Home

Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010

Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010

DEEL I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Onderwerp

Bij deze verordening worden eenvormige regels en een eenvormige procedure vastgesteld voor de afwikkeling van de in artikel 2 bedoelde entiteiten die in de in artikel 4 bedoelde deelnemende lidstaten zijn gevestigd.

Deze eenvormige regels en deze eenvormige procedure worden toegepast door de gemeenschappelijke afwikkelingsraad, opgericht overeenkomstig artikel 42 (de „afwikkelingsraad”), samen met de Raad en de Commissie en de nationale afwikkelingsautoriteiten in het kader van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme („GAM”) dat bij deze verordening wordt ingesteld. Het GAM wordt ondersteund door een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds („het Fonds”).

Het gebruik van het Fonds is afhankelijk van de inwerkingtreding van een overeenkomst tussen de deelnemende lidstaten („de Overeenkomst”), die betrekking heeft op de overdracht van de op nationaal niveau geïnde middelen naar het Fonds alsook van de geleidelijke samenvoeging van de op nationaal niveau geïnde middelen die moeten worden toegewezen aan nationale compartimenten van het Fonds.

Artikel 2 Toepassingsgebied

1.

Deze verordening is van toepassing op de volgende entiteiten:

  1. kredietinstellingen die in een deelnemende lidstaat zijn gevestigd;

  2. in een van de deelnemende lidstaten gevestigde moederondernemingen, met inbegrip van financiële holdings en gemengde financiële holdings, indien deze onder het toezicht op geconsolideerde basis staan dat door de ECB wordt uitgeoefend in overeenstemming met artikel 4, lid 1, punt g), van Verordening (EU) nr. 1024/2013;

  3. in een deelnemende lidstaat gevestigde beleggingsondernemingen en financiële instellingen indien deze vallen onder het toezicht op geconsolideerde basis op de moederonderneming dat door de ECB wordt uitgeoefend in overeenstemming met artikel 4, lid 1, punt g), van Verordening (EU) nr. 1024/2013.

2.

Deze verordening is niet van toepassing op entiteiten waaraan ook een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012.

Artikel 3 Definities

1.

Voor de toepassing van deze verordening zijn de volgende definities van toepassing:

