Home

Verordening (EG) n r. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008 tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (Voor de EER relevante tekst)

Verordening (EG) n r. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008 tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 95,

Gelet op Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie(1), en met name op artikel 4, lid 4, artikel 5, lid 3, en artikel 8,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Verordening (EG) nr. 715/2007 is een van de bijzondere regelgevingsbesluiten in het kader van de EG-typegoedkeuringsprocedure die is vastgesteld bij Richtlijn 70/156/EEG van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan(2).

  2. Verordening (EG) nr. 715/2007 legt nieuwe emissiegrenswaarden op voor nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen en bevat aanvullende voorschriften inzake de toegang tot informatie. De technische voorschriften worden in twee fasen van kracht, namelijk Euro 5 vanaf 1 september 2009 en Euro 6 vanaf 1 september 2014. De specifieke technische bepalingen die nodig zijn om die verordening ten uitvoer te leggen, moeten worden vastgesteld. Daarom worden bij deze verordening de voorschriften vastgesteld die nodig zijn voor de typegoedkeuring van voertuigen met de Euro 5- en de Euro 6-specificatie.

  3. Artikel 5 van Verordening (EG) nr. 715/2007 bepaalt dat in de uitvoeringswetgeving specifieke technische voorschriften voor de beheersing van voertuigemissies moeten worden opgenomen. Daarom moeten dergelijke voorschriften worden vastgesteld.

  4. Na de vaststelling van de belangrijkste voorschriften voor typegoedkeuring in Verordening (EG) nr. 715/2007 moeten bestuursrechtelijke bepalingen voor EG-typegoedkeuring van lichte bedrijfsvoertuigen worden vastgesteld. Het gaat hierbij onder meer om bepalingen over de overeenstemming van de productie en de overeenstemming tijdens het gebruik teneinde te waarborgen dat de prestaties van productievoertuigen goed blijven.

  5. Overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 715/2007 moeten voorschriften voor typegoedkeuring van vervangingssystemen voor verontreinigingsbeheersing worden vastgesteld om de goede werking ervan te waarborgen.

  6. Overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van Verordening (EG) nr. 715/2007 moeten ook voorschriften worden vastgesteld om de toegankelijkheid van boorddiagnose-informatie (OBD-informatie) en reparatie- en onderhoudsinformatie te waarborgen, zodat onafhankelijke marktdeelnemers toegang hebben tot die informatie.

  7. Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 715/2007 mogen de maatregelen die bij deze verordening worden ingesteld met betrekking tot de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, informatie voor diagnoseapparatuur en de compatibiliteit van vervangingsonderdelen met OBD-systemen in voertuigen, niet beperkt blijven tot emissiegerelateerde componenten of systemen, maar moeten zij betrekking hebben op alle aspecten van een voertuig dat binnen het toepassingsgebied van deze verordening aan typegoedkeuring moet worden onderworpen.

  8. Overeenkomstig artikel 14, lid 2, van Verordening (EG) nr. 715/2007 worden herziene grenswaarden voor deeltjesmassa en nieuwe grenswaarden voor het uitgestoten deeltjesaantal ingevoerd.

  9. De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het technisch comité motorvoertuigen dat is ingesteld bij artikel 40 van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn)(3).

  10. Om eventuele problemen met de uitvoering van punt 2.2 van bijlage XIV te onderzoeken, dat betrekking heeft op de toegang tot informatie over de beveiligingskenmerken van het voertuig, moet een forum worden opgericht. De informatie-uitwisseling in het forum moet het risico van misbruik van de beveiligingsinformatie van voertuigen helpen beperken. Aangezien het gevoelige materie betreft, kan het nodig zijn de gesprekken en bevindingen van het forum vertrouwelijk te behandelen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1 Onderwerp

Deze verordening bevat maatregelen ter uitvoering van de artikelen 4, 5 en 8 van Verordening (EG) nr. 715/2007.

