergrondniveau van de deeltjes in de verdunningslucht kan worden bepaald door de verdunningslucht door de deeltjesfilters te voeren. Indien gefilterde verdunningslucht wordt gebruikt, kan een meting vóór of na de test worden verricht. Indien de verdunningslucht niet gefilterd wordt, kunnen metingen worden verricht aan het begin en aan het eind van de cyclus en de waarden worden gemiddeld.

2.5. Afstelling van de verdunningsverhouding

De verdunningslucht moet zodanig worden afgesteld dat de temperatuur van het verdunde uitlaatgas, gemeten onmiddellijk vóór het primaire filter in elke toestand 325 K (52 °C) of minder bedraagt. De totale verdunningsverhouding (q) mag niet minder bedragen dan 4.

Bij systemen waarbij de CO2- of NOx-concentratie wordt gebruikt voor de regeling van de verdunningsverhouding, moet het CO2- of NOx-gehalte van de verdunningslucht worden gemeten aan het begin en aan het eind van elke test. De meetresultaten van de CO2- of NOx-achtergrondconcentratie vóór en na de test moeten respectievelijk binnen 100 ppm of 5 ppm van elkaar liggen.

2.6. Controle van de analyseapparatuur

De analyseapparatuur voor de emissiemetingen wordt op de 0-stand gekalibreerd en het schaalbereik ingesteld.

2.7. Testcyclus

2.7.1. De volgende uit 13 fasen bestaande cyclus moet worden gevolgd, waarbij de dynamometer is aangesloten op de te beproeven motor:



Fasenummer

Motortoerental

Belastingspercentage

Wegingsfactor

Lengte van de fase

1

stationair

0,15

4 minuten

2

A

100

0,08

2 minuten

3

B

50

0,10

2 minuten

4

B

75

0,10

2 minuten

5

A

50

0,05

2 minuten

6

A

75

0,05

2 minuten

7

A

25

0,05

2 minuten

8

B

100

0,09

2 minuten

9

B

25

0,10

2 minuten

10

C

100

0,08

2 minuten

11

C

25

0,05

2 minuten

12

C

75

0,05

2 minuten

13

C

50

0,05

2 minuten

2.7.2. Testcyclus

De testcyclus wordt aangevangen. De test wordt uitgevoerd in de volgorde van de in punt 2.7.1 genoemde fasenummers.

De motor moet gedurende de voorgeschreven tijd in elke fase lopen, waarbij veranderingen in het motortoerental en belasting binnen de eerste 20 sec. moeten verdwijnen. Het aangegeven toerental moet binnen ± 50 min-1 worden gehouden en het aangegeven koppel binnen ± 2 % van het maximumkoppel bij het toerental van de test.

Op verzoek van de fabrikant mag de testcyclus een voldoende aantal malen worden herhaald om meer deeltjesmassa op het filter te bemonsteren. De fabrikant dient een uitvoerige beschrijving van de gegevensevaluatie en berekeningsprocedures te verstrekken. De gasvormige emissies behoeven slechts bij de eerste cyclus te worden vastgesteld.

2.7.3. Responsie van het analyseapparaat

De output van het analyseapparaat moet worden geregistreerd met een papierbandschrijver of worden vastgelegd met een gelijkwaardig gegevensverzamelsysteem waarbij het uitlaatgas tijdens de gehele proef door de analyseapparatuur stroomt.

▼M3

2.7.4. Deeltjesbemonstering

Voor de complete testprocedure wordt één filter gebruikt. Er moet rekening worden gehouden met de voor de testprocedure aangegeven wegingsfactoren voor een bepaalde toestand door een monster te nemen dat evenredig is met het uitlaatgasmassadebiet gedurende elke afzonderlijke fase van de cyclus. Dit kan worden verwezenlijkt door het bemonsteringsdebiet, de bemonsteringstijd en/of de verdunningsverhouding dienovereenkomstig bij te stellen zodat aan het criterium voor de effectieve wegingsfactoren in punt 6.6 is voldaan.

De bemonsteringstijd per fase bedraagt ten minste 4 seconden voor elke 0,01 van de wegingsfactor. De bemonstering vindt in elke fase op een zo laat mogelijk moment plaats. De deeltjesbemonstering mag niet eerder dan 5 seconden voor het einde van elke fase worden beëindigd.

▼B

2.7.5. Toestand van de motor

Het motortoerental en de motorbelasting, de inlaatluchttemperatuur en de onderdruk, de uitlaattemperatuur en de tegendruk, de brandstofstroom en de lucht of uitlaatgasstroom, de vulluchttemperatuur, de brandstoftemperatuur en de vochtigheidsgraad dienen gedurende iedere fase te worden geregistreerd, waarbij aan de eisen ten aanzien van het toerental en de belasting moet worden voldaan gedurende de periode van deeltjesbemonstering, maar in ieder geval gedurende de laatste minuut van elke fase.

Alle verdere gegevens die nodig zijn voor de berekening dienen te worden geregistreerd (zie punt 4 en 5).

2.7.6. Controle van NOx binnen het meetgebied

De NOx-controle binnen het meetgebied moet onmiddellijk na beëindiging van toestand 13 plaatsvinden.

De motor moet voor een periode van 3 minuten voor de aanvang van de metingen in toestand 13 worden gehouden. Er dienen drie metingen te worden verricht op verschillende plaatsen binnen het door de technische dienst geselecteerde meetgebied (58). De meettijd bedraagt telkens 2 minuten.

De meetprocedure is identiek met die voor de Nox-meting in toestand 13 en dient te worden uitgevoerd overeenkomstig de punten 2.7.3, 2.7.5 en 4.1 van dit aanhangsel en punt 3 van aanhangsel 4 van bijlage III.

De berekening wordt uitgevoerd overeenkomstig punt 4.

2.7.7. Hercontrole van de analyseapparatuur

Na de emissietest wordt een nulgas en hetzelfde kalibratiegas gebruikt voor een hercontrole. De test wordt aanvaardbaar geacht indien het verschil tussen de resultaten voor en na de proef minder dan 2 % van de kalibratiegaswaarde bedraagt.

3. ELR-TESTCYCLUS

3.1. Installatie van de meetapparatuur

De opaciteitsmeter en indien van toepassing de bemonsteringssondes moeten worden aangebracht achter de uitlaatdemper of, indien aanwezig, de nabehandelingsinrichting overeenkomstig de algemene installatieprocedures als aangegeven door de fabrikant van de instrumenten. Bovendien moeten de voorschriften van punt 10 van ISO IDS 11614 indien van toepassing in acht worden genomen.

Alvorens controles worden uitgevoerd voor de nul- en volledige-schaalinstelling moet de opaciteitsmeter op temperatuur worden gebracht en gestabiliseerd overeenkomstig de aanbevelingen van de fabrikant van het instrument. Indien de opaciteitsmeter is uitgerust met een luchtspoelsysteem om rookaanslag op de lenzen van de meter te voorkomen moet dit systeem eveneens worden geactiveerd en afgesteld overeenkomstig de aanbevelingen van de fabrikant.

3.2. Controle van de opaciteitsmeter

De controle van de nulinstelling en de volledige schaal moeten worden verricht in de opaciteit-afleestoestand aangezien de opaciteitsschaal twee duidelijk definieerbare kalibratiepunten, namelijk 0 % dichtheid en 100 % dichtheid. De lichtabsorptiecoëfficiënt wordt vervolgens correct berekend op basis van de gemeten dichtheid en de LA als aangegeven door de fabrikant van de opaciteitsmeter, wanneer het instrument terugkeert in de k-afleestoestand voor beproeving.

Wanneer de lichtstraal van de opaciteitsmeter niet wordt geblokkeerd, moet de aflezing worden afgesteld op 0,0 % ± 1,0 % opaciteit. Wanneer wordt voorkomen dat het licht op de ontvanger valt, moet de aflezing worden afgesteld op 100,0 % ± 1,0 % opaciteit.

3.3. Testcyclus

3.3.1. Conditioneren van de motor

Het warmlopen van de motor en het systeem moet geschieden bij het maximumvermogen om de motorparameters te stabiliseren overeenkomstig de aanbevelingen van de fabrikant. De conditioneerfase moet de werkelijke meting beschermen tegen de invloed van afzettingen in het uitlaatsysteem van een voorgaande test.

Wanneer de motor is gestabiliseerd moet de cyclus worden aangevangen binnen 20 ± 2 s na de conditioneerfase. Op verzoek van de fabrikant kan een dummytest worden uitgevoerd als extra conditionering voor de meetcyclus.

3.3.2. Testverloop

De test bestaat uit drie belastingsstappen bij elk van de drie motortoerentallen A (cyclus 1), B (cyclus 2) en C (cyclus 3), vastgesteld overeenkomstig punt 1.1 van bijlage III, gevolgd door cyclus 4 bij een door de technische dienst gekozen toerental binnen het meetgebied en bij een belasting tussen 10 % en 100 % (59). De onderstaande volgorde dient te worden aangehouden met de dynamometer op de proefmotor in werking, als afgebeeld in figuur 3.

SnelheidCyclus 1Cyclus 2Cyclus 3Cyclus 4geselecteerd puntCBA100 %Belasting10 %

Figuur 3

Verloop van de ELR-test

a)De motor wordt ingesteld op toerental A bij een belasting van 10 % gedurende 20 ± 2 s. Het aangegeven toerental dient binnen ± 20 min-1 te worden gehouden en het aangegeven koppel moet binnen ± 2 % van het maximumkoppel bij het toerental tijdens de proef worden gehouden.

b)Aan het eind van het voorgaande gedeelte moet de gashendel snel in de geheel open stand worden gezet en in deze stand worden gehouden gedurende 10 ± 1 s. De noodzakelijke dynamometerbelasting moet worden uitgeoefend om het motortoerental binnen ± 150 min gedurende de eerste 3 seconden te houden en binnen ± 20 min gedurende de rest van het testgedeelte.

c)De in a) en b) beschreven procedure wordt twee keer herhaald.

d)Na voltooiing van de derde belastingsstap moet de motor binnen 20 ± 2 s worden afgesteld op toerental B bij een belasting van 10 %.

e)De procedure a) tot en met c) wordt uitgevoerd bij een motor die draait met toerental B.

f)Na voltooiing van de derde belastingsstap moet de motor binnen 20 ± 2 s worden afgesteld op toerental C bij een belasting van 10 %.

g)De procedure a) tot en met c) wordt uitgevoerd bij een motor die draait met toerental C.

h)Na voltooiing van de derde belastingsstap moet de motor binnen 20 ± 2 s opnieuw worden ingesteld op het gekozen motortoerental en een willekeurige belasting van meer dan 10 %.

i)De procedure a) tot en met c) dient te worden gevolgd waarbij de motor bij het geselecteerde toerental draait.

3.4. Validering van de cyclus

De relatieve standaarddeviatie van de gemiddelde rookwaarde bij elk beproevingstoerental (A, B, C) dient minder dan 15 % van de overeenkomstige gemiddelde waarde (SVA, SVB, SVC, berekend volgens punt 6.3.3 met de drie opeenvolgende belastingen bij elk beproevingstoerental), of minder dan 10 % van de in tabel 1 van bijlage I aangegeven grenswaarde te zijn (de grootste waarde is van toepassing). Indien het verschil groter is, moet de procedure worden herhaald tot drie opeenvolgende belastingsfasen aan de valideringscriteria voldoen.

3.5. Hercontrole van de opaciteitsmeter

De nulverloopwaarde van de opaciteitsmeter na de test mag niet meer dan ± 5,0 % van de in tabel 1 van bijlage III aangegeven waarde bedragen.

▼M1

4. BEREKENING VAN HET UITLAATGASDEBIET

4.1. Bepaling van het massadebiet van ruw uitlaatgas

Om de emissies in de ruwe uitlaatgassen te kunnen berekenen, is het noodzakelijk het uitlaatgasdebiet te kennen. Het uitlaatgasmassadebiet wordt bepaald overeenkomstig punt 4.1.1 of 4.1.2. De nauwkeurigheid van de bepaling van het uitlaatgasdebiet bedraagt ± 2,5 % van de afgelezen waarde of ± 1,5 % van de maximumwaarde van de motor, afhankelijk van wat het grootst is. Gelijkwaardige methoden (zoals die beschreven in punt 4.2 van aanhangsel 2) zijn toegestaan.

4.1.1. Directe meting

Systemen voor de directe meting van het uitlaatgasdebiet zijn bijvoorbeeld:

—apparaten die op basis van drukverschil werken, zoals een stroomkop;

—ultrasone debietmeter;

—vortex debietmeter.

Er moeten maatregelen worden genomen om meetfouten die van invloed zijn op de emissiewaarden, te voorkomen. Zo moet de apparatuur zorgvuldig in het uitlaatsysteem van de motor worden geïnstalleerd volgens de aanbevelingen van de fabrikant van het instrument en naar goede technische praktijkgewoonte. Met name de prestaties en de emissies van de motor mogen door de installatie van de apparatuur niet worden beïnvloed.

4.1.2. Meting van het lucht- en brandstofdebiet

Bij deze methode worden het lucht- en het brandstofdebiet gemeten. De gebruikte lucht- en brandstofdebietmeters moeten aan alle nauwkeurigheidsvoorschriften van punt 4.1 voldoen. Het uitlaatgasdebiet wordt als volgt berekend:

qmew = qmaw + qmf

4.2. Bepaling van het massadebiet van verdund uitlaatgas

Om met behulp van een volledige-stroomverdunningssysteem de emissies in het verdunde uitlaatgas te kunnen berekenen, is het noodzakelijk het verdund-uitlaatgasdebiet te kennen. Het verdund-uitlaatgasdebiet (qmdew) wordt gedurende elke fase gemeten met een PDP-CVS, CFV-CVS of SSV-CVS volgens de algemene formules van punt 4.1 van aanhangsel 2. De nauwkeurigheid moet ± 2 % van de afgelezen waarde of beter bedragen en wordt bepaald overeenkomstig de voorschriften van deze bijlage, aanhangsel 5, punt 2.4.

