Home

Verordening (EU) n r. 617/2013 van de Commissie van 26 juni 2013 houdende uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de eisen inzake ecologisch ontwerp voor computers en computerservers (Voor de EER relevante tekst)

Verordening (EU) n r. 617/2013 van de Commissie van 26 juni 2013 houdende uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de eisen inzake ecologisch ontwerp voor computers en computerservers (Voor de EER relevante tekst)

Artikel 1 Onderwerp en toepassingsgebied

1.

Bij deze verordening worden eisen inzake ecologisch ontwerp vastgesteld voor het op de markt brengen van computers en computerservers.

2.

Deze verordening is van toepassing op de volgende producten die rechtstreeks op de wisselstroomspanning van het elektriciteitsnet kunnen worden aangesloten, onder meer via een externe of interne stroomvoorziening:

  1. desktopcomputers;

  2. geïntegreerde desktopcomputers;

  3. notebookcomputers (met inbegrip van tabletcomputers, slatecomputers en mobiele thin clients);

  4. desktop thin clients;

  5. werkstations;

  6. mobiele werkstations;

  7. kleinschalige servers;

  8. computerservers.

3.

Deze verordening is niet van toepassing op de volgende productgroepen:

  1. bladesystemen en -componenten;

  2. server appliances;

  3. multinodeservers;

  4. computerservers met meer dan vier processorsockets;

  5. spelconsoles;

  6. dockingstations.

Artikel 2 Definities

De volgende definities zijn van toepassing:

    1. „computer” :
    een apparaat dat logische bewerkingen uitvoert en gegevens verwerkt, dat invoerapparaten kan gebruiken en informatie kan uitvoeren naar een beeldscherm en dat normaliter een centrale verwerkingseenheid (CPU) bevat voor het uitvoeren van bewerkingen. Als geen CPU aanwezig is, moet het apparaat werken als clientgateway naar een computerserver die als verwerkingsrekeneenheid fungeert;
    2. „computerserver” :

    een computerproduct dat aan clientapparaten, zoals desktopcomputers, notebookcomputers, desktop thin clients, IP (internetprotocol)-telefoons of andere computerservers, diensten verleent en in netwerken georganiseerde systeemelementen biedt. Computerservers worden doorgaans op de markt gebracht voor gebruik in datacentra en kantoor- en bedrijfsomgevingen. Computerservers worden primair bediend via netwerkverbindingen en niet met direct ermee verbonden gebruikersinvoerapparaten zoals een toetsenbord of een muis.

    Computerservers hebben de volgende kenmerken:

    1. zij zijn ontworpen om besturingssystemen voor computerservers en/of hypervisors te ondersteunen en bedoeld voor het uitvoeren van door de gebruiker geïnstalleerde bedrijfstoepassingen;

    2. zij ondersteunen geheugen met foutcorrectiecode (ECC) en/of gebufferd geheugen (waaronder zowel gebufferde dual in-line memory modules (DIMM’s) als buffered-on-board (BOB)-configuraties;

    3. zij worden op de markt gebracht met één of meer stroomvoorzieningen die wisselspanning in gelijkspanning omzetten;

    4. alle processoren hebben toegang tot het gedeelde systeemgeheugen en zijn afzonderlijk aanspreekbaar door één besturingssysteem of hypervisor;

    3. „externe stroomvoorziening” :

    een apparaat met de volgende kenmerken:

    1. het is ontworpen om wisselstroomspanning van het elektriciteitsnet om te zetten in laagspanningsgelijk- of wisselstroom;

    2. het is in staat om slechts naar één gelijk- of wisselstroomspanning tegelijk om te zetten;

    3. het is bestemd om te worden gebruikt met een afzonderlijk toestel, het primaire stroomverbruikende toestel;

    4. het bevindt zich in een behuizing die fysiek is gescheiden van het primaire stroomverbruikende toestel;

    5. het is met het primaire stroomverbruikende toestel verbonden via verwijderbare of vastbedrade mannelijke/vrouwelijke elektrische aansluitingen, kabels, snoeren of andere bedradingen, en

    6. het nominale uitgangsvermogen bedraagt niet meer dan 250 Watt;

