Home

Besluit (GBVB) 2017/1775 van de Raad van 28 september 2017 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Mali

Besluit (GBVB) 2017/1775 van de Raad van 28 september 2017 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Mali

Artikel 1

1.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de binnenkomst op of doorreis via hun grondgebied te beletten van personen die door het Sanctiecomité zijn aangewezen als zijnde verantwoordelijk voor of medeplichtig aan, of als zijnde direct of indirect betrokken bij de volgende acties of beleidsmaatregelen die de vrede, de veiligheid of de stabiliteit in Mali bedreigen:

  1. deelnemen aan vijandigheden die een schending zijn van het akkoord voor vrede en verzoening in Mali;

  2. maatregelen die de uitvoering van het akkoord belemmeren, of verhinderen door langdurige vertraging, of een bedreiging vormen voor de uitvoering van het akkoord;

  3. handelen voor, namens of op aanwijzing van of anderszins steun verlenen aan personen en entiteiten die onder a) of b) worden bedoeld, bijvoorbeeld met de opbrengsten van georganiseerde misdaad, zoals de productie van en de handel in verdovende middelen en precursoren ervan die afkomstig zijn uit of worden vervoerd via Mali, mensenhandel en smokkel van migranten, wapenhandel en -smokkel alsmede de illegale handel in cultuurgoederen;

  4. betrokkenheid bij de planning, aansturing, sponsoring of uitvoering van aanslagen op:

    1. de diverse in het akkoord bedoelde entiteiten, met inbegrip van lokale, regionale en nationale instellingen, gezamenlijke patrouilles en de Malinese veiligheidstroepen en strijdkrachten;

    2. vredeshandhavers en ander VN- en aanverwant personeel van de Multidimensionale Geïntegreerde Stabilisatiemissie van de Verenigde Naties in Mali (MINUSMA), evenals leden van het panel van deskundigen;

    3. internationale veiligheidstroepen, waaronder de Force Conjointe des États du G5 Sahel (FC-G5S), missies van de Europese Unie en Franse troepen;

  5. belemmeren van de levering van humanitaire bijstand aan Mali of de toegang tot, of verdeling van, humanitaire bijstand in Mali;

  6. beramen, aansturen of plegen van handelingen in Mali die een schending zijn van het internationale recht inzake de mensenrechten of het internationale humanitaire recht, al naargelang, of een inbreuk zijn op of een schending van de mensenrechten, met inbegrip van handelingen die gericht zijn tegen burgers, met inbegrip van vrouwen en kinderen, in de vorm van het plegen van gewelddaden (waaronder moord, verminking, foltering of verkrachting of ander seksueel geweld), ontvoering, gedwongen verdwijning, gedwongen ontheemding, aanvallen op scholen, ziekenhuizen, religieuze locaties, of plaatsen waar burgers hun toevlucht zoeken;

  7. inzet of de rekrutering van kinderen door gewapende groepen of strijdkrachten, waardoor het toepasselijke internationale recht wordt geschonden, in het kader van het gewapende conflict in Mali,

  8. willens en wetens het reizen vergemakkelijken van een in de lijst opgenomen persoon, in strijd met de reisbeperkingen.

De lijst van de in dit lid bedoelde aangewezen personen staat in bijlage I.

2.

Lid 1 verplicht een lidstaat er niet toe de binnenkomst op zijn grondgebied van eigen onderdanen te weigeren.

3.

Lid 1 is niet van toepassing indien binnenkomst of doorreis noodzakelijk is voor een gerechtelijk proces.

4.

Lid 1 is niet van toepassing wanneer het Sanctiecomité, per geval, vaststelt:

  1. dat de binnenkomst of doorreis gerechtvaardigd is om humanitaire redenen, met inbegrip van een godsdienstige verplichting;

  2. dat een ontheffing een gunstige invloed zou hebben op de nagestreefde vrede en nationale verzoening in Mali en de stabiliteit in de regio.

5.

In de gevallen waarin een lidstaat krachtens de leden 3 of 4 toestemming geeft voor binnenkomst of doorreis op zijn grondgebied van in bijlage I vermelde personen, geldt deze toestemming alleen voor het doel waarvoor zij is verleend en alleen voor de bij de toestemming belang hebbende personen.