▼M1

5. BEREKENING VAN DE GASVORMIGE EMISSIES

5.1. Evaluatie van de gegevens

Voor de evaluatie van de gasvormige emissies wordt het gemiddelde berekend van de grafiekaflezing van de laatste 30 sec. in elke toestand en de gemiddelde concentraties (conc) van HC, CO en NOx gedurende elke toestand worden vastgesteld aan de hand van de gemiddelde grafiekaflezingen en de bijbehorende kalibratiegegevens. Een andere wijze van registratie kan worden toegepast indien deze gelijkwaardige gegevens oplevert.

Voor de NOx-controle binnen het meetgebied zijn de bovengenoemde voorschriften alleen voor NOx van toepassing.

Het uitlaatgasdebiet qmew, of het verdund-uitlaatgasdebiet qmdew indien voor gebruik daarvan wordt gekozen, wordt bepaald overeenkomstig punt 2.3 van aanhangsel 4.

5.2. Droog/natcorrectie

De gemeten concentratie wordt met de volgende formules omgezet in die voor nat gas, indien zij niet reeds op natte basis is gemeten. Die omzetting gebeurt voor elke toestand afzonderlijk.

cwet = kw × cdry

Voor het ruwe uitlaatgas:

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0030.xml.jpg

of

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0031.xml.jpg

waarbij:

pr

=

waterdampdruk na koelbad, kPa,

pb

=

totale luchtdruk, kPa,

Ha

=

vochtigheid inlaatlucht, g water per kg droge lucht,

kf

=

0,055584 × wALF – 0,0001083 × wBET – 0,0001562 × wGAM + 0,0079936 × wDEL + 0,0069978 × wEPS

Voor het verdunde uitlaatgas:

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0032.xml.jpg

of

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0033.xml.jpg

Voor de verdunningslucht:

KWd= 1 – KW1

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0034.xml.jpg

Voor de inlaatlucht:

KWa = 1 – KW2

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0035.xml.jpg

waarbij:

Ha

=

vochtigheid inlaatlucht, g water per kg droge lucht,

Hd

=

vochtigheid verdunningslucht, g water per kg droge lucht,

en mag aan de hand van de algemeen aanvaarde formules worden afgeleid van de meting van de relatieve vochtigheid, het dauwpunt, de dampdruk of de droge-/nattebol.

5.3. Vochtigheids- en temperatuurcorrectie voor NOx

Aangezien de NOx-emissie afhangt van de toestand van de omgevingslucht, moet de NOx-concentratie voor omgevingsluchttemperatuur en -vochtigheid worden gecorrigeerd met behulp van de factoren uit de volgende formules. De factoren zijn geldig binnen het bereik van 0 tot 25 g/kg droge lucht.

a)voor motoren met compressie-ontsteking:

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0036.xml.jpg

met:

Ta

=

temperatuur van de inlaatlucht, K

Ha

=

vochtigheid van de inlaatlucht, g water per kg droge lucht,

waarbij:

Ha aan de hand van de algemeen aanvaarde formules mag worden afgeleid van de meting van de relatieve vochtigheid, het dauwpunt, de dampdruk of de droge-/nattebol.

b)voor motoren met vonkontsteking:

kh.G = 0,6272 + 44,030 × 10–3 × Ha - 0,862 × 10–3 × Ha2

waarbij:

Ha aan de hand van de algemeen aanvaarde formules mag worden afgeleid van de meting van de relatieve vochtigheid, het dauwpunt, de dampdruk of de droge-/nattebol.

5.4. Berekening van het emissiemassadebiet

Het emissiemassadebiet (g/h) voor elke toestand wordt als volgt berekend. Voor de berekening van de NOx wordt gebruikgemaakt van de vochtigheidscorrectiefactor kh,D of kh,G (naar gelang van het geval) zoals bepaald in punt 5.3.

De gemeten concentratie wordt overeenkomstig punt 5.2 omgezet in die voor nat gas, indien zij niet reeds op natte basis is gemeten. De waarden voor ugas zijn vermeld in tabel 6 voor een selectie van bestanddelen, gebaseerd op ideale gaseigenschappen en de voor deze richtlijn relevante brandstoffen.

a)voor het ruwe uitlaatgas

mgas = ugas × cgas × qmew

waarbij:

ugas

=

verhouding tussen de dichtheid van het uitlaatgasbestanddeel en de dichtheid van het uitlaatgas

cgas

=

concentratie van het desbetreffende bestanddeel in het ruwe uitlaatgas, ppm

qmew

=

uitlaatgasmassadebiet, kg/h

b)voor het verdunde uitlaatgas

mgas = ugas × cgas,c × qmdew

waarbij:

ugas

=

verhouding tussen de dichtheid van het uitlaatgasbestanddeel en de luchtdichtheid

cgas,c

=

voor de achtergrond gecorrigeerde concentratie van het desbetreffende bestanddeel in het verdunde uitlaatgas, ppm

qmdew

=

verdund-uitlaatgasmassadebiet, kg/h

waarbij:

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0037.xml.jpg

De verdunningsfactor D wordt berekend overeenkomstig punt 5.4.1 van aanhangsel 2 van deze bijlage.

5.5. Berekening van de specifieke emissies

De emissies (g/kWh) worden voor alle afzonderlijke bestanddelen berekend en wel op de volgende wijze:

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0038.xml.jpg

waarbij:

mgas de massa van het individuele gas is;

Pn het nettovermogen is, bepaald volgens punt 8.2 van bijlage II.

De wegingsfactoren die in bovenstaande berekening worden gebruikt, staan vermeld in punt 2.7.1.



Tabel 6

Waarden van ugas in ruw en verdund uitlaatgas voor diverse uitlaatgasbestanddelen

Brandstof

NOx

CO

THC/NMHC

CO2

CH4

Diesel

Uitlaat ruw

0,001587

0,000966

0,000479

0,001518

0,000553

Uitlaat verdund

0,001588

0,000967

0,000480

0,001519

0,000553

Ethanol

Uitlaat ruw

0,001609

0,000980

0,000805

0,001539

0,000561

Uitlaat verdund

0,001588

0,000967

0,000795

0,001519

0,000553

CNG

Uitlaat ruw

0,001622

0,000987

0,000523

0,001552

0,000565

Uitlaat verdund

0,001588

0,000967

0,000584

0,001519

0,000553

Propaan

Uitlaat ruw

0,001603

0,000976

0,000511

0,001533

0,000559

Uitlaat verdund

0,001588

0,000967

0,000507

0,001519

0,000553

Butaan

Uitlaat ruw

0,001600

0,000974

0,000505

0,001530

0,000558

Uitlaat verdund

0,001588

0,000967

0,000501

0,001519

0,000553

Opmerkingen:

u-waarden van ruw uitlaatgas, gebaseerd op ideale gaseigenschappen met λ = 2, droge lucht, 273 K, 101,3 kPa;

u-waarden van verdund uitlaatgas, gebaseerd op ideale gaseigenschappen en luchtdichtheid;

u-waarden van CNG met een nauwkeurigheid van 0,2 % en een massasamenstelling van C = 66 – 76 %; H = 22 – 25 %; N = 0 – 12 %;

u-waarde van CNG voor HC komt overeen met CH2,93 (gebruik u-waarde van CH4 voor totaal HC).

5.6. Berekening van de controlewaarden in het meetgebied

Voor de drie overeenkomstig punt 2.7.6 gekozen controlepunten wordt de NOx-emissie gemeten en berekend volgens punt 5.6.1 en eveneens bepaald door interpolatie van de fasen van de testcyclus die het dichtst bij het respectieve controlepunt liggen volgens punt 5.6.2. De gemeten waarden worden vervolgens vergeleken met de geïnterpoleerde waarden volgens punt 5.6.3.

5.6.1. Berekening van de specifieke emissie

De NOx-emissie voor elk controlepunt (Z) wordt als volgt berekend:

mNOx,Z = 0,001587 × cNOx,Z × kh,D × qmew

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0039.xml.jpg

5.6.2. Bepaling van de emissiewaarde uit de testcyclus

De NOx-emissie voor elk controlepunt moet worden geïnterpoleerd op grond van de vier dichtstbijgelegen fasen van de testcyclus die het gekozen controlepunt Z omgeven, zoals afgebeeld in figuur 4. Voor deze fasen (R, S, T, U) zijn de volgende definities van toepassing:

Toerental(R) = Toerental(T) = nRT

Toerental(S) = Toerental(U) = nSU

Percentage van belasting(R) = Percentage van belasting(S)

Percentage van belasting(T) = Percentage van belasting(U)

De NOx-emissie op het geselecteerde controlepunt Z wordt als volgt berekend:

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0040.xml.jpg

en

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0041.xml.jpg

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0042.xml.jpg

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0043.xml.jpg

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0044.xml.jpg

waarbij:

ER, ES, ET, EU = specifieke NOx-emissie in de omgevingstoestanden, berekend volgens punt 5.6.1.

MR, MS, MT, MU = motorkoppel in de omgevingstoestanden

KoppelToerental

Figuur 4

Interpolatie van het NOx-controlepunt

5.6.3. Vergelijking van de NOx-emissiewaarden

De gemeten specifieke NOx-emissie van het controlepunt Z (NOx,Z) wordt op de volgende wijze vergeleken met de geïnterpoleerde waarde (EZ):

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0045.xml.jpg

6. BEREKENING VAN DE DEELTJESEMISSIES

6.1. Evaluatie van de gegevens

Voor de evaluatie van de deeltjes wordt de totale monstermassa (msep) door het filter genoteerd voor elke testfase.

Het filter wordt teruggebracht naar de weegkamer en gedurende minstens een uur (maar niet meer dan 80 uur) geconditioneerd en vervolgens gewogen. Nadat de brutomassa van de filters is genoteerd, wordt daarvan de tarramassa (zie punt 2.1) afgetrokken, wat resulteert in de massa van het deeltjesmonster mf.

Indien achtergrondcorrectie wordt toegepast, worden de verdunningsluchtmassa (md) door het filter en de deeltjesmassa (mf,d) genoteerd. Indien meer dan één meting wordt verricht, wordt voor elke meting het quotiënt mf,d/md berekend en wordt het gemiddelde van de waarden bepaald.

6.2. Partiële-stroomverdunningssysteem

De uiteindelijk genoteerde testresultaten van de deeltjesemissie worden als volgt stapsgewijs afgeleid. Aangezien de verdunning op verschillende wijzen tot stand wordt gebracht, worden verschillende berekeningsmethoden voor qmedf toegepast. Alle berekeningen zijn gebaseerd op de gemiddelde waarde in de afzonderlijke toestanden gedurende de bemonsteringsperiode.

6.2.1. Isokinetische systemen

qmedf = qmew × rd

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0046.xml.jpg

waarin ra overeenkomt met de verhouding tussen de dwarsdoorsnede van de isokinetische sonde en die van de uitlaatpijp:

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0047.xml.jpg

6.2.2. Systemen waarbij CO2- of NOx-concentraties worden gemeten

qmedf = qmew × rd

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0048.xml.jpg

waarbij:

cwE

=

natte concentratie van het indicatorgas in het ruwe uitlaatgas;

cwD

=

natte concentratie van het indicatorgas in het verdunde uitlaatgas;

cwA

=

natte concentratie van het indicatorgas in de verdunningslucht.

De op droge basis gemeten concentraties moeten overeenkomstig punt 5.2 worden omgezet in concentraties op natte basis.

6.2.3. Systemen met CO2-meting en koolstofbalansmethode (60)

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0049.xml.jpg

waarbij:

c(CO2)D

=

CO2-concentratie in het verdunde uitlaatgas;

c(CO2)A

=

CO2-concentratie in de verdunningslucht

(concentraties in volumeprocent op natte basis).

Deze vergelijking gaat uit van de veronderstelling van een koolstofbalans (naar de motor gevoerde koolstofatomen worden als CO2 uitgestoten) en wordt als volgt afgeleid:

qmedf = qmew × rd

en

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0050.xml.jpg

6.2.4. Systemen met debietmeting

qmedf = qmew × rd

FOR-CL2005L0055NL0030010.0001.0051.xml.jpg

6.3. Volledige-stroomverdunningssysteem

Alle berekeningen zijn gebaseerd op de gemiddelde waarde in de afzonderlijke toestanden gedurende de bemonsteringsperiode. Het verdund-uitlaatgasdebiet qmdew wordt bepaald overeenkomstig punt 4.1 van aanhangsel 2. De totale monstermassa msep wordt berekend overeenkomstig punt 6.2.1 van aanhangsel 2.

6.4. Berekening van het deeltjesmassadebiet

Het deeltjesmassadebiet wordt als volgt berekend. Bij gebruik van een volledige-stroomverdunningssysteem wordt qmedf, zoals bepaald overeenkomstig punt 6.2, vervangen door qmdew, zoals bepaald overeenkomstig punt 6.3.

PTmass = mf msep × qmedf 1000

qmedf = Σ i = 1 i = n qmedfi × Wfi

msep = Σ i = 1 i = n msepi

i = 1, … n

Het deeltjesmassadebiet kan als volgt voor de achtergrond worden gecorrigeerd:

PTmass = {mf msep - [mf,d md × Σ i = 1 i = n (1 - 1 Di) × Wfi]} × qmedf 1000

waarbij D wordt berekend overeenkomstig punt 5.4.1 van aanhangsel 2.

▼M3

6.5. Berekening van de specifieke emissie

De deeltjesemissie wordt als volgt berekend:

image

6.6. Effectieve wegingsfactor

De effectieve wegingsfactor Wfei wordt voor elke fase als volgt berekend:

image

De waarde van de effectieve wegingsfactoren mag slechts ± 0,003 (± 0,005 voor de stationaire toestand) van de in punt 2.7.1 van dit aanhangsel genoemde wegingsfactoren afwijken.

