Home

Verordening (EU) 2023/1804 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 2014/94/EU (Voor de EER relevante tekst)

Verordening (EU) 2023/1804 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en tot intrekking van Richtlijn 2014/94/EU (Voor de EER relevante tekst)

Artikel 1 Onderwerp

1.

Bij deze verordening worden bindende nationale streefcijfers vastgesteld met het oog op de Uniebrede uitrol van voldoende infrastructuur voor alternatieve brandstoffen voor wegvoertuigen, treinen, vaartuigen en stilstaande luchtvaartuigen. Er worden gemeenschappelijke technische specificaties en eisen vastgesteld inzake de gebruikersinformatie, gegevensverstrekking en betalingsmodaliteiten voor infrastructuur voor alternatieve brandstoffen.

2.

Deze verordening stelt tevens regels vast voor de in artikel 14 bedoelde nationale beleidskaders die de lidstaten dienen vast te stellen, met inbegrip van regels voor de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen in gebieden waarvoor geen bindende Uniebrede doelstellingen zijn vastgesteld, en voor de verslaglegging over de uitrol van die infrastructuur.

3.

Bij deze verordening wordt een rapportagemechanisme ingesteld om samenwerking aan te moedigen en een degelijke monitoring van de voortgang te waarborgen. Dat rapportagemechanisme neemt de vorm aan van een gestructureerd, transparant en iteratief proces dat zich afspeelt tussen de Commissie en de lidstaten en dat gericht is op de voltooiing van de nationale beleidskaders, rekening houdend met bestaande lokale en regionale strategieën voor de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen, en met de daaropvolgende uitvoering daarvan en de overeenkomstige maatregelen van de Commissie gericht op het ondersteunen van een samenhangende en snellere uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen in de lidstaten.

Artikel 2 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  1. “toegankelijkheid van gegevens”: de mogelijkheid om gegevens te allen tijde in een machineleesbaar formaat op te vragen en te verkrijgen;

  2. “ad-hocprijs”: de prijs die de exploitant van een laad- of tankpunt aan een eindgebruiker aanrekent om op ad-hocbasis te laden of te tanken;

  3. “langs het TEN-T-wegennetwerk”:

    1. met betrekking tot elektrische laadstations: dat zij zich bevinden op het TEN-T-wegennetwerk of binnen een rijafstand van 3 km vanaf de dichtstbijzijnde afrit van een TEN-T-weg; en

    2. met betrekking tot waterstoftankstations: dat zij zich bevinden op het TEN-T-wegennetwerk of binnen een rijafstand van 10 km vanaf de dichtstbijzijnde afrit van een TEN-T-weg;

  4. “alternatieve brandstoffen”: brandstoffen of energiebronnen die, ten minste gedeeltelijk, dienen als vervanging voor fossiele oliebronnen in de energie die gebruikt wordt voor vervoer en die kunnen bijdragen tot de decarbonisatie daarvan en tot betere milieuprestaties van de vervoerssector, met inbegrip van:

    1. “alternatieve brandstoffen voor emissievrije voertuigen, treinen, vaartuigen of luchtvaartuigen”:

      • elektriciteit,

      • waterstof,

      • ammoniak,

    2. “hernieuwbare brandstoffen”:

      • biomassabrandstoffen, waaronder biogas, en biobrandstoffen als gedefinieerd in artikel 2, respectievelijk punten 27), 28) en 33), van Richtlijn (EU) 2018/2001,

      • uit hernieuwbare energiebronnen geproduceerde synthetische en paraffinehoudende brandstoffen, waaronder ammoniak,

    3. “niet-hernieuwbare alternatieve brandstoffen en fossiele overgangsbrandstoffen”

      • aardgas, in gasvorm (compressed natural gas — CNG) en in vloeibare vorm (liquefied natural gas — LNG),

      • vloeibaar gemaakt petroleumgas (liquefied petroleum gas — LPG), en

      • uit niet-hernieuwbare energiebronnen geproduceerde synthetische en paraffinehoudende brandstoffen;

  5. “standplaats van een luchtvaartuig aan de gate”: een standplaats in een aangewezen zone van het luchthavenplatform die is uitgerust met een passagiersbrug;

  6. “buitenstandplaats van een luchtvaartuig”: een standplaats in een aangewezen zone van het luchthavenplatform die niet is uitgerust met een passagiersbrug;

  7. “luchthaven van het TEN-T-kernnetwerk of luchthaven van het uitgebreide TEN-T-netwerk”: een luchthaven als genoemd en gecategoriseerd in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1315/2013;

  8. “automatische authenticatie”: de authenticatie van een voertuig bij een laadpunt via de laadconnector of telematica;

  9. “beschikbaarheid van gegevens”: het bestaan van gegevens in een digitaal machineleesbaar formaat;

  10. “batterijelektrisch voertuig”: een elektrisch voertuig dat uitsluitend op de elektromotor rijdt, zonder secundaire voortstuwingsbron;

  11. “bidirectioneel laden”: een slim laadproces waarbij de richting van de elektriciteitsstroom kan worden omgekeerd, waardoor elektriciteit ook van de batterij naar het laadpunt waarop zij is aangesloten kan stromen;

  12. “connector”: de fysieke interface tussen het laad- of tankpunt en het voertuig, via welke de brandstof of elektrische energie wordt uitgewisseld;

  13. “commercieel luchtvervoer”: commercieel luchtvervoer als gedefinieerd in artikel 3, punt 24), van Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad(1);

  14. “containerschip”: een schip dat uitsluitend is ontworpen voor het vervoer van containers in ruimen en op het dek;

  15. “betaling op basis van een contract”: een betaling door de eindgebruiker van een laad- of tankdienst aan een aanbieder van mobiliteitsdiensten op basis van een contract dat is afgesloten tussen die eindgebruiker en die aanbieder van mobiliteitsdiensten;

