Home

Besluit 2012/285/GBVB van de Raad van 31 mei 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Guinee-Bissau en tot intrekking van Besluit 2012/237/GBVB

Besluit 2012/285/GBVB van de Raad van 31 mei 2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Guinee-Bissau en tot intrekking van Besluit 2012/237/GBVB

Artikel 1

1.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om binnenkomst op of doorreis via hun grondgebied te beletten van:

  1. personen die op de lijst in de bijlage bij Resolutie 2048 (2012) van de VN-Veiligheidsraad zijn geplaatst, en andere personen die door de Veiligheidsraad of het op grond van punt 9 van Resolutie 2048 (2012) van de VN-Veiligheidsraad ingestelde comité („het comité”) overeenkomstig punt 6 van Resolutie 2048 (2012) van de VN-Veiligheidsraad op een lijst zijn geplaatst, als vermeld in bijlage I;

  2. niet onder bijlage I vallende personen die activiteiten bedrijven of daaraan hun steun verlenen die de vrede, de veiligheid of de stabiliteit van de Republiek Guinee-Bissau bedreigen, en met hen geassocieerde personen, als vermeld in bijlage II.

2.

Lid 1 houdt niet in dat de lidstaten verplicht zijn hun eigen onderdanen de toegang tot hun grondgebied te ontzeggen.

3.

Lid 1, onder a), is niet van toepassing wanneer het comité vaststelt:

  1. dat de reis gerechtvaardigd is om dringende humanitaire redenen, religieuze voorschriften daaronder begrepen, of

  2. dat een vrijstelling een gunstige invloed zou hebben op de doelstellingen van vrede en nationale verzoening in de Republiek Guinee-Bissau of op stabiliteit in de regio.

4.

Lid 1, onder a), is niet van toepassing indien binnenkomst of doorreis noodzakelijk is in verband met een gerechtelijk proces.

5.

Lid 1, onder b), laat de gevallen onverlet waarin lidstaten uit hoofde van het internationale recht gebonden zijn, en wel:

  1. als gastland van een internationale intergouvernementele organisatie;

  2. als gastland van een internationale conferentie die is bijeengeroepen door, of plaatsvindt onder auspiciën van de Verenigde Naties;

  3. krachtens een multilaterale overeenkomst die voorrechten en immuniteiten verleent, of

  4. krachtens het Concordaat (Verdrag van Lateranen) van 1929, dat werd gesloten tussen de Heilige Stoel (Vaticaanstad) en Italië.

6.

Lid 5 wordt ook geacht van toepassing te zijn op gevallen waarin een lidstaat optreedt als gastland van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE).

7.

De Raad wordt naar behoren geïnformeerd over alle gevallen waarin een lidstaat krachtens lid 5 of lid 6 een vrijstelling verleent.

8.

De lidstaten kunnen vrijstellingen van de krachtens lid 1, onder b), opgelegde maatregelen verlenen voor reizen die plaatsvinden op grond van dringende humanitaire noden, of om vergaderingen van intergouvernementele instanties, met inbegrip van door de Unie geïnitieerde vergaderingen, of vergaderingen waarvoor een lidstaat als fungerend voorzitter van de OVSE als gastheer optreedt, bij te wonen wanneer een politieke dialoog wordt gevoerd waarbij de democratie, de mensenrechten en de rechtsstaat in de Republiek Guinee-Bissau rechtstreeks worden bevorderd.

9.

Een lidstaat die de in lid 8 bedoelde vrijstellingen wil verlenen, brengt zulks schriftelijk ter kennis van de Raad. De vrijstelling wordt geacht te zijn toegestaan, tenzij door één of meer leden van de Raad binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisgeving van de voorgestelde vrijstelling, schriftelijk bezwaar wordt gemaakt bij de Raad. Indien door één of meer leden van de Raad bezwaar wordt gemaakt, kan de Raad niettemin met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten de voorgestelde vrijstelling te verlenen.

10.

Wanneer een lidstaat krachtens de leden 5, 6, 8 of 9 een machtiging verleent tot binnenkomst op of doorreis via zijn grondgebied van de in bijlage II vermelde personen, dan geldt deze machtiging uitsluitend voor het doel waarvoor ze is verleend en voor de daarbij betrokken personen.

Artikel 2

1.

Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in bezit zijn van of onder zeggenschap staan van de natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die activiteiten bedrijven, of daaraan hun steun verlenen, die de vrede, de veiligheid of de stabiliteit van de Republiek Guinee-Bissau bedreigen, alsmede van de met hen geassocieerde natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, als vermeld in bijlage III, worden bevroren.

2.

Er worden geen tegoeden of economische middelen rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van de in bijlage III genoemde natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.

3.

De bevoegde autoriteit van een lidstaat kan, onder voorwaarden die zij passend acht, toestemming geven voor de vrijgave of de beschikbaarstelling van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, indien zij heeft vastgesteld dat de tegoeden of economische middelen:

  1. noodzakelijk zijn voor het dekken van uitgaven voor de basisbehoeften van de in bijlage III genoemde personen en de leden van hun gezin die van hen afhankelijk zijn, zoals betalingen voor voedsel, huur of hypotheeklasten, geneesmiddelen of geneeskundige behandelingen, belastingen, verzekeringspremies of openbare voorzieningen;

  2. uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van redelijke honoraria en de vergoeding van gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten;

  3. uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van honoraria of kosten voor het loutere houden of beheren van bevroren tegoeden en economische middelen;

  4. noodzakelijk zijn voor de betaling van buitengewone lasten, mits de bevoegde autoriteit de overige bevoegde autoriteiten en de Commissie ten minste twee weken voor zij de toestemming geeft, in kennis heeft gesteld van de redenen waarom zij meent dat specifieke toestemming moet worden gegeven.

