Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld voor de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen en voor het bedrijfseconomisch toezicht daarop.
Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking) (Voor de EER relevante tekst)
Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (herschikking) (Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 47, lid 2, eerste en derde zin,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),
Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(2),
Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3),
Overwegende hetgeen volgt:
Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen(4) is diverse malen ingrijpend gewijzigd. Aangezien er nieuwe wijzigingen in die richtlijn zijn aangebracht, is het, ter wille van de duidelijkheid, wenselijk tot herschikking van deze richtlijn over te gaan.
Teneinde de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen te vergemakkelijken, is het noodzakelijk de hinderlijkste verschillen tussen de wetgevingen der lidstaten inzake de regeling waaraan deze instellingen zijn onderworpen, op te heffen.
De onderhavige richtlijn vormt met betrekking tot de sector kredietinstellingen, ten aanzien van zowel de vrijheid van vestiging als het vrij verrichten van diensten, het essentiële instrument voor de totstandbrenging van de interne markt.
In de mededeling van de Commissie van 11 mei 1999, getiteld „Omzetting van het kader voor de financiële markt: actieplan” worden verschillende doelstellingen genoemd die ter voltooiing van de interne markt voor financiële diensten moeten worden verwezenlijkt. De Europese Raad van 23 en 24 maart 2000 in Lissabon heeft het doel vastgesteld het actieplan vóór 2005 om te zetten. De herschikking van de bepalingen inzake het eigen vermogen is een wezenlijk element van het actieplan.
De coördinatiewerkzaamheden inzake kredietinstellingen, zowel voor de bescherming van de spaargelden als ter bewerkstelliging van gelijke concurrentievoorwaarden voor de kredietinstellingen, moeten van toepassing zijn op alle kredietinstellingen. Hierbij dient echter rekening te worden gehouden met de objectieve verschillen in hun status en hun bij de nationale wetgevingen vastgestelde specifieke taken.
Het toepassingsgebied van de coördinatiewerkzaamheden moet derhalve zo ruim mogelijk zijn en moet alle instellingen bestrijken die terugbetaalbare gelden van het publiek in ontvangst nemen, in de vorm van deposito's of in andere vormen, zoals de permanente uitgifte van obligaties en andere vergelijkbare stukken, en voor eigen rekening kredieten verlenen. Uitzonderingen moeten echter worden gemaakt voor bepaalde kredietinstellingen waarop deze richtlijn niet van toepassing kan zijn. Deze richtlijn laat de toepassing van de nationale wetgevingen onverlet wanneer hierin de mogelijkheid wordt geboden van aanvullende speciale vergunningen op grond waarvan de kredietinstellingen specifieke werkzaamheden kunnen verrichten of specifieke soorten transacties kunnen uitvoeren.
Het is aangewezen een wezenlijke, noodzakelijke en voldoende harmonisatie tot stand te brengen om te komen tot een wederzijdse erkenning van de vergunningen en van de stelsels van bedrijfseconomisch toezicht, waardoor één en dezelfde vergunning voor de gehele Gemeenschap geldig is en waarbij het beginsel geldt dat het bedrijfseconomisch toezicht wordt uitgeoefend door de lidstaat van herkomst. De eis dat een programma van werkzaamheden wordt ingediend mag in dit opzicht slechts worden beschouwd als een factor die de bevoegde autoriteiten in staat stelt te besluiten op grond van een nauwkeuriger informatie binnen het kader van objectieve criteria. Een zekere versoepeling van de regels is niettemin mogelijk met betrekking tot de vereisten die worden gesteld aangaande de rechtsvormen van de kredietinstellingen met betrekking tot de bescherming van de bankbenamingen.
Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, te weten de vaststelling van voorschriften voor de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen en voor het bedrijfseconomisch toezicht daarop, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang en de gevolgen van het vooropgestelde optreden beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag vastgelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in ditzelfde artikel genoemde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
Voor de kredietinstellingen moeten gelijkwaardige financiële eisen gelden in het belang van gelijke waarborgen voor spaarders en eerlijke concurrentieverhoudingen tussen vergelijkbare groepen kredietinstellingen. In afwachting van een betere coördinatie dienen geëigende, de structuur betreffende verhoudingsgetallen te worden ontwikkeld waardoor het mogelijk wordt om in het kader van de samenwerking tussen nationale autoriteiten volgens standaardmethoden de positie van vergelijkbare categorieën kredietinstellingen in het oog te houden. Deze procedure kan de geleidelijke onderlinge aanpassing van door de lidstaten vastgestelde en toegepaste coëfficiënten vergemakkelijken. Het is evenwel noodzakelijk een onderscheid te maken tussen de coëfficiënten welke ten doel hebben een degelijk beheer van de kredietinstellingen te waarborgen en die welke oogmerken van economische en monetaire politiek dienen.
