Home

Verordening (EU) 2017/1770 van de Raad van 28 september 2017 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Mali

Verordening (EU) 2017/1770 van de Raad van 28 september 2017 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Mali

Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

a) „vordering” :

een vóór of na de datum van inwerkingtreding van deze verordening ingediende vordering, ook wanneer deze de vorm van een rechtsvordering heeft, die voortvloeit uit of verband houdt met de uitvoering van een contract of transactie, en met name:

  1. een vordering tot nakoming van een verplichting die voortvloeit uit of verband houdt met een contract of transactie;

  2. een vordering tot verlenging of uitbetaling van een obligatie, financiële garantie of contragarantie, ongeacht de vorm;

  3. een vordering tot schadeloosstelling in verband met een contract of een transactie;

  4. een tegenvordering;

  5. een vordering, ook via een exequatur, waarmee wordt beoogd erkenning of uitvoering van een rechterlijke of arbitrale uitspraak of van een gelijkwaardige beslissing te verkrijgen, ongeacht de plaats van uitspraak;

b) „contract of transactie” :
een verrichting, ongeacht haar vorm en het recht dat erop van toepassing is, die een of meer contracten of soortgelijke verplichtingen tussen al dan niet dezelfde partijen omvat; in dat verband wordt er onder „contract” tevens begrepen obligaties, garanties of contragaranties, en met name financiële garanties of contragaranties en kredieten, ook indien deze uit juridisch oogpunt op zichzelf staan, alsmede alle uit een dergelijke transactie voortkomende of daarmee verband houdende bepalingen;
c) „bevoegde autoriteiten” :
de bevoegde autoriteiten van de lidstaten als aangegeven op de websites die zijn opgesomd in bijlage II;
d) „economische middelen” :
activa van enigerlei aard, materieel of immaterieel, roerend of onroerend, die geen tegoeden zijn, maar kunnen worden gebruikt om tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen;
e) „bevriezing van economische middelen” :
voorkomen dat economische middelen worden gebruikt om op enigerlei wijze tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen, inclusief, maar niet daartoe beperkt, door deze te verkopen, te verhuren of te verhypothekeren;
f) „bevriezing van tegoeden” :
het voorkomen van het op enigerlei wijze muteren, overmaken, corrigeren en gebruiken van, toegang verschaffen tot of omgaan met tegoeden met als gevolg wijzigingen van hun omvang, bedrag, locatie, eigenaar, bezit, onderscheidende kenmerken, bestemming of verdere wijzigingen waardoor het gebruik van bedoelde tegoeden, inclusief het beheer van een beleggingsportefeuille, mogelijk zou worden gemaakt;
g) „tegoeden” :

financiële activa en voordelen van enigerlei aard, met inbegrip van, maar niet beperkt tot:

  1. contanten, cheques, geldvorderingen, wissels, postwissels en andere betaalmiddelen;

  2. deposito's bij financiële instellingen of andere entiteiten, saldi op rekeningen, schulden en schuldbewijzen;

  3. in het openbaar en onderhands verhandelde waardepapieren en schuldbewijzen, inclusief aandelen, certificaten van waardepapieren, obligaties, promesses, warrants, schuldbekentenissen en derivatencontracten;

  4. rente, dividenden of andere inkomsten uit of waarde voortkomende uit of gegenereerd door activa;

  5. krediet, recht op compensatie, garanties, uitvoeringsgaranties of andere financiële verplichtingen;

  6. kredietbrieven, cognossementen, koopbrieven, en

  7. bewijsstukken van belangen in fondsen of financiële middelen;

h) „Sanctiecomité” :
het comité van de Veiligheidsraad, opgericht overeenkomstig punt 9 van Resolutie 2374 (2017) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;
i) „grondgebied van de Unie” :
het grondgebied van alle lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is, onder de in het Verdrag bepaalde voorwaarden, met inbegrip van hun luchtruim.

Artikel 2

1.

Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan of eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan, direct of indirect, van een natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of lichaam die in bijlage I of I bis is vermeld, worden bevroren.

