De onderhavige verordening bevat bepalingen ter uitvoering van de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (hierna „het geïntegreerd systeem” genoemd) dat is ingesteld bij titel II, hoofdstuk 4, van Verordening (EG) nr. 73/2009, en ter uitvoering van de randvoorwaarden waarin is voorzien bij de artikelen 85 unvicies en 103 septvicies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad. Zij geldt onverminderd de specifieke bepalingen van de verordeningen inzake de afzonderlijke steunregelingen.
Verordening (EG) n r. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector
Verordening (EG) n r. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector
DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („Integrale-GMO-verordening”)(1), en met name op de artikelen 85 quinvicies en 103 septvicies bis, juncto artikel 4,
Gelet op Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003, en met name op artikel 142, onder b) tot en met e), h), k) tot en met o), q) en s),
Overwegende hetgeen volgt:
Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 is ingetrokken bij en vervangen door Verordening (EG) nr. 73/2009, bij welke een reeks wijzigingen in de bedrijfstoeslagregeling en bepaalde andere regelingen inzake rechtstreekse betalingen zijn doorgevoerd. Tegelijk is bij laatstgenoemde verordening een aantal regelingen inzake rechtstreekse betalingen met ingang van 2010 afgeschaft. Bovendien is bij die verordening een aantal wijzigingen doorgevoerd in het stelsel van verlagingen of uitsluitingen ten aanzien van de rechtstreekse betalingen aan een landbouwer die niet voldoet aan bepaalde voorwaarden op het gebied van de volksgezondheid, de diergezondheid en de gezondheid van planten, het milieu en het dierenwelzijn („randvoorwaarden”).
De regelingen inzake rechtstreekse betalingen zijn ingevoerd als gevolg van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in 1992 en zijn verder ontwikkeld in het kader van de daaropvolgende hervormingen van dit beleid. De regelingen zijn onderworpen aan een geïntegreerd beheers- en controlesysteem (hierna „geïntegreerd systeem” genoemd). Dit systeem, dat is vastgelegd in Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 24 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij de Verordeningen (EG) nr. 1782/2003 en (EG) nr. 73/2009 van de Raad, en inzake de randvoorwaarden waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad(2), is een effectief en efficiënt middel gebleken om de regelingen inzake rechtstreekse betalingen uit te voeren. Verordening (EG) nr. 73/2009 bouwt voort op dat systeem.
Gezien de bij Verordening (EG) nr. 73/2009 doorgevoerde wijzigingen in de rechtstreekse betalingen moet Verordening (EG) nr. 796/2004 worden ingetrokken en vervangen, maar de nieuwe verordening moet wel blijven berusten op de beginselen van Verordening (EG) nr. 796/2004. Tegelijk moeten de verwijzingen in Verordening (EG) nr. 796/2004 naar Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad(3) als gevolg van de opname van de wijnsector in Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad worden vervangen door verwijzingen naar laatstgenoemde verordening. Omwille van de samenhang moet een aantal bepalingen van Verordening (EG) nr. 796/2004 worden opgenomen in Verordening (EG) nr. 1120/2009 van de Commissie(4), bij welke Verordening (EG) nr. 795/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers(5) is ingetrokken en vervangen.
Verordening (EG) nr. 73/2009 biedt de lidstaten een keuzevrijheid wat de toepassing van sommige van de bij die verordening vastgestelde steunregelingen betreft. Daarom moeten in de onderhavige verordening regels worden vastgesteld voor het beheer en de controles die in de lidstaten nodig zijn in verband met de mogelijkheid om bepaalde steunregelingen al dan niet toe te passen. De desbetreffende bepalingen van de onderhavige verordening zijn dan ook alleen van toepassing voor zover de lidstaten de betrokken keuzen hebben gemaakt.
Verordening (EG) nr. 73/2009 legt de lidstaten en de individuele landbouwers als onderdeel van de randvoorwaarden bepaalde verplichtingen op ten aanzien van de handhaving van blijvend grasland. Het is noodzakelijk nadere regels vast te stellen voor de bepaling van het aandeel blijvend grasland in de totale oppervlakte landbouwgrond dat moet worden gehandhaafd, en aan te geven welke individuele verplichtingen door de landbouwers moeten worden nagekomen wanneer blijkt dat het aldus bepaalde aandeel blijvend grasland terugloopt.
Om een doeltreffende controle mogelijk te maken en te voorkomen dat meerdere steunaanvragen worden ingediend bij verschillende betaalorganen binnen één lidstaat, moeten de lidstaten een enkel systeem opzetten om de identiteit te registreren van de landbouwers die onder het geïntegreerd systeem vallende steunaanvragen indienen.
Er zijn nadere regels nodig met betrekking tot het systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond dat de lidstaten overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EG) nr. 73/2009 moeten toepassen. Volgens dat artikel moet daarbij gebruik worden gemaakt van technieken op basis van een geautomatiseerd geografisch informatiesysteem (GIS). Verduidelijkt dient te worden op welk niveau dat systeem moet worden toegepast en hoe gedetailleerd de in het GIS beschikbare gegevens moeten zijn.
Voor een behoorlijke tenuitvoerlegging van de bij titel III van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde bedrijfstoeslagregeling moeten de lidstaten een identificatie- en registratiesysteem opzetten waarbij de toeslagrechten traceerbaar moeten zijn en dat het onder meer mogelijk maakt kruiscontroles te verrichten om de voor de bedrijfstoeslagregeling aangegeven oppervlakten te vergelijken met de toeslagrechten waarover elke landbouwer beschikt, en om de verschillende toeslagrechten als zodanig onderling te vergelijken.
Voor het toezicht op de nakoming van de verschillende verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden moet een controlesysteem met passende verlagingen worden ingevoerd. Het is in dit verband noodzakelijk dat verschillende autoriteiten binnen de lidstaten informatie uitwisselen over de steunaanvragen, de steekproeven voor controledoeleinden, de resultaten van de controles ter plaatse enz. Aangegeven dient te worden wat de basiselementen van een dergelijk systeem moeten zijn.
Met het oog op vereenvoudiging moet het de lidstaten worden toegestaan dat zij besluiten alle steunaanvragen op grond van de titels III en IV van Verordening (EG) nr. 73/2009 op te nemen in de verzamelaanvraag.
De lidstaten moeten de nodige maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat het geïntegreerd systeem goed kan werken wanneer met betrekking tot dezelfde landbouwer meer dan één betaalorgaan verantwoordelijk is.
Om doeltreffende controles mogelijk te maken, moeten elke vorm van grondgebruik en elk gebruik van de betrokken steunregelingen tegelijk worden aangegeven. Daarom moet worden voorzien in de indiening van een verzamelsteunaanvraag die alle op enigerlei wijze oppervlaktegebonden steunaanvragen omvat. Bovendien moeten de landbouwers die geen van de onder de verzamelaanvraag vallende steunbedragen aanvragen, een verzamelaanvraag indienen als zij over landbouwgrond beschikken. Het moet de lidstaten evenwel worden toegestaan om landbouwers van deze verplichting vrij te stellen wanneer de autoriteiten al over de informatie beschikken.