  16. “gegevensgebruiker”: elke overheidsinstantie, wegenautoriteit, wegexploitant, exploitant van laad- en tankpunten, onderzoeks- of niet-gouvernementele organisatie, aanbieder van mobiliteitsdiensten, elk e-roamingplatform, elke aanbieder van digitale kaarten of elke andere entiteit die geïnteresseerd is in het gebruik van gegevens om informatie te verstrekken, diensten te creëren of onderzoek of analyse uit te voeren met betrekking tot infrastructuur voor alternatieve brandstoffen;

  17. “digitaal verbonden laadpunt”: een laadpunt dat realtime informatie kan verzenden en ontvangen, dat in twee richtingen met het elektriciteitsnet en met het elektrisch voertuig kan communiceren, en dat op afstand kan worden gemonitord en beheerd, onder meer om de laadsessie te starten en te stoppen en om de elektriciteitsstromen te meten;

  18. “distributiesysteembeheerder” (DSO): distributiesysteembeheerder in de zin van artikel 2, punt 29), van Richtlijn (EU) 2019/944;

  19. “distributeur”: een distributeur als gedefinieerd in artikel 3, punt 43, van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad(2);

  20. “dynamische gegevens”: gegevens die vaak of op regelmatige basis wijzigen;

  21. “elektrisch wegsysteem”: een fysieke installatie op een weg voor het overbrengen van elektriciteit naar een rijdend elektrisch voertuig;

  22. “elektrisch voertuig”: een motorvoertuig, uitgerust met een aandrijving die bestaat uit ten minste één niet-perifere elektromotor als energieomzetter met een elektrisch oplaadbaar energieopslagsysteem, dat extern kan worden opgeladen;

  23. “elektriciteitsvoorziening aan stilstaande luchtvaartuigen”: de levering van elektriciteit via een gestandaardiseerde vaste of mobiele interface aan luchtvaartuigen die op een standplaats van een luchtvaartuig aan de gate of op een buitenstandplaats van een luchtvaartuig zijn geparkeerd;

  24. “eindgebruiker”: een natuurlijke of rechtspersoon die alternatieve brandstof koopt voor direct gebruik in een voertuig;

  25. “e-roaming”: de uitwisseling van gegevens en betalingen tussen de exploitant van een laad- of tankpunt en een aanbieder van mobiliteitsdiensten van wie een eindgebruiker een laad- of tankdienst koopt;

  26. “e-roamingplatform”: een platform dat marktspelers, met name aanbieders van mobiliteitsdiensten en exploitanten van laad- of tankpunten, met elkaar verbindt om hen in staat te stellen aan elkaar diensten te verlenen, met inbegrip van e-roaming;

  27. “Europese norm”: een Europese norm als gedefinieerd in artikel 2, punt 1), b), van Verordening (EU) nr. 1025/2012;

  28. “algemene luchtvaart”: alle andere burgerluchtvaartactiviteiten dan geregelde luchtdiensten en niet-geregelde luchtvervoersactiviteiten tegen vergoeding of betaling van huur;

  29. “brutotonnage (GT)”: brutotonnage als gedefinieerd in artikel 3, punt e), van Verordening (EU) 2015/757 van het Europees Parlement en de Raad(3);

  30. “zwaar voertuig”: een motorvoertuig van categorie M2 als omschreven in artikel 4, lid 1, punt a), ii), een motorvoertuig van categorie M3 als omschreven in artikel 4, lid 1, punt a), iii), een motorvoertuig van categorie N2 als omschreven in artikel 4, lid 1, punt b), ii), of een motorvoertuig van categorie N3 als omschreven in artikel 4, lid 1, punt b), iii), van Verordening (EU) 2018/858;

  31. “laadpunt met hoog vermogen”: een laadpunt met een laadvermogen van meer dan 22 kW waarmee elektriciteit kan worden overgebracht naar een elektrisch voertuig;

  32. “een hogesnelheidspassagiersvaartuig”: een hogesnelheidsvaartuig als omschreven in hoofdstuk X, voorschrift 1, van het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974 (SOLAS 74), dat bestemd is voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;

  33. “licht voertuig”: een motorvoertuig van categorie M1 als omschreven in artikel 4, lid 1, punt a), i), of een motorvoertuig van categorie N1 als omschreven in artikel 4, lid 1, punt b), i), van Verordening (EU) 2018/858;

  34. “vloeibaar methaan”: LNG, vloeibaar biogas of synthetisch vloeibaar methaan, met inbegrip van mengsels van die brandstoffen;

  35. “fabrikant”: een fabrikant als gedefinieerd in artikel 3, punt 40, van Verordening (EU) 2018/858;

  36. “aanbieder van mobiliteitsdiensten”: een rechtspersoon die tegen vergoeding diensten verleent aan eindgebruikers, met inbegrip van het verkopen van laad- of tankdiensten;

  37. “laadpunt met normaal vermogen”: een laadpunt met een laadvermogen van maximaal 22 kW waarmee elektriciteit kan worden overgebracht naar een elektrisch voertuig;

  38. “nationaal toegangspunt”: een digitale interface die is opgezet door een lidstaat en een centraal toegangspunt voor gegevens vormt;

  39. “exploitant van een laadpunt”: de entiteit die verantwoordelijk is voor het beheer en de exploitatie van een laadpunt en die een laaddienst levert aan eindgebruikers, onder meer namens en voor rekening van een aanbieder van mobiliteitsdiensten;

  40. “exploitant van een tankpunt”: de entiteit die verantwoordelijk is voor het beheer en de exploitatie van een tankpunt en die een tankdienst levert aan eindgebruikers, onder meer namens en voor rekening van een aanbieder van mobiliteitsdiensten;

