Home

Verordening (EU) n r. 57/2011 van de Raad van 18 januari 2011 tot vaststelling, voor 2011, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de EU-wateren en, voor EU-vaartuigen, in bepaalde wateren buiten de EU, van toepassing zijn

Verordening (EU) n r. 57/2011 van de Raad van 18 januari 2011 tot vaststelling, voor 2011, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de EU-wateren en, voor EU-vaartuigen, in bepaalde wateren buiten de EU, van toepassing zijn

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

  1. Conform artikel 43, lid 3, van het Verdrag stelt de Raad op voorstel van de Commissie de maatregelen vast voor de vaststelling en toewijzing van de vangstmogelijkheden.

  2. Krachtens Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid(1) moeten, met inachtneming van de beschikbare wetenschappelijke, technische en economische adviezen en met name van de verslagen van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV), maatregelen inzake de toegang tot wateren en hulpbronnen en de duurzame uitoefening van visserijactiviteiten worden vastgesteld.

  3. De Raad moet maatregelen voor de vaststelling en toewijzing van de vangstmogelijkheden vaststellen per visserijtak of groep visserijtakken, inclusief, waar nodig, bepaalde voorwaarden die er functioneel verband mee houden. De vangstmogelijkheden moeten zo over de lidstaten worden verdeeld dat elke lidstaat een relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten voor elk bestand of elke visserijtak geniet, mede met inachtneming van de in Verordening (EG) nr. 2371/2002 vastgestelde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

  4. Wanneer een TAC aan één enkele lidstaat wordt toegewezen, is het dienstig de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 2, lid 1, van het Verdrag te machtigen het niveau van deze TAC vast te stellen. Daarbij moeten regelingen worden getroffen om te garanderen dat de betrokken lidstaat bij het vaststellen van dit TAC-niveau volledig in overeenstemming met de beginselen en voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid handelt en ervoor zorgt dat het betrokken bestand op een zodanig niveau wordt geëxploiteerd dat met een zo groot mogelijke waarschijnlijkheid vanaf 2015 de maximale duurzame opbrengst wordt gerealiseerd, onder meer door de nodige maatregelen te nemen om relevante gegevens te verzamelen, het betrokken bestand te evalueren en de maximale duurzame opbrengst ervan te bepalen.

  5. De TAC's dienen te worden vastgesteld op basis van de beschikbare wetenschappelijke adviezen, met inachtneming van de biologische en sociaaleconomische aspecten waarbij een gelijke behandeling van de visserijsectoren moet worden gegarandeerd, en in het licht van de standpunten die naar voren zijn gekomen tijdens de raadpleging van de belanghebbenden, met name op de bijeenkomsten met het Raadgevend Comité voor de visserij en de aquacultuur en de betrokken regionale adviesraden.

  6. Voor bestanden waarvoor specifieke meerjarenplannen gelden, dienen de TAC's overeenkomstig de in die plannen vervatte voorschriften te worden vastgesteld. Bijgevolg dienen de TAC's voor de bestanden van heek, langoustine en tong in de Golf van Biskaje, het westelijk deel van het Kanaal en de Noordzee, schol in de Noordzee, haring in het gebied ten westen van Schotland en kabeljauw in het Kattegat, de Noordzee en het Skagerrak, het oostelijk deel van het Kanaal, het gebied ten westen van Schotland en de Ierse Zee te worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EG) nr. 811/2004 van de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling van herstelmaatregelen voor het noordelijke heekbestand(2), Verordening (EG) nr. 2166/2005 van de Raad van 20 december 2005 tot vaststelling van maatregelen voor het herstel van de bestanden van zuidelijke heek en langoustines in de Cantabrische Zee en ten westen van het Iberisch Schiereiland(3), Verordening (EG) nr. 388/2006 van de Raad van 23 februari 2006 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in de Golf van Biskaje(4), Verordening (EG) nr. 509/2007 van de Raad van 7 mei 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in het westelijk Kanaal(5), Verordening (EG) nr. 676/2007 van de Raad van 11 juni 2007 tot vaststelling van een beheersplan voor de bevissing van de schol- en tongbestanden in de Noordzee(6), Verordening (EG) nr. 1300/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een meerjarenplan voor het haringbestand in het gebied ten westen van Schotland en de visserijen die dat bestand exploiteren(7), Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden(8), en Verordening (EG) nr. 302/2009 van de Raad van 6 april 2009 betreffende een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee(9).