De lidstaten moeten voor de indiening van de verzamelaanvraag een uiterste datum vaststellen, die niet later mag zijn dan 15 mei teneinde een tijdige verwerking en controle van de aanvraag mogelijk te maken. In verband met de bijzondere klimaatgesteldheid in Estland, Letland, Litouwen, Finland en Zweden moet het deze lidstaten echter worden toegestaan een latere datum vast te stellen, die niet later mag zijn dan 15 juni. Bovendien moet diezelfde rechtsgrond worden gebruikt om te voorzien in de mogelijkheid van incidentele afwijkingen voor het geval dat in de toekomst de klimaatgesteldheid in een bepaald jaar een dergelijke afwijking nodig maakt.
In de verzamelaanvraag moet de landbouwer niet alleen zijn oppervlakte cultuurgrond, maar ook zijn toeslagrechten aangeven en daarbij alle informatie voegen die nodig is om te bepalen of aanspraak op de steun kan worden gemaakt. Het moet de lidstaten evenwel worden toegestaan om van bepaalde verplichtingen af te wijken wanneer de in het desbetreffende jaar toe te wijzen toeslagrechten nog niet definitief zijn vastgesteld.
Ter vereenvoudiging van de aanvraagprocedures en overeenkomstig artikel 19, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 moet er in deze context voor worden gezorgd dat de lidstaten de landbouwer zo veel mogelijk voorgedrukte informatie verstrekken.
Alle specifieke informatie over de productie van hennep, noten, zetmeelaardappelen, zaden, katoen, groenten en fruit en over de specifieke steun die onder de verzamelaanvraag valt, moet tegelijk met de verzamelaanvraag worden verstrekt of eventueel later, wanneer dit vanwege de aard van de informatie aangewezen is. Voorts moet worden bepaald dat in de verzamelaanvraag ook de arealen moeten worden aangegeven waarvoor geen steun wordt aangevraagd. Afhankelijk van de vorm van grondgebruik kan het belangrijk zijn over nadere informatie te beschikken, om welke reden bepaalde vormen van grondgebruik afzonderlijk moeten worden aangegeven, terwijl andere samen in één rubriek kunnen worden aangegeven. Er moet evenwel worden toegestaan dat van dit voorschrift wordt afgeweken ingeval de lidstaten de betrokken informatie reeds ontvangen.
Om een doeltreffend toezicht mogelijk te maken, moet elke lidstaat bovendien de minimumomvang bepalen van de percelen landbouwgrond waarvoor een steunaanvraag kan worden ingediend.
Om de landbouwers zo veel mogelijk flexibiliteit te bieden bij de planning van het grondgebruik, moet hun worden toegestaan om hun verzamelaanvraag te wijzigen tot de data waarop normaliter de inzaai plaatsvindt, mits alle bijzondere voorschriften in het kader van de verschillende steunregelingen in acht worden genomen en mits voor het gedeelte van de aanvraag waarop de wijziging betrekking heeft, de bevoegde autoriteit de landbouwer nog niet over fouten in de verzamelaanvraag heeft geïnformeerd en hem evenmin kennis heeft gegeven van een te verrichten controle ter plaatse waarbij vervolgens fouten aan het licht komen. Na de wijziging moet de mogelijkheid worden geboden om de desbetreffende bewijsstukken of contracten die moeten worden ingediend, aan te passen.
Voor een effectief beheer is het van essentieel belang dat de aanvraag voor een waardeverhoging of toewijzing van toeslagrechten in het kader van de bedrijfstoeslagregeling tijdig wordt ingediend. Daarom moeten de lidstaten voor de indiening van de aanvraag een uiterste datum vaststellen, die niet later mag zijn dan 15 mei. Ter vereenvoudiging van de procedures moet het de lidstaten worden toegestaan dat zij bepalen dat de aanvraag tegelijk met de verzamelaanvraag mag worden ingediend. Om deze reden moet het Estland, Letland, Litouwen, Finland en Zweden echter worden toegestaan een latere datum vast te stellen, die niet later mag zijn dan 15 juni.
Ingeval een lidstaat ervoor kiest de verschillende steunregelingen voor dieren toe te passen, moeten gemeenschappelijke bepalingen worden vastgesteld met betrekking tot de in de steunaanvragen voor dieren op te nemen gegevens.
Krachtens artikel 117 van Verordening (EG) nr. 73/2009 kunnen premies in het kader van de steunregelingen voor rundvee alleen worden betaald voor dieren die naar behoren geïdentificeerd en geregistreerd zijn overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad(6). Daarom moeten landbouwers die op grond van de betrokken steunregelingen aanvragen indienen, tijdig toegang krijgen tot de desbetreffende informatie.
De steun aan suikerbieten- en suikerriettelers, de afzonderlijke betaling voor suiker en de afzonderlijke betaling voor groenten en fruit hebben per definitie geen betrekking op een landbouwareaal, zodat de bepalingen inzake de verzamelaanvraag niet van toepassing zijn op die betalingen. Daarom dient voor die betalingen in een passende aanvraagprocedure te worden voorzien.
Er moeten verdere eisen worden gesteld aan de aanvraag voor specifieke steun in het kader van artikel 68 van Verordening (EG) nr. 73/2009, met uitzondering van areaalbetalingen en betalingen voor dieren. Vanwege de mogelijke diversiteit van de specifiekesteunmaatregelen is het van bijzonder belang dat de landbouwer alle informatie verstrekt die nodig is om te bepalen of aanspraak kan worden gemaakt op steun. Om praktische redenen moet het de lidstaten worden toegestaan te bepalen dat de bewijsstukken op een latere datum worden ingediend dan de datum die is vastgesteld voor de indiening van de aanvraag.
In geval van toepassing van artikel 68, lid 1, onder e), van Verordening (EG) nr. 73/2009 zijn de begunstigden niet de landbouwers, maar de onderlinge fondsen die de landbouwers vergoed hebben voor economische verliezen. Aan de steunaanvraag van onderlinge fondsen moeten bijzondere eisen worden gesteld, zulks gezien de informatie die nodig is om te bepalen of zij aanspraak kunnen maken op de betaling.
Het algemene kader dient te worden vastgesteld voor de invoering van vereenvoudigde procedures voor de communicatie tussen de landbouwer en de autoriteiten van de lidstaat. Dit kader dient met name te voorzien in de mogelijkheid gebruik te maken van elektronische middelen. Evenwel dient in het bijzonder te zijn gegarandeerd dat de aldus verstrekte gegevens volkomen betrouwbaar zijn en dat de betrokken procedures zonder enige discriminatie tussen landbouwers worden toegepast. Voorts moeten de nationale autoriteiten, teneinde het beheer voor de landbouwers en voor henzelf te vereenvoudigen, over de mogelijkheid beschikken om de bewijsstukken die nodig zijn om te bepalen of aanspraak op bepaalde betalingen kan worden gemaakt, niet bij de landbouwer, maar rechtstreeks bij de informatiebron op te vragen.
Steunaanvragen die kennelijke fouten bevatten, moeten te allen tijde verbeterd kunnen worden.
