Home

Verordening (EU) 2017/1938 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2017 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gasleveringszekerheid en houdende intrekking van Verordening (EU) nr. 994/2010 (Voor de EER relevante tekst)

Verordening (EU) 2017/1938 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2017 betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gasleveringszekerheid en houdende intrekking van Verordening (EU) nr. 994/2010 (Voor de EER relevante tekst)

Artikel 1 Onderwerp

Bij deze verordening worden bepalingen vastgesteld die erop gericht zijn de gasleveringszekerheid veilig te stellen door de goede en continue werking van de interne markt voor gas te waarborgen, door toe te staan dat buitengewone maatregelen kunnen worden genomen, waaronder een solidariteitsmaatregel als uiterste middel, wanneer de markt niet meer in staat is de gevraagde hoeveelheid gas te leveren, en door duidelijk de verantwoordelijkheden van de aardgasbedrijven, de lidstaten en de Unie te omschrijven en toe te wijzen met betrekking tot zowel preventieve actie als reacties op concrete verstoringen van de gaslevering. Deze verordening stelt, in een geest van solidariteit, tevens transparante mechanismen in voor de coördinatie van de planning voor, en reacties op, noodsituaties op nationaal, regionaal en Unieniveau.

Artikel 2 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

    2. „afnemer” :
    een afnemer als gedefinieerd in punt 24 van artikel 2 van Richtlijn 2009/73/EG;
    3. „huishoudelijke afnemer” :
    een huishoudelijke afnemer als gedefinieerd in punt 25 van artikel 2 van Richtlijn 2009/73/EG;
    4. „essentiële sociale dienst” :
    een dienst in verband met gezondheidszorg, essentiële sociale zorg, noodhulp, veiligheid, onderwijs- of openbaar bestuur;
    5. „beschermde afnemer” :

    een huishoudelijke, op een gasdistributienet aangesloten afnemer en daarnaast, indien de betrokken lidstaat daartoe beslist, eventueel ook, voor zover de onder a) en b) bedoelde ondernemingen of diensten samen niet meer dan 20 % van het totale jaarlijkse eindgebruik van gas in die lidstaat vertegenwoordigen:

    1. kleine en middelgrote ondernemingen, op voorwaarde dat zij op een gasdistributienet zijn aangesloten;

    2. essentiële sociale diensten, op voorwaarde dat zij op een gasdistributie- of -transmissienet zijn aangesloten;

    3. stadsverwarmingsinstallaties, voor zover zij verwarming leveren aan huishoudelijke afnemers, kleine en middelgrote ondernemingen of essentiële sociale diensten, op voorwaarde dat deze installaties niet kunnen omschakelen op andere brandstoffen dan gas;

    6. „door solidariteit beschermde afnemer” :

    een huishoudelijke, op een gasdistributienet aangesloten afnemer; het kan ook een of beide van de volgende inhouden:

    1. stadsverwarmingsinstallaties, voor zover zij in de betrokken lidstaat beschermde afnemers zijn en uitsluitend voor zover zij huishoudelijke afnemers of essentiële sociale diensten van verwarming voorzien, met uitzondering van onderwijs- en overheidsdiensten, en/of

    2. essentiële sociale diensten, voor zover zij in de betrokken lidstaat beschermde afnemers zijn, met uitzondering van onderwijs- en overheidsdiensten;

