De lidstaten zien erop toe dat witwassen van geld en financiering van terrorisme worden verboden.
Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (Voor de EER relevante tekst)
Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2, eerste en derde zin, en op artikel 95,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),
Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(2),
Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3),
Overwegende hetgeen volgt:
Massale stromen crimineel geld kunnen de stabiliteit en de reputatie van de financiële sector schaden en de interne markt bedreigen; terrorisme tast onze samenleving aan in haar fundamenten zelf. Naast de strafrechtelijke benadering kan een preventieve aanpak via het financiële stelsel resultaten opleveren.
De soliditeit, integriteit en stabiliteit van kredietinstellingen en financiële instellingen en het vertrouwen in het financiële stelsel als geheel kunnen ernstig in gevaar worden gebracht door de pogingen van criminelen en hun medeplichtigen om hetzij de herkomst van de opbrengsten van misdrijven te verhullen, hetzij rechtmatig of onrechtmatig verkregen gelden aan te wenden voor terroristische doeleinden. Om te vermijden dat lidstaten ter bescherming van hun financiële stelsel maatregelen treffen die met de goede werking van de interne markt en met de rechtsstaat en de openbare orde van de Gemeenschap onverenigbaar kunnen zijn, is een Gemeenschapsoptreden op dat terrein noodzakelijk.
Ter vergemakkelijking van hun criminele activiteiten, zouden witwassers van geld en financiers van terrorisme kunnen profiteren van de liberalisering van het kapitaalverkeer en van het vrij verrichten van financiële diensten, inherent aan de geïntegreerde financiële ruimte, indien niet op communautair niveau bepaalde coördinerende maatregelen worden genomen.
Om aan deze bezorgdheden wat betreft het witwassen van geld tegemoet te komen, werd Richtlijn 91/308/EEG van de Raad van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld(4) aangenomen. Deze richtlijn bepaalt dat de lidstaten het witwassen van geld moeten verbieden en de financiële sector, die de kredietinstellingen en een hele reeks andere financiële instellingen omvat, ertoe moeten verplichten hun cliënten te identificeren, de nodige bewijsstukken te bewaren, interne procedures in te stellen voor het opleiden van hun personeel en het onderkennen van het witwassen van geld, alsook elk feit dat wijst op het witwassen van geld aan de bevoegde autoriteiten te melden.
Het witwassen van geld en de financiering van terrorisme geschieden gewoonlijk in een internationale context. Maatregelen die uitsluitend op nationaal of zelfs communautair niveau worden getroffen, zonder met internationale coördinatie en samenwerking rekening te houden, zouden bijgevolg slechts een zeer beperkte uitwerking hebben. De door de Gemeenschap op dit gebied te treffen maatregelen dienen derhalve verenigbaar te zijn met in andere internationale fora ondernomen acties. Bij het optreden van de Gemeenschap dient met name verder rekening te worden gehouden met de 40 aanbevelingen van de financiële actiegroep witwassen van geld (Financial Action Task Force on Money Laundering, hierna „FATF” te noemen), het belangrijkste internationale orgaan voor de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme. Aangezien de 40 aanbevelingen van de FATF in 2003 ingrijpend zijn herzien en uitgebreid, verdient het aanbeveling deze richtlijn met deze nieuwe internationale norm in overeenstemming te brengen.
De Algemene Overeenkomst inzake de handel in diensten (GATS) staat de leden toe maatregelen te nemen ter bescherming van de goede zeden en ter voorkoming van fraude, en om redenen van bedrijfseconomisch toezicht, zoals onder meer ter verzekering van de stabiliteit en integriteit van het financiële stelsel.
De definitie van witwassen van geld had aanvankelijk alleen betrekking op drugsmisdrijven, maar de afgelopen jaren tekent zich een tendens af in de richting van een veel ruimere definitie, die berust op een breder spectrum van basisdelicten. Een breder spectrum van basisdelicten is bevorderlijk voor de melding van verdachte transacties en voor de internationale samenwerking op dit terrein. Het is bijgevolg aangewezen de definitie van ernstige strafbare feiten in overeenstemming te brengen met de definitie van ernstige strafbare feiten in Kaderbesluit 2001/500/JBZ van de Raad van 26 juni 2001 inzake het witwassen van geld, de identificatie, opsporing, bevriezing, inbeslagneming en confiscatie van hulpmiddelen en van opbrengsten van misdrijven(5).
Voorts houdt het misbruik van het financiële stelsel voor het aanwenden van crimineel of zelfs rechtmatig verkregen geld voor terroristische doeleinden onmiskenbaar een risico in voor de integriteit, de goede werking, de reputatie en de stabiliteit van het financiële stelsel. De preventieve maatregelen van deze richtlijn dienen dan ook zodanig te worden uitgebreid dat zij niet alleen de behandeling van uit criminele activiteiten verkregen geld maar ook de verzameling van gelden of voorwerpen voor terroristische doeleinden omvatten.