Er moeten voorschriften worden vastgesteld voor de situaties waarin de uiterste datum voor de indiening van de diverse aanvragen, documenten of wijzigingen op een feestdag, op een zaterdag of op een zondag valt.
Inachtneming van de termijnen voor de indiening van de steunaanvragen, wijziging van de verzamelaanvragen en de bewijsstukken, contracten of aangiften is absoluut noodzakelijk om de nationale overheidsdiensten in staat te stellen doeltreffende controles op de juistheid van de steunaanvragen te programmeren en vervolgens uit te voeren. Daarom moet worden bepaald binnen welke termijnen een te late indiening nog aanvaardbaar is. Bovendien moeten verlagingen worden toegepast om de landbouwers ertoe aan te zetten de uiterste data in acht te nemen.
Met het oog op een tijdige vaststelling van de toeslagrechten is het voor de lidstaten van essentieel belang dat de landbouwers de aanvragen van toeslagrechten op tijd indienen. Daarom mag de extra termijn voor de indiening van deze aanvragen niet meer bedragen dan de extra termijn voor de indiening van enige andere steunaanvraag. Ook moet een ontradend verlagingspercentage worden toegepast tenzij de vertraging te wijten is aan overmacht of uitzonderlijke omstandigheden.
De landbouwers moeten hun steunaanvragen te allen tijde geheel of gedeeltelijk kunnen intrekken mits de bevoegde autoriteit de landbouwer nog niet over fouten in de steunaanvraag heeft geïnformeerd en hem evenmin kennis heeft gegeven van een te verrichten controle ter plaatse.
Op de naleving van de bepalingen van de steunregelingen die in het kader van het geïntegreerd systeem worden beheerd, moet een doeltreffend toezicht worden uitgeoefend. Daartoe en met het oog op een geharmoniseerd toezichtniveau in alle lidstaten moeten de criteria en technische procedures voor de uitvoering van administratieve controles en van controles ter plaatse tot in de details worden aangegeven niet alleen ten aanzien van de subsidiabiliteitscriteria die voor de steunregelingen zijn vastgesteld, maar ook ten aanzien van de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden. Voor de uitoefening van toezicht is het van essentieel belang dat controles ter plaatse mogelijk zijn. Daarom moeten aanvragen worden afgewezen als een landbouwer deze controles verhindert.
De aankondiging van controles ter plaatse op de subsidiabiliteit of op de naleving van de randvoorwaarden mag alleen worden toegestaan als daarmee het doel van de controles niet in gevaar komt, en er moeten in elk geval passende termijnen worden vastgesteld. Voorts moet specifieke sectorale regelgeving inzake besluiten of normen in het kader van de randvoorwaarden die voorschrijft dat controles ter plaatse niet mogen worden aangekondigd, in acht worden genomen.
Er moet worden bepaald dat de lidstaten de diverse controles waar dat dienstig is, moeten combineren.
Met het oog op een effectieve opsporing van onregelmatigheden bij de administratieve controles moeten voorschriften worden vastgesteld voor met name de inhoud van de kruiscontroles. Onregelmatigheden moeten aanleiding geven tot een vervolgactie in de vorm van een passende procedure.
Een fout die vaak wordt ontdekt bij de kruiscontroles, is een iets te hoge aangifte van de totale oppervlakte landbouwgrond binnen een referentieperceel. Als een referentieperceel is vermeld in steunaanvragen van twee of meer landbouwers die steun op grond van dezelfde steunregeling aanvragen, en als de totale aangegeven oppervlakte de oppervlakte landbouwgrond overtreft met een verschil dat binnen de tolerantie voor de meting van percelen landbouwgrond blijft, moet de lidstaat eenvoudigheidshalve kunnen besluiten tot een evenredige vermindering van de betrokken oppervlakten. De betrokken landbouwers moeten echter het recht hebben beroep aan te tekenen tegen een dergelijk besluit.
In het geval dat een lidstaat in het kader van de bij artikel 68 van Verordening (EG) nr. 73/2009 geboden mogelijkheid betalingen verleent voor oppervlakten of dieren, moet hetzelfde controlepercentage worden toegepast als het percentage dat geldt voor andere oppervlaktegebonden betalingen en betalingen voor dieren. Bij de andere specifiekesteunmaatregelen moeten de begunstigden worden beschouwd als een aparte populatie waarvoor een specifiek minimumpercentage controles moet gelden.
Het minimumaantal landbouwers bij wie in het kader van de verschillende steunregelingen controles ter plaatse moeten worden verricht, dient te worden bepaald. Voor het geval dat lidstaten kiezen voor toepassing van de verschillende steunregelingen voor dieren, moet ten aanzien van de landbouwers die steun in het kader van die regelingen aanvragen, een geïntegreerde bedrijfsgerichte aanpak worden voorgeschreven.
De constatering van belangrijke onregelmatigheden en gevallen van niet-naleving moet tot gevolg hebben dat in het lopende en/of het volgende jaar meer controles ter plaatse worden verricht om een aanvaardbare mate van zekerheid omtrent de juistheid van de betrokken steunaanvragen te verkrijgen. De uitbreiding van de steekproef moet, wanneer het gaat om de naleving van de randvoorwaarden, worden toegespitst op de betrokken besluiten of normen.
Controles ter plaatse bij landbouwers die steunaanvragen indienen, hoeven niet noodzakelijk op elk individueel dier of perceel landbouwgrond te worden uitgevoerd. In bepaalde gevallen kunnen steekproefcontroles worden verricht. Waar dit is toegestaan, moet de steekproef echter groot genoeg zijn om betrouwbare en representatieve resultaten te garanderen wat de te verschaffen mate van zekerheid betreft. In sommige gevallen kan het nodig zijn de steekproef tot een volledige controle uit te breiden. De lidstaten moeten de criteria voor de keuze van de te controleren steekproef vaststellen.
De steekproef die overeenkomt met het minimumpercentage controles ter plaatse, moet gedeeltelijk op basis van een risicoanalyse en gedeeltelijk op aselecte wijze worden getrokken. De bevoegde autoriteit moet de risicofactoren vaststellen aangezien zij in een betere positie verkeert om de desbetreffende risicofactoren te kiezen. Om voor een relevante en doelmatige risicoanalyse te zorgen, moet de doeltreffendheid van de risicoanalyse op jaarbasis worden beoordeeld en verhoogd door de relevantie van elke risicofactor te bepalen, de resultaten van de op aselecte wijze gekozen steekproef en die van de op de risicoanalyse gebaseerde steekproef met elkaar te vergelijken en rekening te houden met de specifieke situatie in de lidstaten.
Voor een doeltreffende controle ter plaatse is het van belang dat het personeel dat de controles uitvoert, wordt geïnformeerd over de reden om de betrokken landbouwer voor de controle ter plaatse te selecteren. De lidstaten moeten aantekening houden van die informatie.
In bepaalde gevallen is het van belang om vóór de ontvangst van alle aanvragen controles ter plaatse uit te voeren, en daarom moet het de lidstaten worden toegestaan om vóór het einde van de aanvraagperiode een gedeeltelijke selectie van de steekproef uit te voeren.
