Bij deze verordening worden specifieke voorschriften vastgesteld voor de biologische productie, de etikettering en de controle van de in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 834/2007 genoemde producten.
Verordening (EG) n r. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft
Verordening (EG) n r. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91(1), en met name op artikel 9, lid 4, artikel 11, tweede alinea, artikel 12, lid 3, artikel 14, lid 2, artikel 16, lid 3, onder c), artikel 17, lid 2, artikel 18, lid 5, artikel 19, lid 3, tweede alinea, artikel 21, lid 2, artikel 22, lid 1, artikel 24, lid 3, artikel 25, lid 3, artikel 26, artikel 28, lid 6, artikel 29, lid 3, artikel 38, onder a), b), c) en e), en artikel 40,
Overwegende hetgeen volgt:
Bij Verordening (EG) nr. 834/2007, en met name in de titels III, IV en V, zijn basisvoorschriften vastgesteld voor de productie, de etikettering en de controle van biologische producten in de plantaardige en in de dierlijke productie. Er moeten bepalingen voor de uitvoering van deze voorschriften worden vastgesteld.
De ontwikkeling op Gemeenschapsniveau van nieuwe, gedetailleerde productievoorschriften voor bepaalde diersoorten, de biologische aquacultuur, zeewier en als levensmiddel of diervoeder gebruikte gist zal meer tijd vergen en moet derhalve in een volgende procedure worden geregeld. Daarom dienen deze producten te worden uitgesloten uit de werkingssfeer van deze verordening. De communautaire productie-, controle- en etiketteringvoorschriften moeten echter wel in overeenstemming met artikel 42 van Verordening (EG) nr. 834/2007 overeenkomstig worden toegepast op bepaalde diersoorten, aquacultuurproducten en zeewier.
Om dubbelzinnigheden te voorkomen en de uniforme toepassing van de voorschriften voor de biologische productie te garanderen, moeten bepaalde definities worden vastgesteld.
De biologische plantaardige productie is gebaseerd op het beginsel dat de planten hun voedsel vooral uit het ecosysteem van de bodem halen. De substraatteelt, waarbij de wortels van de plant zich in een inert groeimedium met oplosbare mineralen en nutriënten bevinden, mag daarom niet worden toegestaan.
Aangezien bij de biologische plantaardige productie uiteenlopende teeltpraktijken worden toegepast met een beperkt gebruik van langzaam oplosbare meststoffen en bodemverbeteringsmiddelen, moeten deze praktijken worden gespecificeerd. Met name moeten voorwaarden voor het gebruik van bepaalde niet-synthetische producten worden vastgesteld.
Het gebruik van pesticiden die kunnen leiden tot milieuschade of tot de aanwezigheid van residuen in landbouwproducten, moet aan banden worden gelegd. Parasieten, ziekten en onkruid moeten bij voorkeur worden bestreden met preventieve maatregelen. Bovendien moet het gebruik van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen aan voorwaarden worden gebonden.
Het gebruik van bepaalde gewasbeschermingsmiddelen, meststoffen, bodemverbeteringsmiddelen, bepaalde niet-biologische voedermiddelen, toevoegingsmiddelen voor diervoeders, technische hulpstoffen voor diervoeders en bepaalde reinigings- en ontsmettingsmiddelen werd op grond van Verordening (EEG) nr. 2092/91(2) onder welomschreven voorwaarden toegestaan. Met het oog op de voortzetting van de biologische landbouw moet het gebruik van de betrokken producten en stoffen overeenkomstig artikel 16, lid 3, onder c), van Verordening (EG) nr. 834/2007 verder worden toegestaan. Bovendien moeten de producten en stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 2092/91 waren toegestaan, omwille van de duidelijkheid worden opgenomen in de bijlagen bij de onderhavige verordening. In de toekomst kunnen producten en stoffen aan deze lijsten worden toegevoegd op basis van een andere rechtsgrond, namelijk artikel 16, lid 1, van Verordening (EG) nr. 834/2007. Daarom dient de verschillende status van elke categorie producten en stoffen aan de hand van een symbool te worden aangegeven in de lijst.