▼B

►M1 7.BEREKENING VAN DE ROOKWAARDEN

►M1 7.1.Bessel-algoritme

Het Bessel-algoritme wordt gebruikt om de gemiddelde waarde per seconde te berekenen uit de momentane opaciteitsaflezing, omgezet overeenkomstig punt 6.3.1. Het algoritme emuleert een laag doorlatend filter van de tweede orde en het gebruik daarvan vereist iteratieve berekeningen om de coëfficiënt te bepalen. Deze coëfficiënten zijn een functie van de responsietijd van het opaciteitsmetersysteem en de bemonsteringssnelheid. Punt 6.1.1 moet derhalve worden herhaald telkens wanneer de responsietijd van het systeem en/of de bemonsteringssnelheid verandert.

►M1 7.1.1.Berekening van de filterresponsietijd en de Bessel-constanten

De benodigde Bessel-responsietijd (tF) is een functie van de fysische en elektrische responsietijden van het opaciteitsmetersysteem, als aangegeven in punt 5.2.4 van aanhangsel 4 van bijlage III, en wordt berekend met behulp van de volgende vergelijking:

image

waarin:

tp

=

fysische responsietijd, s

te

=

elektrische responsietijd, s

De berekeningen voor de raming van de grensfrequentie van het filter (fc) zijn gebaseerd op een stapvormige input van 0 tot 1 in ≤ 0,01 s (zie bijlage VII). De responsietijd is gedefinieerd als de tijd tussen het punt waarop de Bessel-output 10 % (t10) bereikt en wanneer deze 90 % (t90) van deze sprongfunctie bereikt. Deze wordt verkregen door het itereren van fc tot t90 - t10 ≈ tF. De eerste iteratie voor fc wordt gegeven door de volgende formule:

image

De Besselconstanten E en K worden berekend met behulp van de volgende vergelijkingen:

image

image

waarin:

D

=

0,618034

Δt

=

image

Ω

=

image

►M1 7.1.2.Berekening van het Bessel-algoritme

Met behulp van de waarden E en K wordt de gemiddelde Bessel-responsie per seconde op een invoerwaarde Si als volgt berekend:

image

waarin:

Si-2

=

Si-1 = 0

Si

=

1

Yi-2

=

Yi-1 = 0

De tijden t10 en t90 worden geïnterpoleerd. Het verschil in tijd tussen t90 en t10 bepaalt de responsietijd tF voor die waarde van fc. Indien deze responsietijd niet dicht genoeg ligt bij de voorgeschreven responsietijd dient de iteratie te worden voortgezet totdat de werkelijke responsietijd binnen 1 % van de voorgeschreven responsie ligt en wel op de volgende wijze:

image

►M1 7.2.Evaluatie van de gegevens

De rookmeetwaarden worden gesampled met een minimumfrequentie van 20 Hz.

►M1 7.3.Vaststelling van de opaciteit

►M1 7.3.1.Gegevensomzetting

Aangezien metingen met alle opaciteitsmeters gebaseerd zijn op lichtdoorlatendheid, moeten de rookwaarden op de volgende wijze worden omgezet van lichtdoorlatendheid τ in de lichtabsorptiecoëfficiënt (k):

image

en

image

waarin:

k

=

lichtabsorptiecoëfficiënt, m-1

LA

=

effectieve optische weglengte, als aangegeven door de fabrikant van het instrument, m

N

=

opaciteit, %

τ

=

lichtdoorlatendheid, %

De omzetting dient te worden uitgevoerd voordat alle verdere gegevensverwerkingen plaatsvinden.

►M1 7.3.2.Berekening van de Bessel-gemiddelde opaciteit

De eigenlijke grensfrequentie fc is de frequentie die de voorgeschreven filterresponsietijd tF oplevert. Wanneer deze frequentie is vastgesteld door het iteratieve proces van punt 6.1.1, worden de eigenlijke Bessel-algoritme-constanten E en K berekend. Het Bessel-algoritme wordt vervolgens toegepast op het momentane rookspoor (k-waarde) op de in punt 6.1.2 beschreven wijze:

image

Het Bessel-algoritme is recursief van aard. Er is dus een aantal begininvoerwaarden van Si-1 en Si-2 en beginuitvoerwaarden Yi-1 en Yi-2 nodig om het algoritme te laten aanvangen. Deze mogen op nul worden gesteld.

Voor elke belastingsstap van de drie toerentallen A, B en C wordt de maximum 1 s-waarde Ymax gekozen uit afzonderlijke Yi-waarden van elk rookspoor.

►M1 7.3.3.Eindresultaat

De gemiddelde rookwaarden (SV) van iedere cyclus (beproevingstoerental) worden als volgt berekend:

Voor toerental A

:

SVA = (Ymax1,A + Ymax2,A + Ymax3,A) / 3

Voor toerental B

:

SVB = (Ymax1,B + Ymax2,B + Ymax3,B) / 3

Voor toerental C

:

SVC = (Ymax1,C + Ymax2,C + Ymax3,C) / 3

waarin:

Ymax1, Ymax2, Ymax3 = hoogste 1 s Bessel-gemiddelde rookwaarde bij elk van de drie belastingen.

De eindwaarde wordt als volgt berekend:

SV = (0,43 x SVA) + (0,56 x SVB) + (0,01 x SVC)




Aanhangsel 2

ETC-TESTCYCLUS

1. PROCEDURE VOOR BEPALING VAN DE MOTORKARAKTERISTIEK

1.1. Bepaling van het toerentalgebied

Alvorens de ETC op de meetcel kan worden uitgevoerd, moet voorafgaand aan de testcyclus de toerental-koppel-kromme worden bepaald. De minimum- en maximumtoerentallen zijn als volgt:

Minimumtoerental

=

stationair toerental

Maximumtoerental

=

nhi × 1,02 of toerental waarbij het koppel bij vollast nul wordt (laagste waarde is van toepassing).

1.2. Bepaling van de motorvermogenkromme

De motor wordt bij het maximumvermogen opgewarmd om de motorparameters te stabiliseren overeenkomstig de aanbevelingen van de fabrikant en de technische praktijkgewoonten. Wanneer de motor stabiel draait, wordt de motorkarakteristiek als volgt gemaakt:

a)de motor wordt niet belast en draait stationair;

b)de motor draait met volledige belasting/geheel geopende gasklep en het minimumtoerental;

c)het motortoerental wordt verhoogd van het minimum- tot het maximumtoerental bij een gemiddeld tempo van 8 ± 1 min-1 /s. Het motortoerental en het koppel worden ten minste per één punt per seconde vastgelegd.

1.3. Opstelling van de motorkarakteristiek

Alle overeenkomstig punt 1.2 gemeten waarden worden verbonden door lineaire interpolatie tussen de punten. De resulterende koppelkromme is de motorkarakteristiek en wordt gebruikt om de genormaliseerde koppelwaarden van de motorcyclus te converteren naar de eigenlijke koppelwaarden van de testcyclus als beschreven onder punt 2.

1.4. Alternatieve bepaling van de motorkarakteristiek

Indien een fabrikant meent dat bovenbeschreven techniek voor een bepaalde motor onveilig of niet representatief is, mag een alternatieve techniek worden gebruikt. Deze alternatieve technieken moeten voldoen aan de bedoeling van de gespecificeerde procedure, namelijk de bepaling van het maximaal beschikbare koppel bij alle tijdens de testcyclus bereikte toerentallen. Afwijkingen van de in dit deel bedoelde technieken uit veiligheids- of representativiteitsoverwegingen moeten door de technische dienst worden goedgekeurd en de redenen ervoor moeten worden aangegeven. In geen enkel geval echter mag voor geregelde motoren of turbomotoren de techniek waarbij het motortoerental continu stapsgewijs daalt, worden gebruikt.

1.5. Herhaalde tests

Een motor behoeft niet voor elke testcyclus te worden onderworpen aan een karakteristiekbepaling. De karakteristiek van een motor wordt voor een testcyclus echter opnieuw bepaald indien:

—overeenkomstig een op de technische praktijkgewoonten gebaseerd oordeel een onredelijk lange periode is verlopen tussen de laatste keer dat dit plaatsvond,

—of

—fysieke veranderingen of herkalibraties aan de motor hebben plaatsgevonden die de motorprestaties kunnen beïnvloeden.

2. DE REFERENTIETESTCYCLUS

De transiëntetestcyclus wordt beschreven in aanhangsel 3 van deze bijlage. De genormaliseerde waarden voor het koppel en toerental worden als volgt omgezet naar werkelijke waarden, hetgeen resulteert in de referentietestcyclus.

2.1. Werkelijk toerental

Het toerental wordt gedenormaliseerd met behulp van de volgende vergelijking:

image

Het referentietoerental (nref) komt overeen met de 100 % toerentalwaarden die zijn gespecificeerd in het motordynamometerschema van aanhangsel 3. Het wordt als volgt gedefinieerd (zie figuur 1 van bijlage I):

image

waarin nhi en nlo zijn gespecificeerd hetzij overeenkomstig bijlage I, punt 2, hetzij overeenkomstig bijlage III, aanhangsel 1, punt 1.1.

2.2. Werkelijk koppel

Het koppel wordt genormaliseerd naar het maximumkoppel bij het respectieve toerental. De koppelwaarden van de referentiecyclus worden gedenormaliseerd met behulp van de in punt 1.3 omschreven kromme, en wel als volgt:

Werkelijk koppel = (% koppel × max. koppel/100)

voor het respectieve werkelijke toerental als bepaald overeenkomstig punt 2.1.

De negatieve koppelwaarden van de controlepunten („m”) krijgen ten behoeve van de vaststelling van de referentiecyclus gedenormaliseerde waarden die op een van de volgende manieren worden berekend:

—negatieve 40 % van het positieve koppel dat beschikbaar is bij het bijbehorend toerentalpunt;

—uitzetten van het negatieve koppel dat vereist is om de motor van het minimum- tot maximumtoerental te brengen;

—bepaling van het negatieve koppel dat vereist is om de motor stationair te doen draaien en van het koppel bij het referentietoerental en lineaire interpolatie tussen beide punten.

2.3. Voorbeeld van de denormalisatieprocedure

Als voorbeeld wordt het volgende testpunt gedenormaliseerd:

% toerental

=

43

% koppel

=

82

Gegeven zijn de volgende waarden:

referentietoerental

=

2 200 min- 1

stationair toerental

=

600 min- 1

hetgeen resulteert in:

werkelijk toerental = (43 × (2 200 - 600)/100) + 600 = 1 288 min-1

werkelijk koppel = (82 × 700/100) = 574 Nm

waarbij het maximumkoppel dat bij 1 288 min-1 uit de motorkarakteristiek wordt afgelezen, 700 Nm bedraagt.

▼M1

3. UITVOERING VAN DE EMISSIETEST

Op verzoek van de fabrikant kan een dummytest worden uitgevoerd om de motor en het uitlaatsysteem vóór de meetcyclus te conditioneren.

Aardgas- en LPG-motoren laat men warmlopen aan de hand van de ETC-test. Men laat de motor gedurende minstens twee ETC-cycli draaien, totdat de CO-emissiewaarde gedurende één ETC-cyclus niet meer dan 10 % hoger ligt dan de in de voorgaande cyclus gemeten CO-emissiewaarde.

3.1. Gereedmaken van de bemonsteringsfilters (indien van toepassing)

Elk filter moet ten minste een uur voor de test in een deels afgedekt en tegen stof beschermd petrischaaltje worden geplaatst, waarna het geheel in een weegkamer wordt gezet om te stabiliseren. Aan het einde van de stabiliseringsperiode wordt elk filter gewogen en wordt het tarragewicht genoteerd. Het filter moet vervolgens in een gesloten petrischaaltje of filterhouder worden bewaard totdat het nodig is voor de test. Nadat het filter uit de weegkamer is gehaald, moet het binnen acht uur worden gebruikt. Het tarragewicht wordt genoteerd.

3.2. Installatie van de meetapparatuur

De instrumenten en de bemonsteringssondes moeten volgens de voorschriften worden aangebracht. De uitlaatpijp wordt op het volledige-stroomverdunningssysteem aangesloten (indien van toepassing).

3.3. Starten van het verdunningssysteem en de motor

Het verdunningssysteem en de motor worden gestart en opgewarmd totdat alle temperaturen en drukken gestabiliseerd zijn bij het maximumvermogen overeenkomstig de aanbeveling van de fabrikant en goede technische praktijken.

3.4. Starten van het deeltjesbemonsteringssysteem (alleen voor dieselmotoren)

Het deeltjesbemonsteringssysteem wordt in werking gesteld; het functioneert via een omloopsysteem. Het achtergrondniveau van de deeltjes in de verdunningslucht kan worden bepaald door verdunningslucht door de deeltjesfilters te voeren. Indien gefilterde verdunningslucht wordt gebruikt, kan voor of na de test één meting worden verricht. Indien de verdunningslucht niet gefilterd is, kunnen metingen worden verricht aan het begin en aan het eind van de cyclus en wordt het gemiddelde van de waarden bepaald.

Het verdunningssysteem en de motor worden gestart en opgewarmd totdat alle temperaturen en drukken gestabiliseerd zijn overeenkomstig de aanbeveling van de fabrikant en goede technische praktijken.

In het geval van nabehandeling met periodieke regeneratie mag de regeneratie niet plaatsvinden tijdens het opwarmen van de motor.

3.5. Afstelling van het verdunningssysteem

Het debiet van het verdunningssysteem (volledige of partiële stroom) wordt zo afgesteld dat watercondensatie in het systeem wordt vermeden en de maximale filteroppervlaktemperatuur 325 K (52 °C) of minder bedraagt (zie bijlage V, punt 2.3.1, DT).

3.6. Controle van de analysators

De emissieanalysators worden op nul gezet en het meetbereik wordt ingesteld. Eventuele bemonsteringszakken worden leeggemaakt.

