Home

Verordening (EU) 2020/1998 van de Raad van 7 december 2020 betreffende beperkende maatregelen tegen ernstige schendingen van de mensenrechten

Verordening (EU) 2020/1998 van de Raad van 7 december 2020 betreffende beperkende maatregelen tegen ernstige schendingen van de mensenrechten

Artikel 1

In deze verordening wordt verstaan onder:

  1. „vordering”: elke vóór, op of na de datum van inwerkingtreding van deze verordening ingediende eis, ook wanneer deze de vorm van een rechtsvordering heeft, die voortvloeit uit of verband houdt met de uitvoering van een contract of transactie, en met name:

    1. een vordering tot nakoming van een verplichting die voortvloeit uit of verband houdt met een contract of transactie;

    2. een vordering tot verlenging of uitbetaling van een obligatie, financiële garantie of contragarantie, ongeacht de vorm;

    3. een vordering tot schadeloosstelling in verband met een contract of een transactie;

    4. een tegenvordering;

    5. een vordering, ook via een exequatur, waarmee wordt beoogd erkenning of uitvoering van een rechterlijke of arbitrale uitspraak of van een gelijkwaardige beslissing te verkrijgen, ongeacht de plaats van uitspraak;

  2. „contract of transactie”: elke verrichting, ongeacht de vorm en het recht dat erop van toepassing is, die een of meer contracten of soortgelijke verplichtingen tussen al dan niet dezelfde partijen omvat; in dit verband worden onder „contract” tevens begrepen alle — ook de uit juridisch oogpunt op zichzelf staande — met name financiële garanties of contragaranties en kredieten, alsmede alle uit een dergelijke transactie voortkomende of daarmee verband houdende bepalingen;

  3. „bevoegde autoriteiten”: de op de websites van bijlage II vermelde bevoegde autoriteiten van de lidstaten;

  4. „economische middelen”: activa van enigerlei aard, materieel of immaterieel, roerend of onroerend, die geen tegoeden zijn, maar kunnen worden gebruikt om tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen;

  5. „bevriezing van economische middelen”: voorkomen dat economische middelen worden gebruikt om op enigerlei wijze tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen, inclusief, maar niet daartoe beperkt, door deze te verkopen, te verhuren of te verhypothekeren;

  6. „bevriezing van tegoeden”: voorkomen van het op enigerlei wijze muteren, overmaken, corrigeren of gebruiken van, toegang verschaffen tot of omgaan met tegoeden met als gevolg wijzigingen van hun omvang, bedrag, locatie, eigenaar, bezit, onderscheidende kenmerken of bestemming of verdere wijzigingen waardoor het gebruik van bedoelde tegoeden, inclusief het beheer van een beleggingsportefeuille, mogelijk zou worden gemaakt;

  7. „tegoeden”: financiële activa en voordelen van enigerlei aard, met inbegrip van, maar niet beperkt tot:

    1. contanten, cheques, geldvorderingen, wissels, postwissels en andere betaalmiddelen;

    2. deposito’s bij financiële instellingen of andere entiteiten, saldi op rekeningen, schulden en schuldbewijzen;

    3. in het openbaar en onderhands verhandelde waardepapieren en schuldbewijzen, inclusief aandelen, certificaten van waardepapieren, obligaties, promesses, warrants, schuldbekentenissen en derivatencontracten;

    4. rente, dividenden of andere inkomsten uit of waarde voortkomende uit of gegenereerd door activa;

    5. krediet, recht op compensatie, garanties, uitvoeringsgaranties of andere financiële verplichtingen;

    6. kredietbrieven, cognossementen, koopbrieven;

    7. bewijsstukken van belangen in fondsen of financiële middelen;

  8. „grondgebied van de Unie”: het grondgebied van alle lidstaten waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) van toepassing is, onder de in het VEU bepaalde voorwaarden, met inbegrip van hun luchtruim.

Artikel 2

1.

Deze verordening is van toepassing op:

  1. genocide;

  2. misdaden tegen de menselijkheid;

  3. de volgende ernstige schendingen van de mensenrechten:

    1. foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,

    2. slavernij,

    3. buitengerechtelijke, standrechtelijke en willekeurige executies en moorden,

    4. gedwongen verdwijning van personen,

    5. willekeurige arrestatie of detentie,

  4. andere schendingen van de mensenrechten, waaronder onderstaande, voor zover die wijdverbreid of systematisch van aard zijn of anderszins aanleiding geven tot ernstige bezorgdheid in het licht van de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid als omschreven in artikel 21 VEU:

    1. mensenhandel en mensenrechtenschendingen door migrantensmokkelaars als bedoel in dit artikel,

    2. seksueel en gendergerelateerd geweld,

    3. schendingen van de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging,

    4. schendingen van de vrijheid van mening en meningsuiting,

    5. schendingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging.

2.

Voor de toepassing van lid 1 moet passend rekening worden gehouden met het internationaal gewoonterecht en de algemeen aanvaarde instrumenten van internationaal recht, zoals:

  1. het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten;

  2. het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten;

  3. het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide;

  4. het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing;

  5. het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie;

  6. het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen;

  7. het Verdrag inzake de rechten van het kind;

  8. het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning;

  9. het Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap;

  10. het Protocol inzake de voorkoming, bestrijding en bestraffing van mensenhandel, in het bijzonder vrouwenhandel en kinderhandel, dat het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad aanvult;

  11. het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof;

  12. het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

3.

Voor de toepassing van deze verordening kunnen onder natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen worden verstaan:

  1. overheidsactoren;

  2. andere actoren die effectieve controle of gezag uitoefenen over een grondgebied;

  3. andere niet-overheidsactoren onder voorbehoud van artikel 1, lid 4, van Besluit (GBVB) 2020/1999.