    1. „nationale bevoegde autoriteit” :
    een nationale bevoegde autoriteit als omschreven in artikel 2, punt 2, van Verordening (EU) nr. 1024/2013;
    2. „bevoegde autoriteit” :
    een bevoegde autoriteit als omschreven in artikel 4, lid 2, onder i), van Verordening (EU) nr. 1093/2010;
    3. „nationale afwikkelingsautoriteit” :
    een door een deelnemende lidstaat overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 2014/59/EU aangewezen autoriteit;
    4. „relevante nationale afwikkelingsautoriteit” :
    de nationale afwikkelingsautoriteit van een deelnemende lidstaat waar een entiteit of een groepsentiteit is gevestigd;
    5. „voorwaarden voor afwikkeling” :
    de voorwaarden bedoeld in artikel 18, lid 1;
    6. „afwikkelingsplan” :
    een plan opgesteld overeenkomstig artikel 8 of artikel 9;
    7. „groepsafwikkelingsplan” :
    een plan voor groepsafwikkeling opgesteld overeenkomstig de artikelen 8 en 9;
    8. „afwikkelingsdoelstellingen” :
    de doelstellingen bedoeld in artikel 14;
    9. „afwikkelingsinstrument” :
    een afwikkelingsinstrument als bedoeld in artikel 22, lid 2;
    10. „afwikkelingsmaatregel” :
    het overeenkomstig artikel 18 genomen besluit om een entiteit als bedoeld in artikel 2 af te wikkelen, de toepassing van een afwikkelingsinstrument, of de uitoefening van een of meer afwikkelingsbevoegdheden;
    11. „gedekte deposito's” :
    deposito's als omschreven in artikel 2, lid 1, punt 5, van Richtlijn 2014/49/EU;
    12. „in aanmerking komende deposito's” :
    in aanmerking komende deposito's als omschreven in artikel 2, lid 1, punt 4, van Richtlijn 2014/49/EU;
    13. „instelling” :
    een kredietinstelling of een beleggingsonderneming die overeenkomstig artikel 2, punt c), onder toezicht op geconsolideerde basis valt;
    14. „instelling in afwikkeling” :
    een in artikel 2 bedoelde entiteit ten aanzien waarvan een afwikkelingsmaatregel is genomen;
    15. „financiële instelling” :
    een financiële instelling als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 26, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
    16. „financiële holding” :
    een financiële holding als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 20, Verordening (EU) nr. 575/2013;
    17. „gemengde financiële holding” :
    een gemengde financiële holding als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 21, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
    18. „financiële EU-moederholding” :
    een financiële EU-moederholding als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 31, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
    19. „EU-moederinstelling” :
    een EU-moederinstelling als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 29, van Verordening 575/2013;
    20. „moederonderneming” :
    een moederonderneming als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 15, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
    21. „dochteronderneming” :
    een dochteronderneming zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 16, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en, voor de toepassing van artikel 8, artikel 10, lid 10, de artikelen 12 tot en met 12 duodecies en de artikelen 21 en 53 van deze verordening op af te wikkelen groepen als bedoeld in punt 24 ter, punt b) van dit lid, met inbegrip van, indien en waar passend, kredietinstellingen die blijvend aangesloten zijn bij een centraal orgaan, het centrale orgaan zelf, en hun respectieve dochterondernemingen, rekening houdend met de manier waarop dergelijke af te wikkelen groepen voldoen aan artikel 12 septies, lid 3, van deze verordening;
    21 bis. „dochteronderneming van wezenlijk belang” :
    een dochteronderneming van wezenlijk belang zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 135;
    22. „bijkantoor” :
    een bijkantoor als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 17, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
    23. „groep” :
    een moederonderneming en haar dochterondernemingen die entiteiten als bedoeld in artikel 2 zijn;
    24. „grensoverschrijdende groep” :
    een groep met entiteiten als bedoeld in artikel 2 die in meer dan een deelnemende lidstaat gevestigd zijn;
    24 bis. „af te wikkelen entiteit” :
    een in een deelnemende lidstaat gevestigde rechtspersoon, die overeenkomstig artikel 8 door de afwikkelingsraad wordt aangemerkt als een entiteit waarvoor het afwikkelingsplan in een afwikkelingsmaatregel voorziet;
    24 ter. „af te wikkelen groep” :
    1. een af te wikkelen entiteit samen met haar dochterondernemingen die:

      1. zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn;

      2. geen dochterondernemingen van andere af te wikkelen entiteiten zijn; of

      3. geen in een derde land gevestigde entiteiten zijn die volgens het afwikkelingsplan geen deel uitmaken van de af te wikkelen groep, noch dochterondernemingen van die entiteiten; of

    2. geen kredietinstellingen zijn die blijvend aangesloten zijn bij een centraal orgaan en het centrale orgaan zelf, indien ten minste een van deze kredietinstellingen of het centrale orgaan een af te wikkelen entiteit is, en hun respectieve dochterondernemingen;