Hoewel Richtlijn 91/308/EEG een verplichting tot cliëntidentificatie oplegt, bevat zij betrekkelijk weinig bijzonderheden over de desbetreffende procedures. Aangezien dit aspect van de voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme van cruciaal belang is, is het aangewezen om conform de nieuwe internationale normen specifiekere en meer gedetailleerde voorschriften voor de identificatie van de cliënt en van enigerlei uiteindelijke begunstigde en voor de verificatie van hun identiteit vast te stellen. Te dien einde is het van essentieel belang dat het begrip „uiteindelijke begunstigde” nauwkeurig wordt gedefinieerd. Indien de individuele begunstigden van een juridische entiteit of een constructie zoals een stichting of een trust nog moet worden aangeduid en het derhalve onmogelijk is een afzonderlijk persoon als uiteindelijke begunstigde te identificeren, zou het volstaan de „categorie personen” te identificeren voorbestemd om de begunstigden van een stichting of trust te zijn. Dit vereist niet dat de personen binnen deze categorie moeten worden geïdentificeerd.
De instellingen en personen die onder deze richtlijn vallen dienen, overeenkomstig het bepaalde in deze richtlijn, de identiteit van de uiteindelijke begunstigde te identificeren en te verifiëren. Het staat die instellingen en personen vrij gebruik te maken van openbare registers van uiteindelijke begunstigden, hun cliënten om relevante gegevens te vragen of deze informatie op andere wijze te verzamelen, rekening houdend met het feit dat de omvang van dergelijke klantenonderzoeksmaatregelen („customer due diligence measures”) gerelateerd is aan het risico van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, hetgeen afhankelijk is van het soort cliënt, de zakelijke relatie, het product of de transactie.
Kredietovereenkomsten waarbij de kredietrekening uitsluitend ter afwikkeling van het krediet dient en de terugbetaling van het krediet via een rekening geschiedt die namens de cliënt is geopend bij een onder deze richtlijn vallende kredietinstelling overeenkomstig het bepaalde in artikel 8, lid 1, onder a) t/m c), dienen in de regel te worden beschouwd als transacties met een verlaagd risico.
Voorzover de verschaffers van het vermogen van de juridische entiteit of constructie aanzienlijke zeggenschap hebben over het gebruik van het vermogen, moeten zij als uiteindelijke begunstigde worden geïdentificeerd.
Bij commerciële producten wordt op grote schaal gebruikgemaakt van een trustverhouding als internationaal erkend onderdeel van de over de gehele linie gecontroleerde financiële groothandelsmarkten. Een verplichting tot identificatie van de uiteindelijke begunstigde vloeit niet voort uit het enkele feit dat in dit bijzondere geval gebruik wordt gemaakt van een trustverhouding.
Het bepaalde in deze richtlijn dient ook te gelden wanneer de activiteiten van de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen via het internet plaatsvinden.
Aangezien de verscherpte controle in de financiële sector de witwassers en financiers van terrorisme ertoe heeft aangezet uit te kijken naar alternatieve methoden om de herkomst van de opbrengsten van misdrijven te verhelen en die kanalen voor financiering van terrorisme kunnen worden gebruikt, verdient het aanbeveling de verplichtingen op het gebied van de bestrijding van witwassen en financiering van terrorisme uit te breiden tot levensverzekeringstussenpersonen en aanbieders van trust- en bedrijfsdiensten.
Entiteiten die reeds onder de wettelijke aansprakelijkheid van een verzekeringsonderneming vallen en daardoor reeds onder het toepassingsgebied vallen van deze richtlijn, behoren niet tot de categorie van verzekeringstussenpersonen.
Optreden als directeur of secretaris van een vennootschap is op zich niet voldoende om als aanbieder van trust- en bedrijfsdiensten te kunnen worden aangemerkt: onder de definitie vallen alleen personen die voor een derde, en als beroepsactiviteit, als directeur of secretaris van een vennootschap optreden.
Regelmatig is gebleken dat bij grote betalingen in contanten het risico van witwassen van geld en van financiering van terrorisme zeer hoog is. In de lidstaten die contante betalingen boven de vastgestelde drempel toestaan, moeten alle natuurlijke of rechtspersonen die handelen in goederen als beroepsactiviteit en die dergelijke betalingen accepteren derhalve onder de werking van deze richtlijn worden gebracht. Handelaren in goederen van grote waarde, zoals edelstenen en -metalen, of kunstwerken, en veilingmeesters, voorzover zij in contanten worden betaald voor een bedrag van 15 000 EUR of meer, vallen in ieder geval onder deze richtlijn. Om effectief te controleren of deze potentieel grote groep van personen en instellingen deze richtlijn naleeft, kunnen de lidstaten, volgens het beginsel van risicogebaseerd toezicht, hun controleactiviteiten vooral toespitsen op de natuurlijke en rechtspersonen die goederen verhandelen aan een relatief hoog witwasrisico of risico van financiering van terrorisme blootstaan. Gezien de uiteenlopende situaties in de verschillende lidstaten, kunnen de lidstaten volgens artikel 4 van de richtlijn besluiten strengere bepalingen aan te nemen om het bij grote betalingen in contanten verbonden risico terdege aan te pakken.