De beginselen van wederzijdse erkenning en van toezicht door de lidstaat van herkomst vereisen dat de bevoegde autoriteiten van elke lidstaat een vergunning weigeren of intrekken, wanneer uit bepaalde gegevens, zoals de inhoud van het programma van werkzaamheden, de lokalisatie van de werkzaamheden of de werkelijk uitgeoefende werkzaamheden, op ondubbelzinnige wijze blijkt dat de kredietinstelling het rechtsstelsel van een lidstaat heeft gekozen om zich te onttrekken aan de strengere voorschriften van een andere lidstaat, waar zij het grootste deel van haar werkzaamheden uitoefent of voornemens is uit te oefenen. Wanneer dit niet ondubbelzinnig blijkt, maar de totale activa van de entiteiten in een bankgroep grotendeels gelokaliseerd zijn in een andere lidstaat waarvan de bevoegde autoriteiten belast zijn met het toezicht op geconsolideerde basis, zou, in het kader van de artikelen 125 en 126, de verantwoordelijkheid voor de uitoefening van het toezicht op geconsolideerde basis enkel met toestemming van die bevoegde autoriteiten veranderd mogen worden. Aan een kredietinstelling die een rechtspersoon is, moet vergunning worden verleend in de lidstaat waar haar statutaire zetel is gelegen. Een kredietinstelling die geen rechtspersoon is, moet zijn hoofdkantoor hebben in de lidstaat waar haar vergunning is verleend. De lidstaten moeten tevens eisen dat het hoofdkantoor van een kredietinstelling zich steeds in haar lidstaat van herkomst bevindt en daar feitelijk ook werkzaam is.
De bevoegde autoriteiten zouden geen vergunning aan een kredietinstelling mogen verlenen of handhaven, wanneer de nauwe banden die tussen deze instelling en andere natuurlijke of rechtspersonen bestaan, van dien aard zijn dat zij een belemmering vormen voor de juiste uitoefening van hun toezichthoudende taken. Kredietinstellingen waaraan reeds vergunning is verleend, moeten de bevoegde autoriteiten in dat opzicht eveneens voldoening schenken.
Met „juiste uitoefening van de toezichthoudende taken door de autoriteiten”, wordt ook gedoeld op het toezicht op geconsolideerde basis, dat op een kredietinstelling dient te worden uitgeoefend wanneer de communautaire rechtsregels een dergelijk toezicht voorschrijven. In zulke gevallen moeten de autoriteiten waaraan om een vergunning is gevraagd, de autoriteiten kunnen identificeren die bevoegd zijn voor het toezicht op geconsolideerde basis op deze kredietinstelling.
Door deze richtlijn worden lidstaten en/of bevoegde autoriteiten in staat gesteld kapitaaleisen op individuele en geconsolideerde basis toe te passen en deze eisen op individuele basis niet toe te passen indien zij dat nodig achten. Individueel, geconsolideerd en grensoverschrijdend geconsolideerd toezicht zijn waardevolle instrumenten bij het toezicht op kredietinstellingen. Door deze richtlijn worden de bevoegde autoriteiten in staat gesteld grensoverschrijdende instellingen te steunen door de onderlinge samenwerking tussen hen te vergemakkelijken. Met name moeten zij gebruik blijven maken van de artikelen 42, 131 en 141 om hun werkzaamheden en verzoeken om informatie te coördineren.
Het moet kredietinstellingen waaraan in een lidstaat van herkomst vergunning is verleend, worden toegestaan alle werkzaamheden die in de in bijlage I opgenomen lijst zijn vermeld, of een deel daarvan, door vestiging van een bijkantoor of het verrichten van diensten overal in de Gemeenschap uit te oefenen.
Voor de door hun bevoegde autoriteiten erkende kredietinstellingen kunnen de lidstaten eveneens striktere regels vaststellen dan die in artikel 9, lid 1, eerste alinea, artikel 9, lid 2, en artikelen 12, 19 tot 21, 44 tot 52, 75 en 120 tot 122. De lidstaten kunnen eveneens verzoeken om naleving van artikel 123 op individuele of andere grondslag, en om toepassing van de sub-consolidatie beschreven in artikel 73, lid 2 op andere niveaus binnen een groep.
Het is dienstig de wederzijdse erkenning ook te laten gelden voor de werkzaamheden die in voornoemde lijst zijn opgenomen wanneer zij worden verricht door een financiële instelling die dochteronderneming is van een kredietinstelling, mits deze dochteronderneming is opgenomen onder het toezicht op geconsolideerde basis waaraan haar moederonderneming is onderworpen, en aan strenge voorwaarden voldoet.
De lidstaat van ontvangst moet voor de uitoefening van het recht van vestiging en van het vrij verrichten van diensten kunnen eisen dat de specifieke voorschriften van zijn wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen worden nageleefd door instellingen die geen vergunning als kredietinstelling hebben ontvangen in de lidstaat van herkomst, dan wel ten aanzien van werkzaamheden die niet in voornoemde lijst voorkomen, voorzover deze voorschriften verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht en worden ingegeven door het algemeen belang, en deze instellingen, respectievelijk werkzaamheden niet op grond van de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaat van herkomst aan gelijkwaardige regels onderworpen zijn.
De lidstaten moeten ervoor zorgen dat er geen enkele belemmering is voor de uitoefening, op dezelfde wijze als in de lidstaat van herkomst, van de werkzaamheden die onder de wederzijdse erkenning vallen, voorzover zij niet in strijd zijn met de vigerende wettelijke bepalingen van algemeen belang van de lidstaat van ontvangst.