    4. „interne stroomvoorziening” :

    een onderdeel dat ontworpen is om wisselspanning van het elektriciteitsnet om te zetten naar gelijkspanning om de computer of computerserver van stroom te voorzien, en dat de volgende kenmerken heeft:

    1. het bevindt zich binnen de behuizing van de computer of computerserver, maar los van het moederbord van de computer of computerserver;

    2. de stroomvoorziening is verbonden met het elektriciteitsnet door middel van een enkelvoudige kabel zonder tussenschakelingen tussen de stroomvoorziening en het elektriciteitsnet, en

    3. alle aansluitingen tussen de stroomvoorziening en de onderdelen van de computer of computerserver, met uitzondering van een gelijkspanningsaansluiting voor een beeldscherm in een geïntegreerde desktopcomputer, bevinden zich binnen de computerbehuizing.

    Interne gelijkstroom-naar-gelijkstroomomzetters die worden gebruikt om één gelijkspanning van een externe stroomvoorziening om te zetten naar verscheidene spanningen voor de computer, worden niet als interne stroomvoorzieningen beschouwd;

    5. „desktopcomputer” :

    een computer waarvan de hoofdeenheid op een vaste plaats hoort te staan en niet is ontworpen met het oog op draagbaarheid, en die is ontworpen om te worden gebruikt met een extern beeldscherm en externe randapparatuur zoals een toetsenbord en een muis.

    Voor de toepassing van deze verordening worden de volgende categorieën desktopcomputers onderscheiden:

    a)desktopcomputers van „categorie A” : :
    desktopcomputers die niet voldoen aan de criteria voor desktopcomputers van categorie B, categorie C of categorie D;
    b)desktopcomputers van „categorie B” : :

    desktopcomputers met:

    1. twee fysieke processorkernen binnen de CPU, en

    2. ten minste 2 gigabyte (GB) systeemgeheugen;

    c)desktopcomputers van „categorie C” : :

    desktopcomputers met:

    1. drie of meer fysieke processorkernen binnen de CPU, en

    2. een configuratie met ten minste één van de volgende twee kenmerken:

      • ten minste 2 gigabyte (GB) systeemgeheugen, en/of

      • een afzonderlijke grafische kaart (dGfx);

    d)desktopcomputers van „categorie D” : :

    desktopcomputers met:

    1. ten minste vier fysieke processorkernen binnen de CPU, en

    2. een configuratie met ten minste één van de volgende twee kenmerken:

      • ten minste 4 gigabyte (GB) systeemgeheugen, en/of

      • een afzonderlijke grafische kaart (dGfx) die voldoet aan de classificatie G3 (met een framebufferbandbreedte van meer dan 128 bits), G4, G5, G6 of G-7;

    6. „geïntegreerde desktopcomputer” :

    een computersysteem waarbij de computer samen met het beeldscherm één eenheid vormt, met één kabel voor de netvoeding. Geïntegreerde desktopcomputers bestaan in twee vormen: 1) een product waarbij beeldscherm en computer fysiek in één eenheid zijn ondergebracht, of 2) een product waarbij het beeldscherm gescheiden is van de computer, maar met een gelijkspanningssnoer is aangesloten op de hoofdbehuizing. Geïntegreerde desktopcomputers zijn bedoeld om op een vaste plaats te staan en zijn niet ontworpen met het oog op draagbaarheid. Geïntegreerde desktopcomputers zijn niet primair ontworpen voor ontvangst en weergave van audiovisuele signalen.