    7. „bevoegde instantie” :
    een nationale overheidsinstantie of een nationale regulerende instantie die door een lidstaat is aangewezen voor de uitvoering van de maatregelen waarin deze verordening voorziet;
    8. „nationale regulerende instantie” :
    een nationale regulerende instantie die is aangewezen overeenkomstig artikel 39, lid 1, van Richtlijn 2009/73/EG;
    9. „aardgasbedrijf” :
    een aardgasbedrijf als gedefinieerd in punt 1 van artikel 2 van Richtlijn 2009/73/EG;
    10. „aardgasleveringscontract” :
    een aardgasleveringscontract als gedefinieerd in punt 34 van artikel 2 van Richtlijn 2009/73/EG;
    11. „transmissie” :
    transmissie als gedefinieerd in punt 3 van artikel 2 van Richtlijn 2009/73/EG;
    12. „transmissiesysteembeheerder” :
    een transmissiesysteembeheerder als gedefinieerd in punt 4 van artikel 2 van Richtlijn 2009/73/EG;
    13. „distributie” :
    distributie als gedefinieerd in punt 5 van artikel 2 van Richtlijn 2009/73/EG;
    14. „distributiesysteembeheerder” :
    een distributiesysteembeheerder als gedefinieerd in punt 6 van artikel 2 van Richtlijn 2009/73/EG;
    15. „interconnector” :
    een interconnector als gedefinieerd in punt 17 van artikel 2 van Richtlijn 2009/73/EG;
    16. „noodaanvoercorridors” :
    gasleveringsroutes in de Unie die de lidstaten helpen de gevolgen van een mogelijke verstoring van de levering of de infrastructuur beter te beperken;
    17. „opslagcapaciteit” :
    opslagcapaciteit als gedefinieerd in punt 28 van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 715/2009;
    18. „technische capaciteit” :
    technische capaciteit als gedefinieerd in punt 18 van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 715/2009;
    19. „vaste capaciteit” :
    vaste capaciteit als gedefinieerd in punt 16 van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 715/2009;
    20. „afschakelbare capaciteit” :
    afschakelbare capaciteit als gedefinieerd in punt 13 van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 715/2009;
    21. „LNG-installatiecapaciteit” :
    LNG-installatiecapaciteit als gedefinieerd in punt 24 van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 715/2009;
    22. „LNG-installatie” :
    een LNG-installatie als gedefinieerd in punt 11 van artikel 2 van Richtlijn 2009/73/EG;
    23. „opslaginstallatie” :
    een opslaginstallatie als gedefinieerd in punt 9 van artikel 2 van Richtlijn 2009/73/EG;
    24. „systeem” :
    een systeem als gedefinieerd in punt 13 van artikel 2 van Richtlijn 2009/73/EG;
    25. „systeemgebruiker” :
    een systeemgebruiker als gedefinieerd in punt 23 van artikel 2 van Richtlijn 2009/73/EG;
    26. „ondersteunende diensten” :
    ondersteunende diensten als gedefinieerd in punt 14 van artikel 2 van Richtlijn 2009/73/EG;
    27. „vultraject” :
    een reeks indicatieve tussentijdse streefdoelen voor de ondergrondse gasopslaginstallaties van elke lidstaat, die het overeenkomstig artikel 6 bis, lid 7, vastgestelde vulplan van die lidstaat vertegenwoordigen;
    28. „vuldoelstelling” :
    een bindend streefdoel voor het vulniveau van de totale capaciteit van de ondergrondse gasopslaginstallaties;
    29. „strategische opslag” :
    ondergrondse of deels ondergrondse opslag van niet-vloeibaar aardgas dat is aangekocht, beheerd en opgeslagen door transmissiesysteembeheerders, een door de lidstaten aangewezen entiteit of een onderneming, dat enkel mag worden vrijgegeven na voorafgaande kennisgeving of een overheidsvergunning voor de vrijgave ervan, en die over het algemeen alleen wordt vrijgegeven in geval van:
    1. grote voorzieningsschaarste;

    2. een leveringsverstoring, of

    3. de afkondiging van een noodsituatie als bedoeld in artikel 11, lid 1, punt c);

    30. „balanceringsvoorraad” :
    niet-vloeibaar aardgas dat:
    1. door transmissiesysteembeheerders of een door de lidstaten aangewezen entiteit wordt aangekocht, beheerd en ondergronds opgeslagen, uitsluitend voor de uitvoering van de functies van transmissiesysteembeheerders en voor de gasleveringszekerheid, en

    2. dat alleen wordt ingezet om het systeem onder veilige en betrouwbare voorwaarden operationeel te houden overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 2009/73/EG en de artikelen 8 en 9 van Verordening (EU) nr. 312/2014;

    31. „ondergrondse gasopslaginstallatie” :
    een opslaginstallatie, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 9, van Richtlijn 2009/73/EG, die wordt gebruikt voor aardgasbevoorrading, met inbegrip van balanceringsvoorraad, en die is aangesloten op een transmissie- of distributiesysteem, met uitzondering van bolvormige of leidingbufferopslag bovengronds;
    32. “gas” :
    aardgas zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1), van Richtlijn (EU) 2024/1788(1).

