Home

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 183/2014 van de Commissie van 20 december 2013 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen ten aanzien van technische reguleringsnormen voor het specificeren van de berekening van specifieke en algemene kredietrisicoaanpassingen (Voor de EER relevante tekst)

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 183/2014 van de Commissie van 20 december 2013 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen ten aanzien van technische reguleringsnormen voor het specificeren van de berekening van specifieke en algemene kredietrisicoaanpassingen (Voor de EER relevante tekst)

Artikel 1 Identificatie van algemene en specifieke kredietrisicoaanpassingen voor de toepassing van de artikelen 111, 159, 166, 167, 168, 178, 246 en 266 van Verordening (EU) nr. 575/2013

1.

Voor de toepassing van deze verordening zijn de bedragen die door een instelling moeten worden meegeteld in de berekening van algemene en specifieke kredietrisicoaanpassingen gelijk aan alle bedragen waarmee het tier 1-kernkapitaal van een instelling is verminderd om overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving verliezen te weerspiegelen die uitsluitend betrekking hebben op kredietrisico en als zodanig in de resultatenrekening zijn opgevoerd, ongeacht of zij het gevolg zijn van bijzondere waardeverminderingen, waardeaanpassingen of voorzieningen voor posten buiten de balanstelling.

Alle resulterende bedragen ingevolge de eerste alinea die tijdens het boekjaar zijn opgevoerd mogen in de berekening van algemene en specifieke kredietrisicoaanpassingen alleen worden meegeteld als de betrokken bedragen van het tier 1-kernkapitaal van een instelling zijn afgetrokken, hetzij overeenkomstig artikel 36, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 hetzij, in geval van tussentijdse of eindejaarsresultaten die niet zijn goedgekeurd, overeenkomstig artikel 26, lid 2, van die verordening, middels een overeenkomstige onmiddellijke vermindering van het tier 1-kernkapitaal voor de bepaling van het eigen vermogen.

2.

De in lid 1 bedoelde bedragen worden meegeteld in de berekening van de algemene kredietrisicoaanpassingen door de instelling als zij aan beide volgende criteria voldoen:

  1. zij zijn tijd- en bedragsmatig vrij en volledig beschikbaar om kredietrisicoverliezen te dekken die nog niet zijn ontstaan;

  2. zij weerspiegelen kredietrisicoverliezen voor een groep van blootstellingen waarvoor de instelling momenteel niet over evidentie beschikt dat een verliesgebeurtenis is opgetreden.

3.

Alle andere in lid 1 bedoelde bedragen worden meegeteld in de berekening van specifieke kredietrisicoaanpassingen.

4.

Behoudens vervulling van de criteria van lid 2, telt de instelling de volgende verliezen mee in de berekening van algemene kredietrisicoaanpassingen:

  1. verliezen opgevoerd ter dekking van gedurende de laatste jaren ervaren hoger gemiddeld portefeuilleverlies, hoewel er momenteel geen evidentie van verliesgebeurtenissen is die dit in het verleden waargenomen verliesniveau confirmeert;

  2. verliezen waarvoor de instelling niet op de hoogte is van een verslechtering van de kredietkwaliteit voor een groep van blootstellingen, maar waarbij op basis van ervaring uit het verleden een zekere mate van niet-betaling statistisch waarschijnlijk is.

5.

De instelling telt altijd de volgende verliezen mee in de berekening van specifieke kredietrisicoaanpassingen als bedoeld in lid 3:

  1. in de resultatenrekening opgevoerde verliezen voor tegen reële waarde gewaardeerde instrumenten die ingevolge het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving een bijzondere waardevermindering voor kredietrisico vormen;

  2. verliezen als gevolg van actuele of vroegere gebeurtenissen die van invloed zijn op een significante individuele blootstelling of blootstellingen die niet individueel significant zijn en individueel of collectief worden beoordeeld;

  3. verliezen waarvoor uit historische ervaring, aangepast op basis van actuele waarneembare gegevens, blijkt dat het verlies heeft plaatsgevonden, maar met betrekking waartoe de instelling er nog niet van op de hoogte is welke individuele blootstelling deze verliezen heeft geleden.

6.

Onverminderd lid 1 nemen instellingen bij de berekening van de specifieke kredietrisicoaanpassingen met het oog op de toekenning van de risicogewichten als bedoeld in artikel 127, lid 1, punten a) en b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, aan het niet-gedekte deel van een blootstelling in wanbetaling eventuele positieve verschillen tussen het door de debiteur verschuldigde bedrag voor die blootstelling en de som van de volgende elementen op:

  1. de aftrekking van aanvullend eigen vermogen indien de blootstelling volledig werd afgeschreven;

  2. reeds bestaande aftrekkingen van eigen vermogen met betrekking tot die blootstelling.

