Home

Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 en Besluit nr. 529/2013/EU (Voor de EER relevante tekst)

Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 en Besluit nr. 529/2013/EU (Voor de EER relevante tekst)

Artikel 1 Onderwerp

In deze verordening worden voorschriften vastgesteld met betrekking tot:

  1. de toezeggingen van de lidstaten voor de sector landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw („LULUCF”) die bijdragen tot het verwezenlijken van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en het behalen van het streefcijfer van de Unie inzake de reductie van broeikasgasemissies in de periode van 2021 tot en met 2025;

  2. de boekhouding met betrekking tot broeikasgasemissies en -verwijderingen in de LULUCF-sector, en de controle op de naleving door de lidstaten van de in punt a) bedoelde toezeggingen in de periode 2021 tot en met 2025;

  3. een streefcijfer van de Unie voor nettobroeikasgasverwijderingen in de LULUCF-sector voor 2030;

  4. streefcijfers voor de lidstaten voor nettobroeikasgasverwijderingen in de LULUCF-sector in de periode 2026 tot en met 2030.

Artikel 2 Toepassingsgebied

1.

Deze verordening is van toepassing op emissies en verwijderingen van de in deel A van bijlage I bij deze verordening vermelde broeikasgassen, zoals gerapporteerd op grond van artikel 26, lid 4, van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad(1), die zich in de periode van 2021 tot en met 2025 op het grondgebied van de lidstaten voordoen in de volgende boekhoudcategorieën voor land:

  1. landgebruik dat is aangegeven als in bosgrond omgezet(te) bouwland, grasland, wetlands, woongebied of overig land („bebost land”);

  2. landgebruik dat is aangegeven als in bouwland, grasland, wetlands, woongebied of overig land omgezette bosgrond („ontbost land”);

  3. landgebruik dat is aangegeven als een van de volgende categorieën („beheerd bouwland”):

    1. bouwland dat bouwland blijft,

    2. in bouwland omgezet(te) grasland, wetlands, woongebied of overig land,

    3. in wetlands, woongebied of overig land omgezet bouwland;

  4. landgebruik dat is aangegeven als een van de volgende categorieën („beheerd grasland”):

    1. grasland dat grasland blijft,

    2. in grasland omgezet(te) bouwland, wetlands, woongebied of overig land,

    3. in wetlands, woongebied of overig land omgezet grasland;

  5. landgebruik dat is aangegeven als bosgrond die bosgrond blijft („beheerde bosgrond”);

  6. indien een lidstaat de Commissie uiterlijk op 31 december 2020 in kennis heeft gesteld van zijn voornemen om beheerde wetlands in het toepassingsgebied van zijn bedoelde toezeggingen op grond van artikel 4, lid 1, van deze verordening op te nemen, landgebruik dat is aangegeven als een van de volgende categorieën („beheerde wetlands”):

    • wetlands die wetlands blijven,

    • in wetlands omgezet woongebied of overig land,

    • in woongebied of overig land omgezette wetlands.

2.

Deze verordening is ook van toepassing op emissies en verwijderingen van de in deel A van bijlage I bij deze verordening vermelde broeikasgassen, zoals gerapporteerd op grond van artikel 26, lid 4, van Verordening (EU) 2018/1999, die zich in de periode van 2026 tot en met 2030 op het grondgebied van de lidstaten voordoen in de volgende rapportagecategorieën of -sectoren voor land:

  1. bosgrond;

  2. bouwland;

  3. grasland;

  4. wetlands;

  5. woongebied;

  6. overig land;

  7. geoogste houtproducten;

  8. overige;

  9. atmosferische depositie;

  10. uit- en afspoeling van nitraat.

Artikel 3 Definities

1.