Richtlijn 91/308/EEG breidt de werkingssfeer van de communautaire antiwitwasregeling uit tot notarissen en andere onafhankelijke beoefenaren van juridische beroepen. Deze personen zouden ook onder de werkingssfeer van de nieuwe richtlijn moeten vallen. Deze onafhankelijke beoefenaren van juridische beroepen, zoals gedefinieerd door de lidstaten, vallen onder de bepalingen van de richtlijn wanneer zij deelnemen aan financiële of zakelijke transacties, met inbegrip van het verstrekken van belastingadvies, waarbij er groot gevaar bestaat dat de diensten van deze beroepsbeoefenaren worden misbruikt om de opbrengsten van criminele activiteiten wit te wassen of terrorisme te financieren.
Wanneer onafhankelijke leden van wettelijk erkende en gecontroleerde beroepsgroepen die juridisch advies verstrekken, zoals advocaten, de rechtspositie van een cliënt bepalen of een cliënt in rechte vertegenwoordigen, is het evenwel niet aangewezen om deze beroepsbeoefenaren voor deze activiteiten krachtens deze richtlijn een verplichting op te leggen vermoedens van witwassen of van financiering van terrorisme te melden. Zo moeten er vrijstellingen zijn van elke verplichting om informatie te melden die is verkregen vóór, tijdens of na een gerechtelijke procedure, of bij het bepalen van de rechtspositie van een cliënt. Juridisch advies dient bijgevolg aan de beroepsgeheimhoudingsplicht onderworpen te blijven, tenzij de juridisch adviseur deelneemt aan witwasactiviteiten of activiteiten voor financiering van terrorisme, het juridisch advies voor witwasdoeleinden of voor financiering van terrorisme wordt verstrekt, of de advocaat weet dat zijn cliënt juridisch advies wenst voor witwasdoeleinden of voor financiering van terrorisme.
Het verdient aanbeveling rechtstreeks vergelijkbare diensten op dezelfde wijze te behandelen, ongeacht welke onder deze richtlijn vallende beroepsbeoefenaren de diensten verstrekken. Met het oog op de waarborging van de eerbiediging van de rechten van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Verdrag betreffende de Europese Unie mag, in het geval van bedrijfsrevisoren, externe accountants en belastingadviseurs, die in sommige lidstaten een cliënt in rechte kunnen verdedigen of vertegenwoordigen, of zijn rechtspositie bepalen, de informatie die zij bij de uitoefening van deze taken ontvangen, niet onder de meldingsplicht van deze richtlijn vallen.
Er dient te worden erkend dat het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering niet altijd even groot is. In overeenstemming met een risicogeoriënteerde benadering dient in de Gemeenschapswetgeving derhalve het beginsel te worden ingevoerd dat in passende gevallen een vereenvoudiging van de klantenonderzoeksvereisten wordt toegestaan.
De afwijking betreffende de vaststelling van de uiteindelijke begunstigden van gezamenlijke rekeningen aangehouden door notarissen en andere onafhankelijke beoefenaren van juridische beroepen, dient de verplichtingen van de notarissen en andere onafhankelijke beoefenaren van juridische beroepen uit hoofde van deze richtlijn onverlet te laten. Daaronder valt ook de plicht van deze laatsten om de identiteit van de begunstigde eigenaars van de gezamenlijke rekeningen die zij aanhouden, vast te stellen.
Evenzo dient in de Gemeenschapswetgeving te worden erkend dat het witwasrisico of het risico van terrorismefinanciering in sommige situaties groter is. Hoewel de identiteit en het zakelijk profiel van alle cliënten dienen vastgesteld, bestaan er gevallen waarin er bijzonder strikte cliëntidentificatie- en cliëntverificatieprocedures vereist zijn.
Dit geldt in het bijzonder voor zakelijke relaties met natuurlijke personen die prominente publieke functies bekleden of bekleed hebben, en dan vooral degenen die afkomstig zijn uit landen waar corruptie veelvuldig voorkomt. Dergelijke relaties kunnen vooral een groot reputatierisico en/of juridisch risico met zich brengen voor de financiële sector. De internationale inspanning ter bestrijding van corruptie rechtvaardigt ook een grotere aandacht voor die gevallen en de toepassing van alle gebruikelijke klantenonderzoeksmaatregelen voor binnenlandse politiekprominente personen en van uitgebreide klantenonderzoeksmaatregelen voor politiek prominente personen die in een andere lidstaat of een derde land verblijven.
