Home

Verordening (EU) 2017/352 van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2017 tot vaststelling van een kader voor het verrichten van havendiensten en gemeenschappelijke regels inzake de financiële transparantie van havens (Voor de EER relevante tekst)

Verordening (EU) 2017/352 van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2017 tot vaststelling van een kader voor het verrichten van havendiensten en gemeenschappelijke regels inzake de financiële transparantie van havens (Voor de EER relevante tekst)

HOOFDSTUK I VOORWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1 Voorwerp en toepassingsgebied

1.

Bij deze verordening worden vastgesteld:

  1. een kader voor het verrichten van havendiensten;

  2. gemeenschappelijke voorschriften inzake financiële transparantie en heffingen op havendiensten en op het gebruik van haveninfrastructuur.

2.

Deze verordening is van toepassing op het verrichten van de volgende categorieën van havendiensten („havendiensten”), hetzij binnen havengebieden, hetzij op de waterweg naar de haven:

  1. bunkering,

  2. vrachtafhandeling,

  3. meren,

  4. passagiersdiensten,

  5. ontvangst van scheepsafval en ladingresiduen,

  6. loodsdiensten, alsmede

  7. slepen.

3.

Artikel 11, lid 2, is ook van toepassing op baggerwerkzaamheden.

4.

Deze verordening is van toepassing op alle zeehavens die deel uitmaken van het trans-Europees vervoersnetwerk, als opgenomen in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1315/2013.

5.

De lidstaten kunnen besluiten deze verordening niet toe te passen op zeehavens van het uitgebreide netwerk in de in artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie genoemde ultraperifere gebieden. Indien lidstaten besluiten deze verordening niet toe te passen op die zeehavens, stellen zij de Commissie in kennis van dat besluit.

6.

De lidstaten kunnen deze verordening ook toepassen op andere zeehavens. Indien lidstaten besluiten deze verordening toe te passen op andere zeehavens, stellen zij de Commissie in kennis van hun besluit.

7.

Deze verordening laat de Richtlijnen 2014/23/EU(1) en 2014/24/EU(2) van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2014/25/EU onverlet.