    24 quater. „mondiaal systeemrelevante instelling” of „MSI” :
    een MSI als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 133, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
    25. „geconsolideerde basis” :
    de basis van de geconsolideerde situatie als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 47, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
    26. „consoliderend toezichthouder” :
    consoliderend toezichthouder als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 41, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
    27. „afwikkelingsautoriteit op groepsniveau” :
    de afwikkelingsautoriteit in de deelnemende lidstaat waar de instelling of moederonderneming is gevestigd die overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU binnen de deelnemende lidstaten aan toezicht op geconsolideerde basis is onderworpen op het hoogste niveau van consolidatie;
    28. „institutioneel protectiestelsel” of „IPS” :
    een regeling die voldoet aan de in artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 opgenomen vereisten;
    29. „buitengewone openbare financiële steun” :
    staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU of elke andere openbare financiële steun op supranationaal niveau die, als hij op nationaal niveau werd verstrekt, staatssteun zou vormen en die wordt verstrekt om de levensvatbaarheid, liquiditeit of solvabiliteit te vrijwaren of te herstellen van een entiteit als bedoeld in artikel 2 van deze verordening of van een groep waarvan een dergelijke entiteit deel uitmaakt;
    30. „instrument van verkoop van de onderneming” :
    het mechanisme voor het verrichten van een overdracht door een afwikkelingsautoriteit van door een instelling in afwikkeling uitgegeven eigendomsinstrumenten of van activa, rechten of passiva van een instelling in afwikkeling aan een verkrijger die geen overbruggingsinstelling is, overeenkomstig artikel 24;
    31. „instrument van de overbruggingsinstelling” :
    het mechanisme voor het overdragen van door een instelling in afwikkeling uitgegeven eigendomsinstrumenten, of van activa, rechten of passiva van een instelling in afwikkeling aan een overbruggingsinstelling, overeenkomstig artikel 25;
    32. „instrument van afsplitsing van activa” :
    het mechanisme voor het verrichten van een overdracht van activa, rechten of passiva van een instelling in afwikkeling aan een vehikel voor activabeheer, overeenkomstig artikel 26;
    33. „instrument van bail-in” :
    het mechanisme voor het verrichten van de uitoefening van de bevoegdheden voor het afschrijven of omzetten van de passiva van een instelling in afwikkeling overeenkomstig artikel 27;
    34. „beschikbare financiële middelen” :
    contant geld, deposito's, activa en onherroepelijke betalingstoezeggingen waarover het Fonds beschikt voor de doeleinden die in artikel 76, lid 1, worden vermeld;
    35. „streefbedrag” :
    het overeenkomstig artikel 69, lid 1, te bereiken bedrag aan beschikbare financiële middelen;
    36. „Overeenkomst” :
    de overeenkomst betreffende de overdracht en de mutualisatie van de bijdragen aan het Fonds;
    37. „overgangsperiode” :
    de periode vanaf de toepassingsdatum van deze verordening zoals bepaald in artikel 99, leden 2 en 6, totdat het Fonds het streefbedrag bereikt of tot 1 januari 2024, naargelang welke datum vroeger valt;
    38. „financieel instrument” :
    financieel instrument als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 50, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
    39. „schuldinstrumenten” :
    obligaties en andere vormen van overdraagbare schuld, instrumenten die een schuld creëren of erkennen, en instrumenten die recht geven op het verwerven van schuldinstrumenten;
    40. „eigen vermogen” :
    eigen vermogen als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 118 van Verordening (EU) nr. 575/2013;
    41. „eigenvermogenvereisten” :
    de vereisten als opgenomen in de artikelen 92 tot en met 98 van Verordening (EU) nr. 575/2013;
    42. „liquidatie” :
    het te gelde maken van activa van een entiteit als bedoeld in artikel 2;
    43. „derivaat” :
    een derivaat als omschreven in artikel 2, punt 5, van Verordening (EU) nr. 648/2012;
    44. „bevoegdheden tot afschrijving en omzetting” :
    de bevoegdheden bedoeld in artikel 21;
    45. „tier 1-kernkapitaalinstrumenten” :
    kapitaalinstrumenten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 28, leden 1 tot en met 4, artikel 29, leden 1 tot en met 5, of artikel 31, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
    45 bis. „tier 1-kernkapitaal” :
    tier 1-kernkapitaal als berekend overeenkomstig artikel 50 van Verordening (EU) nr. 575/2013;
    46. „aanvullende tier 1-instrumenten” :
    kapitaalinstrumenten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 52(1) van Verordening (EU) nr. 575/2013;
    47. „tier 2-instrumenten” :
    kapitaalinstrumenten of achtergestelde schuldinstrumenten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 575/2013;
    48. „totaalbedrag” :
    het totale bedrag op basis waarvan de afwikkelingsautoriteit heeft geoordeeld dat de bail-inbare passiva moeten worden afgeschreven of moeten worden omgezet, overeenkomstig artikel 27, lid 13;
    49. „bail-inbare passiva” :
    de passiva en kapitaalinstrumenten die niet in aanmerking komen als tier 1-kernkapitaalinstrumenten, aanvullende tier 1-instrumenten of tier 2-instrumenten van een entiteit als bedoeld in artikel 2 die niet van het toepassingsgebied van het instrument van bail-in zijn uitgesloten op grond van artikel 27, lid 3;
    49 bis. „in aanmerking komende passiva” :
    bail-inbare passiva die, naargelang het geval, aan de voorwaarden van artikel 12 quater of artikel 12 octies, lid 2, punt a), van deze verordening voldoen, alsmede tier 2-instrumenten die aan de voorwaarden van artikel 72 bis, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen;
    49 ter. „achtergestelde in aanmerking komende instrumenten” :
    instrumenten die voldoen aan alle in artikel 72 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde andere voorwaarden dan die van Artikel 72 ter, leden 3 tot en met 5, van die verordening;
    50. „depositogarantiestelsel” :
    een overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2014/49/EU ingevoerd en door een lidstaat officieel erkend depositogarantiestelsel;
    51. „relevante kapitaalinstrumenten” :
    aanvullend-tier 1-instrumenten en tier 2-instrumenten;
    52. „gedekte obligatie” :
    een instrument als bedoeld in artikel 52, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad(1);
    53. „deposant” :
    een deposant als omschreven in artikel 2, lid 1, punt 6, van Richtlijn 2014/49/EU;
    54. „belegger” :
    een belegger in de zin van artikel 1, punt 4, van Richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad(2) ;
    55. „gecombineerde buffervereiste” :
    gecombineerde buffervereiste zoals gedefinieerd in artikel 128, punt 6), van Verordening 2013/36/EU.
2.