  41. “passagiersschip”: een schip dat meer dan twaalf passagiers vervoert, met inbegrip van cruiseschepen, hogesnelheidspassagiersvaartuigen en roropassagiersschepen;

  42. “betalingsdienst”: een betalingsdienst als gedefinieerd in artikel 4, punt 3, van Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad(4);

  43. “plug-in hybride voertuig”: elektrisch voertuig met een conventionele verbrandingsmotor in combinatie met een elektrisch aandrijfsysteem dat via een externe elektrische energiebron kan worden opgeladen;

  44. “laadvermogen”: het theoretische maximumvermogen, uitgedrukt in kW, dat een laadpunt, -station of -pool dan wel een walstroomvoorziening kan leveren aan voertuigen of vaartuigen die zijn aangesloten op dat punt, dat station, die pool of die voorziening;

  45. “openbaar toegankelijke infrastructuur voor alternatieve brandstoffen”: infrastructuur voor alternatieve brandstoffen op een locatie of in een ruimte die toegankelijk is voor het publiek, ongeacht of die infrastructuur voor alternatieve brandstoffen zich op openbaar dan wel op privéterrein bevindt, ongeacht de eventuele beperkingen of voorwaarden voor de toegang tot de locatie of ruimte en ongeacht de gebruiksvoorwaarden van die infrastructuur voor alternatieve brandstoffen;

  46. “Quick-responscode” (QR-code): een ISO/IEC 18004:2015-conforme codering en visualisatie van gegevens;

  47. “ad-hoclaadbeurt”: een door een eindgebruiker aangekochte laaddienst waarvoor hij niet verplicht is zich te registreren, een schriftelijke overeenkomst te sluiten of een commerciële relatie met de exploitant van dat laadpunt aan te gaan die verder gaat dan de loutere aankoop van de laaddienst;

  48. “laadpunt”: een vaste of mobiele, al dan niet op het net aangesloten interface voor het overbrengen van elektriciteit naar een elektrisch voertuig die eventueel weliswaar beschikt over een of meer connectoren zodat zij compatibel is met verschillende typen connectoren maar die slechts in staat is één elektrisch voertuig tegelijk op te laden, met uitzondering van apparaten met een laadvermogen lager dan of gelijk aan 3,7 kW die niet in de eerste plaats voor het opladen van elektrische voertuigen zijn bestemd;

  49. “laadpunt, -station of -pool voor lichte voertuigen”: een laadpunt, -station of -pool dat of die bestemd is voor het opladen van lichte voertuigen, vanwege het specifieke ontwerp van de connectoren/stekkers of vanwege het ontwerp van de parkeerplaats naast het laadpunt, het laadstation of de laadpool, of vanwege beide;

  50. “laadpunt, -station of -pool voor zware voertuigen”: een laadpunt, -station of -pool dat of die bestemd is voor het opladen van zware voertuigen, hetzij vanwege het specifieke ontwerp van de connectoren/stekkers, hetzij vanwege het ontwerp van de parkeerplaats naast het laadpunt, het laadstation of de laadpool, hetzij vanwege beide;

  51. “laadpool”: een of meer laadstations op een specifieke locatie;

  52. “laadstation”: een fysieke installatie op een specifieke locatie, bestaande uit een of meer laadpunten;

  53. “laaddienst”: de verkoop of levering van elektriciteit, met inbegrip van aanverwante diensten, via een openbaar toegankelijk laadpunt;

  54. “laadsessie”: het volledige proces van het opladen van een voertuig op een openbaar toegankelijk laadpunt vanaf het moment waarop het voertuig wordt aangesloten tot het moment waarop het wordt losgekoppeld;

  55. “ad-hoctankbeurt”: een door een eindgebruiker aangekochte tankdienst waarvoor hij niet verplicht is zich te registreren, een schriftelijke overeenkomst te sluiten of een commerciële relatie met de exploitant van dat tankpunt aan te gaan die verder gaat dan de loutere aankoop van de tankdienst;

  56. “tankpunt”: een tankfaciliteit voor de levering van een vloeibare of gasvormige brandstof via een vaste of mobiele installatie, waaraan slechts één voertuig, één trein, één vaartuig of één luchtvaartuig tegelijk kan worden bijgetankt;

  57. “tankdienst”: de verkoop of levering van een vloeibare of gasvormige brandstof via een openbaar toegankelijk tankpunt;

  58. “tanksessie”: het volledige proces van het tanken van een voertuig op een openbaar toegankelijk tankpunt vanaf het moment waarop het voertuig wordt aangesloten tot het moment waarop het wordt losgekoppeld;

  59. “tankstation”: één fysieke installatie op een specifieke locatie, bestaande uit een of meer tankpunten;

  60. “regulerende instantie”: de door elke lidstaat op grond van artikel 57, lid 1, van Richtlijn (EU) 2019/944 aangewezen regulerende instantie;

  61. “hernieuwbare energie”: energie uit hernieuwbare bronnen als gedefinieerd in artikel 2, tweede alinea, punt 1), van Richtlijn (EU) 2018/2001;

  62. “roropassagiersschip”: een schip dat over de nodige voorzieningen beschikt om weg- of spoorvoertuigen het vaartuig op en af te laten rijden en dat bestemd is voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;

  63. “veilig en beveiligd parkeerterrein”: een parkeerplaats die toegankelijk is voor bestuurders die goederen of personen vervoeren en die is gecertificeerd overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1012 van de Commissie(5);

  64. “walstroomvoorziening”: de levering van walstroom door middel van een gestandaardiseerde, vaste of mobiele interface aan zeeschepen of binnenschepen die aangemeerd zijn aan de kade;

  65. “slim opladen”: een laadbeurt waarbij de intensiteit van de aan de batterij geleverde elektriciteit realtime wordt aangepast op basis van via elektronische communicatie ontvangen informatie;