De regeling voor bijkantoren van kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap zou in alle lidstaten analoog moeten zijn. Er moet worden bepaald dat deze regeling niet gunstiger mag zijn dan voor bijkantoren van instellingen uit een andere lidstaat. De Gemeenschap moet met derde landen overeenkomsten kunnen sluiten die voorzien in de toepassing van bepalingen krachtens welke voor deze bijkantoren op haar gehele grondgebied een gelijke behandeling geldt. De bijkantoren met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap mogen niet in aanmerking komen voor het vrij verrichten van diensten uit hoofde van artikel 49, tweede alinea, van het Verdrag, noch voor de vrijheid van vestiging in andere lidstaten dan die waarin zij gevestigd zijn.
Tussen de Gemeenschap en derde landen dienen overeenkomsten op basis van wederkerigheid te worden gesloten om de concrete toepassing van geconsolideerd toezicht op een zo breed mogelijke geografische basis mogelijk te maken.
De verantwoordelijkheid inzake het toezicht op de financiële soliditeit en met name de solvabiliteit van een kredietinstelling dient voortaan te berusten bij de lidstaat van herkomst van de instelling. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst dienen verantwoordelijk te zijn voor het toezicht op de liquiditeit van de bijkantoren en voor het monetair beleid. Met betrekking tot het toezicht op het marktrisico moet er een nauwere samenwerking zijn tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en die van de lidstaat van ontvangst.
De harmonische werking van de interne bankmarkt, vereist naast rechtsnormen, nauwe en regelmatige samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en een veel grotere convergentie van hun regelgevings- en toezichtpraktijken. Met name moeten de individuele behandeling van problemen betreffende een bepaalde kredietinstelling, en de onderlinge uitwisseling van informatie derhalve geschieden in het Comité van Europese bankentoezichthouders dat is ingesteld bij Besluit 2004/5/EG(5) van de Commissie. Deze procedure voor de uitwisseling van gegevens mag in geen geval in de plaats treden van de bilaterale samenwerking. Onverminderd haar eigen toezichtsbevoegdheden, moet de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst op eigen initiatief of op initiatief van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, in dringende gevallen kunnen nagaan of de werkzaamheden van een instelling op haar grondgebied in overeenstemming zijn met de wet, en met de beginselen van een goede administratieve en boekhoudkundige procedures en van een adequate interne controlemaatregelen.
Het is dienstig de mogelijkheid toe te staan van uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten en autoriteiten of organen die uit hoofde van hun functie bijdragen tot de stabiliteit van het financiële stelsel. Teneinde het vertrouwelijke karakter van de doorgegeven informatie te bewaren, moet de lijst van geadresseerden daarvan strikt beperkt blijven.
Bepaalde praktijken zoals fraude en voorkennisdelicten, ook al hebben zij betrekking op andere dan kredietinstellingen, tasten toch de stabiliteit van het financiële stelsel alsmede de integriteit ervan aan. Bepaald moet worden onder welke voorwaarden de uitwisseling van informatie in dergelijke gevallen is toegestaan.
Wanneer bepaald is dat informatie alleen met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten mag worden doorgegeven, mogen deze autoriteiten in voorkomend geval aan hun instemming strikte voorwaarden verbinden.
Ook uitwisseling van informatie dient te worden toegestaan tussen enerzijds de bevoegde autoriteiten en anderzijds de centrale banken en andere instellingen met een soortgelijke taak in hun hoedanigheid van monetaire autoriteit, en in voorkomend geval aan andere overheidsinstanties die belast zijn met het toezicht op de betalingssystemen.
Ter versterking van het bedrijfseconomische toezicht op kredietinstellingen en ter bescherming van de cliënten van kredietinstellingen moeten met de wettelijke controle van de jaarrekeningen belaste personen de bevoegde autoriteiten snel in kennis stellen wanneer zij in de uitvoering van hun taken kennis krijgen van bepaalde feiten die van dien aard zijn dat zij de financiële positie of de administratieve en boekhoudkundige organisatie van een kredietinstelling ernstig kunnen aantasten. Om dezelfde reden moeten de lidstaten ook bepalen dat deze verplichting in alle gevallen geldt wanneer dergelijke feiten door een met de wettelijke controle van de jaarrekening belast persoon worden geconstateerd in de uitvoering van zijn taken bij een onderneming die met een kredietinstelling nauwe banden heeft. De aan de met de wettelijke controle van de jaarrekening belaste personen opgelegde verplichting om in voorkomend geval aan de bevoegde autoriteiten mededeling te doen van bepaalde feiten en besluiten met betrekking tot een kredietinstelling, welke zij in de uitvoering van hun taken bij een niet-financiële onderneming constateren, mag op zich geen wijziging inhouden van de aard van hun taken bij deze onderneming, noch van de wijze waarop zij zich van hun taak bij die onderneming dienen te kwijten.
Ingevolge deze richtlijn moeten criteria worden vastgesteld waaraan bepaalde bestanddelen van het eigen vermogen moeten voldoen. Daarbij behouden de lidstaten de vrijheid stringentere voorwaarden toe te passen.
In deze richtlijn wordt volgens de kwaliteit van de bestanddelen van het eigen vermogen een onderscheid gemaakt tussen bestanddelen die het oorspronkelijk eigen vermogen en bestanddelen die het aanvullend vermogen vormen.
De bestanddelen die het aanvullend vermogen vormen mogen, vanwege het feit dat zij niet dezelfde kwaliteit hebben als die welke het oorspronkelijk eigen vermogen vormen, niet ten belope van meer dan 100 % van het oorspronkelijk eigen vermogen tot het eigen vermogen worden gerekend. De meetelling van bepaalde bestanddelen van het aanvullend vermogen moet bovendien beperkt worden tot 50 % van het oorspronkelijk eigen vermogen.
