Home

Verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006 en van Richtlijn 2009/16/EG (Voor de EER relevante tekst)Voor de EER relevante tekst

Verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006 en van Richtlijn 2009/16/EG (Voor de EER relevante tekst)Voor de EER relevante tekst

TITEL I ONDERWERP, WERKINGSSFEER EN DEFINITIES

Artikel 1 Onderwerp en doel

Het doel van deze verordening is ongevallen, verwondingen en andere door scheepsrecycling veroorzaakte negatieve effecten op de menselijke gezondheid en het milieu te voorkomen, tot een minimum te beperken, en voor zover haalbaar weg te werken. Het doel van deze verordening is gedurende de hele levenscyclus van een schip de veiligheid, de bescherming van de menselijke gezondheid en het mariene milieu van de Unie te verhogen, in het bijzonder om ervoor te zorgen dat gevaarlijke afvalstoffen voortkomend uit scheepsrecycling op een milieuverantwoorde manier worden beheerd.

In deze verordening worden tevens regels vastgelegd om het goed beheer van gevaarlijke materialen op schepen te waarborgen.

Deze verordening heeft verder tot doel de ratificatie van het Internationaal Verdrag van Hongkong voor het veilig en milieuvriendelijk recyclen van schepen van 2009 („het Verdrag van Hongkong”) te faciliteren.

Artikel 2 Werkingssfeer

1.

Deze verordening, met uitzondering van artikel 12, is van toepassing op schepen die de vlag van een lidstaat voeren.

Artikel 12 is van toepassing op schepen die de vlag van een derde land voeren, die een haven of een ankerplaats van een lidstaat aandoen.

2.

Deze verordening is niet van toepassing op:

  1. oorlogsschepen, hulpschepen voor de marine of andere schepen die eigendom zijn van of worden geëxploiteerd door een staat en die voorlopig uitsluitend worden aangewend voor een niet-commerciële overheidsdienst;

  2. schepen met een tonnage van minder dan 500 brutotonnage (gross tonnage — GT);

  3. schepen die gedurende hun levenduur uitsluitend opereren in wateren die onder de soevereiniteit of jurisdictie vallen van de lidstaat waarvan het schip de vlag voert.

Artikel 3 Definities

1.

Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities:

    1. „schip” :
    een vaartuig, van welk type ook, dat in het mariene milieu opereert of heeft geopereerd; onder deze term zijn begrepen onderwatervoertuigen, drijvende vaartuigen, drijvende platforms, hefeilanden, drijvende opslageenheden en drijvende productie-, opslag- en verladingseenheden (FPSO’s) alsmede vaartuigen waarvan de uitrusting is verwijderd of die worden gesleept;
    2. „nieuw schip” :

    een schip waarvoor:

    1. het bouwcontract op of na de toepassingsdatum van deze verordening wordt gesloten, of

    2. bij gebreke van een bouwcontract, de kiel gelegd is of de bouw zich in een vergelijkbaar bouwstadium bevindt zes maanden na de toepassingsdatum van deze verordening of daarna, of

    3. de oplevering dertig maanden na de toepassingsdatum van deze verordening of daarna plaatsvindt;