  66. “statische gegevens”: gegevens die niet vaak of niet op regelmatige basis wijzigen;

  67. “uitgebreid TEN-T-netwerk”: een uitgebreid netwerk in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

  68. “TEN-T-kernnetwerk”: een kernnetwerk in de zin van artikel 38 van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

  69. “binnenhaven van het TEN-T-kernnetwerk of binnenhaven van het uitgebreide TEN-T-netwerk”: een binnenhaven van het TEN-T-kernnetwerk of van het uitgebreide TEN-T-netwerk, als genoemd en gecategoriseerd in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1315/2013;

  70. “zeehaven van het TEN-T-kernnetwerk of zeehaven van het uitgebreide TEN-T-netwerk”: een zeehaven van het TEN-T-kernnetwerk of van het uitgebreide TEN-T-netwerk, als genoemd en gecategoriseerd in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1315/2013;

  71. “transmissiesysteembeheerder”: een transmissiesysteembeheerder als gedefinieerd in artikel 2, punt 35), van Richtlijn (EU) 2019/944;

  72. “stedelijk knooppunt”: een stedelijk knooppunt als gedefinieerd in artikel 3, punt p), van Verordening (EU) nr. 1315/2013.

Artikel 3 Streefcijfers voor laadinfrastructuur voor lichte elektrische voertuigen

1.

De lidstaten zien erop toe dat de uitrol van openbaar toegankelijke laadstations voor lichte elektrische voertuigen op hun grondgebied wordt uitgevoerd op een wijze die evenredig is met de toename van het aantal lichte elektrische voertuigen en dat die laadstations voldoende laadvermogen leveren voor die voertuigen.

Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat aan het einde van elk jaar, met ingang van 2024, de volgende streefcijfers voor het beschikbare laadvermogen cumulatief worden gehaald:

  1. voor elk op hun grondgebied ingeschreven licht batterijelektrisch voertuig wordt via openbaar toegankelijke laadstations een totaal laadvermogen geleverd van ten minste 1,3 kW; en

  2. voor elk op hun grondgebied ingeschreven licht plug-in hybride voertuig wordt via openbaar toegankelijke laadstations een totaal laadvermogen geleverd van ten minste 0,80 kW.

2.

Indien het aandeel van lichte batterijelektrische voertuigen in het totale aantal op het grondgebied van een lidstaat ingeschreven lichte voertuigen minstens 15 % bedraagt en de lidstaat aantoont dat de uitvoering van de vereisten van lid 1, tweede alinea, nadelige gevolgen in die lidstaat heeft, in de zin dat particuliere investeringen erdoor worden ontmoedigd, en dat uitvoering van de vereisten niet langer gerechtvaardigd is, kan die lidstaat bij de Commissie een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd lagere vereisten met betrekking tot het totale laadvermogen toe te passen of die vereisten niet langer toe te passen.

3.

De Commissie neemt binnen zes maanden na ontvangst van een op grond van lid 2 ingediend gemotiveerd verzoek een besluit overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval.

4.

De lidstaten zorgen op hun wegennetwerk voor een minimumdekking van openbaar toegankelijke laadpunten voor lichte elektrische voertuigen.

Met het oog daarop zorgen de lidstaten ervoor dat:

  1. op het TEN-T-kernwegennetwerk in elke rijrichting op onderlinge afstanden van maximaal 60 km openbaar toegankelijke laadpools voor lichte elektrische voertuigen worden geïnstalleerd die voldoen aan de volgende eisen:

    1. uiterlijk op 31 december 2025 levert elke laadpool een laadvermogen van ten minste 400 kW en omvat die ten minste één laadpunt met een individueel laadvermogen van ten minste 150 kW;

    2. uiterlijk op 31 december 2027 levert elke laadpool een laadvermogen van ten minste 600 kW en omvat die ten minste twee laadpunten met een individueel laadvermogen van ten minste 150 kW.

  2. binnen het uitgebreide TEN-T-wegennetwerk in elke rijrichting op onderlinge afstanden van maximaal 60 km openbaar toegankelijke laadpools voor lichte elektrische voertuigen worden geïnstalleerd die voldoen aan de volgende eisen:

    1. uiterlijk op 31 december 2027 en voor ten minste 50 % van de lengte van het uitgebreide TEN-T-wegennetwerk levert elke laadpool een laadvermogen van ten minste 300 kW en omvat die ten minste één laadpunt met een individueel laadvermogen van ten minste 150 kW;

    2. uiterlijk op 31 december 2030 levert elke laadpool een laadvermogen van ten minste 300 kW en omvat die ten minste één laadpunt met een individueel laadvermogen van ten minste 150 kW;

    3. uiterlijk op 31 december 2035 levert elke laadpool een laadvermogen van ten minste 600 kW en omvat die ten minste twee laadpunten met een individueel laadvermogen van ten minste 150 kW.

5.

De berekening van het percentage van de lengte van het uitgebreide TEN-T-wegennetwerk als bedoeld in lid 4, punt b), i), is gebaseerd op de volgende elementen:

  1. voor de berekening van de noemer: de totale lengte van het uitgebreide TEN-T-wegennetwerk op het grondgebied van de lidstaat;

  2. voor de berekening van de teller: de opgetelde lengte van de tracés van het uitgebreide TEN-T-wegennetwerk die zijn gelegen tussen twee openbaar toegankelijke laadpools voor lichte elektrische voertuigen die voldoen aan de eisen van lid 4, punt b), i), met uitzondering van tracés van het uitgebreide TEN-T-wegennetwerk die zijn gelegen tussen twee van die laadpools die meer dan 60 km van elkaar verwijderd zijn.

6.