3.7. Procedure voor het starten van de motor

De gestabiliseerde motor wordt gestart overeenkomstig de door de fabrikant aanbevolen startprocedure in de handleiding van de eigenaar, met gebruikmaking van hetzij een standaardstartmotor, hetzij de dynamometer. Desgewenst mag de test direct na de motorconditioneringsfase beginnen zonder dat de motor afgezet wordt, wanneer de motor het stationair toerental heeft bereikt.

3.8. Testcyclus

3.8.1. Testverloop

De testcyclus wordt gestart wanneer de motor het stationaire toerental heeft bereikt. De test verloopt overeenkomstig de in punt 2 beschreven referentiecyclus. De motortoerental- en koppelregelpunten worden ingesteld op 5 Hz of meer (10 Hz is aanbevolen). Feedback-motortoerental en -koppel worden tijdens de testcyclus ten minste eenmaal per seconde geregistreerd en de signalen mogen elektronisch worden gefilterd.

3.8.2. Meting van de gasvormige emissies

3.8.2.1. Volledige-stroomverdunningssysteem

Bij het starten van de motor of, wanneer de testcyclus direct na de voorconditionering van de motor wordt gestart, van de testcyclus begint de meetapparatuur gelijktijdig met de volgende metingen:

—verzameling of analyse van de verdunningslucht;

—verzameling of analyse van de verdunde uitlaatgassen;

—meting van de hoeveelheid verdunde uitlaatgassen (CVS) en van de vereiste temperaturen en drukken;

—registreren van de feedbackgegevens inzake toerental en koppel van de dynamometer.

HC en NOx worden continu gemeten in de verdunningstunnel met een frequentie van 2 Hz. De gemiddelde concentraties worden bepaald door de analysesignalen te integreren over de gehele testcyclus. De responsietijd van het systeem mag niet meer bedragen dan 20 sec. en wordt zo nodig gecoördineerd met de CVS-debietschommelingen en de bemonsteringstijd/testcyclus-offsets. CO, CO2, NMHC en CH4 worden bepaald door integratie of door analyse van de concentraties van de stoffen die tijdens de cyclus in de bemonsteringszak zijn verzameld. De concentraties van gasvormige verontreinigingen in de verdunningslucht worden bepaald door integratie of door verzameling in de bemonsteringszak voor het achtergrondniveau. Alle andere waarden worden ten minste één keer per seconde geregistreerd (1 Hz).

3.8.2.2. Meting van het ruwe uitlaatgas

Bij het starten van de motor of, wanneer de testcyclus direct na de voorconditionering van de motor wordt gestart, van de testcyclus begint de meetapparatuur gelijktijdig met de volgende metingen:

—analyse van de concentraties in het ruwe uitlaatgas;

—meting van het uitlaatgas of de inlaatlucht en het brandstofdebiet;

—registreren van de feedbackgegevens inzake toerental en koppel van de dynamometer.

Voor de evaluatie van de gasvormige emissies worden de emissieconcentraties (HC, CO en NOx) en het uitlaatgasmassadebiet geregistreerd en met ten minste 2 Hz in een computersysteem opgeslagen. De responsietijd van het systeem mag niet meer bedragen dan 10 sec.; alle andere gegevens mogen worden geregistreerd met een bemonsteringssnelheid van ten minste 1 Hz. In het geval van analoge analysators wordt de responsie genoteerd; de kalibratiegegevens mogen tijdens de evaluatie van de gegevens online of offline worden toegepast.

Voor de berekening van de massa-emissie van de gasvormige bestanddelen worden de diagrammen van de opgetekende concentraties en het diagram van het uitlaatgasmassadebiet gealigneerd aan de hand van de omzettingstijd, zoals bepaald in punt 2 van bijlage I. Daarom wordt de responsietijd van elke analysator van gasvormige emissies en van het uitlaatgasmassadebietsysteem vastgesteld volgens de bepalingen van de punten 4.2.1 en 1.5 van aanhangsel 5 van deze bijlage en vervolgens genoteerd.

3.8.3. Deeltjesbemonstering (indien van toepassing)

3.8.3.1. Volledige-stroomverdunningssysteem

Bij het starten van de motor of, wanneer de testcyclus direct na de voorconditionering van de motor wordt gestart, van de testcyclus wordt het deeltjesbemonsteringssysteem van de omloop- naar de deeltjesopvangstand overgeschakeld.

Indien er geen stroomcompensatie wordt gebruikt, worden de bemonsteringspompen zo afgesteld dat het debiet door de deeltjesbemonsteringssonde of de verbindingsleiding wordt gehandhaafd op het ingestelde debiet ± 5 %. Indien er wel stroomcompensatie is (d.w.z. proportionele regeling van het bemonsteringsdebiet), moet worden aangetoond dat de verhouding van het debiet in de hoofdleiding tot het bemonsteringsdebiet ten hoogste ± 5 % van de ingestelde waarde afwijkt (met uitzondering van de eerste 10 bemonsteringsseconden).

NB: Bij dubbele verdunning is het bemonsteringsdebiet het nettoverschil tussen het debiet door de bemonsteringsfilters en het secundaire-verdunningsluchtdebiet.

De gemiddelde temperatuur en druk bij de inlaat van de gasmeter(s) of de debietapparatuur worden opgetekend. Wanneer het ingestelde debiet door het invangen van een te groot aantal deeltjes op het filter niet over de gehele cyclus kan worden gehandhaafd (binnen ± 5 %), is de test ongeldig. De test wordt dan herhaald met gebruikmaking van een lager debiet en/of een filter met een grotere diameter.

3.8.3.2. Partiële-stroomverdunningssysteem

Bij het starten van de motor of, wanneer de testcyclus direct na de voorconditionering van de motor wordt gestart, van de testcyclus wordt het deeltjesbemonsteringssysteem van de omloop- naar de deeltjesopvangstand overgeschakeld.

Voor de controle van een partiële-stroomverdunningssysteem is een snelle systeemresponsie vereist. De omzettingstijd voor het systeem wordt bepaald volgens de procedure in punt 3.3 van aanhangsel 5 van bijlage III. Indien de omzettingstijd van de uitlaatgasdebietmeting (zie punt 4.2.1) en het partiële-stroomsysteem gecombineerd minder dan 0,3 sec. bedraagt, kan met onlinecontrole worden gewerkt. Indien de omzettingstijd meer dan 0,3 sec. bedraagt, moet gebruik worden gemaakt van de anticiperende controle („look ahead”) op basis van een vooraf vastgelegde testprocedure. In dit geval bedraagt de stijgtijd ≤ 1 sec. en bedraagt de reactietijd van de combinatie ≤ 10 sec.

De totale systeemresponsie moet een representatief monster van de deeltjes, qmp,i, garanderen, evenredig met het uitlaatgasmassadebiet. Om de evenredigheid te bepalen, wordt een regressieanalyse van qmp,i versus qmew,i uitgevoerd met een gegevensverzamelingssnelheid van ten minste 1 Hz, waarbij aan de volgende criteria moet worden voldaan:

—de correlatiecoëfficiënt R2 van de lineaire regressie tussen qmp,i en qmew,i bedraagt ten minste 0,95;

—de standaardafwijking van de schattingswaarde van qmp,i over qmew,i bedraagt maximaal 5 % van het maximum van qmp;

—het qmp-afsnijpunt van de regressierechte bedraagt maximaal ± 2 % van het maximum van qmp.

Desgewenst mag een voortest worden uitgevoerd en mag het uitlaatgasmassadebietsignaal van deze voortest worden gebruikt om het bemonsteringsdebiet in het deeltjessysteem te controleren (anticiperende controle). Een dergelijke procedure is nodig indien de omzettingstijd van het deeltjessysteem (t50,P) of de omzettingstijd van het uitlaatgasmassadebietsignaal (t50,F) of beide groter zijn dan 0,3 sec. Voor een correcte controle van het partiële-stroomsysteem moet het tijddiagram van qmew,pre van de voortest, die qmp controleert, worden verschoven met een anticipatietijd („look ahead”) van t50,P + t50,F.

Om de correlatie tussen qmp,i en qmew,i vast te stellen, wordt gebruikgemaakt van de gegevens die tijdens de eigenlijke test worden verzameld (tijdalignering van qmew,i op t50,F voor qmp,i; t50,P speelt bij de tijdalignering geen rol). Met andere woorden, de tijdsverschuiving tussen qmew en qmp is het verschil tussen hun respectieve omzettingstijd, die werd vastgesteld in punt 3.3 van aanhangsel 5 van bijlage III.

3.8.4. Afslaan van de motor

Indien de motor tijdens de test afslaat, wordt de motor opnieuw geconditioneerd en gestart en wordt de test herhaald. Wanneer een van de testapparaten gedurende de testcyclus slecht werkt, is de test ongeldig.

3.8.5. Handelingen na de test

Na de beëindiging van de test worden de meting van het volume van de verdunde uitlaatgassen of het ruw-uitlaatgasdebiet, de gasstroom in de bemonsteringszakken, alsook de deeltjesbemonsteringspomp stilgelegd. Wanneer een integrerend analysesysteem wordt gebruikt, wordt de bemonstering voortgezet tot na het verstrijken van de responsietijd van het systeem.

De concentraties in de bemonsteringszakken, als daarvan gebruik wordt gemaakt, worden zo spoedig mogelijk en in elk geval niet later dan 20 min. na het einde van de testcyclus geanalyseerd.

Na de emissietest worden een nulgas en hetzelfde ijkgas gebruikt om de analysators te controleren. Wanneer het verschil tussen de resultaten voor en na de test kleiner is dan 2 % van de ijkgaswaarde, wordt de test als geldig beschouwd.

3.9. Controle van de testcyclus

3.9.1. Dataverschuiving

Om de biaseffecten van het tijdsverschil tussen de feedback- en de referentiecycluswaarden te minimaliseren, mag de gehele motortoerental- en motorkoppelfeedbacksignaalreeks vervroegd of later gesteld worden ten opzichte van de referentietoerentalreeks en -koppelreeks. Wanneer de feedbacksignalen worden verschoven, moet zowel het toerental als het koppel eenzelfde hoeveelheid in dezelfde richting worden verschoven.

3.9.2. Berekening van de cyclusarbeid

De werkelijke cyclusarbeid Wact (kWh) wordt berekend aan de hand van elk paar gemeten feedback-motortoerental- en -koppelwaarden. Dat gebeurt na bovengenoemde verschuiving van de feedbackgegevens, wanneer voor deze optie is gekozen. De werkelijke cyclusarbeid Wact wordt gebruikt ter vergelijking met de referentiecyclusarbeid Wref en voor de berekening van de remspecifieke emissies (zie de punten 4.4 en 5.2). Dezelfde methode wordt gebruikt voor de integratie van het referentie- en het werkelijke motorvermogen. Wanneer waarden moeten worden bepaald tussen naast elkaar liggende referentie- of meetwaarden, wordt lineaire interpolatie gebruikt.

Bij de integratie van de referentie- en de werkelijke cyclusarbeid worden alle negatieve koppelwaarden op nul gezet en meegenomen. Indien de integratie verloopt met een frequentie van minder dan 5 Hz en indien, gedurende een bepaald tijdsinterval, de koppelwaarde van teken verandert, dan wordt het negatieve gedeelte berekend en op nul gezet. Het positieve gedeelte wordt opgenomen in de geïntegreerde waarde.

Wact moet liggen tussen – 15 % en + 5 % van Wref.

3.9.3. Validatie van de gegevens van de testcyclus

Voor toerental, koppel en vermogen wordt een lineaire regressie uitgevoerd van de feedback op de referentiewaarden. Dat gebeurt na bovengenoemde verschuiving van de feedbackgegevens, wanneer voor deze optie is gekozen. Er wordt gebruik gemaakt van de kleinste-kwadratenmethode en van de best passende vergelijking met de vorm:

y = mx + b

waarbij:

y

=

werkelijke feedbackwaarde van toerental (min-1), koppel (Nm) of vermogen (kW)

m

=

helling van de regressierechte

x

=

referentiewaarde van toerental (min-1), koppel (Nm) of vermogen (kW)

b

=

y-afsnijpunt van de regressierechte.

Voor elke regressierechte worden de standaardafwijking van de schattingswaarde (SE) van y over x en de determinatiecoëfficiënt (r2) berekend.

Aanbevolen wordt deze analyse uit te voeren met een frequentie van 1 Hz. Alle negatieve referentiekoppelwaarden en de bijbehorende feedbackwaarden worden uit de berekening van de cycluskoppel- en -vermogenvalidatiestatistieken weggelaten. Een test is geldig wanneer aan de criteria van tabel 7 is voldaan.



Tabel 7

Regressierechtetoleranties

Toerental

Koppel

Vermogen

Standaardafwijking van de schattingswaarde (SE) van Y over X

Max. 100 min–1

Max. 13 % (15 %) (1) van het maximale motorkoppel op de motorvermogenkarakteristiek

Max. 8 % (15 %) (1) van het maximale motorvermogen op de motorvermogenkarakteristiek

Helling van de regressierechte, m

0,95 tot 1,03

0,83-1,03

0,89-1,03

(0,83-1,03) (1)

Determinatiecoëfficiënt, r2

Min. 0,9700

(min. 0,9500) (1)

Min. 0,8800

(min. 0,7500) (1)

Min. 0,9100

(min. 0,7500) (1)

Y-afsnijpunt van de regressierechte, b

± 50 min–1

± 20 Nm of ± 2 % (± 20 Nm of ± 3 %) (1) van het maximumkoppel (grootste waarde is van toepassing)

± 4 kW of ± 2 % (± 4 kW of ± 3 %) (1) van het maximumvermogen (grootste waarde is van toepassing)

(1)Tot 1 oktober 2005 mogen de cijfers tussen haakjes worden gebruikt voor de typegoedkeuringstests van gasmotoren. (De Commissie brengt verslag uit over de ontwikkeling van de gasmotortechnologie met het oog op de bevestiging of wijziging van de regressierechtetoleranties in deze tabel die voor gasmotoren gelden.)

Onder de in tabel 8 vermelde voorwaarden mogen bepaalde punten worden geschrapt.