Artikel 3 Verantwoordelijkheid voor de gasleveringszekerheid

1.

De gasleveringszekerheid is de gedeelde verantwoordelijkheid van de aardgasbedrijven, de lidstaten, met name via hun bevoegde instanties, en de Commissie, elk binnen hun respectieve activiteitenterreinen en bevoegdheidsgebieden.

2.

Elke lidstaat wijst een bevoegde instantie aan. De bevoegde instanties werken met elkaar samen bij de uitvoering van deze verordening. De lidstaten kunnen de bevoegde instantie toestaan specifieke, in deze verordening genoemde taken te delegeren aan andere entiteiten. Wanneer een bevoegde instantie de taak delegeert om een van de in artikel 11, lid 1, bedoelde crisisniveaus af te kondigen, gebeurt die delegatie alleen aan een openbare instantie, een transmissiesysteembeheerder of een distributiesysteembeheerder. Gedelegeerde taken worden uitgevoerd onder het toezicht van de bevoegde instantie en worden gespecificeerd in het preventieve actieplan en in het noodplan.

3.

Elke lidstaat stelt de Commissie onverwijld in kennis van de naam van zijn bevoegde instantie en van elke wijziging daarin, en maakt deze openbaar.

4.

Bij de uitvoering van de maatregelen waarin deze verordening voorziet, stelt de bevoegde instantie de rol en de verantwoordelijkheden van de verschillende betrokken partijen zodanig vast dat een benadering op drie niveaus wordt gewaarborgd, waarbij eerst de betrokken aardgasbedrijven, in voorkomend geval elektriciteitsbedrijven, en het bedrijfsleven worden ingeschakeld, vervolgens de lidstaten op nationaal dan wel regionaal niveau, en in derde instantie de Unie.

5.

De Commissie coördineert het optreden van de bevoegde instanties op regionaal en Unieniveau overeenkomstig deze verordening, onder meer via de GCG of, met name in het geval van een noodsituatie op regionaal of Unieniveau overeenkomstig artikel 12, lid 1, via de in artikel 12, lid 4, bedoelde crisismanagementgroep.

6.

In het geval van een noodsituatie op regionaal of Unieniveau werken de transmissiesysteembeheerders samen en wisselen zij informatie uit via het door het ENTSB-G opgezette RCSG. Het ENTSB-G stelt de Commissie en de bevoegde instanties van de betrokken lidstaten dienovereenkomstig in kennis.

7.

Overeenkomstig artikel 7, lid 2, dienen de belangrijkste grensoverschrijdende risico's voor de gasleveringszekerheid in de Unie te worden geïdentificeerd, en dienen op basis daarvan risicogroepen te worden ingesteld. Die risicogroepen dienen als basis voor nauwere regionale samenwerking ter verbetering van de gasleveringszekerheid en maken overeenstemming mogelijk over passende en doeltreffende grensoverschrijdende maatregelen van alle betrokken lidstaten langs de noodaanvoercorridors, ongeacht of zij binnen of buiten de risicogroepen vallen.

De lijst van die risicogroepen en de samenstelling ervan staan in bijlage I. De samenstelling van de risicogroepen belet geen andere vorm van regionale samenwerking die de leveringszekerheid ten goede komt.

8.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de samenstelling van de risicogroepen in bijlage I te actualiseren door middel van een wijziging van die bijlage die de ontwikkeling weerspiegelt van de belangrijkste grensoverschrijdende risico's voor de gasleveringszekerheid in de Unie en de gevolgen daarvan voor de lidstaten, met inachtneming van de resultaten van een Uniewijde simulatie van scenario's waarin de gaslevering en de infrastructuur worden verstoord, en die overeenkomstig artikel 7, lid 1, door het ENTSB-G worden uitgevoerd. Alvorens over te gaan tot de actualisering, raadpleegt de Commissie de GCG in de samenstelling als bedoeld in artikel 4, lid 4, over de ontwerpactualisering.

Artikel 4 Groep coördinatie gas

1.

