Home

Verordening (EG) nr. 980/2005 van de Raad van 27 juni 2005 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties

Verordening (EG) nr. 980/2005 van de Raad van 27 juni 2005 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 133,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement(1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Sinds 1971 verleent de Gemeenschap in het kader van haar schema van algemene tariefpreferenties handelspreferenties aan ontwikkelingslanden.

  2. De gemeenschappelijk handelspolitiek van de Gemeenschap moet stroken met de doelstellingen van het ontwikkelingsbeleid, met name uitroeiing van de armoede en bevordering van duurzame ontwikkeling en goed bestuur in de ontwikkelingslanden, en deze doelstellingen consolideren. Zij moet in overeenstemming zijn met de WTO-voorschriften en in het bijzonder de GATT-machtigingsclausule van 1979(3).

  3. In een mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité van 7 juli 2004„Ontwikkelingslanden, internationale handel en duurzame ontwikkeling: de rol van het schema van algemene preferenties (SAP) van de Gemeenschap voor de periode 2006/2015” zijn richtsnoeren voor de toepassing van het schema van algemene tariefpreferenties voor de periode 2006-2015 vastgesteld.

  4. Dit is de eerste verordening ter uitvoering van deze richtsnoeren. Zij is van toepassing tot en met 31 december 2008.

  5. Het schema van algemene tariefpreferenties (hierna „het schema” genoemd) dient een algemene regeling te omvatten, die wordt toegekend aan alle begunstigde landen en gebieden, en twee bijzondere regelingen waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende ontwikkelingsbehoeften van ontwikkelingslanden die zich in soortgelijke omstandigheden bevinden.

  6. De algemene regeling dient te worden toegekend aan alle begunstigde landen, tenzij zij door de Wereldbank als hoge-inkomensland worden ingedeeld, en op voorwaarde dat hun uitvoer onvoldoende gediversifieerd is.

  7. De bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur is gebaseerd op een alomvattend concept van duurzame ontwikkeling zoals erkend door internationale verdragen en instrumenten, waaronder de VN-verklaring inzake het recht op ontwikkeling (1986), de verklaring van Rio inzake milieu en ontwikkeling (1992), de ILO-verklaring inzake fundamentele beginselen en rechten op het werk (1998), de VN-millenniumverklaring (2000) en de verklaring van Johannesburg inzake duurzame ontwikkeling (2002). Ontwikkelingslanden die door een gebrek aan diversificatie en onvoldoende integratie in het internationale handelssysteem kwetsbaar zijn, maar met de ratificatie en de effectieve tenuitvoerlegging van de belangrijkste internationale verdragen inzake arbeids- en mensenrechten, bescherming van het milieu en goed bestuur toch een bijzondere last en verantwoordelijkheid op zich nemen, moeten daarom in aanmerking komen voor bijkomende tariefpreferenties. Deze preferenties strekken ertoe verdere economische groei te stimuleren en aldus positief in te spelen op de behoefte aan duurzame ontwikkeling. Deze regeling voorziet voor de begunstigde landen derhalve in een schorsing van de ad-valoremrechten en specifieke rechten (tenzij deze gecombineerd zijn met een ad-valoremrecht). De bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur dient uitzonderlijk van toepassing te zijn vóórdat de gehele verordening in werking treedt om in overeenstemming te zijn met de WTO-uitspraak inzake bijzondere regelingen ter bestrijding van drugsproductie en -handel.

  8. Ontwikkelingslanden die bij de inwerkingtreding van deze verordening reeds voldoen aan de criteria van de bijzondere regeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur, moeten zo snel mogelijk van deze regeling kunnen profiteren. Zij worden daarom voorlopig opgenomen op de lijst van begunstigde landen. De preferenties blijven voor hen gelden, indien de Commissie hun aanvraag uiterlijk op 15 december 2005 gunstig beoordeelt.

  9. De Commissie dient toe te zien op de effectieve tenuitvoerlegging van de internationale verdragen overeenkomstig de desbetreffende mechanismen waarin deze voorzien, en het verband tussen bijkomende tariefpreferenties en de bevordering van duurzame ontwikkeling te evalueren.

  10. De bijzondere regeling voor de minst ontwikkelde landen moet blijven voorzien in een rechtenvrije toegang voor producten uit de landen die door de Verenigde Naties als minst ontwikkeld land zijn erkend en ingedeeld. Voor landen die door de Verenigde Naties niet langer als minst ontwikkeld land zijn ingedeeld, moet een overgangsperiode worden ingesteld om eventuele negatieve gevolgen van het wegvallen van de tariefpreferenties uit hoofde van deze regeling te ondervangen.

  11. De differentiatie van de preferenties naar gelang van de gevoeligheid van de producten, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen gevoelige en niet-gevoelige producten, dient te worden gehandhaafd om rekening te houden met de situatie van de bedrijfstakken in de Gemeenschap die dezelfde producten vervaardigen.

  12. De schorsing van de douanerechten op niet-gevoelige producten dient te worden gehandhaafd, terwijl de rechten op gevoelige producten moeten worden verlaagd zodat er voldoende gebruik van wordt gemaakt, maar tegelijkertijd ook rekening wordt gehouden met de situatie van de overeenkomstige bedrijfstakken in de Gemeenschap.