Toestemming hebben van de hoge bedrijfsleiding („senior management”) voor het aangaan van zakelijke relaties impliceert niet toestemming hebben van de raad van bestuur, maar van het eerste hiërarchische niveau boven dat van de persoon die de toestemming vraagt.
Om te vermijden dat cliëntidentificatie procedures nodeloos worden overgedaan, hetgeen tot vertragingen en inefficiënties in de zakelijke activiteiten zou leiden, verdient het aanbeveling om, mits passende waarborgen worden geboden, toe te staan dat cliënten worden geïntroduceerd die reeds elders zijn geïdentificeerd. In gevallen waar een persoon of instelling op een derde vertrouwt, ligt de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de klantenonderzoeksprocedure bij de instelling of persoon waarbij de cliënt is geïntroduceerd. De derde, of introducerende partij, blijft, voorzover zij met de cliënt een relatie heeft die onder deze richtlijn valt, ook verantwoordelijk voor alle voorschriften in deze richtlijn, waaronder het voorschrift om verdachte transacties te melden en bewijsstukken te bewaren.
In geval van een agentuur- of uitbestedingsverhouding op contractuele basis tussen onder deze richtlijn vallende instellingen of personen en niet onder de werkingssfeer van de richtlijn vallende externe natuurlijke of rechtspersonen kunnen verplichtingen inzake de bestrijding van het witwassen van geld en van financiering van terrorisme voor deze agenten of verrichters van uitbestede diensten als deel van de onder de richtlijn vallende instellingen of personen alleen voortvloeien uit het contract en niet uit deze richtlijn. De verantwoordelijkheid voor de naleving van deze richtlijn berust bij de instelling of persoon die onder de richtlijn valt.
Verdachte transacties dienen te worden gemeld aan de financiële inlichtingeneenheid (FIE), die optreedt als nationaal centrum voor het ontvangen, opvragen, analyseren en het verspreiden onder de bevoegde autoriteiten van meldingen van verdachte transacties en andere informatie over mogelijk witwassen of mogelijke financiering van terrorisme. De lidstaten hoeven daartoe hun bestaande meldingssystemen — waar de melding via het Openbaar Ministerie of via andere wetshandhavingautoriteiten geschiedt — niet te wijzigen, mits de informatie onverwijld en ongefilterd aan de financiële inlichtingeneenheden doorgegeven wordt zodat deze hun activiteiten, waaronder internationale samenwerking met andere financiële inlichtingeneenheden, naar behoren kunnen uitvoeren.
In afwijking van het algemene verbod om verdachte transacties uit te voeren, kunnen de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen verdachte transacties uitvoeren voordat zij de bevoegde autoriteiten hiervan op de hoogte brengen wanneer de onthouding tot uitvoering onmogelijk is of hierdoor de vervolging van de begunstigden van een vermoedelijke witwas- of terrorismefinancieringstransactie zou kunnen worden belemmerd. Dit laat evenwel de door de lidstaten aanvaarde internationale verplichtingen onverlet om middelen of andere goederen van terroristen, terroristische organisaties of financiers van terrorisme, onverwijld te bevriezen, conform de desbetreffende resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties.
Indien een lidstaat besluit gebruik te maken van de afwijkingen voorzien in artikel 23, lid 2, kan hij de zelfregulerende instantie die de in dit artikel beoogde personen vertegenwoordigt, toestaan of voorschrijven om aan de FIE geen informatie door te geven die zij van de personen, onder de in artikel 23, lid 2, bepaalde voorwaarden, heeft verkregen.
In een aantal gevallen zijn werknemers die hun vermoedens van witwassen hebben gemeld, bedreigd of lastig gevallen. Hoewel deze richtlijn de gerechtelijke procedures van de lidstaten niet kan wijzigen, neemt zulks niet weg dat deze aangelegenheid van cruciaal belang is voor de doeltreffendheid van de regeling ter bestrijding van witwassen en van financiering van terrorisme. De lidstaten dienen zich rekenschap te geven van het probleem en alles te doen wat in hun vermogen ligt om werknemers te beschermen tegen dergelijke vormen van intimidatie.
Het verstrekken van inlichtingen als bedoeld in artikel 28 dient in overeenstemming te zijn met de voorschriften betreffende het doorgeven van persoonsgegevens aan derde landen neergelegd in Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(6). Bovendien laat het bepaalde in artikel 28 de nationale wetgeving inzake gegevensbescherming en beroepsgeheim onverlet.