Artikel 2 Toewijzing van specifieke kredietrisicoaanpassingen voor een groep van blootstellingen aan de blootstellingen binnen de groep

1.

Indien een specifieke kredietrisicoaanpassing verliezen met betrekking tot het kredietrisico van een groep van blootstellingen weerspiegelt, wijzen de instellingen die specifieke kredietrisicoaanpassing evenredig aan de risicogewogen posten aan alle afzonderlijke blootstellingen van die groep toe. Hiertoe worden de blootstellingswaarden bepaald zonder rekening te houden met enige specifieke kredietrisicoaanpassing.

2.

Voor de behandeling van verwachte verliesposten waarvan sprake in artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voor een groep van niet-noodlijdende blootstellingen, hoeven de instellingen geen specifieke kredietrisicoaanpassing aan de afzonderlijke blootstellingen van de groep toe te wijzen.

3.

Indien een specifieke kredietrisicoaanpassing verband houdt met een groep van blootstellingen met betrekking waartoe de eigenvermogensvereisten voor kredietrisico deels ingevolge de standaardbenadering en deels ingevolge de interneratingbenadering worden berekend, wijst de instelling alvorens te handelen als bedoeld in de leden 1 en 2 die specifieke kredietrisicoaanpassing evenredig aan de risicogewogen posten van de groep toe aan de groep van blootstellingen die het voorwerp zijn van elk van de benaderingen. Hiertoe worden de blootstellingswaarden bepaald zonder rekening te houden met enige specifieke kredietrisicoaanpassing.

4.

Bij het toewijzen van de specifieke kredietrisicoaanpassingen aan blootstellingen, zorgen de instellingen ervoor dat hetzelfde gedeelte niet een tweede maal aan een andere blootstelling wordt toegewezen.

Artikel 3 Berekening van kredietrisicoaanpassingen voor de bepaling van de blootstellingswaarde overeenkomstig de artikelen 111, 166, 167, 168, 246 en 266 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Voor het bepalen van de blootstellingswaarde overeenkomstig de artikelen 111, 166 tot en met 168, 246 en 266 van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden door de instellingen specifieke kredietrisicoaanpassingen met betrekking tot een blootstelling berekend als de bedragen van de specifieke kredietrisicoaanpassingen voor die afzonderlijke blootstelling, of als de bedragen van de specifieke kredietrisicoaanpassingen die de instelling overeenkomstig artikel 2 aan die blootstelling heeft toegewezen.

Artikel 4 Berekening van algemene en specifieke kredietrisicoaanpassingen voor de behandeling van verwachte verliesposten overeenkomstig artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013

1.

Voor de behandeling van verwachte verliesposten overeenkomstig artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekent de instelling de totale algemene kredietrisicoaanpassingen in verband met de blootstellingen die betrokken zijn bij de behandeling van verwachte verliesposten als de som van die bedragen, geïdentificeerd als algemene kredietrisicoaanpassingen overeenkomstig artikel 1 van deze verordening, die de instelling heeft toegewezen ingevolge artikel 110, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

2.

Voor de behandeling van verwachte verliesposten overeenkomstig artikel 159 van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden de totale specifieke kredietrisicoaanpassingen in verband met de blootstellingen die betrokken zijn bij de behandeling van verwachte verliesposten berekend als de som van de bedragen van de punten a) en b), met uitsluiting van noodlijdende blootstellingen:

  1. de overeenkomstig artikel 1 als specifieke kredietrisicoaanpassingen geïdentificeerde bedragen die betrekking hebben op het kredietrisico van een afzonderlijke blootstelling;

  2. de overeenkomstig artikel 1 als specifieke kredietrisicoaanpassingen geïdentificeerde bedragen die betrekking hebben op het kredietrisico van een groep van blootstellingen en die overeenkomstig artikel 2 zijn toegewezen.

3.

De totale specifieke kredietrisicoaanpassingen met betrekking tot een noodlijdende blootstelling worden berekend als de som van alle bedragen van de specifieke kredietrisicoaanpassingen voor die afzonderlijke blootstelling, of als de bedragen van de specifieke kredietrisicoaanpassingen die de instelling aan die blootstelling heeft toegewezen overeenkomstig artikel 2.

Artikel 5 Berekening van specifieke kredietrisicoaanpassingen voor eigenvermogensvereisten ten behoeve van de vaststelling van wanbetaling overeenkomstig artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013

Voor de vaststelling van wanbetaling overeenkomstig artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden specifieke kredietrisicoaanpassingen berekend als de bedragen van de specifieke kredietrisicoaanpassingen met betrekking tot het kredietrisico van een afzonderlijke blootstelling of een afzonderlijke debiteur.

Artikel 6 Documenten

Artikel 7 Inwerkingtreding