Artikel 1 bis

1.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de inreis in of de doorreis door hun grondgebied te beletten van natuurlijke personen die:

  1. verantwoordelijk zijn voor, medeplichtig zijn aan, of direct of indirect betrokken zijn geweest bij acties of beleidsmaatregelen die de vrede, de veiligheid of de stabiliteit van Mali bedreigen, zoals de in artikel 1, lid 1, bedoelde acties of beleidsmaatregelen;

  2. de succesvolle voltooiing van de politieke transitie van Mali belemmeren of ondermijnen, onder meer door het houden van verkiezingen of de machtsoverdracht aan de gekozen autoriteiten te belemmeren of te ondermijnen, of

  3. banden hebben met de in punt a) of b) bedoelde natuurlijke personen.

De lijst van de in dit lid bedoelde aangewezen personen staat in bijlage II.

2.

Lid 1 houdt niet in dat de lidstaten verplicht zijn de inreis van eigen onderdanen in hun grondgebied te weigeren.

3.

Lid 1 laat de gevallen onverlet waarin de lidstaten gebonden zijn aan een internationaalrechtelijke verplichting, en wel:

  1. als gastland van een internationale intergouvernementele organisatie;

  2. als gastland van een internationale conferentie die is bijeengeroepen door of plaatsvindt onder auspiciën van de Verenigde Naties;

  3. krachtens een multilaterale overeenkomst die voorrechten en immuniteiten verleent, of

  4. krachtens het Concordaat (Verdrag van Lateranen) van 1929 dat werd gesloten tussen de Heilige Stoel (Vaticaanstad) en Italië.

4.

Lid 3 is ook van toepassing op de gevallen waarin een lidstaat als gastland van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) optreedt.

5.

De Raad wordt terdege geïnformeerd indien een lidstaat een vrijstelling op grond van lid 3 of lid 4 verleent.

6.

De lidstaten kunnen vrijstellingen van de krachtens lid 1 opgelegde maatregelen verlenen voor reizen die plaatsvinden op grond van dringende humanitaire noden of met het oog op het bijwonen van intergouvernementele vergaderingen, door de Unie geïnitieerde of georganiseerde vergaderingen, of door een lidstaat die fungerend voorzitter is van de OVSE georganiseerde vergaderingen, wanneer daar een politieke dialoog wordt gevoerd waarbij de beleidsdoelen van de beperkende maatregelen rechtstreeks worden bevorderd.

7.

De lidstaten kunnen ook vrijstellingen van de krachtens lid 1 opgelegde maatregelen verlenen indien inreis of doorreis noodzakelijk is in verband met een gerechtelijke procedure.

8.

Een lidstaat die de in lid 6 of 7 bedoelde vrijstellingen wil verlenen, brengt zulks schriftelijk ter kennis van de Raad. De vrijstelling wordt geacht te zijn verleend, tenzij een of meer lidstaten binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisgeving van de voorgestelde vrijstelling schriftelijk bezwaar maken. In dat geval kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid besluiten de voorgestelde vrijstelling te verlenen.

9.

Wanneer een lidstaat krachtens lid 3, 4, 6, of 7 machtiging verleent tot inreis in of doorreis door zijn grondgebied van de in bijlage II vermelde personen, geldt deze machtiging alleen voor het doel waarvoor zij is verleend en alleen voor de rechtstreeks daarbij betrokken personen.

Artikel 2

1.

Alle tegoeden en economische middelen die eigendom zijn van of direct of indirect onder zeggenschap staan van personen of entiteiten die door het Sanctiecomité zijn aangewezen als zijnde verantwoordelijk voor of medeplichtig aan, of als zijnde direct of indirect betrokken bij de volgende acties of beleidsmaatregelen die de vrede, de veiligheid of de stabiliteit in Mali bedreigen:

  1. deelnemen aan vijandelijkheden die een schending zijn van het akkoord voor vrede en verzoening in Mali;

  2. maatregelen die de uitvoering van de overeenkomst belemmeren, of verhinderen door langdurige vertraging, of een bedreiging vormen voor de uitvoering van het akkoord;