Personen die alleen maar papieren documenten in elektronische vorm omzetten en op contractbasis werkzaam zijn bij een kredietinstelling of een financiële instelling vallen niet onder de werkingssfeer van deze richtlijn, evenmin als natuurlijke of rechtspersonen die kredietinstellingen of financiële instellingen uitsluitend voorzien van een boodschap of andere supportsystemen voor overdracht van fondsen of van clearing- en settlementsystemen.
Witwassen van geld en financiering van terrorisme zijn internationale problemen en dienen dan ook op wereldschaal te worden bestreden. Wanneer kredietinstellingen en financiële instellingen uit de Gemeenschap bijkantoren en dochterondernemingen hebben in derde landen waar de wetgeving ter zake tekortkomingen vertoont, dienen zij, ter voorkoming van de toepassing van sterk uiteenlopende normen binnen eenzelfde instelling of groep instellingen, de communautaire norm toe te passen of, indien zulks onmogelijk is, de bevoegde autoriteiten van hun lidstaat van herkomst daarvan in kennis te stellen.
Het is van belang dat kredietinstellingen en financiële instellingen snel kunnen reageren op verzoeken om informatie te verstrekken over hun eventuele zakelijke relaties met met naam genoemde personen. Om die zakelijke relaties te kunnen identificeren en die informatie snel te kunnen verstrekken, moeten krediet- en financiële instellingen over effectieve systemen beschikken die in verhouding staan tot de omvang en aard van hun bedrijfsactiviteit. Met name kredietinstellingen en grote financiële instellingen zouden over elektronische systemen moeten kunnen beschikken. Deze bepaling is van bijzonder belang voor procedures die leiden tot maatregelen zoals bevriezing en inbeslagneming van tegoeden (ook tegoeden van terroristen), overeenkomstig toepasselijke nationale of Gemeenschapswetgeving met het oog op terrorismebestrijding.
In deze richtlijn worden gedetailleerde voorschriften vastgesteld voor klantenonderzoeksprocedures, waaronder uitgebreide klantenonderzoeksmaatregelen voor cliënten en zakelijke relaties met een hoog risico, zoals passende procedures om uit te maken of een cliënt een politiek prominente persoon is, alsmede aanvullende nadere voorschriften, zoals procedures en beleidsmaatregelen inzake nalevingsbeheer („compliance”). Alle onder deze richtlijn vallende instellingen en personen zullen aan al deze voorschriften moeten voldoen, terwijl van de lidstaten wordt verwacht dat zij de nadere uitvoering van deze bepalingen aanpassen aan de specifieke kenmerken van de diverse beroepen en aan de verschillen in schaal en omvang van de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen.
Teneinde de instellingen en de andere onder de Gemeenschapswetgeving ter zake vallende partijen gemotiveerd te houden, dient hun, voorzover mogelijk, feedback te worden verstrekt over het nut en de follow-up van de door hen verrichte meldingen. Om dit mogelijk te maken en de doeltreffendheid van hun maatregelen ter bestrijding van witwassen en financiering van terrorisme te kunnen beoordelen, verdient het aanbeveling dat de lidstaten statistische gegevens ter zake bijhouden en verder perfectioneren.
Wanneer een wisselkantoor, een aanbieder van trust- en bedrijfsdiensten of een casino nationaal in een register wordt ingeschreven of een vergunning krijgt, moeten de bevoegde instanties erop toezien dat de personen die het bedrijf van deze entiteiten feitelijk leiden of zullen leiden, en de uiteindelijke begunstigden van deze entiteiten, betrouwbaar en deskundig zijn. De criteria om uit te maken of een persoon al dan niet betrouwbaar en deskundig („fit and proper”) is, moeten nationaal worden bepaald, overeenkomstig het nationale recht. Die criteria moeten in ieder geval recht doen aan de noodzaak om die entiteiten te beschermen tegen misbruik voor criminele doeleinden door hun bestuurders of uiteindelijke begunstigden.
Gezien het internationale karakter van witwassen van geld en financiering van terrorisme, moet de coördinatie en samenwerking tussen de FIE als bedoeld in Besluit 2000/642/JBZ van de Raad van 17 oktober 2000 inzake een regeling voor samenwerking tussen de financiële inlichtingeneenheden van de lidstaten bij de uitwisseling van gegevens(7), alsook de instelling van een EU-netwerk van FIE, zoveel mogelijk worden aangemoedigd. Daartoe moet de Commissie de nodige bijstand verlenen om die coördinatie te vergemakkelijken, waaronder financiële bijstand.
Het belang van het bestrijden van het witwassen van geld en financiering van terrorisme dient de lidstaten ertoe aan te zetten in hun nationale recht in doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties te voorzien ter bestraffing van de niet-naleving van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen. Er moeten sancties voor natuurlijke en rechtspersonen worden ingesteld. Aangezien rechtspersonen vaak betrokken zijn bij complexe witwastransacties, dienen deze sancties aangepast te worden aan de door dergelijke personen verrichte activiteiten.