    Voor de toepassing van deze verordening worden de volgende categorieën geïntegreerde desktopcomputers onderscheiden:

    a)geïntegreerde desktopcomputers van „categorie A” : :
    geïntegreerde desktopcomputers die niet voldoen aan de criteria voor geïntegreerde desktopcomputers van categorie B, categorie C of categorie D;
    b)geïntegreerde desktopcomputers van „categorie B” : :

    geïntegreerde desktopcomputers met:

    1. twee fysieke processorkernen binnen de CPU, en

    2. ten minste 2 gigabyte (GB) systeemgeheugen;

    c)geïntegreerde desktopcomputers van „categorie C” : :

    geïntegreerde desktopcomputers met:

    1. drie of meer fysieke processorkernen binnen de CPU, en

    2. een configuratie met ten minste één van de volgende twee kenmerken:

      • ten minste 2 gigabyte (GB) systeemgeheugen, en/of

      • een afzonderlijke grafische kaart (dGfx);

    d)geïntegreerde desktopcomputers van „categorie D” : :

    geïntegreerde desktopcomputers met:

    1. ten minste vier fysieke processorkernen binnen de CPU, en

    2. een configuratie met ten minste één van de volgende twee kenmerken:

      • ten minste 4 gigabyte (GB) systeemgeheugen, en/of

      • een afzonderlijke grafische kaart (dGfx) die voldoet aan de classificatie G3 (met een framebufferbandbreedte van meer dan 128 bits), G4, G5, G6 of G-7;

    7. „notebookcomputer” :

    een computer die specifiek is ontworpen met het oog op draagbaarheid en om gedurende langere tijd met of zonder directe aansluiting op het elektriciteitsnet te functioneren. Notebookcomputers hebben een geïntegreerd beeldscherm met een zichtbare beelddiagonaal van ten minste 22,86 cm (9 inches) en kunnen werken met een geïntegreerde batterij of een andere draagbare stroombron.

    De categorie notebookcomputers omvat tevens de volgende subtypen:

    a) „tabletcomputer” : :
    een type notebookcomputer met zowel een geïntegreerd aanraakgevoelig beeldscherm als een vast fysiek toetsenbord;
    b) „slatecomputer” : :
    een type notebookcomputer met een geïntegreerd aanraakgevoelig beeldscherm, maar zonder vast fysiek toetsenbord;
    c) „mobiele thin client” : :
    een type notebookcomputer dat voor zijn primaire functionaliteit afhankelijk is van een verbinding met computerapparatuur op afstand (bijvoorbeeld een computerserver of een werkstation op afstand) en niet voorzien is van een ingebouwde vaste schijf.

    Voor de toepassing van deze verordening worden de volgende categorieën notebookcomputers onderscheiden:

    a)notebookcomputers van „categorie A” : :
    notebookcomputers die niet voldoen aan de criteria voor notebookcomputers van categorie B of categorie C;
    b)notebookcomputers van „categorie B” : :
    notebookcomputers met ten minste één afzonderlijke grafische kaart (dGfx);
    c)notebookcomputers van „categorie C” : :

    notebookcomputers met ten minste de volgende kenmerken:

    1. ten minste twee fysieke processorkernen binnen de CPU;

    2. ten minste 2 gigabyte (GB) systeemgeheugen, en

    3. een afzonderlijke grafische kaart (dGfx) die voldoet aan de classificatie G3 (met een framebufferbandbreedte van meer dan 128 bits), G4, G5, G6 of G-7;

    Producten die weliswaar aan de bovengenoemde definitie van notebookcomputers voldoen, maar waarvan het opgenomen vermogen in onbelaste toestand minder dan 6 W bedraagt, worden voor de toepassing van deze verordening niet tot de categorie notebookcomputers gerekend;

    8. „desktop thin client” :
    een computer die voor zijn primaire functionaliteit afhankelijk is van een verbinding met computerapparatuur op afstand (bijvoorbeeld een computerserver of een werkstation op afstand) en niet beschikt over een ingebouwde vaste schijf. De hoofdeenheid van een desktop thin client moet bedoeld zijn voor plaatsing op een permanente locatie (bijvoorbeeld op een bureau) en niet zijn ontworpen met het oog op draagbaarheid. Desktop thin clients kunnen informatie uitvoeren naar ofwel een extern beeldscherm, ofwel een intern beeldscherm, indien het product daarover beschikt;
    9. „werkstation” :

    een voor één gebruiker bestemde computer met hoge prestaties die primair wordt gebruikt voor grafische toepassingen, computerondersteund ontwerp, ontwikkeling van software, financiële en wetenschappelijke toepassingen of andere intensieve rekentaken, en die de volgende kenmerken heeft:

    1. een gemiddeld storingsvrij interval (MTBF) van ten minste 15 000 uur;

    2. ondersteuning van geheugen met foutcorrectiecode (ECC) en/of gebufferd geheugen;

    3. het systeem voldoet aan drie van de volgende vijf kenmerken:

      1. het systeem beschikt over een extra voeding voor geavanceerde grafische voorzieningen (bijvoorbeeld een extra PCIe (Peripheral Component Interconnect Express) 6-pins 12 V-stroomaansluiting);

      2. het systeem is bekabeld voor meer dan ×4 PCIe op het moederbord, naast de slots voor grafische kaarten en/of voor ondersteuning van PCI-X;

      3. het systeem ondersteunt geen grafische toepassingen die gebruikmaken van Uniform Memory Access (UMA);

      4. het systeem bevat vijf of meer slots voor PCI, PCIe of PCI-X;

      5. het systeem biedt multiprocessorondersteuning voor twee of meer CPU’s (het moet fysiek afzonderlijke processorpakketten/processorsockets ondersteunen, dat wil zeggen dat niet aan het criterium is voldaan wanneer slechts ondersteuning voor één multikernprocessor wordt geboden);

    10. „mobiel werkstation” :

    een onafhankelijke computer met hoge prestaties die primair wordt gebruikt voor grafische toepassingen, computerondersteund ontwerp, ontwikkeling van software, financiële en wetenschappelijke toepassingen of andere intensieve rekentaken, met uitzondering van gaming, en die specifiek is ontworpen met het oog op draagbaarheid en om gedurende langere tijd met of zonder directe aansluiting op het elektriciteitsnet te functioneren. Mobiele werkstations hebben een geïntegreerd beeldscherm en kunnen werken met een geïntegreerde batterij of een andere draagbare stroombron. De meeste mobiele werkstations hebben een externe stroomvoorziening en een geïntegreerd toetsenbord en aanwijsapparaat.

    Mobiele werkstations hebben de volgende kenmerken:

    1. een gemiddeld storingsvrij interval (MTBF) van ten minste 13 000 uur;

    2. ten minste één afzonderlijke grafische kaart (dGfx) die voldoet aan de classificatie G3 (met een framebufferbandbreedte van meer dan 128 bits), G4, G5, G6 of G-7;

    3. ondersteuning van de plaatsing van drie of meer interne opslagapparaten;

    4. ondersteuning van ten minste 32 GB systeemgeheugen;

    11. „kleinschalige server” :

    een type computer dat doorgaans gebruikmaakt van voor desktopcomputers ontworpen onderdelen en het formaat van een desktopcomputer heeft, maar primair is ontworpen om als opslaghost voor andere computers te dienen en functies te vervullen zoals het verlenen van netwerkinfrastructuurdiensten en het hosten van data/media, en dat de volgende kenmerken heeft:

    1. het product is ontworpen als sokkel, tower of een andere vorm die vergelijkbaar is met die van desktopcomputers, zodat alle gegevensverwerking, opslag en netwerkinterfacing in één behuizing is vervat;

    2. het product is ontworpen om 24 uur per dag en zeven dagen per week operationeel te zijn;

    3. het product is primair ontworpen om te functioneren in een simultane multi-useromgeving waarbij verscheidene gebruikers via cliënteenheden in een netwerk worden bediend;

    4. wanneer het product op de markt wordt gebracht met een besturingssysteem, is het besturingssysteem ontworpen voor servertoepassingen voor thuis of aan de onderkant van het marktsegment;

    5. het product wordt niet op de markt gebracht met een afzonderlijke grafische kaart (dGfx) die aan een hogere classificatie dan G1 beantwoordt;