2.

Aan of ten behoeve van de in bijlage I of I bis vermelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen worden geen tegoeden of economische middelen direct of indirect ter beschikking gesteld.

Artikel 2 bis

1.

Bijlage I omvat natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten en lichamen die volgens de Veiligheidsraad of het Sanctiecomité:

  1. vijandelijkheden aangaan die een inbreuk vormen op het akkoord voor vrede en verzoening in Mali (het “akkoord”);

  2. maatregelen nemen die de uitvoering van het akkoord belemmeren, door verdere vertraging bemoeilijken of in het gedrang brengen;

  3. optreden voor, namens of op aanwijzing van, de onder de punten a) of b) bedoelde personen en entiteiten dan wel deze anderszins ondersteunen of financieren, onder meer met de opbrengsten van georganiseerde misdaad, met inbegrip van de productie van en de handel in verdovende middelen en hun precursoren, die afkomstig zijn van of via Mali worden doorgevoerd, de mensenhandel en de migrantensmokkel, de wapensmokkel en -handel alsmede de illegale handel in cultuurgoederen;

  4. betrokken zijn bij het beramen, aansturen, steunen of plegen van aanslagen tegen:

    1. de verschillende in het akkoord vermelde entiteiten, met inbegrip van lokale, regionale en nationale instellingen, gezamenlijke patrouilles en de Malinese strijdkrachten en veiligheidstroepen;

    2. vredeshandhavers van de Multidimensionale Geïntegreerde Stabilisatiemissie van de Verenigde Naties in Mali (MINUSMA) en ander VN-personeel en geassocieerd personeel, met inbegrip van leden van het deskundigenpanel;

    3. internationale veiligheidstroepen, waaronder de Force Conjointe des États du G5 Sahel (FC-G5S, de gezamenlijke strijdkrachten van de Sahel G5), missies van de Europese Unie en Franse strijdkrachten;

  5. de verlening van humanitaire bijstand aan Mali of van de toegang tot of verdeling van humanitaire bijstand in Mali belemmeren;

  6. in Mali daden plannen, aansturen of plegen die het internationale recht inzake de mensenrechten of het internationaal humanitair recht schenden, naargelang het geval, of die een schending van of inbreuk op de mensenrechten vormen, waaronder het viseren van burgers, met inbegrip van vrouwen of kinderen, door het plegen van gewelddaden (waaronder moord, verminking, foltering, of verkrachting of ander seksueel geweld), ontvoering, gedwongen verdwijning, gedwongen ontheemding, aanvallen op scholen, ziekenhuizen, religieuze locaties, of plaatsen waar burgers een toevlucht zoeken;

  7. betrokken zijn bij de inzet en rekrutering van kinderen door gewapende groepen of strijdkrachten die daarbij het toepasselijke internationale recht overtreden in het kader van het gewapende conflict in Mali, of

  8. willens en wetens het reizen vergemakkelijken van een in de lijst opgenomen persoon, in strijd met de reisbeperkingen.

2.

In bijlage I worden de redenen vermeld waarom de personen, entiteiten en lichamen op de lijst zijn geplaatst.

3.

Bijlage I bevat verder, indien beschikbaar, informatie die nodig is om de betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten en lichamen te kunnen identificeren. Met betrekking tot natuurlijke personen kan die informatie bestaan uit namen, inclusief aliassen, geboortedatum en geboorteplaats, nationaliteit, paspoort- en identiteitskaartnummers, geslacht, adres (indien bekend) en functie of beroep. Met betrekking tot rechtspersonen, entiteiten en lichamen kan die informatie bestaan uit namen, plaats en datum van registerinschrijving, registratienummer, en plaats van vestiging.

Artikel 2 ter

1.

