Bij deze verordening worden eenvormige regels en een eenvormige procedure vastgesteld voor de afwikkeling van de in artikel 2 bedoelde entiteiten die in de in artikel 4 bedoelde deelnemende lidstaten zijn gevestigd.
Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010
Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010
DEEL I ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1 Onderwerp
Deze eenvormige regels en deze eenvormige procedure worden toegepast door de gemeenschappelijke afwikkelingsraad, opgericht overeenkomstig artikel 42 (de „afwikkelingsraad”), samen met de Raad en de Commissie en de nationale afwikkelingsautoriteiten in het kader van het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme („GAM”) dat bij deze verordening wordt ingesteld. Het GAM wordt ondersteund door een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds („het Fonds”).
Het gebruik van het Fonds is afhankelijk van de inwerkingtreding van een overeenkomst tussen de deelnemende lidstaten („de Overeenkomst”), die betrekking heeft op de overdracht van de op nationaal niveau geïnde middelen naar het Fonds alsook van de geleidelijke samenvoeging van de op nationaal niveau geïnde middelen die moeten worden toegewezen aan nationale compartimenten van het Fonds.
Artikel 2 Toepassingsgebied
Deze verordening is van toepassing op de volgende entiteiten:
-
kredietinstellingen die in een deelnemende lidstaat zijn gevestigd;
-
in een van de deelnemende lidstaten gevestigde moederondernemingen, met inbegrip van financiële holdings en gemengde financiële holdings, indien deze onder het toezicht op geconsolideerde basis staan dat door de ECB wordt uitgeoefend in overeenstemming met artikel 4, lid 1, punt g), van Verordening (EU) nr. 1024/2013;
-
in een deelnemende lidstaat gevestigde beleggingsondernemingen en financiële instellingen indien deze vallen onder het toezicht op geconsolideerde basis op de moederonderneming dat door de ECB wordt uitgeoefend in overeenstemming met artikel 4, lid 1, punt g), van Verordening (EU) nr. 1024/2013.
Deze verordening is niet van toepassing op entiteiten waaraan ook een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012.
Artikel 3 Definities
Voor de toepassing van deze verordening zijn de volgende definities van toepassing:
- 1. „nationale bevoegde autoriteit” :
- een nationale bevoegde autoriteit als omschreven in artikel 2, punt 2, van Verordening (EU) nr. 1024/2013;
- 2. „bevoegde autoriteit” :
- een bevoegde autoriteit als omschreven in artikel 4, lid 2, onder i), van Verordening (EU) nr. 1093/2010;
- 3. „nationale afwikkelingsautoriteit” :
- een door een deelnemende lidstaat overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 2014/59/EU aangewezen autoriteit;
- 4. „relevante nationale afwikkelingsautoriteit” :
- de nationale afwikkelingsautoriteit van een deelnemende lidstaat waar een entiteit of een groepsentiteit is gevestigd;
- 5. „voorwaarden voor afwikkeling” :
- de voorwaarden bedoeld in artikel 18, lid 1;
- 6. „afwikkelingsplan” :
- een plan opgesteld overeenkomstig artikel 8 of artikel 9;
- 7. „groepsafwikkelingsplan” :
- een plan voor groepsafwikkeling opgesteld overeenkomstig de artikelen 8 en 9;
- 8. „afwikkelingsdoelstellingen” :
- de doelstellingen bedoeld in artikel 14;
- 9. „afwikkelingsinstrument” :
- een afwikkelingsinstrument als bedoeld in artikel 22, lid 2;
- 10. „afwikkelingsmaatregel” :
- het overeenkomstig artikel 18 genomen besluit om een entiteit als bedoeld in artikel 2 af te wikkelen, de toepassing van een afwikkelingsinstrument, of de uitoefening van een of meer afwikkelingsbevoegdheden;
- 11. „gedekte deposito's” :
- deposito's als omschreven in artikel 2, lid 1, punt 5, van Richtlijn 2014/49/EU;
- 12. „in aanmerking komende deposito's” :
- in aanmerking komende deposito's als omschreven in artikel 2, lid 1, punt 4, van Richtlijn 2014/49/EU;
- 13. „instelling” :
- een kredietinstelling of een beleggingsonderneming die overeenkomstig artikel 2, punt c), onder toezicht op geconsolideerde basis valt;
- 14. „instelling in afwikkeling” :
- een in artikel 2 bedoelde entiteit ten aanzien waarvan een afwikkelingsmaatregel is genomen;
- 15. „financiële instelling” :
- een financiële instelling als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 26, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
- 16. „financiële holding” :
- een financiële holding als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 20, Verordening (EU) nr. 575/2013;
- 17. „gemengde financiële holding” :
- een gemengde financiële holding als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 21, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
- 18. „financiële EU-moederholding” :