Natuurlijke personen die een van de in artikel 2, lid 1, punt 3, onder a) en b), genoemde activiteiten uitoefenen binnen een rechtspersoon, maar op onafhankelijke basis, zijn afzonderlijk aansprakelijk voor de naleving van de bepalingen van deze richtlijn, met uitzondering van de bepalingen van artikel 35.
Verduidelijking van de technische aspecten van de in deze richtlijn vastgestelde voorschriften kan nodig zijn om te zorgen voor een doeltreffende en voldoende consequente toepassing van de richtlijn, rekening houdend met de uiteenlopende financiële instrumenten, beroepen en risico's in de verschillende lidstaten en met de technische ontwikkelingen bij de bestrijding van witwassen van geld en financiering van terrorisme. De Commissie dient derhalve de bevoegdheid te krijgen om uitvoeringsmaatregelen aan te nemen, zoals bepaalde criteria om uit te maken of situaties een laag dan wel een hoog risico opleveren en derhalve vereenvoudigde klantenonderzoeksprocedures volstaan of juist uitgebreide kennis van de cliënt wenselijk is, mits deze de essentiële elementen van deze richtlijn niet wijzigen en mits de Commissie handelt overeenkomstig de daarin neergelegde beginselen, na raadpleging van het Comité voor de voorkoming van het witwassen van geld en van financiering van terrorisme.
De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(8). Met dat doel, moet er een nieuw Comité voor de voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, ter vervanging van het Contactcomité opgericht bij Richtlijn 91/308/EEG, worden opgericht.
Gezien de zeer ingrijpende wijzigingen die in Richtlijn 91/308/EEG zouden moeten worden aangebracht, is het omwille van de duidelijkheid aangewezen dat deze richtlijn wordt ingetrokken.
Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en financiering van terrorisme, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang en de gevolgen van het optreden, beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om dat doel te verwezenlijken.
Bij de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden overeenkomstig deze richtlijn dient de Commissie de volgende beginselen in acht te nemen: een hoge mate van transparantie en uitgebreid overleg met de onder deze richtlijn vallende instellingen en personen en met het Europees Parlement en de Raad zijn nodig; er moet op worden toegezien dat de bevoegde instanties in staat zijn te zorgen voor een consequente naleving van de voorschriften; bij uitvoeringsmaatregelen moet een afweging plaatsvinden van de kosten en baten op de lange termijn voor de onder deze richtlijnen vallende instellingen en personen; er moet worden gezorgd voor de nodige flexibiliteit bij de toepassing van de uitvoeringsmaatregelen, met een basisaanpak die uitgaat van de risicogevoeligheid; er moet worden gezorgd voor coherentie met andere Gemeenschapswetgeving op dit gebied; de Gemeenschap, haar lidstaten en haar burgers moeten worden beschermd tegen de gevolgen van witwassen van geld en financiering van terrorisme.
Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Geen enkele bepaling van deze richtlijn mag worden uitgelegd of uitgevoerd op een wijze die strijdig is met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES
Artikel 1
Voor de toepassing van deze richtlijn worden de hierna genoemde daden, indien opzettelijk begaan, als witwassen van geld beschouwd:
-
de omzetting of overdracht van voorwerpen, wetende dat deze zijn verworven uit een criminele activiteit of uit deelneming aan een dergelijke activiteit, met het oogmerk de illegale herkomst ervan te verhelen of te verhullen of een persoon die bij deze activiteit is betrokken, te helpen aan de juridische gevolgen van zijn daden te ontkomen;
-
het verhelen of verhullen van de werkelijke aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing, rechten op of de eigendom van voorwerpen, wetende dat deze verworven zijn uit een criminele activiteit of uit deelneming aan een dergelijke activiteit;
-
de verwerving, het bezit of het gebruik van voorwerpen, wetende, op het tijdstip van verkrijging dat deze voorwerpen zijn verworven uit een criminele activiteit of uit deelneming aan een dergelijke activiteit;
-
deelneming aan, medeplichtigheid aan, poging tot, hulp aan, aanzetten tot, vergemakkelijken van, of het geven van raad met het oog op het begaan van een van de in de voorgaande letters bedoelde daden.
Er is ook sprake van witwassen van geld indien de activiteiten die ten grondslag liggen aan de wit te wassen voorwerpen gelokaliseerd zijn op het grondgebied van een andere lidstaat of op dat van een derde staat.