Artikel 2 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  1. „voertuigtype wat emissies en reparatie- en onderhoudsinformatie betreft”: een groep voertuigen die onderling niet verschillen op de volgende gebieden:

    1. de gelijkwaardige traagheid, bepaald in verhouding tot de referentiemassa zoals voorgeschreven in punt 5.1 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 83(4);

    2. de motor- en voertuigkenmerken zoals gedefinieerd in aanhangsel 3 van bijlage I;

  2. „EG-typegoedkeuring van een voertuig wat emissies en reparatie- en onderhoudsinformatie betreft”: EG-typegoedkeuring van een voertuig wat uitlaatemissies, carteremissies, verdampingsemissies, brandstofverbruik en de toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft;

  3. „verontreinigende gassen”: de als uitlaatgas uitgestoten koolmonoxide, stikstofoxiden, uitgedrukt in stikstofdioxide(NO2)-equivalent, en koolwaterstoffen, waarbij wordt uitgegaan van een verhouding van:

    1. C1H1,89O0,016 voor benzine (E5);

    2. C1H1,86O0,005 voor diesel (B5);

    3. C1H2,525 voor vloeibaar petroleumgas (LPG);

    4. CH4 voor aardgas (NG) en biomethaan;

    5. C1H2,74O0,385 voor ethanol (E85);

  4. „starthulp”: gloeibougies, wijzigingen van het inspuittijdstip en andere systemen die het starten van de motor vergemakkelijken zonder het lucht-brandstofmengsel te verrijken;

  5. „cilinderinhoud”:

    1. bij motoren met heen-en-weergaande zuigers, het nominale slagvolume van de motor;

    2. bij draaizuigermotoren (Wankel), het nominale slagvolume van de motor vermenigvuldigd met twee;

  6. „periodiek regenererend systeem”: katalysatoren, roetfilters of andere systemen voor verontreinigingsbeheersing die bij normaal gebruik van het voertuig uiterlijk om de 4 000 km een periodiek regeneratieproces vergen;

  7. „origineel vervangingssysteem voor verontreinigingsbeheersing”: een systeem voor verontreinigingsbeheersing of een samenstel van dergelijke systemen waarvan de verschillende typen in aanhangsel 4 van bijlage I bij deze verordening zijn aangegeven, maar die door de houder van de typegoedkeuring van het voertuig als technische eenheid in de handel worden gebracht;

  8. „type systeem voor verontreinigingsbeheersing”: katalysatoren en roetfilters die onderling niet verschillen op de volgende essentiële punten:

    1. aantal substraten, structuur en materiaal;

    2. type activiteit van elk substraat;

    3. volume, verhouding frontaal gebied en substraatlengte;

    4. hoeveelheid katalytisch materiaal;

    5. relatieve concentratie katalytisch materiaal;

    6. celdichtheid;

    7. afmetingen en vorm;

    8. thermische beveiliging;

  9. „monofuelvoertuig”: voertuig dat ontworpen is om in de eerste plaats op één type brandstof rijden;

  10. „monofuelvoertuig op gas”: monofuelvoertuig dat in de eerste plaats op LPG, aardgas/biomethaan of waterstof rijdt, maar dat ook een benzinetank mag hebben voor noodgevallen of alleen voor het starten van de motor, op voorwaarde dat de inhoud van deze tank niet meer dan 15 l bedraagt;

  11. „bifuelvoertuig”: voertuig met twee afzonderlijke brandstofopslagsystemen dat op twee verschillende brandstoffen kan rijden, maar volgens het ontwerp slechts op één brandstof tegelijkertijd;

  12. „bifuelvoertuig op gas”: bifuelvoertuig dat op benzine en ook op LPG, aardgas/biomethaan of waterstof kan rijden;

  13. „flexfuelvoertuig”: voertuig met één brandstofopslagsysteem dat op verschillende mengsels van twee of meer brandstoffen kan rijden;

  14. „flexfuelvoertuig op ethanol”: flexfuelvoertuig dat zowel op benzine als op een mengsel van benzine en ethanol met maximaal 85 % ethanol (E85) kan rijden;

  15. „flexfuelvoertuig op biodiesel”: flexfuelvoertuig dat zowel op minerale diesel als op een mengsel van minerale diesel en biodiesel kan rijden;

  16. „hybride elektrisch voertuig (HEV)”: een voertuig, met inbegrip van voertuigen die uitsluitend voor het opladen van het opslagsysteem voor elektrische energie/vermogen energie ontlenen aan een verbruikbare brandstof, dat voor zijn mechanische aandrijving energie ontleent aan beide volgende, in het voertuig aanwezige bronnen van opgeslagen energie/vermogen:

    1. een verbruikbare brandstof;

    2. een accu, condensator, vliegwiel/generator of een ander opslagsysteem voor elektrische energie/vermogen;