Artikel 3

1.

Alle tegoeden en economische middelen die toebehoren aan of eigendom zijn, in het bezit zijn of onder zeggenschap staan van een in bijlage I vermelde natuurlijke persoon, rechtspersoon, entiteit of een in bijlage I vermeld lichaam, worden bevroren.

2.

Er worden geen tegoeden of economische middelen direct of indirect ter beschikking gesteld aan of ten behoeve van in bijlage I vermelde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen.

3.

Bijlage I omvat de natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten en lichamen waarvoor de Raad overeenkomstig artikel 3 van Besluit (GBVB) 2020/1999 heeft vastgesteld dat zij:

  1. verantwoordelijk zijn voor in artikel 2, lid 1, beschreven handelingen;

  2. financiële, technische of materiële ondersteuning bieden aan of anderszins betrokken zijn bij in artikel 2, lid 1, beschreven handelingen, met inbegrip van het plannen en aansturen van, opdracht geven tot, meewerken aan, voorbereiden, faciliteren en aanmoedigen van dergelijke handelingen;

  3. geassocieerd zijn met de onder de punten a) en b) vallende natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen.

Artikel 4

1.

In afwijking van artikel 3 kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, onder door hen passend geachte voorwaarden, toestemming verlenen voor de vrijgave of beschikbaarstelling van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, nadat zij hebben vastgesteld dat de betrokken tegoeden of economische middelen:

  1. noodzakelijk zijn voor het dekken van uitgaven voor de basisbehoeften van de in de bijlage I genoemde natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen, en de gezinsleden die van deze natuurlijke personen afhankelijk zijn, zoals betalingen voor levensmiddelen, huur of hypotheeklasten, geneesmiddelen of medische behandelingen, belastingen, verzekeringspremies en nutsvoorzieningen;

  2. uitsluitend bestemd zijn voor het betalen van redelijke honoraria of het vergoeden van andere kosten van juridische diensten;

  3. uitsluitend bestemd zijn voor de betaling van honoraria of kosten voor het routinematig houden of beheren van bevroren tegoeden of economische middelen;

  4. noodzakelijk zijn voor de betaling van buitengewone lasten, mits de relevante bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie ten minste twee weken vóór zij de toestemming verleent, in kennis stelt van de redenen waarom zij meent dat specifieke toestemming moet worden verleend, of

  5. gestort worden op of betaald worden van een rekening van een diplomatieke of consulaire missie of een internationale organisatie die bescherming geniet op grond van het internationaal recht, voor zover die betalingen bestemd zijn voor de officiële doelen van de diplomatieke of consulaire missie of de internationale organisatie.

2.

De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke op grond van lid 1 verleende toestemming, binnen twee weken na het verlenen van de toestemming.

Artikel 5

-1.

Artikel 3, leden 1 en 2, is niet van toepassing op het ter beschikking stellen van tegoeden of economische middelen die noodzakelijk zijn voor de tijdige verlening van humanitaire bijstand of voor de ondersteuning van andere activiteiten die beantwoorden aan elementaire menselijke behoeften, indien dergelijke bijstand en andere activiteiten worden uitgevoerd door:

  1. de Verenigde Naties (VN), met inbegrip van de programma’s, fondsen en andere entiteiten en organen daarvan, alsook de gespecialiseerde agentschappen en aanverwante organisaties daarvan;

  2. internationale organisaties;

  3. humanitaire organisaties met de status van waarnemer bij de Algemene Vergadering van de VN en leden van die humanitaire organisaties;

  4. bilateraal of multilateraal gefinancierde niet-gouvernementele organisaties die deelnemen aan de humanitaire responsplannen van de VN, de VN-responsplannen voor vluchtelingen, andere oproepen van de VN of humanitaire clusters die worden gecoördineerd door het VN-Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden;

  5. organisaties en agentschappen waaraan de Unie het certificaat van humanitair partnerschap heeft verleend of die door een lidstaat overeenkomstig nationale procedures gecertificeerd of erkend zijn;

  6. gespecialiseerde agentschappen van de lidstaten, of

  7. werknemers, begunstigden, ondergeschikte organen of uitvoerende partners van de in de punten a) tot en met f) genoemde entiteiten terwijl en voor zover zij in die hoedanigheid handelen.

-1 bis.

De in lid -1 bedoelde vrijstelling is niet van toepassing op natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen die in bijlage I met een asterisk worden aangeduid.

1.

Onverminderd lid -1, en in afwijking van artikel 3, leden 1 en 2, kunnen de bevoegde autoriteiten van een lidstaat, onder door hen passend geachte voorwaarden, toestemming verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen, of voor de beschikbaarstelling van bepaalde tegoeden of economische middelen, nadat zij hebben vastgesteld dat het verstrekken van die tegoeden of economische middelen noodzakelijk is voor de tijdige verlening van humanitaire hulp of voor de ondersteuning van andere activiteiten die beantwoorden aan elementaire menselijke behoeften.

1 bis.

Indien de relevante bevoegde autoriteit binnen vijf werkdagen na ontvangst van een verzoek om toestemming krachtens lid 1 geen negatief besluit heeft genomen, geen verzoek om informatie heeft ingediend of niet heeft laten weten meer tijd nodig te hebben, wordt die toestemming geacht te zijn verleend.

2.

De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie in kennis van elke krachtens dit artikel verleende toestemming, binnen vier weken na het verlenen van een dergelijke toestemming.

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 19

Artikel 20

BIJLAGE ILijst van natuurlijke personen en rechtspersonen, entiteiten en lichamen, bedoeld in artikel 3

BIJLAGE IIWebsites voor informatie over de bevoegde autoriteiten en adres voor kennisgevingen aan de Commissie