  3. handelen voor, namens of op aanwijzing van of anderszins steun verlenen aan personen en entiteiten die onder a) of b) worden bedoeld, bijvoorbeeld met de opbrengsten van georganiseerde misdaad, zoals de productie van en de handel in verdovende middelen en precursoren ervan die afkomstig zijn uit of worden vervoerd via Mali, mensenhandel en smokkel van migranten, wapenhandel en -smokkel alsmede de illegale handel in cultuurgoederen;

  4. betrokkenheid bij de planning, aansturing, sponsoring of uitvoering van aanslagen op:

    1. de diverse in het akkoord bedoelde entiteiten, met inbegrip van lokale, regionale en nationale instellingen, gezamenlijke patrouilles en de Malinese veiligheidstroepen en strijdkrachten;

    2. vredeshandhavers en ander VN- en aanverwant personeel van MINUSMA, zoals leden van het panel van deskundigen;

    3. internationale veiligheidstroepen, waaronder de FC-G5S, missies van de Europese Unie en Franse troepen;

  5. belemmeren van de levering van humanitaire bijstand aan Mali of de toegang tot, of verdeling van, humanitaire bijstand in Mali;

  6. beramen, aansturen of plegen van handelingen in Mali die een schending zijn van het internationale recht inzake de mensenrechten of het internationale humanitaire recht, al naargelang, of een inbreuk zijn op of een schending van de mensenrechten (met inbegrip van handelingen die gericht zijn tegen burgers, met inbegrip van vrouwen en kinderen), in de vorm van het plegen van gewelddaden waaronder moord, verminking, foltering of verkrachting of ander seksueel geweld, ontvoering, gedwongen verdwijning, gedwongen ontheemding, aanvallen op scholen, ziekenhuizen, religieuze locaties, of plaatsen waar burgers hun toevlucht zoeken;

  7. inzet of de rekrutering van kinderen door gewapende groepen of strijdkrachten, waardoor het toepasselijke internationale recht wordt geschonden, in het kader van het gewapende conflict in Mali;

  8. willens en wetens het reizen vergemakkelijken van een in de lijst opgenomen persoon, in strijd met de reisbeperkingen;

of van personen of entiteiten die namens hen of onder hun leiding optreden, of van entiteiten die eigendom zijn van of onder hun zeggenschap staan, worden bevroren.

De lijst van de in dit lid bedoelde aangewezen personen of entiteiten staat in bijlage I.

2.

Er worden geen tegoeden of economische middelen rechtstreeks of onrechtstreeks ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van de op de lijsten in bijlage I vermelde personen of entiteiten.

3.

De in de leden 1 en 2 genoemde maatregelen zijn niet van toepassing op tegoeden en economische middelen ten aanzien waarvan de betrokken lidstaat heeft vastgesteld dat zij:

  1. noodzakelijk zijn voor basisuitgaven, zoals betalingen voor voedsel, huur of hypotheek, geneesmiddelen of geneeskundige behandelingen, belastingen, verzekeringspremies en nutsvoorzieningen;

  2. uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van redelijke honoraria en vergoeding van gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten, of

  3. uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van honoraria of kosten voor het routinematig houden of beheren van bevroren tegoeden of economische middelen;

en wel nadat de betrokken lidstaat het Sanctiecomité kennis heeft gegeven van zijn voornemen om, naargelang van het geval, de toegang tot de tegoeden of economische middelen toe te staan, en als het Sanctiecomité niet binnen vijf werkdagen na dergelijke kennisgeving een negatief besluit heeft genomen.

4.

De in de leden 1 en 2 genoemde maatregelen zijn niet van toepassing op tegoeden of economische middelen ten aanzien waarvan de betrokken lidstaat heeft vastgesteld dat zij:

  1. noodzakelijk zijn voor buitengewone uitgaven, mits de lidstaat het Sanctiecomité in kennis heeft gesteld van een dergelijk besluit en dit besluit door het Sanctiecomité is goedgekeurd;

  2. het voorwerp zijn van een rechterlijk, bestuurlijk of arbitraal retentierecht of vonnis, in welk geval de tegoeden en economische middelen kunnen worden gebruikt om het retentierecht uit t e oefenen of het vonnis ten uitvoer te leggen, mits het retentierecht is ingegaan of het vonnis is uitgesproken vóór de datum waarop de persoon of entiteit in bijlage I is opgenomen, en het retentierecht of het vonnis niet ten goede komt aan een in lid 1 bedoelde persoon of entiteit en door de betrokken lidstaat is meegedeeld aan het Sanctiecomité.