De definities bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2014/59/EU zijn van toepassing indien een definitie relevant is maar niet in lid 1 van dit artikel is opgenomen. De definities bedoeld in artikel 3 van Richtlijn 2013/36 zijn van toepassing indien een definitie relevant is maar niet in lid 1 van dit artikel of in artikel 2 van Richtlijn 2014/59/EU is opgenomen.

Artikel 4 Deelnemende lidstaten

1.

Deelnemende lidstaten in de zin van artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 worden geacht deelnemende lidstaten te zijn voor de toepassing van deze verordening.

2.

Indien de nauwe samenwerking tussen een lidstaat en de ECB overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 wordt opgeschort of beëindigd, vallen de in die lidstaat gevestigde entiteiten met ingang van de toepassingsdatum van het besluit tot opschorting of beëindiging van de nauwe samenwerking niet meer onder deze verordening.

3.

In het geval dat de nauwe samenwerking welke een lidstaat die de euro niet als munt heeft is aangegaan met de ECB overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 wordt beëindigd, neemt de afwikkelingsraad binnen drie maanden nadat het besluit tot beëindiging van de nauwe samenwerking is genomen, in overeenstemming met die lidstaat, een besluit over de modaliteiten voor het recupereren van de bijdragen die de betrokken lidstaat aan het Fonds heeft overgedragen en over eventuele toepasselijke voorwaarden.

De te recupereren bijdragen omvatten het gedeelte van het met de betrokken lidstaat overeenkomende compartiment dat niet wordt gemutualiseerd. Indien gedurende de overgangsfase, als bepaald in de Overeenkomst, de recuperatie van het gedeelte dat niet is gemutualiseerd, niet volstaat om de financiering voor het opzetten door de betrokken lidstaat van zijn nationale financieringsregeling conform Richtlijn 2014/59/EU mogelijk te maken, omvatten de te recupereren bijdragen ook de totaliteit of een deel van het gedeelte van het met die lidstaat overeenkomende compartiment is gemutualiseerd overeenkomstig de Overeenkomst of anders, na de overgangsfase, de totaliteit of een deel van de bijdragen die door de betrokken lidstaat gedurende de nauwe samenwerking zijn overgedragen, voor een bedrag dat volstaat om de financiering van de die nationale financieringsregeling mogelijk te maken.

Bij de beoordeling welk bedrag aan financiële middelen te recupereren is uit het gedeelte dat is gemutualiseerd, of anders, na de overgangsperiode, uit het Fonds, worden de volgende bijkomende criteria in aanmerking genomen:

  1. de manier waarop de nauwe samenwerking met de ECB is beëindigd, namelijk hetzij vrijwillig, overeenkomstig artikel 7, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1024/2013, of niet;

  2. het bestaan van lopende afwikkelingsmaatregelen op de datum van beëindiging;

  3. de conjunctuurfase waarin de betrokken lidstaat zich bevindt op de datum van beëindiging.