  17. „in goede staat van onderhoud en gebruik”: betekent, in verband met een testvoertuig, dat het voertuig voldoet aan de criteria voor aanvaarding van een geselecteerd voertuig, zoals vastgesteld in punt 2 van aanhangsel 1 van bijlage II;

  18. „systeem voor emissiebeheersing”: betekent, in verband met het OBD-systeem, het elektronische motormanagement en alle emissiegerelateerde onderdelen van het uitlaat- en het verdampingssysteem die ingangssignalen leveren aan of uitgangssignalen ontvangen van het motormanagement;

  19. „storingsindicator (MI)”: optische of akoestische indicator die de bestuurder van het voertuig duidelijk op de hoogte brengt van een storing in een van de emissiegerelateerde onderdelen die op het OBD-systeem zijn aangesloten, of in het OBD-systeem zelf;

  20. „storing”: een fout in een emissiegerelateerd onderdeel of systeem die ertoe kan leiden dat de emissies de grenswaarden van punt 3.3.2 van bijlage XI overschrijden of een situatie waarin het OBD-systeem niet aan de fundamentele bewakingsvoorschriften van bijlage XI kan voldoen;

  21. „secundaire lucht”: lucht die door middel van een pomp, aanzuigklep of ander systeem in het uitlaatsysteem wordt gebracht en die de oxidatie van koolwaterstoffen en CO in de uitlaatgassen moet bevorderen;

  22. „rijcyclus”: betekent, in verband met OBD-systemen van voertuigen, het starten van de motor, gevolgd door een rijtraject waarop een eventuele storing aan het licht zou komen, en het uitschakelen van de motor;

  23. „toegang tot informatie”: het beschikbaar zijn van alle OBD-informatie van het voertuig en reparatie- en onderhoudsinformatie die nodig zijn voor inspectie, diagnose, onderhoud of reparatie van het voertuig;

  24. „gebrek”: betekent, in verband met het OBD-systeem, dat een of twee afzonderlijke onderdelen of systemen die worden bewaakt, tijdelijke of permanente bedrijfskenmerken vertonen die afbreuk doen aan de voor het overige doelmatige OBD-bewaking van die onderdelen of systemen, of niet aan alle andere nader beschreven voorschriften voor OBD-systemen voldoen;

  25. „verslechterd vervangingssysteem voor verontreinigingsbeheersing”: een systeem voor verontreinigingsbeheersing zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 11, van Verordening (EG) nr. 715/2007, dat in zulke mate verouderd of kunstmatig verslechterd is dat het aan de voorschriften in punt 1 van aanhangsel 1 van bijlage XI bij VN/ECE-Reglement nr. 83 voldoet;

  26. „OBD-informatie van het voertuig”: informatie met betrekking tot een boorddiagnosesysteem voor een elektronisch systeem in het voertuig;

  27. „reagens”: elk ander product dan brandstof dat aan boord van het voertuig is opgeslagen en op vraag van het systeem voor emissiebeheersing aan het uitlaatgasnabehandelingssysteem wordt verstrekt;

  28. „massa van het voertuig in rijklare toestand”: de massa zoals beschreven in punt 2.6 van bijlage I bij Richtlijn 2007/46/EG;

  29. „ontstekingsfout”: het niet ontbranden van het mengsel in de cilinder van een elektrische-ontstekingsmotor door het ontbreken van een vonk, gebrekkige brandstofdosering, slechte compressie of andere oorzaken;

  30. „koudstartsysteem of -inrichting”: systeem dat het lucht-brandstofmengsel in de motor tijdelijk verrijkt om het starten te vergemakkelijken;

  31. „krachtafneemoperatie of -inrichting”: een door de motor aangedreven voorziening waarmee in het voertuig gemonteerde hulpapparatuur van energie wordt voorzien;

  32. „kleine fabrikanten”: fabrikanten die wereldwijd minder dan 10 000 voertuigen per jaar produceren;

  33. „elektrische aandrijflijn”: een systeem bestaande uit een of meer opslagsystemen voor elektrische energie, een of meer stroomconditioneringsvoorzieningen en een of meer elektrische machines waarmee opgeslagen elektrische energie wordt omgezet in mechanische energie die naar de wielen gaat voor de aandrijving van het voertuig;

  34. „zuiver elektrisch voertuig”: een voertuig met uitsluitend een elektrische aandrijflijn;