  7. Op grond van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC's en quota(10) moet worden bepaald op welke bestanden de verschillende, in die verordening bedoelde maatregelen van toepassing zijn.

  8. Voor sommige soorten, zoals bepaalde haaisoorten, kan zelfs een beperkte vorm van visserijactiviteit een ernstig risico inhouden voor de instandhouding van de soort. Voor dergelijke soorten moet derhalve een volledige beperking van de vangstmogelijkheden worden opgelegd middels een totaalverbod op de visserij op deze soorten.

  9. Langoustine wordt in gemengde visserijen op demersale soorten samen met diverse andere soorten gevangen. In een gebied ten westen van Ierland, bekend als de Porcupine Bank, is er een dringende behoefte aan instandhoudingsmaatregelen om de vangsten van langoustine zo veel mogelijk te beperken. Het is derhalve dienstig de vangstmogelijkheden in dit gebied te beperken tot uitsluitend de vangst van pelagische soorten zonder bijvangst van langoustine.

  10. Gelet op de recente ontwikkelingen in de visserij op evervissen in de ICES-deelgebieden VI, VII en VIII en met het oog op een duurzaam beheer van dit bestand, is het aangewezen voor evervissen vangstbeperkingen in te stellen.

  11. De maxima voor de visserijinspanning voor 2011 dienen te worden vastgesteld overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2166/2005, artikel 5 van Verordening (EG) nr. 509/2007, artikel 9 van Verordening (EG) nr. 676/2007, de artikelen 11 en 12 van Verordening (EG) nr. 1342/2008 en de artikelen 5 en 9 van Verordening (EG) nr. 302/2009, en rekening houdend met Verordening (EG) nr. 754/2009 van de Raad van 27 juli 2009 tot uitsluiting van bepaalde groepen vaartuigen van de visserijinspanningsregeling die is vastgesteld in hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 1342/2008(11).

  12. De visserijinspanningsregeling als vastgesteld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1342/2008 is, uit hoofde van Verordening (EG) nr. 754/2009, niet van toepassing op een groep Franse vaartuigen. Volgens de door Frankrijk in 2010 verstrekte informatie leidt het uitsluiten van deze groep vaartuigen van de visserijinspanningsregeling evenwel niet langer tot een vermindering van de administratieve belasting, wat betekent dat één van de voorwaarden voor uitsluiting van de toepassing niet langer wordt vervuld. Het is derhalve aangewezen die groep Franse vaartuigen opnieuw op te nemen in voornoemde visserijinspanningsregeling. Aangezien de in bijlage IIA bij Verordening (EU) nr. 53/2010(12) vastgestelde beheersperiode voor de visserijinspanning afloopt op 31 januari 2011, zou de groep opnieuw moeten worden opgenomen met ingang van 1 februari 2011.

  13. Volgens het advies van de ICES is het noodzakelijk een systeem te handhaven, zij het met herziening, voor het beheer van zandspiering in de EU-wateren van de ICES-sectoren IIa en IIIa en ICES-deelgebied IV.

  14. In het licht van het meest recente wetenschappelijke advies van de ICES en overeenkomstig de internationale verbintenissen in het kader van het Verdrag inzake de visserij in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC) dient de visserijinspanning op bepaalde diepzeesoorten te worden beperkt.

  15. De Unie heeft, volgens de procedure die is vastgesteld in de overeenkomsten of protocollen inzake de visserijrelaties met Noorwegen(13), de Faeröer(14) en Groenland(15) met deze partners overleg gepleegd over de visserijrechten. Het overleg met de Faeröer is nog niet afgesloten, en verwacht wordt dat de regeling voor 2011 met deze partner begin 2011 tot stand zal komen. Om te voorkomen dat de visserijactiviteiten van de Unie moeten worden gestaakt, en tegelijkertijd voldoende ruimte te laten om begin 2011 tot een regeling te komen, is het dienstig dat de Unie voor bestanden die onder de overeenkomst met de Faeröer vallen, voorlopige vangstmogelijkheden vaststelt.