    3. „tankschip” :
    een olietankschip zoals gedefinieerd in bijlage I bij het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen („MARPOL-verdrag”) of een tankschip voor schadelijke vloeistoffen (NLS-tankschip), zoals gedefinieerd in bijlage II bij dat verdrag;
    4. „gevaarlijk materiaal” :
    elk materiaal dat of elke substantie die mogelijk gevaar kan zetten voor de menselijke gezondheid en/of het milieu;
    5. „operationeel afval” :
    afvalwater en residuen voortgebracht door het normaal functioneren van schepen die onderworpen zijn aan de voorschriften van het MARPOL-Verdrag;
    6. „scheepsrecycling” :
    het volledig of gedeeltelijk ontmantelen van een schip in een scheepsrecyclinginrichting teneinde onderdelen en materialen terug te winnen om deze opnieuw te bewerken, voor te bereiden voor hergebruik, of te hergebruiken, waarbij wordt gezorgd voor het beheer van gevaarlijke en andere materialen, met inbegrip van de opslag en behandeling van onderdelen en materialen op het recyclingterrein, maar niet van de verdere verwerking of verwijdering ervan in afzonderlijke inrichtingen;
    7. „scheepsrecyclinginrichting” :
    een afgebakend gebied zijnde een werf of inrichting gelegen in een lidstaat of een derde land en dat wordt gebruikt voor het recyclen van schepen;
    8. „scheepsrecyclingbedrijf” :
    de eigenaar van de scheepsrecyclinginrichting of een andere organisatie of persoon die de verantwoordelijkheid voor de scheepsrecyclingactiviteit heeft overgenomen van de eigenaar van de scheepsrecyclinginrichting;
    9. „administratie” :
    een overheidsinstantie die door een lidstaat is aangeduid als verantwoordelijk voor taken met betrekking tot schepen die de vlag van die lidstaat voeren, of die onder het gezag van de lidstaat opereren;
    10. „erkende organisatie” :
    een organisatie die erkend is overeenkomstig Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad(1);
    11. „bevoegde autoriteit” :
    door een lidstaat of een derde land aangeduide overheidsinstantie of overheidsinstanties, als verantwoordelijk voor scheepsrecyclinginrichtingen binnen een bepaald geografisch gebied of een bepaald gebied van deskundigheid, met betrekking tot alle operaties die binnen de jurisdictie van die staat vallen;
    12. „brutotonnage” :
    de brutotonnage (GT) die is berekend overeenkomstig de voorschriften voor tonnagemeting van bijlage I bij het Internationaal Verdrag betreffende de meting van schepen (1969) of daaropvolgende overeenkomsten;
    13. „bevoegde persoon” :
    een persoon met passende kwalificaties en opleiding en voldoende kennis, ervaring en vaardigheden voor het uitvoeren van de specifieke taken;
    14. „scheepseigenaar” :
    de natuurlijke of rechtspersoon die als eigenaar van het schip is geregistreerd, met inbegrip van de natuurlijke of rechtspersoon die voor een beperkte periode eigenaar is van het schip in afwachting van de verkoop of overdracht ervan aan een scheepsrecyclinginrichting of, indien er geen registratie heeft plaatsgevonden, de natuurlijke of rechtspersoon die het schip in eigendom heeft of elke andere organisatie of persoon, zoals de beheerder of de rompbevrachter, die de verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het schip heeft overgenomen van de eigenaar van het schip alsmede een rechtspersoon die een schip in overheidsbezit exploiteert;
    15. „nieuwe installatie” :
    de installatie van systemen, uitrusting, isolatie of ander materiaal op een schip na de toepassingsdatum van deze verordening;
    16. „scheepsrecyclingplan” :
    een plan dat voor elk specifiek onder zijn verantwoordelijkheid te recyclen schip wordt ontwikkeld door de exploitant van de scheepsrecyclingfaciliteit, rekening houdend met de toepasselijke richtsnoeren en resoluties van de IMO;
    17. „scheepsrecyclinginrichtingsplan” :
    een plan opgesteld door de exploitant van de scheepsrecyclinginrichting en aangenomen door de raad van bestuur of het relevante bestuursorgaan van het scheepsrecyclingbedrijf, waarin de door de inrichting gebruikte operationele processen en procedures staan beschreven, en dat in het bijzonder de volgende aspecten omvat: veiligheid en opleiding van werknemers, bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu, taken en verantwoordelijkheden van het personeel, voorbereiding en reactie op noodsituaties, en systemen voor toezicht, verslaglegging en het bijhouden van gegevens, rekening houdend met de toepasselijke richtsnoeren en resoluties van de IMO;
    18. „veilig toegankelijk” :

    een ruimte die aan alle volgende criteria voldoet:

    1. het zuurstofgehalte van de atmosfeer en de concentratie ontvlambare dampen bevinden zich binnen veilige grenzen;

    2. eventuele concentraties van giftige materialen in de atmosfeer zijn binnen toegestane grenzen;

    3. eventuele residuen of materialen bij de door de bevoegde persoon toegestane werkzaamheden leiden niet tot het ongecontroleerd vrijkomen van giftige materialen of een gevaarlijke concentratie ontvlambare dampen onder de heersende atmosferische omstandigheden zoals die volgens opdracht gehandhaafd worden;

    19. „veilig voor werkzaamheden waarbij hitte vrijkomt” :

    een ruimte die aan alle volgende criteria voldoet:

    1. veilige omstandigheden waarin explosies uitgesloten zijn, zich geen gassen bevinden en waarin gewerkt kan worden met boogglas- en gaslasapparatuur, snij- of brandapparaten of andere werkzaamheden kunnen plaatsvinden waarbij open vuur wordt gebruikt, alsmede voor verhittings- en slijpwerkzaamheden of werkzaamheden waarbij vonken ontstaan;

    2. er wordt voldaan aan de in punt 18 vervatte criteria voor veilige toegankelijkheid;

    3. de heersende atmosferische omstandigheden veranderen niet als gevolg van de werkzaamheden waarbij hitte vrijkomt;

    4. alle aangrenzende ruimten zijn gereinigd, inert gemaakt, of voldoende behandeld om het ontstaan of de verspreiding van brand te voorkomen;