    12. „bladesysteem en -componenten” :
    een systeem dat bestaat uit een behuizing („blade chassis”) waarin verschillende typen bladeopslag en bladeservers worden ingebracht. De behuizing biedt gedeelde systeemelementen waarvan de servers en de opslag afhankelijk zijn. Bladesystemen zijn ontworpen als schaalbare oplossing voor het samenbrengen van meerdere computerservers of opslageenheden in één behuizing en zijn zodanig ontworpen dat de blades (bijvoorbeeld bladeservers) door technici ter plaatse eenvoudig kunnen worden toegevoegd of vervangen (hot-swap);
    13. „server appliance” :
    een computerserver die gebundeld is met een voorgeïnstalleerd besturingssysteem en toepassingssoftware die bestemd is voor een specifieke functie of een aantal nauw verbonden functies. Een server appliance verleent diensten via één of meer netwerken en wordt doorgaans beheerd via een webinterface of een commandline interface. De hardware- en softwareconfiguratie van een server appliance is door een leverancier aangepast voor het uitvoeren van een specifieke taak, zoals netwerk- of opslagdiensten, en is niet bedoeld voor het uitvoeren van door de gebruiker aangeleverde software;
    14. „multinodeserver” :
    een systeem dat bestaat uit een behuizing waarin twee of meer onafhankelijke computerservers (nodes) zijn ondergebracht, die gezamenlijk gebruikmaken van één of meer stroomvoorzieningen. De gecombineerde energie voor alle nodes wordt verdeeld via de gedeelde stroomvoorziening(en). Multinodeservers zijn ontworpen en gebouwd als één behuizing en niet ontworpen om hot-swapfaciliteiten te bieden;
    15. „dualnodeserver” :
    een gangbare multinodeserver-configuratie met twee servernodes;
    16. „computerserver met meer dan vier processorsockets” :
    een computerserver die beschikt over meer dan vier insteekplaatsen voor de installatie van een processor;
    17. „spelconsole” :
    een zelfstandig, op het elektriciteitsnet aangesloten apparaat dat primair ontworpen is voor het spelen van videospellen. Spelconsoles zijn doorgaans ontworpen om informatie uit te voeren naar een extern beeldscherm dat als hoofdscherm voor het weergeven van het spel functioneert. Spelconsoles omvatten doorgaans een CPU, systeemgeheugen en een grafische verwerkingseenheid of -eenheden (GPU), en kunnen voorzien zijn van vaste schijven of andere interne opslagvoorzieningen, alsmede optischeschijfeenheden. Spelconsoles maken als primair invoerapparaat doorgaans gebruik van in de hand gehouden besturingsapparaten of andere interactieve besturingsapparaten in plaats van een extern toetsenbord of een muis. Spelconsoles zijn doorgaans niet uitgerust met een conventioneel besturingssysteem voor personal computers, maar maken gebruik van een specifiek voor de console ontworpen besturingssysteem. In de hand gehouden spelapparaten waarbij het spel primair wordt weergegeven op een geïntegreerd beeldscherm en die primair van stroom worden voorzien door een geïntegreerde batterij of een andere draagbare stroombron, en niet door een directe verbinding met het elektriciteitsnet, worden als een type spelconsole beschouwd;
    18. „dockingstation” :
    een afzonderlijk product dat ontworpen is om met een computer te worden verbonden om faciliteiten te bieden zoals uitgebreide connectiviteit of geconsolideerde aansluiting op randapparaten. Dockingstations kunnen tevens het opladen van de interne batterijen van de aangesloten computer vergemakkelijken;
    19. „centrale verwerkingseenheid (CPU)” :
    een computeronderdeel dat de interpretatie en uitvoering van instructies verzorgt. CPU’s kunnen één of meer fysieke processoren bevatten, die „uitvoeringskernen” worden genoemd. Met „uitvoeringskern” wordt een processor bedoeld die fysiek aanwezig is. Extra „virtuele” of „logische” processoren, die op één of meer uitvoeringskernen zijn gebaseerd, zijn geen fysieke kernen. In een processorpakket dat één fysieke CPU-socket beslaat, kan meer dan één uitvoeringskern aanwezig zijn. Het totale aantal uitvoeringskernen in de CPU is de som van het aantal uitvoeringskernen in de processorpakketten die op alle fysieke CPU-sockets zijn aangesloten;
    20. „afzonderlijke grafische kaart” (dGfx):

    een afzonderlijk intern onderdeel dat één of meer grafische verwerkingseenheden (GPU’s) bevat, met een lokale geheugencontrollerinterface en lokaal voor grafische toepassingen bedoeld geheugen, vallende onder één van de volgende categorieën:

    1. G1 (FB_BW ≤ 16);

    2. G2 (16 < FB_BW ≤ 32);

    3. G3 (32 < FB_BW ≤ 64);

    4. G4 (64 < FB_BW ≤ 96);

    5. G5 (96 < FB_BW ≤ 128);

    6. G6 (FB_BW > 128 (met framebufferdatabreedte < 192 bits));

    7. G-7 (FB_BW > 128 (met framebufferdatabreedte ≥ 192 bits));

    „framebufferbandbreedte” (FB_BW): de hoeveelheid gegevens die per seconde wordt verwerkt door alle GPU’s op de dGfx, als volgt berekend:

    framebufferbandbreedte &equals; &lpar;datasnelheid&times;databreedte&rpar; &divide; &lpar;8&times; 1000 &rpar;

    waarbij

    1. de framebufferbandbreedte wordt uitgedrukt in gigabytes per seconde (GB/s);

    2. de datasnelheid de effectieve geheugendatafrequentie in MHz is;

    3. de databreedte de databreedte van de geheugenframebuffer (FB) is, uitgedrukt in bits (b);

    4. door deling door 8 het aantal bits wordt omgerekend in bytes;

    5. door deling door 1 000 wordt mega omgerekend in giga;

    21. „interne opslag” :
    een intern onderdeel van de computer dat in niet-vluchtige gegevensopslag voorziet;
    22. „producttype” :
    desktopcomputer, geïntegreerde desktopcomputer, notebookcomputer, desktop thin client, werkstation, mobiel werkstation, kleinschalige server, computerserver, bladesysteem en -componenten, multinodeserver, server appliance, spelconsole, dockingstation, interne stroomvoorziening of externe stroomvoorziening.
    23. „beeldschermslaapstand” :
    de energiemodus waarin het beeldschermproduct zich bevindt nadat een signaal is ontvangen van een aangesloten apparaat of een interne stimulus (zoals een timer of een exploitatiesensor). Het beeldschermproduct kan deze stand tevens inschakelen door een signaal dat door de invoer van de gebruiker wordt veroorzaakt. Het product moet uit de slaapstand komen na ontvangst van een signaal van een aangesloten apparaat, een netwerk, een afstandsbediening en/of een interne stimulus. Zolang het product zich in deze stand bevindt, geeft het geen zichtbaar beeld, mogelijkerwijs met uitzondering van tot de gebruiker gerichte of beschermende functies zoals productinformatie of statusweergave of sensorgebaseerde functies.

Voor de toepassing van de bijlagen worden in bijlage I aanvullende definities vermeld.

Artikel 3 Eisen voor ecologisch ontwerp

De eisen inzake ecologisch ontwerp voor computers en computerservers zijn opgenomen in bijlage II.

De naleving van de eisen voor ecologisch ontwerp voor computers en computerservers wordt gemeten volgens de in bijlage III beschreven methoden.

Artikel 4 Wijziging van Verordening (EG) nr. 1275/2008

Punt 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1275/2008 komt als volgt te luiden:

  1. Informatietechnologieapparatuur die voornamelijk bestemd is voor gebruik in de thuisomgeving, met uitzondering van desktopcomputers, geïntegreerde desktopcomputers en notebookcomputers zoals gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 617/2013 van de Commissie(*).

Artikel 5 Toepassing van Verordening (EG) nr. 278/2009

Artikel 2, lid 1, onder g), van Verordening (EG) nr. 278/2009 komt als volgt te luiden:

  1. het is bestemd om te worden gebruikt met elektrische en elektronische huishoud- en kantoorapparaten, zoals bedoeld in artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1275/2008, of met computers zoals gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 617/2013 van de Commissie(*).

Artikel 6 Overeenstemmingsbeoordeling

Artikel 7 Markttoezicht en verificatieprocedure

Artikel 8 Indicatieve benchmarks

Artikel 9 Herziening

Artikel 10 Inwerkingtreding en toepassing

BIJLAGE I

BIJLAGE II

BIJLAGE III

BIJLAGE IV