Er wordt een Groep coördinatie gas (GCG) opgericht om de coördinatie van maatregelen betreffende de gasleveringszekerheid te bevorderen. De GCG bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten, met name vertegenwoordigers van hun bevoegde instanties, alsmede van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (het „Agentschap”), het ENTSB-G en representatieve organen van de betrokken bedrijfssector en van de betrokken afnemers. De Commissie neemt in overleg met de lidstaten een besluit over de samenstelling van de GCG, waarbij zij erop toeziet dat deze volledig representatief is. De Commissie zit de GCG voor. De GCG stelt haar reglement van orde vast.

2.

De GCG wordt geraadpleegd en staat de Commissie bij, met name met betrekking tot het volgende:

  1. de gasleveringszekerheid, op elk moment en met name in het geval van een noodsituatie;

  2. alle informatie die relevant is voor de gasleveringszekerheid op nationaal, regionaal en Unieniveau;

  3. beste praktijken en mogelijke richtsnoeren voor alle betrokken partijen;

  4. het niveau van de gasleveringszekerheid, benchmarks en evaluatiemethoden;

  5. scenario's op nationaal, regionaal en Unieniveau en het testen van de niveaus van paraatheid;

  6. de beoordeling van de preventieve actieplannen en de noodplannen, de onderlinge samenhang van de verschillende plannen en de uitvoering van de in die plannen voorziene maatregelen;

  7. de coördinatie van de maatregelen als reactie op een noodsituatie op Unieniveau, met de Verdragsluitende partijen bij de Energiegemeenschap en met andere derde landen;

  8. de bijstand die de meest getroffen lidstaten nodig hebben.

3.

De Commissie roept de GCG regelmatig samen en deelt de van de bevoegde instanties ontvangen informatie met de groep, waarbij zij de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie in acht neemt.

4.

De Commissie kan de GCG samenroepen in een samenstelling die beperkt blijft tot de vertegenwoordigers van de lidstaten, en in het bijzonder van hun bevoegde instanties. De Commissie roept de GCG in deze beperkte samenstelling samen indien een of meer vertegenwoordigers van de lidstaten, en in het bijzonder van hun bevoegde instanties, hierom verzoeken. In dit geval is artikel 16, lid 2, niet van toepassing.

Artikel 5 Infrastructuurnorm

1.

Elke lidstaat of, indien een lidstaat daartoe besluit, zijn bevoegde instantie, waarborgt dat de noodzakelijke maatregelen worden genomen opdat, in het geval van verstoring van de grootste afzonderlijke gasinfrastructuur, de technische capaciteit van de resterende infrastructuur, bepaald volgens de N – 1-formule als neergelegd in punt 2 van bijlage II, in staat is om, onverminderd lid 2 van dit artikel, te voldoen aan de totale gasvraag van het berekende gebied gedurende een dag van uitzonderlijk hoge gasvraag die met een statistische waarschijnlijkheid van eens in de 20 jaar voorkomt. Hierbij wordt rekening gehouden met de gasverbruikontwikkelingen, de langetermijneffecten van de energie-efficiëntiemaatregelen en de benuttingsgraad van de bestaande infrastructuur.

De in de eerste alinea van dit lid bedoelde verplichting doet niet af aan de verantwoordelijkheid van de transmissiesysteembeheerders om de overeenkomstige investeringen te verrichten, noch aan de verplichtingen van de transmissiesysteembeheerders als bepaald in Verordening (EG) nr. 715/2009 en Richtlijn 2009/73/EG.

2.

Aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde verplichting om ervoor te zorgen dat de resterende infrastructuur de technische capaciteit heeft om in de totale gasvraag te voorzien, wordt eveneens geacht te zijn voldaan wanneer de bevoegde instantie in het preventieve actieplan aantoont dat een verstoring van de gaslevering tijdig en op afdoende wijze kan worden ondervangen door passende, marktgebaseerde maatregelen aan de vraagzijde. Daartoe wordt de N – 1-formule berekend zoals bepaald in punt 4 van bijlage II.

3.

Indien passend volgens de in artikel 7 bedoelde risico-evaluaties kunnen de bevoegde instanties van naburige lidstaten instemmen gezamenlijk te voldoen aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde verplichting. In dat geval zorgen de bevoegde instanties in de risico-evaluatie voor een berekening van de N – 1-formule en in de regionale hoofdstukken van de preventieve actieplannen voor een toelichting hoe met de afgesproken regeling aan die verplichting wordt voldaan. Punt 5 van bijlage II is van toepassing.

4.