De integrale aanpak in de biologische landbouw impliceert een grondgebonden dierlijke productie en gebruik van de daarvan afkomstige mest in de plantaardige productie. Aangezien de dierhouderij hand in hand gaat met beheer van de landbouwgrond, moet niet-grondgebonden dierlijke productie worden verboden. In de biologische dierhouderij moet niet alleen het vermogen van de dieren om zich aan de plaatselijke omstandigheden aan te passen, hun levenskracht en hun ziektebestendigheid in aanmerking worden genomen bij de keuze van de rassen, maar moet tevens een ruime biologische diversiteit worden nagestreefd.
Het feit dat de marktdeelnemers soms problemen hebben om biologisch gehouden fokdieren uit een beperkt genenbestand te vinden, belemmert de ontwikkeling van de sector. Daarom moet de mogelijkheid worden geboden om een beperkt aantal niet-biologisch gehouden dieren voor fokdoeleinden op het landbouwbedrijf binnen te brengen.
De biologische dierhouderij moet ervoor zorgen dat aan de ethologische behoeften van de dieren wordt voldaan. In dit verband dient de huisvesting van alle diersoorten te voorzien in de behoefte van de dieren aan ventilatie, licht, ruimte en comfort, en moet elk dier over een voldoende oppervlakte beschikken om een ruime bewegingsvrijheid te genieten en zijn natuurlijke sociale gedrag te ontwikkelen. Voor bepaalde dieren, onder meer bijen, moeten huisvestingsvoorschriften en houderijpraktijken worden vastgesteld. Deze huisvestingsvoorschriften moeten een hoog niveau van dierenwelzijn — een prioriteit in de biologische dierhouderij — garanderen en mogen daarom verder gaan dan de communautaire dierenwelzijnsnormen die voor de landbouw in het algemeen gelden. Biologische dierhouderijpraktijken moeten gericht zijn tegen een te snelle opfok van pluimvee. Daarom moeten bepalingen ter voorkoming van intensieve teeltmethoden worden vastgesteld. Om het gebruik van intensieve teeltmethoden te ontraden, moet worden bepaald dat biologisch gehouden pluimvee bij de slacht een bepaalde minimumleeftijd moet hebben of dat het moet behoren tot traaggroeiende rassen.
In de meeste gevallen moeten de biologisch gehouden dieren, zodra de weersomstandigheden dit toelaten, toegang hebben tot een plaats waar zij in de open lucht kunnen grazen en deze openluchtruimten moeten in beginsel worden beheerd volgens een adequaat rotatieschema.
Om te voorkomen dat nutriënten natuurlijke hulpbronnen als grond en water verontreinigen, moet een maximumgrens voor het gebruik van dierlijke mest per hectare en de veebezetting per hectare worden vastgesteld. Deze maximumgrens moet gerelateerd zijn aan het stikstofgehalte van de mest.
Verminkingen die bij de dieren stress, schade, ziekte of lijden in de hand werken, moeten worden verboden. Handelingen die essentieel zijn voor bepaalde productietakken en voor de veiligheid van mens en dier, mogen evenwel onder strikte voorwaarden worden toegestaan.
De dieren moeten, rekening houdend met hun fysiologische behoeften, worden gevoederd met overeenkomstig de voorschriften voor de biologische landbouw geproduceerde grassen, voedergewassen en diervoeders. Bovendien kan het nodig zijn om onder welomschreven voorwaarden bepaalde mineralen, spoorelementen en vitamines bij te voederen om aan de basisvoedingsbehoeften van de dieren te voldoen.
Aangezien de capaciteit van biologisch gehouden herkauwers om de nodige essentiële vitaminen A, D en E uit hun voederrantsoen te halen vanwege de klimatologische omstandigheden en de beschikbare voedselbronnen verschilt van gebied tot gebied en deze verschillen naar verwachting zullen blijven bestaan, moet het gebruik van dergelijke vitaminen bij herkauwers worden toegestaan.
Maatregelen op het gebied van diergezondheid moeten vooral gericht zijn op ziektepreventie. Bovendien moeten reinigings- en ontsmettingsmaatregelen worden toegepast.
Het preventieve gebruik van chemisch gesynthetiseerde, allopathische geneesmiddelen is in de biologische landbouw niet toegestaan. Wanneer een ziek of gewond dier echter onmiddellijk zorg nodig heeft, moet de mogelijkheid worden geboden een strikt noodzakelijke dosis chemisch gesynthetiseerde, allopathische geneesmiddelen toe te dienen. Om de goede naam die de biologische productie bij de consument geniet, te waarborgen, moet het bovendien mogelijk zijn beperkende maatregelen te treffen, zoals verdubbeling van de wachttijd na gebruik van chemisch gesynthetiseerde, allopathische geneesmiddelen.