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder „financiering van terrorisme” verstaan: de verstrekking of verzameling van gelden en andere vermogensbestanddelen, op welke wijze ook, rechtstreeks of onrechtstreeks, met de bedoeling of wetende dat deze geheel of gedeeltelijk zullen worden gebruikt om strafbare feiten in de zin van de artikelen 1 tot en met 4 van Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding(9) te plegen.
Medeweten, oogmerk of opzet, vereist als bestanddeel van de in de leden 2 en 4 bedoelde activiteiten, kunnen worden afgeleid uit objectieve feitelijke omstandigheden.
Artikel 2
Deze richtlijn is van toepassing op:
-
kredietinstellingen;
-
financiële instellingen;
-
de volgende natuurlijke of rechtspersonen handelend in het kader van de uitoefening van hun beroepsactiviteiten:
-
bedrijfsrevisoren, externe accountants en belastingadviseurs;
-
notarissen en andere onafhankelijke beoefenaren van juridische beroepen wanneer zij deelnemen, hetzij door op te treden in naam en voor rekening van hun cliënt in enigerlei financiële of onroerendgoedtransactie, hetzij door het bijstaan bij het voorbereiden of uitvoeren van transacties voor hun cliënt in verband met:
-
de aan- en verkoop van onroerend goed of bedrijven;
-
het beheren van diens geld, waardepapieren of andere activa;
-
de opening of het beheer van bank-, spaar- of effectenrekeningen;
-
het organiseren van inbreng die nodig is voor de oprichting, de exploitatie of het beheer van vennootschappen;
-
de oprichting, de exploitatie of het beheer van trusts, vennootschappen of soortgelijke structuren;
-
-
niet onder a) of b) vallende aanbieders van trust- of bedrijfsdiensten;
-
makelaars in onroerend goed;
-
andere natuurlijke of rechtspersonen die handelen in goederen doch slechts voorzover in contanten wordt betaald en wel voor een bedrag van 15 000 EUR of meer, ongeacht of de transactie plaatsvindt in één verrichting of via meer verrichtingen waartussen een verband lijkt te bestaan;
-
casino's.
-
De lidstaten kunnen beslissen dat natuurlijke en rechtspersonen die slechts occasioneel of in zeer beperkte mate financiële activiteiten ontplooien en wanneer het risico van witwassen of financiering van terrorisme beperkt is, niet onder het toepassingsgebied van artikel 3, leden 1 of 2 vallen.
Artikel 3
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
-
„kredietinstelling”: een kredietinstelling als omschreven in artikel 1, punt 1, eerste alinea, van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen(10), met inbegrip van in de Gemeenschap gevestigde bijkantoren, als omschreven in artikel 1, punt 3, van voornoemde richtlijn, van een kredietinstelling met hoofdkantoor binnen of buiten de Gemeenschap;
-
„financiële instelling”:
-
een onderneming die geen kredietinstelling is en die een of meer van de werkzaamheden verricht die zijn opgenomen onder de punten 2 tot en met 12 en 14 van bijlage I bij Richtlijn 2006/48/EG, met inbegrip van de werkzaamheden van wisselkantoren;
-
een verzekeringsonderneming waaraan overeenkomstig Richtlijn 2002/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende de levensverzekering(11) vergunning is verleend, voorzover zij activiteiten verricht die onder genoemde richtlijn vallen;
-
een beleggingsonderneming als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten(12);
-
een instelling voor collectieve belegging die haar rechten van deelneming of aandelen aanbiedt;
-
een verzekeringstussenpersoon als omschreven in artikel 2, lid 5, van Richtlijn 2002/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 december 2002 betreffende verzekeringsbemiddeling(13), met uitzondering van verzekeringstussenpersonen als bedoeld in artikel 2, lid 7, van die richtlijn, wanneer zij handelen met betrekking tot levensverzekeringen en andere aan beleggingen gerelateerde verzekeringen;
-
in de Gemeenschap gevestigde bijkantoren van de onder a) tot en met e) bedoelde financiële instellingen met hoofdkantoor binnen of buiten de Gemeenschap;
-
-
„voorwerp”: goederen van elke soort, hetzij lichamelijk hetzij onlichamelijk, hetzij roerend hetzij onroerend, hetzij tastbaar hetzij ontastbaar, en rechtsbescheiden in gelijk welke vorm, ook elektronisch en digitaal, waaruit de eigendom of andere rechten ten aanzien van deze goederen blijken;
-
„criminele activiteit”: iedere vorm van criminele betrokkenheid bij het plegen van een ernstig strafbaar feit;
-
„ernstige strafbare feiten”: betekent ten minste
-
strafbare feiten als omschreven in de artikelen 1 tot en met 4 van Kaderbesluit 2002/475/JBZ;
-
alle in artikel 3, lid 1, onder a), van het Verdrag van de Verenigde Naties van 1988 tegen sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen omschreven strafbare feiten;