- een financiële EU-moederholding als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 31, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
- 19. „EU-moederinstelling” :
- een EU-moederinstelling als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 29, van Verordening 575/2013;
- 20. „moederonderneming” :
- een moederonderneming als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 15, punt a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;
- 21. „dochteronderneming” :
- een dochteronderneming zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 16, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en, voor de toepassing van artikel 8, artikel 10, lid 10, de artikelen 12 tot en met 12 duodecies en de artikelen 21 en 53 van deze verordening op af te wikkelen groepen als bedoeld in punt 24 ter, punt b) van dit lid, met inbegrip van, indien en waar passend, kredietinstellingen die blijvend aangesloten zijn bij een centraal orgaan, het centrale orgaan zelf, en hun respectieve dochterondernemingen, rekening houdend met de manier waarop dergelijke af te wikkelen groepen voldoen aan artikel 12 septies, lid 3, van deze verordening;
- 21 bis. „dochteronderneming van wezenlijk belang” :
- een dochteronderneming van wezenlijk belang zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 135;
- 22. „bijkantoor” :
- een bijkantoor als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 17, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
- 23. „groep” :
- een moederonderneming en haar dochterondernemingen die entiteiten als bedoeld in artikel 2 zijn;
- 24. „grensoverschrijdende groep” :
- een groep met entiteiten als bedoeld in artikel 2 die in meer dan een deelnemende lidstaat gevestigd zijn;
- 24 bis. „af te wikkelen entiteit” :
- een in een deelnemende lidstaat gevestigde rechtspersoon, die overeenkomstig artikel 8 door de afwikkelingsraad wordt aangemerkt als een entiteit waarvoor het afwikkelingsplan in een afwikkelingsmaatregel voorziet;
- 24 ter. „af te wikkelen groep” :
-
-
een af te wikkelen entiteit samen met haar dochterondernemingen die:
-
zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn;
-
geen dochterondernemingen van andere af te wikkelen entiteiten zijn; of
-
geen in een derde land gevestigde entiteiten zijn die volgens het afwikkelingsplan geen deel uitmaken van de af te wikkelen groep, noch dochterondernemingen van die entiteiten; of
-
-
geen kredietinstellingen zijn die blijvend aangesloten zijn bij een centraal orgaan en het centrale orgaan zelf, indien ten minste een van deze kredietinstellingen of het centrale orgaan een af te wikkelen entiteit is, en hun respectieve dochterondernemingen;
-
- 24 quater. „mondiaal systeemrelevante instelling” of „MSI” :
- een MSI als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 133, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
- 25. „geconsolideerde basis” :
- de basis van de geconsolideerde situatie als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 47, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
- 26. „consoliderend toezichthouder” :
- consoliderend toezichthouder als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 41, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
- 27. „afwikkelingsautoriteit op groepsniveau” :
- de afwikkelingsautoriteit in de deelnemende lidstaat waar de instelling of moederonderneming is gevestigd die overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU binnen de deelnemende lidstaten aan toezicht op geconsolideerde basis is onderworpen op het hoogste niveau van consolidatie;
- 28. „institutioneel protectiestelsel” of „IPS” :
- een regeling die voldoet aan de in artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 opgenomen vereisten;
- 29. „buitengewone openbare financiële steun” :
- staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU of elke andere openbare financiële steun op supranationaal niveau die, als hij op nationaal niveau werd verstrekt, staatssteun zou vormen en die wordt verstrekt om de levensvatbaarheid, liquiditeit of solvabiliteit te vrijwaren of te herstellen van een entiteit als bedoeld in artikel 2 van deze verordening of van een groep waarvan een dergelijke entiteit deel uitmaakt;
- 30. „instrument van verkoop van de onderneming” :
- het mechanisme voor het verrichten van een overdracht door een afwikkelingsautoriteit van door een instelling in afwikkeling uitgegeven eigendomsinstrumenten of van activa, rechten of passiva van een instelling in afwikkeling aan een verkrijger die geen overbruggingsinstelling is, overeenkomstig artikel 24;
- 31. „instrument van de overbruggingsinstelling” :
- het mechanisme voor het overdragen van door een instelling in afwikkeling uitgegeven eigendomsinstrumenten, of van activa, rechten of passiva van een instelling in afwikkeling aan een overbruggingsinstelling, overeenkomstig artikel 25;