  16. De Unie is verdragsluitende partij bij verscheidene visserijorganisaties en neemt aan andere organisaties deel als samenwerkende niet-verdragsluitende partij. Voorts worden de visserijovereenkomsten die de Republiek Polen vóór de toetreding tot de Europese Unie heeft gesloten, zoals de Overeenkomst voor de instandhouding en het beheer van de alaskakoolvisbestanden in het centrale gedeelte van de Beringzee, krachtens de Toetredingsakte van 2003 vanaf de datum van toetreding beheerd door de Unie. De visserijorganisaties hebben aanbevolen om voor 2011 een aantal maatregelen in te voeren, onder meer vangstmogelijkheden voor EU-vaartuigen. Deze vangstmogelijkheden moeten in het recht van de Unie ten uitvoer worden gelegd.

  17. De Inter-Amerikaanse Commissie voor tropische tonijn (IATTC) is er tijdens haar jaarlijkse vergadering in 2010 niet in geslaagd een consensus te bereiken over de vaststelling van instandhoudingsmaatregelen voor geelvintonijn, grootoogtonijn en gestreepte tonijn. Niettemin was de meerderheid van de verdragsluitende partijen, waaronder de Unie, van oordeel dat de vangstmogelijkheden voor deze drie bestanden dienen te worden gereguleerd teneinde het duurzame beheer ervan te garanderen. Het is derhalve dienstig dat de Unie maatregelen in die zin neemt.

  18. Tijdens haar jaarlijkse vergadering in 2010 heeft de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (ICCAT) tabellen goedgekeurd van de onderbenutting en de overbenutting van de vangstmogelijkheden van de bij de ICCAT aangesloten partijen. In dit verband heeft de ICCAT een besluit aangenomen waarin geconstateerd wordt dat de Unie in 2009 haar quota voor Atlantische en mediterrane zwaardvis, grootoogtonijn en Noord-Atlantische witte tonijn heeft onderbenut. Om rekening te houden met de door de ICCAT in de quota van de Unie aangebrachte aanpassingen, is het noodzakelijk de uit die onderbenutting voortvloeiende vangstmogelijkheden over de lidstaten te spreiden op basis van het respectieve aandeel van elke lidstaat in de onderbenutting, zonder te raken aan de in de onderhavige verordening bepaalde verdeelsleutel voor de jaarlijkse toewijzing van de TAC's. Tijdens deze vergadering is het herstelplan voor blauwvintonijn aangepast. Voorts heeft de ICCAT aanbevelingen aangenomen betreffende de instandhouding van grootoogvoshaaien, hamerhaaien en witpunthaaien. Met het oog op de instandhouding van visbestanden is het noodzakelijk deze maatregelen in het recht van de Unie uit te voeren.

  19. De Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (IOTC) heeft tijdens haar jaarlijkse vergadering in 2010 besloten tot een herziening van de totale capaciteit van de vloten die in de periode 2007-2008 op tropische tonijn en in de periode 2007-2008 op zwaardvis en witte tonijn hebben gevist. De IOTC heeft tevens de tenuitvoerlegging van vlootontwikkelingsplannen goedgekeurd. Voorts heeft de IOTC een resolutie goedgekeurd over de instandhouding van voshaaien (familie Alopiidae) die worden bijgevangen in het kader van andere visserijen in haar bevoegdheidsgebied.

  20. Tijdens de derde internationale vergadering over de oprichting van een Regionale Organisatie voor het visserijbeheer op volle zee in het zuidelijk deel van de Stille Oceaan (SPRFMO) in mei 2007, hebben de deelnemers tussentijdse maatregelen goedgekeurd, waaronder vangstmogelijkheden, om, in afwachting van de oprichting van deze regionale organisatie voor het visserijbeheer, de pelagische en de bodemvisserij in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan te reguleren. Die tussentijdse maatregelen zijn herzien tijdens het 8e internationale overleg over de oprichting van de SPRFMO in november 2009 en zullen vermoedelijk nogmaals worden herzien tijdens de komende tweede voorbereidende conferentie voor de SPRFMO-Commissie in januari 2011. Conform het door de deelnemers bereikte akkoord zijn deze tussentijdse maatregelen vrijwillig en niet juridisch bindend uit hoofde van het internationale recht. In het licht van de desbetreffende bepalingen in de VN-visbestandenovereenkomst lijkt het niettemin raadzaam die maatregelen uit te voeren in het recht van de Unie.

  21. Tijdens haar jaarlijkse vergadering in 2010 heeft de Visserijorganisatie voor het zuidoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (SEAFO) vangstbeperkingen vastgesteld voor vier visbestanden in het SEAFO-verdragsgebied. Deze vangstbeperkingen moeten in het recht van de Unie worden uitgevoerd.