De transmissiesysteembeheerders maken permanente fysieke capaciteit om gas in beide richtingen te vervoeren („bidirectionele capaciteit”) mogelijk op alle interconnecties tussen lidstaten, behalve:

  1. in het geval van aansluitingen op productie-installaties, LNG-installaties en distributienetten, of

  2. wanneer een vrijstelling van deze verplichting is verleend, na een grondige beoordeling en na raadpleging van de andere lidstaten en de Commissie, overeenkomstig bijlage III.

Bijlage III is van toepassing op de procedure om bidirectionele capaciteit op een interconnectie mogelijk te maken of te verhogen dan wel om een vrijstelling van deze verplichting te verkrijgen of te verlengen. De Commissie maakt de lijst met vrijstellingen bekend en actualiseert deze.

5.

Een voorstel om bidirectionele capaciteit mogelijk te maken of te verhogen, dan wel een verzoek tot verlening of verlenging van een vrijstelling, omvat een kosten-batenanalyse op basis van de in artikel 11 van Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad(2) bedoelde methode wordt op de volgende elementen gebaseerd:

  1. een beoordeling van de marktvraag;

  2. ramingen van vraag en aanbod;

  3. de mogelijke economische gevolgen voor de bestaande infrastructuur;

  4. een haalbaarheidsonderzoek;

  5. de kosten van bidirectionele capaciteit, met inbegrip van de nodige versterking van het transmissiesysteem, en

  6. de voordelen voor de gasleveringszekerheid, waarbij rekening wordt gehouden met de bijdrage die bidirectionele capaciteit kan leveren aan de naleving van de in dit artikel bedoelde infrastructuurnorm.

6.

De nationale regulerende instanties houden rekening met de op efficiënte wijze gemaakte kosten om aan de verplichting krachtens lid 1 van dit artikel te voldoen en met de kosten om bidirectionele capaciteit mogelijk te maken, zodat zij passende stimulansen bieden wanneer zij overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 715/2009 en artikel 41, lid 8, van Richtlijn 2009/73/EG de tarieven of methoden op transparante en gedetailleerde wijze vaststellen of goedkeuren.

7.

Wanneer investeringen om bidirectionele capaciteit mogelijk te maken of te verhogen, niet nodig zijn voor de markt, maar noodzakelijk worden geacht voor de gasleveringszekerheid, en wanneer voor deze investeringen in meer dan één lidstaat dan wel in één lidstaat ten behoeve van een andere lidstaat kosten worden gemaakt, nemen de nationale regulerende instanties van alle betrokken lidstaten een gecoördineerd besluit over de kostentoewijzing alvorens enige investeringsbeslissing wordt genomen. Bij de kostentoewijzing wordt rekening gehouden met de in artikel 12, lid 4, van Verordening (EU) nr. 347/2013 beschreven principes en vervatte elementen, in het bijzonder met het deel van de infrastructuurinvesteringen dat de gasleveringszekerheid van de betrokken lidstaten verbetert, alsmede met de investeringen die reeds in de betrokken infrastructuur zijn gedaan. Bij de kostentoewijzing worden de mededinging en de goede werking van de interne markt niet onnodig verstoord en worden onnodige verstorende effecten op de markt vermeden.

8.

De bevoegde instantie zorgt er door de ontwikkeling van een goed verbonden net voor dat nieuwe transmissie-infrastructuur bijdraagt tot de gasleveringszekerheid, in voorkomend geval ook dankzij voldoende grensoverschrijdende entry- en exitpunten, in functie van de marktvraag en de geïdentificeerde risico's.

Bij de risico-evaluatie beoordeelt de bevoegde instantie, rekening houdend met zowel het gas- als het elektriciteitssysteem, of er interne knelpunten zijn en of de nationale entrycapaciteit en infrastructuur, met name de transmissienetten, in staat zijn de nationale en grensoverschrijdende gasstromen aan te passen aan het scenario waarin de grootste afzonderlijke gasinfrastructuur op nationaal niveau en de in de risico-evaluatie geïdentificeerde grootste afzonderlijke gasinfrastructuur die van gemeenschappelijk belang is voor de risicogroep, worden verstoord.

9.