- 32. „instrument van afsplitsing van activa” :
- het mechanisme voor het verrichten van een overdracht van activa, rechten of passiva van een instelling in afwikkeling aan een vehikel voor activabeheer, overeenkomstig artikel 26;
- 33. „instrument van bail-in” :
- het mechanisme voor het verrichten van de uitoefening van de bevoegdheden voor het afschrijven of omzetten van de passiva van een instelling in afwikkeling overeenkomstig artikel 27;
- 34. „beschikbare financiële middelen” :
- contant geld, deposito's, activa en onherroepelijke betalingstoezeggingen waarover het Fonds beschikt voor de doeleinden die in artikel 76, lid 1, worden vermeld;
- 35. „streefbedrag” :
- het overeenkomstig artikel 69, lid 1, te bereiken bedrag aan beschikbare financiële middelen;
- 36. „Overeenkomst” :
- de overeenkomst betreffende de overdracht en de mutualisatie van de bijdragen aan het Fonds;
- 37. „overgangsperiode” :
- de periode vanaf de toepassingsdatum van deze verordening zoals bepaald in artikel 99, leden 2 en 6, totdat het Fonds het streefbedrag bereikt of tot 1 januari 2024, naargelang welke datum vroeger valt;
- 38. „financieel instrument” :
- financieel instrument als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 50, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
- 39. „schuldinstrumenten” :
- obligaties en andere vormen van overdraagbare schuld, instrumenten die een schuld creëren of erkennen, en instrumenten die recht geven op het verwerven van schuldinstrumenten;
- 40. „eigen vermogen” :
- eigen vermogen als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 118 van Verordening (EU) nr. 575/2013;
- 41. „eigenvermogenvereisten” :
- de vereisten als opgenomen in de artikelen 92 tot en met 98 van Verordening (EU) nr. 575/2013;
- 42. „liquidatie” :
- het te gelde maken van activa van een entiteit als bedoeld in artikel 2;
- 43. „derivaat” :
- een derivaat als omschreven in artikel 2, punt 5, van Verordening (EU) nr. 648/2012;
- 44. „bevoegdheden tot afschrijving en omzetting” :
- de bevoegdheden bedoeld in artikel 21;
- 45. „tier 1-kernkapitaalinstrumenten” :
- kapitaalinstrumenten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 28, leden 1 tot en met 4, artikel 29, leden 1 tot en met 5, of artikel 31, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013;
- 45 bis. „tier 1-kernkapitaal” :
- tier 1-kernkapitaal als berekend overeenkomstig artikel 50 van Verordening (EU) nr. 575/2013;
- 46. „aanvullende tier 1-instrumenten” :
- kapitaalinstrumenten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 52(1) van Verordening (EU) nr. 575/2013;
- 47. „tier 2-instrumenten” :
- kapitaalinstrumenten of achtergestelde schuldinstrumenten die voldoen aan de voorwaarden van artikel 63 van Verordening (EU) nr. 575/2013;
- 48. „totaalbedrag” :
- het totale bedrag op basis waarvan de afwikkelingsautoriteit heeft geoordeeld dat de bail-inbare passiva moeten worden afgeschreven of moeten worden omgezet, overeenkomstig artikel 27, lid 13;
- 49. „bail-inbare passiva” :
- de passiva en kapitaalinstrumenten die niet in aanmerking komen als tier 1-kernkapitaalinstrumenten, aanvullende tier 1-instrumenten of tier 2-instrumenten van een entiteit als bedoeld in artikel 2 die niet van het toepassingsgebied van het instrument van bail-in zijn uitgesloten op grond van artikel 27, lid 3;
- 49 bis. „in aanmerking komende passiva” :
- bail-inbare passiva die, naargelang het geval, aan de voorwaarden van artikel 12 quater of artikel 12 octies, lid 2, punt a), van deze verordening voldoen, alsmede tier 2-instrumenten die aan de voorwaarden van artikel 72 bis, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen;
- 49 ter. „achtergestelde in aanmerking komende instrumenten” :
- instrumenten die voldoen aan alle in artikel 72 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde andere voorwaarden dan die van Artikel 72 ter, leden 3 tot en met 5, van die verordening;
- 50. „depositogarantiestelsel” :
- een overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2014/49/EU ingevoerd en door een lidstaat officieel erkend depositogarantiestelsel;
- 51. „relevante kapitaalinstrumenten” :
- aanvullend-tier 1-instrumenten en tier 2-instrumenten;
- 52. „gedekte obligatie” :
- een instrument als bedoeld in artikel 52, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad(1);
- 53. „deposant” :
- een deposant als omschreven in artikel 2, lid 1, punt 6, van Richtlijn 2014/49/EU;
- 54. „belegger” :
- een belegger in de zin van artikel 1, punt 4, van Richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad(2) ;
- 55. „gecombineerde buffervereiste” :
- gecombineerde buffervereiste zoals gedefinieerd in artikel 128, punt 6), van Verordening 2013/36/EU.