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

    1. „put” :
    elk proces, elke activiteit of elk mechanisme waarbij broeikasgas, aerosol of een precursor van een broeikasgas wordt verwijderd uit de atmosfeer;
    2. „bron” :
    elk proces, elke activiteit of elk mechanisme waarbij broeikasgas, aerosol of een precursor van een broeikasgas wordt uitgestoten in de atmosfeer;
    3. „koolstofreservoir” :
    het geheel of deel van een biogeochemische voorziening of systeem binnen het grondgebied van een lidstaat waarbinnen koolstof en elke koolstofhoudende precursor van een broeikasgas, of elk koolstofhoudend broeikasgas wordt opgeslagen;
    4. „koolstofvoorraad” :
    de massa koolstof die is opgeslagen in een koolstofreservoir;
    5. „geoogst houtproduct” :
    elk van houtkap afkomstig product, dat na de kap is afgevoerd;
    6. „bos” :
    een grondgebied dat voldoet aan de minimumwaarden voor grondoppervlak, kroonbedekking, of een gelijkwaardige staande voorraad, waarvan de potentiële boomhoogte in volwassen staat in situ voor iedere lidstaat is aangegeven in bijlage II. Het omvat gebieden met bomen, inclusief groepen groeiende jonge natuurlijke bomen, of aanplanten die nog de minimumwaarden voor kroonbedekking of een gelijkwaardige staande voorraad of minimumboomhoogte moeten bereiken, zoals aangegeven in bijlage II, inclusief elk gebied dat normaal gesproken deel uitmaakt van het bosgebied maar waarop tijdelijk geen bomen staan als gevolg van menselijk ingrijpen, zoals kap, of als gevolg van natuurlijke oorzaken, maar waarvan verwacht kan worden dat het weer bos zal worden;
    7. „referentieniveau voor bossen” :
    een raming, uitgedrukt in tonnen CO2-equivalent per jaar, van de gemiddelde jaarlijkse netto-emissies of -verwijderingen afkomstig van beheerde bosgrond op het grondgebied van een lidstaat tijdens de perioden van 2021 tot en met 2025 en van 2026 tot en met 2030, op basis van de criteria van deze verordening;
    8. „halfwaardetijd” :
    het aantal jaren voordat de hoeveelheid koolstof die is opgeslagen in een categorie geoogste houtproducten is afgenomen tot de helft van de oorspronkelijke waarde;
    9. „natuurlijke verstoringen” :
    elke niet-antropogene gebeurtenis of omstandigheid die aanzienlijke emissies in de LULUCF-sector veroorzaakt, plaatsvindt buiten de wil van de betrokken lidstaat, en waarvan de lidstaat objectief niet in staat is de effecten op emissies aanzienlijk te beperken, zelfs niet nadat die zich hebben voorgedaan;
    10. „instantane oxidatie” :
    een boekhoudmethode die ervan uitgaat dat op het moment van de kap de volledige hoeveelheid koolstof die in geoogste houtproducten is opgeslagen, in de atmosfeer vrijkomt,
    11. „klimaatverandering” :
    een verandering in het klimaat die direct of indirect wordt toegeschreven aan menselijke activiteit, die de samenstelling van de atmosfeer wijzigt en die naast natuurlijke klimaatwisselingen wordt waargenomen gedurende vergelijkbare perioden.
2.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 16 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de definities in lid 1 van dit artikel te wijzigen of te schrappen, of nieuwe definities toe te voegen, teneinde dat lid aan te passen aan wetenschappelijke ontwikkelingen of technische vooruitgang en ervoor te zorgen dat die definities stroken met eventuele wijzigingen van de overeenkomstige definities in de IPCC-richtsnoeren, als aangenomen door de Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC of de Conferentie van de Partijen die als vergadering van de Partijen bij de Overeenkomst van Parijs fungeert.

Artikel 4 Toezeggingen en streefcijfers

1.

Tijdens de periode van 2021 tot en met 2025 zorgt elke lidstaat ervoor, rekening houdend met de flexibiliteit geboden door de artikelen 12, 13 en 13 bis, dat de broeikasgasemissies niet hoger liggen dan de broeikasgasverwijderingen, berekend als de som van de totale hoeveelheid emissies en de totale hoeveelheid verwijderingen op zijn grondgebied in alle in artikel 2, lid 1, genoemde boekhoudcategorieën voor land.