    20. „voltooiingsverklaring” :
    een door de exploitant van de scheepsrecyclinginrichting afgegeven verklaring dat de scheepsrecycling is voltooid overeenkomstig deze verordening;
    21. „inventariscertificaat” :
    een voor elk schip specifiek certificaat dat wordt afgegeven voor schepen die de vlag van een lidstaat voeren, overeenkomstig artikel 9, en dat is aangevuld met een inventaris van gevaarlijke materialen overeenkomstig artikel 5;
    22. „ „geschikt voor recycling”-certificaat” :
    een voor elk schip specifiek certificaat dat wordt afgegeven voor schepen die de vlag van een lidstaat voeren, overeenkomstig artikel 9, lid 9, en dat is aangevuld met een inventaris van gevaarlijke materialen overeenkomstig artikel 5, lid 7, en een recyclingplan overeenkomstig artikel 7;
    23. „verklaring van overeenstemming” :
    een voor elk schip specifiek certificaat dat wordt afgegeven voor schepen die de vlag van een derde land voeren en dat is aangevuld met een inventaris van gevaarlijke materialen overeenkomstig artikel 12;
    24. „ton leeggewicht (light displacement tonnes, LDT)” :
    het gewicht van een schip in ton, zonder vracht, brandstof, smeerolie in opslagtanks, ballastwater, zoet water, drinkwater, verbruiksgoederen, passagiers en bemanning en hun persoonlijke bezittingen; het is de som van het gewicht van de romp, de constructie, de machines, de uitrusting en de aanvullende onderdelen van het schip.
2.

Voor de toepassing van artikel 7, lid 2, onder d), en de artikelen 13, 15 en 16:

  1. hebben „afvalstoffen”, „gevaarlijke afvalstoffen”, „verwerking” en „afvalstoffenbeheer” dezelfde betekenis als in artikel 3 van Richtlijn 2008/98/EG;

  2. wordt verstaan onder „inspectie ter plaatse”: een inspectie van de scheepsrecyclinginrichting om te beoordelen of de omstandigheden op het recyclingterrein met de in verstrekte relevante documentatie beschreven omstandigheden overeenstemmen;

  3. wordt verstaan onder „arbeider”: een persoon die werkzaamheden verricht, hetzij vast of tijdelijk, in de context van een dienstverband, met inbegrip van het personeel dat voor aannemers en onderaannemers werkt;

  4. wordt verstaan onder „milieuverantwoord beheer”: het ondernemen van alle mogelijke stappen om te verzekeren dat afvalstoffen en gevaarlijke materialen worden beheerd op een manier die de menselijke gezondheid en het milieu beschermt tegen de mogelijk negatieve effecten van deze materialen en afvalstoffen.

3.

Voor de toepassing van lid 1, punt 13, kan een bevoegde persoon een geschoolde arbeider of een leidinggevende werknemer zijn die in staat is beroeps- en andere risico’s en de blootstelling van werknemers aan potentieel gevaarlijke materialen of onveilige omstandigheden in een scheepsrecyclinginrichting te herkennen en te evalueren en die in staat is te bepalen welke bescherming en voorzorgen nodig zijn om dergelijke gevaren, risico’s of een dergelijke blootstelling uit te schakelen.

Onverminderd Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad(2) kan de bevoegde autoriteit passende criteria voor de aanwijzing van zulke personen opstellen en de aan hen toe te wijzen taken bepalen.

TITEL II SCHEPEN

Artikel 4 Controle van gevaarlijke materialen

Artikel 5 Inventaris van gevaarlijke materialen

Artikel 6 Algemene voorschriften voor scheepseigenaren

Artikel 7 Scheepsrecyclingplan

Artikel 8 Inspecties

Artikel 9 Afgifte en het plaatsen van aantekeningen op certificaten

Artikel 10 Looptijd en geldigheid van certificaten

Artikel 11 Havenstaatcontrole

Artikel 12 Voorschriften voor schepen die de vlag van een derde land voeren

TITEL III SCHEEPSRECYCLINGINRICHTINGEN

Artikel 13 Voorschriften om scheepsrecyclinginrichtingen in de Europese lijst op te nemen

Artikel 14 Erkenning van in een lidstaat gevestigde scheepsrecyclinginrichtingen

Artikel 15 Scheepsrecyclinginrichtingen gelegen in een derde land

Artikel 16 Vaststelling en actualisering van de Europese lijst

TITEL IV ALGEMENE ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN

Artikel 17 Taal

Artikel 18 Aanwijzing van bevoegde autoriteiten en administraties

Artikel 19 Aanwijzen van contactpersonen

Artikel 20 Vergadering van contactpersonen

TITEL V VERSLAGLEGGING EN HANDHAVING

Artikel 21 Verslagen door de lidstaten

Artikel 22 Handhaving in lidstaten

Artikel 23 Verzoek om maatregelen

TITEL VI SLOTBEPALINGEN

Artikel 24 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

Artikel 25 Comitéprocedure

Artikel 26 Overgangsbepaling

Artikel 27 Wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006

Artikel 28 Wijziging van Richtlijn 2009/16/EG

Artikel 29 Financiële stimulans

Artikel 30 Evaluatie

Artikel 31 Inwerkingtreding

Artikel 32 Toepassing

BIJLAGE I

BIJLAGE II