Openbare kredietinstellingen mogen, teneinde verstoring van de mededingingsvoorwaarden te voorkomen, bij de berekening van hun eigen vermogen niet de garanties meetellen die hun door de lidstaten of door lagere overheden zijn verstrekt.
Wanneer het ten behoeve van het toezicht nodig is de omvang van het geconsolideerde eigen vermogen van een groep van kredietinstellingen te bepalen, dient deze berekening te geschieden overeenkomstig deze richtlijn.
Ten aanzien van de bij de berekening van het eigen vermogen en van de toereikendheid ervan voor het risico waaraan een kredietinstelling is blootgesteld en ten aanzien van de bij de risicobepaling te gebruiken boekhoudkundige techniek dient rekening te worden gehouden met de bepalingen van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen(6) waarin enkele aanpassingen van de bepalingen van Zevende Richtlijn 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 betreffende de geconsolideerde jaarrekening(7) zijn vervat, of met Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen(8), mocht deze van toepassing zijn op de boekhouding van kredietinstellingen in het kader van de nationale wetgeving.
De minimumkapitaalvereisten spelen een centrale rol bij het toezicht op kredietinstellingen en bij de wederzijdse erkenning van toezichthoudende technieken. De bepalingen met betrekking tot de minimumkapitaalvereisten moeten derhalve worden gezien in samenhang met andere specifieke instrumenten tot harmonisatie van de basistechnieken van het toezicht op kredietinstellingen.
Teneinde verstoring van de mededingingsvoorwaarden te voorkomen en het bankwezen in de interne markt te versterken, is het aangewezen gemeenschappelijke minimumkapitaalvereisten vast te stellen.
Omwille van een toereikende solvabiliteit moeten minimumkapitaalvereisten worden vastgesteld waarbij actiefposten en posten buiten de balanstelling naar risicograad worden gewogen.
Terzake heeft het Comité van Basel voor het banktoezicht op 26 juni 2004 een kaderovereenkomst aangenomen over de internationale convergentie van kapitaalmeting en kapitaalvereisten. De bepalingen in deze richtlijn over minimumkapitaalvereisten van kredietinstellingen en de bepalingen inzake minimumkapitaal in Richtlijn 2006/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen(9), vormen een equivalent van de bepalingen van de kaderovereenkomst van Bazel.
Het is van essentieel belang dat rekening wordt gehouden met de diversiteit van de kredietinstellingen in de Gemeenschap; daartoe moeten zij kunnen kiezen uit verschillende berekeningsmethoden voor de minimumkapitaalvereisten ten aanzien van het kredietrisico, waarin de risicogevoeligheidsniveaus en de mate van verfijning variëren. Dankzij het gebruik van externe ratings en van door de kredietinstellingen zelf opgestelde ramingen van individuele kredietrisicoparameters verbeteren de risicogevoeligheid en de soliditeit van de kredietrisicovoorschriften in aanzienlijke mate. Kredietinstellingen moeten voldoende worden geprikkeld om over te stappen op de risicogevoeligere methoden. Bij de opstelling van de ramingen die nodig zijn voor de toepassing van de in deze richtlijn vervatte kredietrisicobenaderingen zullen de kredietinstellingen hun gegevensverwerkingsbehoeften moeten aanpassen aan het rechtmatig belang dat hun cliënten met betrekking tot gegevensbescherming aan de bestaande communautaire wetgeving inzake gegevensbescherming ontlenen en tegelijkertijd de door de kredietinstellingen gehanteerde processen voor beheer en meting van het kredietrisico moeten verbeteren om over methoden ter bepaling van de voor kredietinstellingen geldende wettelijke vereisten inzake eigen vermogen te kunnen beschikken die de graad van verfijning van de processen van de afzonderlijke kredietinstellingen weergeven. De gegevensverwerking geschiedt overeenkomstig de voorschriften betreffende de overdracht van persoonsgegevens van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(10). In dit opzicht dient gegevensverwerking in verband met het innemen en het beheer van posities ten opzichte van cliënten te worden beschouwd als omvattende de ontwikkeling en validatie van systemen voor beheer en meting van kredietrisico. Dit dient niet alleen het rechtmatig belang van kredietinstellingen, maar eveneens het doel van deze richtlijn verbeterde methoden tot meting en beheer van risico's toe te passen en deze eveneens te gebruiken voor de wettelijke vereisten inzake eigen vermogen.
Zowel bij het gebruik van externe ramingen als van eigen ramingen van een instelling, dan wel van interne ratings, moet rekening worden gehouden met het feit dat momenteel slechts de laatstgenoemde worden opgesteld door een entiteit — de financiële instelling zelf — die zich moet houden aan een communautaire vergunningsprocedure. Bij de externe ratings wordt teruggegrepen op de producten van zogenoemde erkende ratingagentschappen, waarvoor in de Gemeenschap thans geen vergunningenprocedure bestaat. Gezien de betekenis van externe ratings voor de berekening van de kapitaalvereisten in het kader van deze richtlijn, moeten de toekomstige vergunnings- en toezichtprocedures voor ratingagentschappen verder onderzocht worden.