Langs het TEN-T-wegennetwerk is de installatie van één openbaar toegankelijke laadpool voor lichte elektrische voertuigen die voertuigen in beide rijrichtingen bedient, toegestaan op voorwaarde dat:

  1. die laadpool gemakkelijk bereikbaar is vanuit beide rijrichtingen;

  2. die laadpool met goede bewegwijzering is aangegeven; en

  3. voor beide rijrichtingen wordt voldaan aan de in lid 4 vermelde vereisten met betrekking tot de maximumafstand tussen laadpools, het totale laadvermogen van de laadpool, het aantal laadpunten en het laadvermogen per laadpunt die van toepassing zijn op één rijrichting.

7.

In afwijking van lid 4 van dit artikel kunnen de lidstaten, langs wegen van het TEN-T-netwerk met een totale jaarlijkse gemiddelde dagelijkse verkeersdichtheid van minder dan 8 500 lichte voertuigen en indien de uitrol van infrastructuur uit het oogpunt van de sociaal-economische kosten en baten niet kan worden gerechtvaardigd, bepalen dat een openbaar toegankelijke laadpool voor lichte elektrische voertuigen beide rijrichtingen bedient, op voorwaarde dat wordt voldaan aan de in lid 4 van dit artikel vastgestelde vereisten met betrekking tot de maximumafstand tussen laadpools, het totale laadvermogen van de laadpool, het aantal laadpunten en het laadvermogen per laadpunt die van toepassing zijn op één rijrichting, en dat de laadpool gemakkelijk bereikbaar is vanuit beide rijrichtingen en met goede bewegwijzering is aangegeven. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle gevallen waarin zij hebben gebruikgemaakt van de in dit lid bedoelde afwijking. De lidstaten evalueren die gevallen om de twee jaar in het kader van de in artikel 15 bedoelde nationale voortgangsrapportage.

8.

In afwijking van lid 4 van dit artikel kunnen de lidstaten, langs wegen van het TEN-T-netwerk met een totale jaarlijkse gemiddelde dagelijkse verkeersdichtheid van minder dan 8 500 lichte voertuigen en indien de uitrol van infrastructuur gezien de sociaal-economische kosten en baten niet kan worden gerechtvaardigd, het op grond van lid 4 van dit artikel vereiste totale laadvermogen van een openbaar toegankelijke laadpool voor lichte voertuigen met maximaal 50 % verminderen, op voorwaarde dat die laadpool slechts één rijrichting bedient en dat aan de overige in lid 4 van dit artikel vastgestelde vereisten, met betrekking tot de maximumafstand tussen laadpools, het aantal laadpunten en het laadvermogen per laadpunt, wordt voldaan. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle gevallen waarin zij hebben gebruikgemaakt van de in dit lid bedoelde afwijking. De lidstaten evalueren die gevallen om de twee jaar in het kader van de in artikel 15 bedoelde nationale voortgangsrapportage.

9.

In afwijking van de vereiste maximumafstand van 60 km tussen de openbaar toegankelijke laadpools voor lichte voertuigen zoals vastgesteld in lid 4, punten a) en b), van dit artikel, kunnen de lidstaten voor dergelijke laadpools langs TEN-T-wegen met een totale jaarlijkse gemiddeld verkeersdichtheid van minder dan 3 000 lichte voertuigen een grotere afstand van maximaal 100 km toestaan, op voorwaarde dat de afstand tussen de laadpools duidelijk wordt aangegeven. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle gevallen waarin zij hebben gebruikgemaakt van de in dit lid bedoelde afwijking. De lidstaten evalueren die gevallen om de twee jaar in het kader van de in artikel 15 bedoelde nationale voortgangsrapportage.

10.

Wanneer een lidstaat de Commissie in kennis heeft gesteld van een geval waarin hij heeft gebruikgemaakt van een in lid 7 bedoelde afwijking, wordt geacht te zijn voldaan aan de vereisten van lid 4, punten a) en b), wat betreft de maximumafstand tussen laadpools.

11.

Naburige lidstaten zorgen ervoor dat de in de punten a) en b) van lid 4 bedoelde maximumafstanden op grensoverschrijdende wegen van het TEN-T-kernwegennetwerk en het uitgebreide TEN-T-wegennetwerk niet worden overschreden.

Artikel 4 Streefcijfers voor laadinfrastructuur voor zware elektrische voertuigen

1.

De lidstaten zorgen op hun grondgebied voor een minimumdekking van openbaar toegankelijke laadpunten voor zware elektrische voertuigen.

Met het oog daarop zorgen de lidstaten ervoor dat:

  1. uiterlijk op 31 december 2025 op ten minste 15 % van de lengte van het TEN-T-wegennetwerk in elke rijrichting openbaar toegankelijke laadpools voor zware elektrische voertuigen zijn geïnstalleerd en dat elke laadpool een laadvermogen van ten minste 1 400 kW levert en ten minste één laadpunt met een individueel laadvermogen van ten minste 350 kW omvat;

  2. uiterlijk op 31 december 2027 op ten minste 50 % van de lengte van het TEN-T-wegennetwerk in elke rijrichting openbaar toegankelijke laadpools voor zware elektrische voertuigen zijn geïnstalleerd en dat elke laadpool:

    1. op het TEN-T-kernwegennetwerk een laadvermogen van ten minste 2 800 kW levert en ten minste twee laadpunten met een individueel laadvermogen van ten minste 350 kW omvat;

    2. op het uitgebreide TEN-T-wegennetwerk een laadvermogen van ten minste 1 400 kW levert en ten minste één laadpunt met een individueel laadvermogen van ten minste 350 kW omvat;

  3. uiterlijk op 31 december 2030 op het TEN-T-kernwegennetwerk in elke rijrichting op onderlinge afstanden van maximaal 60 km openbaar toegankelijke laadpools voor zware elektrische voertuigen zijn geïnstalleerd en dat elke laadpool een laadvermogen van ten minste 3 600 kW levert en ten minste twee laadpunten met een individueel laadvermogen van ten minste 350 kW omvat;