In uitzondering op lid 1 van dit artikel, en overeenkomstig de in dit lid vastgestelde voorwaarden, zijn Luxemburg, Slovenië en Zweden niet gebonden door de aldaar genoemde verplichtingen, maar streven zij ernaar hieraan te voldoen, terwijl zij de gaslevering aan beschermde afnemers overeenkomstig artikel 6 waarborgen.

De uitzondering geldt voor Luxemburg, op voorwaarde dat het:

  1. ten minste twee interconnectoren met andere lidstaten heeft;

  2. ten minste twee verschillende gasaanvoerbronnen heeft, en

  3. op zijn grondgebied niet over gasopslaginstallaties beschikt.

De uitzondering geldt voor Slovenië op voorwaarde dat het:

  1. ten minste twee interconnectoren met andere lidstaten heeft;

  2. ten minste twee verschillende gasaanvoerbronnen heeft, en

  3. op zijn grondgebied noch over gasopslaginstallaties noch over een LNG-installatie beschikt.

De uitzondering geldt voor Zweden op voorwaarde dat:

  1. op zijn grondgebied geen gas naar andere lidstaten wordt doorgevoerd;

  2. het een jaarlijks bruto binnenlands gasverbruik van minder dan 2 Mtoe heeft, en

  3. zijn totale primaire energieverbruik voor minder dan 5 % uit gas bestaat.

Luxemburg, Slovenië en Zweden brengen de Commissie op de hoogte van veranderingen die van invloed zijn op de voorwaarden in dit lid. De in dit lid genoemde uitzondering is niet meer van toepassing wanneer niet langer aan ten minste één van die voorwaarden wordt voldaan.

Als onderdeel van de nationale risico-evaluatie die overeenkomstig artikel 7, lid 3, wordt uitgevoerd, beschrijven Luxemburg, Slovenië en Zweden de situatie met betrekking tot de in dit lid vastgestelde respectieve voorwaarden en de prognoses met betrekking tot de naleving van de in lid 1 van dit artikel bedoelde verplichtingen, rekening houdend met de economische gevolgen van de naleving van de infrastructuurnorm, de ontwikkeling van de gasmarkt en de gasinfrastructuurprojecten in de risicogroep. Op basis van de in de nationale risico-evaluatie verstrekte informatie en indien nog steeds wordt voldaan aan de in dit lid vastgestelde respectieve voorwaarden, kan de Commissie besluiten dat de uitzondering nog vier jaar blijft gelden. In het geval van een positief besluit wordt de in deze alinea omschreven procedure na vier jaar herhaald.

Artikel 6 Gasleveringsnorm

Artikel 6 bis Vuldoelstellingen en vultrajecten

Artikel 6 ter Verwezenlijking van de vuldoelstellingen

Artikel 6 quater Opslagregelingen en lastenverdelingsmechanisme

Artikel 6 quinquies Monitoring en handhaving

Artikel 7 Risico-evaluatie

Artikel 8 Opstellen van preventieve actieplannen en noodplannen

Artikel 8 bis Maatregelen inzake cyberbeveiliging

Artikel 9 Inhoud van preventieve actieplannen

Artikel 10 Inhoud van noodplannen

Artikel 11 Afkondiging van een crisis

Artikel 12 Reactie op een noodsituatie op regionaal of Unieniveau

Artikel 13 Solidariteit

Artikel 13 bis Samenwerking tussen indirect verbonden lidstaten die gebruikmaken van marktgebaseerde maatregelen (vrijwillige maatregelen)

Artikel 14 Gegevensuitwisseling

Artikel 15 Beroepsgeheim

Artikel 16 Samenwerking met de Verdragsluitende partijen bij het Verdrag tot oprichting van de Energiegemeenschap

Artikel 17 Monitoring door de Commissie

Artikel 17 bis Verslaglegging door de Commissie

Artikel 18 Kennisgevingen

Artikel 18 bis Comitéprocedure

Artikel 19 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

Artikel 20 Afwijking

Artikel 21 Intrekking

Artikel 22 Inwerkingtreding

BIJLAGE IRegionale samenwerking

BIJLAGE I terGedeelde verantwoordelijkheid voor de vuldoelstelling en het vultraject

BIJLAGE II

BIJLAGE III

BIJLAGE IV

BIJLAGE V

BIJLAGE VI

BIJLAGE VII

BIJLAGE VIII

BIJLAGE IX