De minimumkapitaalvereisten moeten evenredig zijn aan de gelopen risico's. Met name moet daarin het risicoverlagende effect van een groot aantal relatief beperkte vorderingen tot uiting komen.
De bepalingen van deze richtlijn eerbiedigen het evenredigheidsbeginsel, daar zij in het bijzonder rekening houden met de verschillen in de omvang en schaal van de transacties en in het scala van de werkzaamheden van kredietinstellingen. Eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel houdt eveneens in dat voor vorderingen op particulieren en kleine partijen zo eenvoudig mogelijke ratingprocedures worden erkend, ook in het kader van de interne-ratingbenadering („IRB”).
Door de „evolutionaire aard” van deze richtlijn kunnen instellingen kiezen uit drie benaderingen van uiteenlopende complexiteit. Ten einde met name kleine kredietinstellingen de mogelijkheid te geven voor de meer risicogevoelige IRB te kiezen, passen de bevoegde autoriteiten in voorkomende gevallen de bepalingen van artikel 89, lid 1, onder a) en b), toe. Die bepalingen dienen zodanig te worden opgevat dat de in artikel 86, lid 1, onder a) en b), bedoelde categorieën alle vorderingen omvatten die direct of indirect in deze richtlijn daarmee gelijkgesteld worden. Bij wijze van algemene regel maken de bevoegde autoriteiten geen onderscheid tussen de drie benaderingen ten aanzien van het proces van bedrijfseconomisch toezicht, d.w.z. dat banken die de standaardbenadering aanwenden niet louter en alleen daarom aan een strikter toezicht worden onderworpen.
Met technieken om het kredietrisico te limiteren, moet meer rekening worden gehouden. Daarbij moet het regelgevingskader ervoor zorgen dat de solventie niet wordt ondermijnd doordat een techniek ten onrechte wordt geaccepteerd. Voorzover mogelijk moeten de huidige in de lidstaten in de banksector gebruikelijke zekerheden ter vermindering van kredietrisico's in de standaardbenadering, maar ook in de andere benaderingen, worden erkend.
Om ervoor te zorgen dat de risico's en risicobeperkingen als gevolg van securitisatieactiviteiten en investeringen van kredietinstellingen tot uiting komen in hun minimumkapitaalvereisten, zijn er regels nodig die een risicogevoelige en vanuit prudentieel oogpunt deugdelijke behandeling van dergelijke activiteiten en investeringen garanderen.
Kredietinstellingen staan bloot aan een groot operationeel risico, dat met eigen vermogen moet worden opgevangen. Het is van essentieel belang dat rekening wordt gehouden met de diversiteit van de kredietinstellingen in de Gemeenschap; daartoe moeten zij kunnen kiezen uit verschillende berekeningsmethoden voor de vereisten ten aanzien van het operationeel risico, waarin de risicogevoeligheidsniveaus en de mate van verfijning variëren. Kredietinstellingen moeten voldoende worden geprikkeld om over te stappen op de risicogevoeligere methoden. Omdat de technieken voor de meting en het beheer van het operationele risico nog niet helemaal zijn uitgerijpt, moeten deze regelmatig worden geëvalueerd en zo nodig worden bijgewerkt; dit geldt ook voor de vereisten ten aanzien van de verschillende bedrijfsactiviteiten en de inaanmerkingneming van risicolimiteringstechnieken. Bijzondere aandacht dient hierbij uit te gaan naar het in aanmerking nemen van verzekeringen in de eenvoudige benaderingen ter berekening van de kapitaalvereisten voor het operationele risico.
Om de solvabiliteit van kredietinstellingen binnen een groep te waarborgen, is het van essentieel belang dat bij de minimumkapitaalvereisten wordt uitgegaan van de geconsolideerde financiële positie van de groep. Om te waarborgen dat het eigen vermogen op de juiste wijze binnen de groep wordt verdeeld en waar nodig kan worden ingezet voor de bescherming van spaargelden, dienen de minimumkapitaalvereisten te gelden voor de afzonderlijke kredietinstellingen binnen een groep, tenzij dit doel op een andere, effectieve wijze kan worden gerealiseerd.
De fundamentele regels voor de bewaking van grote posities van kredietinstellingen dienen te worden geharmoniseerd. De lidstaten dienen over de mogelijkheid te beschikken om stringentere regels vast te stellen dan in deze richtlijn zijn voorgeschreven.
De bewaking en beheersing van de posten van kredietinstellingen dient een integrerend deel van het bedrijfseconomisch toezicht op deze instellingen te vormen. Een overmatige concentratie van risico's bij één cliënt of groep van verbonden cliënten kan derhalve tot een onaanvaardbaar verlies leiden. Een dergelijke situatie kan worden geacht nadelig te zijn voor de solvabiliteit van een kredietinstelling.
Aangezien de kredietinstellingen op de interne markt rechtstreeks met elkaar concurreren, moeten de eisen inzake de bewaking in de gehele Gemeenschap gelijkwaardig zijn.
Het is weliswaar aangewezen om in het kader van de beperking van grote posities de definitie van „positie” te baseren op die welke wordt gebruikt in het kader van de minimumkapitaalvereisten voor het kredietrisico, maar past het niet te verwijzen naar de wegingsfactoren of naar de risicograden. Deze wegingsfactoren en risicograden zijn immers opgezet met het oog op de vaststelling van een algemeen solvabiliteitsvereiste ter dekking van het kredietrisico van kredietinstellingen. Om het maximumverlies te beperken dat een kredietinstelling op een cliënt of een groep van verbonden cliënten mag lijden, moeten regels voor de bepaling van grote posities worden vastgesteld waarbij de posities tegen hun nominale waarde worden opgenomen, zonder toepassing van wegingsfactoren of risicograden.