  4. uiterlijk op 31 december 2030 op het uitgebreide TEN-T-wegennetwerk in elke rijrichting op onderlinge afstanden van maximaal 100 km openbaar toegankelijke laadpools voor zware elektrische voertuigen zijn geïnstalleerd en dat elke laadpool een laadvermogen van ten minste 1 500 kW levert en ten minste één laadpunt met een individueel laadvermogen van ten minste 350 kW omvat;

  5. uiterlijk op 31 december 2027 elk veilig en beveiligd parkeerterrein is uitgerust met ten minste twee openbaar toegankelijk laadstations voor zware elektrische voertuigen met een individueel laadvermogen van ten minste 100 kW;

  6. uiterlijk op 31 december 2030 elk veilig en beveiligd parkeerterrein is uitgerust met ten minste vier openbaar toegankelijke laadstations voor zware elektrische voertuigen met een individueel laadvermogen van ten minste 100 kW;

  7. uiterlijk op 31 december 2025 elk stedelijk knooppunt beschikt over openbaar toegankelijke laadpunten voor zware elektrische voertuigen met een totaal laadvermogen van ten minste 900 kW, geleverd door laadstations met een individueel laadvermogen van ten minste 150 kW;

  8. uiterlijk op 31 december 2030 elk stedelijk knooppunt beschikt over openbaar toegankelijke laadpunten voor zware elektrische voertuigen met een totaal laadvermogen van ten minste 1 800 kW, geleverd door laadstations met een individueel laadvermogen van ten minste 150 kW.

2.

De berekening van het percentage van de lengte van het TEN-T-wegennetwerk als bedoeld in lid 1, punten a) en b), is gebaseerd op de volgende elementen:

  1. voor de berekening van de noemer: de totale lengte van het TEN-T-wegennetwerk op het grondgebied van de lidstaat;

  2. voor de berekening van de teller: de gecumuleerde lengte van de tracés van het TEN-T-wegennetwerk tussen twee openbaar toegankelijke laadpools voor zware elektrische voertuigen die voldoen aan de eisen van respectievelijk lid 1, punt a), of lid 1, punt b), met uitzondering van tracés van het TEN-T-wegennetwerk tussen twee van die laadpools die meer dan 120 km van elkaar verwijderd zijn.

3.

Langs het TEN-T-wegennetwerk kan één openbaar toegankelijke laadpool voor zware elektrische voertuigen worden geïnstalleerd voor beide rijrichtingen, op voorwaarde dat:

  1. die laadpool gemakkelijk bereikbaar is vanuit beide rijrichtingen;

  2. die laadpool met goede bewegwijzering is aangegeven; en

  3. voor beide rijrichtingen wordt voldaan aan de in lid 1 vermelde vereisten met betrekking tot de maximumafstand tussen laadpools, het totale laadvermogen van de laadpool, het aantal laadpunten en het laadvermogen per laadpunt die van toepassing zijn op één rijrichting.

4.

In afwijking van lid 1 van dit artikel kunnen de lidstaten, langs wegen van het TEN-T-netwerk met een totale jaarlijkse gemiddelde dagelijkse verkeersdichtheid van minder dan 2 000 zware voertuigen en indien de uitrol van infrastructuur gezien de sociaal-economische kosten en baten niet kan worden gerechtvaardigd, bepalen dat een openbaar toegankelijke laadpool voor zware elektrische voertuigen beide rijrichtingen bedient, op voorwaarde dat wordt voldaan aan de in lid 1 van dit artikel vastgestelde vereisten met betrekking tot de maximumafstand tussen laadpools, het totale laadvermogen van de laadpool, het aantal laadpunten en het laadvermogen per laadpunt die van toepassing zijn op één rijrichting, en dat de laadpool gemakkelijk bereikbaar is vanuit beide rijrichtingen en met goede bewegwijzering is aangegeven. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle gevallen waarin zij hebben gebruikgemaakt van de in dit lid bedoelde afwijking. De lidstaten evalueren die gevallen om de twee jaar in het kader van de in artikel 15 bedoelde nationale voortgangsrapportage.

5.

In afwijking van lid 1 van dit artikel kunnen de lidstaten, langs wegen van het TEN-T-netwerk met een totale jaarlijkse gemiddelde dagelijkse verkeersdichtheid van minder dan 2 000 zware voertuigen en indien de uitrol van infrastructuur gezien de sociaal-economische kosten en baten niet kan worden gerechtvaardigd, het op grond van lid 1 van dit artikel vereiste totale laadvermogen van een openbaar toegankelijke laadpool voor zware elektrische voertuigen met maximaal 50 % verminderen, op voorwaarde dat die laadpool slechts één rijrichting bedient en dat aan de andere in lid 1 van dit artikel vastgestelde vereisten met betrekking tot de maximumafstand tussen laadpools, het aantal laadpunten en het laadvermogen per laadpunt wordt voldaan. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle gevallen waarin zij hebben gebruikgemaakt van de in dit lid bedoelde afwijking. De lidstaten evalueren die gevallen om de twee jaar in het kader van de in artikel 15 bedoelde nationale voortgangsrapportage.

6.

In afwijking van de vereiste maximumafstand van 60 km tussen de openbaar toegankelijke laadpools voor zware elektrische voertuigen zoals vastgesteld in lid 1, punt c), van dit artikel, kunnen de lidstaten voor dergelijke laadpools langs de wegen van het TEN-T-kernnetwerk met een totale jaarlijkse gemiddelde dagelijkse verkeersdichtheid van minder dan 800 zware voertuigen een grotere afstand van maximaal 100 km toestaan, op voorwaarde dat de afstand tussen de laadpools goed wordt aangegeven. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle gevallen waarin zij hebben gebruikgemaakt van de in dit lid bedoelde afwijkingen. De lidstaten evalueren die gevallen om de twee jaar in het kader van de in artikel 15 bedoelde nationale voortgangsrapportage.