Er moeten specifieke voorschriften inzake ziektepreventie en diergeneeskundige behandelingen in de bijenteelt worden vastgesteld.
Er moet worden bepaald dat diervoeders of levensmiddelen producerende marktdeelnemers rekening moeten houden met passende procedures die zijn gebaseerd op de systematische identificatie van cruciale verwerkingsfasen, teneinde ervoor te zorgen dat de geproduceerde verwerkte producten voldoen aan de voorschriften voor de biologische productie.
Voor de productie van bepaalde verwerkte biologische diervoeders en levensmiddelen moet worden gebruikgemaakt van niet-biologische producten en stoffen. De harmonisatie van de wijnbouwvoorschriften op communautair niveau zal meer tijd vergen. Daarom moeten de hier bedoelde producten van de wijnbereiding buiten de werkingssfeer van deze verordening worden gehouden totdat in een latere procedure voorschriften in dit verband worden vastgesteld.
Het gebruik van bepaalde ingrediënten van niet-agrarische oorsprong, bepaalde technische hulpstoffen voor levensmiddelen en bepaalde niet-biologische ingrediënten van agrarische oorsprong werd op grond van Verordening (EEG) nr. 2092/91 onder welomschreven voorwaarden toegestaan bij de vervaardiging van verwerkte biologische levensmiddelen. Met het oog op de voortzetting van de biologische landbouw moet het gebruik van de betrokken producten en stoffen overeenkomstig artikel 21, lid 2, van Verordening (EG) nr. 834/2007 verder worden toegestaan. Bovendien moeten de producten en stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 2092/91 waren toegestaan, omwille van de duidelijkheid worden opgenomen in de bijlagen bij de onderhavige verordening. In de toekomst kunnen producten en stoffen aan deze lijsten worden toegevoegd op basis van een andere rechtsgrond, namelijk artikel 21, lid 2, van Verordening (EG) nr. 834/2007. Daarom dient de verschillende status van elke categorie producten en stoffen aan de hand van een symbool te worden aangegeven in de lijst.
In bepaalde omstandigheden kunnen biologische en niet-biologische producten samen worden opgehaald en vervoerd. Er moeten bepalingen worden vastgesteld om de biologische en de niet-biologische producten tijdens de behandeling goed van elkaar te scheiden en vermenging te voorkomen.
De omschakeling naar de biologische productiemethode vergt bepaalde perioden waarin alle gebruikte middelen op deze productiewijze moeten worden afgestemd. Afhankelijk van de vorige productie van het landbouwbedrijf moet in dit verband voor elke productiesector een specifieke periode worden vastgesteld.
Overeenkomstig artikel 22 van Verordening (EG) nr. 834/2007 moeten voorwaarden voor de toepassing van de in dat artikel bedoelde uitzonderingen worden vastgesteld. Dergelijke voorwaarden moeten betrekking hebben op het niet beschikbaar zijn van biologisch gehouden dieren, diervoeders, bijenwas, zaaizaad, pootaardappelen en biologische ingrediënten, op specifieke problemen in verband met het beheer van de dierhouderij en op noodsituaties.
Geografische en structurele verschillen in de landbouw- en klimaatomstandigheden kunnen de ontwikkeling van de biologische productie in bepaalde gebieden belemmeren en maken het daarom noodzakelijk uitzonderingen vast te stellen voor bepaalde praktijken op het gebied van de kenmerken van de gebouwen en installaties voor de dierhouderij. In bedrijven die vanwege hun geografische ligging en hun structurele beperkingen, met name omwille van hun locatie in bergachtige gebieden, kleinschalig zijn, mag het aanbinden van dieren daarom onder welomschreven voorwaarden worden toegestaan, maar enkel wanneer deze dieren niet in aan hun ethologische behoeften aangepaste groepen kunnen worden gehouden.