Om de nationale autoriteiten en alle bevoegde communautaire autoriteiten in staat te stellen vervolgactiviteiten te ontplooien naar aanleiding van de verrichte controles ter plaatse, moeten de bijzonderheden over de controles worden opgetekend in een controleverslag. De landbouwer of een vertegenwoordiger dient in de gelegenheid te worden gesteld het verslag te ondertekenen. In het geval van controles ter plaatse door middel van teledetectie moet het de lidstaten echter worden toegestaan dit recht uitsluitend te verlenen wanneer de controle onregelmatigheden aan het licht brengt. Ongeacht de aard van de controle ter plaatse moet bij ontdekking van onregelmatigheden een kopie van het verslag aan de landbouwer worden verstrekt.
Voor een deugdelijk toezicht moeten controles ter plaatse van oppervlaktegebonden regelingen betrekking hebben op alle aangegeven percelen landbouwgrond. Om de zaken te vereenvoudigen, moet niettemin worden toegestaan dat de feitelijke constatering van de percelen beperkt blijft tot een steekproef die 50 % van de percelen omvat. De steekproef moet echter betrouwbaar en representatief zijn en moet, indien anomalieën worden geconstateerd, worden uitgebreid. De steekproefresultaten moeten worden geëxtrapoleerd naar de rest van de populatie. Er moet nader worden aangegeven dat de lidstaten voor controles ter plaatse gebruik mogen maken van bepaalde technische hulpmiddelen.
Voor de constatering van de oppervlakten en voor de meetmethoden moeten uitvoeringsvoorschriften worden vastgesteld die een meting garanderen van een kwaliteit die gelijkwaardig is aan die welke is voorgeschreven in de technische normen die zijn opgesteld op het niveau van de Gemeenschap.
De ervaring leert dat bij de constatering van de oppervlakte van percelen landbouwgrond die voor areaalbetalingen in aanmerking komen, moet worden bepaald tot welke maximale breedte bepaalde elementen, in het bijzonder heggen, sloten en muren, mogen worden meegerekend. Met het oog op specifieke milieueisen moet enige flexibiliteit worden toegestaan binnen de grenzen die in aanmerking zijn genomen bij de vaststelling van de regionale opbrengsten.
Er moet worden vastgesteld onder welke voorwaarden mag worden aangenomen dat percelen landbouwgrond met bomen in aanmerking komen voor de oppervlaktegebonden regelingen. Ook moet worden bepaald welke administratieve procedure bij gezamenlijk gebruikte percelen moet worden gevolgd.
De voorwaarden waaronder controles ter plaatse door middel van teledetectie mogen worden uitgevoerd, moeten worden vastgesteld en bepaald dient te worden dat fysieke controles moeten worden verricht in het geval dat foto-interpretatie geen duidelijke resultaten oplevert. Door bijvoorbeeld de weersomstandigheden kunnen er gevallen zijn waarin de extra controles die na een verhoging van het percentage controles ter plaatse nodig zijn, niet meer middels teledetectie kunnen worden verricht. In dat geval moeten zij met de traditionele middelen worden verricht.
In het kader van de bedrijfstoeslagregeling kunnen landbouwers met bijzondere toeslagrechten steun ontvangen als zij aan een zekere activiteiteneis voldoen. Om op doeltreffende wijze na te gaan of aan deze eis wordt voldaan, moeten de lidstaten procedures vaststellen voor controles ter plaatse bij landbouwers met bijzondere toeslagrechten.
Gezien de bijzondere kenmerken van de bij titel IV, hoofdstuk 1, afdelingen 5, 6 en 7, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde steunregelingen voor zaaizaad, katoen en suiker moeten voor die steunregelingen specifieke controlebepalingen worden vastgesteld.
Krachtens artikel 39, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 kan bij henneprassen aanspraak worden gemaakt op rechtstreekse betalingen mits het gehalte aan tetrahydrocannabinol (THC) van de rassen maximaal 0,2 % bedraagt. Ter uitvoering van dit voorschrift moet worden vastgesteld hoe de lidstaten het THC-gehalte van hennep moeten controleren.
Voorts moet voor vezelhennep worden bepaald hoeveel tijd moet verlopen tussen de bloei en de oogst om op doeltreffende wijze aan de controleverplichtingen die voor vezelhennep gelden, te kunnen voldoen.
Voor het geval dat een lidstaat kiest voor toepassing van de verschillende steunregelingen voor dieren, moet worden bepaald op welke tijdstippen de controles ter plaatse bij de aanvragers van steun in het kader van die steunregelingen moeten worden verricht en wat zij minimaal moeten inhouden. Voor een doeltreffende controle op de juistheid van de aangiften in de steunaanvragen en van de meldingen aan het gecomputeriseerde gegevensbestand voor runderen is het van essentieel belang dat een groot deel van die controles ter plaatse wordt uitgevoerd gedurende de periode waarin de dieren nog op het bedrijf moeten worden aangehouden.
Voor het geval dat een lidstaat kiest voor toepassing van de verschillende steunregelingen voor rundvee, moet, aangezien op grond van artikel 117 van Verordening (EG) nr. 73/2009 een behoorlijke identificatie en registratie van de runderen een voorwaarde voor subsidiabiliteit is, ervoor worden gezorgd dat de communautaire steun alleen voor behoorlijk geïdentificeerde en geregistreerde runderen wordt toegekend. Ook runderen waarvoor nog geen steunaanvraag is ingediend maar waarvoor dit in de toekomst het geval zou kunnen zijn, moeten in dit opzicht worden gecontroleerd omdat als gevolg van de opzet van verscheidene van de steunregelingen voor rundvee in veel gevallen pas steun voor runderen wordt aangevraagd nadat de dieren het bedrijf hebben verlaten.
Bij schapen en geiten moeten de controles ter plaatse met name gericht zijn op de naleving van de aanhoudperiode en op de juistheid van de inschrijvingen in het register.
Voor het geval dat een lidstaat kiest voor toepassing van de slachtpremie, moeten bijzondere voorschriften worden vastgesteld voor controles ter plaatse in de slachthuizen om na te gaan of de dieren waarvoor deze premie is aangevraagd, daarvoor in aanmerking komen en of de informatie in het gecomputeriseerde gegevensbestand correct is. De lidstaten moeten kunnen kiezen uit twee verschillende grondslagen voor de selectie van de aan dergelijke controles te onderwerpen slachthuizen.
Naast de communautaire controlebepalingen inzake de uitvoer in het algemeen moeten bijzondere bepalingen voor de na uitvoer van runderen toegekende slachtpremie worden vastgesteld, omdat de controledoelstellingen verschillen.
Bijzondere controlebepalingen zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1082/2003 van de Commissie van 23 juni 2003 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad(7) inzake de minimaal te verrichten controles in het kader van de identificatie- en registratieregeling voor runderen. Wanneer op grond van die verordening controles worden verricht, moeten de resultaten daarvan ten behoeve van het geïntegreerd systeem worden opgenomen in het controleverslag.