7.

Wanneer een lidstaat de Commissie in kennis heeft gesteld van een geval waarin hij heeft gebruikgemaakt van een in lid 6 bedoelde afwijking, wordt geacht te zijn voldaan aan het vereiste van lid 1, punt c), wat betreft de maximumafstand tussen de laadpools.

8.

In afwijking van de in lid 1, punten a), b), c) en d), vastgestelde vereisten met betrekking tot het totale laadvermogen van openbaar toegankelijke laadpools voor zware elektrische voertuigen en van het in lid 1, punt c), vastgestelde vereiste met betrekking tot de maximumafstand tussen die laadpools, kan Cyprus bij de Commissie een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd lagere eisen inzake het totale laadvermogen van openbaar toegankelijke laadpools voor zware elektrische voertuigen of een grotere afstand van maximaal 100 km tussen die laadpools, dan wel beide, toe te passen, op voorwaarde dat een dergelijk verzoek, als het wordt ingewilligd, het verkeer van zware elektrische voertuigen in die lidstaat niet zal belemmeren.

De Commissie neemt binnen zes maanden na ontvangst van een op grond van de eerste alinea ingediend gemotiveerd verzoek een besluit overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. Elke op grond van een dergelijk besluit aan Cyprus verleende machtiging is ten hoogste vier jaar geldig. Wanneer Cyprus de geldigheidsduur van de machtiging wenst te verlengen, kan het vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de machtiging bij de Commissie een nieuw met redenen omkleed verzoek indienen.

9.

Uiterlijk op 31 december 2030 zorgen naburige lidstaten ervoor dat de in lid 1, punten c) en d), bedoelde maximumafstanden tussen laadpools op grensoverschrijdende tracés van het TEN-T-kernwegennetwerk en het uitgebreide TEN-T-wegennetwerk niet worden overschreden. Vóór die datum wordt bijzondere aandacht besteed aan de grensoverschrijdende tracés en stellen de naburige lidstaten alles in het werk om die maximumafstanden in acht te nemen zodra zij de laadinfrastructuur op de grensoverschrijdende tracés van het TEN-T-wegennetwerk uitrollen.

Artikel 5 Laadinfrastructuur

1.

Exploitanten van laadpunten bieden eindgebruikers op de door hen geëxploiteerde openbaar toegankelijke laadpunten de mogelijkheid om hun elektrisch voertuig op ad-hocbasis te laden.

Bij openbaar toegankelijke laadpunten die vanaf 13 april 2024 worden geïnstalleerd, is het mogelijk een ad-hoclaadbeurt te betalen met behulp van een in de Unie gangbaar betaalinstrument. Daartoe zorgen exploitanten van laadpunten ervoor dat bij die punten elektronisch kan worden betaald via terminals en apparaten voor betalingsdiensten, waaronder ten minste een van de volgende:

  1. betaalkaartlezers;

  2. apparaten voor contactloos betalen die ten minste in staat zijn betaalkaarten te lezen;

  3. voor openbaar toegankelijke laadpunten met een laadvermogen van minder dan 50 kW, apparaten met een internetverbinding en mogelijkheid tot een veilige betalingstransactie, die bijvoorbeeld een specifieke Quick-responscode genereren.

Met ingang van 1 januari 2027 zorgen exploitanten van laadpunten ervoor dat alle door hen geëxploiteerde openbaar toegankelijke laadpunten met een laadvermogen van 50 kW of meer die langs het TEN-T-wegennetwerk of op een veilig en beveiligd parkeerterrein zijn geïnstalleerd, met inbegrip van laadpunten die zijn geïnstalleerd vóór 13 april 2024, voldoen aan de vereisten die zijn vastgesteld in punt a) of punt b).

Een enkele betaalterminal of een enkel betaalapparaat als bedoeld in de tweede alinea kan meerdere openbaar toegankelijke laadpunten binnen een laadpool bedienen.

De in dit lid vastgestelde vereisten zijn niet van toepassing op openbaar toegankelijke laadpunten waarbij de laaddienst gratis wordt verleend.

2.

Wanneer exploitanten van laadpunten op een door hen geëxploiteerd openbaar toegankelijk laadpunt automatische authenticatie aanbieden, zorgen zij ervoor dat eindgebruikers altijd het recht hebben om geen gebruik te maken van de automatische authenticatie en in plaats daarvan ofwel hun voertuig op ad-hocbasis kunnen opladen, zoals bepaald in lid 1, ofwel kunnen gebruikmaken van een andere contractuele laadoplossing die op dat laadpunt wordt aangeboden. Op elk openbaar toegankelijk laadpunt dat zij exploiteren en waar zij automatische authenticatie beschikbaar stellen, vermelden exploitanten van laadpunten op duidelijke wijze dat die optie beschikbaar is voor eindgebruikers en bieden zij hun die optie op een handige manier aan.

3.

De prijzen die exploitanten van openbaar toegankelijke laadpunten in rekening brengen, zijn redelijk, gemakkelijk en duidelijk vergelijkbaar, transparant en niet-discriminerend. Exploitanten van openbaar toegankelijke laadpunten maken via de in rekening gebrachte prijzen geen onderscheid tussen eindgebruikers en aanbieders van mobiliteitsdiensten of tussen verschillende aanbieders van mobiliteitsdiensten. Niettemin kan het prijsniveau worden gedifferentieerd, maar enkel indien zulks op evenredige wijze gebeurt en objectief gerechtvaardigd is.

4.