-
de activiteiten van criminele organisaties als omschreven in artikel 1 van Gemeenschappelijk Optreden 98/733/JBZ van de Raad van 21 december 1998 inzake de strafbaarstelling van deelneming aan een criminele organisatie in de lidstaten van de Europese Unie(14);
-
fraude, althans ernstige fraude, als omschreven in artikel 1, lid 1, en artikel 2 van de overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen(15);
-
corruptie;
-
alle feiten die strafbaar zijn gesteld met een maximale vrijheidsstraf of detentiemaatregel van meer dan een jaar of, voor staten die in hun rechtsstelsel een minimumstraf voor strafbare feiten kennen, alle feiten die strafbaar zijn gesteld met een minimale vrijheidsstraf of detentiemaatregel van meer dan zes maanden;
-
-
„uiteindelijke begunstigde”: de natuurlijke perso(o)n(en) die de uiteindelijke eigenaar is (zijn) van of het zeggenschap heeft (hebben) over de cliënt en/of de natuurlijke persoon voor wiens rekening een transactie of activiteit wordt verricht. De uiteindelijke begunstigde omvat ten minste:
-
bij vennootschappen:
-
de natuurlijke perso(o)n(en) die de uiteindelijke eigenaar is (zijn) van of zeggenschap heeft(hebben)over een juridische entiteit, via het rechtstreeks of onrechtstreeks houden van een toereikend percentage van de aandelen of stemrechten van deze juridische entiteit, met inbegrip van participatie in de vorm van toonderaandelen, waarbij het niet gaat om een op een gereglementeerde markt genoteerde vennootschap die is onderworpen aan openbaarmakingsvereisten die in overeenstemming zijn met de Gemeenschapswetgeving, of aan gelijkwaardige internationale normen; een percentage van 25 % plus een aandeel geldt als toereikend om aan dit criterium te voldoen;
-
de natuurlijke perso(o)n(en) die op een andere wijze zeggenschap over het beheer van een juridische entiteit uitoefen(t)(en);
-
-
in het geval van juridische entiteiten, zoals stichtingen, en van juridische constructies, zoals trusts, die gelden beheren of uitkeren:
-
voorzover de toekomstige begunstigden reeds werden vastgelegd, de natuurlijke perso(o)n(en) die de begunstigde van 25 % of meer van het vermogen van een juridische constructie of rechtspersoon is (zijn);
-
voorzover de afzonderlijke personen die de begunstigden van de juridische entiteit of de juridische constructie zijn, nog niet werden vastgelegd, de groep van personen in wier belang de juridische entiteit of de juridische constructie hoofdzakelijk werd opgericht of werkzaam is;
-
de natuurlijke perso(o)n(en) die zeggenschap over 25 % of meer van het vermogen van een juridische constructie of juridische entiteit uitoefen(t)(en);
-
-
-
„aanbieder van trust- en bedrijfsdiensten”: een natuurlijke of rechtspersoon die als beroepsactiviteit enigerlei van de volgende diensten aan derden verstrekt:
-
oprichten van vennootschappen of andere rechtspersonen;
-
optreden als of regelen dat een andere persoon optreedt als directeur of secretaris van een vennootschap, deelgenoot in een deelgenootschap („partnership”) of in een soortgelijke hoedanigheid in andere rechtspersonen;
-
verschaffen van een statutaire zetel, bedrijfsadres, administratief of correspondentieadres en andere daarmee samenhangende diensten voor een vennootschap, een deelgenootschap of enigerlei andere rechtspersoon of juridische constructie;
-
optreden als of regelen dat een andere persoon optreedt als trustee van een express trust of van een soortgelijke juridische constructie;
-
optreden als of regelen dat een andere persoon optreedt als gevolmachtigde aandeelhouder voor een andere persoon waarbij het niet gaat om een op een gereglementeerde markt genoteerde vennootschap die is onderworpen aan openbaarmakingsvereisten die in overeenstemming zijn met de Gemeenschapswetgeving, of aan gelijkwaardige internationale normen;
-
-
„politiek prominente personen”: natuurlijke personen die een prominente publieke functie bekleden of hebben bekleed en directe familieleden of naaste geassocieerden van deze personen;
-
„zakelijke relatie”: een zakelijke, professionele of commerciële relatie die verband houdt met de professionele activiteiten van de instellingen en personen die onder deze richtlijn vallen en waarvan op het tijdstip dat het contact wordt gelegd wordt aangenomen dat zij enige tijd zal duren;
-
„Shell bank”: een kredietinstelling, of een instelling die zich met soortgelijke activiteiten bezig houdt, opgericht in een rechtsgebied waar zij geen fysieke aanwezigheid, d.w.z. een bestuur en beheer van betekenis heeft, en die niet verbonden is met een onder toezicht staande financiële groep.