Home

Besluit (GBVB) 2019/1894 van de Raad van 11 november 2019 betreffende beperkende maatregelen in het licht van ongeoorloofde booractiviteiten van Turkije in het oostelijk deel van de Middellandse Zee

Besluit (GBVB) 2019/1894 van de Raad van 11 november 2019 betreffende beperkende maatregelen in het licht van ongeoorloofde booractiviteiten van Turkije in het oostelijk deel van de Middellandse Zee

Artikel 1

1.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om de inreis in of de doorreis door hun grondgebied te voorkomen van:

  1. natuurlijke personen die verantwoordelijk zijn voor of betrokken zijn bij, onder meer door het plannen van, het voorbereiden van, het deelnemen aan, het leiding geven aan of het verlenen van bijstand aan booractiviteiten die verbonden zijn aan de exploratie en productie van koolwaterstoffen of de uit die activiteiten voortvloeiende winning van koolwaterstoffen die niet zijn toegestaan door de Republiek Cyprus, binnen haar territoriale wateren of haar exclusieve economische zone of op haar continentaal plat.

    Indien de exclusieve economische zone of het continentaal plat niet overeenkomstig het internationaal recht is afgebakend van een staat met een tegenoverliggende kust, omvat dat tevens activiteiten die het bereiken van een afbakeningsovereenkomst kunnen ondermijnen of belemmeren;

  2. natuurlijke personen die financiële, technische of materiële steun verlenen voor de onder punt a) bedoelde booractiviteiten die verbonden zijn aan de exploratie en productie van koolwaterstoffen of de uit die activiteiten voortvloeiende winning van koolwaterstoffen;

  3. natuurlijke personen die geassocieerd zijn met de onder de punten a) en b) bedoelde natuurlijke personen,

als genoemd in de bijlage.

2.

Uit lid 1 volgt niet dat de lidstaten verplicht zijn de inreis in hun grondgebied van hun eigen onderdanen te weigeren.

3.

Lid 1 laat gevallen waarin de lidstaten gebonden zijn aan een internationaalrechtelijke verplichting, onverlet, te weten:

  1. als gastland van een internationale intergouvernementele organisatie;

  2. als gastland van een internationale conferentie die is bijeengeroepen door of plaatsvindt onder auspiciën van de Verenigde Naties;

  3. krachtens een multilaterale overeenkomst die voorrechten en immuniteiten verleent; of

  4. krachtens het Concordaat (Verdrag van Lateranen) van 1929 dat werd gesloten tussen de Heilige Stoel (Vaticaanstad) en Italië.

4.

Lid 3 wordt ook geacht van toepassing te zijn op gevallen waarin een lidstaat als gastland van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) optreedt.

5.

De Raad wordt naar behoren geïnformeerd indien een lidstaat een vrijstelling op grond van lid 3 of 4 verleent.

6.

De lidstaten kunnen vrijstellingen van de krachtens lid 1 opgelegde maatregelen verlenen voor reizen die plaatsvinden op grond van dringende humanitaire noden of met het oog op het bijwonen van intergouvernementele vergaderingen, door de Unie geïnitieerde vergaderingen of vergaderingen waarvoor de Unie als gastheer optreedt, of vergaderingen waarvoor een lidstaat als fungerend voorzitter van de OVSE als gastheer optreedt, wanneer daar een politieke dialoog wordt gevoerd waarbij de beleidsdoelen van de beperkende maatregelen rechtstreeks worden bevorderd.

7.

De lidstaten kunnen ook vrijstellingen van de krachtens lid 1 opgelegde maatregelen verlenen indien inreis of doorreis noodzakelijk is in verband met een gerechtelijke procedure.

8.

Een lidstaat die de in lid 6 of 7 bedoelde vrijstellingen wil verlenen, brengt zulks schriftelijk ter kennis van de Raad. De vrijstelling wordt geacht te zijn verleend, tenzij één of meer leden van de Raad binnen twee werkdagen na ontvangst van de kennisgeving van de voorgestelde vrijstelling schriftelijk bezwaar maken. In dat geval kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid besluiten de voorgestelde vrijstelling te verlenen.

9.