Tabel 8

Punten die in de regressieanalyse mogen worden geschrapt

Voorwaarden

Te schrappen punten

Vollast en koppelfeedback < 95 % van het referentiekoppel

Koppel en/of vermogen

Vollast en toerentalfeedback < 95 % van het referentietoerental

Toerental en/of vermogen

Geen belasting, geen stationair punt en koppelfeedback > referentiekoppel

Koppel en/of vermogen

Geen belasting, toerentalfeedback ≤ stationair toerental + 50 min–1 en koppelfeedback = door de fabrikant bepaald/gemeten stationair koppel ± 2 % van het maximumkoppel

Toerental en/of vermogen

Geen belasting, toerentalfeedback > stationair toerental + 50 min–1 en koppelfeedback > 105 % van het referentiekoppel

Koppel en/of vermogen

Geen belasting en toerentalfeedback > 105 % van het referentietoerental

Toerental en/of vermogen

▼M1

4. BEREKENING VAN HET UITLAATGASDEBIET

4.1. Bepaling van het verdund-uitlaatgasmassadebiet

Het volledige verdund-uitlaatgasdebiet gedurende de cyclus (kg/test) wordt berekend uit de meetwaarden van de cyclus en de corresponderende kalibratiegegevens van de debietmeter (V0 voor PDP, KV voor CFV, Cd voor SSV, als omschreven in bijlage III, aanhangsel 5, punt 2). Wanneer de temperatuur van het verdunde uitlaatgas met gebruikmaking van een warmtewisselaar constant wordt gehouden (± 6 K voor een PDP-CVS, ± 11 K voor een CFV-CVS of ± 11 K voor een SSV-CVS, zie bijlage V, punt 2.3), wordt de volgende formule gebruikt:

Voor het PDP-CVS-systeem

med = 1,293 × V0 × NP × (pb - p1) × 273 / (101,3 × T)

waarbij:

V0

=

volume gas dat per omwenteling onder testomstandigheden door de pomp wordt verplaatst, m3/omw.

NP

=

totaal aantal omwentelingen van de pomp per test

pb

=

atmosferische druk in de meetcel, kPa

p1

=

onderdruk bij de pompinlaat, kPa

T

=

gemiddelde temperatuur van het verdunde uitlaatgas bij de pompinlaat gedurende de cyclus, K.

Voor het CFV-CVS-systeem

med = 1,293 × t × Kv × pp / T0,5

waarbij:

t

=

cyclustijd, s

KV

=

kalibratiecoëfficiënt van de venturibuis met kritische stroming onder standaardomstandigheden

pp

=

absolute druk bij de inlaat van de venturibuis, kPa

T

=

absolute temperatuur bij de inlaat van de venturibuis, K.

Voor het SSV-CVS-systeem:

med = 1,293 × QSSV

waarbij:

QSSV = A0d2Cdpp √[1 T (rp 1,4286 - rp 1,7143) × (1 1 - rD4rp1,4286)]

met:

A0

=

verzameling van constanten en omzettingen van eenheden

(m3 min) (K1 2 kPa) (1 mm2)

= 0,006111 in SI-eenheden van

d

=

diameter van de SSV-vernauwing, m

Cd

=

afvoercoëfficiënt van de SSV

pp

=

absolute druk bij de inlaat van de venturibuis, kPa

T

=

temperatuur bij de inlaat van de venturibuis, K

rp

=

verhouding van de SSV-vernauwing tot de absolute, statische druk van de inlaat =1 - ΔP PA

rD

=

verhouding van de diameter van de SSV-vernauwing, d, tot de binnendiameter van de inlaatbuis =d D

Wanneer een systeem met stroomcompensatie wordt gebruikt (d.w.z. zonder warmtewisselaar), worden de momentane massa-emissies berekend en geïntegreerd gedurende de cyclus. In dat geval wordt de momentane massa van het verdunde uitlaatgas als volgt berekend.

Voor het PDP-CVS-systeem

med,i = 1,293 × V0 × NP,i × (pb - p1) × 273 / (101,3 × T)

waarbij:

NP,i = totaal aantal omwentelingen van de pomp per tijdsinterval

Voor het CFV-CVS-systeem

med,i = 1,293 × Δti × KV × pp / T0,5

waarbij:

Δti = tijdsinterval, s.

Voor het SSV-CVS-systeem

med = 1,293 × QSSV × Δti

waarbij:

Δti = tijdsinterval, s.

De real time-berekening wordt gestart met hetzij een redelijke waarde voor Cd, bijvoorbeeld 0,98, hetzij een redelijke waarde voor Qssv. Als de berekening wordt gestart met Qssv, dan wordt de initiële waarde van Qssv gebruikt om Re te evalueren.

Tijdens alle emissietests moet het getal van Reynolds aan de SSV-vernauwing in de buurt liggen van de getallen van Reynolds die zijn gebruikt om de kalibratiekromme in punt 2.4 van aanhangsel 5 af te leiden.

4.2. Bepaling van het ruw-uitlaatgasmassadebiet

Om de emissies in het ruwe uitlaatgas te kunnen berekenen en een partiële-stroomverdunningssysteem te kunnen controleren, is het noodzakelijk het uitlaatgasmassadebiet te kennen. Om het uitlaatgasmassadebiet te bepalen, mag een van de in de punten 4.2.2 tot en met 4.2.5 beschreven methoden worden gebruikt.

4.2.1. Responsietijd

Voor de berekening van de emissies moet de responsietijd van de hieronder beschreven methoden gelijk zijn aan of kleiner zijn dan de responsietijd van de analysator, zoals bepaald in punt 1.5 van aanhangsel 5.

Voor de controle van een partiële-stroomverdunningssysteem is een snellere responsie vereist. Voor partiële-stroomverdunningssystemen met onlinecontrole is een responsietijd van ≤ 0,3 sec. vereist. Voor partiële-stroomverdunningssystemen met anticiperende controle op basis van een vooraf vastgelegde testprocedure is een responsietijd van het uitlaatgasdebietmeetsysteem van ≤ 5 sec. met een stijgtijd van ≤ 1 sec. vereist. De systeemresponsietijd wordt gespecificeerd door de fabrikant van het instrument. De responsietijdvoorschriften voor uitlaatgasdebiet en partiële-stroomverdunnings-systeem zijn vermeld in punt 3.8.3.2.

4.2.2. Directe meting

Systemen voor de directe meting van het momentane uitlaatgasdebiet zijn bijvoorbeeld:

—apparaten die op basis van drukverschil werken, zoals een stroomkop;

—ultrasone debietmeter;

—vortex debietmeter.

Er moeten maatregelen worden genomen om meetfouten die van invloed zijn op de emissiewaarden, te voorkomen. Zo moet de apparatuur zorgvuldig in het uitlaatsysteem van de motor worden geïnstalleerd volgens de aanbevelingen van de fabrikant van het instrument en naar goede technische praktijkgewoonte. Met name de prestaties en de emissies van de motor mogen door de installatie van de apparatuur niet worden beïnvloed.

De nauwkeurigheid van de bepaling van het uitlaatgasdebiet bedraagt ten minste ± 2,5 % van de afgelezen waarde of ± 1,5 % van de maximumwaarde van de motor (de grootste waarde is van toepassing).

4.2.3. Meting van het lucht- en brandstofdebiet

Bij deze methode worden het lucht- en het brandstofdebiet gemeten. De gebruikte lucht- en brandstofdebietmeters moeten aan alle nauwkeurigheidsvoorschriften met betrekking tot het uitlaatgasdebiet van punt 4.2.2 voldoen. Het uitlaatgasdebiet wordt als volgt berekend:

qmew = qmaw + qmf

4.2.4. Meting van een indicatorgas

Bij deze methode wordt de concentratie van een indicatorgas in de uitlaat gemeten. Een bekende hoeveelheid van een inert gas (bv. zuiver helium) wordt als indicator in de uitlaatgasstroom gespoten. Het gas wordt vermengd en verdund door het uitlaatgas, maar zal in de uitlaatpijp niet reageren. Vervolgens wordt de concentratie van het gas in het uitlaatgasmonster gemeten.

Om ervoor te zorgen dat het indicatorgas volledig vermengd wordt, wordt de uitlaatgasbemonsteringssonde ten minste 1 m of 30 keer de diameter van de uitlaatpijp (de grootste waarde is van toepassing) voorbij het inspuitpunt van het indicatorgas aangebracht. De bemonsteringssonde mag dichter bij het inspuitpunt worden geplaatst als wordt toegezien op de complete vermenging door de concentratie van het indicatorgas te vergelijken met de referentieconcentratie wanneer het indicatorgas vóór de motor wordt ingespoten.

Het indicatorgasdebiet moet zo zijn ingesteld dat de concentratie van het indicatorgas bij stationair toerental na vermenging kleiner wordt dan het volledige schaalbereik van de indicatorgasanalysator.

Het uitlaatgasdebiet wordt als volgt berekend:

qmew,i = qvt × ρe 60 × (cmix,i - ca)

waarbij:

qmew,i

=

momentaan uitlaatgasmassadebiet, kg/s

qvt

=

indicatorgasdebiet, cm3/min.

cmix.i

=

momentane concentratie van het indicatorgas na vermenging, ppm

ρe

=

dichtheid van het uitlaatgas, kg/m3 (zie tabel 3)

ca

=

achtergrondconcentratie van het indicatorgas in de inlaatlucht, ppm.

Wanneer de achtergrondconcentratie minder dan 1 % bedraagt van de concentratie van het indicatorgas na vermenging (cmix.i) bij maximaal uitlaatgasdebiet, mag de achtergrondconcentratie worden verwaarloosd.

Het totale systeem moet aan de nauwkeurigheidsspecificaties voor het uitlaatgasdebiet voldoen en gekalibreerd zijn overeenkomstig punt 1.7 van aanhangsel 5.

4.2.5. Meting van het luchtdebiet en de luchtbrandstofverhouding

Bij deze methode wordt de uitlaatgasmassa berekend aan de hand van het luchtdebiet en de luchtbrandstofverhouding. Het momentane uitlaatgasmassadebiet wordt als volgt berekend:

qmew,i = qmaw,i × (1 + 1 A/Fst × λi)

met

A/Fst = 138,0 × (β + α 4 - ε 2 + γ) 12,011 × β + 1,00794 × α + 15,9994 × ε + 14,0067 × δ + 32,065 × γ

λi = β × (100 - cCO × 10–4 2 - cHC × 10–4) + (α 4 × 1 - 2 × cCO × 10–4 3,5 × cCO2 1 + cCO × 10–4 3,5 × cCO2 - ε 2 - δ 2) × (cCO2 + cCO × 10–4) 4,764 × (β + α 4 - ε 2 + γ) × (cCO2 + cCO × 10–4 + cHC × 10–4)

waarbij:

A/Fst

=

stoichiometrische luchtbrandstofverhouding, kg/kg

λ

=

luchtovermaatgetal

cCO2

=

droge CO2-concentratie, %

cCO

=

droge CO-concentratie, ppm

cHC

=

HC-concentratie, ppm.

NB: β kan 1 zijn voor brandstoffen op basis van koolstof en 0 voor brandstof op basis van waterstof.

De luchtdebietmeter moet voldoen aan de nauwkeurigheidsspecificaties van punt 2.2 van aanhangsel 4, de gebruikte CO2-analysator moet voldoen aan de specificaties van punt 3.3.2 van aanhangsel 4 en het totale systeem moet voldoen aan de nauwkeurigheidsspecificaties voor het uitlaatgasdebiet.

Desgewenst kan voor de meting van de luchtbrandstofverhouding apparatuur zoals een zirkoniumsensor worden gebruikt die aan de specificaties van punt 3.3.6 van aanhangsel 4 voldoet.

▼M1

5. BEREKENING VAN DE GASVORMIGE EMISSIES

5.1. Evaluatie van de gegevens

Voor de evaluatie van de gasvormige emissies in het verdunde uitlaatgas worden de emissieconcentraties (HC, CO en NOx) en het verdund-uitlaatgasmassadebiet geregistreerd overeenkomstig punt 3.8.2.1 en in een computersysteem opgeslagen. In het geval van analoge analysators wordt de responsie genoteerd; de kalibratiegegevens mogen tijdens de evaluatie van de gegevens online of offline worden toegepast.

Voor de evaluatie van de gasvormige emissies in het ruwe uitlaatgas worden de emissieconcentraties (HC, CO en NOx) en het uitlaatgasmassadebiet geregistreerd overeenkomstig punt 3.8.2.2 en in een computersysteem opgeslagen. In het geval van analoge analysators wordt de responsie genoteerd; de kalibratiegegevens mogen tijdens de evaluatie van de gegevens online of offline worden toegepast.

5.2. Droog/natcorrectie

Indien de concentratie op droge basis is gemeten, wordt zij aan de hand van de volgende formule omgezet in een concentratie op natte basis. In het geval van continue meting wordt elke momentane meting omgezet vooraleer verdere berekeningen worden uitgevoerd.

cwet = kW × cdry

De omzettingsvergelijkingen van punt 5.2 van aanhangsel 1 zijn van toepassing.

5.3. Vochtigheids- en temperatuurcorrectie voor NOx

Aangezien de NOx-emissie afhangt van de toestand van de omgevingslucht, moet de NOx-concentratie voor omgevingsluchttemperatuur en -vochtigheid worden gecorrigeerd met behulp van de in punt 5.3 van aanhangsel 1 genoemde factoren. De factoren zijn geldig binnen het bereik van 0 tot 25 g/kg droge lucht.