Artikel 2 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

    1. „bunkering” :
    de levering van vaste, vloeibare of gasvormige brandstoffen of van elke andere energiebron die wordt gebruikt voor de aandrijving van vaartuigen en de algemene en specifieke energievoorziening aan boord van een aan een aanlegplaats gemeerd vaartuig;
    2. „vrachtafhandeling” :
    de organisatie en behandeling van vracht tussen het vaartuig dat de vracht vervoert en de wal, voor de invoer, uitvoer of doorvoer van de vracht, met inbegrip van de verwerking, het vastsjorren, het losmaken, de stuwage, het vervoer en de tijdelijke opslag van de vracht in de desbetreffende vrachtafhandelingsterminal, en rechtstreeks gerelateerd aan het vervoer van de vracht, maar met uitzondering van — tenzij door de lidstaat anders bepaald — de opslag, ontmanteling, herverpakking of enige andere dienst met toegevoegde waarde die verband houdt met de vracht;
    3. „bevoegde instantie” :
    een openbare of particuliere instantie die namens een lokaal, regionaal of nationaal niveau gerechtigd is, krachtens nationaal recht of nationale rechtsinstrumenten, samen met of in plaats van de havenbeheerder activiteiten te verrichten in verband met de organisatie en het beheer van havenactiviteiten;
    4. „baggeren” :
    het verwijderen van zand, slib of andere materie van de bodem van de waterweg naar de haven, of binnen het havengebied dat onder de bevoegdheid van de havenbeheerder valt, met inbegrip van het afvoeren van het verwijderde materiaal, om vaartuigen toegang tot die haven te verschaffen; het omvat zowel initiële verwijdering (aanleg- en verdiepingsbaggerwerken) als onderhoudsbaggerwerken uitgevoerd om de waterweg toegankelijk te houden, zonder dat dit een aan de gebruiker aangeboden havendienst vormt;
    5. „havenbeheerder” :
    een publieke of particuliere instantie die, krachtens nationaal recht of rechtsinstrumenten, tot doel heeft of wordt gemachtigd om, op lokaal niveau, al dan niet in combinatie met andere activiteiten, de haveninfrastructuur te besturen en te beheren en één of meer van de volgende taken in de betrokken haven te verrichten: de coördinatie van het havenverkeer, het beheer van het havenverkeer, en de coördinatie en controle van de activiteiten van de in de betrokken haven aanwezige exploitanten;
    6. „meren” :
    de af- en ontmeerdiensten, inclusief het langs de kade verslepen, die nodig zijn voor de veilige bediening van een vaartuig in de haven of in de waterweg naar de haven;
    7. „passagiersdiensten” :
    de organisatie en de afhandeling van passagiers, hun bagage en hun voertuigen tussen het vaartuig waarop ze worden vervoerd en de wal, met inbegrip van de verwerking van persoonsgegevens en het vervoer van passagiers binnen de desbetreffende passagiersterminal;
    8. „loodsdiensten” :
    het begeleiden van een vaartuig door een loods of loodsstation met het oog op het veilig in- of uitvaren van de waterweg naar de haven of het veilig varen in de haven door het vaartuig;
    9. „heffing op het gebruik van haveninfrastructuur” :
    een heffing die wordt geïnd, en direct of indirect ten goede komt aan de havenbeheerder of de bevoegde instantie, voor het gebruik van infrastructuur, installaties en diensten, met inbegrip van de waterweg naar de betrokken haven, en voor de toegang tot de verwerking van passagiers en vracht, maar met uitsluiting van landpachttarieven en heffingen van gelijke werking;
    10. „ontvangst van scheepsafval en ladingresiduen” :
    de ontvangst van scheepsafval en ladingsresiduen door iedere vaste, drijvende of mobiele voorziening die geschikt is voor de ontvangst van scheepsafval of ladingresiduen als omschreven in Richtlijn 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad(3);
    11. „heffing op havendiensten” :
    een heffing die wordt geïnd en ten goede komt aan de aanbieder van havendiensten en wordt betaald door de gebruiker van de desbetreffende diensten;
    12. „havendienstovereenkomst” :
    een formele en wettelijk bindende overeenkomst of rechtshandeling van gelijke werking tussen een aanbieder van havendiensten en de havenbeheerder of de bevoegde instantie die betrekking heeft op het verrichten van één of meer havendiensten; deze laat de vorm van aanwijzing van aanbieders van havendiensten onverlet;
    13. „aanbieder van havendiensten” :
    elke natuurlijke of rechtspersoon die tegen betaling één of meer categorieën van havendiensten verricht of wenst te verrichten;
    14. „openbaredienstverplichting” :
    een verplichting die is omschreven of vastgesteld om de verrichting te waarborgen van havendiensten of -activiteiten van algemeen belang die een exploitant, indien hij zijn eigen commerciële belangen zou volgen, niet of niet in dezelfde mate of tegen dezelfde voorwaarden op zich zou nemen;
    15. „korte vaart” :
    de verplaatsing over zee van vracht en passagiers tussen in Europa (in geografische zin) gelegen havens of tussen die havens en havens in niet-Europese landen met een kustlijn langs omsloten zeeën die aan Europa grenzen;
    16. „zeehaven” :
    een uit land en water bestaand gebied met infrastructuur en voorzieningen die voornamelijk dienen voor de ontvangst van vaartuigen, het laden en lossen daarvan, de opslag van goederen, het in ontvangst nemen en leveren van die goederen en het in- en ontschepen van passagiers, bemanningsleden en andere personen, evenals enige andere infrastructuur die voor vervoersexploitanten in het havengebied noodzakelijk is;
    17. „slepen” :
    met behulp van een sleepboot aan een vaartuig bijstand bieden bij het manoeuvreren met het oog op het veilig in- of uitvaren van de haven of het veilig varen in de haven;
    18. „waterweg naar de haven” :
    een toegang over het water tot de haven vanaf de open zee, zoals toegangsvaarwegen, vaargeulen, rivieren, zeekanalen en fjorden, mits die waterweg onder de bevoegdheid van de havenbeheerder valt.

HOOFDSTUK II VERRICHTEN VAN HAVENDIENSTEN

Artikel 3 Organisatie van havendiensten

1.

Overeenkomstig deze verordening kan de toegang tot de markt voor het verrichten van havendiensten in zeehavens, onderworpen zijn aan:

  1. minimumeisen aan het verrichten van havendiensten,

  2. beperkingen van het aantal aanbieders,

  3. openbaredienstverplichtingen,

  4. beperkingen in verband met interne exploitanten.

2.

De lidstaten kunnen besluiten in het nationale recht geen enkele van de in lid 1 bedoelde voorwaarden op te leggen aan één of meer categorieën van havendiensten.

3.

De voorwaarden inzake toegang tot de havenvoorzieningen, -installaties en -uitrusting zijn billijk, redelijk en niet-discriminerend.

Artikel 4 Minimumeisen aan het verrichten van havendiensten

Artikel 5 Procedure om de naleving van de minimumeisen te waarborgen

Artikel 6 Beperkingen van het aantal aanbieders van havendiensten

Artikel 7 Openbaredienstverplichtingen

Artikel 8 Interne exploitant

Artikel 9 Waarborging van werknemersrechten

Artikel 10 Vrijstellingen

HOOFDSTUK III FINANCIËLE TRANSPARANTIE EN AUTONOMIE

Artikel 11 Transparantie van financiële betrekkingen

Artikel 12 Heffingen op havendiensten

Artikel 13 Heffingen op het gebruik van haveninfrastructuur

HOOFDSTUK IV ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 14 Opleiding van personeel

Artikel 15 Raadpleging van havengebruikers en andere belanghebbenden

Artikel 16 Behandeling van klachten

Artikel 17 Betrokken instanties

Artikel 18 Beroepsprocedures

Artikel 19 Sancties

Artikel 20 Voortgangsverslag

Artikel 21 Overgangsmaatregelen

Artikel 22 Inwerkingtreding