5.

De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing wanneer het Comité per geval bepaalt dat een ontheffing een gunstige invloed zou hebben op de nagestreefde vrede en nationale verzoening in Mali en de stabiliteit in de regio.

6.

Lid 1 belet niet dat een aangewezen persoon of entiteit een betaling doet die verschuldigd is wegens een contract dat is gesloten voordat de persoon of entiteit op de lijst werd geplaatst, mits de betrokken lidstaat heeft vastgesteld dat de betaling niet direct of indirect wordt ontvangen door een in lid 1 bedoelde persoon of entiteit en de betaling geschiedt nadat de betrokken lidstaat het Sanctiecomité kennis heeft gegeven van het voornemen de betaling te verrichten of te ontvangen, dan wel te dien einde, in voorkomend geval, toestemming te verlenen tot het vrijgeven van de bevroren tegoeden, andere financiële activa of economische middelen, tien werkdagen voordat de toestemming wordt verleend.

7.

Lid 2 is niet van toepassing op de bijboeking op bevroren rekeningen van:

  1. rente of andere inkomsten op die rekeningen, of

  2. betalingen die verschuldigd zijn krachtens contracten, overeenkomsten of verplichtingen die zijn aangegaan of die zijn ontstaan vóór de datum waarop de beperkende maatregelen van dit besluit op die rekeningen van toepassing werden;

met dien verstande dat lid 1 van toepassing blijft met betrekking tot de voormelde rente, andere inkomsten en betalingen.

Artikel 2 bis

1.

Alle tegoeden en economische middelen die eigendom zijn of direct of indirect onder zeggenschap staan van natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die:

  1. verantwoordelijk zijn voor, medeplichtig zijn aan, of direct of indirect betrokken zijn geweest bij acties of beleidsmaatregelen die de vrede, veiligheid of stabiliteit van Mali bedreigen, zoals de in artikel 2, lid 1, bedoelde acties of beleidsmaatregelen;

  2. de succesvolle voltooiing van de politieke transitie van Mali belemmeren of ondermijnen, onder meer door het houden van verkiezingen of de machtsoverdracht aan de gekozen autoriteiten te belemmeren of te ondermijnen, of

  3. banden hebben met de in punt a) of b) bedoelde natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten of lichamen,

worden bevroren.

De lijst van de in dit lid bedoelde aangewezen natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten of lichamen staat in bijlage II.

2.

Er worden geen tegoeden of economische middelen direct of indirect ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van in bijlage II vermelde natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.

3.

In afwijking van de leden 1 en 2 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, onder door hen geschikt geachte voorwaarden, toestemming verlenen voor de vrijgave of de beschikbaarstelling van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, nadat zij hebben vastgesteld dat de betrokken tegoeden of economische middelen:

  1. noodzakelijk zijn voor het dekken van uitgaven voor de basisbehoeften van de in bijlage II genoemde natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, en de gezinsleden die van deze natuurlijke personen afhankelijk zijn, zoals betalingen voor levensmiddelen, huur of hypotheeklasten, geneesmiddelen of medische behandelingen, belastingen, verzekeringspremies en nutsvoorzieningen;

  2. uitsluitend bestemd zijn voor het betalen van redelijke honoraria en het vergoeden van andere kosten van juridische diensten;

  3. uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van honoraria of kosten voor het routinematig houden of beheren van bevroren tegoeden of economische middelen;

  4. noodzakelijk zijn voor de betaling van buitengewone lasten, mits de bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie ten minste twee weken vóór zij de toestemming verleent, in kennis stelt van de redenen waarom zij meent dat specifieke toestemming moet worden verleend, of

  5. gestort worden op of betaald worden van een rekening van een diplomatieke of consulaire missie of een internationale organisatie die bescherming geniet op grond van het internationaal recht, voor zover die betalingen bestemd zijn voor de officiële doelen van de diplomatieke of consulaire missie of de internationale organisatie.