Voorts moeten bepalingen inzake het controleverslag worden vastgesteld in geval van controles ter plaatse in slachthuizen of van toekenning van de premie na uitvoer. Omwille van de samenhang moet ook worden bepaald dat bij niet-naleving van het bepaalde in titel I van Verordening (EG) nr. 1760/2000 of in Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van 17 december 2003 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en de Richtlijnen 92/102/EEG en 64/432/EEG(8) een exemplaar van de controleverslagen moet worden toegezonden aan de instanties die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van die verordeningen.
Ingeval een lidstaat gebruikmaakt van de bij artikel 68 van Verordening (EG) nr. 73/2009 geboden mogelijkheid om specifieke steun toe te kennen, moeten de controlebepalingen van de onderhavige verordening zo veel mogelijk worden toegepast. Wanneer het niet mogelijk is om die bepalingen toe te passen, moeten de lidstaten zorgen voor een gelijkwaardig controleniveau. Er moeten bijzondere controle-eisen worden gesteld aan betalingsaanvragen van onderlinge fondsen en betalingsaanvragen in het kader van investeringen.
Bij Verordening (EG) nr. 73/2009 zijn verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden ingevoerd voor de landbouwers die betalingen ontvangen in het kader van de in bijlage I bij die verordening genoemde regelingen inzake rechtstreekse betalingen, en is voorzien in een stelsel van verlagingen en uitsluitingen voor het geval dat niet aan die verplichtingen wordt voldaan. Dat stelsel is ook van toepassing op betalingen in het kader van de artikelen 85 septdecies, 103 octodecies en 103 novodecies van Verordening (EG) nr. 1234/2007. De nadere voorschriften voor dat stelsel moeten worden vastgesteld.
Nader geregeld dient te worden welke autoriteiten in de lidstaten de controles op de naleving van de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden moeten uitvoeren.
In sommige gevallen kan het nuttig zijn dat de lidstaten administratieve controles op de naleving van de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden uitvoeren. De lidstaten mogen echter niet tot het verrichten van dergelijke controles worden verplicht.
Het minimumpercentage controles op de nakoming van de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden moet worden bepaald. Dat controlepercentage moet worden vastgesteld op 1 % van de aan de randvoorwaarden onderworpen landbouwers binnen het bevoegdheidsterrein van elke controleautoriteit, welke 1 % moet worden geselecteerd op basis van een passende risicoanalyse.
De lidstaten moeten het minimumpercentage controles kunnen realiseren op het niveau van elke bevoegde controleautoriteit, op het niveau van het betaalorgaan of op het niveau van een besluit of norm of een groep besluiten of normen.
Indien in de voor het besluit of de normen geldende specifieke regelgeving minimumpercentages controles zijn vastgesteld, moeten de lidstaten deze percentages in acht nemen. Het moet de lidstaten echter worden toegestaan een uniform percentage toe te passen voor de controles ter plaatse op de naleving van de randvoorwaarden. Indien de lidstaten voor deze mogelijkheid kiezen, moet elk geval van niet-naleving dat bij controles ter plaatse op grond van de sectorale regelgeving wordt ontdekt, in het kader van de randvoorwaarden worden gemeld en aan vervolgactie worden onderworpen.
Bij Verordening (EG) nr. 73/2009 zijn bepalingen vastgesteld op grond waarvan de bevoegde autoriteit in bepaalde gevallen moet verifiëren of de landbouwer een corrigerende actie heeft ondernomen. Om te voorkomen dat het controlesysteem wordt verzwakt, vooral wat de steekproeftrekking voor controles ter plaatse op de naleving van de randvoorwaarden betreft, moet worden verduidelijkt dat dergelijke verificaties niet mogen worden meegerekend bij de vaststelling van de minimaal te controleren steekproef.
De steekproef voor controles op de naleving van de randvoorwaarden moet worden getrokken hetzij op basis van de steekproeven van landbouwers die zijn geselecteerd voor een controle ter plaatse met betrekking tot de subsidiabiliteitscriteria, hetzij uit de totale populatie van landbouwers die aanvragen om rechtstreekse betalingen hebben ingediend. In het laatste geval moeten bepaalde subopties worden toegestaan.
De steekproeftrekking voor controles ter plaatse op de naleving van de randvoorwaarden kan worden verbeterd door het mogelijk te maken dat bij de risicoanalyse rekening wordt gehouden met de deelneming door landbouwers aan het in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde bedrijfsadviseringssysteem en met de deelneming door landbouwers aan ter zake relevante certificeringssystemen. Wanneer rekening wordt gehouden met de deelneming aan die systemen, moet echter worden aangetoond dat de landbouwers die eraan deelnemen, minder risico opleveren dan de landbouwers die er niet aan deelnemen.
De controles ter plaatse op de naleving van de randvoorwaarden maken doorgaans verscheidene bezoeken aan hetzelfde landbouwbedrijf noodzakelijk. Om de last te verminderen die de controles niet alleen voor de landbouwers maar ook voor de overheidsdiensten betekenen, moet het mogelijk worden gemaakt de controles tot één controlebezoek te beperken. Het tijdstip van dat bezoek moet worden verduidelijkt. De lidstaten moeten er evenwel voor zorgen dat voor de eisen en normen binnen hetzelfde kalenderjaar een representatieve en doeltreffende controle wordt uitgevoerd.
Om de controles ter plaatse op de naleving van de randvoorwaarden te vereenvoudigen en een beter gebruik te maken van de bestaande controlecapaciteit, moet worden bepaald dat controles ter plaatse op het niveau van de landbouwbedrijven kunnen worden vervangen door administratieve controles of controles op het niveau van ondernemingen mits die controles ten minste even doeltreffend zijn.
Voorts dient het voor de lidstaten mogelijk te zijn om bij de uitvoering van controles ter plaatse op de naleving van de randvoorwaarden gebruik te maken van objectieve indicatoren voor bepaalde eisen of normen. Die indicatoren moeten evenwel rechtstreeks verband houden met de eisen of normen waarvoor zij gelden, en betrekking hebben op alle te controleren elementen.
Er moeten regels worden vastgesteld voor specifieke verslagen over controles op de naleving van de randvoorwaarden. De gespecialiseerde controleurs in het veld moeten daarin melding maken van alle eventuele bevindingen en ook van de ernst daarvan om het betaalorgaan in staat te stellen de betrokken verlagingen vast te stellen of in voorkomend geval tot uitsluiting van rechtstreekse betalingen te besluiten.
De landbouwers moeten in kennis worden gesteld van alle gevallen van niet-naleving die eventueel bij een controle ter plaatse worden geconstateerd. Er moet een bepaalde termijn worden vastgesteld waarbinnen de landbouwers die informatie moeten ontvangen. Overschrijding van die termijn mag de betrokken landbouwers echter niet vrijwaren van de gevolgen die anders aan de geconstateerde niet-naleving zouden zijn verbonden.
Bij de vaststelling van verlagingen en uitsluitingen moet rekening worden gehouden met het evenredigheidsbeginsel en met de bijzondere problemen die door overmacht of door buitengewone en natuurlijke omstandigheden kunnen worden veroorzaakt. Wat de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden betreft, mogen verlagingen en uitsluitingen alleen worden toegepast wanneer de landbouwer nalatig is geweest of met opzet heeft gehandeld. De verlagingen en uitsluitingen moeten worden gedifferentieerd naar gelang van de ernst van de onregelmatigheid en moeten gaan tot de volledige uitsluiting van een of meer steunregelingen gedurende een bepaalde periode. Wat de subsidiabiliteitscriteria betreft, moet bij de vaststelling van de verlagingen en uitsluitingen rekening worden gehouden met de bijzondere kenmerken van de verschillende steunregelingen.