Bij openbaar toegankelijke laadpunten met een laadvermogen van 50 kW of meer is de door de exploitant in rekening gebrachte ad-hocprijs gebaseerd op de prijs per kWh voor de geleverde elektriciteit. Voorts kunnen de exploitanten van die laadpunten een rotatietarief in de vorm van een prijs per minuut in rekening brengen om langdurige bezetting van het laadpunt te ontmoedigen.

Exploitanten van openbaar toegankelijke laadpunten met een laadvermogen van 50 kW of meer vermelden bij de laadstations de ad-hocprijs per kWh en een eventueel in prijs per minuut uitgedrukt rotatietarief, zodat die informatie bij de eindgebruikers bekend is voordat zij een laadsessie beginnen en prijsvergelijking wordt vergemakkelijkt.

Exploitanten van openbaar toegankelijke laadpunten met een laadvermogen van minder dan 50 kW stellen bij de door hen geëxploiteerde laadstations de informatie over de ad-hocprijs en alle prijscomponenten ervan duidelijk en gemakkelijk beschikbaar, zodat die informatie bij de eindgebruikers bekend is voordat zij een laadsessie beginnen en prijsvergelijking wordt vergemakkelijkt. De toepasselijke prijscomponenten worden in de volgende volgorde gepresenteerd:

  • de prijs per kWh,

  • de prijs per minuut,

  • de prijs per sessie, en

  • alle andere prijscomponenten die van toepassing zijn.

De eerste en de tweede alinea zijn van toepassing op alle laadpunten die geïnstalleerd worden vanaf 13 april 2024.

5.

De prijzen die aanbieders van mobiliteitsdiensten aan eindgebruikers in rekening brengen, zijn redelijk, transparant en niet-discriminerend. Aanbieders van mobiliteitsdiensten stellen eindgebruikers vóór het begin van een geplande laadsessie via vrij toegankelijke, breed ondersteunde elektronische middelen alle prijsinformatie ter beschikking die op die laadsessie van toepassing is; daarbij wordt duidelijk onderscheid gemaakt tussen alle prijscomponenten, waaronder de toepasselijke e-roamingkosten en andere door de aanbieder van mobiliteitsdiensten aangerekende vergoedingen of kosten. De vergoedingen zijn redelijk, transparant en niet-discriminerend. Aanbieders van mobiliteitsdiensten brengen geen extra kosten in rekening voor grensoverschrijdende e-roaming.

6.

De lidstaten zorgen ervoor dat hun autoriteiten regelmatig toezicht houden op de markt voor laadinfrastructuur, en met name ervoor zorgen dat exploitanten van laadpunten en aanbieders van mobiliteitsdiensten de leden 3 en 5 naleven. De lidstaten streven er tevens naar dat hun autoriteiten regelmatig toezicht houden op mogelijk oneerlijke handelspraktijken die gevolgen hebben voor consumenten.

7.

Uiterlijk op 14 oktober 2024 zorgen exploitanten van laadpunten ervoor dat alle door hen geëxploiteerde openbaar toegankelijke laadpunten digitaal verbonden zijn.

8.

Exploitanten van laadpunten zorgen ervoor dat alle door hen geëxploiteerde openbaar toegankelijke laadpunten die gebouwd zijn na 13 april 2024 of gerenoveerd zijn na 14 oktober 2024 slim kunnen laden.

9.

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat op parkeer- en rustplaatsen langs het TEN-T-wegennetwerk waar infrastructuur voor alternatieve brandstoffen is geïnstalleerd, de exacte plaats van de infrastructuur voor alternatieve brandstoffen met goede bewegwijzering wordt aangegeven.

10.

Uiterlijk op 14 april 2025 zorgen exploitanten van openbaar toegankelijke laadpunten ervoor dat alle door hen geëxploiteerde openbaar toegankelijke laadpunten met gelijkstroom (DC), uitgerust zijn met een vaste laadkabel.

11.

Als de exploitant van een laadpunt niet de eigenaar is van dat punt, stelt de eigenaar de exploitant, overeenkomstig de tussen beide getroffen regelingen, een laadpunt ter beschikking waarvan de technische kenmerken hem in staat stellen te voldoen aan de in de leden 2, 7, 8 en 10 vastgestelde verplichting.

Artikel 6 Streefcijfers voor waterstoftankinfrastructuur voor wegvoertuigen

Artikel 7 Infrastructuur voor het tanken van waterstof

Artikel 8 Infrastructuur voor vloeibaar methaan voor wegvoertuigen

Artikel 9 Streefcijfers voor walstroomvoorzieningen in zeehavens

Artikel 10 Streefcijfers voor walstroomvoorzieningen in binnenhavens

Artikel 11 Streefcijfers voor de levering van vloeibaar methaan in zeehavens

Artikel 12 Streefcijfers voor de levering van elektriciteit aan stilstaande luchtvaartuigen

Artikel 13 Spoorweginfrastructuur

Artikel 14 Nationale beleidskaders

Artikel 15 Nationale rapportage

Artikel 16 Inhoud, structuur en formaat van nationale beleidskaders en nationale voortgangsverslagen

Artikel 17 Beoordeling van de nationale beleidskaders en nationale voortgangsverslagen

Artikel 18 Voortgangsbewaking

Artikel 19 Informatie voor gebruikers

Artikel 20 Gegevensverstrekking

Artikel 21 Gemeenschappelijke technische specificaties

Artikel 22 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

Artikel 23 Comitéprocedure

Artikel 24 Verslaglegging en evaluatie

Artikel 25 Intrekking

Artikel 26 Inwerkingtreding en toepassing

BIJLAGE IRapportage

BIJLAGE IITechnische specificaties

BIJLAGE IIIRapportagevereisten inzake het aandeel elektrische voertuigen en de uitrol van openbaar toegankelijke laadinfrastructuur

BIJLAGE IVConcordantietabel