Home

Verordening (EU) 2016/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad

Verordening (EU) 2016/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad

HOOFDSTUK I ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1 Onderwerp en toepassingsgebied

1.

Bij deze verordening wordt een meerjarenplan („het plan”) vastgesteld voor de volgende, in de Uniewateren van de Oostzee aanwezige bestanden („de betrokken bestanden”) en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren:

  1. kabeljauw (Gadus morhua) in de ICES-deelgebieden 22-24 (kabeljauw in het westelijke deel van de Oostzee);

  2. kabeljauw (Gadus morhua) in de ICES-deelgebieden 25-32 (kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee);

  3. haring (Clupea harengus) in de ICES deelgebieden 25, 26, 27, 28.2, 29 en 32 (haring in het centrale deel van de Oostzee);

  4. haring (Clupea harengus) in ICES-deelgebied 28.1 (haring in de Golf van Riga);

  5. haring (Clupea harengus) in ICES-deelgebieden 30-31 (haring in de Botnische Golf);

  6. haring (Clupea harengus) in de ICES-deelgebieden 22-24 (kabeljauw in het westelijke deel van de Oostzee);

  7. sprot (Sprattus sprattus) in de ICES-deelgebieden 22-32 (sprot in de Oostzee).

2.

Deze verordening is ook van toepassing op de bijvangsten van schol (Pleuronectes platessa), bot (Platichthys flesus), tarbot (Scophthalmus maximus) en griet (Scophthalmus rhombus) in de ICES-deelgebieden 22-32 die bij de visserij op de bedoelde bestanden wordt gevangen.

Artikel 2 Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities die zijn vastgesteld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 en artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2187/2005. Daarnaast wordt verstaan onder:

    1. „pelagische bestanden” :
    de in artikel 1, lid 1, onder c) tot en met h), van deze verordening bedoelde bestanden of een combinatie van daar bedoelde bestanden;
    2. „FMDO-bandbreedte” :
    een bandbreedte van waarden zoals opgenomen in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES of van een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, waarbinnen alle niveaus van visserijsterfte een maximale duurzame opbrengst (MDO) op lange termijn opleveren bij een bepaald visserijpatroon en onder de actuele gemiddelde milieuomstandigheden, zonder beduidende nadelige gevolgen te hebben voor het reproductieproces voor het betrokken bestand. De bandbreedte is zo bepaald dat bij de toepassing ervan de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de MDO. De bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder het grensreferentiepunt voor paaibiomassa (Blim) belandt, niet meer dan 5 % bedraagt;
    3. „MDO Flower ” :
    de laagste waarde binnen de FMDO-bandbreedte;
    4. „MDO Fupper ” :
    de hoogste waarde binnen de FMDO-bandbreedte;
    5. „FMDO-puntwaarde” :
    de waarde van de geraamde visserijsterfte die bij een bepaald visserijpatroon en onder de actuele gemiddelde milieuomstandigheden de MDO op lange termijn oplevert;
    6. „lagere FMDO-bandbreedte” :
    een bandbreedte die de waarden van MDO Flower tot de FMDO-puntwaarde omvat;
    7. „hogere FMDO-bandbreedte” :
    een bandbreedte die de waarden van de FMDO-puntwaarde tot MDO Fupper omvat;
    8. „Blim ” :
    het referentiepunt voor de paaibiomassa van een bestand, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES of van een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, waaronder er sprake kan zijn van een verminderde reproductiecapaciteit;
    9. „MDO Btrigger ” :
    het referentiepunt voor paaibiomassa, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES of van een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, waaronder specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn de MDO kan opleveren;
    10. „betrokken lidstaten” :
    lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer, namelijk Denemarken, Duitsland, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Finland en Zweden.

HOOFDSTUK II DOELSTELLINGEN EN STREEFDOELEN

Artikel 3 Doelstellingen

1.

Het plan draagt bij tot de verwezenlijking van de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), en met name de toepassing van de voorzorgsbenadering bij het visserijbeheer, en beoogt ervoor te zorgen dat de mariene biologische rijkdommen zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de beviste soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.

2.

Het plan draagt bij tot het uitbannen van teruggooi door ongewenste vangsten zo veel mogelijk te voorkomen en te beperken, alsook tot de uitvoering van de bij artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting voor de onder onderhavige verordening vallende soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden.

3.

Het plan past de ecosysteemgerichte benadering toe op het visserijbeheer teneinde ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum wordt beperkt. Het is coherent met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de doelstelling van artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken.

Het plan beoogt met name:

  1. ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de in beschrijvend element 3 van bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG beschreven voorwaarden, en

  2. bij te dragen tot de vervulling van andere relevante beschrijvende elementen in bijlage I bij die richtlijn, in verhouding tot de rol die visserij voor de vervulling ervan speelt.

4.

De maatregelen uit hoofde van het plan worden genomen op basis van het best beschikbare wetenschappelijke advies.

Artikel 4 Streefdoelen

Artikel 4 bis Instandhoudingsreferentiepunten

HOOFDSTUK III INSTANDHOUDINGSREFERENTIEPUNTEN

Artikel 5 Vrijwaringsmaatregelen

HOOFDSTUK IV SPECIFIEKE INSTANDHOUDINGSMAATREGELEN VOOR SCHOL, BOT, TARBOT EN GRIET

Artikel 6 Maatregelen voor als bijvangst gevangen schol, bot, tarbot en griet

HOOFDSTUK V BEPALINGEN IN SAMENHANG MET DE AANLANDINGSVERPLICHTING

Artikel 7 Bepalingen in verband met de aanlandingsverplichting

HOOFDSTUK VI TECHNISCHE MAATREGELEN

Artikel 8 Technische maatregelen

HOOFDSTUK VII REGIONALISERING

Artikel 9 Regionale samenwerking

HOOFDSTUK VIII CONTROLE EN HANDHAVING

Artikel 10 Verhouding tot Verordening (EG) nr. 1224/2009

Artikel 11 Voorafgaande kennisgevingen

Artikel 12 Logboeken

Artikel 13 Tolerantiemarge in het logboek

Artikel 14 Aangewezen havens

HOOFDSTUK IX FOLLOW-UP

Artikel 15 Evaluatie van het plan

HOOFDSTUK X PROCEDURELE BEPALINGEN

Artikel 16 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

HOOFDSTUK XI SLOTBEPALINGEN

Artikel 17 Steun van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij

Artikel 18 Wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005

Artikel 19 Intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007

Artikel 20 Inwerkingtreding