Home

Verordening (EG) n r. 1166/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende enquêtes naar de structuur van de landbouwbedrijven en de enquête naar de productiemethoden in de landbouw en tot intrekking van Verordening (EEG) Nr. 571/88 van de Raad (Voor de EER relevante tekst)

Verordening (EG) n r. 1166/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende enquêtes naar de structuur van de landbouwbedrijven en de enquête naar de productiemethoden in de landbouw en tot intrekking van Verordening (EEG) Nr. 571/88 van de Raad (Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 285, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(1),

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Verordening (EEG) nr. 571/88 van de Raad van 29 februari 1988 houdende organisatie van communautaire enquêtes inzake de structuur van de landbouwbedrijven(2) voorziet in een programma van communautaire enquêtes om tot 2007 statistieken over de structuur van landbouwbedrijven te verschaffen.

  2. Het enquêteprogramma inzake de structuur van de landbouwbedrijven, dat al sinds 1966/1967 op een Gemeenschapsbasis wordt uitgevoerd, moet worden voortgezet om de ontwikkelingen in de Gemeenschap te bestuderen. Met het oog op de duidelijkheid moet Verordening (EEG) nr. 571/88 worden vervangen door deze verordening.

  3. Om de basisregisters van landbouwbedrijven en de andere voor de stratificatie van steekproefenquêtes vereiste informatie te kunnen bijwerken, moet ten minste om de tien jaar een telling van de landbouwbedrijven worden gehouden. De laatste telling voor de aanneming van deze verordening vond plaats in 1999/2000.

  4. Er moeten gegevens worden verzameld over de uitvoering van de maatregelen in verband met de plattelandsontwikkeling, die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)(3).

  5. In zijn conclusies van 19 december 2006 over agromilieu-indicatoren heeft de Raad erkend dat vergelijkbare gegevens over de landbouwactiviteiten in de gehele Gemeenschap op een passend geografisch niveau noodzakelijk zijn. De Raad verzocht de Commissie de maatregelen te treffen die zijn uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 15 september 2006(4), die betrekking heeft op de opstelling van statistische gegevens, vooral met betrekking tot de bedrijfsvoering in de landbouw en het gebruik van landbouwinputs.

  6. Er is een gebrek aan statistische informatie over de verschillende productiemethoden in de landbouw op het niveau van de afzonderlijke bedrijven. Daarom is een betere verzameling van informatie over de productiemethoden in de landbouw, gekoppeld aan informatie over de structuur van de landbouwbedrijven, nodig om aanvullende statistieken ten behoeve van de ontwikkeling van het agromilieubeleid te verkrijgen en om de kwaliteit van de agromilieu-indicatoren te verbeteren.

  7. Vergelijkbare statistieken uit alle lidstaten over de structuur van de landbouwbedrijven zijn van belang om de ontwikkeling in de Gemeenschap van het landbouwbeleid vast te stellen. Daarom moet voor zover mogelijk voor enquêtekenmerken gebruik worden gemaakt van standaardclassificaties en gemeenschappelijke definities.

  8. Indien de fase van het veldwerk voor de landbouwstructuurenquête in 2010 samenvalt met die van de tienjaarlijkse volkstelling in 2011, zal de uitvoering van deze beide grote onderzoeken de statistische middelen van de lidstaten zwaar belasten. Daarom dienen de lidstaten, bij wijze van afwijking, de mogelijkheid te krijgen de landbouwstructuurenquête in 2009 uit te voeren.

  9. Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad van 17 februari 1997 betreffende de communautaire statistiek(5) vormt het referentiekader voor de bepalingen van deze verordening, met name met betrekking tot de naleving van normen inzake onpartijdigheid, betrouwbaarheid, relevantie, kosteneffectiviteit, statistische geheimhouding en doorzichtigheid. Verordening (Euratom, EEG) nr. 1588/90 van de Raad van 11 juni 1990 betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen(6) vormt een referentiekader voor de toezending en bescherming van vertrouwelijke statistische gegevens in het kader van deze verordening, teneinde ervoor te zorgen dat bij de productie en verspreiding van communautaire statistieken geen sprake is van onrechtmatige mededeling en niet-statistisch gebruik.

  10. De gegevens over de ligging van de landbouwbedrijven mogen door de Commissie alleen worden gebruikt voor statistische analyses, met uitsluiting van het trekken van steekproeven en het houden van enquêtes. De noodzakelijke bescherming van de vertrouwelijkheid van gegevens moet worden gewaarborgd, onder meer door de nauwkeurigheid van de locatiegegevens te beperken en door een geschikte aggregatie bij de publicatie van statistieken.

  11. Bij Verordening (EEG) nr. 3037/90 van de Raad(7) is de statistische nomenclatuur van de economische activiteiten in de Gemeenschap vastgesteld.

  12. Ingevolge Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS)(8) moet bij de definitie van territoriale eenheden de NUTS-nomenclatuur gevolgd worden.

  13. Om de belasting die voor de respondenten en de lidstaten uit de verzameling van gegevens voortvloeit, zoveel mogelijk te beperken, moet hun de mogelijkheid worden geboden gebruik te maken van steekproefenquêtes en administratieve bronnen.

  14. Om de enquêtes uit te voeren, zijn gedurende een aantal jaren omvangrijke middelen nodig, zowel van de lidstaten als van de Commissie; een groot deel hiervan zal worden gebruikt om aan de behoeften van de Gemeenschap te voldoen.