  22. Overeenkomstig artikel 291 van het Verdrag moeten de maatregelen die nodig zijn voor het vaststellen van vangstbeperkingen voor bepaalde kortlevende bestanden gezien de urgentie worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(16).

  23. Bepaalde internationale maatregelen waarbij vangstmogelijkheden voor de Unie worden ingesteld of beperkt, worden op het einde van het jaar door de betrokken regionale organisaties voor visserijbeheer vastgesteld en worden van kracht vóór de inwerkingtreding van deze verordening. Derhalve dienen de bepalingen ter uitvoering van die maatregelen in het recht van de Unie met terugwerkende kracht van toepassing te zijn. Aangezien met name bepaalde vangstmogelijkheden in het CCAMLR-verdragsgebied worden vastgesteld voor een periode die aanvangt op 1 december 2010, dienen de relevante bepalingen van deze verordening vanaf die datum van toepassing te zijn. Die toepassing met terugwerkende kracht laat het beginsel van het gewettigd vertrouwen onverlet, aangezien CCAMLR-leden niet zonder vergunning in het verdragsgebied mogen vissen.

  24. De in de onderhavige verordening vastgestelde vangstmogelijkheden moeten worden gebruikt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid(17) moet garanderen, en met name de artikelen 33 en 34 over, respectievelijk, de registratie van de vangsten en de visserijinspanning en de melding van gegevens over de uitputting van de vangstmogelijkheden. Derhalve dient te worden gepreciseerd welke codes de lidstaten moeten gebruiken wanneer zij gegevens met betrekking tot de aanlandingen van onder de onderhavige verordening vallende bestanden aan de Commissie doen toekomen.

  25. Met het oog op de continuïteit van de visserijactiviteiten en om het inkomen van de vissers in de Unie veilig te stellen, dient deze verordening met ingang van 1 januari 2011 van toepassing te zijn, met uitzondering van de bepalingen betreffende de beperkingen van de visserijinspanning, die van toepassing moeten zijn vanaf 1 februari 2011, en specifieke bepalingen voor bijzondere gebieden, die een specifieke datum van toepassing moeten hebben zoals aangegeven in overweging 23. Gezien de urgentie dient deze verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking te treden.

  26. De vangstmogelijkheden dienen in volledige overeenstemming met het toepasselijke recht van de Unie te worden gebruikt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1 Onderwerp

Bij deze verordening worden de volgende vangstmogelijkheden vastgesteld:

  1. voor het jaar 2011, de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden;

  2. voor de periode van 1 februari 2011 tot en met 31 januari 2012, bepaalde beperkingen van de visserijinspanning;

  3. voor de in de artikelen 20, 21 en 22 en de bijlagen IE en V vastgestelde perioden, de vangstmogelijkheden voor bepaalde bestanden in het gebied van het Verdrag inzake de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (CCAMLR);

  4. voor de in artikel 28 vastgestelde perioden, de vangstmogelijkheden voor bepaalde bestanden in het gebied van de Inter-Amerikaanse Commissie voor tropische tonijn (IATTC), en

  5. extra vangstmogelijkheden voor de door de ongebruikte quota van 2010 ontstane vangstmogelijkheden voor makreel.

Artikel 2 Toepassingsgebied

Tenzij anders bepaald is deze verordening van toepassing op:

  1. EU-vaartuigen, en

  2. vaartuigen van derde landen in EU-wateren.

Artikel 3 Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

a) „EU-vaartuigen” :
vissersvaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren en in de Unie zijn geregistreerd;
b) „vaartuigen van derde landen” :
vissersvaartuigen die de vlag voeren van en geregistreerd zijn in een derde land;
c) „EU-wateren” :
wateren onder de soevereiniteit of jurisdictie van de lidstaten, met uitzondering van de wateren die grenzen aan de in bijlage II bij het Verdrag genoemde gebieden;
d) „totaal toegestane vangsten (TAC's)” :
de hoeveelheden die elk jaar van elk bestand mogen worden gevangen en aangeland;
e) „quotum” :
een vast aandeel van de aan de Unie, de lidstaten of derde landen toegewezen TAC's;
f) „internationale wateren” :
wateren die niet onder de soevereiniteit of jurisdictie van enige staat vallen;
g) „maaswijdte” :
de maaswijdte zoals vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 517/2008(18);
h) „EU-vissersvlootregister” :
het register dat door de Commissie is ingevoerd overeenkomstig artikel 15, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2371/2002;
i) „visserijlogboek” :
het logboek als bedoeld in artikel 14 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