Om de verdere ontwikkeling van een beginnende biologische dierhouderij te garanderen, zijn op grond van Verordening (EEG) nr. 2092/91 tijdelijke afwijkingen voor het aanbinden en huisvesten van dieren en voor de veebezetting vastgesteld. Om verstoringen in de biologische dierhouderij te voorkomen, moeten deze afwijkingen in een overgangsfase gehandhaafd blijven totdat de termijn voor toepassing ervan is verstreken.
Gezien het belang van bestuiving in de biologische bijenteelt moeten uitzonderingen kunnen worden toegestaan die het mogelijk maken om op één bedrijf eenheden voor zowel biologische als niet-biologische bijenteelt te exploiteren.
Omdat landbouwers zich soms moeilijk kunnen bevoorraden met biologisch gehouden dieren en biologische diervoeders, moet toestemming worden verleend voor het beperkte gebruik van niet-biologisch geproduceerde landbouwproductiemiddelen.
In de biologische productie actieve producenten hebben zich intensief ingezet voor een toename van de productie van biologisch zaaizaad en biologisch vegetatief teeltmateriaal om tot een breed assortiment plantenrassen en plantensoorten te komen waarvoor biologisch zaaizaad en vegetatief teeltmateriaal verkrijgbaar is. Aangezien voor talrijke soorten nog steeds niet genoeg biologisch zaaizaad en biologisch vegetatief teeltmateriaal beschikbaar is, moet in die gevallen het gebruik van niet-biologisch zaaizaad en niet-biologisch vegetatief teeltmateriaal worden toegestaan.
Om de zoektocht van de marktdeelnemers naar biologisch zaaizaad en biologische pootaardappelen te vergemakkelijken, moeten de lidstaten zorgen voor de oprichting van een gegevensbank met de rassen waarvan biologisch zaaizaad en biologische pootaardappelen op de markt beschikbaar zijn.
De zorg voor volwassen mannelijke runderen kan gevaarlijk zijn voor de betrokken marktdeelnemer en voor andere personen die de dieren verzorgen. Daarom moet de mogelijkheid worden geboden uitzonderingen toe te staan tijdens de fase waarin zoogdieren, en met name runderen, worden afgemest.
Noodsituaties of wijdverbreide dier- of plantenziekten kunnen ernstige gevolgen hebben voor de biologische productie in de getroffen gebieden. Om de landbouwactiviteit in die plaatsen te behouden of zelfs nieuw leven in te blazen, moeten passende maatregelen worden getroffen. Daarom moet aan de bedrijven in de getroffen gebieden de mogelijkheid worden geboden om zich gedurende een beperkte periode te bevoorraden met niet-biologisch gehouden dieren of niet-biologische diervoeders.
Overeenkomstig artikel 24, lid 3, en artikel 25, lid 3, van Verordening (EG) nr. 834/2007 moeten specifieke criteria worden vastgesteld voor de presentatie, de samenstelling, de grootte en het ontwerp van het communautair logo, alsmede voor de presentatie en de samenstelling van het codenummer van de controlerende autoriteit of het controleorgaan en van de aanduiding van de plaats waar de agrarische grondstoffen waaruit het product is samengesteld, zijn geteeld.
Overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EG) nr. 834/2004 moeten specifieke voorschriften inzake de etikettering van biologische diervoeders worden vastgesteld, met inachtneming van de soorten en de samenstelling van de diervoeders en de horizontale etiketteringsvoorschriften voor diervoeders.
Ter aanvulling van de controleregeling op basis van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn(3), moeten specifieke controlemaatregelen worden vastgesteld. Met name moet worden voorzien in nauwkeurige voorschriften met betrekking tot alle stadia van de productie, de verwerking en de afzet van biologische producten.
De mededeling van gegevens door de lidstaten aan de Commissie moet het deze laatste mogelijk maken de gegevens die haar worden verstrekt voor het beheer van de statistische informatie en referentiegegevens, direct en zo doeltreffend mogelijk te gebruiken. Hiertoe dient te worden bepaald dat alle uitwisselingen tussen de lidstaten en de Commissie waarbij gegevens beschikbaar worden gesteld of meegedeeld, langs elektronische of digitale weg moeten gebeuren.