5.4. Berekening van het emissiemassadebiet

De emissiemassa tijdens de cyclus (g/test) wordt als volgt berekend, naar gelang van de toegepaste meetmethode. De gemeten concentratie wordt overeenkomstig punt 5.2 van aanhangsel 1 omgezet in die voor nat gas, indien zij niet reeds op natte basis is gemeten. Voor de toepassing gelden de respectieve waarden voor ugas die zijn vermeld in tabel 6 van aanhangsel 1 voor een selectie van bestanddelen, gebaseerd op ideale gaseigenschappen en de voor deze richtlijn relevante brandstoffen.

a)Voor het ruwe uitlaatgas

mgas = ugas × Σ i = 1 i = n cgas,i × qmew,i × 1 f

waarbij:

ugas

=

verhouding tussen de dichtheid van het uitlaatgasbestanddeel en de dichtheid van het uitlaatgas uit tabel 6

cgas,i

=

momentane concentratie van het desbetreffende bestanddeel in het ruwe uitlaatgas, ppm

qmew,i

=

momentaan uitlaatgasmassadebiet, kg/s

f

=

bemonsteringssnelheid, Hz

n

=

aantal metingen.

b)Voor het verdunde uitlaatgas zonder stroomcompensatie

mgas = ugas × cgas × med

waarbij:

ugas

=

verhouding tussen de dichtheid van het uitlaatgasbestanddeel en de luchtdichtheid uit tabel 6

cgas

=

gemiddelde voor de achtergrond gecorrigeerde concentratie van het desbetreffende bestanddeel, ppm

med

=

totale massa van het verdunde uitlaatgas gedurende de cyclus, kg.

c)Voor het verdunde uitlaatgas met stroomcompensatie

mgas = [ugas × Σ i = 1 i = n (ce,i × qmdew,i × 1 f)] - [(med × cd × (1 - 1/D) × ugas)]

waarbij:

ce,i

=

momentane concentratie van het desbetreffende bestanddeel in het verdunde uitlaatgas, ppm

cd

=

concentratie van het desbetreffende bestanddeel in de verdunningslucht, ppm

qmdew,i

=

momentaan massadebiet van het verdunde uitlaatgas, kg/s

med

=

totale massa van het verdunde uitlaatgas gedurende de cyclus, kg

ugas

=

verhouding tussen de dichtheid van het uitlaatgasbestanddeel en de luchtdichtheid uit tabel 6

D

=

verdunningsfactor (zie punt 5.4.1)

In voorkomend geval wordt de concentratie van NMHC en CH4 als volgt berekend aan de hand van een van de in punt 3.3.4 van aanhangsel 4 beschreven methoden:

a)GC-methode (alleen volledige-stroomverdunningssysteem)

cNMHC = cHC – cCH4

b)NMC-methode:

cNMHC = cHC(w/oCutter) × (1 - EM) - cHC (w/Cutter) EE - EM

cCH4 = cHC(w/Cutter) - cHC(w/oCutter) × (1 - EE) EE - EM

waarbij:

cHC(w/Cutter)

=

HC-concentratie als het monstergas door de NMC stroomt

cHC(w/oCutter)

=

HC-concentratie als het monstergas niet door de NMC stroomt.

5.4.1. Bepaling van de voor de achtergrond gecorrigeerde concentraties (alleen volledige-stroomverdunningssysteem)

De gemiddelde achtergrondconcentratie van gasvormige verontreinigingen in de verdunningslucht moet van de gemeten concentraties worden afgetrokken om de nettoconcentratie van verontreinigende stoffen te krijgen. De gemiddelde waarden van de achtergrondconcentraties kunnen worden bepaald via de bemonsteringszakmethode of via continue meting met integratie. De volgende formule is van toepassing.

c = ce - cd × (1 - 1 D)

waarbij:

ce

=

concentratie van de desbetreffende verontreinigende stof in het verdunde uitlaatgas, ppm

cd

=

concentratie van de desbetreffende verontreinigende stof in de verdunningslucht, ppm

D

=

verdunningsfactor.

De verdunningsfactor wordt als volgt berekend:

a)voor diesel- en LPG-motoren

D = FS cCO2 + (cHC + cCO) × 10–4

b)voor aardgasmotoren

D = FS cCO2 + (cNMHC + cCO) × 10–4

waarbij:

cCO2

=

CO2-concentratie in het verdunde uitlaatgas, vol.-%

cHC

=

HC-concentratie in het verdunde uitlaatgas, ppm C1

cNMHC

=

NMHC-concentratie in het verdunde uitlaatgas, ppm C1

cCO

=

CO-concentratie in het verdunde uitlaatgas, ppm

FS

=

stoichiometrische factor.

Op droge basis gemeten concentraties worden omgezet in concentraties op natte basis overeenkomstig punt 5.2 van aanhangsel 1.

De stoichiometrische factor wordt als volgt berekend:

FS = 100 × 1 1 + α 2 + 3,76 × (1 + α 4 - ε 2)

waarbij:

α, ε als molaire ratio verwijzen naar een brandstof CHαOε

Indien de brandstofsamenstelling niet bekend is, mogen de volgende stoichiometrische factoren worden gebruikt:

FS (diesel)

=

13,4

FS (LPG)

=

11,6

FS (aardgas)

=

9,5.

5.5. Berekening van de specifieke emissies

De emissies (g/kWh) worden als volgt berekend:

a)alle bestanddelen, met uitzondering van NOx:

Mgas = mgas Wact

b)NOx:

Mgas = mgas × kh Wact

waarbij:

Wact = de werkelijke cyclusarbeid als berekend overeenkomstig punt 3.9.2.

5.5.1.

In het geval van een periodiek uitlaatgasnabehandelingssysteem worden de emissies als volgt gewogen:

MGas = (n1 × MGas,n1 + n2 × MGas,n2) / (n1 + n2)

waarbij:

n1

=

aantal ETC-tests tussen twee regeneraties

n2

=

aantal ETC-tests tijdens een regeneratie (minstens 1 ETC-test)

Mgas,n2

=

emissies tijdens een regeneratie

Mgas,n1

=

emissies na een regeneratie.

6. BEREKENING VAN DE DEELTJESEMISSIE (INDIEN VAN TOEPASSING)

6.1. Evaluatie van de gegevens

Het deeltjesfilter wordt uiterlijk één uur na afloop van de test naar de weegkamer teruggebracht. Daar wordt het minstens één uur maar niet langer dan 80 uur geconditioneerd in een deels afgedekt en tegen stof beschermd petrischaaltje en vervolgens gewogen. Nadat de brutomassa van de filters is genoteerd, wordt daarvan de tarramassa afgetrokken, wat resulteert in de massa van het deeltjesmonster mf. Voor de evaluatie van de deeltjesconcentratie wordt de totale monstermassa (msep) door de filters gedurende de testcyclus geregistreerd.

Indien achtergrondcorrectie wordt toegepast, worden de verdunningsluchtmassa (md) door het filter en de deeltjesmassa (mf,d) geregistreerd.

6.2. Berekening van het massadebiet

6.2.1. Volledige-stroomverdunningssysteem

De deeltjesmassa (g/test) wordt als volgt berekend:

mPT = mf msep × med 1000

waarbij:

mf

=

gedurende de cyclus bemonsterde deeltjesmassa, mg

msep

=

massa van het verdunde uitlaatgas dat door de deeltjesopvangfilters stroomt, kg

med

=

massa van het verdunde uitlaatgas gedurende de cyclus, kg

Wanneer een dubbel verdunningssysteem wordt gebruikt, wordt de massa van de secundaire verdunningslucht afgetrokken van de totale massa van het dubbel verdunde uitlaatgas, bemonsterd door de deeltjesfilters.

msep = mset – mssd

waarbij:

mset

=

massa van het dubbel verdunde uitlaatgas door het deeltjesfilter, kg

mssd

=

massa van de secundaire verdunningslucht, kg

Wanneer het deeltjesachtergrondniveau van de verdunningslucht is bepaald overeenkomstig punt 3.4, kan de deeltjesmassa voor deze achtergrond worden gecorrigeerd. In dat geval wordt de deeltjesmassa (g/test) als volgt berekend:

mPT = [mf msep - (mf,d md × (1 - 1 D))] × med 1000

waarbij:

mPT, msep, med

=

zie boven

md

=

massa van de primaire verdunningslucht, bemonsterd door het bemonsteringssysteem voor achtergronddeeltjes, kg

mf,d

=

massa van de verzamelde achtergronddeeltjes van de primaire verdunningslucht, mg

D

=

verdunningsfactor zoals bepaald in punt 5.4.1.

6.2.2. Partiële-stroomverdunningssysteem

De deeltjesmassa (g/test) wordt berekend aan de hand van een van de volgende methoden:

a)mPT = mf msep × medf 1000

waarbij:

mf

=

gedurende de cyclus bemonsterde deeltjesmassa, mg

msep

=

massa van het verdunde uitlaatgas dat door de deeltjesopvangfilters stroomt, kg

medf

=

massa van equivalent verdund uitlaatgas gedurende de cyclus, kg.

De totale massa van equivalent verdund uitlaatgas gedurende de cyclus wordt als volgt bepaald:

medf = i = n Σ i = 1 qmedf,i × 1 f

qmedf,i = qmew,i × rd,i

rd,i = qmdew,,i (qmdew,,i - qmdw,,i)

waarbij:

qmedf,i

=

momentaan massadebiet van equivalent verdund uitlaatgas, kg/s

qmew,i

=

momentaan uitlaatgasmassadebiet, kg/s

rd,i

=

momentane verdunningsverhouding

qmdew,i

=

momentaan massadebiet van verdund uitlaatgas door verdunningstunnel, kg/s

qmdw,i

=

momentaan massadebiet van de verdunningslucht, kg/s

f

=

bemonsteringssnelheid, Hz

n

=

aantal metingen.

b)mPT = mf rs × 1000

waarbij:

mf

=

gedurende de cyclus bemonsterde deeltjesmassa, mg

rs

=

gemiddelde bemonsteringsverhouding gedurende de testcyclus

met:

rs = mse mew × msep msed

waarbij:

mse

=

monstermassa gedurende de cyclus, kg

mew

=

totaal uitlaatgasmassadebiet gedurende de cyclus, kg

msep

=

massa van het verdunde uitlaatgas dat door de deeltjesopvangfilters stroomt, kg

msed

=

massa van het verdunde uitlaatgas dat door de verdunningstunnel stroomt, kg.

NB: In het geval van totale bemonstering zijn msep en msed identiek.

6.3. Berekening van de specifieke emissie

De deeltjesemissie (g/kWh) wordt als volgt berekend:

MPT = mPT Wact

waarbij:

Wact = de werkelijke cyclusarbeid als berekend overeenkomstig punt 3.9.2, kWh.

6.3.1

In het geval van een nabehandelingssysteem op basis van periodieke regeneratie worden de emissies als volgt gewogen:

PT = (n1 × PTn1 + n2 × PT n2) / (n1 + n2)

waarbij:

n1

=

aantal ETC-tests tussen twee regeneraties;

n2

=

aantal ETC-tests tijdens een regeneratie (minstens 1 ETC-test);

PTn2

=

emissies tijdens een regeneratie;

PTn1

=

emissies voor of na een regeneratie.

▼B




Aanhangsel 3



ETC-MOTOR-DYNAMOMETERSCHEMA

Tijd

s

Genormaliseerd toerental

%

Genormaliseerd koppel

%

1

0

0

2

0

0

3

0

0

4

0

0

5

0

0

6

0

0

7

0

0

8

0

0

9

0

0

10

0

0

11

0

0

12

0

0

13

0

0

14

0

0

15

0

0

16

0,1

1,5

17

23,1

21,5

18

12,6

28,5

19

21,8

71

20

19,7

76,8

21

54,6

80,9

22

71,3

4,9

23

55,9

18,1

24

72

85,4

25

86,7

61,8

26

51,7

0

27

53,4

48,9

28

34,2

87,6

29

45,5

92,7

30

54,6

99,5

31

64,5

96,8

32

71,7

85,4

33

79,4

54,8

34

89,7

99,4

35

57,4

0

36

59,7

30,6

37

90,1

„m”

38

82,9

„m”

39

51,3

„m”

40

28,5

„m”

41

29,3

„m”

42

26,7

„m”

43

20,4

„m”

44

14,1

0

45

6,5

0

46

0

0

47

0

0

48

0

0

49

0

0

50

0

0

51

0

0

52

0

0

53

0

0

54

0

0

55

0

0

56

0

0

57

0

0

58

0

0

59

0

0

60

0

0

61

0

0

62

25,5

11,1

63

28,5

20,9

64

32

73,9

65

4

82,3

66

34,5

80,4

67

64,1

86

68

58

0

69

50,3

83,4

70

66,4

99,1

71

81,4

99,6

72

88,7

73,4

73

52,5

0

74

46,4

58,5

75

48,6

90,9

76

55,2

99,4

77

62,3

99

78

68,4

91,5

79

74,5

73,7

80

38

0

81

41,8

89,6

82

47,1

99,2

83

52,5

99,8

84

56,9

80,8

85

58,3

11,8

86

56,2

„m”

87

52

„m”

88

43,3

„m”

89

36,1

„m”

90

27,6

„m”

91

21,1

„m”

92

8

0

93

0

0

94

0

0

95

0

0

96

0

0

97

0

0

98

0

0

99

0

0

100

0

0

101

0

0

102

0

0

103

0

0

104

0

0

105

0

0

106

0

0

107

0

0

108

11,6

14,8

109

0

0

110

27,2

74,8

111

17

76,9

112

36

78

113

59,7

86

114

80,8

17,9

115

49,7

0

116

65,6

86

117

78,6

72,2

118

64,9

„m”

119

44,3

„m”

120

51,4

83,4

121

58,1

97

122

69,3

99,3

123

72

20,8

124

72,1

„m”

125

65,3

„m”

126

64

„m”

127

59,7

„m”

128

52,8

„m”

129

45,9

„m”

130

38,7

„m”

131

32,4

„m”

132

27

„m”

133

21,7

„m”

134

19,1

0,4

135

34,7

14

136

16,4

48,6

137

0

11,2

138

1,2

2,1

139

30,1

19,3

140

30

73,9

141

54,4

74,4

142

77,2

55,6

143

58,1

0

144

45

82,1

145

68,7

98,1

146

85,7

67,2

147

60,2

0

148

59,4

98

149

72,7

99,6

150

79,9

45

151

44,3

0

152

41,5

84,4

153

56,2

98,2

154

65,7

99,1

155

74,4

84,7

156

54,4

0

157

47,9

89,7

158

54,5

99,5

159

62,7

96,8

160

62,3

0

161

46,2

54,2

162

44,3

83,2

163

48,2

13,3

164

51

„m”