  35. „H2NG-flexfuelvoertuig”: een flexfuelvoertuig dat op verschillende mengsels van waterstof en aardgas/biomethaan kan rijden;

  36. „waterstofcelvoertuig”: een voertuig met een brandstofcel die chemische energie uit waterstof omzet in elektrische energie voor de aandrijving van het voertuig;

  37. „nettovermogen” het vermogen dat op een testbank wordt vastgesteld aan het uiteinde van de krukas of het equivalent ervan bij het overeenkomstige toerental, met hulpapparatuur, getest overeenkomstig bijlage XX (Meting van het nettomotorvermogen alsmede het nettovermogen en het maximumvermogen gedurende 30 minuten van elektrische aandrijvingen) en bepaald onder atmosferische referentieomstandigheden;

  38. „nettomaximumvermogen” de maximumwaarde van het nettovermogen, gemeten bij volle belasting van de motor;

  39. „maximumvermogen gedurende 30 minuten” het maximale nettovermogen, vastgesteld overeenkomstig punt 5.3.2 van VN/ECE-Reglement nr. 85(5), dat een elektrische aandrijving bij gelijkstroomspanning kan leveren;

  40. „koudstart” een motorkoelmiddeltemperatuur (of gelijkwaardige temperatuur) bij het starten van de motor van 35 °C of minder en maximaal 7 K hoger dan de omgevingstemperatuur (indien bekend) bij het starten van de motor;

  41. „emissies onder reële rijomstandigheden (RDE)”: de emissies van een voertuig onder normale gebruiksomstandigheden;

  42. „draagbaar emissiemeetsysteem (PEMS)”: draagbaar emissiemeetsysteem dat voldoet aan de voorschriften van aanhangsel 1 van bijlage IIIA.

Artikel 3 Typegoedkeuringsvoorschriften

1.

Om EG-typegoedkeuring te verkrijgen wat emissies en reparatie- en onderhoudsinformatie betreft, toont de fabrikant aan dat de voertuigen aan de testprocedures in de bijlagen III tot en met VIII, X tot en met XII, XIV, XVI en XX bij deze verordening voldoen. De fabrikant waarborgt ook de conformiteit met de specificaties van referentiebrandstoffen in bijlage IX bij deze verordening.

2.

Voertuigen worden onderworpen aan de tests in figuur I.2.4 van bijlage I.

3.

Als alternatief voor de voorschriften van de bijlagen II, III, V tot en met XI en XVI kunnen kleine fabrikanten EG-typegoedkeuring aanvragen voor een voertuigtype dat door een instantie van een derde land werd goedgekeurd op basis van de wetgevingsbesluiten in punt 2.1 van bijlage I.

De emissietests met het oog op de technische controle van bijlage IV, de tests van het brandstofverbruik en de CO2-emissies van bijlage XII en de voorschriften voor de toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie van bijlage XIV blijven vereist om uit hoofde van dit punt EG-typegoedkeuring te verkrijgen wat emissies en reparatie- en onderhoudsinformatie betreft.

De goedkeuringsinstantie stelt de Commissie in kennis van de omstandigheden van elke typegoedkeuring die uit hoofde van dit punt is verleend.

4.

In de punten 2.2 en 2.3 van bijlage I zijn specifieke voorschriften voor brandstoftankinlaten en elektronische systeembeveiliging opgenomen.

5.

De fabrikant neemt technische maatregelen om ervoor te zorgen dat de uitlaat- en verdampingsemissies overeenkomstig deze verordening gedurende de normale levensduur van het voertuig en onder normale gebruiksomstandigheden effectief worden beperkt.

Deze maatregelen houden onder meer in dat de in de systemen voor emissiebeheersing gebruikte slangen, dichtingen en koppelstukken zodanig zijn ontworpen dat zij overeenstemmen met de doelstellingen van het originele ontwerp.

6.

De fabrikant zorgt ervoor dat de resultaten van de emissietest aan de toepasselijke grenswaarde voldoen onder de in deze verordening gespecificeerde testomstandigheden.

7.

Voor de in aanhangsel 1 van bijlage IV beschreven test van type 2, bij normaal stationair motortoerental, is het maximaal toelaatbare koolmonoxidegehalte van de uitlaatgassen zoals opgegeven door de voertuigfabrikant. Het mag echter niet meer dan 0,3 vol. % bedragen.