De uitwisseling van gegevens en stukken tussen de Commissie en de lidstaten en het beschikbaar stellen en meedelen van gegevens door de lidstaten aan de Commissie vinden in de regel plaats langs elektronische of digitale weg. Om de informatie-uitwisselingen in het kader van de regelgeving over de biologische productie te verbeteren en uit te breiden, moeten de bestaande computersystemen worden aangepast of moeten nieuwe computersystemen worden opgezet. Bepaald dient te worden dat dit door de Commissie wordt gerealiseerd en wordt geïmplementeerd nadat de lidstaten via het Comité inzake de biologische productie zijn geïnformeerd.
De wijze waarop de gegevens door deze computersystemen worden verwerkt, en de vorm en inhoud van de op grond van Verordening (EG) nr. 834/2007 te verstrekken stukken moeten vaak worden aangepast overeenkomstig de ontwikkeling van de geldende regelgeving of behoeften in het kader van het beheer. Ook is een uniforme presentatie van de door de lidstaten te verstrekken stukken noodzakelijk. Om deze doelstellingen te bereiken, de procedures te vereenvoudigen en ervoor te zorgen dat de betrokken computersystemen onmiddellijk operationeel zijn, moeten de vorm en de inhoud van de stukken worden gedefinieerd aan de hand van modellen of vragenlijsten die de Commissie aanpast en bijwerkt na het Comité inzake de biologische productie daarover te hebben geïnformeerd.
Met betrekking tot een aantal op grond van Verordening (EG) nr. 2092/91 vastgestelde bepalingen moeten overgangsmaatregelen worden vastgesteld om te voorkomen dat de continuïteit van de biologische productie in gevaar komt.
Verordening (EEG) nr. 207/93 van de Commissie van 29 januari 1993 tot vaststelling van de inhoud van bijlage VI bij Verordening (EEG) nr. 2092/91 inzake de biologische productiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwproducten en levensmiddelen en tot vaststelling van bepalingen voor de toepassing van artikel 5, lid 4, van die verordening(4), Verordening (EG) nr. 1452/2003 van de Commissie van 14 augustus 2003 tot handhaving van de in artikel 6, lid 3, onder a), van Verordening (EEG) nr. 2092/91 vastgestelde uitzonderingsbepaling ten aanzien van bepaalde soorten zaaizaad en vegetatief teeltmateriaal en tot vaststelling van procedurebepalingen en criteria voor die uitzonderingsbepaling(5), en Verordening (EG) nr. 223/2003 van de Commissie van 5 februari 2003 houdende etiketteringsvoorschriften in verband met de biologische productiemethode voor diervoeders, mengvoeders en voedermiddelen en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2092/91 van de Raad(6), moeten worden ingetrokken en vervangen door een nieuwe verordening.
Verordening (EEG) nr. 2092/91 wordt met ingang van 1 januari 2009 ingetrokken bij Verordening (EG) nr. 834/2007. Een groot aantal van de in de eerstgenoemde verordening vervatte bepalingen moet echter in enigszins aangepaste vorm van toepassing blijven en moet daarom in het kader van de onderhavige verordening worden vastgesteld. Omwille van de duidelijkheid moet de concordantie tussen de betrokken bepalingen van Verordening (EEG) nr. 2092/91 en die van de onderhavige verordening worden aangegeven.
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Regelgevend Comité voor biologische productie,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
TITEL I INLEIDENDE BEPALINGEN
Artikel 1 Onderwerp en toepassingsgebied
Deze verordening is niet van toepassing op:
-
andere dan de in artikel 7 genoemde diersoorten; en
-
andere dan de in artikel 25 bis genoemde aquacultuurdieren.
Titel II, titel III en titel IV zijn evenwel van overeenkomstige toepassing op dergelijke producten totdat de productievoorschriften voor deze producten zijn vastgesteld op grond van Verordening (EG) nr. 834/2007.