Het is weliswaar wenselijk om, in afwachting van een verdere aanpassing van de bepalingen inzake grote posities, de effecten van kredietrisicolimitering op vergelijkbare wijze in aanmerking te nemen als in het kader van de minimumkapitaalvereisten en zo de berekeningsvereisten te beperken, maar daarbij moet worden bedacht dat de voorschriften voor kredietrisicolimitering bedoeld zijn voor een algemeen gespreid kredietrisico dat voortvloeit uit vorderingen op een groot aantal tegenpartijen. Derhalve zouden in het kader van de beperking van grote posities met de bedoeling het maximumverlies te beperken dat een kredietinstelling op een cliënt of een groep van verbonden cliënten mag lijden, de effecten van dergelijke technieken alleen in aanmerking mogen worden genomen als ze onderworpen zijn aan prudentiële voorzorgsmaatregelen.
Wanneer een kredietinstelling posities inneemt ten opzichte van haar eigen moederonderneming of andere dochterondernemingen van deze moederonderneming, is bijzondere voorzichtigheid geboden. Het beheer van de door de kredietinstellingen ingenomen posities moet volledig zelfstandig worden gevoerd, met inachtneming van de beginselen van een gezonde bedrijfsvoering in het bankbedrijf, en los van elke andere overweging. Ingeval de invloed die wordt uitgeoefend door de personen die rechtstreeks of onrechtstreeks een gekwalificeerde deelneming in een kredietinstelling hebben, een gezonde en voorzichtige bedrijfsvoering van de instelling kan belemmeren, dienen de bevoegde autoriteiten de passende maatregelen te treffen om aan deze toestand een einde te maken. Op het gebied van grote posities dient tevens in specifieke, eventueel strengere voorschriften te worden voorzien ten aanzien van de door een kredietinstelling ingenomen posities ten opzichte van ondernemingen van de eigen groep. Dergelijke normen behoeven echter niet te worden toegepast wanneer de moederonderneming een financiële holding of een kredietinstelling is, of de andere dochterondernemingen kredietinstellingen, financiële instellingen, of ondernemingen die nevenactiviteiten verrichten, zijn, mits al deze ondernemingen onder het toezicht op geconsolideerde basis op de kredietinstelling vallen.
Kredietinstellingen moeten ervoor zorgen dat ze een eigen vermogen hebben dat wat hoeveelheid, kwaliteit en verdeling betreft is afgestemd op de risico's waaraan ze blootgesteld zijn of kunnen worden. Derhalve moeten ze beschikken over strategieën en procedures om de toereikendheid van hun eigen vermogen te beoordelen en dit vermogen op peil te houden.
De bevoegde autoriteiten moeten zich ervan overtuigen dat de organisatie en het eigen vermogen van kredietinstellingen zijn afgestemd op de risico's waaraan deze blootgesteld zijn of kunnen worden.
Met het oog op een effectieve werking van de interne bankmarkt moet het Comité van Europese bankentoezichthouders er mede zorgen dat de onderhavige richtlijn in de gehele Gemeenschap consistent wordt toegepast en dat op dit niveau de toezichtpraktijken naar elkaar toegroeien, en jaarlijks aan de instellingen van de Gemeenschap verslag uitbrengen over de geboekte vooruitgang.
Om diezelfde reden en ook om ervoor te zorgen dat de communautaire kredietinstellingen die in meer dan een lidstaat actief zijn, niet onevenredig zwaar worden belast doordat de autoriteiten die belast zijn met de verlening van vergunningen en met de uitoefening van toezicht, hun taken op nationaal niveau blijven uitvoeren, is het van essentieel belang dat de samenwerking tussen deze autoriteiten sterk wordt geïntensiveerd. In dit verband moet de rol van de consoliderende toezichthouder worden versterkt. Het Comité van Europese bankentoezichthouders moet ervoor zorgen dat een dergelijke samenwerking duidelijker gestalte krijgt.
Het toezicht op de kredietinstellingen op geconsolideerde basis heeft met name de belangen van de inleggers van kredietinstellingen te beschermen en de stabiliteit van het financiële stelsel te waarborgen.
Het toezicht op geconsolideerde basis moet, om doeltreffend te zijn, kunnen worden toegepast op alle bankgroepen, met inbegrip van die waarvan de moederonderneming geen kredietinstelling is. De bevoegde autoriteiten moeten de nodige juridische instrumenten krijgen om een dergelijk toezicht te kunnen uitoefenen.
Voor groepen met gespreide activiteiten waarvan de moederonderneming de zeggenschap heeft over ten minste één dochteronderneming die een kredietinstelling is, moeten de bevoegde autoriteiten in staat zijn de financiële situatie van de kredietinstelling in het groepsverband te beoordelen. De bevoegde autoriteiten moeten ten minste beschikken over middelen om van alle ondernemingen van de groep de gegevens te verkrijgen die nodig zijn om hun taak te kunnen uitoefenen. Voor groepen van ondernemingen die uiteenlopende financiële activiteiten uitoefenen, moet tussen de voor het toezicht op de verschillende financiële sectoren verantwoordelijke autoriteiten een vorm van samenwerking worden ingesteld. De lidstaten moeten, tot een latere coördinatie, de nodige consolidatiemethoden kunnen voorschrijven met het oog op verwezenlijking van de doelstelling van de onderhavige richtlijn.