Wanneer een lidstaat krachtens lid 3, 4, 6, 7 of 8 machtiging verleent tot inreis in of doorreis door zijn grondgebied van de in de bijlage vermelde personen, geldt deze machtiging alleen voor het doel waarvoor zij is verleend en alleen voor de daarbij betrokken personen.

Artikel 2

1.

Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan, eigendom zijn van, in het bezit zijn van of onder zeggenschap staan van:

  1. natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die verantwoordelijk zijn voor of betrokken zijn bij, onder meer door het plannen van, het voorbereiden van, het deelnemen aan, het leiding geven aan of het leiding geven aan of het verlenen van bijstand aan booractiviteiten die verbonden zijn aan de exploratie en productie van koolwaterstoffen of de uit die activiteiten voortvloeiende winning van koolwaterstoffen die niet zijn toegestaan door de Republiek Cyprus, binnen haar territoriale wateren of haar exclusieve economische zone of op haar continentaal plat.

    Indien de exclusieve economische zone of het continentaal plat niet overeenkomstig het internationaal recht is afgebakend van een staat met een tegenoverliggende kust, omvat dat tevens activiteiten die het bereiken van een afbakeningsovereenkomst kunnen ondermijnen of belemmeren;

  2. natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die financiële, technische of materiële steun verlenen voor de onder punt a) bedoelde booractiviteiten die verbonden zijn aan de exploratie en productie van koolwaterstoffen of de uit die activiteiten voortvloeiende winning van koolwaterstoffen;

  3. natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen die geassocieerd zijn met de onder de punten a) en b) bedoelde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen,

als genoemd in de bijlage, worden bevroren.

2.

Er worden geen tegoeden of economische middelen op directe of indirecte wijze ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van de in de bijlage genoemde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen.

3.

In afwijking van de leden 1 en 2 kan de bevoegde autoriteit van een lidstaat, onder zodanige voorwaarden als zij geraden acht, toestemming geven voor de vrijgave of de beschikbaarstelling van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, nadat zij heeft vastgesteld dat de betrokken tegoeden of economische middelen:

  1. noodzakelijk zijn voor het dekken van de uitgaven voor de basisbehoeften van de in de bijlage genoemde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen, en de gezinsleden van die natuurlijke personen die van hen afhankelijk zijn, zoals betalingen voor levensmiddelen, huur of hypotheeklasten, geneesmiddelen en geneeskundige behandelingen, belastingen, verzekeringspremies en nutsvoorzieningen;

  2. uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van redelijke honoraria en vergoeding van gemaakte kosten in verband met de verlening van juridische diensten;

  3. uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van honoraria of kosten voor het loutere houden of beheren van bevroren tegoeden of economische middelen;

  4. noodzakelijk zijn voor de betaling van buitengewone lasten, mits de bevoegde autoriteit, ten minste twee weken voor zij de toestemming geeft, de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie in kennis heeft gesteld van de redenen waarom zij meent dat specifieke toestemming moet worden gegeven; of

  5. gestort worden op of betaald worden van een rekening van een diplomatieke of consulaire missie of een internationale organisatie die bescherming geniet op grond van het internationaal recht, voor zover die betalingen bestemd zijn voor de officiële doelen van de diplomatieke of consulaire missie of de internationale organisatie.

De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke toestemming die overeenkomstig dit lid is verleend.

4.

In afwijking van lid 1 kunnen de bevoegde autoriteiten van een lidstaat toestemming geven voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. de tegoeden of economische middelen zijn het voorwerp van een arbitragebesluit dat is gegeven vóór de datum waarop de natuurlijke persoon of rechtspersoon, de entiteit of het lichaam bedoeld in lid 1 op de lijst in de bijlage is geplaatst, dan wel van een vóór of na die datum in de Unie gegeven rechterlijke of administratieve beslissing of in de betrokken lidstaat uitvoerbare rechterlijke beslissing;

  2. de tegoeden of economische middelen worden uitsluitend gebruikt om te voldoen aan vorderingen die door een dergelijke beslissing zeker zijn gesteld of geldig zijn verklaard, binnen de grenzen gesteld door de toepasselijke wet- en regelgeving betreffende de rechten van houders van dergelijke vorderingen;

  3. de beslissing komt niet ten goede aan een op de lijst in de bijlage geplaatste natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of lichaam; en

  4. de erkenning van de beslissing is niet in strijd met de openbare orde van de betrokken lidstaat.