Bij hoog stationair motortoerental mag het koolmonoxidegehalte van de uitlaatgassen niet meer dan 0,2 vol. % bedragen, waarbij het toerental ten minste 2 000 min-1 bedraagt en Lambda gelijk is aan 1 ± 0,03 of in overeenstemming is met de fabrieksopgave.

8.

Voor de in bijlage V beschreven test van type 3 zorgt de fabrikant ervoor dat het ventilatiesysteem van de motor geen cartergassen in de atmosfeer laat ontsnappen.

9.

De in bijlage VIII beschreven test van type 6 om emissies bij lage temperatuur te meten, is niet van toepassing op dieselvoertuigen.

Bij de aanvraag voor typegoedkeuring verstrekken de fabrikanten de goedkeuringsinstantie echter informatie waaruit blijkt dat het NOx-nabehandelingssysteem binnen 400 seconden na een koude start bij – 7 °C een voldoende hoge temperatuur bereikt om efficiënt te werken, zoals beschreven in de test van type 6.

De fabrikant verstrekt de goedkeuringsinstantie bovendien informatie over de werkingsstrategie van het uitlaatgasrecirculatiesysteem (EGR), inclusief de werking bij lage temperatuur.

Deze informatie moet een beschrijving van de eventuele effecten op de emissies bevatten.

De goedkeuringsinstantie verleent geen typegoedkeuring als uit de informatie onvoldoende blijkt dat het nabehandelingssysteem binnen de vooropgestelde tijd inderdaad een voldoende hoge temperatuur bereikt om efficiënt te werken.

Op verzoek van de Commissie verstrekt de goedkeuringsinstantie informatie over de prestaties van NOx-nabehandelingssystemen en het EGR-systeem bij lage temperatuur.

10.

De fabrikant zorgt ervoor dat, tijdens de normale levensduur van een voertuig waarvoor typegoedkeuring is verleend overeenkomstig Verordening (EG) nr. 715/2007, de emissies zoals bepaald overeenkomstig de voorschriften van bijlage IIIA bij deze verordening en uitgestoten tijdens een RDE-test die overeenkomstig die bijlage is verricht, de daarin vastgelegde waarden niet overschrijden.

Een typegoedkeuring in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 715/2007 mag slechts worden afgegeven indien het voertuig deel uitmaakt van een gevalideerde PEMS-testfamilie overeenkomstig aanhangsel 7 van bijlage IIIA.

Tot de vaststelling van de specifieke waarden voor de parameters CFpollutant in de tabel van punt 2.1 van bijlage IIIA bij deze verordening, gelden de volgende bepalingen:

  1. de voorschriften van punt 2.1 van bijlage IIIA bij deze verordening zijn pas van toepassing na de vaststelling van de specifieke waarden voor de parameters CFpollutant in de tabel van punt 2.1 van bijlage IIIA bij deze verordening;

  2. de andere voorschriften van bijlage IIIA, in het bijzonder met betrekking tot RDE-tests die moeten worden uitgevoerd en de gegevens die moeten worden geregistreerd en ter beschikking gesteld, zijn alleen van toepassing op nieuwe typegoedkeuringen krachtens Verordening (EG) nr. 715/2007, afgegeven na de twintigste dag na die van de bekendmaking van bijlage IIIA in het Publicatieblad van de Europese Unie;

  3. de voorschriften van bijlage IIIA zijn niet van toepassing op typegoedkeuringen verleend aan kleine fabrikanten zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 32, van deze verordening;

  4. wanneer slechts volgens één van twee in de aanhangsels 5 en 6 van bijlage IIIA beschreven gegevensevaluatiemethoden aan de voorschriften van die aanhangsels wordt voldaan, worden de volgende procedures gevolgd:

    1. er wordt één extra RDE-test uitgevoerd;

    2. indien opnieuw slechts volgens één methode aan die voorschriften wordt voldaan, wordt de analyse van de volledigheid en de normaliteit geregistreerd voor beide methoden en kan de in punt 9.3 van bijlage IIIA voorgeschreven berekening worden beperkt tot de methode waarvoor aan de volledigheids- en normaliteitsvereisten is voldaan.