De lidstaten moeten een bankvergunning kunnen weigeren of intrekken in het geval van bepaalde groepsstructuren die zij voor het uitoefenen van bankactiviteiten ongeschikt achten, met name omdat op deze activiteiten onvoldoende toezicht kan worden uitgeoefend. De bevoegde autoriteiten moeten ten dezen over de nodige bevoegdheden beschikken om een gezonde en prudente bedrijfsvoering van de kredietinstellingen te waarborgen.
Om de effectiviteit van de interne bankmarkt te vergroten en de burgers van de Gemeenschap voldoende transparantie te bieden, is het noodzakelijk dat de bevoegde autoriteiten publiekelijk bekendmaken hoe zij deze richtlijn ten uitvoer hebben gelegd. Dit dient zodanig te geschieden dat een zinvolle vergelijking mogelijk wordt.
Om de marktdiscipline te versterken en kredietinstellingen aan te moedigen hun marktstrategie en de organisatie van hun risicobeheersing en interne beheer te verbeteren, is het tevens aangewezen dat in een adequate informatieverstrekking door de kredietinstellingen wordt voorzien.
Het onderzoek van de problemen die zich voordoen op de gebieden die door de onderhavige richtlijn en door andere, eveneens de werkzaamheden van kredietinstellingen betreffende richtlijnen worden bestreken, in het bijzonder met het oog op een nadere coördinatie, vereist de samenwerking van de bevoegde autoriteiten en van de Commissie.
De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(11).
Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 5 februari 2002 over de tenuitvoerlegging van de financiële-dienstenwetgeving(12) de wens uitgesproken dat de Raad en het Europees Parlement in gelijke mate worden betrokken bij de controle op de wijze waarop de Commissie zich van haar uitvoerende bevoegdheden kwijt, teneinde de wetgevingsbevoegdheden van het Europees Parlement uit hoofde van artikel 251 van het Verdrag tot gelding te laten komen. De voorzitter van de Commissie heeft dit verzoek gesteund in een plechtige verklaring die hij op dezelfde dag ten overstaan van het Parlement heeft afgelegd. Op 11 december 2002 heeft de Commissie amendementen voorgesteld op Besluit 1999/468/EG, en vervolgens een geamendeerd voorstel ingediend op 22 april 2004. Het Europees Parlement is van mening dat zijn wetgevingsprerogatieven in dit voorstel niet worden gegarandeerd. Het Europees Parlement is van opvatting dat het Europees Parlement en de Raad de kans zouden moeten hebben de toekenning van uitvoerende bevoegdheden aan de Commissie binnen een bepaalde termijn te evalueren. Derhalve is het wenselijk de termijn te beperken gedurende welke de Commissie uitvoeringsmaatregelen kan aannemen.
Het Parlement dient vanaf de datum van de eerste indiening van ontwerpamendementen en -uitvoeringsmaatregelen drie maanden de tijd te krijgen om deze te bestuderen en advies uit te brengen. In dringende en naar behoren gemotiveerde gevallen moet deze termijn echter ingekort kunnen worden. Indien het Europees Parlement binnen die termijn een resolutie aanneemt, moet de Commissie de ontwerpamendementen of -maatregelen opnieuw onderzoeken.
Om marktverstoring te voorkomen en ervoor te zorgen dat het totale eigen vermogen op peil blijft, moeten specifieke overgangsregelingen worden getroffen.
Gezien de risicogevoeligheid van de voorschriften voor de minimumkapitaalvereisten moet regelmatig worden nagegaan of deze van grote invloed zijn op de conjuncturele cyclus. De Commissie dient, rekening houdende met het standpunt van de Europese Centrale Bank, over deze aspecten verslag uit te brengen aan het Europees Parlement en de Raad.
Eveneens dient de harmonisatie van de nodige instrumenten voor het toezicht op liquiditeitsrisico's ter hand te worden genomen.
Deze richtlijn is opgesteld met inachtneming van de grondrechten en van de beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als algemene beginselen van het Gemeenschapsrecht zijn erkend.
De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijnen materieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de vorige richtlijnen.
Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage XIII, deel B, genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,
HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
TITEL I ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES
Artikel 1
Artikel 39 en titel V, hoofdstuk 4, afdeling 1 zijn van toepassing op financiële en op gemengde holdings die hun zetel in de Gemeenschap hebben.
Met uitzondering van de centrale banken van de lidstaten worden de instellingen die bij artikel 2 permanent zijn uitgesloten, voor de toepassing van artikel 39 en titel V, hoofdstuk 4, afdeling 1 als financiële instellingen behandeld.