165

50

„m”

166

49,2

„m”

167

49,3

„m”

168

49,9

„m”

169

51,6

„m”

170

49,7

„m”

171

48,5

„m”

172

50,3

72,5

173

51,1

84,5

174

54,6

64,8

175

56,6

76,5

176

58

„m”

177

53,6

„m”

178

40,8

„m”

179

32,9

„m”

180

26,3

„m”

181

20,9

„m”

182

10

0

183

0

0

184

0

0

185

0

0

186

0

0

187

0

0

188

0

0

189

0

0

190

0

0

191

0

0

192

0

0

193

0

0

194

0

0

195

0

0

196

0

0

197

0

0

198

0

0

199

0

0

200

0

0

201

0

0

202

0

0

203

0

0

204

0

0

205

0

0

206

0

0

207

0

0

208

0

0

209

0

0

210

0

0

211

0

0

212

0

0

213

0

0

214

0

0

215

0

0

216

0

0

217

0

0

218

0

0

219

0

0

220

0

0

221

0

0

222

0

0

223

0

0

224

0

0

225

21,2

62,7

226

30,8

75,1

227

5,9

82,7

228

34,6

80,3

229

59,9

87

230

84,3

86,2

231

68,7

„m”

232

43,6

„m”

233

41,5

85,4

234

49,9

94,3

235

60,8

99

236

70,2

99,4

237

81,1

92,4

238

49,2

0

239

56

86,2

240

56,2

99,3

241

61,7

99

242

69,2

99,3

243

74,1

99,8

244

72,4

8,4

245

71,3

0

246

71,2

9,1

247

67,1

„m”

248

65,5

„m”

249

64,4

„m”

250

62,9

25,6

251

62,2

35,6

252

62,9

24,4

253

58,8

„m”

254

56,9

„m”

255

54,5

„m”

256

51,7

17

257

56,2

78,7

258

59,5

94,7

259

65,5

99,1

260

71,2

99,5

261

76,6

99,9

262

79

0

263

52,9

97,5

264

53,1

99,7

265

59

99,1

266

62,2

99

267

65

99,1

268

69

83,1

269

69,9

28,4

270

70,6

12,5

271

68,9

8,4

272

69,8

9,1

273

69,6

7

274

65,7

„m”

275

67,1

„m”

276

66,7

„m”

277

65,6

„m”

278

64,5

„m”

279

62,9

„m”

280

59,3

„m”

281

54,1

„m”

282

51,3

„m”

283

47,9

„m”

284

43,6

„m”

285

39,4

„m”

286

34,7

„m”

287

29,8

„m”

288

20,9

73,4

289

36,9

„m”

290

35,5

„m”

291

20,9

„m”

292

49,7

11,9

293

42,5

„m”

294

32

„m”

295

23,6

„m”

296

19,1

0

297

15,7

73,5

298

25,1

76,8

299

34,5

81,4

300

44,1

87,4

301

52,8

98,6

302

63,6

99

303

73,6

99,7

304

62,2

„m”

305

29,2

„m”

306

46,4

22

307

47,3

13,8

308

47,2

12,5

309

47,9

11,5

310

47,8

35,5

311

49,2

83,3

312

52,7

96,4

313

57,4

99,2

314

61,8

99

315

66,4

60,9

316

65,8

„m”

317

59

„m”

318

50,7

„m”

319

41,8

„m”

320

34,7

„m”

321

28,7

„m”

322

25,2

„m”

323

43

24,8

324

38,7

0

325

48,1

31,9

326

40,3

61

327

42,4

52,1

328

46,4

47,7

329

46,9

30,7

330

46,1

23,1

331

45,7

23,2

332

45,5

31,9

333

46,4

73,6

334

51,3

60,7

335

51,3

51,1

336

53,2

46,8

337

53,9

50

338

53,4

52,1

339

53,8

45,7

340

50,6

22,1

341

47,8

26

342

41,6

17,8

343

38,7

29,8

344

35,9

71,6

345

34,6

47,3

346

34,8

80,3

347

35,9

87,2

348

38,8

90,8

349

41,5

94,7

350

47,1

99,2

351

53,1

99,7

352

46,4

0

353

42,5

0,7

354

43,6

58,6

355

47,1

87,5

356

54,1

99,5

357

62,9

99

358

72,6

99,6

359

82,4

99,5

360

88

99,4

361

46,4

0

362

53,4

95,2

363

58,4

99,2

364

61,5

99

365

64,8

99

366

68,1

99,2

367

73,4

99,7

368

73,3

29,8

369

73,5

14,6

370

68,3

0

371

45,4

49,9

372

47,2

75,7

373

44,5

9

374

47,8

10,3

375

46,8

15,9

376

46,9

12,7

377

46,8

8,9

378

46,1

6,2

379

46,1

„m”

380

45,5

„m”

381

44,7

„m”

382

43,8

„m”

383

41

„m”

384

41,1

6,4

385

38

6,3

386

35,9

0,3

387

33,5

0

388

53,1

48,9

389

48,3

„m”

390

49,9

„m”

391

48

„m”

392

45,3

„m”

393

41,6

3,1

394

44,3

79

395

44,3

89,5

396

43,4

98,8

397

44,3

98,9

398

43

98,8

399

42,2

98,8

400

42,7

98,8

401

45

99

402

43,6

98,9

403

42,2

98,8

404

44,8

99

405

43,4

98,8

406

45

99

407

42,2

54,3

408

61,2

31,9

409

56,3

72,3

410

59,7

99,1

411

62,3

99

412

67,9

99,2

413

69,5

99,3

414

73,1

99,7

415

77,7

99,8

416

79,7

99,7

417

82,5

99,5

418

85,3

99,4

419

86,6

99,4

420

89,4

99,4

421

62,2

0

422

52,7

96,4

423

50,2

99,8

424

49,3

99,6

425

52,2

99,8

426

51,3

100

427

51,3

100

428

51,1

100

429

51,1

100

430

51,8

99,9

431

51,3

100

432

51,1

100

433

51,3

100

434

52,3

99,8

435

52,9

99,7

436

53,8

99,6

437

51,7

99,9

438

53,5

99,6

439

52

99,8

440

51,7

99,9

441

53,2

99,7

442

54,2

99,5

443

55,2

99,4

444

53,8

99,6

445

53,1

99,7

446

55

99,4

447

57

99,2

448

61,5

99

449

59,4

5,7

450

59

0

451

57,3

59,8

452

64,1

99

453

70,9

90,5

454

58

0

455

41,5

59,8

456

44,1

92,6

457

46,8

99,2

458

47,2

99,3

459

51

100

460

53,2

99,7

461

53,1

99,7

462

55,9

53,1

463

53,9

13,9

464

52,5

„m”

465

51,7

„m”

466

51,5

52,2

467

52,8

80

468

54,9

95

469

57,3

99,2

470

60,7

99,1

471

62,4

„m”

472

60,1

„m”

473

53,2

„m”

474

44

„m”

475

35,2

„m”

476

30,5

„m”

477

26,5

„m”

478

22,5

„m”

479

20,4

„m”

480

19,1

„m”

481

19,1

„m”

482

13,4

„m”

483

6,7

„m”

484

3,2

„m”

485

14,3

63,8

486

34,1

0

487

23,9

75,7

488

31,7

79,2

489

32,1

19,4

490

35,9

5,8

491

36,6

0,8

492

38,7

„m”

493

38,4

„m”

494

39,4

„m”

495

39,7

„m”

496

40,5

„m”

497

40,8

„m”

498

39,7

„m”

499

39,2

„m”

500

38,7

„m”

501

32,7

„m”

502

30,1

„m”

503

21,9

„m”

504

12,8

0

505

0

0

506

0

0

507

0

0

508

0

0

509

0

0

510

0

0

511

0

0

512

0

0

513

0

0

514

30,5

25,6

515

19,7

56,9

516

16,3

45,1

517

27,2

4,6

518

21,7

1,3

519

29,7

28,6

520

36,6

73,7

521

61,3

59,5

522

40,8

0

523

36,6

27,8

524

39,4

80,4

525

51,3

88,9

526

58,5

11,1

527

60,7

„m”

528

54,5

„m”

529

51,3

„m”

530

45,5

„m”

531

40,8

„m”

532

38,9

„m”

533

36,6

„m”

534

36,1

72,7

535

44,8

78,9

536

51,6

91,1

537

59,1

99,1

538

66

99,1

539

75,1

99,9

540

81

8

541

39,1

0

542

53,8

89,7

543

59,7

99,1

544

64,8

99

545

70,6

96,1

546

72,6

19,6

547

72

6,3

548

68,9

0,1

549

67,7

„m”

550

66,8

„m”

551

64,3

16,9

552

64,9

7

553

63,6

12,5

554

63

7,7

555

64,4

38,2

556

63

11,8

557

63,6

0

558

63,3

5

559

60,1

9,1

560

61

8,4

561

59,7

0,9

562

58,7

„m”

563

56

„m”

564

53,9

„m”

565

52,1

„m”

566

49,9

„m”

567

46,4

„m”

568

43,6

„m”

569

40,8

„m”

570

37,5

„m”

571

27,8

„m”

572

17,1

0,6

573

12,2

0,9

574

11,5

1,1

575

8,7

0,5

576

8

0,9

577

5,3

0,2

578

4

0

579

3,9

0

580

0

0

581

0

0

582

0

0

583

0

0

584

0

0

585

0

0

586

0

0

587

8,7

22,8

588

16,2

49,4

589

23,6

56

590

21,1

56,1

591

23,6

56

592

46,2

68,8

593

68,4

61,2

594

58,7

„m”

595

31,6

„m”

596

19,9

8,8

597

32,9

70,2

598

43

79

599

57,4

98,9

600

72,1

73,8

601

53

0

602

48,1

86

603

56,2

99

604

65,4

98,9

605

72,9

99,7

606

67,5

„m”

607

39

„m”

608

41,9

38,1

609

44,1

80,4

610

46,8

99,4

611

48,7

99,9

612

50,5

99,7

613

52,5

90,3

614

51

1,8

615

50

„m”

616

49,1

„m”

617

47

„m”

618

43,1

„m”

619

39,2

„m”

620

40,6

0,5

621

41,8

53,4

622

44,4

65,1

623

48,1

67,8

624

53,8

99,2

625

58,6

98,9

626

63,6

98,8

627

68,5

99,2

628

72,2

89,4

629

77,1

0

630

57,8

79,1

631

60,3

98,8

632

61,9

98,8

633

63,8

98,8

634

64,7

98,9

635

65,4

46,5

636

65,7

44,5

637

65,6

3,5

638

49,1

0

639

50,4

73,1

640

50,5

„m”

641

51

„m”

642

49,4

„m”

643

49,2

„m”

644

48,6

„m”

645

47,5

„m”

646

46,5

„m”

647

46

11,3

648

45,6

42,8

649

47,1

83

650

46,2

99,3

651

47,9

99,7

652

49,5

99,9

653

50,6

99,7

654

51

99,6

655

53

99,3

656

54,9

99,1

657

55,7

99

658

56

99

659

56,1

9,3

660

55,6

„m”

661

55,4

„m”

662

54,9

51,3

663

54,9

59,8

664

54

39,3

665

53,8

„m”

666

52

„m”

667

50,4

„m”

668

50,6

0

669

49,3

41,7

670

50

73,2

671

50,4

99,7

672

51,9

99,5

673

53,6

99,3

674

54,6

99,1

675

56

99

676

55,8

99

677

58,4

98,9

678

59,9

98,8

679

60,9

98,8

680

63

98,8

681

64,3

98,9

682

64,8

64

683

65,9

46,5

684

66,2

28,7

685

65,2

1,8

686

65

6,8

687

63,6

53,6

688

62,4

82,5

689

61,8

98,8

690

59,8

98,8

691

59,2

98,8

692

59,7

98,8

693

61,2

98,8

694

62,2

49,4

695

62,8

37,2

696

63,5

46,3

697

64,7

72,3

698

64,7

72,3

699

65,4

77,4

700

66,1

69,3

701

64,3

„m”

702

64,3

„m”

703

63

„m”

704

62,2

„m”

705

61,6

„m”

706

62,4

„m”

707

62,2

„m”

708

61

„m”

709

58,7

„m”

710

55,5

„m”

711

51,7

„m”

712

49,2

„m”

713

48,8

40,4

714

47,9

„m”

715

46,2

„m”

716

45,6

9,8

717

45,6

34,5

718

45,5

37,1

719

43,8

„m”

720

41,9

„m”

721

41,3

„m”

722

41,4

„m”

723

41,2

„m”

724

41,8

„m”

725

41,8

„m”

726

43,2

17,4

727

45

29

728

44,2

„m”

729

43,9

„m”

730

38

10,7

731

56,8

„m”

732

57,1

„m”

733

52

„m”

734

44,4

„m”

735

40,2

„m”

736

39,2

16,5

737

38,9

73,2

738

39,9

89,8

739

42,3

98,6

740

43,7

98,8

741

45,5

99,1

742

45,6

99,2

743

48,1

99,7

744

49

100

745

49,8

99,9

746

49,8

99,9

747

51,9

99,5

748

52,3

99,4

749

53,3

99,3

750

52,9

99,3

751

54,3

99,2

752

55,5

99,1

753

56,7

99

754

61,7

98,8

755

64,3

47,4

756

64,7

1,8

757

66,2

„m”

758

49,1

„m”

759

52,1

46

760

52,6

61

761

52,9

0

762

52,3

20,4

763

54,2

56,7

764

55,4

59,8

765

56,1

49,2

766

56,8

33,7

767

57,2

96

768

58,6

98,9

769

59,5

98,8

770

61,2

98,8

771

62,1

98,8

772

62,7

98,8

773

62,8

98,8

774

64

98,9

775

63,2

46,3

776

62,4

„m”