    De gegevens van beide RDE-tests en van de analyse van de volledigheid en de normaliteit worden geregistreerd en beschikbaar gesteld om het verschil tussen de resultaten van de twee gegevensevaluatiemethoden te onderzoeken;

  5. het vermogen aan de wielen van het testvoertuig wordt bepaald hetzij door koppelmeting aan de wielnaaf, hetzij door meting van het CO2-massadebiet met behulp van „Velines” overeenkomstig punt 4 van aanhangsel 6 van bijlage IIIA.

Artikel 4 Voorschriften voor typegoedkeuring wat het OBD-systeem betreft

1.

De fabrikant zorgt ervoor dat alle voertuigen met een OBD-systeem zijn uitgerust.

2.

Het OBD-systeem is zo ontworpen, geconstrueerd en in het voertuig geïnstalleerd dat het tijdens de hele levensduur van het voertuig typen van verslechteringen of storingen kan identificeren.

3.

Het OBD-systeem voldoet onder normale gebruiksomstandigheden aan de voorschriften van deze verordening.

4.

Wanneer het overeenkomstig aanhangsel 1 van bijlage XI met een defect onderdeel wordt getest, wordt de storingsindicator van het OBD-systeem geactiveerd.

De storingsindicator van het OBD-systeem kan tijdens deze test ook actief worden bij emissieniveaus onder de in bijlage XI bepaalde OBD-drempelwaarden.

5.

De fabrikant zorgt ervoor dat het OBD-systeem onder alle redelijkerwijs te verwachten rijomstandigheden aan de prestatievoorschriften tijdens het gebruik in punt 3 van aanhangsel 1 van bijlage XI bij deze verordening voldoet.

6.

Gegevens over de prestaties tijdens het gebruik die overeenkomstig punt 3.6 van aanhangsel 1 van bijlage XI door een OBD-systeem van het voertuig moeten worden opgeslagen en gerapporteerd, worden door de fabrikant ongecodeerd ter beschikking gesteld van nationale autoriteiten en onafhankelijke marktdeelnemers.

Artikel 5 Aanvraag voor EG-typegoedkeuring van een voertuig wat emissies en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft

Artikel 6 Bestuursrechtelijke bepalingen voor EG-typegoedkeuring van een voertuig wat emissies en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft

Artikel 7 Wijzigingen van typegoedkeuringen

Artikel 8 Overeenstemming van de productie

Artikel 9 Overeenstemming tijdens het gebruik

Artikel 10 Systemen voor verontreinigingsbeheersing

Artikel 11 Aanvraag voor EG-typegoedkeuring van een type vervangingssysteem voor verontreinigingsbeheersing als technische eenheid

Artikel 12 Bestuursrechtelijke bepalingen voor de EG-typegoedkeuring van een vervangingssysteem voor verontreinigingsbeheersing als technische eenheid

Artikel 13 Toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie

Artikel 14 Naleving van de verplichtingen in verband met de toegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie

Artikel 15 Bijzondere voorschriften betreffende typegoedkeuringsinformatie

Artikel 16 Wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007

Artikel 17 Inwerkingtreding

LIJST VAN BIJLAGEN

BIJLAGE IADMINISTRATIEVE BEPALINGEN VOOR EG-TYPEGOEDKEURING

Aanhangsel 1Controle van de overeenstemming van de productie — Eerste statistische methode
Aanhangsel 2Controle van de overeenstemming van de productie — Tweede statistische methode
Aanhangsel 3MODELINLICHTINGENFORMULIER Nr. …
Aanhangsel van het inlichtingenformulierINFORMATIE OVER DE TESTOMSTANDIGHEDEN
Aanhangsel 4MODEL VAN HET EG-TYPEGOEDKEURINGSCERTIFICAAT(maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))EG-TYPEGOEDKEURINGSCERTIFICAAT
Addendum bij EG-typegoedkeuringscertificaat nr. …betreffende de typegoedkeuring van een voertuig wat emissies en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft krachtens Verordening (EG) nr. 715/2007
Aanhangsel 5OBD-informatie van het voertuig
Aanhangsel 6Nummeringssysteem EG-typegoedkeuringscertificaten
Aanhangsel 7

BIJLAGE II

Aanhangsel 1
Aanhangsel 2
Aanhangsel 3

BIJLAGE IIICONTROLE VAN DE GEMIDDELDE UITLAATEMISSIE BIJ OMGEVINGSOMSTANDIGHEDEN(TEST VAN TYPE 1)