Bijlage I bis omvat de natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die door de Raad zijn aangewezen omdat zij:

  1. verantwoordelijk zijn voor, medeplichtig zijn aan, of direct of indirect hebben deelgenomen aan acties of beleidsmaatregelen die de vrede, de veiligheid of de stabiliteit van Mali bedreigen, zoals de in artikel 2 bis, lid 1, bedoelde acties of beleidsmaatregelen, of

  2. de succesvolle voltooiing van de politieke overgang van Mali belemmeren of ondermijnen, onder meer door het houden van verkiezingen of de overdracht van bevoegdheden aan gekozen autoriteiten te belemmeren of te ondermijnen, of

  3. in verband worden gebracht met de onder a) of b) bedoelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.

2.

In bijlage I bis worden de redenen vermeld voor het opnemen van de vermelde personen en entiteiten in de lijst.

3.

Bijlage I bis bevat ook de informatie, indien beschikbaar, die nodig is voor het identificeren van de betrokken personen of entiteiten. Die informatie kan, wat natuurlijke personen betreft, bestaan uit namen, inclusief aliassen, geboortedatum en geboorteplaats, nationaliteit, paspoort- en identiteitskaartnummers, geslacht, adres (indien bekend) en functie of beroep. Met betrekking tot entiteiten kan die informatie namen, plaats en datum van registratie, het registratienummer en de plaats van vestiging omvatten.

Artikel 3

1.

In afwijking van artikel 2 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, op door hen passend geachte voorwaarden, toestemming verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen of voor de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden of economische middelen, nadat zij hebben vastgesteld dat de betrokken tegoeden of economische middelen:

  1. noodzakelijk zijn voor het dekken van uitgaven voor de basisbehoeften van de in bijlage I of bijlage I bis vermelde natuurlijke personen, en de gezinsleden die van deze natuurlijke personen afhankelijk zijn, zoals betalingen voor levensmiddelen, huur of hypotheeklasten, geneesmiddelen of medische behandelingen, belastingen, verzekeringspremies en nutsvoorzieningen;

  2. uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van redelijke honoraria of de vergoeding van gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten;

  3. uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van honoraria of kosten voor het loutere aanhouden of beheren van bevroren tegoeden of economische middelen;

indien de toestemming een persoon, entiteit of lichaam, vermeld in bijlage I, betreft en op voorwaarde dat de bevoegde autoriteit van de desbetreffende lidstaat het Sanctiecomité in kennis heeft gesteld van deze vaststelling en van haar voornemen toestemming te verlenen, en het Sanctiecomité niet binnen vijf werkdagen na deze kennisgeving een negatief besluit heeft genomen.

2.

In afwijking van artikel 2 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, op door hen passend geachte voorwaarden, toestemming verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen of voor de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden of economische middelen, nadat zij hebben vastgesteld dat de betrokken tegoeden of economische middelen noodzakelijk zijn voor de betaling van buitengewone lasten, op voorwaarde dat:

  1. de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat, wanneer de toestemming een in bijlage I vermelde natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of een in bijlage I vermeld lichaam betreft, het Sanctiecomité in kennis heeft gesteld van deze vaststelling en deze door het Sanctiecomité is goedgekeurd, alsmede

  2. de betrokken lidstaat, wanneer de toestemming een in bijlage I bis vermelde natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of een in bijlage I bis vermeld lichaam betreft, de andere lidstaten en de Commissie ten minste twee weken op voorhand heeft gemeld op welke gronden hij van mening is dat de specifieke toestemming moet worden verleend.

3.

In afwijking van artikel 2 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, op door hen passend geachte voorwaarden, met betrekking tot natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten en lichamen, vermeld in bijlage I, toestemming verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen of voor de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden of economische middelen, op voorwaarde dat het Sanctiecomité, per geval, heeft vastgesteld dat deze afwijking een gunstige invloed zou hebben op de nagestreefde vrede en nationale verzoening in Mali en de stabiliteit in de regio.

4.

De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke toestemming die op grond van dit artikel is verleend binnen twee weken na het verlenen van de toestemming.

Artikel 3 bis

Artikel 3 ter

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 13 bis

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 16

BIJLAGE I

BIJLAGE I BIS

BIJLAGE II