Artikel 4 Visserijzones

TITEL II VANGSTMOGELIJKHEDEN VOOR EU-VAARTUIGEN

HOOFDSTUK I Algemene bepalingen

Artikel 5 TAC's en toewijzingen

Artikel 6 Bijzondere bepalingen inzake bepaalde TAC's

Artikel 7 Extra toewijzing voor vaartuigen die deelnemen aan proeven met betrekking tot volledig gedocumenteerde visserij

Artikel 8 Verboden soorten

Artikel 9 Bijzondere bepalingen inzake toewijzingen

Artikel 10 Beperkingen van de visserijinspanning

Artikel 11 Vangst- en inspanningsbeperkingen voor de diepzeevisserij

Artikel 12 Voorwaarden voor de aanlanding van vangsten en bijvangsten

Artikel 13 Beperkingen op het gebruik van bepaalde vangstmogelijkheden

Artikel 14 Gegevensverstrekking

HOOFDSTUK II Vismachtigingen in wateren van derde landen

Artikel 15 Vismachtigingen

HOOFDSTUK III Vangstmogelijkheden in wateren van regionale organisaties voor visserijbeheer

Afdeling 1 Gebied van het ICCAT-verdrag

Artikel 16 Beperkingen van de visserij en van de kweek- en mestcapaciteit voor blauwvintonijn
Artikel 17 Aanvullende voorwaarden voor de in bijlage ID toegewezen quota voor blauwvintonijn
Artikel 18 Recreatie- en sportvisserij
Artikel 19 Haaien

Afdeling 2 Gebied van het CCAMLR-verdrag

Artikel 20 Verbodsbepalingen en vangstbeperkingen
Artikel 21 Experimentele visserij
Artikel 22 Visserij op Antarctisch krill in het visseizoen 2011/2012

Afdeling 3 Gebied van de IOTC-Commissie

Artikel 23 Beperking van de visserijcapaciteit van vaartuigen die in het IOTC-gebied vissen
Artikel 24 Haaien

Afdeling 4 SPRFMO-Gebied

Artikel 25 Pelagische visserij - capaciteitsbeperking
Artikel 26 Pelagische visserij - TAC's
Artikel 27 Bodemvisserij

Afdeling 5 IATTC-Gebied

Artikel 28 Ringzegenvisserij

Afdeling 6 SEAFO-Gebied

Artikel 29 Maatregelen ter bescherming van diepzeehaaien

Afdeling 7 WCPFC-Gebied

Artikel 30 Beperkingen van de visserijinspanning voor grootoogtonijn, geelvintonijn, gestreepte tonijn en zuidelijke witte tonijn
Artikel 31 Gesloten gebied voor de visserij met visconcentratievoorzieningen (FAD's)
Artikel 32 Gesloten gebieden voor de ringzegenvisserij
Artikel 33 Beperking van het aantal EU-vaartuigen dat op zwaardvis mag vissen

Afdeling 8 Beringzee

Artikel 34 Verbod op de visserij in de volle zee van de Beringzee

TITEL III VANGSTMOGELIJKHEDEN VOOR VAARTUIGEN VAN DERDE LANDEN IN EU-WATEREN

Artikel 35 TAC's

Artikel 36 Vismachtigingen

Artikel 37 Verboden soorten

TITEL IV SLOTBEPALINGEN

Artikel 38 Wijziging van Verordening (EG) nr. 754/2009

Artikel 39 Inwerkingtreding en toepassing

BIJLAGE I

BIJLAGE IA

BIJLAGE IB

BIJLAGE IC

BIJLAGE ID

BIJLAGE IE

BIJLAGE IF

BIJLAGE IG

BIJLAGE IH

BIJLAGE IJ

BIJLAGE IIA

Aanhangsel 1 bij bijlage IIA

Aanhangsel 2 bij bijlage IIA

BIJLAGE IIB

BIJLAGE IIC

BIJLAGE IID

Aanhangsel 1 bij Bijlage IID

BIJLAGE III

BIJLAGE IV

BIJLAGE V

BIJLAGE VI

BIJLAGE VII

BIJLAGE VIII