BIJLAGE IIIA

Aanhangsel 1
Aanhangsel 2
Aanhangsel 3
Aanhangsel 4
Aanhangsel 5
Aanhangsel 6
Aanhangsel 7
Aanhangsel 8
Aanhangsel 9

BIJLAGE IVEMISSIEGEGEVENS DIE BIJ DE TYPEGOEDKEURING VEREIST ZIJN IN VERBAND MET DE TECHNISCHE CONTROLE VAN VOERTUIGEN

Aanhangsel 1METEN VAN DE KOOLMONOXIDE-EMISSIE BIJ STATIONAIR DRAAIEN(TEST VAN TYPE 2)
Aanhangsel 2METING VAN DE ROOKOPACITEIT

BIJLAGE VCONTROLE VAN DE CARTERGASEMISSIES(TEST VAN TYPE 3)

BIJLAGE VIBEPALING VAN DE VERDAMPINGSEMISSIES(TEST VAN TYPE 4)

BIJLAGE VIICONTROLE VAN DE DUURZAAMHEID VAN SYSTEMEN VOOR VERONTREINIGINGSBEHEERSING(TEST VAN TYPE 5)

Aanhangsel 1Gewone testbankcyclus (Standard Bench Cycle, SBC)
Aanhangsel 2Gewone testbankcyclus voor diesel (Standard Diesel Bench Cycle, SDBC)
Aanhangsel 3Gewone wegcyclus (Standard Road Cycle, SRC)

BIJLAGE VIIICONTROLE VAN DE GEMIDDELDE UITLAATEMISSIES BIJ LAGE OMGEVINGSTEMPERATUREN(TEST VAN TYPE 6)

BIJLAGE IXSPECIFICATIES VAN REFERENTIEBRANDSTOFFEN

BIJLAGE XPROCEDURE VOOR DE EMISSIETESTS VAN HYBRIDE ELEKTRISCHE VOERTUIGEN (HEV)

BIJLAGE XIBOORDDIAGNOSESYSTEMEN (OBD-SYSTEMEN) VOOR MOTORVOERTUIGEN

Aanhangsel 1FUNCTIONELE ASPECTEN VAN OBD-SYSTEMEN
Aanhangsel 2ESSENTIËLE KENMERKEN VAN DE VOERTUIGFAMILIE

BIJLAGE XIIBEPALING VAN DE CO2-EMISSIES EN HET BRANDSTOFVERBRUIK, ELEKTRICITEITSVERBRUIK EN ELEKTRISCH BEREIK

BIJLAGE XIIIEG-TYPEGOEDKEURING VAN VERVANGINGSSYSTEMEN VOOR VERONTREINIGINGSBEHEERSING ALS TECHNISCHE EENHEID

Aanhangsel 1MODELInlichtingenformulier nr. …betreffende de EG-typegoedkeuring van vervangingssystemen voor verontreinigingsbeheersing
Aanhangsel 2MODEL VAN HET EG-TYPEGOEDKEURINGSCERTIFICAAT(maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))EG-TYPEGOEDKEURINGSCERTIFICAAT
Aanhangsel 3Voorbeeld van het EG-typegoedkeuringsmerk(zie punt 5.2 van deze bijlage)

BIJLAGE XIVToegang tot OBD-informatie van het voertuig en tot reparatie- en onderhoudsinformatie

Aanhangsel 1

BIJLAGE XVOVEREENSTEMMING TIJDENS HET GEBRUIK VAN VOERTUIGEN WAARVOOR TYPEGOEDKEURING IS VERLEEND KRACHTENS RICHTLIJN 70/220/EEG

Aanhangsel 1Controle van de overeenstemming tijdens het gebruik
Aanhangsel 2Statistische procedure voor tests van de overeenstemming tijdens het gebruik

BIJLAGE XVIVOORSCHRIFTEN VOOR VOERTUIGEN MET EEN UITLAATGASNABEHANDELINGSSYSTEEM OP BASIS VAN EEN REAGENS

BIJLAGE XVIIWIJZIGINGEN VAN VERORDENING (EG) nr. 715/2007

BIJLAGE XVIIIBIJZONDERE BEPALINGEN BETREFFENDE BIJLAGE I BIJ RICHTLIJN 70/156/EEG VAN DE RAAD

BIJLAGE XIXBIJZONDERE BEPALINGEN BETREFFENDE BIJLAGE III BIJ RICHTLIJN 70/156/EEG VAN DE RAAD

BIJLAGE XX