2.

Het streefcijfer van de Unie voor nettobroeikasgasverwijderingen in 2030 zal 310 miljoen ton CO2-equivalent bedragen als som van de waarden van de netto broeikasgasemissies en -verwijderingen van de lidstaten in 2030 vermeld in kolom D van bijlage II bis, en wordt gebaseerd op het gemiddelde van de in 2020 ingediende broeikasgasinventarisgegevens voor de jaren 2016, 2017 en 2018.

3.

Elke lidstaat zorgt ervoor, rekening houdend met de flexibiliteit geboden door de artikelen 12 en 13 ter, dat de som van zijn broeikasgasemissies en -verwijderingen op zijn grondgebied in alle in artikel 2, lid 2, punten a) tot en met j), genoemde rapportagecategorieën voor land die in de in 2032 ingediende broeikasgasinventaris zijn gerapporteerd voor 2030, in vergelijking met de in 2032 ingediende gemiddelde broeikasgasinventarisgegevens voor de jaren 2016, 2017 en 2018, niet hoger is dan het voor die lidstaat in kolom C van bijlage II bis vastgelegde streefcijfer.

4.

Elke lidstaat zorgt ervoor dat de som van de verschillen tussen de volgende punten voor elk jaar in de periode van 2026 tot en met 2029 niet hoger is dan de emissieruimte voor 2026 tot en met 2029:

  1. zijn broeikasgasemissies en -verwijderingen op zijn grondgebied en in alle in artikel 2, lid 2, punten a) tot en met j), bedoelde rapportagecategorieën voor land, en

  2. de gemiddelde waarde van de in 2032 ingediende broeikasgasinventarisgegevens voor de jaren 2021, 2022 en 2023.

De begroting voor 2026 tot en met 2029 wordt gedefinieerd als de som van de verschillen voor elk jaar in de periode van 2026 tot en met 2029 voor die lidstaat tussen:

  1. jaarlijkse grenswaarden voor broeikasgasemissies en -verwijderingen voor die jaren, vastgesteld op basis van een lineair traject naar 2030, en

  2. de gemiddelde waarde van de in 2025 ingediende broeikasgasinventarisgegevens voor de jaren 2021, 2022 en 2023.

Het lineair traject van een lidstaat begint in 2022 met de gemiddelde waarde van broeikasgasinventarisgegevens voor de jaren 2021, 2022 en 2023, en komt in 2030 uit op de waarde die wordt verkregen door de in kolom C van bijlage II bis vastgelegde waarde voor die lidstaat op te tellen bij de gemiddelde waarde voor broeikasgasinventarisgegevens voor de jaren 2016, 2017 en 2018.

De begroting voor 2026 tot en met 2029 wordt vastgesteld op basis van de in 2025 ingediende broeikasgasinventarisgegevens en de naleving van deze begroting wordt beoordeeld op basis van de in 2032 ingediende broeikasgasinventarisgegevens.

5.

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met voor elk jaar in de periode van 2026 tot en met 2029 de jaarlijkse grenswaarden op basis van het lineaire traject voor nettobroeikasgasverwijderingen voor elke lidstaat in tonnen CO2-equivalent. Die nationale trajecten worden gebaseerd op de door elke lidstaat gerapporteerde gemiddelde broeikasgasinventarisgegevens voor de jaren 2021, 2022 en 2023.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 16 bis van deze verordening bedoelde onderzoeksprocedure. Voor de toepassing van die uitvoeringshandelingen verricht de Commissie een algehele evaluatie van de door de lidstaten op grond van artikel 26, lid 4, van Verordening (EU) 2018/1999 ingediende recentste nationale inventarisgegevens.

6.