Om het de lidstaten mogelijk te maken de controles, met name op de naleving van de randvoorwaarden, doeltreffend uit te voeren, moeten landbouwers overeenkomstig artikel 19, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 73/2009 alle oppervlakten aangeven waarover zij beschikken, ongeacht of zij er al dan niet steun voor aanvragen. Voorzien dient te worden in een regeling die ervoor moet zorgen dat landbouwers deze verplichting nakomen.
Voor de constatering van oppervlakten en de berekening van verlagingen moet worden bepaald welke oppervlakten tot dezelfde gewasgroep behoren. Een oppervlakte die voor steun in het kader van meer dan een steunregeling wordt aangegeven, dient meer dan eenmaal in aanmerking te worden genomen.
Voor betaling van steun in het kader van de bedrijfstoeslagregeling dient het aantal toeslagrechten gelijk te zijn aan het aantal subsidiabele hectaren. Voor de toepassing van deze regeling moet daarom worden bepaald dat bij verschillen tussen de aangegeven toeslagrechten en de aangegeven oppervlakte, de bedrijfstoeslag wordt berekend op basis van het kleinste aantal. Om te voorkomen dat de berekening op niet-bestaande toeslagrechten wordt gebaseerd, moet worden bepaald dat het aantal voor de berekening gebruikte toeslagrechten niet hoger mag zijn dan het aantal toeslagrechten waarover de landbouwer beschikt.
Wat steunaanvragen voor oppervlakten betreft, hebben onregelmatigheden normaliter betrekking op delen van die oppervlakten. Daarom kan een te hoge aangifte voor een bepaald perceel worden gecompenseerd door een te lage aangifte voor andere percelen die tot dezelfde gewasgroep behoren. Bepaald dient te worden dat steunaanvragen binnen een bepaalde tolerantiemarge alleen worden aangepast aan de feitelijk geconstateerde oppervlakte en dat slechts met de toepassing van verlagingen wordt begonnen zodra deze marge is overschreden.
Voorts is, wat de aanvragen voor oppervlaktegebonden betalingen betreft, het verschil tussen de in de aanvraag aangegeven totale oppervlakte en de totale oppervlakte die als subsidiabel is geconstateerd, vaak onbeduidend klein. Ter voorkoming van een groot aantal geringe aanpassingen van aanvragen moet worden bepaald dat de steunaanvraag niet aan de geconstateerde oppervlakte hoeft te worden aangepast tenzij een bepaalde mate van verschil wordt overschreden.
Speciale bepalingen zijn nodig om rekening te houden met de bijzondere aspecten van steunaanvragen in het kader van de steunregelingen voor zetmeelaardappelen, zaaizaad en katoen.
In geval van een opzettelijk te hoge aangifte moeten bijzondere verlagingsvoorschriften gelden.
Er moeten uitvoeringsvoorschriften worden vastgesteld voor de berekeningsgrondslag voor premies voor dieren.
Het moet de landbouwers worden toegestaan de runderen en de schapen en geiten onder bepaalde voorwaarden en binnen de grenzen zoals aangegeven in de desbetreffende sectorale regelgeving, te vervangen.
Wat steunaanvragen voor dieren betreft, heeft een onregelmatigheid tot gevolg dat het betrokken dier niet subsidiabel is. Verlagingen moeten worden toegepast vanaf het eerste dier waarvoor een onregelmatigheid wordt ontdekt, maar wanneer voor niet meer dan drie dieren onregelmatigheden worden ontdekt, moet de sanctie minder streng zijn ongeacht om welk percentage van de dieren het gaat. In alle andere gevallen moet de hoogte van de sanctie afhankelijk zijn van het percentage dieren waarvoor onregelmatigheden worden ontdekt.
Voor schapen en geiten moet een aantal specifieke bepalingen worden vastgesteld in verband met de bijzondere kenmerken van de sector.
Wanneer een landbouwer als gevolg van natuurlijke omstandigheden niet kan voldoen aan de uit de sectorale regelgeving voortvloeiende verplichtingen tot het aanhouden van dieren, dienen geen verlagingen of uitsluitingen te worden toegepast.
Voor het geval dat een lidstaat kiest voor toepassing van de slachtpremie, moet vanwege het belang van de slachthuizen voor het behoorlijk functioneren van een aantal steunregelingen voor rundvee, ook een sanctieregeling worden vastgesteld voor gevallen waarin slachthuizen door grove nalatigheid of met opzet met onjuiste verklaringen of aangiften komen.
Ingeval de specifieke steun als bedoeld in artikel 68 van Verordening (EG) nr. 73/2009 als oppervlaktegebonden betaling of als betaling voor dieren wordt toegekend, dienen de daartoe vast te stellen bepalingen inzake verlagingen en uitsluitingen zo veel mogelijk van overeenkomstige toepassing te zijn. In de overige gevallen moeten de lidstaten voor elke maatregel in het kader van de specifieke steun voorzien in gelijkwaardige verlagingen en uitsluitingen.
Met het oog op de toepassing van adequate verlagingen wanneer de bevindingen dat rechtvaardigen, moet informatie over de resultaten van de controles op de naleving van de randvoorwaarden ter beschikking worden gesteld van alle betaalorganen die verantwoordelijk zijn voor het beheer van de verschillende betalingen waarvoor eisen in het kader van de randvoorwaarden gelden.
Ook moet voor gevallen waarin een lidstaat gebruikmaakt van de bij artikel 23, lid 2, of artikel 24, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 geboden mogelijkheid om geen verlaging toe te passen indien het gaat om een geval van niet-naleving van gering belang of om een bedrag van ten hoogste 100 EUR, worden bepaald hoe dient te worden gehandeld ten aanzien van landbouwers die de van hen verlangde corrigerende actie niet uitvoeren.
Wat de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden betreft, moeten de verlagingen en uitsluitingen niet alleen overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel worden gedifferentieerd, maar moet ook worden bepaald dat herhaalde inbreuken op dezelfde verplichting in het kader van de randvoorwaarden op een gegeven ogenblik, nadat de landbouwer een voorafgaande waarschuwing is gegeven, moeten worden behandeld als een opzettelijke niet-naleving.
In de regel dienen geen verlagingen of uitsluitingen met betrekking tot de subsidiabiliteitscriteria te worden toegepast wanneer de landbouwer feitelijk juiste informatie heeft verstrekt of kan bewijzen dat hem geen schuld treft.
Ten aanzien van landbouwers die op enig tijdstip onjuistheden in steunaanvragen melden aan de bevoegde nationale autoriteiten, dienen ongeacht de oorzaak van de onjuistheden geen verlagingen of uitsluitingen te worden toegepast mits de landbouwer niet op de hoogte is gebracht van het voornemen van de bevoegde autoriteit een controle ter plaatse uit te voeren, en de autoriteit de landbouwer niet reeds van een onregelmatigheid in de aanvraag in kennis heeft gesteld.