  13. Deze verlaging dient voor de handelaren voldoende aantrekkelijk te zijn om hen ertoe te bewegen gebruik te maken van de door het schema geboden mogelijkheden. Voor de ad-valorem rechten dient derhalve een vaste verlaging met 3,5 procentpunten van het recht voor meestbegunstigde landen te worden toegepast. Specifieke rechten dienen met 30 % te worden verlaagd. Wanneer een minimumrecht is vermeld, dient dit niet te worden toegepast.

  14. De rechten dienen volledig te worden geschorst wanneer voor een afzonderlijke invoeraangifte de preferentiële behandeling in een ad-valorem recht van 1 % of minder of in een specifiek recht van 2 euro of minder resulteert, omdat het innen van die rechten meer zou kunnen kosten dan het oplevert.

  15. Ter wille van de samenhang van de handelspolitiek van de Gemeenschap mag een begunstigd land niet gebruikmaken van zowel het schema van algemene tariefpreferenties van de Gemeenschap als een vrijhandelsovereenkomst, als deze overeenkomst ten minste voorziet in alle preferenties waarvoor dit land krachtens het huidige schema in aanmerking komt.

  16. Graduatie dient te geschieden aan de hand van criteria die betrekking hebben op afdelingen van het gemeenschappelijk douanetarief. Een begunstigd land dient voor een afdeling te worden gegradueerd wanneer het voor die afdeling gedurende drie opeenvolgende jaren aan de graduatiecriteria voldoet; graduatie wordt aldus voorspelbaarder en billijker, doordat het effect van grote en uitzonderlijke schommelingen in de invoerstatistieken wordt opgevangen.

  17. De oorsprongsregels voor de omschrijving van het begrip „producten van oorsprong” alsook de desbetreffende procedures en methoden van administratieve samenwerking, zoals vastgesteld in Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek(4), zijn van toepassing op de tariefpreferenties waarin deze verordening voorziet, teneinde te garanderen dat de voordelen van dit schema uitsluitend ten goede komen van de beoogde begunstigden.

  18. Ernstige en systematische schending van de beginselen die zijn neergelegd in de in bijlage III vermelde verdragen, dient te worden aangemerkt als een reden voor tijdelijke intrekking, teneinde de doelstellingen van die verdragen te bevorderen en te voorkomen dat een begunstigde door aanhoudende schending van die verdragen een oneerlijk voordeel behaalt.

  19. Gelet op de politieke situatie in Myanmar dient de tijdelijke intrekking van alle tariefpreferenties ten aanzien van de invoer van producten van oorsprong uit Myanmar van kracht te blijven.

  20. De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(5),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

1.

Het schema van algemene tariefpreferenties van de Gemeenschap (hierna „het schema” genoemd) is van toepassing met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening tot en met 31 december 2008 overeenkomstig deze verordening.

2.

Deze verordening voorziet in:

  1. een algemene regeling,

  2. een bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur,

  3. een bijzondere regeling voor de minst ontwikkelde landen.

Artikel 2

De begunstigde landen van de in artikel 1, lid 2, genoemde regelingen zijn in bijlage I vermeld.

Artikel 3

1.

Een begunstigd land wordt van het schema uitgesloten als het door de Wereldbank gedurende drie opeenvolgende jaren als hoge-inkomensland wordt ingedeeld en de waarde van de invoer in de vijf grootste afdelingen van zijn onder het SAP vallende invoer in de Gemeenschap minder dan 75 % van zijn totale onder het SAP vallende invoer in de Gemeenschap vertegenwoordigt.

2.

Wanneer een begunstigd land een preferentiële handelsovereenkomst met de Gemeenschap heeft die ten minste alle preferenties omvat waarop dat land uit hoofde van dit schema een beroep kan doen, wordt het geschrapt van de lijst van begunstigde landen in bijlage I.

3.

De Commissie stelt een begunstigd land dat van de lijst van begunstigde landen in bijlage I wordt geschrapt, daarvan in kennis.

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

HOOFDSTUK II REGELINGEN EN TARIEFPREFERENTIES

AFDELING 1 Algemene regeling

Artikel 7

AFDELING 2 Bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 11

AFDELING 3 Bijzondere regeling voor de minst ontwikkelde landen

Artikel 12

Artikel 13

AFDELING 4 Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 14

Artikel 15

HOOFDSTUK III TIJDELIJKE INTREKKING EN VRIJWARINGSCLAUSULES

AFDELING 1 Tijdelijke intrekking

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 19

Artikel 20

AFDELING 2 Vrijwaringsclausule

Artikel 21

Artikel 22

Artikel 23

AFDELING 3 Toezichtmaatregelen in de landbouwsector

Artikel 24

AFDELING 4 Gemeenschappelijke bepaling

Artikel 25

HOOFDSTUK IV PROCEDUREVOORSCHRIFTEN

Artikel 26

Artikel 27

Artikel 28

HOOFDSTUK V OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 29

Artikel 30

BIJLAGE I

BIJLAGE II

BIJLAGE III