Bij de vaststelling van beleidsmaatregelen om te voldoen aan hun toezeggingen, streefcijfers en begrotingen als bedoeld in dit artikel, houden de lidstaten rekening met de noodzaak om voor iedereen een rechtvaardige en sociaal eerlijke transitie te waarborgen. De Commissie kan richtsnoeren vaststellen om de lidstaten daarbij te ondersteunen.

Artikel 5 Algemene boekhoudregels

1.

Elke lidstaat zorgt voor het opstellen en bijhouden van een boekhouding waarin de emissies en verwijderingen afkomstig van de in artikel 2 genoemde boekhoudcategorieën voor land correct worden weerspiegeld. De lidstaten zorgen ervoor dat hun boekhouding en andere in het kader van deze verordening verstrekte gegevens nauwkeurig, volledig, consistent, publiekelijk toegankelijk, vergelijkbaar en transparant zijn. De lidstaten geven emissies met een plusteken (+) aan en verwijderingen met een minteken (–).

2.

De lidstaten voorkomen dubbeltelling van emissies en verwijderingen, met name door ervoor te zorgen dat emissies en verwijderingen onder niet meer dan één boekhoudcategorie voor land worden geboekt.

3.

Ingeval van een omzetting van landgebruik, wijzigen de lidstaten, twintig jaar na de datum van die omzetting, de categorisering van bosgrond, bouwland, grasland, wetlands, woongebied of overig land van dergelijk land omgezet in een ander soort land naar een dergelijk land dat hetzelfde soort land blijft.

4.

De lidstaten nemen in hun boekhoudingen voor elke boekhoudcategorie voor land alle wijzigingen in de koolstofvoorraad van de in bijlage I, deel B, opgesomde koolstofreservoirs op. De lidstaten kunnen ervoor kiezen om wijzigingen in de koolstofvoorraad van koolstofreservoirs niet in hun boekhoudingen op te nemen, op voorwaarde dat het koolstofreservoir geen bron is. Die optie om de wijzigingen in de koolstofvoorraad niet in de boekhoudingen op te nemen, geldt evenwel niet met betrekking tot de koolstofreservoirs van bovengrondse biomassa, dood hout en geoogste houtproducten in de boekhoudcategorie beheerde bosgrond.

5.

De lidstaten houden een volledig en accuraat register bij van alle gegevens die bij het opstellen van hun boekhouding zijn gebruikt.

6.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 16 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage I te wijzigen teneinde rekening te houden met wijzigingen in de IPCC-richtsnoeren als aangenomen door de Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC of de Conferentie van de Partijen die als vergadering van de Partijen bij de Overeenkomst van Parijs fungeert.

Artikel 6 Boekhouding voor bebost land en ontbost land

Artikel 7 Boekhouding voor beheerd bouwland, beheerd grasland en beheerde wetlands

Artikel 8 Boekhouding voor beheerde bosgrond

Artikel 9 Boekhouding voor geoogste houtproducten

Artikel 10 Boekhouding voor natuurlijke verstoringen

Artikel 11 Flexibiliteit en governance

Artikel 12 Algemene flexibiliteit

Artikel 13 Flexibiliteit voor beheerde bosgrond

Artikel 13 bis Aanvullende compensatie

Artikel 13 ter Mechanisme voor landgebruik voor de periode 2026-2030

Artikel 13 quater Governance

Artikel 13 quinquies Corrigerende maatregelen

Artikel 14 Nalevingscontrole

Artikel 15 Register

Artikel 16 Uitoefening van bevoegdheidsdelegatie

Artikel 16 bis Comitéprocedure

Artikel 17 Evaluatie

Artikel 18 Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 525/2013

„BIJLAGE III BIS

Artikel 19 Wijziging van Besluit nr. 529/2013/EU

Artikel 20 Inwerkingtreding

BIJLAGE I

BIJLAGE II

BIJLAGE II bis

BIJLAGE III

BIJLAGE IV

BIJLAGE V

BIJLAGE VI

BIJLAGE VII