De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke toestemming die overeenkomstig dit lid is verleend.

5.

Lid 1 belet niet dat op de lijst in de bijlage geplaatste natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen betalingen verrichten die verschuldigd zijn uit hoofde van een contract dat is gesloten vóór de datum waarop de natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen op de lijst werden geplaatst, mits de betrokken lidstaat heeft vastgesteld dat de betalingen niet direct of indirect worden ontvangen door een natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of lichaam als bedoeld in lid 1.

6.

Lid 2 is niet van toepassing op de bijboeking op bevroren rekeningen van:

  1. rente of andere inkomsten op die rekeningen;

  2. betalingen die verschuldigd zijn uit hoofde van contracten, overeenkomsten of verplichtingen die zijn gesloten of ontstaan vóór de datum waarop de in de leden 1 en 2 vervatte maatregelen op deze rekeningen van toepassing werden; of

  3. betalingen die verschuldigd zijn uit hoofde van een gerechtelijke, administratieve of arbitrale beslissing die in de Unie is gegeven of in de betrokken lidstaat uitvoerbaar is,

mits deze rente, andere inkomsten en betalingen onderworpen blijven aan de in lid 1 vervatte maatregelen.

Artikel 3

1.

De Raad stelt, op voorstel van een lidstaat of van de hoge vertegenwoordiger, met eenparigheid van stemmen de lijst in de bijlage vast en past deze aan.

2.

De Raad stelt de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon, de betrokken entiteit of het betrokken lichaam in kennis van de in lid 1 bedoelde besluiten, met inbegrip van de redenen voor plaatsing op de lijst, hetzij rechtstreeks, indien het adres bekend is, hetzij middels de bekendmaking van een kennisgeving, zodat die natuurlijke persoon of rechtspersoon, die entiteit of dat lichaam daarover opmerkingen kan indienen.

3.

Indien er opmerkingen worden ingediend of substantieel nieuw bewijsmateriaal wordt overgelegd, toetst de Raad het in lid 1 bedoelde besluit en brengt hij de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon, de betrokken entiteit of het betrokken lichaam daarvan op de hoogte.

Artikel 4

1.

In de bijlage worden de redenen voor opneming van de in de artikelen 1 en 2 bedoelde natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten en lichamen in de lijst vermeld.

2.

De bijlage bevat ook de informatie – indien deze beschikbaar is – die nodig is voor het identificeren van de betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen. Met betrekking tot natuurlijke personen kan die informatie bestaan uit namen en aliassen, geboortedatum en geboorteplaats, nationaliteit, paspoort- en identiteitskaartnummers, geslacht, adres (indien bekend) en functie of beroep. Met betrekking tot rechtspersonen, entiteiten of lichamen kan die informatie bestaan uit namen, plaats en datum van registerinschrijving, registratienummer en plaats van vestiging.

Artikel 5

Vorderingen in verband met contracten of andere transacties aan de uitvoering waarvan, direct of indirect, geheel of gedeeltelijk, afbreuk is gedaan door de maatregelen die uit hoofde van dit besluit zijn ingesteld, met inbegrip van vorderingen tot schadeloosstelling of soortgelijke vorderingen, zoals een vordering tot schuldvergelijking of een garantievordering, met name een vordering tot verlenging of uitbetaling van een obligatie, garantie of contragarantie, met name een financiële garantie of contragarantie, ongeacht de vorm hiervan, worden niet toegewezen indien deze vorderingen worden ingesteld door:

  1. in de bijlage genoemde natuurlijke personen of rechtspersonen, entiteiten of lichamen;

  2. een natuurlijke persoon of rechtspersoon, entiteit of lichaam, handelend voor rekening of ten behoeve van een van de onder a) bedoelde personen, entiteiten of lichamen.

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

BIJLAGELIJST VAN NATUURLIJKE PERSONEN EN RECHTSPERSONEN, ENTITEITEN EN LICHAMEN ALS BEDOELD IN DE ARTIKELEN 1 EN 2