De te recupereren bedragen worden verdeeld gedurende een beperkte periode naar rato van de duur van de nauwe samenwerking. Het aandeel van de betrokken lidstaat in de financiële middelen van het Fonds welke gedurende de periode van nauwe samenwerking voor afwikkelingsmaatregelen zijn gebruikt, vworden in mindering gebracht op de te recupereren bedragen.

4.

Deze verordening blijft van toepassing op de afwikkelingsprocedures die lopen op de in lid 2 bedoelde toepassingsdatum van een besluit.

Artikel 5 Relatie met Richtlijn 2014/59/EU en het toepasselijke nationale recht

Artikel 6 Algemene Beginselen

Artikel 7 Taakverdeling binnen het GAM

DEEL II BIJZONDERE BEPALINGEN

TITEL I FUNCTIES BINNEN HET GEMEENSCHAPPELIJK AFWIKKELINGSMECHANISME EN PROCEDUREREGELS

HOOFDSTUK 1 Afwikkelingsplanning

Artikel 8 Door de afwikkelingsraad opgestelde afwikkelingsplannen
Artikel 9 Door nationale afwikkelingsautoriteiten opgestelde afwikkelingsplannen
Artikel 10 Beoordeling van de afwikkelbaarheid
Artikel 10 bis Bevoegdheid om bepaalde uitkeringen te verbieden
Artikel 11 Vereenvoudigde verplichtingen voor bepaalde instellingen
Artikel 12 Minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva
Artikel 12 bis Toepassing en berekening van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva
Artikel 12 ter Vrijstelling van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva
Artikel 12 quater In aanmerking komende passiva voor af te wikkelen entiteiten
Artikel 12 quinquies Vaststelling van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva
Artikel 12 sexies Vaststelling van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva voor af te wikkelen entiteiten van MSI's en dochterondernemingen van wezenlijk belang van niet-EU MSI's in de Unie
Artikel 12 septies Toepassing van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva op af te wikkelen entiteiten
Artikel 12 octies Toepassing van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva op entiteiten die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn
Artikel 12 nonies Ontheffing van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva voor entiteiten die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn
Artikel 12 decies Vrijstelling voor centrale organen en kredietinstellingen die blijvend aangesloten zijn bij een centraal orgaan
Artikel 12 undecies Niet-naleving van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva
Artikel 12 duodecies Overgangsregelingen en regelingen na afwikkeling

HOOFDSTUK 2 Vroegtijdige interventie

Artikel 13 Vroegtijdige interventie

HOOFDSTUK 3 Afwikkeling

Artikel 14 Afwikkelingsdoelstellingen
Artikel 15 Algemene beginselen met betrekking tot afwikkeling
Artikel 16 Afwikkeling van financiële instellingen en moederondernemingen
Artikel 17 Rangorde van vorderingen
Artikel 18 Afwikkelingsprocedure
Artikel 19 Staatssteun en steun uit het Fonds
Artikel 20 Waardering ten behoeve van de afwikkeling
Artikel 21 Afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva
Artikel 22 Algemene beginselen van afwikkelingsinstrumenten
Artikel 23 Afwikkelingsregeling
Artikel 24 Instrument van verkoop van de onderneming
Artikel 25 Instrument van de overbruggingsinstelling
Artikel 26 Instrument van afsplitsing van activa
Artikel 27 Instrument van bail-in
Artikel 28 Toezicht door de afwikkelingsraad
Artikel 29 Tenuitvoerlegging van besluiten uit hoofde van deze verordening

HOOFDSTUK 4 Samenwerking

Artikel 30 Verplichting tot samenwerking en informatie-uitwisseling binnen het GAM
Artikel 31 Samenwerking binnen het GAM
Artikel 32 Raadpleging van en samenwerking met niet-deelnemende lidstaten en derde landen
Artikel 33 Erkenning en handhaving van afwikkelingsprocedures van derde landen

HOOFDSTUK 5 Onderzoeksbevoegdheden

Artikel 34 Verzoeken om informatie
Artikel 35 Algemene onderzoeken
Artikel 36 Inspecties ter plaatse
Artikel 37 Toestemming van een rechterlijke instantie