Artikel 2 Definities
Naast de definities van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 834/2007 gelden voor de toepassing van deze verordening de volgende definities:
-
„niet-biologisch”: niet afkomstig van of geen verband houdend met een productie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 834/2007 en de onderhavige verordening;
-
„geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik”: producten als omschreven in artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad(7) inzake het communautaire wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik;
-
„importeur”: de natuurlijke of rechtspersoon in de Gemeenschap die zelf of via een vertegenwoordiger een zending aanbrengt voor het in het vrije verkeer brengen ervan in de Gemeenschap;
-
„eerste geadresseerde”: de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de geïmporteerde zending wordt geleverd en die deze in ontvangst neemt voor verdere bereiding en/of afzet;
-
„bedrijf”: alle productie-eenheden die door één bestuur worden geëxploiteerd met het oog op de productie van landbouwproducten;
-
„productie-eenheid”: het geheel van de in een productiesector gebruikte productiemiddelen, zoals productieruimten, percelen grond, weilanden, openluchtruimten, stallen, visvijvers, inperkingssystemen voor zeewier of aquacultuurdieren, geconcessioneerde kust- of zeebodemlocaties, plaatsen voor de opslag van gewassen, plantaardige producten, zeewierproducten, dierlijke producten, grondstoffen en andere voor de betrokken productiesector relevante productiemiddelen;
-
„substraatteelt”: methode om planten te telen met hun wortels hetzij louter in een oplossing van minerale voedingsstoffen, hetzij in een inert medium als perliet, grind of minerale vezels, waaraan een oplossing van nutriënten is toegevoegd;
-
„diergeneeskundige behandeling”: elke therapeutische of profylactische behandeling van één specifiek ziektegeval;
-
„omschakelingsdiervoeders”: diervoeders die tijdens de periode van omschakeling naar de biologische productie worden geproduceerd, met uitzondering van de diervoeders die worden geoogst in de twaalf maanden na het begin van de omschakeling overeenkomstig artikel 17, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 834/2007;
-
„gesloten recirculatievoorziening voor aquacultuur”: een op het land of op een vaartuig gelegen aquacultuurvoorziening waarin het water in een gesloten circuit wordt rondgepompt en permanent gebruik wordt gemaakt van externe energie om de omgeving voor de aquacultuurdieren te stabiliseren;
-
„energie uit hernieuwbare bronnen”: energie uit hernieuwbare niet-fossiele energiebronnen: wind, zon, geothermische warmte, golfslag, getij, waterkracht, stortgas, gas van rioolzuiveringsinstallaties en biogassen;
-
„broedkamer” („hatchery”): ruimte voor het reproduceren, het uitbroeden en het kweken in vroege levensstadia van aquacultuurdieren, en met name vis, schelpdieren en schaaldieren;
-
„kweekkamer” („nursery”): ruimte voor een tussenkweekfase die volgt op die in de broedkamer en voorafgaat aan die van de opkweek. De kweekkamerfase wordt tijdens het eerste derde deel van de productiecyclus afgerond, behalve wanneer de soorten zich in een smoltificatieproces bevinden;
-
„verontreiniging” (in het kader van de aquacultuur- en de zeewierproductie): de directe of indirecte introductie van in Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad(8) en Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad(9) omschreven stoffen of energie in de wateren waarop deze richtlijnen van toepassing zijn;
-
„polycultuur” (in het kader van de aquacultuur- en de zeewierproductie): het kweken van twee of meer soorten van doorgaans verschillende trofische niveaus in één kweekeenheid;
-
„productiecyclus” (in het kader van de aquacultuur- en de zeewierproductie): de levenscyclus van aquacultuurdieren of zeewier vanaf de prilste levensfase tot de oogst;
-
„plaatselijk gekweekte soorten” (in het kader van de aquacultuur en de zeewierproductie): andere dan in Verordening (EG) nr. 708/2007(10) van de Raad bedoelde uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten. De in bijlage IV van Verordening (EG) nr. 708/2007 genoemde soorten mogen als plaatselijk gekweekte soorten worden beschouwd;
-
„bezettingsdichtheid” (in het kader van de aquacultuur): het levend gewicht van de dieren per kubieke meter water op elk moment van de opkweekfase en, in het geval van platvis en garnalen, het gewicht per vierkante meter oppervlakte;
-
„controledossier” alle informatie en documentatie die met het oog op de toepassing van het controlesysteem aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat of aan de controlerende autoriteiten en controleorganen wordt verstrekt door een aan het in artikel 28 van Verordening (EG) nr. 834/2007 bedoelde controlesysteem onderworpen marktdeelnemer, met inbegrip van alle op die marktdeelnemer of de activiteiten van die marktdeelnemer betrekking hebbende relevante informatie en documentatie die in handen is van de bevoegde autoriteiten, controlerende autoriteiten en controleorganen, met uitzondering van informatie of documentatie die niet relevant is voor de werking van het controlesysteem.