Hetzelfde dient te gelden voor onjuiste gegevens in het gecomputeriseerde gegevensbestand, zulks enerzijds ten aanzien van runderen waarvoor steun is aangevraagd en waarvoor de betrokken onregelmatigheden niet alleen een niet-naleving van een verplichting in het kader van de randvoorwaarden maar ook een inbreuk op een subsidiabiliteitscriterium betekenen, en anderzijds ten aanzien van runderen waarvoor geen steun is aangevraagd en waarvoor de betrokken onregelmatigheden slechts relevant zijn vanuit het oogpunt van de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden.
In artikel 31 van Verordening (EG) nr. 73/2009 worden gevallen van overmacht en uitzonderlijke omstandigheden genoemd die door de lidstaten moeten worden erkend. Wanneer een landbouwer door dergelijke gevallen niet aan zijn verplichtingen kan voldoen, mag hij zijn recht op de steunbetaling niet verliezen. Wel moet een termijn worden vastgesteld waarbinnen de landbouwer kennisgeving van een dergelijk geval moet doen.
Het beheer van kleine bedragen brengt veel werk mee voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. Daarom moet het de lidstaten worden toegestaan bedragen onder een bepaald minimum niet uit te betalen.
Er moeten nadere bepalingen worden vastgesteld om te zorgen voor een billijke toepassing van verschillende verlagingen ten aanzien van een of meer steunaanvragen van dezelfde landbouwer. De verlagingen en uitsluitingen waarin de onderhavige verordening voorziet, moeten worden toegepast onverminderd verdere sancties op grond van welke andere bepalingen van communautair of nationaal recht dan ook.
Er moet een volgorde worden vastgesteld voor de berekening van mogelijke verlagingen voor elke steunregeling. Om ervoor te zorgen dat de diverse voor de regelingen inzake rechtstreekse steunverlening vastgestelde begrotingsmaxima in acht worden genomen, moet met name worden bepaald dat de betalingen met een coëfficiënt moeten worden verlaagd om overschrijding van de maxima te voorkomen.
In de artikelen 7, 10 en 11 van Verordening (EG) nr. 73/2009 is bepaald dat de som van de in een bepaald kalenderjaar aan een landbouwer verschuldigde rechtstreekse betalingen moet worden verlaagd en, in voorkomend geval, moet worden aangepast op grond van respectievelijk de modulatie en de financiële discipline. De uitvoeringsbepalingen moeten voorzien in de grondslag voor de berekening van deze verlagingen en aanpassingen bij de berekening van het bedrag van de betalingen aan landbouwers.
Opdat het beginsel van goede trouw in de gehele Gemeenschap op uniforme wijze wordt toegepast wat de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen betreft, moet worden bepaald onder welke voorwaarden een beroep op dit beginsel kan worden gedaan, onverminderd de behandeling van de betrokken uitgaven in het kader van de goedkeuring van de rekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid(9).
Er moeten regels worden vastgesteld voor het geval dat een landbouwer te veel toeslagrechten heeft ontvangen of de waarde van elk van de toeslagrechten op een te hoog niveau is vastgesteld en dit niet onder artikel 137 van Verordening (EG) nr. 73/2009 valt. In sommige gevallen waarin een onterechte toewijzing van toeslagrechten niet van invloed was op de totale waarde van de toeslagrechten, doch slechts op het aantal toeslagrechten van de landbouwer moeten de lidstaten echter de toewijzing, of in voorkomend geval het type van toeslagrechten, corrigeren zonder de waarde ervan te verlagen. Dit dient echter alleen te gelden als de landbouwer de fout redelijkerwijs niet zelf had kunnen ontdekken. Voorts hebben in bepaalde gevallen ten onrechte toegewezen toeslagrechten betrekking op zeer kleine bedragen en is voor de intrekking van deze toeslagrechten een aanzienlijke administratieve inspanning nodig. Omwille van de eenvoud en omwille van het evenwicht tussen de administratieve inspanning en het in te trekken bedrag moet een minimumbedrag worden vastgesteld waaronder van intrekking mag worden afgezien. Bovendien moet een regeling worden getroffen voor het geval dat dergelijke toeslagrechten zijn overgedragen, en voor het geval dat bij de overdracht van toeslagrechten het bepaalde in artikel 46, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 of in artikel 43, artikel 62, leden 1 en 2, en artikel 68, lid 5, van Verordening (EG) nr. 73/2009 niet is nageleefd.
Geregeld moet worden wat de gevolgen zijn van de overdracht van een bedrijf in zijn geheel waarvoor op grond van de regelingen inzake rechtstreekse betalingen die onder het geïntegreerd systeem vallen, aan bepaalde verplichtingen moet worden voldaan.
In het algemeen moeten de lidstaten alle verdere maatregelen nemen die voor een behoorlijke werking van het geïntegreerd systeem noodzakelijk zijn. Zo nodig moeten de lidstaten elkaar bijstaan.
Voor zover dat relevant is, moet de Commissie worden geïnformeerd over de maatregelen die de lidstaten nemen om hun toepassing van het geïntegreerd systeem te wijzigen. Om de Commissie in staat te stellen een doeltreffend toezicht uit te oefenen op het geïntegreerd systeem, moeten de lidstaten haar bepaalde jaarlijkse controlestatistieken toezenden. Bovendien moeten de lidstaten de Commissie informeren over de maatregelen die zij nemen met betrekking tot de instandhouding van blijvend grasland, en over verlagingen die overeenkomstig artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 worden toegepast.
Artikel 9 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bevat voorschriften inzake de bedragen die uit de modulatie voortvloeien. Een deel van de bedragen moet worden toegewezen volgens een verdeelsleutel waarvoor voorschriften moeten worden opgesteld die berusten op de in dat artikel vastgestelde criteria.
De onderhavige verordening dient van toepassing te zijn met ingang van 1 januari 2010. Derhalve moet Verordening (EG) nr. 796/2004 met ingang van die datum worden ingetrokken. Zij moet evenwel van toepassing blijven voor steunaanvragen die betrekking hebben op verkoopseizoenen of premieperioden die vóór 1 januari 2010 zijn ingegaan.
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en van het Comité van beheer voor rechtstreekse betalingen,
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
DEEL I ALGEMENE BEPALINGEN
TITEL I TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES
Artikel 1 Toepassingsgebied
Artikel 2 Definities
Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 73/2009.