De definities bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2014/59/EU zijn van toepassing indien een definitie relevant is maar niet in lid 1 van dit artikel is opgenomen. De definities bedoeld in artikel 3 van Richtlijn 2013/36 zijn van toepassing indien een definitie relevant is maar niet in lid 1 van dit artikel of in artikel 2 van Richtlijn 2014/59/EU is opgenomen.
Artikel 4 Deelnemende lidstaten
Deelnemende lidstaten in de zin van artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 worden geacht deelnemende lidstaten te zijn voor de toepassing van deze verordening.
Indien de nauwe samenwerking tussen een lidstaat en de ECB overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 wordt opgeschort of beëindigd, vallen de in die lidstaat gevestigde entiteiten met ingang van de toepassingsdatum van het besluit tot opschorting of beëindiging van de nauwe samenwerking niet meer onder deze verordening.
In het geval dat de nauwe samenwerking welke een lidstaat die de euro niet als munt heeft is aangegaan met de ECB overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 wordt beëindigd, neemt de afwikkelingsraad binnen drie maanden nadat het besluit tot beëindiging van de nauwe samenwerking is genomen, in overeenstemming met die lidstaat, een besluit over de modaliteiten voor het recupereren van de bijdragen die de betrokken lidstaat aan het Fonds heeft overgedragen en over eventuele toepasselijke voorwaarden.
De te recupereren bijdragen omvatten het gedeelte van het met de betrokken lidstaat overeenkomende compartiment dat niet wordt gemutualiseerd. Indien gedurende de overgangsfase, als bepaald in de Overeenkomst, de recuperatie van het gedeelte dat niet is gemutualiseerd, niet volstaat om de financiering voor het opzetten door de betrokken lidstaat van zijn nationale financieringsregeling conform Richtlijn 2014/59/EU mogelijk te maken, omvatten de te recupereren bijdragen ook de totaliteit of een deel van het gedeelte van het met die lidstaat overeenkomende compartiment is gemutualiseerd overeenkomstig de Overeenkomst of anders, na de overgangsfase, de totaliteit of een deel van de bijdragen die door de betrokken lidstaat gedurende de nauwe samenwerking zijn overgedragen, voor een bedrag dat volstaat om de financiering van de die nationale financieringsregeling mogelijk te maken.
Bij de beoordeling welk bedrag aan financiële middelen te recupereren is uit het gedeelte dat is gemutualiseerd, of anders, na de overgangsperiode, uit het Fonds, worden de volgende bijkomende criteria in aanmerking genomen:
-
de manier waarop de nauwe samenwerking met de ECB is beëindigd, namelijk hetzij vrijwillig, overeenkomstig artikel 7, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1024/2013, of niet;
-
het bestaan van lopende afwikkelingsmaatregelen op de datum van beëindiging;
-
de conjunctuurfase waarin de betrokken lidstaat zich bevindt op de datum van beëindiging.
De te recupereren bedragen worden verdeeld gedurende een beperkte periode naar rato van de duur van de nauwe samenwerking. Het aandeel van de betrokken lidstaat in de financiële middelen van het Fonds welke gedurende de periode van nauwe samenwerking voor afwikkelingsmaatregelen zijn gebruikt, vworden in mindering gebracht op de te recupereren bedragen.
Deze verordening blijft van toepassing op de afwikkelingsprocedures die lopen op de in lid 2 bedoelde toepassingsdatum van een besluit.