De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke toestemming die overeenkomstig dit lid is verleend, binnen twee weken na de verlening van de toestemming.

4.

In afwijking van lid 1 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de vrijgave van bepaalde bevroren geldmiddelen of economische middelen toestaan, of de beschikbaarstelling van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. de tegoeden of economische middelen zijn het voorwerp van een arbitraal vonnis dat is gegeven voor de datum waarop de in lid 1 bedoelde natuurlijke of rechtspersonen, entiteiten of lichamen zijn opgenomen in bijlage II, of van een gerechtelijk of administratief besluit dat in de Unie is gegeven, of van een rechterlijk vonnis dat in de betrokken lidstaat voor tenuitvoerlegging vatbaar is, en dat van voor of na die datum dateert;

  2. de tegoeden of economische middelen worden uitsluitend gebruikt om te voldoen aan vorderingen die door een dergelijke beslissing zijn gewaarborgd of geldig zijn verklaard, binnen de grenzen gesteld door de toepasselijke wet- en regelgeving betreffende de rechten van titularissen van dergelijke vorderingen;

  3. de beslissing komt niet ten goede aan een in bijlage II vermelde natuurlijke of rechtspersoon, entiteit of lichaam, en

  4. de erkenning van het besluit of vonnis is niet in strijd met de openbare orde van de betrokken lidstaat.

De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke toestemming die overeenkomstig dit lid is verleend, binnen twee weken na de verlening van de toestemming.

5.

Lid 1 belet niet dat een op de lijst in bijlage II geplaatste natuurlijke of rechtspersoon, entiteit of lichaam betalingen verricht die verschuldigd zijn uit hoofde van een contract dat of overeenkomst die is gesloten, of een verplichting die is ontstaan, vóór de datum waarop de natuurlijke of rechtspersoon, de entiteit of het lichaam op de lijst werd geplaatst, mits de betrokken lidstaat heeft vastgesteld dat de betalingen niet direct of indirect worden ontvangen door een natuurlijke of rechtspersoon, entiteit of lichaam als bedoeld in lid 1.

6.

Lid 2 is niet van toepassing op de bijboeking op bevroren rekeningen van:

  1. rente of andere inkomsten op die rekeningen;

  2. betalingen die verschuldigd zijn overeenkomstig contracten, overeenkomsten of verbintenissen die zijn gesloten of ontstaan vóór de datum waarop de in de leden 1 en 2 vervatte maatregelen op deze rekeningen van toepassing werden, of

  3. betalingen die verschuldigd zijn uit hoofde van gerechtelijke, administratieve of arbitrale beslissingen die in de Unie zijn gegeven of in de betrokken lidstaat voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn,

mits dergelijke rente, andere inkomsten en betalingen onderworpen blijven aan de maatregelen van lid 1.

7.

In afwijking van de leden 1 en 2, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, onder door hen geschikt geachte voorwaarden, toestemming verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, of voor de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden of economische middelen, nadat zij hebben vastgesteld dat het verstrekken van die tegoeden of economische middelen noodzakelijk is voor humanitaire doeleinden, zoals het verlenen of vergemakkelijken van hulp, met inbegrip van medische benodigdheden, levensmiddelen, of de overbrenging van humanitaire hulpverleners en daarmee verband houdende hulp, of bijstand voor evacuaties uit Mali. De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke toestemming die overeenkomstig dit artikel is verleend, binnen twee weken na de verlening van de toestemming.

Artikel 3

1.

De Raad stelt de lijst in bijlage I vast en wijzigt deze in overeenstemming met de besluiten van de Veiligheidsraad of van het Sanctiecomité.

2.

De lijst in bijlage II wordt met eenparigheid van stemmen vastgesteld en gewijzigd door de Raad, die besluit op voorstel van een lidstaat of van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (de “hoge vertegenwoordiger”).

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 5 bis

Artikel 5 ter

Artikel 6

Artikel 7

BIJLAGE I

BIJLAGE II