777

60,3

„m”

778

58,7

„m”

779

57,2

„m”

780

56,1

„m”

781

56

9,3

782

55,2

26,3

783

54,8

42,8

784

55,7

47,1

785

56,6

52,4

786

58

50,3

787

58,6

20,6

788

58,7

„m”

789

59,3

„m”

790

58,6

„m”

791

60,5

9,7

792

59,2

9,6

793

59,9

9,6

794

59,6

9,6

795

59,9

6,2

796

59,9

9,6

797

60,5

13,1

798

60,3

20,7

799

59,9

31

800

60,5

42

801

61,5

52,5

802

60,9

51,4

803

61,2

57,7

804

62,8

98,8

805

63,4

96,1

806

64,6

45,4

807

64,1

5

808

63

3,2

809

62,7

14,9

810

63,5

35,8

811

64,1

73,3

812

64,3

37,4

813

64,1

21

814

63,7

21

815

62,9

18

816

62,4

32,7

817

61,7

46,2

818

59,8

45,1

819

57,4

43,9

820

54,8

42,8

821

54,3

65,2

822

52,9

62,1

823

52,4

30,6

824

50,4

„m”

825

48,6

„m”

826

47,9

„m”

827

46,8

„m”

828

46,9

9,4

829

49,5

41,7

830

50,5

37,8

831

52,3

20,4

832

54,1

30,7

833

56,3

41,8

834

58,7

26,5

835

57,3

„m”

836

59

„m”

837

59,8

„m”

838

60,3

„m”

839

61,2

„m”

840

61,8

„m”

841

62,5

„m”

842

62,4

„m”

843

61,5

„m”

844

63,7

„m”

845

61,9

„m”

846

61,6

29,7

847

60,3

„m”

848

59,2

„m”

849

57,3

„m”

850

52,3

„m”

851

49,3

„m”

852

47,3

„m”

853

46,3

38,8

854

46,8

35,1

855

46,6

„m”

856

44,3

„m”

857

43,1

„m”

858

42,4

2,1

859

41,8

2,4

860

43,8

68,8

861

44,6

89,2

862

46

99,2

863

46,9

99,4

864

47,9

99,7

865

50,2

99,8

866

51,2

99,6

867

52,3

99,4

868

53

99,3

869

54,2

99,2

870

55,5

99,1

871

56,7

99

872

57,3

98,9

873

58

98,9

874

60,5

31,1

875

60,2

„m”

876

60,3

„m”

877

60,5

6,3

878

61,4

19,3

879

60,3

1,2

880

60,5

2,9

881

61,2

34,1

882

61,6

13,2

883

61,5

16,4

884

61,2

16,4

885

61,3

„m”

886

63,1

„m”

887

63,2

4,8

888

62,3

22,3

889

62

38,5

890

61,6

29,6

891

61,6

26,6

892

61,8

28,1

893

62

29,6

894

62

16,3

895

61,1

„m”

896

61,2

„m”

897

60,7

19,2

898

60,7

32,5

899

60,9

17,8

900

60,1

19,2

901

59,3

38,2

902

59,9

45

903

59,4

32,4

904

59,2

23,5

905

59,5

40,8

906

58,3

„m”

907

58,2

„m”

908

57,6

„m”

909

57,1

„m”

910

57

0,6

911

57

26,3

912

56,5

29,2

913

56,3

20,5

914

56,1

„m”

915

55,2

„m”

916

54,7

17,5

917

55,2

29,2

918

55,2

29,2

919

55,9

16

920

55,9

26,3

921

56,1

36,5

922

55,8

19

923

55,9

9,2

924

55,8

21,9

925

56,4

42,8

926

56,4

38

927

56,4

11

928

56,4

35,1

929

54

7,3

930

53,4

5,4

931

52,3

27,6

932

52,1

32

933

52,3

33,4

934

52,2

34,9

935

52,8

60,1

936

53,7

69,7

937

54

70,7

938

55,1

71,7

939

55,2

46

940

54,7

12,6

941

52,5

0

942

51,8

24,7

943

51,4

43,9

944

50,9

71,1

945

51,2

76,8

946

50,3

87,5

947

50,2

99,8

948

50,9

100

949

49,9

99,7

950

50,9

100

951

49,8

99,7

952

50,4

99,8

953

50,4

99,8

954

49,7

99,7

955

51

100

956

50,3

99,8

957

50,2

99,8

958

49,9

99,7

959

50,9

100

960

50

99,7

961

50,2

99,8

962

50,2

99,8

963

49,9

99,7

964

50,4

99,8

965

50,2

99,8

966

50,3

99,8

967

49,9

99,7

968

51,1

100

969

50,6

99,9

970

49,9

99,7

971

49,6

99,6

972

49,4

99,6

973

49

99,5

974

49,8

99,7

975

50,9

100

976

50,4

99,8

977

49,8

99,7

978

49,1

99,5

979

50,4

99,8

980

49,8

99,7

981

49,3

99,5

982

49,1

99,5

983

49,9

99,7

984

49,1

99,5

985

50,4

99,8

986

50,9

100

987

51,4

99,9

988

51,5

99,9

989

52,2

99,7

990

52,8

74,1

991

53,3

46

992

53,6

36,4

993

53,4

33,5

994

53,9

58,9

995

55,2

73,8

996

55,8

52,4

997

55,7

9,2

998

55,8

2,2

999

56,4

33,6

1000

55,4

„m”

1001

55,2

„m”

1002

55,8

26,3

1003

55,8

23,3

1004

56,4

50,2

1005

57,6

68,3

1006

58,8

90,2

1007

59,9

98,9

1008

62,3

98,8

1009

63,1

74,4

1010

63,7

49,4

1011

63,3

9,8

1012

48

0

1013

47,9

73,5

1014

49,9

99,7

1015

49,9

48,8

1016

49,6

2,3

1017

49,9

„m”

1018

49,3

„m”

1019

49,7

47,5

1020

49,1

„m”

1021

49,4

„m”

1022

48,3

„m”

1023

49,4

„m”

1024

48,5

„m”

1025

48,7

„m”

1026

48,7

„m”

1027

49,1

„m”

1028

49

„m”

1029

49,8

„m”

1030

48,7

„m”

1031

48,5

„m”

1032

49,3

31,3

1033

49,7

45,3

1034

48,3

44,5

1035

49,8

61

1036

49,4

64,3

1037

49,8

64,4

1038

50,5

65,6

1039

50,3

64,5

1040

51,2

82,9

1041

50,5

86

1042

50,6

89

1043

50,4

81,4

1044

49,9

49,9

1045

49,1

20,1

1046

47,9

24

1047

48,1

36,2

1048

47,5

34,5

1049

46,9

30,3

1050

47,7

53,5

1051

46,9

61,6

1052

46,5

73,6

1053

48

84,6

1054

47,2

87,7

1055

48,7

80

1056

48,7

50,4

1057

47,8

38,6

1058

48,8

63,1

1059

47,4

5

1060

47,3

47,4

1061

47,3

49,8

1062

46,9

23,9

1063

46,7

44,6

1064

46,8

65,2

1065

46,9

60,4

1066

46,7

61,5

1067

45,5

„m”

1068

45,5

„m”

1069

44,2

„m”

1070

43

„m”

1071

42,5

„m”

1072

41

„m”

1073

39,9

„m”

1074

39,9

38,2

1075

40,1

48,1

1076

39,9

48

1077

39,4

59,3

1078

43,8

19,8

1079

52,9

0

1080

52,8

88,9

1081

53,4

99,5

1082

54,7

99,3

1083

56,3

99,1

1084

57,5

99

1085

59

98,9

1086

59,8

98,9

1087

60,1

98,9

1088

61,8

48,3

1089

61,8

55,6

1090

61,7

59,8

1091

62

55,6

1092

62,3

29,6

1093

62

19,3

1094

61,3

7,9

1095

61,1

19,2

1096

61,2

43

1097

61,1

59,7

1098

61,1

98,8

1099

61,3

98,8

1100

61,3

26,6

1101

60,4

„m”

1102

58,8

„m”

1103

57,7

„m”

1104

56

„m”

1105

54,7

„m”

1106

53,3

„m”

1107

52,6

23,2

1108

53,4

84,2

1109

53,9

99,4

1110

54,9

99,3

1111

55,8

99,2

1112

57,1

99

1113

56,5

99,1

1114

58,9

98,9

1115

58,7

98,9

1116

59,8

98,9

1117

61

98,8

1118

60,7

19,2

1119

59,4

„m”

1120

57,9

„m”

1121

57,6

„m”

1122

56,3

„m”

1123

55

„m”

1124

53,7

„m”

1125

52,1

„m”

1126

51,1

„m”

1127

49,7

25,8

1128

49,1

46,1

1129

48,7

46,9

1130

48,2

46,7

1131

48

70

1132

48

70

1133

47,2

67,6

1134

47,3

67,6

1135

46,6

74,7

1136

47,4

13

1137

46,3

„m”

1138

45,4

„m”

1139

45,5

24,8

1140

44,8

73,8

1141

46,6

99

1142

46,3

98,9

1143

48,5

99,4

1144

49,9

99,7

1145

49,1

99,5

1146

49,1

99,5

1147

51

100

1148

51,5

99,9

1149

50,9

100

1150

51,6

99,9

1151

52,1

99,7

1152

50,9

100

1153

52,2

99,7

1154

51,5

98,3

1155

51,5

47,2

1156

50,8

78,4

1157

50,3

83

1158

50,3

31,7

1159

49,3

31,3

1160

48,8

21,5

1161

47,8

59,4

1162

48,1

77,1

1163

48,4

87,6

1164

49,6

87,5

1165

51

81,4

1166

51,6

66,7

1167

53,3

63,2

1168

55,2

62

1169

55,7

43,9

1170

56,4

30,7

1171

56,8

23,4

1172

57

„m”

1173

57,6

„m”

1174

56,9

„m”

1175

56,4

4

1176

57

23,4

1177

56,4

41,7

1178

57

49,2

1179

57,7

56,6

1180

58,6

56,6

1181

58,9

64

1182

59,4

68,2

1183

58,8

71,4

1184

60,1

71,3

1185

60,6

79,1

1186

60,7

83,3

1187

60,7

77,1

1188

60

73,5

1189

60,2

55,5

1190

59,7

54,4

1191

59,8

73,3

1192

59,8

77,9

1193

59,8

73,9

1194

60

76,5

1195

59,5

82,3

1196

59,9

82,8

1197

59,8

65,8

1198

59

48,6

1199

58,9

62,2

1200

59,1

70,4

1201

58,9

62,1

1202

58,4

67,4

1203

58,7

58,9

1204

58,3

57,7

1205

57,5

57,8

1206

57,2

57,6

1207

57,1

42,6

1208

57

70,1

1209

56,4

59,6

1210

56,7

39

1211

55,9

68,1

1212

56,3

79,1

1213

56,7

89,7

1214

56

89,4

1215

56

93,1

1216

56,4

93,1

1217

56,7

94,4

1218

56,9

94,8

1219

57

94,1

1220

57,7

94,3

1221

57,5

93,7

1222

58,4

93,2

1223

58,7

93,2

1224

58,2

93,7

1225

58,5

93,1

1226

58,8

86,2

1227

59

72,9

1228

58,2

59,9

1229

57,6

8,5

1230

57,1

47,6

1231

57,2

74,4

1232

57

79,1

1233

56,7

67,2

1234

56,8

69,1

1235

56,9

71,3

1236

57

77,3

1237

57,4

78,2

1238

57,3

70,6

1239

57,7

64

1240

57,5

55,6

1241

58,6

49,6

1242

58,2

41,1

1243

58,8

40,6

1244

58,3

21,1

1245

58,7

24,9

1246

59,1

24,8

1247

58,6

„m”

1248

58,8

„m”

1249

58,8

„m”

1250

58,7

„m”

1251

59,1

„m”

1252

59,1

„m”

1253

59,4

„m”

1254

60,6

2,6

1255

59,6

„m”

1256

60,1

„m”

1257

60,6

„m”

1258

59,6

4,1

1259

60,7

7,1

1260

60,5

„m”

1261

59,7

„m”

1262

59,6

„m”

1263

59,8

„m”

1264

59,6

4,9

1265

60,1

5,9

1266

59,9

6,1

1267

59,7

„m”

1268

59,6

„m”

1269

59,7

22

1270

59,8

10,3

1271

59,9

10

1272

60,6

6,2

1273

60,5

7,3

1274

60,2

14,8

1275

60,6

8,2

1276

60,6

5,5

1277

61

14,3

1278

61

12

1279

61,3

34,2

1280

61,2

17,1

1281

61,5

15,7

1282

61

9,5

1283

61,1

9,2

1284

60,5

4,3

1285

60,2

7,8

1286

60,2

5,9

1287

60,2

5,3

1288

59,9

4,6

1289

59,4

21,5

1290

59,6

15,8

1291

59,3

10,1

1292

58,9

9,4

1293

58,8

9

1294

58,9

35,4

1295

58,9

30,7

1296

58,9

25,9

1297

58,7

22,9

1298

58,7

24,4

1299

59,3

61

1300

60,1

56

1301

60,5

50,6

1302

59,5

16,2

1303

59,7

50

1304

59,7

31,4

1305

60,1

43,1

1306

60,8

38,4

1307

60,9

40,2

1308

61,3

49,7

1309

61,8

45,9

1310

62

45,9

1311

62,2

45,8

1312

62,6

46,8

1313

62,7

44,3

1314

62,9

44,4

1315

63,1

43,7

1316

63,5

46,1

1317

63,6

40,7

1318

64,3

49,5

1319

63,7

27

1320

63,8

15

1321

63,6

18,7

1322

63,4

8,4

1323

63,2

8,7

1324

63,3

21,6

1325

62,9

19,7

1326

63

22,1

1327

63,1

20,3

1328

61,8

19,1

1329

61,6

17,1

1330