Artikel 2
Deze richtlijn heeft geen betrekking op de werkzaamheden van:
-
de centrale banken der lidstaten;
-
de postcheque- en girodiensten;
-
in België, het „Herdiscontering- en Waarborginstituut/Institut de Réescompte et de Garantie”;
-
in Denemarken, het „Dansk Eksportfinansieringsfond”, het „Danmarks Skibskredit A/S” en het „KommuneKredit”;
-
in Duitsland, de „Kreditanstalt für Wiederaufbau”, instellingen die op grond van de „Wohnungsgemeinnützigkeitsgesetz” erkend zijn als organen ter uitvoering van het woningbouwbeleid van de centrale overheid en niet overwegend banktransacties verrichten, alsmede instellingen die op grond van deze wet erkend zijn als woningbouwverenigingen van algemeen nut;
-
in Griekenland, de „Ταμείο Παρακαταθηκών και Δανείων” (Tamio Parakatathikon kai Danion);
-
in Spanje, het „Instituto de Crédito Oficial”;
-
in Frankrijk, de „Caisse des dépôts et consignations”;
-
in Ierland, de „credit unions” en de „friendly societies”;
-
in Italië, de „Cassa Depositi e Prestiti”;
-
in Letland, de „krājaizdevu sabiedrības”, ondernemingen die op grond van de „krājaizdevu sabiedrības likums” erkend zijn als coöperatieve ondernemingen die alleen aan hun leden financiële diensten verlenen;
-
in Litouwen, de „kredito unijos”, behalve de „Centrinė kredito uniją”;
-
in Hongarije, de „Magyar Fejlesztési Bank Rt.” en de „Magyar Export-Import Bank Rt.”;
-
in Nederland, de „Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden NV”, de „NV Noordelijke Ontwikkelingsmaatschappij”, de „NV Industriebank Limburgs Instituut voor Ontwikkeling en Financiering” en de „Overijsselse Ontwikkelingsmaatschappij NV”;
-
in Oostenrijk, ondernemingen die zijn erkend als bouwvereniging van algemeen nut en de „Österreichische Kontrollbank AG”;
-
in Polen, de „Spółdzielcze Kasy Oszczędnościowo- Kreditowe” en de „Bank Gospodarstwa Krajowego”;
-
in Portugal, de op 1 januari 1986 bestaande „Caixas Económicas” met uitzondering van die gedeelten die naamloze vennootschap zijn en de „Caixa Económica Montepio Geral”;
-
in Finland, „Teollisen yhteistyön rahasto Oy/Fonden för industriellt samarbete Ab” en „Finnvera Oyi/Finnvera Abp”;
-
in Zweden, de „Svenska Skeppshypotekskassan”;
-
in het Verenigd Koninkrijk, de „National Savings Bank”, de „Commonwealth Development Finance Company Ltd”, de „Agricultural Mortgage Corporation Ltd”, de „Scottish Agricultural Securities Corporation Ltd”, de „Crown Agents for overseas governments and administrations”, de „credit unions” en de „municipal banks”.
Artikel 3
Een of meer op 15 december 1977 in eenzelfde lidstaat bestaande kredietinstellingen die op dat tijdstip blijvend waren aangesloten bij een in diezelfde lidstaat gevestigd centraal orgaan dat op die kredietinstellingen toezicht uitoefent, kunnen van de vereisten in artikel 7 en in artikel 11, lid 1, worden vrijgesteld, mits uiterlijk op 15 december 1979 de nationale wetgeving erin heeft voorzien dat:
-
de verplichtingen van het centrale orgaan en die van de aangesloten instellingen solidaire verplichtingen zijn, of dat de verplichtingen van de aangesloten instellingen volledig door het centrale orgaan worden gewaarborgd;
-
de solvabiliteit en de liquiditeit van het centrale orgaan en van alle aangesloten instellingen op basis van geconsolideerde rekeningen globaal worden bewaakt; en
-
de leiding van het centrale orgaan bevoegd is instructies te geven aan de leiding van de aangesloten instellingen.
Bij een centraal orgaan als bedoeld in de eerste alinea na 15 december 1977 blijvend aangesloten kredietinstellingen met een plaatselijk werkterrein kunnen onder de in de eerste alinea gestelde voorwaarden vallen als zij een normale uitbreiding vormen van het net dat onder dit centrale orgaan ressorteert.
Voorzover het gaat om andere kredietinstellingen dan die welke worden opgericht in nieuw ingepolderde gebieden, respectievelijk zijn voortgekomen uit fusie of afsplitsing van bestaande, onder het centrale orgaan ressorterende instellingen, kan de Commissie volgens de procedure van artikel 151, lid 2, aanvullende regels vaststellen voor de toepassing van het bepaalde in de tweede alinea, zulks met inbegrip van de opheffing van de in de eerste alinea bedoelde vrijstellingen, wanneer zij oordeelt dat aansluiting van nieuwe instellingen volgens de in de tweede alinea vermelde regeling de concurrentie negatief kan beïnvloeden.
Kredietinstellingen als bedoeld in lid 1, eerste alinea, kunnen van toepassing van de artikelen 9 en 10 en van titel V, hoofdstuk 2, afdelingen 2, 3, 4, 5 en 6, en hoofdstuk 3 worden vrijgesteld, mits, onverminderd de toepassing van deze richtlijn op het centraal orgaan, het geheel dat door het centraal orgaan en de aangesloten instellingen wordt gevormd, op geconsolideerde basis aan genoemde voorschriften is onderworpen.
In geval van vrijstelling zijn op het geheel dat door het centraal orgaan en de aangesloten instellingen wordt gevormd, de artikelen 16, 23, 24 en 25, artikel 26, leden 1 tot en met 3 en de artikelen 28 tot en met 37 van toepassing.