Voorts wordt verstaan onder:
-
„perceel landbouwgrond”: een aaneengesloten stuk grond dat door één landbouwer is aangegeven en dat niet meer dan één enkele gewasgroep omvat; in het geval echter dat in het kader van de onderhavige verordening een afzonderlijke aangifte van het gebruik van een oppervlakte binnen een gewasgroep nodig is, wordt het perceel landbouwgrond, indien noodzakelijk, verder begrensd door dat specifieke gebruik; de lidstaten mogen aanvullende criteria vaststellen voor een verdere afbakening van een perceel landbouwgrond;
-
„blijvend grasland”: blijvend grasland als gedefinieerd in artikel 2, onder c), van Verordening (EG) nr. 1120/2009(10);
-
„identificatie- en registratieregeling voor runderen”: de identificatie- en registratieregeling voor runderen die is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1760/2000;
-
„oormerk”: het oormerk om dieren individueel te identificeren als bedoeld in artikel 3, onder a), en artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1760/2000;
-
„gecomputeriseerd gegevensbestand voor runderen”: het in artikel 3, onder b), en artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde gecomputeriseerde gegevensbestand;
-
„dierpaspoort”: het in artikel 3, onder c), en artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde dierpaspoort;
-
„register”: het register dat houders van dieren bijhouden overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 21/2004 of artikel 3, onder d), en artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1760/2000;
-
„elementen van de identificatie- en registratieregeling voor runderen”: de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 genoemde elementen;
-
„identificatiecode”: de in artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde identificatiecode;
-
„onregelmatigheid”: elke niet-inachtneming van de voor de toekenning van de betrokken steun relevante voorschriften;
-
„verzamelaanvraag”: de aanvraag om rechtstreekse betalingen op grond van de bedrijfstoeslagregeling en de andere oppervlaktegebonden steunregelingen;
-
„oppervlaktegebonden steunregelingen”: de bedrijfstoeslagregeling, de oppervlaktegebonden betalingen in het kader van specifieke steun, en alle steunregelingen die zijn vastgesteld bij de titels IV en V van Verordening (EG) nr. 73/2009, met uitzondering van die welke zijn vastgesteld bij titel IV, afdelingen 7, 10 en 11, van die verordening, van de afzonderlijke suikerbetaling die is vastgesteld bij artikel 126 van die verordening, van de afzonderlijke betaling voor groenten en fruit die is vastgesteld bij artikel 127 van die verordening, en van de afzonderlijke betaling voor zacht fruit die is vastgesteld bij artikel 129 van die verordening;
-
„steunaanvraag voor dieren”: de aanvraag tot betaling van steun op grond van de regeling inzake schapen- en geitenpremies en de regelingen inzake rundvleesbetalingen zoals vastgesteld in titel IV, respectievelijk afdelingen 10 en 11, van Verordening (EG) nr. 73/2009, en tot veebetalingen of grootvee-eenhedenbetalingen in het kader van specifieke steun;
-
„specifieke steun”: de in artikel 68 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde steun;
-
„grondgebruik”: het gebruik van de grond in de zin van het type van gewas of bodembedekker of het ontbreken van een gewas;
-
„steunregelingen voor rundvee”: de in artikel 108 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde steunregelingen;
-
„steunregeling voor schapen en geiten”: de in artikel 99 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde steunregeling;
-
„runderen waarvoor steun is aangevraagd”: runderen waarvoor in het kader van de steunregelingen voor rundvee of in het kader van specifieke steun een steunaanvraag voor dieren is ingediend;
-
„runderen waarvoor geen steun is aangevraagd”: runderen waarvoor nog geen steunaanvraag voor dieren is ingediend, maar die in aanmerking kunnen komen voor steun op grond van de steunregelingen voor rundvee;
-
„potentieel premiabel dier”: een dier dat a priori kan voldoen aan de voorwaarden om recht te geven op de steun in het betrokken aanvraagjaar;
-
„aanhoudperiode”: de periode waarin een dier waarvoor steun is aangevraagd, overeenkomstig artikel 35, lid 3, en artikel 61 van Verordening (EG) nr. 1121/2009(11) op het bedrijf moet worden gehouden;
-
„houder van dieren”: een natuurlijke of rechtspersoon die permanent of tijdelijk verantwoordelijk is voor dieren, ook tijdens het vervoer of op een markt;
-
„geconstateerde oppervlakte”: de oppervlakte waarvoor aan alle in de voorschriften voor de toekenning van de steun gestelde voorwaarden is voldaan; in het geval van de bedrijfstoeslagregeling kan de aangegeven oppervlakte slechts als geconstateerd worden beschouwd indien deze daadwerkelijk gepaard gaat met een overeenkomstig aantal toeslagrechten;
-
„geconstateerd dier”: een dier waarvoor aan alle in de voorschriften voor de toekenning van de steun gestelde voorwaarden is voldaan;
-
„premieperiode”: de periode waarop steunaanvragen betrekking hebben, ongeacht het tijdstip waarop zij zijn ingediend;
-
„geografisch informatiesysteem” (hierna „GIS” genoemd): de in artikel 17 van Verordening (EG) nr. 73/2009 bedoelde technieken op basis van een geautomatiseerd geografisch informatiesysteem;
-
„referentieperceel”: een geografisch begrensde oppervlakte met een in het GIS geregistreerde unieke identificatie in het identificatiesysteem van de lidstaat als bedoeld in artikel 15 van Verordening (EG) nr. 73/2009;
-
„geografisch materiaal”: kaarten of andere documenten die worden gebruikt voor communicatie over de inhoud van het GIS tussen de aanvragers van steun en de lidstaten;
-
„nationaal referentiesysteem van coördinaten”: een systeem als bedoeld in Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad(12), dat een gestandaardiseerde meting en een unieke identificatie van percelen landbouwgrond in de gehele betrokken lidstaat mogelijk maakt;
-
„betaalorgaan”: de in artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1290/2005 bedoelde diensten en instanties;
-
„randvoorwaarden”: de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de eisen inzake een goede landbouw- en milieuconditie als bedoeld in de artikelen 5 en 6 van Verordening (EG) nr. 73/2009;
-
„terreinen van de randvoorwaarden”: de in artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 genoemde verschillende gebieden die worden onderscheiden voor de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen, en de in artikel 6 van die verordening bedoelde eisen inzake een goede landbouw- en milieuconditie;
-
„besluit”: elk van de afzonderlijke richtlijnen en verordeningen die zijn vermeld in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 73/2009;
-
„normen”: de overeenkomstig artikel 6 van en bijlage III bij Verordening (EG) nr. 73/2009 door de lidstaten vastgestelde normen, alsmede de bij artikel 4 van de onderhavige verordening vastgestelde verplichtingen inzake blijvend grasland;
-
„eis”: indien gebruikt in de context van de randvoorwaarden, elke afzonderlijke uit de regelgeving voortvloeiende beheerseis die is gebaseerd op een van de in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 73/2009 genoemde artikelen van een bepaald besluit, welke eis inhoudelijk verschilt van de andere in hetzelfde besluit gestelde eisen;
-
„niet-naleving”: elke niet-naleving van de eisen en normen;
-
„gespecialiseerde controle-instanties”: de in artikel 48 van de onderhavige verordening bedoelde nationale bevoegde controleautoriteiten die er overeenkomstig artikel 22, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 op moeten toezien dat de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de eisen inzake een goede landbouw- en milieuconditie worden nageleefd;
-
„die volgen op de betaling/dat volgt op de betaling”: voor de toepassing van de verplichtingen in het kader van de randvoorwaarden in de zin van de artikelen 85 unvicies en 103 septvicies van Verordening (EG) nr. 1234/2007: met ingang van 1 januari van het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarin de eerste betaling is toegekend.