  15. De vereisten voor de plaatsbepaling en identificatie van landbouwbedrijven per satelliet stuiten in veel lidstaten op aanzienlijke methodologische en technische problemen.

  16. Daarom moet ter ondersteuning van dit enquêteprogramma worden gezorgd voor een communautaire subsidiëring uit het Europees Landbouwgarantiefonds uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid(9).

  17. Bij deze verordening worden de financiële middelen voor de gehele duur van het programma vastgesteld, dat voor de begrotingsautoriteit het voornaamste referentiepunt tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedure vormt in de zin van punt 37 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(10).

  18. Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk de systematische opstelling van communautaire statistieken over de structuur van de landbouwbedrijven en over de productiemethoden in de landbouw, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve beter, wegens de omvang en de gevolgen van deze verordening, door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

  19. De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(11).

  20. In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven om de coëfficiënten voor de grootvee-eenheden vast te stellen, de kenmerken vast te stellen en de bijlagen bij deze verordening aan te passen. Aangezien het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing.

  21. Het permanent comité voor de landbouwstatistiek, dat is opgericht bij Besluit 72/279/EEG van de Raad(12), werd geraadpleegd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Onderwerp

Bij deze verordening wordt een kader vastgesteld voor de opstelling van vergelijkbare communautaire statistieken over de structuur van de landbouwbedrijven en voor een enquête naar de productiemethoden in de landbouw.

Artikel 2 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  1. „landbouwbedrijf” of „bedrijf”: een technisch-economische eenheid die onder één beheer is geplaatst en als hoofd- of nevenactiviteit in bijlage I genoemde landbouwactiviteiten verricht op het economisch grondgebied van de Europese Unie;

  2. „grootvee-eenheid”: een gestandaardiseerde meeteenheid aan de hand waarvan de verschillende categorieën vee ten behoeve van hun vergelijkbaarheid bij elkaar kunnen worden opgeteld. De grootvee-eenheden worden gedefinieerd op basis van de voedervoorschriften voor iedere categorie dieren, waarvoor de coëfficiënten worden vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing;

  3. „steekproefenquêtes”: statistische enquêtes op grond van een gestratificeerde aselect getrokken steekproef, die bestemd zijn voor de opstelling van representatieve statistieken van de landbouwbedrijven op regionaal en nationaal niveau. De stratificatie omvat de omvang en aard van het landbouwbedrijf om ervoor te zorgen dat landbouwbedrijven van verschillende omvang en aard naar behoren vertegenwoordigd zijn;

  4. „regio”: de territoriale eenheid op het NUTS-2-niveau, zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 1059/2003;

  5. „ligging van het bedrijf”: de coördinaten (lengte- en breedtegraad) binnen een straal van 5 minuten om te voorkomen dat individuele bedrijven rechtstreeks kunnen worden geïdentificeerd. Indien zich op een bepaalde lengte- en breedteligging maar een enkel landbouwbedrijf bevindt, wordt aan dit bedrijf een aangrenzende ligging toegekend waarop zich ten minste één ander landbouwbedrijf bevindt.

Artikel 3 Dekkingsgebied

1.

De in deze verordening gespecificeerde enquêtes hebben betrekking op:

  1. landbouwbedrijven met een oppervlakte cultuurgrond van één hectare of meer;

  2. landbouwbedrijven met een oppervlakte cultuurgrond van minder dan één hectare, indien die bedrijven in een bepaalde mate voor de verkoop produceren of indien de productie-eenheid ervan boven bepaalde fysieke drempels ligt.

2.

Lidstaten die een enquêtedrempel van meer dan een hectare hanteren, stellen deze drempel evenwel op een niveau dat alleen de kleinste landbouwbedrijven, die tezamen ten hoogste 2 % van de gebruikte oppervlakte cultuurgrond zonder gemeenschappelijke grond en ten hoogste 2 % van de totale aantal grootvee-eenheden uitmaken, buiten beschouwing laat.

3.

In ieder geval behoren alle landbouwbedrijven die een van de in bijlage II gespecificeerde fysieke drempels bereiken, tot het dekkingsgebied.

Artikel 4 Gegevensbronnen

Artikel 5 Nauwkeurigheidseisen

HOOFDSTUK II STATISTIEK VAN DE STRUCTUUR VAN DE LANDBOUWBEDRIJVEN

Artikel 6 Landbouwstructuurenquêtes

Artikel 7 Enquêtekenmerken

Artikel 8 Referentieperioden

Artikel 9 Indiening

Artikel 10 Steekproefkader

HOOFDSTUK III STATISTIEK VAN DE PRODUCTIEMETHODEN IN DE LANDBOUW

Artikel 11 Enquête naar de productiemethoden in de landbouw

HOOFDSTUK IV VERSLAGEN, FINANCIERING EN UITVOERINGSMAATREGELEN

Artikel 12 Verslagen

Artikel 13 Communautaire bijdrage

Artikel 14 Financieel kader

Artikel 14 bis Bescherming van de financiële belangen van de Unie

Artikel 15 Comité

Artikel 16 Afwijkingen

Artikel 17 Intrekking

Artikel 18 Inwerkingtreding

BIJLAGE ILijst van landbouwactiviteiten waarnaar in de definitie van het begrip landbouwbedrijf wordt verwezen

BIJLAGE IIDrempels voor de landbouwstructuurenquêtes en de enquête naar de productiemethoden in de landbouw

BIJLAGE III

BIJLAGE IVNAUWKEURIGHEIDSEISEN

BIJLAGE VLijst van kenmerken voor de enquête naar de productiemethoden in de landbouw