De lidstaten stellen elkaar en de Commissie in kennis van elke toestemming die overeenkomstig dit lid is verleend.

4.

In afwijking van lid 1 kan de bevoegde autoriteit van een lidstaat toestemming geven voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. de desbetreffende tegoeden of economische middelen zijn het voorwerp van een gerechtelijk, administratief of arbitraal retentierecht of vonnis dat is vastgesteld vóór de datum waarop de natuurlijke of rechtspersoon, de entiteit of het lichaam, bedoeld in lid 1, in bijlage III werd opgenomen;

  2. de tegoeden en economische middelen worden uitsluitend aangewend om te voldoen aan vorderingen die door een dergelijk retentierecht zijn gewaarborgd of door een dergelijk vonnis geldig zijn verklaard, overeenkomstig de wet- en regelgeving tot vaststelling van de rechten van de personen die titularis zijn van dergelijke vorderingen;

  3. het retentierecht of het vonnis komt niet ten goede aan een in bijlage III genoemde natuurlijke of rechtspersoon, entiteit of lichaam;

  4. de erkenning van het retentierecht of het vonnis is niet in strijd met de openbare orde van de betrokken lidstaat.

De lidstaten stellen elkaar en de Commissie in kennis van elke toestemming die overeenkomstig dit lid is verleend.

5.

Lid 2 is niet van toepassing op de bijboeking op bevroren rekeningen van:

  1. rente of andere inkomsten op die bevroren rekeningen, of

  2. betalingen die verschuldigd zijn krachtens contracten, overeenkomsten of verplichtingen die zijn gesloten of ontstaan vóór de datum waarop het bepaalde in dit besluit op deze rekeningen van toepassing werd,

waarbij met betrekking tot deze rente, andere inkomsten en betalingen lid 1 steeds van toepassing blijft.

6.

De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op de verstrekking, verwerking of betaling van tegoeden, andere financiële activa of economische middelen of op de verstrekking van goederen of diensten die noodzakelijk zijn voor de tijdige verstrekking van humanitaire bijstand of voor het steunen van andere activiteiten die beantwoorden aan elementaire menselijke behoeften wanneer dergelijke bijstand en andere activiteiten worden uitgevoerd door:

  1. de Verenigde Naties, met inbegrip van hun programma’s, fondsen en andere entiteiten en organen, alsmede hun gespecialiseerde agentschappen en aanverwante organisaties;

  2. internationale organisaties;

  3. humanitaire organisaties met de status van waarnemer bij de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en leden van die humanitaire organisaties;

  4. bilateraal of multilateraal gefinancierde niet-gouvernementele organisaties die deelnemen aan de humanitaire responsplannen van de Verenigde Naties, de responsplannen voor vluchtelingen, andere oproepen van de Verenigde Naties of humanitaire clusters die worden gecoördineerd door het Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden van de Verenigde Naties (OCHA), of door

  5. de werknemers, begunstigden, ondergeschikte organen of uitvoerende partners van de in punten a) tot en met d) genoemde entiteiten terwijl en voor zover zij in die hoedanigheid handelen.

Artikel 3

1.

De Raad wijzigt bijlage I op basis van de vaststellingen van de Veiligheidsraad of het comité.

2.

De Raad stelt op voorstel van een lidstaat of van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid de noodzakelijke wijzigingen van de lijsten in de bijlagen II en III vast.

3.

De Raad stelt de natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die in de lijst in bijlage III worden opgenomen in kennis van zijn besluit en van de motivering voor plaatsing op de lijst, hetzij rechtstreeks, indien het adres bekend is, hetzij middels de bekendmaking van een kennisgeving, zodat de betrokken natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten of lichamen daarover opmerkingen kunnen indienen.

4.

Indien er opmerkingen worden ingediend of substantieel nieuw bewijsmateriaal wordt overgelegd, toetst de Raad zijn besluit en brengt hij de betrokken natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die in de lijst in bijlage III zijn opgenomen, daarvan op de hoogte.

Artikel 4

Om het effect van de in dit besluit genoemde maatregelen zo groot mogelijk te maken, moedigt de Unie derde landen aan soortgelijke beperkende maatregelen als de in dit besluit vervatte, te treffen.

Artikel 5

1.

Dit besluit wordt, met name in het licht van de toepasselijke besluiten van de Veiligheidsraad, naargelang van het geval herzien, gewijzigd of ingetrokken.

2.

De in artikel 1, lid 1, onder b), en in artikel 2 bedoelde maatregelen worden met regelmatige tussenpozen en ten minste om de 12 maanden opnieuw bezien. Zij zijn niet langer van toepassing ten aanzien van de betrokken personen of entiteiten indien de Raad overeenkomstig de in artikel 3, lid 2, bedoelde procedure vaststelt dat de voorwaarden voor de toepassing ervan niet langer vervuld zijn.

Artikel 6

Artikel 7

BIJLAGE I

BIJLAGE II

BIJLAGE III