HOOFDSTUK 6 Sancties

Artikel 38 Geldboeten
Artikel 39 Dwangsommen
Artikel 40 Horen van de aan de procedure onderworpen personen
Artikel 41 Openbaarmaking, aard, tenuitvoerlegging en toewijzing van de geldboeten en dwangsommen

DEEL III INSTITUTIONEEL KADER

TITEL I DE AFWIKKELINGSRAAD

Artikel 42 Rechtsstatus

Artikel 43 Samenstelling

Artikel 44 Naleving van het Unierecht

Artikel 45 Verantwoordingsplicht

Artikel 46 Nationale parlementen

Artikel 47 Onafhankelijkheid

Artikel 48 Zetel

TITEL II PLENAIRE VERGADERING VAN DE AFWIKKELINGSRAAD

Artikel 49 Deelname aan plenaire vergaderingen

Artikel 50 Taken

Artikel 51 Bijeenkomst van de plenaire vergadering van de afwikkelingsraad

Artikel 52 Algemene bepalingen betreffende het besluitvormingsproces

TITEL III BESTUURSVERGADERING VAN DE AFWIKKELINGSRAAD

Artikel 53 Deelname aan de bestuursvergaderingen

Artikel 54 Taken

Artikel 55 Besluitvormingsproces

TITEL IV VOORZITTER

Artikel 56 Benoeming en taken

TITEL V FINANCIËLE BEPALINGEN

HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen

Artikel 57 Middelen
Artikel 58 Begroting
Artikel 59 Deel I van de begroting voor het beheer van de afwikkelingsraad
Artikel 60 Deel II van de begroting voor het Fonds
Artikel 61 Opstellen en uitvoeren van de begroting
Artikel 62 Interne audit en controle
Artikel 63 Uitvoering van de begroting, indiening van de rekeningen en kwijting
Artikel 64 Financiële regels
Artikel 65 Bijdragen in de administratieve kosten van de afwikkelingsraad
Artikel 66 Fraudebestrijdingsmaatregelen

HOOFDSTUK 2 Het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds

Afdeling 1 Samenstelling van het fonds
Artikel 67 Algemene bepalingen
Artikel 68 Vereiste om financieringsregelingen voor afwikkeling op te zetten
Artikel 69 Streefbedrag
Artikel 70 Vooraf te betalen bijdragen
Artikel 71 Buitengewone achteraf te betalen bijdragen
Artikel 72 Vrijwillige leningen tussen afwikkelingsfinancieringsregelingen
Artikel 73 Alternatieve financieringsmiddelen
Artikel 74 Toegang tot financiële faciliteiten
Afdeling 2 Beheer van het fonds
Artikel 75 Beleggingen
Afdeling 3 Gebruik van het fonds
Artikel 76 Opdracht van het Fonds
Artikel 77 Gebruik van het Fonds
Artikel 78 Mutualisatie van nationale financieringsregelingen in geval van groepsafwikkeling waarbij instellingen in niet-deelnemende lidstaten zijn betrokken
Artikel 79 Gebruik van depositogarantiestelsels in het kader van de afwikkeling

TITEL VI OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 80 Voorrechten en immuniteiten

Artikel 81 Talenregeling

Artikel 82 Personeel

Artikel 83 Uitwisseling van personeelsleden

Artikel 84 Interne comités

Artikel 85 Beroepspanel

Artikel 86 Beroep bij het Hof van Justitie

Artikel 87 Aansprakelijkheid van de afwikkelingsraad

Artikel 88 Beroepsgeheim en uitwisseling van informatie

Artikel 89 Gegevensbescherming

Artikel 90 Toegang tot documenten

Artikel 91 Veiligheidsvoorschriften betreffende de bescherming van gerubriceerde informatie en niet-gerubriceerde gevoelige informatie

Artikel 92 Rekenkamer

DEEL IV UITVOERINGSBEVOEGDHEDEN EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 93 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

Artikel 94 Evaluatie

Artikel 95 Wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010

Artikel 96 Vervanging van nationale afwikkelingsfinancieringsregelingen

Artikel 97 Vestigingsovereenkomst en voorwaarden voor de exploitatie

Artikel 98 Aanvang van de activiteiten van de afwikkelingsraad

Artikel 99 Inwerkingtreding